CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20241015 07d Bijlage TAM-omgevingsplanSlakweg Gronsveld Motivering

* Raadsvergaderingen 15 oktober 2024, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Vaststellen Tijdelijk Alternatieve Maatregel (TAM) - Omgevingsplan Slakweg Gronsveld28.159 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Te midden van dit agrarisch - en tevens cultuurhistorisch land - is een groenstructuur gelegen die bestaat uit hoge struikgewassen en bomen. Deze groene wig doet dienst als ecologische verbindingszone op een groter schaalniveau; het verbindt de groenzones rondom het Kasteel van Gronsveld (ten zuiden van het wijzigingsgebied) met de groene zones langs de A2 (ten noorden van het wijzigingsgebied). De aanplant van verschillende bomen (natuurlijke geluidswering) ten westen van het wijzigingsgebied is ook onderdeel van de groenzones langs de A2. In het wijzigingsgebied zijn drie waardevolle bomen aanwezig die in het stedenbouwkundig plan behouden dienen te worden. Landschapsplan Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het voornemen is een landschapsplan opgesteld. Het landschapsplan is opgenomen in Bijlage 2 van dit TAM-omgevingsplan. In het landschapsplan wordt ingegaan op het landschappelijke kader van de omgeving van het gebied en de bestaande groenkarakteristieken. Tevens wordt uitgewerkt hoe de nieuwe groenstructuur, bomen, (erfafscheidings)hagen en ecologische bermen en wadi's passend worden gemaakt in het bestaande landschap.

29

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Landschapsplan

Daaarnaast worden in het landschapsplan ook de te nemen natuurinclusieve maatregelen benoemd ten behoeve van de in het wijzigingsgebied voorkomende soorten (zie ook paragraaf 6.1 Natuur). Zo wordt het leefgebied van de Alpenwatersalamander gecompenseerd, omdat als gevolg van het voornemen een kleine vijver/poel aan de noordzijde van het gebied opgeheven wordt. Op circa 200 meter ten zuidwesten van de huidige poel wordt een compensatievijver ingericht.

30

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Schematische weergave compensatiepoel

Invulling provinciale instructieregels voor onderhavig plan Zoals aangegeven in paragraaf 3.2.2 ligt het wijzigingsgebied in het Nationaal Landschap Zuid Limburg en in de Groenblauwe mantel, welke beschermd zijn middels instructieregels uit de Omgevingsverordening Limburg. Hieronder wordt invulling gegeven aan de instructieregels uit artikel 7.2 (Nationaal Landschap Zuid Limburg) en artikel 7.6 (Groenblauwe mantel).

31

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Ligging wijzigingsgebied in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de Groenblauwe mantel

Nationaal Landschap Zuid Limburg De kern Gronsveld ligt in het Maasdal, tegen de helling van het Plateau van Margraten. Het omringend landschap bestaat uit glooiende heuvels, die afwisselend in gebruik zijn als boomgaarden, weilanden, akkerlanden en hellingbossen. Het agrarisch gebied dat ten zuidenwesten van het wijzigingsgebied is gelegen, wordt getypeerd als cultureel erfgoed, dat behouden dient te worden (zuidelijk van de gronden van voormalig Tuincentrum De Graaff). Kenmerkend voor het landschap aangrenzend aan de planlocatie zijn de meidoornhagen die als perceelafscheiding toegepast worden. Onder andere kleine dieren waaronder verschillende tuinvogels en de bosmuis - nestelen zich graag in deze haagstructuren. De gronden ten (zuid)westen van de planlocatie waren voorheen in gebruik als boomkwekerij. Het groen op deze gronden is gecultiveerd aangeplant en daardoor niet natuurlijk ontstaan (uitheemse of exoten boom- en plantsoorten komen hier dus voor). Met de stoplegging van de activiteit als boomkwekerij zullen deze exoten verdwijnen en wordt er een kans gecreëerd om de aanwezige biodiversiteit te verbeteren. De nieuwe groenstructuur van Bonfleur sluit aan bij de directe omgeving. De karakteristieke beplantingselementen vanuit het omliggende landschap van het Maasdal worden ingezet om de woonwijk een passende identiteit te geven.

De groenstructuur bestaat uit inheemse en/of verwilderde beplantingssoorten die niet alleen zorgen voor het behouden, maar zelfs een verbetering van de biodiversiteit. Door toepassing van inheemse boom- en plantsoorten zal de wijk meer lokale fauna (insecten en vogels) aantrekken; iets dat zorgt voor een meer levendiger en gezondere woonomgeving. Door toepassing van wadi's in het wijzigingsgebied worden er nieuwe standplaatsen voor de verschillende dier-, insect- en plantensoorten die in de directe omgeving leven ontwikkeld. De nieuwe beplanting in het wijzigingsgebied zal ook veel variatie in type, gelaagdheid en hoogte hebben. De aanplant van de woonomgeving met inheems plantmateriaal én de toevoeging van veel variatie voorziet in een natuurinclusieve omgeving voor zowel mens en dier. Zo wordt er ruimte gegeven aan bloesemdragende bomen binnen het plangebied als verwijzing naar de fruitteelt in de gemeente Eijsden-Margraten. In de planontwikkeling Bonfleur wordt rekening gehouden met de groenblauwe mantel die aan de noord-/noordwest-zijde van het wijzgingsgebied aanwezig is. De nieuwe woningbouw houdt hierbij voldoende afstand tot de groenblauwe mantel.

Hiertoe is onder andere het nieuw te realiseren appartementencomplex op afstand van de groenblauwe mantel gelegen en zijn de tuinen van de levensloopbestendige woningen gericht en tevens groen afgezoomd aan de noordelijke zijde van de

32

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

planontwikkeling. Ook de bestaande waterloop ten noorden van het plangebied blijft onaangetast, waarbij de natuurlijke waterafvloei vanaf het hoger gelegen buitengebied van Gronsveld intact blijft. Met de ontwikkeling van Bonfleur wordt Gronsveld op de desbetreffende locatie vergroend. Met het verdwijnen van de boomkwekerij/tuincentrum verdwijnt er een grote mate aan verharding en verdwijnen ook de exoten binnen de planlocatie met als gevolg de kans voor de ontwikkeling van een integrale groenstructuur van inheemse planten- en bomensoorten. Het Nationaal Landschap Zuid-Limburg wordt op deze manier verbeterd en versterkt. Kortom, wordt de groenstructuur uit de planontwikkeling op grotere schaal versterkt, waardoor het leefgebied van plant- en diersoorten wordt uitgebreid, wat de biodiversiteit zowel in het wijzigingsgebied als in de omgeving ten goede komt. De ontwikkeling van Bonfleur tast het reliëf van de omgeving niet aan; de huidige peilmaten worden behouden. Ook is de ontwikkeling direct aan de rand van Gronsveld gelegen, waardoor het Limburgs Landschap open blijft en de zichtlijnen naar buiten niet worden aangetast. Door het behouden en versterken van de groene randen van het plangebied verandert er weinig in het bestaande aanzicht.

