20241015 07d Bijlage TAM-omgevingsplanSlakweg Gronsveld Motivering
Tekst van het document
Bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld In opdracht van Laudy Vastgoedontwikkeling b.v.
NL.IMRO.1903.TAMOP22aSlakweg-VG01 VASTGESTELD 22 oktober 2024
Contactpersoon T M E
Arcadis Nederland B.V. Maastricht
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Inhoudsopgave
Motivering Hoofdstuk 1
7 Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Wijzigingsgebied
7
1.3
Omgevingsplan van rechtswege
9
1.4
Planvorm
10
1.5
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Voorgenomen wijziging
11
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
15
3.1
Rijksbeleid en Rijksregels
15
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
21
3.3
Regionaal beleid
24
3.4
Beleid Waterschap
26
3.5
Gemeentelijk beleid
27
Hoofdstuk 4
Beperkingengebieden
28
Hoofdstuk 5 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden
29 3
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
5.1
Landschap
29
5.2
Beeldkwaliteit
34
5.3
Cultuurhistorie
35
5.4
Archeologie
35
5.5
Ladder voor duurzame verstedelijking
36
Hoofdstuk 6
Aspecten van de fysieke leefomgeving
38
6.1
Natuur
38
6.2
Water
45
6.3
Klimaatadaptatie
48
6.4
Verkeer en parkeren
51
6.5
Bodem
53
6.6
Geluid
59
6.7
Luchtkwaliteit
63
6.8
Externe veiligheid
67
6.9
Ontplofbare oorlogsresten
70
6.10 Milieuzonering
70
6.11 Gezondheid
71
6.12 Duurzaamheid
72
6.13 Mer-beoordeling
72
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
74
7.1
Kostenverhaal
74
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
74
Hoofdstuk 8
Artikelsgewijze toelichting
76
8.1
Uitwerking in de regels
76
8.2
Functies en activiteiten
77
Hoofdstuk 9
Belangenafweging en conclusie
79
4
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
5
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
6
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Motivering Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Laudy Vastgoedontwikkeling b.v. heeft het voornemen om ter plaatse van het reeds ontmantelde tuincentrum gelegen aan de Slakweg te Gronsveld woningen te realiseren in de vorm van grondgebonden woningen en appartementen. Daarbij hoort ook de inrichting van de openbare ruimte met verkeer-en parkeerruimte, groenvoorzieningen en een wadi voor de waterberging. Op de locatie was een tuincentrum gevestigd. De bedrijfsgebouwen behorende bij het tuincentrum worden gesloopt, waardoor ruimte ontstaat om de bouw van woningen mogelijk gemaakt. Het totale wijzigingsgebied ten behoeve van de beëindiging van het tuincentrum en de realisatie van de beoogde bebouwing betreft circa 28.150 m²; het te bebouwen deel van het wijzigingsgebied heeft een oppervlakte van circa 8.600 m². Omtrent het project heeft de initiatiefnemer overeenstemming bereikt met de gemeente Eijsden-Margraten. Om de realisatie van de woningbouw en bijbehorende inrichting van de openbare ruimte planologisch mogelijk te maken is voorliggende wijziging van het omgevingsplan opgesteld.
1.2
Wijzigingsgebied
Het wijzigingsgebied betreft de bebouwde- en onbebouwde gronden van het voormalige tuincentrum aansluitend bij de kern van Gronsveld. Het wijzigingsgebied bevindt zich ten zuidoosten van de Köbbesweg en ten westen van de Rijksweg. De locatie is goed bereikbaar en is gelegen in een groene omgeving, deel uitmakend van de voormalige tuinderij. Ten zuidwesten van het wijzigingsgebied, op een afstand van 400 meter bevindt zich de autosnelweg A2 en het spoor Maastricht – Luik (afstand 750 meter). De ontwikkeling is voorzien op de percelen kadastraal bekend Gronsveld, sectie A nummers 3213, 3295 en 3271 (deels) en sectie B nummers 1779, 3110, 3111 en 3112. Voor perceel B-3271 geldt dat het deel waarop de hoevewoning aan de Rijksweg 6 is gelegen geen onderdeel uitmaakt van de beoogde ontwikkeling.
