20250408 06e TAM Motivering
Tekst van het document
49
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
situering van de rekenpunten.
Situering rekenpunten
Het geluid is berekend per bronsoort. De rijksweg, de spoorlijn en de gemeenteweg zijn afzonderlijke geluidbronsoorten. De rekenresultaten zijn voor de maatgevende punten opgenomen in onderstaande tabel weergegeven.
Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluid afkomstig van de rijksweg maximaal 52 dB bedraagt. Het geluid overschrijdt de standaardwaarde van 50 dB ter plaatse van de 4e bouwlaag van het appartementengebouw en de kavel voor de vrijstaande woning. De grenswaarde van 60 wordt niet overschreden. Het geluid afkomstig van gemeenteweg overschrijdt de standaardwaarde van 53 dB niet. Het geluid bedraagt maximaal 46 dB. Het geluid afkomstig van de spoorweg bedraagt maximaal 59 dB. Het geluid overschrijdt de standaardwaarde van 55 dB ter plaatse van de 4e bouwlaag van het appartementengebouw en de kavel voor de vrijstaande woning. De grenswaarde van 65 dB wordt niet overschreden.
50
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Bij het toelaten van een overschrijding van de standaardwaarde is onderzoek noodzakelijk naar geluidbeperkende maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren tot de standaardwaarde. Wanneer deze niet (financieel) doelmatig zijn, kan gemotiveerd een hogere waarde worden toegestaan. Maatregelen aan de bron Zowel voor de rijksweg als de spoorweg geldt dat de gemeente geen of dusdanig beperkte invloed heeft op geluidsbeperkende maatregelen dat deze als onvoldoende doelmatig zijn te beschouwen. Maatregelen in de overdracht Vanwege de zone (gas)leiding nabij het spoor, mag er geen geluidswerende voorziening (meer) worden opgericht op de plek waar deze effectief is (nabij het spoor). Een geluidswerende voorziening op voldoende afstand van de gasleiding is niet meer effectief, is stedenbouwkundig en landschappelijk ongewenst en tast de beleef- en bruikbaarheid van het groengebied dusdanig aan dat dit nagenoeg onbruikbaar wordt. Maatregelen in de overdracht zijn dus ook als onvoldoende doelmatig te beschouwen. Maatregelen bij de ontvanger Maatregelen bij de ontvanger kunnen worden genomen door bijv. de woningen akoestisch gunstig in te delen en te kiezen voor inpandige balkons / loggia's in plaats van uitkragende balkons.
Gecumuleerd geluid Bij een overschrijding van de standaardwaarde op een geluidgevoelig gebouw dient de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen te worden bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 55 dB. Dit kan gekwalificeerd worden als redelijk. Bij het bepalen van de geluidwering van de gevels moet uitgegaan worden van het gezamenlijk geluid. Het gezamenlijk geluid is het geluid van verschillende bronsoorten op een gevel, energetisch opgeteld zonder rekening te houden met correcties voor verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid bedraagt maximaal 60 dB. Voor geluidgevoelige gebouwen geldt een grenswaarde voor de binnenwaarde in geluidgevoelige ruimten van 33 dB. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning van het desbetreffende gebouw dient te worden aangetoond dat dit binnenklimaat behaald kan worden. Doorwerking in het omgevingsplan Op 7 van de 100 rekenpunten wordt de standaardwaarde vanwege de rijksweg en/of vanwege het spoor overschreden. Op geen enkel rekenpunt wordt de grenswaarde overschreden. Zolang de grenswaarde niet wordt overschreden, heeft het bevoegd gezag (gemeente), op grond van de Omgevingswet bestuurlijke afwegingsruimte om gemotiveerd een overschrijding van de standaardwaarde toe te staan.
De motivering bestaat in dit geval uit bovenstaande motivering van de doelmatigheid van de maatregelen en anderzijds uit de noodzaak en urgentie om invulling te geven aan de woningbouwopgave voor de gemeente Eijsden-Margraten. Voor de locaties waar de standaardwaarde wordt overschreden, is in de regeling van dit TAM-omgevingsplan een toegestane hogere waarde opgenomen die aansluit bij de berekende waarde. De berekende waarden zijn dusdanig dat deze aanvaardbaar worden geacht, mede gelet op het feit dat er steeds een geluidluwe zijde aanwezig is. Het berekende gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 55 dB en wordt daarmee gekwalificeerd als redelijk. Dit wordt eveneens als aanvaardbaar geacht, mede gelet op de kwaliteit van de locatie en het belang van het realiseren van woningbouw. Het gezamenlijk geluid is eveneens in de regeling van dit TAM-omgevingsplan vastgelegd. Een en ander in ogenschouw nemende is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft geluid door (spoor)wegen.
51
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
6.7
Luchtkwaliteit
Bij het toelaten van woningen in het omgevingsplan speelt luchtkwaliteit een rol. Enerzijds dient de luchtkwaliteit bij de nieuwe woningen aanvaardbaar te zijn. Anderzijds mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Omgevingswaarden Artikel 2.15 van de Omgevingswet schrijft voor dat omgevingswaarden vastgesteld worden om de gezondheid en het milieu te beschermen, de veiligheid te waarborgen en natuurlijke hulpbronnen te beheren. Deze omgevingswaarden zijn vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is de AMvB waarin de omgevingswaarden van het Rijk vastgelegd zijn. Het gaat onder meer om omgevingswaarden voor de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2.5), lood, ozon en gevaarlijke stoffen. Deze omgevingswaarden zijn terug te vinden in met name artikelen 2.1 tot en 2.8 van het Bkl en gelden als maximaal toelaatbare concentratie. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof zijn opgenomen in de volgende tabel.