Hierbij heeft het ontwikkelplan Bonfleur een rug-aan-rug verkaveling en groene afzoming aan de Köbbesweg, waarbij het bestaande groen wordt ingezet en waar nodig wordt versterkt met een groene haag/kokowall en extra inheemse bomen. Archeologisch gezien zijn er geen toonaangevende vondsten in het wijzigingsgebied gedaan die de planontwikkeling ten opzichte van het Nationaal Landschap kunnen verstoren. Groenblauwe mantel De groenblauwe mantel is een ruimtelijk concept bedoeld als strategisch middel om de gevolgen van klimaatverandering op de natuur te kunnen verzachten. Een groenblauwe mantel is een multifunctioneel gebied dat wordt ontwikkeld ter versterking van de EHS (Ecologische Hoofdstructuur) en tevens andere maatschappelijke diensten levert. Het landschap in een groenblauwe mantel heeft een sterke groenblauwe dooradering waardoor de ruimtelijke samenhang van de EHS wordt versterkt en de gevolgen van klimaatextremen (zoals temperatuur en hydrologie) voor biodiversiteit worden gebufferd. Deze door-adering biedt ook een risicovermindering voor de gevolgen van klimaatgebonden ziekten en plagen, levert een bijdrage aan watervasthoudende en waterbergende vermogen van het landschap, versterkt de cultuurhistorische identiteit en verhoogt de recreatieve draagkracht en kwaliteit van het landschap.

Het landschapsplan Bonfleur wordt aan de noordwestelijke en zuidwestelijke zijde geflankeerd door de groenblauwe mantel. Deze groenblauwe mantel wordt in het plan niet aangetast, maar juist eerder versterkt. In het plan wordt er enige afstand van de groenblauwe mantel gehouden in de zone ter plaatse van de Köbbesweg, om zo ruimte te creëren voor waterberging en een groene verbinding van het natuurlijke landschap. Hierbij wordt ook de bebouwing op enige afstand van de groenblauwe mantel in de plantontwikkeling ingebed. Daarnaast zorgt een extra groene afzoming van het wijzigingsgebied ter versterking van de groenblauwe mantel. De verbinding tussen het Savelsbos en Maasgebied - tevens dezelfde zone als de groenblauwe mantel blijft behouden ten noordwesten van het wijzigingsgebied. De twee wadi's rondom het ingetekende appartementencomplex worden beoogd ter versterking van de biodiversiteit en het landschap en bieden de aanwezige dier- en insectensoorten kansen om zich door het groenblauwe landschap te kunnen bewegen. De wadi's kunnen dus gezien worden als pleister-plaatsen voor dier-, insect- en plantensoorten uit de groenblauwe mantel. Verder blijft de bestaande waterloop ten noordwesten van de planlocatie behouden. Relatie met het voorliggend plan Bij de inrichting van het gebied wordt zorg gedragen voor een goede landschappelijke inpassing.

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de Groenblauwe mantel.

33

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

5.2

Beeldkwaliteit

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stedenbouwkundige verkaveling en beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie Bijlage 3 bij de regeling). Voor zowel de openbare ruimte als de architectuur is aandacht besteed aan de beeldkwaliteit. Beeldkwaliteit openbare ruimte Voor de openbare ruimte wordt er een vijftal beeldkwaliteitthema's onderscheiden. Deze thema's betreffen: Bestrating; Parkeren; Beplanting, bomen; (Groene) erfafscheidingen (zie Bijlage 2 van de regeling voor de hagenkaart); Beplanting, grasruigte inclusief waterberging; Voor een beschrijving van de beeldkwaliteit van deze thema's wordt verwezen naar Bijlage 3 bij de regeling. In de algehele beeldkwaliteit voor de planontwikkeling staat centraal dat deze aansluit bij haar ruimtelijke en landschappelijke context. De nieuwe woningbouwontwikkeling moet aanvoelen als een aangename toevoeging op de huidige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur van Gronsveld. In de openbare ruimte staat een klimaatadaptieve en natuurinclusieve invulling centraal. Beeldkwaliteit architectuur Een van de ambities die voor de ontwikkeling is gesteld, is dat de beoogde nieuwbouw in ruimtelijk-architectonische zin geïnspireerd moet zijn op de ruimtelijke kenmerken die in de directe context van de planlocatie aanwezig zijn.

Oftewel, de architectuur van de nieuwbouw dient aansluiting te zoeken op de ruimtelijke karakteristieken van de hoeve- en schuurwoningen die rondom de planlocatie zijn gelegen. Het stedenbouwkundig verkavelingsplan is opgedeeld in een viertal woningbouwtypologieën waarvoor de beeldkwaliteit beschreven is: Het appartementencomplex (sociaal/starters/koop); De rijwoningen (sociaal + starters); De tweekappers en vrijstaand-geschakelde woningen; De vrijstaand-geschakelde levensloopbestendige woningen. In Bijlage 3 bij de regeling wordt de beeldkwaliteit van het appartementencomplex evenals de beeldkwaliteit van de grondgebonden woningen (de rijwoningen, twee-onder-een-kap-woningen, vrijstaande woningen en levensloopbestendige woningen) nader uiteengezet. Vanuit de beeldkwaliteitseisen die in het stedenbouwkundig verkaveling en beeldkwaliteitsplan zijn beschreven, komt naar voren dat de algehele architectuur van de nieuwbouwwoningen qua vormentaal en materialisatie in overeenstemming is. Metselwerk verbijzonderingen rondom de ramen, deuren en dakranden dienen hierbij als een verbindende factor tussen de verschillende typologieën in het wijzigingsgebied. Doordat alle nieuwbouw in eenzelfde ruimtelijke vormentaal opgetrokken wordt, ontstaat er een uniform en herkenbaar beeld voor de woningbouwontwikkeling.

Relatie met het voorliggend plan Middels de in het stedenbouwkundig verkaveling en beeldkwaliteitsplan beschreven eisen voor de inrichting van de openbare ruimte en de vormgeving van de woningen wordt zorg gedragen voor een goede beeldkwaliteit die passend is bij de omgeving.

34

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

5.3

Cultuurhistorie

De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Artikel 5.130, tweede lid, onder d, van het Bkl implementeert (deels) artikel 4 van het verdrag van Granada. Onderdeel 1°, van dit tweede lid, onder d, vraagt gemeenten om in het omgevingsplan regels te stellen om aantasting van de omgeving van (voor)beschermde monumenten te voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. In de directe nabijheid van het wijzigingsgebied bevindt zich een drietal rijksmonumenten: Hoeve van baksteen, Maastrichterweg 2 Pand De Zwaluw, Rijksweg 2 Hoeve met langgerekt woonhuis van mergel, Rijksweg 4 Relatie met het voorliggend plan Door de lokale situatie en de gekozen inrichting van het wijzigingsgebied is er geen sprake van aantasting van de omgeving van de drie omliggende monumenten.

5.4

Archeologie

Voor de beoogde ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd (zie Bijlage 3). Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische en cultuurhistorische waarden die zich in het wijzigingsgebied kunnen bevinden. Het onderzoek dient tevens om een specifieke verwachting voor archeologie op te stellen. Het inventariserend Veldonderzoek heeft vervolgens tot doel om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen door middel van veldwaarnemingen. Aan de hand van de resultaten hiervan kan worden vastgesteld of binnen het wijzigingsgebied daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. Op welke diepte deze (kunnen) voorkomen en of deze vervolgonderzoek en/of planaanpassing vereisen. Beleid Het wijzigingsgebied ligt in een gebied waarvoor een gemeentelijk archeologisch beleid is vastgesteld. Dit beleid is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, Gronsveld en Rijckholt 2013. Op grond van het gemeentelijk archeologiebeleid en het bestemmingsplan, valt het gebied in een zone van middelhoge archeologische verwachting. Aan deze zonering heeft het gemeentelijke beleid de vrijstellingsgrenzen van 50 cm -mv en 500 m² gekoppeld. De geplande ingreep gaat over de vergunningsvrije grens heen en is hiermee onderzoeksplichtig.