7
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Wijzigingsgebied
Huidige situatie Op de beoogde ontwikkellocatie is het (voormalige) tuincentrum De Graaff gevestigd. Dit tuincentrum was reeds meer dan 45 jaar gevestigd op deze locatie, maar in 2022 gesloten. Het tuincentrum bestaat ten noorden van de Slakweg uit enkele bedrijfsgebouwen waaronder een kas. Tussen deze kas en de woning aan de Rijksweg 6 (die geen onderdeel uitmaakt van het wijzigingsgebied) ligt een kleine parkeerplaats. Ten westen van de kas aan weerszijde van de Slakweg zijn nog meer parkeerplaatsen gelegen. Ten noorden van de parkeerplaatsen aan de Slakweg is een hekwerk met toegangspoort aanwezig. Daarachter is de (onoverdekte) opslagplaats van het tuincentrum. Tussen de opslagplaats en de afscheiding met de Köbbesweg zijn enkele gazons en bomen gelegen. Ten zuiden van de Slakweg is een bedrijfswoning met oprijlaan gelegen. Ook deze wordt gescheiden van de Slakweg middels een hek met toegangspoort. Op de percelen ten oosten en zuiden van deze bedrijfswoning worden verschillende planten en bomen gekweekt. Deze bedrijfswoning en kweekvelden zijn onderdeel van het voormalige tuincentrum.
8
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Opslagplaats en kas (voormalig) tuincentrum Gronsveld ten noorden van de Slakweg
Bedrijfswoning met oprijlaan ten zuiden van de Slakweg (Slakweg 3)
1.3
Omgevingsplan van rechtswege
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten (/akn/nl/act/gm1903/2020/omgevingsplan, 1 januari 2024). Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt onder andere de geldende bestemmingsplannen binnen het wijzigingsgebied die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. Het betreft het volgende bestemmingsplan: Bestemmingsplan Gronsveld en Rijckholt 2013, vastgesteld op 28 mei 2013. Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten, vastgesteld op 25 september 2018
9
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
De voorgenomen woningbouwontwikkeling is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan.
1.4
Planvorm
Deze wijziging van het omgevingsplan bestaat formeel uit twee onderdelen: 1. een plankaart (NL.IMRO.1903.TAMOP22aSlakweg-VG01) waarop de functies van het wijzigingsgebied zijn weergegeven. Deze functies zijn gerelateerd aan de regeling. 2. de regeling waarin het gebruik van de binnen het wijzigingsgebied aangegeven gronden en bouwwerken juridisch is geregeld. De regeling is conform de Omgevingswet opgesteld. Deze twee onderdelen dienen in samenhang te worden bekeken en zijn juridisch bindend. Deze wijziging van het omgevingsplan gaat vergezeld met een motivering waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording zijn opgenomen.
1.5
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van deze wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen wijziging. Hoofdstuk 3 beschrijft het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 besteed aandacht aan de relevante beperkingengebieden. Hoofdstuk 5 schetst de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt de uitvoerbaarheid van deze wijziging uiteengezet. Hoofdstuk 8 biedt een artikelsgewijze toelichting van de in de wijziging van dit omgevingsplan opgenomen regeling.
10
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Hoofdstuk 2
Voorgenomen wijziging
Ten behoeve van de herontwikkeling van het voormalige tuincentrum naar woningbouw is een stedenbouwkundige verkaveling (zie Bijlage 1) en beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie Bijlage 3 bij de regeling). De ontwikkeling bestaat uit vier onderdelen die hierna worden toegelicht. Woningen Verkeersstructuur Groenstructuur Geluidsscherm
Stedenbouwkundig verkavelingsplan met in het westen het appartementencomplex en in het noordoosten de grondgebonden woningen.
Woningen Het stedenbouwkundig verkavelingsplan omvat vier woningbouwtypologieën: 26 Appartementen (sociaal/starters, koop); 7 Rijwoningen (sociale huur + starters koop); 7 Tweekappers en vrijstaand-geschakelde woningen (koop) 5 Vrijstaand-geschakelde levensloopbestendige woningen (koop).
11
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Stedenbouwkundig verkavelingsplan inclusief aanduiding woningtypologieën
Het appartementencomplex Aan de westzijde van het wijzigingsgebied is een appartementencomplex van vier bouwlagen voorzien. Onder het gebouw is een parkeerkelder voorzien waar tevens de bergingen zijn gelegen. Om de ruimtelijke opbouw tussen het gestapeld & het grondgebonden segment te kunnen waarborgen, wordt het appartementencomplex gelaagd opgebouwd. Het volume trapt in noordoostelijke richting af naar drie bouwlagen, en sluit daarmee aan op de bouwhoogte van de rijwoningen (twee bouwlagen met kap). Het appartementencomplex bestaat uit 26 appartementen, waarvan 14 appartementen middelduur (ca. 85-95 m²) en 12 starters appartementen (ca. 60-65 m²). De appartementen worden voorzien van private buitenruimtes, die inpandig zijn gelegen. Hierdoor ontstaat een dynamisch en gelaagde gevelopbouw. De grondgebonden woningen In de planontwikkeling worden 19 grondgebonden woningen gerealiseerd. De woningen bestaan uit twee bouwlagen al dan niet met kap (in dwars- of langsrichting). De verschillende typen grondgebonden woningen worden als volgt over het gebied verdeelt: Rijwoningen: er zijn 7 rijwoningen voorzien aan de noordwestelijke zijde van het appartementencomplex. De rijwoningen bestaan uit 5 sociale woningen en 2 starterswoningen.