Aandachtsgebieden In enkele regio's in Nederland is de jaargemiddelde concentratie luchtverontreinigende stoffen nog hoog. In deze regio's worden omgevingswaarden soms overschreden, of liggen de concentraties dicht bij de omgevingswaarden waardoor nieuwe projecten kunnen leiden tot overschrijding van de omgevingswaarden. De overheid heeft deze regio's aangewezen als aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten projecten getoetst worden aan de omgevingswaarden en vindt monitoring van de luchtkwaliteit plaats. Er is onderscheid gemaakt in: Aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijn stof; en Aandachtsgebieden voor alleen fijn stof. De gemeente Eijsden-Margraten is geen aandachtsgebied. Schone Lucht Akkoord (SLA) Op 1 augustus 2009 werd het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. In het NSL werkten de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om tijdig (binnen de verkregen derogatietermijn) te voldoen aan de Europese normen voor stikstofdioxide en fijn stof. Na afloop van de
52
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
derogatietermijn, liep het NSL door om de luchtkwaliteit in Nederland verder te verbeteren. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het NSL vervallen en vervangen door het Schone Lucht Akkoord (SLA). Het SLA ging al op 13 januari 2020 van start en is op 31 december 2023 reeds ondertekend door de Rijksoverheid (vertegenwoordigd door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat), alle twaalf Nederlandse provincies en 101 gemeenten. Het doel van het SLA is om de luchtkwaliteit in Nederland verder te verbeteren en gezondheidswinst te bereiken van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Sinds 1 januari 2023 is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit. Deze monitoring gebeurt sinds 1 januari 2024 in het kader van de Omgevingswet, als opvolging van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). CIMLK ondersteunt ook de monitoring voor het Schone Lucht Akkoord. Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) Voor projecten of activiteiten die 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit nodig. Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging beperkt is.
Concreet is sprake van een NIBM project/activiteit wanneer het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Wanneer een project of activiteit voldoet aan het besluit NIBM, is toetsing aan omgevingswaarden niet nodig. Bij het toelaten van woningen zijn luchtkwaliteitsberekeningen meestal niet nodig. Er hoeft niet getoetst te worden aan de omgevingswaarde als de woningen NIBM bijdragen aan de luchtverontreiniging. Woningbouw is per definitie NIBM als het gaat om maximaal: 1500 woningen bij 1 ontsluitingsweg 3000 woningen bij 2 ontsluitingswegen Komen de woningen in of bij een aandachtsgebied en is de ontwikkeling niet NIBM? Dan moet de gemeente nagaan of voldaan wordt aan de rijksomgevingswaarden. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL2007) De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl 2007) bevat voorschriften voor het meten en berekenen van de concentratie en depositie van luchtverontreinigende stoffen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) maakt jaarlijks enkele generieke gegevens bekend, die bij een luchtkwaliteitsberekening moeten worden gebruikt. Het betreft onder meer de achtergrondconcentratiekaarten (GCN-kaarten) en enkele emissiefactoren voor verkeer en voor veehouderijen.
Deze generieke gegevens worden vervolgens verwerkt in de nieuwste versies van rekenmodellen. Toepasbaarheidsbeginsel In de Omgevingswet is opgenomen dat de luchtkwaliteit niet getoetst hoeft te worden op plaatsen waar geen mensen kunnen komen. Dit houdt in: Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op plaatsen waar het publiek geen toegang heeft en waar geen permanente bewoning is. Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen (hier gelden de ARBO-regels). Dit omvat mede de (eigen) bedrijfswoning. Een uitzondering hierop is voor publiek toegankelijke plaatsen zoals tuincentra; deze worden wél beoordeeld (hierbij speelt het zogenaamde blootstellingscriterium een rol). Bij de beoordeling van een inrichting in het kader van de Wet milieubeheer vindt toetsing plaats vanaf de grens van de inrichting of bedrijfsterrein. Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op de rijbaan van wegen, en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang hebben tot de middenberm.
53
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Het toepasbaarheidsbeginsel komt in het Bkl voor in: Artikel 5.52 – toelaten activiteiten in omgevingsplan. Artikel 8.17 – beoordelingsregels milieubelastende activiteiten. Artikel 11.19 – monitoring omgevingswaarden luchtkwaliteit. Blootstellingcriterium De luchtkwaliteit moet alleen bepaald (gemeten of berekend) worden op plaatsen waar de blootstelling significant is. Bij toetsing van de gevolgen van een project aan de luchtkwaliteitseisen is dus van belang dat de plaatsen worden bepaald waar significante blootstelling plaatsvindt. Daarvoor moet eerst duidelijk zijn wat significant is of niet. In artikel 22 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl) staat dat de luchtkwaliteit wordt bepaald op plaatsen waar de bevolking 'kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de betreffende luchtkwaliteitseis significant is'. Hieruit blijkt dat de duur van de periode dat iemand (1 individu) gemiddeld wordt blootgesteld bepalend is voor de vraag of de luchtkwaliteit dient te worden beoordeeld. Er wordt daarbij verder geen onderscheid gemaakt naar de gevoeligheid van groepen of de aard van het verblijf. De grenswaarden zijn opgesteld ten behoeve van de gezondheid van de gehele bevolking.