Huidige situatie Het wijzigingsgebied ligt op een lösswand in het zuidwesten van het Zuid-Limburgse lössgebied, op de overgang van het plateau van Margraten naar het huidige Maasdal. Historisch gezien, ligt het wijzigingsgebied in een agrarisch gebied met boomgaarden en weilanden die bij de oude kern van Gronsveld hebben behoord. De historische boerderij binnen het wijzigingsgebied dateert uit 1865. Archeologische verwachting Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het wijzigingsgebied een hoge verwachting voor resten van nederzettingen vanaf het laat paleolithicum t/m de Romeinse tijd. Ter plaatse van de bestaande historische boerderij zullen eventuele voorgaande archeologische resten daterend van vóór 1865 als gevolg van maaiveldverlaging zijn verdwenen c.q. sterk zijn aangetast. Ter

35

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

plaatse van de alluviale afzettingen bestaande uit ware zavel en klei zoals aangeduid op de bodemkaart van Nederland kunnen vanwege de situering op het pleistocene terras van Eijsden-Lanklaar resten van bewoning uit het midden-paleolithicum worden verwacht. Voor grafresten geldt een middelhoge verwachting tot en met de Romeinse tijd. Booronderzoek Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat het de oorspronkelijke bodem binnen het wijzigingsgebied volledig uit primaire, eolisch lössleem behorend tot het laagpakket van Schimmert van de formatie van Boxtel bestaat. Er zijn in de top van deze eenheid enkel AC-bodemprofielen aangetroffen; de verwachte reguliere leembrikgrond ontbreekt volledig. Voor het ontbreken van deze holocene bodem lijkt bodemerosie en/of menselijk handelen (terreinegalisaties) de meest voor de hand liggende verklaring. Binnen het noordwestelijke deel van het wijzigingsgebied is een relatief dunne afdekkende laag (post)middeleeuws colluvium aangetroffen. De alluviale zavel en kleiafzettingen zijn niet aangetroffen. Doorwerking in het voorliggend plan Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek kan de archeologische verwachtingswaarde voor het wijzigingsgebied integraal worden bijgesteld naar laag (waarde-archeologie 6). Archeologisch vervolgonderzoek is daarmee niet nodig.

In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11 en de gemeente Eijsden-Margraten. De aanwezige archeologische waarden zijn beschermd door het opnemen van een toegesneden regeling in het omgevingsplan.

5.5

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, artikel 5.129) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt rekening gehouden met: de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Middels de te doorlopen procedure wordt een wijziging van het omgevingsplan gerealiseerd. Hiermee wordt de herontwikkeling van het voormalige tuincentrum naar woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt. Stedelijke ontwikkeling Alvorens het onderhavige plan te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dient eerst bepaald te worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het onderhavige plan is sprake van woningbouwontwikkeling in de vorm van 26 appartementen en 19 grondgebonden woningen.

Gesteld kan worden dat een bouwplan met een dergelijke omvang kan worden beschouwd als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Behoefte Op 29 november 2022 is door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg de Woonmonitor 2022

36

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

vastgesteld. De Woonmonitor wordt jaarlijks door de provincie Limburg vastgesteld. Dit is een rapportage waarin de relevante en actuele ontwikkelingen op de Limburgse Woningmarkt worden geschetst aan de hand van de meest recente beschikbare cijfers. De Woonmonitor 2022 biedt een verscherpt en geactualiseerd beeld van de situatie op de Limburgse woningmarkt. Helder is dat in Limburg met name sprake is van een kwalitatieve woonopgave. De ingezette lijn van de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023 wordt daarmee verder bekrachtigd. Het blijf dus van belang om plannen die voorzien in een urgente woonbehoefte (voor senioren, starters, internationale werknemers, spoedzoekers, in de sociale en middeldure huur) met voorrang te realiseren en de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig te transformeren. Het onderhavige wijzigingsgebied is gelegen in de regio Zuid-Limburg. In het Bijlagenboek behorende bij de Woonmonitor 2022 is als bijlage het ‘Woningbehoeftenonderzoek provincie Limburg’ opgenomen. Uit het woningmarktonderzoek komt naar voren dat er grote behoefte is aan woningen voor senioren, starters,internationale werknemers en spoedzoekers. En dan met name in het sociale huursegment.

Omdat het aantal één- en tweepersoons huishoudens sterk toeneemt, wordt voor wat betreft de kwantitatieve opgave uitgegaan van een toename van de woningbehoefte van bijna 4.000 tot circa 6.000 extra woningen tot en met 2030. In kwalitatief opzicht is er een tekort van 26.810 aan met name nultredenwoningen en appartementen en een overschot van 11.535 reguliere grondgebonden woningen. Dit overschot aan reguliere grondgebonden woningen bevindt zich met name in de regio Zuid-Limburg. Ook vindt er een duidelijke verschuiving plaats van koopwoningen naar huurwoningen. Van de circa 3.800 woningen die in 2021 zijn toegevoegd, zijn ruim 250 koopwoningen geschikt voor starters en ruim 900 zelfstandige woningen geschikt voor senioren (c.q. ouderenzorg). In het betaalbare segment zijn 1.200 sociale huurwoningen of betaalbare koopwoningen gerealiseerd. Uit de woonmonitor blijkt dus dat er een vraag is naar huur- en koopwoningen in de regio, met name voor ouderen, starters, internationale werknemers en spoedzoekers. En dan met name in het sociale huursegment. De ontwikkeling voorziet onder meer in levensloopbestendige woningen en appartementen voor ouderen en in starterswoningen. Een deel van deze appartementen en (starters)woningen betreffen ook sociale huur (5 woningen). Daarmee sluit het voorgenomen plan op deze vraag. De behoefte aan deze ontwikkeling is daarmee aangetoond.

Binnen- of buitenstedelijk De voorgenomen woningbouwontwikkeling op de locatie van het voormalige tuincentrum in Gronsveld vindt binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Eijsden-Margraten plaats.

37

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Hoofdstuk 6

Aspecten van de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

6.1

Natuur

6.1.1

Quickscan ecologie

Voor het wijzigingsgebied is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Bijlage 4). De ingreep is getoetst aan de Wet natuurbescherming, op de onderdelen 'soortenbescherming’ en ‘gebiedsbescherming’. In de quickscan is onderzocht of mogelijk beschermde soorten in het wijzigingsgebied voorkomen die negatieve effecten kunnen ondervinden van de geplande ingreep. Tevens is bepaald in hoeverre effecten zijn te verwachten op NNN en Natura 2000. Op basis hiervan is een advies gegeven ten aanzien van noodzakelijke vervolgstappen in het kader van de Wnb en de NNN, waaronder noodzakelijk vervolgonderzoek en mogelijke mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De quickscan is de eerste stap in het proces om de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op het gebied van beschermde dier- en plantsoorten te onderzoeken. De aanwezigheid van beschermde soorten in en rond het wijzigingsgebied en de geschiktheid van het wijzigingsgebied voor deze soorten is door middel van een eenmalig veldbezoek onderzocht. Daarnaast is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidings-gegevens van soorten uit beschermde soortgroepen en van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Vleermuizen Het gebouw (Rijksweg 6) is geschikt voor vleermuizen. Voorafgaand aan werkzaamheden aan de woning dient nader onderzoek te worden uitgevoerd.