12
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Vrijstaand-geschakelde woningen: er zijn 3 vrijstaand-geschakelde woningen voorzien in het oostelijke deel van het wijzigingsgebied. Twee-onder-een-kapwoningen: er zijn vier twee-onder-een-kapwoningen voorzien in het oostelijke deel van het wijzigingsgebied. Deze worden afgewisseld met de vrijstaand-geschakelde woningen. Levensloopbestendige woningen: er zijn vijf levensloopbestendige woningen voorzien in het noordelijke deel van het wijzigingsgebied.
Isometrie stedenbouwkundig plan
Verkeersstructuur De hoofdstructuur van de woningbouwlocatie bestaat uit een nieuwe woonstraat die aantakt op de bestaande Slakweg. In het kader van klimaatadaptatie heeft het profiel van deze nieuwe woonstraat een breedte van 5 meter (inclusief een overrijdbaar trottoir). De wegen worden uitgevoerd in rood-bruine klinkers, gelegd in keperverband. De voetgangerszone is afstekend van kleur. Parkeren vindt plaats op eigen terrein of in het openbaar gebied in de vorm van parkeervakken. Daarnaast wordt onder het appartementencomplex een verdiepte parkeervoorziening met 26 parkeerplaatsen gerealiseerd voor de bewoners. Om verharding in het wijzigingsgebied te beperken, worden de parkeervakken voorzien van half-open verharding in de vorm van grasbetontegels. De parkeervakken langs de woonstraat worden uitgevoerd in klinkerverharding. De parkeerterreinen worden omzoomd door een groene haag van 1,00 tot 1,20 meter hoog. De haag langs de Maastrichterweg wordt 1,80 tot 2,00 meter hoog. Groenstructuur De huidige locatie van het voormalige tuincentrum kent een bestaande groenstructuur. De groenstructuur bestaat uit enkele solitaire bomen en restanten van de oude boomkwekerij. Voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe woningbouwontwikkeling zijn enkel de bestaande solitaire bomen het behouden waard bevonden.
De bomen die behouden blijven, bevinden zich met name aan de randen van de ontwikkellocatie. In totaliteit zullen er zes bomen moeten wijken. De grootste impact hiervan vindt plaats in de noordelijke hoek van het wijzigingsgebied. Hier zullen voor de bouw van een drietal levensloopbestendige woningen vier bomen moeten wijken. De resterende bomen worden verwijderd voor de ontwikkeling van de nieuwe woonstraat.
13
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
De nieuwe groenstructuur sluit aan bij de directe omgeving. De karakteristieke beplantingselementen vanuit het omliggende landschap van het Maasdal worden ingezet om deze woonwijk een passende identiteit te geven. De groenstructuur bestaat uit inheemse en/of verwilderde beplantingssoorten die niet alleen zorgen voor het behouden, maar zelfs een verbetering van de biodiversiteit. Als inspiratie is er gekeken naar de oude hoeves in en rondom Gronsveld. Geluidscherm De 10 woningen aan de noordwestzijde van het wijzigingsgebied zijn met de achtertuinen gericht op de Köbbesweg. Om het geluid van de Köbbesweg tegen te gaan, wordt hier een 2 meter hoge Kokowall inclusief begroeiing gerealiseerd ter afscherming.
14
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het project toegelicht en wordt het project hieraan getoetst.
3.1
Rijksbeleid en Rijksregels
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie brengt middels een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting en ontwikkeling van de Nederlandse leefomgeving in beeld. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Steden die groeien en veranderen, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en de overgang naar een duurzame en circulaire economie; diverse trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Deze trends en ontwikkelingen bieden kansen, maar vragen ook zorgvuldig te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden, want zowel de boven- als ondergrondse ruimte is een schaars goed. De NOVI geeft richting en helpt om deze keuzes te maken. In Nederland zijn er een aantal dringende maatschappelijke opgaven, die niet apart van elkaar kunnen worden opgelost, maar in samenhang bekeken moeten worden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving van Nederland. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.
ad 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Het land moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, wateroverlast, hogere rivierafvoeren en langere perioden van droogte. Om in te spelen op deze gevolgen van klimaatverandering, is er vraag naar maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende ruimte en groen voor wateropslag in onze steden. Door hierop in te zetten, biedt het kansen voor de natuur, maar verbeterd het ook tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit. Daarnaast heeft Nederland in 2050 een duurzame energievoorziening. Deze energievoorziening vraagt ruimte, voor onder andere zonnepanelen en windturbines. Het Rijk zet zich ook in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. ad 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een circulaire, duurzame, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050, waarmee het zijn positie kan handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Hiervoor is een goede verbinding via weg, lucht, spoor, water, digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners nodig.