Hiermee wordt bedoeld dat bij de bepaling of een verblijfstijd significant is, de verblijfstijd vergeleken moet worden met een jaar, dag of uur, afhankelijk van de vraag of er sprake is van een jaargemiddelde, een daggemiddelde of een uurgemiddelde grenswaarde voor een stof. Onderzoek Voor dit project heeft een beschouwing plaatsgevonden van de resultaten luchtkwaliteit (NO2 en PM10) in (de nabijheid van) het wijzigingsgebied met behulp van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) en het CIMLK. Op basis van de gegevens uit de GCN en het CIMLK wordt vastgesteld dat er geen knelpunten voor luchtkwaliteit ontstaan. Uit de beschouwing blijkt dat in de huidige situatie er ruimschoots voldaan wordt aan de grenswaarden geldend voor NO2 en PM10 in het wijzigingsgebied. De jaargemiddelde concentratie NO2 in het wijzigingsgebied ligt tussen de 9,5 en 10 µg/m3. De jaargemiddelde concentratie PM10 in het wijzigingsgebied ligt tussen rond de 14 µg/m3. Relatie met het omgevingsplan Op basis van de gegevens uit de GCN is de verwachting dat de kwaliteit van de lucht ter plekke van de ontwikkeling voldoende is. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de bestaande situatie.
De voorgenomen woningbouwontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging, omdat er slechts 13 woningen en 25 appartementen met 1 ontsluitingsweg worden gerealiseerd. Er hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden.
54
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
6.8
Geurhinder
Geurhinder kan optreden bij het houden van dieren in dierenverblijven (stallen, inclusief een vaste uitloop) en het opslaan en bewerken van agrarische bedrijfsstoffen (mest, kuilvoer, krachtvoer). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij dient de geur op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar te zijn (par. 5.1.4.6 Bkl). Voor enkele, met name agrarische, activiteiten zijn standaardwaarden bepaald voor de geurbelasting of afstand waarbij er in ieder geval sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit TAM-omgevingsplan maakt de realisatie van nieuwe geurgevoelige gebouwen mogelijk. Er worden geen nieuwe geurbelastende activiteiten mogelijk gemaakt.
In de omgeving van het wijzigingsgebied is één agrarisch bedrijf aanwezig dat vleesvee houdt. Het betreft een bedrijf op het adres Parrestraat 3. Voor de activiteit vleesvee geldt geen vaste afstand, zodat een berekening noodzakelijk is. Er zijn geen andere activiteiten aanwezig die tot geurhinder leiden. Onderzoek Voor de veehouderij gelegen aan de Parrestraat 3 te Eijsden is een geuronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of de beoogde woonontwikkeling inpasbaar is met het bestaande bedrijf; zie Bijlage 13. Hierbij is de toetsing uitgevoerd met de toetsingswaarde die in artikel 22.98, tabel 22.3.10 “Geurgevoelig object; Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij” van het omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten (kenmerk CVDR696519 d.d. 1 januari 2024) staat beschreven. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat de geurbelasting (1,3 ouE/m3) onder de voorgeschreven geurnorm (2 ouE/m3) blijft. Relatie met het omgevingsplan De realisatie van de nieuwe woningbouw vormt geen belemmering voor bestaande activiteiten in de omgeving. Anderzijds is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende gegarandeerd. Voor het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor het plan.
6.9
Milieuzonering
De Omgevingswet stimuleert een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daarbij worden ruimtelijke thema's en milieuthema's verder geïntegreerd. Op gemeentelijk niveau vindt deze integratie vooral plaats in het omgevingsplan. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Een gezonde en veilige leefomgeving voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies, zoals woningen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van milieubelastende activiteiten ten opzichte van woningen en andere milieugevoelige gebouwen. Milieuzonering wordt enerzijds toegepast met het oog op de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en anderzijds met het oog op het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving. Aan de hand van de recent verschenen handreiking van de VNG 'Activiteiten en milieuzonering' (oktober
55
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
2024) wordt beoordeeld of op basis van de aanwezige en beoogde activiteiten sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzoek Ten noordwesten van de voorgenomen ontwikkeling is een agrarisch bedrijf voor melkrundvee gelegen aan de Parrestraat 3, op meer dan 100 meter afstand. Rundveebedrijven vallen volgens de VNG-handreiking voor geluid binnen positie 1 en voor geur binnen positie 3. In die gevallen waar geur door agrarische activiteiten bepalend is geeft de handreiking aan dat deze daarvoor niet bedoeld is. Daarom is hiervoor een geuronderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 6.8) waaruit blijkt dat het geuraspect geen belemmering is. Voor wat betreft het aspect geluid gaat de handreiking uit van beperkte impact, waarbij wordt gerefereerd aan de richtafstand van 30 meter uit de oude uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Het perceel Parrestraat 22 (vrijkomende agrarische bebouwing) biedt de mogelijkheid voor diverse activiteiten met een maximale milieucategorie 2. Hiervoor gaat de nieuwe richtlijn uit van een positie van 1 voor het aspect geluid. Ook hiervoor wordt in de nieuwe handreiking gerefereerd dan aan richtafstand van 30 meter uit de oude uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In de directe nabijheid van de voorgenomen ontwikkeling zijn verder geen bedrijven gelegen die opgenomen zijn in de VNG-handreiking.