Hiervoor dient het vleermuisprotocol van 2021 te worden gehanteerd om aan- of afwezigheid te bepalen. Verder dient vanuit de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming onnodige lichtverstoring van niet-essentieel foerageergebied voorkomen te worden. Dit kan door tijdens de aanleg- en gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen, buitenverlichting en straatverlichting naar boven te voorkomen. Gebruik bijvoorbeeld afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik 'batlampen' en plaats niet meer verlichting dan nodig. Grondgebonden zoogdieren Er is een verblijf van de grote bosmuis aangetroffen. Omdat bestaande onderzoeksmethoden niet direct een meerwaarde opleveren wordt geadviseerd direct een ontheffing aan te vragen voor de soort. Er is één verblijf van de steenmarter aanwezig binnen het wijzigingsgebied. Renovatie van de woning dient plaats te vinden binnen de vrijgestelde periode van de soort, tussen 15 augustus en februari. Sanering van het terrein en realisatie van de nieuwbouw zorgen mogelijk voor verstoring van de steenmarter. Bij voorkeur dienen al deze werkzaamheden binnen de vrijgestelde periode te worden uitgevoerd. Wanneer dit niet mogelijk is zal onder strikte ecologische begeleiding kan beperkt worden gewerkt binnen voortplantingsperiode (maart t/m 15 augustus).

Hierin wordt rondom het verblijf een verstoringsafstand ingesteld. Verstorende werkzaamheden binnen de beschermingszone worden buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd. De verstoringsafstand is afhankelijk van duur en intensiteit van de werkzaamheden maar ook van de functie van het verblijf. Wanneer beperkt gewerkt wordt binnen de niet-vrijgestelde periode wordt nader onderzoek d.m.v.

38

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

wildcamera's tussen maart en medio augustus gedurende 6 weken geadviseerd. Het onderzoek moet uitwijzen of het om een kraamlocatie gaat op de zolder. Verdere maatregelen kunnen hierop worden aangepast. Er dient in alle situaties vooraf een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld waarin wordt vastgesteld hoe zorgvuldig te handelen omtrent de steenmarter. Er zijn twee nesten van de eekhoorn aanwezig, één binnen de grenzen van het wijzigingsgebied en één nest aangrenzend aan het wijzigingsgebied. Geadviseerd wordt de boom binnen het wijzigingsgebied met het eekhoornnest vóór aanvang van de werkzaamheden en binnen de vrijgestelde periode (maart t/m april of juli t/m november) te kappen. Voor het eekhoornnest aangrenzend aan het wijzigingsgebied moet rekening gehouden worden met verstoring door werkzaamheden tijdens de niet vrijgestelde periode. Wanneer verstorende werkzaamheden niet buiten deze vrijgestelde periode (mei t/m juni of december t/m februari) kunnen plaatsvinden wordt geadviseerd om in eerste instantie het nest te verwijderen vóór aanvang van de werkzaamheden (maar binnen de vrijgestelde periode). Wanneer dit niet mogelijk is zal nader onderzoek moeten uitwijzen of het nest nog actief in gebruik is.

Werkzaamheden worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding en er wordt een werkprotocol opgesteld waarin wordt vastgelegd hoe aantoonbaar zorgvuldig te handelen omtrent de verblijfplaatsen van de eekhoorn. Het wijzigingsgebied is zeer geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdieren zoals rosse woelmuis, egel en huisspitsmuis. In een ecologisch werkprotocol dient opgenomen te worden hoe hier mee omgegaan wordt tijdens de werkzaamheden. Vogels Tijdens het onderzoek zijn mogelijk sporen van de kerkuil aangetroffen. Jaarlijks onderzoek bij het bestaande nestkast door de lokale werkgroep heeft nooit nestlocaties aangetoond, mogelijk mede door aanwezigheid van de steenmarter op de zolder. Nader onderzoek moet uitwijzen of er sprake is van een mogelijke roestplek op de zolder. Tijdens het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels in te verwijderen bomen, nestkasten, struiken en opgaande begroeiing worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Voer werkzaamheden die kunnen leiden tot het vernielen of verstoren van nesten buiten het broedseizoen uit of neem tijdig maatregelen om broedgevallen binnen invloedssfeer van verstorende werkzaamheden te voorkomen, bijvoorbeeld door opgaande beplanting binnen invloedssfeer van de werkzaamheden sterk terug te snoeien. Hier valt het wilgenstruweel onder.

Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode maart - augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn niet uitgesloten, met name van duiven. Bezette nesten zijn altijd beschermd, ongeacht de soort of periode. Tijdens het broedseizoen kunnen mogelijk verstorende werkzaamheden uitsluitend worden uitgevoerd nadat een ecologisch deskundige heeft vastgesteld dat er geen bezette nesten aanwezig zijn. Zo nodig worden werkzaamheden uitgesteld of maatregelen getroffen om verstoring of vernieling van nesten te voorkomen, bijvoorbeeld met het instellen van een zone rondom het nest totdat de jongen het nest verlaten hebben. Amfibieën Op het terrein is een vijver aanwezig. Het is niet uitgesloten dat de Alpenwatersalamander zich hier voortplant. De voorgenomen ingrepen hebben mogelijk effect op voortplantingswater van de Alpenwatersalamander. Wanneer er sprake is van voortplantingswater wordt de directe omgeving door de Alpenwatersalamander als overwinteringsgebied gebruikt. Aantasting van het leefgebied en mogelijk doding van de soort door de werkzaamheden is niet uitgesloten. Nader onderzoek moet uitwijzen of de soort inderdaad voorkomt binnen het wijzigingsgebied. Reptielen Leefgebied van beschermde reptielen wordt niet verwacht. Negatieve effecten door de werkzaamheden op reptielen is uitgesloten.

39

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Vaatplanten Aanwezigheid van beschermde plantensoorten wordt in het wijzigingsgebied uitgesloten. Het wijzigingsgebied is ongeschikt voor beschermde vaatplanten op basis van bodem en habitat. Negatieve effecten op beschermde vaatplanten zijn dan ook uitgesloten. Vissen Negatieve effecten op vissen is uitgesloten door de afwezigheid van beschermde soorten in de directe omgeving en de afwezigheid oppervlaktewater binnen de invloedsfeer van het planvoornemen. Overige soortengroepen Binnen het wijzigingsgebied is geen geschikt habitat aangetroffen voor beschermde weekdieren of ongewervelden. Negatieve effecten op deze soorten is uitgesloten. Gebiedsbescherming Bij het onderdeel 'gebiedsbescherming' wordt de aanwezigheid van beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden en overige onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), en de beoordeling of er van het voornemen een (in)direct effect uitgaat, behandeld. Is er sprake van een mogelijk negatief effect, dan is planaanpassing en/of nader onderzoek nodig. Natura 2000-gebied De onderzoekslocatie is slechts 770 meter verwijderd van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het Savelsbos. Effecten door trillingen, licht of geluid op het Natura 2000-gebied is op deze afstand uitgesloten.

Tijdens de bouwfase kan door inzet van mobiele werktuigen, aan- en afvoer van materialen en vervoersbewegingen van personeel sprake zijn van een tijdelijke toename van stikstofemissie van het wijzigingsgebied. Ook tijdens de gebruiksfase is mogelijk sprake van een toename in stikstofdepositie door bijvoorbeeld het gebruik van de woningen, toename van gebruik van vervoersmiddelen. Binnen het Savelsbos zijn enkele stikstofgevoelige habitats aanwezig. De voorgenomen ontwikkelingen leiden mogelijk tot wetsovertredingen ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Aeriusberekeningen voor de gebruiks- en bouwfase moeten uitwijzen of er sprake is van negatieve stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden.