Het Rijk zet in op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van bewegen, wonen, recreëren, ontspannen en ontmoeten. Hierbij is het belangrijk dat de Nederlandse economie, duurzaam, concurrerend en circulair wordt, oftewel toekomstbestendig. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op de verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. ad 3. Onze steden en regio's leefbaarder maken
15
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Nederland versterkt het Stedelijk Netwerk Nederland en is deze verder aan het uitbreiden, waarbij de richting van verstedelijking wordt gekoppeld aan die van de ontwikkeling van (OV-) infrastructuur. Wonen en werken worden zoveel mogelijk in elkaars nabijheid ontwikkeld in de regio's waar de vraag is. Goede verbindingen tussen de stedelijke regio's zijn nodig om het netwerk als geheel te benutten. Door het Rijk wordt een integrale verstedelijkingsstrategie voor duurzame stedelijke ontwikkeling gehanteerd, waarbij verstedelijking geconcentreerd plaatsvindt in de regio. Bij de invulling van integrale verstedelijkingsstrategieën op regionale schaal wordt ingezet op een voorkeursvolgorde voor de ontwikkeling van nieuwe woon- en werklocaties. Deze volgorde wordt ook gehanteerd als groei in niet stedelijk gebied moet plaatsvinden. Het Rijk richt de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert en het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt. Daarbij worden regio's en steden klimaatbestendig ingericht. ad 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen Nederland zet in op het verbeteren van de balans tussen de kwaliteit van landschap en landgebruik, water, lucht en bodem.
Dit betekent dat ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten en dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen. Het landgebruik dient meer afgestemd te worden op zoetwatergebruik- en beschikbaarheid. Door een voorkeursvolgorde regionaal waterbeheer wordt ingezet op het voorkomen van tekorten en wateroverlast. Het Rijk maakt een vitaal en duurzaam voedsel- en landbouwsysteem mogelijk, dat zich baseert op natuurinclusiviteit en kringlopen. De biodiversiteit wordt versterkt en beschermd en het natuurlijke kapitaal wordt op een duurzame wijze benut. Het Rijk zet hierbij in op het beschermen en versterken van de unieke landschappelijke kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebieden voegen kwaliteiten toe aan het landschap, waarbij het omgevingsbeleid landschapsinclusief wordt. Om beleidskeuzes op een voorspelbare en heldere wijze te maken, worden er door de NOVI drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen bij het prioriteren van de diverse opgaven en belangen: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen.
Afwegen met de NOVI
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende, brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten: We werken als één overheid, samen met de samenleving. We stellen de opgave(n) centraal. We werken gebiedsgericht. We werken permanent en adaptief aan de opgaven.
16
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
In de NOVI is een instrument opgenomen om de opgaven te realiseren, dit betreffen de zogenaamde NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarmee het Rijk en de regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voort gebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. In het NOVI-gebied Zuid-Limburg zijn alle fysieke opgaven sterk vervlochten met elkaar: het uitbouwen en circulair maken van de economie (o.a. Chemelot), de complexe transformatie van het stedelijk gebied (met wijken met grote achterstanden en herstructureringsopgaven in combinatie met bevolkingsdaling) en behoud en versterking van het groene middengebied (de Groene Long). De gedeelde stip op de horizon van regio en rijk ziet er als volgt uit voor Zuid-Limburg: 1. Europese schakelregio en internationale verbondenheid; a. Met een hoge ruimtelijke kwaliteit en een eigen economische kracht, gebruik makend van de gunstige positie tussen de nabijgelegen West-Europese metropolen; b. Met snelle boven- en ondergrondse verbindingen met de rest van Nederland (via Eindhoven naar de Randstad) en over de grens richting België en Duitsland; 2. Een circulaire en kennisintensieve samenleving, waarin onder andere de Chemelot-site en de campussen in de Euregio als motor en proeftuin fungeren 3. Brede welvaart voor iedereen; a.