Relatie met het omgevingsplan De voorgenomen woningbouwontwikkeling is niet gelegen binnen de richtafstand van milieubelastende activiteiten. Voor het melkrundveebedrijf aan de Parrestraat 3 is tevens een geuronderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 6.8). Vanuit het aspect milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.10
Omgevingsveiligheid
Voor het voornemen is een onderzoek naar omgevingsveiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is weergegeven in Bijlage 14. Het doel van het onderzoek is het inventariseren van de risicobronnen in de omgeving van het wijzigingsgebied en het beschouwen van de effecten van het voornemen op omgevingsveiligheid. Onderzoek De risicobronnen in de omgeving van het wijzigingsgebied zijn geïnventariseerd aan de hand van de Atlas Leefomgeving. In de omgeving van het wijzigingsgebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: baanvak P van route 100, Lutterade – Visé (B) ten oosten van het wijzigingsgebied; leiding Z-500-18 ten oosten van het wijzigingsgebied. Conform de Rbn is baanvak P van route 100, Lutterade – Visé (B) en basisnet spoorroute. Over de basisnet spoorroute worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) over het basisnet is een activiteit die valt onder deel C van Bijlage VII van het Bkl. De kleinste afstand tussen het wijzigingsgebied en baanvak P van route 100, Lutterade – Visé (B) is 5 meter. Leiding Z-500-18 van Gasunie Transport Services B.V. is een stalen buisleiding met een buitendiameter van 114,30 mm (= 4”) en een wanddikte van 4,37 mm. Door leiding Z-500-18 wordt aardgas met een druk van 40 bar (= 4 MPa) vervoerd.
Het exploiteren van een buisleiding, bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d van het Bal is een activiteit die valt onder deel D.2 van Bijlage VII van het Bkl. De kleinste afstand tussen het plangebied en leiding Z-500-18 is 0 meter. Wat betreft baanvak P van route 100, Lutterade – Visé (B) blijkt uit de kwalitatieve en kwantitatieve beschouwing van de effecten van het voornemen op omgevingsveiligheid dat het voornemen geen
56
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
significante effecten heeft op omgevingsveiligheid. Wat betreft leiding Z-500-18 blijkt uit de kwalitatieve beschouwing van de effecten van het voornemen op omgevingsveiligheid dat het voornemen geen effecten heeft op omgevingsveiligheid. In het omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten zijn aandachtsgebieden niet aangewezen als voorschriftengebieden. Voor de woningen geldt hierdoor de eis van artikel 4.90, eerste lid van het Bbl (een bouwwerk in een brandvoorschriftengebied of in een explosievoorschriftengebied is zodanig dat de gevolgen voor personen van het aan het voorschriftengebied verbonden risico op brand of explosie worden beperkt) niet. Echter, omdat de vrijstaande woning binnen het explosieaandachtsgebied van baanvak P van route 100, Lutterade – Visé (B) en binnen het brandaandachtgebied van leiding Z-500-18 komt te staan, is het perceel voor de vrijstaande woning in het TAM-omgevingsplan aangewezen als brand- en explosievoorschriftengebied. Voor de vrijstaande woning geldt hierdoor de eis van artikel 4.90, eerste lid van het Bbl. Omdat de vrijstaande woning een gebouw met een woonfunctie is, moet de vrijstaande woning voldoen aan artikel 4.91 (brandwerendheid), artikel 4.92 (brandklasse gevel en vloeren), artikel 4.93 (brandklasse dak), artikel 4.94 (vluchtroute), artikel 4.95 (sterkte bij brand) en artikel 4.96 (scherfwerking) van het Bbl.
Alle 38 woningen liggen in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied. Voor het explosieaandachtsgebied zijn kwantitatieve groepsrisicoberekeningen uitgevoerd en deze geven aan dat ten opzichte van de huidige situatie het GR per kilometer in de toekomstige situatie toeneemt. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie is het hoogste GR per kilometer laag (< 0,100 x de OW). Wat betreft baanvak P van route 100, Lutterade – Visé (B) wordt er voldaan aan artikel 5.15 van het Bkl. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie is de kans op 10 of meer dodelijke slachtoffers kleiner dan 1,5 x 10-8 per jaar. Wat betreft baanvak P van route 100, Lutterade – Visé (B) heeft het voornemen geen significante effecten op de omgevingsveiligheid. Gelet op voorstaande is het niet toegelaten om een zeer kwetsbaar gebouw toe te laten. Bij het bouwen van 13 grondgebonden woningen en 25 appartementen op de woningbouwlocatie wordt aanbevolen om rekening te houden met het scenario gifwolk. Rekening houden met het scenario gifwolk kan bijvoorbeeld door: het plaatsen van afsluitbare ventilatieopeningen; het plaatsen van afsluitbare mechanische ventilatie en een toegankelijk bedieningssysteem. Bij het scenario gifwolk is het advies namelijk om ramen en deuren te sluiten en om binnen te blijven.
Door de woningen te voorzien van afsluitbare ventilatieopeningen, afsluitbare mechanische ventilatie en een toegankelijk bedieningssysteem kunnen de woningen gebruikt worden als schuilplaatsen. Aanbevolen wordt om afsluitbare ventilatieopeningen van baanvak P van route 100, Lutterade – Visé (B) af te richten en een hoge plaatsing te verkiezen boven een lage plaatsing. Relatie met het omgevingsplan Het voornemen heeft geen gevolgen op omgevingsveiligheid. Er zijn voldoende blusvoorzieningen voor de brandbestrijding in de directe omgeving van het wijzigingsgebied aanwezig. De personen in het wijzigingsgebied zijn in het algemeen als zelfredzaam te beschouwen en de bereikbaarheid van het wijzigingsgebied is goed. De ontvluchting van het gebied en de toegang voor hulpdiensten is gewaarborgd. Om te voorkomen dat risicobronnen uit de omgeving een veiligheidsrisico vormen voor de te ontwikkelen woningen in de vorm van toxische wolken zijn maatregelen mogelijk. Deze maatregelen zijn het realiseren van afsluitbare ventilatieopeningen, afsluitbare mechanische ventilatie en een toegankelijk bedieningssysteem. Een groot deel van het wijzigingsgebied is momenteel bij alarmeren gedekt via het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). De WAS voorziening is gelegen in het plangebied en het gehele
57
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
wijzigingsgebied valt binnen het dekkingsgebied. Het beleid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is om met ingang van 1 januari 2020 het WAS uit te faseren. Dit betekent dat het WAS met ingang van deze datum niet meer gehandhaafd en onderhouden wordt door het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In plaats hiervan zal gebruik worden gemaakt van NL-Alert. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor alarmering via de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid gericht mensen met een tekstbericht informeren. NL-Alert is met name bedoeld voor noodsituaties. In het bericht staat wat er aan de hand is en het handelingsperspectief van de personen in de directe omgeving van het incident. NL-alert wordt momenteel steeds vaker ingezet als (aanvullend) alarmmiddel. Opgemerkt wordt dat de kans op een dergelijk ongeval dusdanig klein is dat het verwaarloosbaar wordt geacht. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid transport over het spoor geen belemmeringen voor de besluitvorming.