40

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Ligging wijzigingsgebied in relatie tot Natura 2000-gebieden

Natuurnetwerk Nederland Er is geen Natuurnetwerk Nederland gebied aanwezig binnen of rondom het wijzigingsgebied. Aangezien geen externe werking van toepassing is voor gebieden met deze beschermde status kunnen negatieve effecten bij voorbaat worden uitgesloten. Het uitvoeren van een 'nee, tenzij'-toets is niet aan de orde. Houtopstanden Het projectgebied bevindt zich buiten de grenzen van de bebouwde kom. De te kappen bomen zijn tezamen minder dan 10 are waardoor deze niet onder beschermde houtopstanden vallen. Een melding bij provincie Limburg is niet nodig. Relatie met het omgevingsplan Op basis van de resultaten van de quickscan onderdeel soortenbescherming is een nader onderzoek naar de alpenwatersalamander, grote bosmuis en steenmarter noodzakelijk. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.1.2. Op basis van de resultaten van de quickscan onderdeel gebiedsbescherming is een AERIUS berekening noodzakelijk. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.1.3.

6.1.2

Nader onderzoek alpenwatersalamander, grote bosmuis en steenmarter

Naar aanleiding van de resultaten uit de reeds uitgevoerde quickscan (zie ook paragraaf 6.1.1) is een aanvullend ecologisch onderzoek (zie Bijlage 5) uitgevoerd naar het voorkomen van de volgende wettelijk beschermde soorten:

41

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Alpenwatersalamander Steenmarter Daarnaast is een biotopenbeoordeling uitgevoerd voor de aanwezige grote bosmuis en zijn aanvullende waarnemingen tijdens de veldbezoeken van de aanwezige kerkuil en eekhoorn meegenomen in de resultaten. De resultaten van het nader onderzoek zijn vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Er is bepaald of er sprake is van mogelijke overtreding van de opgestelde verbodsbepalingen en er is een advies gegeven over de vervolgstappen. Onderzoek Alpenwatersalamander Het veldbezoek heeft aangetoond dat er alpenwatersalamanders in het gebied aanwezig zijn. Er zal essentieel leefgebied, namelijk een voortplantingspoel en terrestrisch habitat, komen te verdwijnen tijdens de realisatie van de nieuwbouwwoningen. Conform art. 3.10 lid 1b is het verboden vaste voortplantings- en rustplaatsen van de Alpenwatersalamander (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen. Zonder gepaste maatregelen is het niet te voorkomen dat dieren met name tijdens het bouwrijp maken van het terrein mogelijk verwond of gedood worden, welke verboden is (artikel 3.10 lid 1a). Er is een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd voor de Alpenwatersalamander vóór de start van de werkzaamheden. In de ontheffing zullen mitigerende en compenserende maatregelen verder worden uitgewerkt. Deze zullen o.a.

bestaan uit: Het realiseren van een gelijkwaardige compensatievijver en het omringende habitat wordt geschikt gemaakt voor overwintering; Het voorkomen van doding van individuen door buiten de kwetsbare periode te werken. Grondroering kan niet worden uitgevoerd tijdens de terrestrische fase van de Alpenwatersalamander (september t/m februari); Dieren worden vóór de demping van de vijver weggevangen en verplaatst naar de compensatievijver. Dit gebeurd tijdens de periode waarin de Alpenwatersalamander aanwezig is in het water. Grote Bosmuis Voor de nieuwbouw zal minimaal één verblijf en leefgebied van de grote bosmuis moeten wijken (verbodsbepaling art. 3.10 lid 1b) waardoor een ontheffing Wet natuurbescherming nodig zijn. Minimaal één verblijfplaats en essentieel foerageer- en leefgebied zal komen te verdwijnen. Mitigerende en compenserende maatregelen worden verder uitgewerkt in de ontheffingsaanvraag. Steenmarter Tijdens de renovatie van de woning komt het verblijf van de steenmarter te verdwijnen. Het aantasten van een verblijf is een overtreding van art. 3.10 lid 1b van de Wnb. Binnen provincie Limburg geldt echter een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wnb tijdens ruimtelijke ontwikkelingen tussen 15 augustus en februari. De woning kan in deze periode vóór aanvang van de renovatie ongeschikt worden gemaakt voor de steenmarter.

Indien dit wordt nageleefd is voor deze soorten geen ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Wel zal er een ecologisch werkprotocol moeten worden opgesteld om zorgvuldig werken te borgen. Het verblijf wordt niet aangetast tijdens de realisatie van de nieuwbouw. Omdat het echter mogelijk gaat om een kwetsbare voortplantingslocatie, is mogelijk wel verstoring aan de orde tijdens de kwetsbare periode (maart t/m 15 augustus) waarin geen vrijstelling geldt. Tijdelijke verstoring van dieren vallend onder art. 3.10 van de Wnb is in de regel niet verboden. Wel zal conform de zorgplicht (art. 1.11) noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen. Geadviseerd wordt werkzaamheden direct rondom het huis op gepaste wijze uit te voeren binnen de kwetsbare periode. Op welke wijze de werkzaamheden moeten worden aangepast is afhankelijk van de aard,

42

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

afstand en duur van de werkzaamheden. Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld voor de steenmarter waarin deze maatregelen verder worden uitgewerkt. Eekhoorn Het aanwezige nest op het terrein zal moeten wijken voor de nieuwbouw, evenals een groot deel van de bomen die nu dienen als foerageer- en leefgebied voor de eekhoorn. Het aantasten van verblijfplaatsen van de eekhoorn is wettelijk verboden (art. 3.10, lid 1b) maar in provincie Limburg geldt in maart, april en juli t/m november een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen. Geadviseerd wordt vóór de start van het bouwrijp maken van het terrein en binnen de vrijgestelde periode beide eekhoornnesten te verwijderen. Er is geen ontheffing Wet natuurbescherming benodigd indien in de vrijgestelde periode het nest vóór aanvang van de werkzaamheden verwijderd wordt. Het verwijderen van de boom moet wel gebeuren onder begeleiding van een ecoloog en de maatregelen moeten worden beschreven in een ecologisch werkprotocol. Kerkuil De huidige roestplek blijft gehandhaafd tijdens het nieuwbouwproject. Verwacht wordt echter dat de roestplek op de balken en in de kast tijdens de geplande renovatie van de woning wel komt te verdwijnen. Ook rustplekken van de kerkuilen hebben een beschermde status (art. 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming). Voor aantasting van de roestplek is een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd.

In de nabije omgeving worden vóór aanvang van het bouwrijp maken van het terrein voor de nieuwbouw twee kerkuilenkasten geplaatst. Deze worden alvast geplaatst in afwachting van de renovatie van de woning en zullen als compensatie dienen. Om te borgen dat de kerkuil ook tijdens de realisatie van de nieuwbouw voldoende uitwijkmogelijkheden heeft worden deze om deze reden eerder geplaatst dan benodigd is voor de renovatie van de woning. Hierdoor wordt verstoring van de kerkuil voorkomen, welke verboden is op grond van art. 3.1 lid 4. Deze twee kasten worden minimaal 3 maanden vóór aanvang van de werkzaamheden geplaatst conform de eisen uit het kennisdocument kerkuil. Algemene broedvogels Er broeden diverse algemene vogels in het groen op het terrein, in de bomen, struiken en rondom de woning. Geadviseerd wordt zoveel mogelijk buiten het broedvogel-seizoen te werken. Hiervoor wordt doorgaans maart t/m augustus aangehouden. Wanneer dit niet mogelijk is zal het terrein vóór aanvang van de werkzaamheden ongeschikt gemaakt moeten worden voor broedvogels door het groen (bomen en struiken) te verwijderen. Ook kan er, wanneer er binnen het broedvogelseizoen gewerkt wordt, vóór aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcontrole worden uitgevoerd door een ecoloog. Dit wordt echter niet geadviseerd aangezien grote delen van het wijzigingsgebied zeer kansrijk zijn voor broedvogels.