Sociale- en gezondheidsachterstanden ten opzichte van het gemiddelde in Nederland inlopen; b. Een duurzame, betrouwbare en landschappelijk goed ingepaste energievoorziening; c. Een bijzonder aantrekkelijke omgeving om te wonen, werken en recreëren voor bestaande en nieuwe inwoners, en toeristen; d. Zowel een snelle stedelijke omgeving als een rustige, ontspannen, natuurlijke en natuurrijke omgeving. Relatie met het voorliggend plan Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bestaand bebouwd gebied waarvan de functie is vervallen getransformeerd naar hoogwaardige woningbouw. Tevens wordt met de ontwikkeling een verduurzaming en herinrichting van de openbare ruimte voorzien. Daarmee wordt ook de leefbaarheid ter plekke verbeterd. Voor de wijziging van het omgevingsplan kent de Nationale Omgevingsvisie geen relevante bepalingen. Het voorliggend plan past daarmee binnen het beleid uit de Nationale Omgevingsvisie.
3.1.2
Instructieregels Rijk
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij hun taken en bevoegdheden ontlenen, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's: Voldoen aan de Dienstenrichtlijn (paragraaf 5.1.1). Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2). Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3). Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking. Behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) zoals autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden.
17
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving (paragraaf 5.2). In de volgende paragrafen zijn de voor deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.
3.1.2.1 Externe veiligheid Op grond van artikel 5.2 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het wijzigingsgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen (artikelen 5.7 en 5.11 Bkl). Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.
Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. Relatie met het omgevingsplan Voor het aspect externe veiligheid wordt verwezen naar paragraaf 6.8.
3.1.2.2 Water Op grond van artikel 5.37 Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. Op Europees niveau is dit de Kaderrichtlijn Water (KRW), op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt, is opgenomen
18
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
in de waterschapsverordening. Relatie met het omgevingsplan Door de toenemende verstedelijking en klimaatverandering dient steeds meer rekening te worden gehouden met water binnen ruimtelijke plannen. De toename van verhard oppervlak zorgt naast hitte en verdroging ook voor een vergrote kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten alle waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het wijzigingsgebied expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Vroegtijdig overleg en afstemming met de waterbeheerders is daarom van groot belang. Voor de weging van het waterbelang wordt verwezen naar paragraaf 6.2.
3.1.2.3 Luchtkwaliteit Het Bkl geeft in hoofdstuk 5 (paragraaf 5.1) instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten (artikel 5.51 Bkl): die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Relatie met het omgevingsplan Voor het onderzoek luchtkwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 6.7.
3.1.2.4 Geluid Het Bkl beoogt de burger te beschermen tegen hoge geluidbelastingen. De instructieregels in de artikelen 5.78t en 5.78u stellen beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen. De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel. Dit aandachtsgebied is het gebied langs het wegennetwerk waarbinnen (zonder rekening te houden met afschermende objecten) de geluidbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB voor het Lden. Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door gemeentewegen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 53 dB voor het Lden en een grenswaarde van 70 dB voor het Lden. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar. Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. Art. 5.78ac en art.
5.78ad Bkl schrijven voor dat bij het toestaan van een overschrijding van de standaardwaarde, danwel grenswaarde, de aanvaardbaarheid van het gecumuleerd geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld dient te worden, respectievelijk het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald dient te worden en in het omgevingsplan vastgelegd dient te worden. Relatie met het voorliggend plan In deze wijziging van het omgevingsplan gaat het om het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarom dient met een
19
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat er sprake is van aanvaardbare geluidsbelasting of dat er maatregelen getroffen worden om de geluidsbelasting aanvaardbaar te maken. Voor het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 6.6.
3.1.2.5 Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand (Ladder voor duurzame verstedelijking) In het Bkl is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (artikel 5.129g). Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Relatie met het voorliggend plan In paragraaf 5.5 is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen.
3.1.2.6 Cultureel erfgoed De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed staan in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.130 wordt bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog hierop worden er in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: 1. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; 2. het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; 3. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; 4. het voorkomen van aantasting van: a. de omgeving van rijksmonumenten, voor beschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en b.
het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en 5. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Relatie met het voorliggend plan In het wijzigingsgebied zijn geen monumentale panden aanwezig. Echter in de directe nabijheid van het wijzigingsgebied zijn drie rijksmonumenten gelegen, waarbij geldt dat voorkomen moet worden dat de omgeving van deze monumenten wordt aangetast, voor zover die monumenten door aantasting worden ontsierd of beschadigd. Hoe met deze monumenten in relatie tot voorgenomen ontwikkeling wordt omgegaan, is beschreven in paragraaf 5.3.