6.11
Gezondheid
In deze paragraaf wordt de invloed die de woningbouwontwikkeling heeft ten aanzien van het aspect gezondheid nader toegelicht. Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een (sociaal) veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Om een gezonde, veilige en kwalitatief goede leefomgeving te beschermen, te bewaken en te bevorderen wordt binnen het bouwplan zoveel als mogelijk rekening gehouden met de kernwaardes voor een gezonde leefomgeving zoals die door de GGD GHOR Nederland hiervoor zijn geformuleerd. Binnen het plan is o.a. rekening gehouden met: Beperken van overlast (geluid, trillingen, geur). Een goede bodem- en luchtkwaliteit. Beperken van hittestress door voldoende groen. Het stimuleren van het ontmoeten in de buitenruimte. Het stimuleren van spelen, sporten en bewegen in de buitenruimte. Het stimuleren van actief vervoer. Toegankelijk openbaar vervoer. Veilige en prettige verlichting. Uitzicht of één prettige zijde aan iedere woning. Een goede mix van wonen, werken en leven. De kernwaardes met betrekking tot de diverse milieuaspecten (geluid, trillingen, geur, lucht- en bodemkwaliteit en externe veiligheid) zijn reeds in dit hoofdstuk apart gemotiveerd en beoordeeld.
In onderstaande alinea worden nader gemotiveerd hoe de overige regels zijn toegepast in de woningbouwontwikkeling Oost-Maarland. Beoordeling Met de woningbouwontwikkeling wordt de kern Oost-Maarland uitgebreid met 38 woningen. Oost-Maarland is gelegen in een omgeving met een groen en ontspannen karakter. Dit karakter moet behouden blijven. In het inrichtingsontwerp van het nieuwbouwplan is dan ook rekening gehouden met het optimaal benutten van deze groene omgeving én wordt er zowel voor de nieuwe bewoners als de huidige omwonenden van het bouwplan een omgeving gecreëerd waar zij veilig kunnen ontspannen, ontmoeten en bewegen. De woningen grenzen met hun voortuin (3,0m diep en voorzien van lage hagen) aan het trottoir. Achter het trottoir worden parkeerkoffers (dwarsparkeren) gerealiseerd, ingepakt in blokhagen en een enkele bomenlaan aangeplant. Hierdoor is er een flinke afstand van de gevels van de woningen tot de
58
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
straatkant. Dit zorgt ervoor dat er de geluidshinder en overlast van verkeer minimaal zijn. Dit in combinatie met de verkoelende groene inrichting van de openbare ruimte zorgt voor een prettig, groen en rustig straatbeeld. De tuin aan de achterzijde van de grondgebonden woningen worden afgebakend met een brede groen haag. Hierdoor is er sprake van een prettige, rustige (uitzicht)zijde. Aan de oostzijde van het woningbouwplan (richting spoor) wordt extra groen aangeplant. Met deze “groene buffer” wordt een prettige groene omgeving gecreëerd. En door het toevoegen van wandelpaadjes en bankje(s) krijgt het gebied een parkachtig karakter dat inwoners (bestaand en nieuw) uitnodigt uit om naar buiten te gaan, te bewegen, elkaar te ontmoeten en/of tot rust te komen. Het uitnodigen tot bewegen wordt verder bevordert door de aanwezigheid van de Fietsknooppuntroute (knooppunt 74 en 75) ten zuiden van het plangebied. Op verdere afstand zijn met de auto of fiets ook verschillende wandelknooppuntroutes te bereiken. Andere nabijgelegen recreatiemogelijkheden zijn het Savelsbos (ten oosten van het wijzigingsgebied) en de Eijsder Beemden (ten westen van het wijzigingsgebied). Binnen het bouwplan wordt rekening gehouden met een goede toegankelijkheid (rolstoelvriendelijk, geschikt voor slechtziende etc) van de straat, het park en de huizen eromheen.
Om daarnaast de (sociale) veiligheid in de straat en dit aangelegen park te garanderen, wordt er gewerkt aan een lichtplan. Zo worden donkere en afgelegen plekken in de buitenruimte voorkomen en creëren we een gevoel van veiligheid in de directe omgeving van de inwoners. Relatie met het omgevingsplan Op basis van bovenstaande uiteenzetting wordt geconcludeerd dat: De woningbouwontwikkeling niet leidt tot ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid van inwoners en er met deze woningbouwontwikkeling een (sociaal) veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt gerealiseerd en gegarandeerd. Vanuit het aspect gezondheid is er binnen het planvoornemen dus sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
6.12
Duurzaamheid
Duurzaam bouwen (DuBo) staat in de belangstelling en milieuaspecten krijgen een volwaardige plaats in het ontwerpen, bouwen en beheren van bebouwing. In de praktijk betekent duurzaam bouwen dat met onder meer de volgende aspecten rekening gehouden wordt: het materiaalgebruik, de vormgeving van het bouwblok, gebruik maken van wind- en/of zonne-energie, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen. Bij deze laatste moeten gebouwen op eenvoudige wijze geschikt gemaakt kunnen worden voor hergebruik, zodat de levensduur wordt verlengd. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ziet onder andere toe op bepaalde kwaliteitseisen van nieuwbouw woningen. Duurzaamheid en energie zijn nauw met elkaar verbonden. Er is een direct verband tussen energiegebruik en CO2-uitstoot. Het terugdringen van energiegebruik en CO2-uitstoot is de basis voor duurzame bouw. Daarbij dient er ook aandacht te worden gegeven aan de toepassing van alternatieve manieren waarop energie wordt opgewerkt. Denk hierbij aan de toepassing van zonnepanelen op de dakvlakken en/of als zonnedaken boven parkeerplaatsen.