Hierdoor is het risico op het (deels) stil komen te liggen van de werkzaamheden erg hoog. De maatregelen worden kort beschreven in een ecologisch werkprotocol. Zorgplicht Tenslotte zal er in het kader van de zorgplicht (art. 1.11) rekening gehouden moeten worden met aanwezige flora & fauna ongeacht of deze een beschermde status hebben of niet. Er dient waar redelijkerwijs mogelijk is zorg te worden gedragen voor alle aanwezige flora & fauna. Op het terrein zijn meerdere vrijgestelde en niet beschermde soorten te verwachten zoals algemene muizen, egels en algemene amfibieën (kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad etc.). Maatregelen worden verder uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol waarin een invulling wordt gegeven aan zorgvuldig handelen. Maatregelen bestaan o.a. uit: Uitvoeren van een algemene inspectie door een ecoloog vlak vóór de aanvang van de werkzaamheden; Wegvangen en verplaatsen amfibieën vóór demping van de vijver; Zoveel mogelijk vanuit één richting werken;

43

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Alleen overdag werken. Relatie met het omgevingsplan Vanwege de te verwachten effecten op de Alpenwatersalamander en de Grote Bosmuis is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd en verleend (25 september 2023). Ten behoeve van de aanvraag is een activiteitenplan opgesteld (zie Bijlage 6). Daarnaast is ter mitigatie van mogelijke effecten op de Steenmarter, Eekhoorn, Kerkuil en diverse algemene soorten een ecologisch werkprotocol opgesteld en worden aanvullende mitigerende maatregelen uitgevoerd (waaronder het werken buiten broedseizoen, verwijderen van nesten en het plaatsen van 2 alternatieve kasten). Daarmee worden overtredingen van de opgestelde verbodsbepalingen voorkomen.

6.1.3

Stikstofdepositie

Voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase van de woningbouwontwikkeling is een Aeriusberekening uitgevoerd (zie Bijlage 7 en Bijlage 8). De belasting van de Natura 2000-gebieden rondom de emissiebronnen is berekend met behulp van een verspreidingsmodel. De verspreidingsberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de online-applicatie Aerius- Calculator (versie 2023.0.1). Onderzoek Uitgangspunten Om te bepalen of er sprake is van een stikstofdepositiebijdrage als gevolg van de realisatie van het plan dient de stikstofdepositie van de referentiesituatie te worden vergeleken met de realisatie en gebruiksfase. In de referentiesituatie vindt permanente stikstofdepositie plaats als gevolg van aardgasverbranding van de 2 bedrijfswoningen en het tuincentrum, het gebruik van mobiele werktuigen op locatie en het af- en aanrijdend verkeer van zowel het tuincentrum als de bedrijfswoningen In de bouwfase wordt stikstofdepositie veroorzaakt door het brandstofverbruik van mobiele werktuigen tijdens de werkzaamheden en uitstoot als gevolg van vervoersbewegingen. In de gebruiksfase vindt permanente stikstofdepositie plaats als gevolg van aardgasverbranding en gebruik van de bestaande woning (Slakweg 3) en het af- en aanrijdend verkeer van zowel de bestaande woning als de nieuwbouwwoningen (26 appartementen en 19 grondgebonden woningen).

Resultaten In voorliggend onderzoek zijn niet alleen de voorgenomen activiteiten beschouwd. Er is rekening gehouden met activiteiten die voorheen op de locatie plaatsvonden. Er is derhalve intern gesaldeerd. Dit houdt in dat de nieuwe situatie niet mag leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. De maximale berekende waarde in zowel de bouwfase als de gebruiksfase is 0,00 mol/ha. Relatie met het omgevingsplan Omdat de maximale berekende waarde in zowel de bouwfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha bedraagt, wordt voldaan aan het wettelijk kader en is een omgevingsvergunning voor een Natura2000-activiteit, in het kader van stikstofdepositie, niet noodzakelijk.

44

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

6.2

Water

Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. De gemeente en/of de initiatiefnemer moet de opvattingen van de waterbeheerders betrekken bij het (wijzigen van het) omgevingsplan. Onderzoek De aanleiding voor het uitvoeren van de watertoets wordt gevormd door de voorgenomen ontwikkeling van woningbouw in het wijzigingsgebied. Bij het ontwikkelen van nieuwe projecten is het van essentieel belang om water op een expliciete en evenwichtige wijze te integreren. Concreet houdt dit in dat onderzocht moeten worden hoe op een duurzame manier met water kan worden omgegaan in toekomstige plannen. Hierbij is het vasthouden, bergen en afvoeren van water binnen het betreffende gebied van groot belang. Tevens is het van belang om te onderzoeken in hoeverre het mogelijk is om regenwater te infiltreren en in welke mate bestaande watersystemen, zowel in hun oorspronkelijke vorm als in alternatieve vormen, behouden of hersteld kunnen worden. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 9 bij deze motivering. Bodemopbouw De lokale bodemopbouw bestaat tot een diepte van 5,6 m tot 6,8 m - maaiveld uit een sterk zandige leemlaag (silt). De laag vanaf ca.

7 à 8 m - maaiveld bestaat voornamelijk uit een zwak zandige, grove tot middel grove grindlaag. Uit het DINO bodemloket blijkt dat de bodemopbouw van de diepere ondergrond bestaat uit een leemlaag tot 4,0 m - maaiveld. Het grindpakket is aangetroffen op een diepte van 4,0 tot 13,0 m -maaiveld. Daaronder bevindt zich een mergellaag. De regionale bodemopbouw kan regionaal worden geschematiseerd zoals weergegeven in onderstaande tabel. Tabel: Regionale bodemopbouw (volgens tabel 2.3 Verkennend bodemonderzoek MA220140.R01.V1.1 Geonius)

Grondwater Het grondwater bevindt zich dieper dan 8,10 m – maaiveld. Ten noordoosten van het wijzigingsgebied heeft een langdurige grondwatermeting plaats gevonden. Uit de meetreeks komt de gemiddelde grondwaterstand uit op een hoogte van 46,54 m +NAP. Ter plaatse van de boring betreft dit een gemiddelde diepte van 10,00 m – maaiveld. Het wijzigingsgebied is niet gesitueerd in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, en ook niet in een boringvrije zone.

45

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Uit de isohypsenkaart blijkt dat het grondwater ter plaatse van het wijzigingsgebied zich op een hoogte tussen de 47,50 en 50.00 m +NAP te bevinden. De grondwaterstroomrichting is zowel richting de Maas in westelijke richting als richting het noordoosten. Hier bevindt zich namelijk een waterwingebied. Oppervlaktewater In de legger van Waterschap Limburg zijn de hoofdwatergangen weergegeven. Aan de noordwestzijde op de rand van het wijzigingsgebied ligt de watergang de Termaardergrub. Zowel de Köbbesweg, de Maastrichterweg als de Slakweg voeren oppervlaktewater af richting de Termaardergrub. De watergang voert het water af richting het zuidwesten.