3.1.2.7 Toegankelijkheid openbare buitenruimte Paragraaf 5.1.8 van dit besluit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte in dat plan rekening gehouden wordt met het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
20
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
In artikel 5.162 Bkl zijn instructieregels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Dit artikel brengt tot uitdrukking dat gemeenten met inachtneming van, vaak al bestaand, beleid het belang van toegankelijkheid kan meewegen met het oog op een gelijkwaardige wijze van gebruikmaking van de openbare ruimte door een ieder. Zo kan bij regels in het omgevingsplan over de inrichting expliciet aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid voor mensen in een rolstoel en mensen met bijvoorbeeld visuele beperkingen. Als maatregelen nodig zijn kunnen deze geborgd worden in de regels van het omgevingsplan. Door bij nieuwe ontwikkelingen vroegtijdig, dat wil zeggen bij inrichting en ontwerp, met toegankelijkheid van openbare ruimten rekening te houden, leidt deze instructieregel naar verwachting niet tot hogere kosten en bestuurslasten. De "Integrale toegankelijkheidsstandaard" (ITS) wordt hierbij betrokken voor zover die gaat over de openbare buitenruimte. In de ITS zijn algemene toegankelijkheidsrichtlijnen en normen omgewerkt naar bouwtechnische eisen die kunnen worden toegepast bij ontwerp en realisatie van integraal toegankelijke projecten.
Het gaat er in de openbare buitenruimte, die heel divers is, niet om dat de ITS naar de letter wordt toegepast, maar dat deze behulpzaam is bij het maken van een afweging welke onderdelen van de openbare ruimte voor een ieder toegankelijk moeten zijn en tot welke regels dit in het omgevingsplan leidt. Daarnaast heeft bijvoorbeeld ook het kennisplatform CROW-richtlijnen voor integrale toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Relatie met het omgevingsplan In het ontwerp van de nieuwe woonontwikkeling wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid van de buitenruimte. Zo worden in de woonstraat overrijdbare trottoirs gerealiseerd, waardoor mensen met een functiebeperking ook eenvoudig de trottoirs op en af kunnen.
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1
Provinciale omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Limburg fungeert als de leidraad voor de opgestelde ambities van de provincie Limburg om de kwaliteiten van Limburg in de toekomst te versterken. De provincie streeft ernaar om Limburg zo toekomstbestendig mogelijk te ontwikkelen waarbij steeds de balans gezocht wordt tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is vastgesteld op 1 oktober 2021 en bevat de belangrijkste ambities voor de periode 2021 tot 2030 en 2050. De Omgevingsvisie is opgedeeld in verschillende thema's, waarbij tevens ingegaan wordt op een gebiedsgericht onderdeel. Centraal binnen de Omgevingsvisie staan een drietal hoofdopgaven. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving Ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, energie en economie hebben een grote impact op de samenleving. Uit prognosecijfers blijkt dat de samenstelling van de bevolking van Limburg verandert. Voor het jaar 2050 zal er een daling zijn ten opzichte van 2020 van ongeveer 45.000 - 115.000 inwoners. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op de fysieke leefomgeving, zowel in landelijk als stedelijk gebied. In stedelijke gebieden heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid en de bereikbaarheid en/of toegankelijkheid van voorzieningen.
Een toekomstbestendige,innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie Limburg kent een economie waarbij innovatieve bedrijven en MKB goed gerepresenteerd zijn. Tot 2020 groeide het aantal banen in Limburg, waarbij de welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau toenamen. Echter is gebleken dat de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag is. De provincie Limburg wil de arbeidsparticipatiegraad verhogen, waarbij tevens ingezet wordt op het aantrekken van internationale werknemers. Op deze manier kunnen ontwikkelingen zoals digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten tegengaan. Daarnaast kan het harmoniseren van sociaal-economische spelregels, het verbeteren van (grensoverschrijdende) bereikbaarheid en de aansluiting op de
21
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
(inter)nationale energiehoofdstructuur en/of digitale netwerken veel kansen bieden voor de provincie Limburg. Het is daarom uiterst belangrijk dat er geïnvesteerd wordt in infrastructuur en bereikbaarheid via de weg, het spoor, water, lucht, buis of digitaal. Klimaatadaptatieen energietransitie Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Ook voor de provincie Limburg zal er in de komende jaren een grote verandering in de energievoorzieningen ontstaan. Energiebesparing en het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie zal een grote impact hebben op de leefomgeving in Limburg. Limburgse principes Elke afweging die gemaakt wordt binnen de thema's wordt gedaan op basis van de Limburgse principes: 1. 2. 3. 4. 5.
We streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal Meer stad, meer land We gaan zorgvuldig om met onze ruimte en voorraden; boven- en ondergronds Procesmatige uitgangspunten zoals gebiedsgericht en adaptief werken.
Algemene zonering Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Ontwikkelingen dienen te passen binnen deze zonering. De algemene zonering van Limburg bestaat uit: 1. Landelijke gebieden: waaronder de groenblauwe mantel, het Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura 2000-gebieden) en het buitengebied 2. Bebouwde gebieden: waaronder het stedelijk gebied, stedelijk centra, landelijke kernen en werklocaties 3. Infrastructuren: waaronder (inter)nationale wegen, provinciale wegen, (inter)nationale spoorwegen en waterwegen, (lucht)haven en (inter)nationale leidingstroken. Relatie met het voorliggend plan De voorgenomen ontwikkeling heeft voornamelijk een raakvlak met de eerste hoofdopgave, een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt kleinschalige woningbouw gerealiseerd bestaande uit een mix van koop- en huurwoningen. Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de Limburgse principes. Zo draagt de ontwikkeling bij aan een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, door te voorzien in een mix van woonvormen voor verschillende (sociale) doelgroepen en door de openbare ruimte zo in te richten dat een aantrekkelijk gebied ontstaat. Daarnaast wordt gekozen voor een goede landschappelijke inpassing die recht doet aan de kenmerken en identiteit van het gebied.
De woningbouwontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied, waarmee wordt voldaan aan het principe meer stad, meer land. Tevens wordt ook rekening gehouden met een openbare ruimte die klimaatadaptief is en bijdraagt aan de verduurzaming en biodiversiteit, door het toevoegen van kwalitatief en divers groen en voorzieningen voor waterberging. Hiermee sluit de voorgenomen ontwikkeling aan op de Omgevingsvisie van Limburg.
3.2.2
Omgevingsverordening
In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Provinciale Staten hebben deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021 en gewijzigd op 16 december 2022. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en
22
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven; regels voor activiteiten die voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. Met de Omgevingsverordening Limburg wordt beoogd om de doorwerking van het provinciaal beleid naar gemeenten en andere partners te borgen. De instructies die in de omgevingsverordening staan, moeten door de gemeenten in acht worden genomen bij het opstellen (of wijzigen) van het omgevingsplan. In de volgende paragrafen zijn de van toepassing zijnde instructieregels opgenomen.
3.2.2.1 Instructieregel Klimaatadaptatie In artikel 3.5 is de Instructieregel Klimaatadaptatie opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de risico’s wateroverlast, overstroming en droogte betrokken. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Relatie met het voorliggend plan In paragraaf 6.3 van deze motivering is de beschrijving van het aspect klimaatadaptatie opgenomen.
3.2.2.2 Nationaal landschap Zuid-Limburg In artikel 7.2 is de Instructieregel Nationaal landschap Zuid-Limburg opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in het Nationaal landschap Zuid-Limburg een beschrijving bevat van: a. de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten; b. de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; c. de wijze waarop de negatieve effecten zijn gecompenseerd. In artikel 7.2 is tot slot opgenomen dat bij de compensatie van de negatieve effecten op het groene karakter de regels opgenomen in bijlage VII van de omgevingsverordening worden gevolgd. Relatie met het voorliggend plan In paragraaf 5.1 van deze motivering is de beschrijving van het aspect Nationaal landschap Zuid-Limburg opgenomen.
3.2.2.3 Instructieregel Groenblauwe mantel In artikel 7.6 is de Instructieregel Groenblauwe mantel opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel een beschrijving bevat van: a. de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel; b. de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg in het bijzonder met het oog op de impact voor de in het aanwijzingsbesluit aangewezen habitattypen en soorten in de Natura 2000-gebieden (inclusief Natura 2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven) en overige bedreigde soorten die er hun leefgebied hebben;
23
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
c. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg; d. de waarde van het plangebied voor het bieden van ruimte voor water en als waterberging in laagten en beekdalen e. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a tot en met d; f. hoe op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van de waarden onder a t/m d. g. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “het groene karakter” worden de regels opgenomen in bijlage IX van de omgevingsverordening gevolgd. Relatie met het voorliggend plan In paragraaf 5.1 van deze motivering is de beschrijving van het aspect Groenblauwe mantel opgenomen.
3.2.2.4 Instructieregel nieuwe planvoorraad wonen In artikel 12.1 is de Instructieregel nieuwe planvoorraad wonen opgenomen. Deze instructieregel bepaalt dat de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen een beschrijving bevat waarin is opgenomen: a. hoe rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. dat er sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. dat over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. dat het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5; e. dat realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Relatie met het voorliggend plan In paragraaf 3.2.1 van deze motivering is opgenomen hoe de voorgenomen ontwikkeling past binnen de Limburgse principes.