6.13
Mer-beoordeling
De beoogde woningbouwontwikkeling valt als stedelijk ontwikkelingsproject onder categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. In dat kader is voor deze wijziging van het omgevingsplan een aanmeldnotitie mer opgesteld (zie Bijlage 15). Op basis van de uitgevoerde mer-beoordeling kan worden geconcludeerd dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn als gevolg van het planvoornemen.
59
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Hoofdstuk 7
7.1
Uitvoerbaarheid
Kostenverhaal
Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig: a. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; b. de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; d. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt. Indien de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt, dient het kostenverhaal via een van onderstaande opties te worden verzekerd: a.
anderszins, via een overeenkomst, bijvoorbeeld: 1. een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van de kostenverhaalplichtige activiteit; of 2. via de gronduitgifte-overeenkomst tussen gemeente en een toekomstige eigenaar, indien de gemeente het volledige kostenverhaalsgebied in eigendom heeft;` b. via regels kostenverhaal in het omgevingsplan, waarbij gekozen wordt tussen: 1. een systeem met tijdvak: vergelijkbaar met het systeem uit de Wro, waarbij plannen een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum hebben, zodat kosten en opbrengsten op voorhand goed te berekenen zijn; 2. of zonder tijdvak: een nieuw systeem voor gebiedsontwikkelingen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum, waardoor kosten en opbrengsten op voorhand moeilijker te berekenen zijn en er gewerkt wordt met scenario's Aangezien de gemeente eigenaar is van de te ontwikkelen gronden wordt voor de beoogde ontwikkeling een gronduitgifte-overeenkomst tussen de gemeente en de toekomstige eigenaren gesloten.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Participatie
Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Binnen de Omgevingswet is participatie vormvrij. In onderstaande paragraaf wordt uiteengezet welke vorm(en) en niveau van participatie de gemeente Eijsden-Margraten heeft toegepast bij de planvorming van voorliggende ontwikkeling. Omgeving Al geruime tijd worden door de gemeente Eijsden-Margraten plannen gemaakt om op een deel van de
60
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
agrarische percelen aan de Pastoor Rosierstraat in Oost-Maarland woningen te bouwen (planlocatie). Op deze locatie liggen tal van belemmeringen die een beperkende invloed hebben op de (bouw)mogelijkheden in dit gebied. (spuitcirkels, veiligheidszones, geluidscontouren, aanwezigheid van riolering etc.). Deze belemmeringen in combinatie met de reeds aanwezige infrastructuur en de woonwijken waarop het nieuwe bouwplan moet aansluiten, bepalen min of meer de (stedenbouwkundige) invulling van het bouwplan. Daarbij is er een concrete woningbouwopgave voor de gemeente Eijsden-Margraten (woningbehoefte onderzoek gemeente Eijsden-Margraten 2019) en het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting die in hoofdlijnen bepalend zijn voor het te realiseren woningbouwprogramma (typologieën en segmenten). Vanwege bovenstaande redenen zijn de participatieniveau's 'adviseren', çoproduceren' en 'gezamenlijk bestuur' als minder geschikt bevonden en is gekozen om het participatieproces in te richten op het niveau van 'informeren' en 'raadplegen'. Dit zijn gebruikelijk participatieniveau's bij omgevingsplannen en omgevingsvergunningen. Informeren: Informatie van hoge kwaliteit over het project delen met de omgeving. Deze informatie voor eenieder op een makkelijke manier beschikbaar stellen. Gedurende het hele proces van planvorming tot (eind)oplevering blijven informeren.
Raadplegen: Eenieder de gelegenheid geven om te reageren op het bouwplan en/of hiervoor suggesties aan te dragen. Raadpleging als initiatiefnemer beoordelen, keuzes maken (eventueel in overleg met aandrager) en deze keuze kenbaar maken (informeren). Inloop-informatieavond Op 18 september 2024 heeft de gemeente Eijsden-Margraten op locatie Buitengoed de Reünie in Oost-Maarland een inloop-informatieavond georganiseerd. Omwonenden van het wijzigingsgebied hadden hiervoor per brief een persoonlijke uitnodiging ontvangen. De avond was echter voor eenieder toegankelijk en is daarom ook bekend gemaakt via de gemeentelijke nieuwsbrief, website en weekblad “De Etalage”. Het doel van deze avond was om iedereen de gelegenheid te geven om zich te informeren en vragen te stellen over het voorgenomen bouwplan. Er was een collage opgezet van A1-borden met informatie over o.a.: het TAM-omgevingsplan, het verkavelingsplan, de woningtypologieën en segmenten binnen het plan, parkeren, groeninrichting en diverse 3D-impressies en referentiebeelden. Zes mensen werkzaam voor de gemeente Eijsden-Margraten, waren aanwezig om vragen van bezoekers van de informatieavond te beantwoorden en reacties op en suggesties voor het bouwplan op te halen. Daarnaast was er de gelegenheid om een reactieformulier in te vullen zodat bezoekers ook daarop hun reactie(s) kenbaar konden maken.