Legger nabij het plangebied (Leggerkaart, Waterschap Limburg)

De Termaardergrub is een smalle watergang die bij neerslag veel hemelwater te verduren krijgt. De inmeting geeft aan dat het afschot in de grub op enkele plekken nagenoeg vlak is of zelfs negatief. Over de gehele ingemeten lengte is het hellingsvlak 3‰ (3 mm/m). De insteken (bovenkanten talud) zijn op enkele plekken verzakt en zouden een onderhoudsbeurt kunnen gebruiken. Na oplevering van het bouwplan vervalt het olifantenpaadje aan het einde van de Slakweg. Hierna wordt herstel van de waterloop aanbevolen. Tijdens herprofilering van de berm dient rekening gehouden te worden met een eis voorzorgsmaatregel ten behoeve van een middenspanningskabel van Enexis. Deze kabel ligt volgens KLIC gegevens naast de insteek van de grub. Verder steken er ook enkele laagspanning- en datakabels, en een waterleiding onder door. Infiltratie In een nader infiltratieonderzoek is de doorlatendheid tot een diepte van 8,0 m onderzocht. De ondiepe doorlatendheid ter plaatse van de locatie waar de buffers gesitueerd zijn, is ongunstig voor infiltratie. Uit de resultaten van het infiltratieonderzoek blijkt dat infiltratie naar de diepere ondergrond (dieper dan ca. 3,5 m- maaiveld) behoort tot de mogelijkheden en kan middels grindpalen naar de diepere grindlagen vanaf ca. 47,20 m à 48,70 m +NAP.

46

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Waterhuishouding De bebouwing van het voormalige tuincentrum bestaat hoofdzakelijk uit meerdere tuinkassen. Hoe het hemelwater van deze daken wordt afgevoerd is niet bekend. De inschatting is dat een groot deel van het hemelwater niet op de riolering is aangesloten. Maar dat het grootste deel van het water via de verharding wordt afgevoerd naar de beplantingvakken of gazons. Het buitenterrein van het voormalige tuincentrum is voor circa 30% van de oppervlakte verhard. Hiervan is circa 10% is geasfalteerd. Het overige verharde oppervlak bestaat uit betonklinkers en halfverharding (grind). Het resterend perceel bestaat voor circa 20% uit gras en voor 50% uit een voormalige showtuin met begroeiing en een vijver van zo’n 10 m2 met opstaande rand. De voortuin van Slakweg nummer 3 is deels een kwekerij met enkele jonge maar ook oudere doorgegroeide dennenbomen. De vakken zijn bedekt met gronddoek. De paden ertussen zijn bedekt met betonklinkers en fijne halfverharding (split). De Slakweg, met circa 28 parkeerplaatsen, bestaat volledig uit asfalt met over de hele lengte een 5 streks goot met daarnaast een beklinkerde kabelsleuf. Deze molgoot heeft geen straatkolken en watert af in de Termaardergrub. Aanliggend perceel van Slakweg nummer 1A en 1B heeft een grote inrit van halfverharding en een gazon. Deze tuin heeft een licht hellingsvlak richting de Slakweg.

Het is vrij duidelijk dat vrijwel al het overtollig hemelwater zich, direct of via de Slakweg, een weg vindt richting de Termaardergrub. Hierbij zit mogelijk ook hemelwater van de Rijksweg en Kampweg die bij extreme buien niet op kolken worden afgevangen. Riolering Het dichtstbijzijnde rioolstelsel van de gemeente Eijsden-Margraten in de buurt van het wijzigingsgebied bevindt zich ter plaatse van de Maastrichterweg en de Rijksweg. De riolering in de Maastrichterweg betreft een persriool en wordt middels een pompput naar de Rijksweg gepompt. De riolering in de Rijksweg bestaat uit een gemengd riool. Dit betekent dat vuilwater en regenwater samen in een buis afgevoerd worden. Van de woningen aan de Slakweg zijn geen rioolgegevens bekend. Bij het aanleggen van een nieuw rioolstelsel dient onderzocht te worden waar de aansluiting van deze woningen zich bevindt. Voor de dimensionering van het nieuwe DWA-systeem zullen deze woningen moeten worden meegenomen. Bergingsopgave & infiltratievoorzieningen Voor dit wijzigingsgebied is gekozen voor een combinatie van verschillende infiltratievoorzieningen. Deze te samen zorgen dat het hemelwater kan infiltreren binnen het te ontwikkelengebied. De voorzieningen zijn binnen de gestelde leeglooptijd weer beschikbaar.

Er is voor de beoogde ontwikkeling gekozen om met diverse type infiltratievoorzieningen gecombineerd met grindpalen het hemelwater op geruime diepte te infiltreren. De waterberging wordt uitgevoerd als wadi en krattensystemen met infiltratiepalen. Er worden twee wadi’s aangelegd, 1 krattensystemen voor openbaar gebied en krattensystemen voor de woningen. Hieronder wordt de bergingseis en de totale berging per systeem weergegeven. Tabel: bergingseis en de totale berging per systeem

47

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Er infiltreert per uur 97,28 m3 in de infiltratiepalen, de bui waar de bergingseis op gebaseerd is valt over 2 uur. Dit betekent dat in de tijd dat de bui valt, bijna de helft (194,5 m3) van de totale bergingseis infiltreert, hierdoor voldoet het aan de gestelde eisen. De totale berging en infiltratie samen is 515,96 m3 over 2 uur, er is maar voor 426 m3 berging nodig, er is dus 89,96 m3 over dimensionering. Beoordeling waterschap Limburg Waterschap Limburg heeft de rapportage 'Weging van het waterbelang' beoordeeld en op 17 mei 2024 akkoord bevonden. Het opgenomen afwateringsplan voldoet aan de eisen van het Waterschap. Aangezien er een overloop is voorzien op de Termaardergrub is dit wel vergunningplichtig. Relatie met het omgevingsplan Door de aanleg van een wadi en krattensystemen met infiltratiepalen wordt ruimschoots voldaan aan de totale bergingseis van 426 m3. Daarmee voorziet het voornemen op een duurzaame manier in het waterbelang.

6.3

Klimaatadaptatie

In artikel 3.5 van de omgevingsverordening is de instructieregel opgenomen dat de motivering bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving moet bevatten over de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Onderzoek In de notitie klimaatadaptatie (zie Bijlage 10) wordt de instructieregel van de Provincie Limburg inzake klimaatadaptatie beantwoord door de klimaatadaptieve ingrepen die in de stedenbouwkundige planontwikkeling zijn beoogd nader toegelicht. Klimaatadaptatie Het aspect klimaatverandering wordt in het plan op twee manieren toegepast om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te beperken: 1. Enerzijds wordt klimaatverandering toegepast om negatieve effecten door opwarming van de omgeving (hittestress) te voorkomen. Hiertoe wordt er in het ontwerp zo min mogelijk verharding toegepast, alleen verharding toe te passen waar nodig, of zo veel mogelijk te kiezen voor de toepassing van (half-)open verharding. Daarnaast wordt er in het ontwerp bewust gekozen om de verharde objecten te beschaduwen door middel van groen.

Onder andere de toepassing van bomen op plekken waar schaduw op de verharde delen optreedt, is hierbij van belang. Indien objecten in het ontwerp niet of onvoldoende beschaduwd kunnen worden, wordt er in het ontwerp doordacht gekozen om voor deze objecten materialen te kiezen die weinig warmte opslaan (materialen met een lage dichtheid) of juist zonnestraling reflecteren (materialen die een hoge Albedo-waarde hebben).