Door de gemeente is actief gestuurd op het invullen van deze formulieren. Voor degene die verhinderd waren om te komen, of de beschikbare informatie nog eens hun gemak willen bekijken, is alle informatie (inclusief beeldmateriaal) over het plan op de gemeentelijke website geplaatst onder het kopje “Wonen en (ver)bouwen, Gebiedsontwikkelingen, Woningbouwplannen in Oost-Maarland”. De informatieavond was drukbezocht met meer dan 125 bezoekers. Ook is er goed gebruik gemaakt van de reactieformulieren. Er zijn in totaal 45 ingevulde reactieformulieren ontvangen. Deze reacties waren overwegend positief. 37 (82%) positieve reacties ten opzichte van 8 (18%) kritische reacties van direct omwonenden. Dit beeld is een correcte weerspiegeling van de sfeer en reacties op de informatieavond. Ook de reacties die via sociale media na deze informatieavond zijn ontvangen waren overwegend positief.
61
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Na de informatieavond is de input, zowel mondeling als schriftelijk opgehaald, geïnventariseerd en beoordeeld. De meest voorkomende vragen zijn beantwoord. Deze beantwoording, alsook een verslag van de informatieavond, is via de projectpagina van het bouwplan gedeeld. Enkele reactieformulieren gaven aanleiding om de betreffende personen uit te nodigen voor een persoonlijk gesprek. De hierboven beschreven raadpleging heeft geleid tot de volgende wijzigingen in het bouwplan: Binnen het nieuwbouwplan wordt ruim voldaan aan de geldende parkeernormen. Het nieuwe bouwplan heeft dus geen negatieve invloed op de bestaande parkeergelegenheid. Tijdens de informatieavond is echter diverse keren aangegeven dat de bestaande parkeergelegenheid onder druk staat. Om deze te verlichten, is door bezoekers van de informatieavond geopperd om meer parkeerplekken te creëren door de bestaande langsparkeerstrook aan de Pastoor Rosierstraat om te zetten naar dwarsparkeerplaatsen. Dit idee is overgenomen in het plan. De vraag naar betaalbare koopwoningen en/of appartementen was groot. Zowel onder ouderen als jongeren. Naar aanleiding hiervan is in het TAM-omgevingsplan de mogelijkheid opgenomen om in plaats van appartementen in het segment middenhuur, goedkope koopappartementen te kunnen realiseren. De vierde bouwlaag van het appartementencomplex is naar achteren verplaatst.
Hierdoor komt er meer afstand tussen de tegenovergelegen woningen aan de Pastoor Rosierstraat en het complex. Een klein deel van de bestaande infrastructuur wordt afgekoppeld van de bestaande riolering. Dit afgekoppelde deel wordt meegenomen in het afwateringsplan van het nieuwe bouwplan. Dit heeft een positief effect op het functioneren van het bestaande rioolstelsel. Betrokken overheden en instanties Het voornemen zal worden voorgelegd aan de provincie Limburg, het Waterschap en de Veiligheidsregio Zuid-Limburg. PM
7.2.2
Vaststellingsprocedure
De gemeente legt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11 Awb). Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan een ieder zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling plaatsvinden. Het ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen, vanaf 28 november 2024 tot en met 8 januari 2025. Gedurende deze termijn zijn 5 zienswijzen ingediend. In de Nota van zienswijzen bijgevoegd in Bijlage 16 van deze motivering, zijn de ingekomen zienswijzen samengevat en voorzien van een reactie. Voorliggende motivering is, waar nodig, aangepast naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen.
62
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Hoofdstuk 8
Artikelsgewijze toelichting
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.
8.1
Uitwerking in de regels
Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) worden de 'oude' bestemmingsplannen samen met de gedecentraliseerde rijksregels (de 'Bruidsschat') van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan voorziet in een wijziging van het omgevingsplan voor de locatie ten noorden en oosten van de Pastoor Rosierstraat. Préambule De regeling vangt aan met een préambule. Deze geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van en in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. In de préambule wordt ook aangegeven welk hoofdstuk van het omgevingsplan het voorliggende TAM-omgevingsplan betreft. Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Met het geven van een omschrijving wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het begrip. Dit komt de uitleg van de regeling ten goede. Een vaker in de regels terugkerend begrip betreft de term 'straatpeil'. Hiervoor is in dit TAM-omgevingsplan geen definitie opgenomen omdat deze term reeds is gedefinieerd in bijlage I van het gemeentelijk omgevingsplan. De definitie daarvan luidt: 'straatpeil: a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b.
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.' Artikel 2 Toepassingsbereik Doordat een TAM-omgevingsplan er niet automatisch voor zorgt dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen, moet een toepassingsbereikbepaling in het plan worden opgenomen waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels. Deze regeling is opgenomen in het eerste lid van dit artikel. In het tweede lid is geregeld dat de regels van de bruidsschat niet van toepassing zijn op de TAM-omgevingsplanlocatie als zij strijdig zijn met de regels van het TAM-omgevingsplan. De uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 ziet op de regels over het vergunningvrij bouwen zoals die in artikel 22.36 van het omgevingsplan zijn opgenomen. Deze blijven dus wel in stand. Het derde lid zorgt ervoor dat de plankaart van het wijzigingsgebied deel uitmaakt van het omgevingsplan. Dit is immers niet automatisch het geval onder de Omgevingswet. Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen In dit artikel wordt uiteengezet hoe bij de toepassing van de regeling wordt gemeten.
63
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Wanneer een dergelijk verbod niet is opgenomen dan betekent dit dat activiteiten zonder meer mogen worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies is namelijk onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningplichtig te maken. Artikel 5 Aanvraagvereisten In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel. Door de in dit artikel opgenomen regeling worden de relevante aanvraagvereisten uit de paragraaf van de bruidsschat van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan Verder zijn er nog algemene bepalingen in het derde en vierde hoofdstuk van de regeling opgenomen.
Het gaat daarbij om de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels (regels ondergronds bouwen), algemeen gebruiksregels, algemene aanduidingsregels (regeling spuitvrije zone), algemene afwijkingsregels (voorwaardelijke verplichtingen voor alpenwatersalamander, geluidscherm, hagen en beeldkwaliteit) en overige regels (waaronder voorrangsregels en parkeerregeling).
8.2
Functies en activiteiten
Artikel 6 Groen De als ‘Groen’ aangewezen locaties zijn bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, fiets- en voetpaden, straatmeubilair, zoals straatverlichting en afvalbakken, verhardingen voor in- en uitritten, (openbare) nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn maatvoeringsregels opgenomen. Artikel 7 Verkeer De als ‘Verkeer’ aangewezen locaties zijn met name bestemd voor bewegend en stilstaand verkeer. Daarnaast zijn straatmeubilair, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Artikel 8 Wonen De functie ‘Wonen’ staat woningen inclusief mantelzorg, aan huis gebonden beroepen en gastouderschap toe. Tevens zijn toegelaten functies zoals tuinen, erven, verhardingen, parkeren, wateren waterhuishoudkundige voorzieningen. Voor openbaar parkeren is een aanduiding 'parkeerterrein' opgenomen. Tevens zijn duurzaam bodem- en waterbeheer, verhardingen, groenvoorzieningen, straatmeubilair, terrassen, in- en uitritten, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Er zijn in totaal 38 woningen toegestaan. Gestapelde woningen zijn alleen toegestaan ter plaatse van de betreffende aanduiding.
Het gaat om maximaal 25 appartementen. Hoofdgebouwen mogen enkel binnen het bouwvlak worden gesitueerd. Bijgebouwen mogen zowel binnen het bouwvlak als binnen de aanduiding 'bijgebouwen'. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogten zijn op de plankaart aangegeven. Het aantal bouwlagen
64
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
mag niet meer bedragen dan 2, behoudens het appartementengebouw dat deels in 4 bouwlagen mag bevatten. Voor de bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn eveneens maatvoeringsregels opgenomen. Artikel 9 Leiding Binnen deze functie is de bescherming van de bestaande gasleiding geregeld. Artikel 10 Waarde - Archeologie - 4 en Artikel 11 Waarde - Archeologie - 5 De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ of 'Waarde - Archeologie - 5' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.
65
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Woningbouw Oost-Maarland (vastgesteld)
Hoofdstuk 9
Belangenafweging en conclusie
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de ontwikkeling van 38 nieuwe woningen aan de Pastoor Rosierstraat in de kern Oost-Maarland. De nieuwe functie past bij de aard van het gebied waar een mix van woningen en bedrijvigheid aanwezig is. Niet alleen de woningen zijn nieuw, ook de omliggende openbare ruimte wordt in het ontwerp meegenomen. Hier worden parkeerplaatsen en groen gerealiseerd. De ontwikkeling voorziet onder meer in huur- en koopappartementen en grondgebonden koopwoningen voor onder meer starters. Daarmee sluit het voorgenomen plan aan op de vraag naar huur- en koopwoningen in de regio, met name voor ouderen en starters. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, door te voorzien in een mix van woonvormen en door de openbare ruimte zo in te richten dat een aantrekkelijk gebied ontstaat. Daarnaast wordt gekozen voor een goede landschappelijke inpassing die recht doet aan de kenmerken en identiteit van het gebied. De woningbouwontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied, waarmee wordt voldaan aan het principe meer stad, meer land.
Tevens wordt ook rekening gehouden met een openbare ruimte die klimaatadaptief is en bijdraagt aan de verduurzaming en biodiversiteit, door het toevoegen van kwalitatief en divers groen en voorzieningen voor waterberging. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op 7 rekenpunten de standaardwaarde vanwege de rijksweg en op 6 rekenpunten de standaardwaarde vanwege het spoor wordt overschreden. Op geen enkel rekenpunt wordt de grenswaarde overschreden. Geconcludeerd is ook dat bron-, overdrachts- en aanvullende ontvanger maatregelen onvoldoende financieel doeltreffend zijn om de geluidbelasting te reduceren tot onder de standaardwaarde, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van technische, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of landschappelijke aard. Voor de locaties waar de standaardwaarde vanwege de rijksweg en/of het spoor wordt overschreden, is in de regeling van dit TAM-omgevingsplan een toegestane hogere waarde opgenomen die aansluit bij de berekende waarde. De berekende waarden zijn dusdanig dat deze aanvaardbaar worden geacht, mede gelet op het feit dat er steeds een geluidluwe zijde aanwezig is. Het berekende gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 55 dB en wordt daarmee gekwalificeerd als redelijk. Dit wordt eveneens als aanvaardbaar geacht, mede gelet op de kwaliteit van de locatie en het belang van het realiseren van woningbouw.
Het gezamenlijk geluid is eveneens in de regeling van dit TAM-omgevingsplan vastgelegd. Tot slot blijkt uit hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6 dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Alles overwegende is de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar. De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.
66
Arcadis Nederland B.V. www.arcadis.com 30214797