48

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

2. Anderzijds betreft klimaatadaptatie ook het slim omgaan met hemelwater. Dit wordt bereikt door het hemelwater zo lang mogelijk vast te houden en op de planlocatie te laten infiltreren waar dit mogelijk is. Ook hiervoor geldt dat zo min mogelijk verharden en het toepassen van zoveel mogelijk groen van positieve invloed is om het regenwater vast te houden en te laten infiltreren in de bodem. De hemelwaterberging biedt daarnaast veel mogelijkheden voor het verrijken van een ontwerp én inrichting van een leefomgeving. Een tijdelijke verandering van speelplekken – bijvoorbeeld door het overstromen van delen van speelplekken tijdens of na een hevige regenval – zorgt voor een dynamische omgeving. Verder zorgt het opslaan van regenwater voor een robuust beheer van de openbare ruimte in tijden van droogte. Bij de wateropgave houden wij altijd rekening met de vanuit de gemeente of het waterschap aangedragen normering van piekbuien. In Limburg ligt deze piekbui tegenwoordig op 80 mm/2 uur. Klimaatadaptieve maatregelen en voorzieningen In het stedenbouwkundig plan zijn verschillende klimaatadaptieve maatregelen en voorzieningen getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. Onderstaand wordt voor verschillende ruimtelijke thema's benoemd welke maatregelen of voorzieningen er in de planontwikkeling zijn getroffen.

Verharding De hoofdstructuur van de ontwikkeling bestaat uit een nieuwe erfontsluitingsweg die aantakt op de bestaande Slakweg, ten zuiden van het wijzigingsgebied. In het kader van klimaatadaptief ontwerpen, is voor de nieuwe erfontsluitingsweg gekozen voor een smaller profiel dan standaard. In het gekozen profiel is de rijbaan slechts 5 meter breed. Doordat gekozen is voor een inrichting van de rijbaan waarbij de ruimte voor gemotoriseerd verkeer gecombineerd wordt met langzaam verkeer, wordt de verharding in het wijzigingsgebied beperkt. In de planontwikkeling worden de rijbanen uitgevoerd in roodbruine klinkers, gelegd in keperverband. Door de toepassing van dit materiaal kan het regenwater beter infiltreren in het gebied. De toepassing van roodbruine klinkers levert een positieve bijdrage aan waterinfiltratie en daarmee dus ook aan het beperken van wateroverlast. De beperking van verharding in het plan wordt niet alleen bepaald door een alternatieve inrichting van het nieuwe straatprofiel en de toepassing van waterdoorlatend materiaal, ook wordt de verharding beperkt doordat het haaksparkeren op halfopen verharding wordt toegepast. Beide parkeerterreinen in het plan worden hiertoe uitgevoerd middels grasbetontegels. De toepassing van grasbetontegels maakt dat de parkeerplaatsen esthetisch groener uitzien, maar ook dat het regenwater beter in de bodem kan infiltreren.

Zowel het vergroenen als het openspelen van de verharding zijn positief van invloed op het aspect hittestress. Daarbij draagt een groenere omgeving bij aan een verminderde omgevingstemperatuur; iets dat positief van invloed is op de gezondheid van de mens. De opritten van de grondgebonden woningen worden verhard uitgevoerd. Tevens geldt dat naar de rijwoningen een voetpad naar de voordeur verhard wordt uitgevoerd. In combinatie met de staptegels in de voortuinen om bijvoorbeeld de ramen te wassen, betreft het verhardingspercentage van de percelen van de rijwoningen circa 55%. De percelen voor de twee-onder-een-kapwoningen evenals de vrijstaand geschakelde woningen hebben een verhardingspercentage van circa 45%. De percelen van de levensloopbestendige patiowoningen hebben vanwege hun omvang een hoog verhardingspercentage. Om dit te compenseren, worden in de planontwikkeling, waar mogelijk, groene daken toegepast. Groen en water Voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe woningbouwontwikkeling zijn enkele bestaande solitaire bomen het behouden waard bevonden. Naast dat een aantal bestaande bomen in het wijzigingsgebied behouden blijft, worden er in de planontwikkeling ook verschillende bomen aangeplant. De reden voor deze aanplant is tweeledig.

Enerzijds dragen de bomen bij aan een prettige, groene leefomgeving, oftewel het zichtbaar maken van voldoende groen conform de 3-, 30-, 300-regel. Anderzijds zorgen de bomen ook voor schaduwwerking op de verharde delen in het wijzigingsgebied.

49

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)

Door in het wijzigingsgebied voldoende bomen aan te planten, wordt de gevoelstemperatuur verminderd. Vanwege de ligging van het plan tegen het buitengebied van Gronsveld aan, is het plan zo groen mogelijk ingekleed. Grasruigtes met wadi's, de toepassing van groene erfafscheidingen en de te behouden en nieuw te planten bomen vormen gezamenlijk de groenstructuur in het plan. De groene erfafscheidingen worden geborgd, aangezien deze in de planontwikkeling door de initiatiefnemer worden aangeplant. Om het plan zo groen mogelijk te kunnen ontwikkelen, wordt in de koopovereenkomsten opgenomen dat de tuinen een maximaal percentage aan verharding mogen toepassen. Voor de volgende typologieën gelden de volgende percentages: Starterswoning: 55%; Rijwoningen huur: 80%; Patio: 90%-100%; Vrijstaand: 55%; Twee-onder-een kapper: 55% Natuurinclusiviteit, biodiversiteit en circulariteit De nieuwe groenstructuur sluit aan op de directe omgeving. De karakteristieke beplantingselementen vanuit het omliggend Maasdallandschap worden ingezet om de nieuwe woonwijk een passende identiteit te geven. De groenstructuur bestaat uit inheemse en/of verwilderde beplantingssoorten, die niet alleen zorgen voor het behouden, maar zelfs het versterken én verbeteren van de biodiversiteit.

Door toepassing van inheemse boom- en plantensoorten zal de wijk meer lokale fauna (insecten en vogels) aantrekken; iets dat zorgt voor een levendigere en gezondere woon-omgeving. De nieuwe beplanting in het wijzigingsgebied zal veel variatie in type, gelaagdheid en hoogte hebben. Ter simulatie van de biodiversiteit wordt een onderbegroeiing van bloemrijk grasruigte toegepast. De grasruigtes in het plan passen binnen het landschappelijke karakter van de aanliggende weides en fungeert door haar ruigte (bloem- en kruidenrijk) als leefgebied voor de lokale flora en fauna. Om de grasruigtes zo ecologisch mogelijk te beheren, worden de grasruigtes gefaseerd gemaaid. Op deze manier wordt de ecologie die in het wijzigingsgebied aanwezig is, zo min mogelijk beperkt en wordt variatie bevorderd. Gefaseerd beheer voorziet in het behoud van schuil-gelegenheid voor kleine dier- en insectensoorten, evenals voor nectarvoorziening voor microfauna. Ter stimulatie van de insecten in het wijzigingsgebied zijn er ook verschillende boomsoorten toegepast. Vooral de bloesembomen – met in het seizoen een variatie in bloei en kleur – dragen positief bij aan het stimuleren van de biodiversiteit in en rondom de planontwikkeling. Tevens kan er een insectenhotel worden geplaatst in de openbare grasruigtes ter stimulatie van de biodiversiteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=6d66ad00-df51-401f-856b-13aa5b47354f