In voorliggende subparagrafen is aangegeven dat de ontwikkeling ook past bij de algemene zoneringen die voor dit gebied zijn getypeerd. In paragraaf 5.5 is in de laddertoets aangetoond dat er een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is naar de voorziene woningen. De woningbouwontwikkeling aan de Slakweg in Gronsveld is in november 2022 positief afgestemd met de subregio Maastricht & Heuvelland en opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring. De woningen worden binnen 5 jaar na vaststelling van voorliggende wijziging van het omgevingsplan gerealiseerd. De voorbereidingen hiervoor zijn reeds aangevangen.
3.3
Regionaal beleid
De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang.
24
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
3.3.1
Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL)
Op 18 oktober 2016 heeft de gemeente Eijsden-Margraten de regionale 'Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg' (SVWZL) vastgesteld. Dit is een gezamenlijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Ook erkennen de gemeenten met deze gemeenschappelijke aanpak, dat onderlinge concurrentie leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk ten koste gaan van de kracht van de regio, zeker met de huidige bevolkingsontwikkeling en de ambities die Zuid-Limburg als kennisregio heeft. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. Hierbij is onderscheid gemaakt in drie woonsferen: stedelijk, suburbaan en landelijk. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in de woonsfeer 'suburbaan'. Hier is sprake van een kwantitatief overschot van woningen. Er is een omslag nodig naar meer evenwicht tussen vraag en aanbod, meer kwaliteit en meer vraaggerichtheid. Toevoegen van woningen kan om die reden alleen als het niet 'meer van hetzelfde' betreft en als dit binnen de kaders van de kwantitatieve opgave past. Hierbij moet de Ladder voor Duurzame Verstedelijking als uitgangspunt dienen.
Actualisatie SVWZL In opdracht van de Zuid-Limburgse gemeenten is de SVWZL in juni 2020 geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie hebben de Zuid-Limburgse gemeenten besloten om de beleidsafspraken van te huidige SVWZL te actualiseren. In navolging van het provinciale beleid hieromtrent hebben diverse Zuid-Limburgse gemeenteraden inmiddels besloten om geen compensatie als voornoemd meer toe te passen op woningbouwplannen, in afwachting op een nieuwe structuurvisie wonen Zuid-Limburg. De gemeenteraad van Eijsden-Margraten heeft in dat kader op 11 februari 2021 de Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen Eijsden-Margraten' vastgesteld. Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen Eijsden-Margraten Met deze beleidsregel wordt beleidsafspraak VI uit de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg voor goede plannen losgelaten. De beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel ''Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'. Goede woningbouwplannen hoeven niet meer te worden gecompenseerd.
Woningbouwplannen worden beschouwd als goede plannen als zij voldoen aan alle drie de onderstaande criteria: Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw; Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Daarbij moet worden aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is: Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte; Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte; Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd
25
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Er dient subregionale afstemming plaats te vinden zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd. Woningbouwinitiatieven die mogelijk worden gemaakt via deze beleidsregel, dienen binnen 2 jaar na afstemming in de (sub)regio planologisch te zijn vastgesteld en binnen 3 jaar nadat het plan planologisch onherroepelijk is geworden te zijn gerealiseerd. Woningbouwplannen die deze termijn en omgevingsvergunning niet halen, verliezen hun status op de subregionale woningmarktprogrammering. Relatie met het voorliggend plan De voorgenomen woningbouwontwikkeling past binnen de SVWZL en de beleidsregel. Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde, omdat een leegstaand voormalig tuincentrum wordt getransformeerd tot woningen, waarbij het type woningen (mix van huur-koop voor verschillende doelgroepen) bijdraagt aan de bestaande woningvoorraad. Deze ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied.
Het plan is ook planologisch aanvaardbaar, zoals is aangetoond met het doorlopen van de Ladder van Duurzame verstedelijking (zie paragraaf 5.5). De woningbouwontwikkeling aan de Slakweg in Gronsveld is in november 2022 positief afgestemd met de subregio Maastricht & Heuvelland.
3.4
Beleid Waterschap
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen.
3.4.1
Waterschapsverordening
De waterschapsverordening bevat regels voor waterkeringen, watergangen en grondwater binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. In de waterschapsverordening staan regels voor verschillende soorten activiteiten met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving in samenhang met water. De regels zijn nodig om het watersysteembeheer en de zuiveringstaak, en eventueel het wegenbeheer, goed te kunnen vervullen. Ze gaan over: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste veilig en doelmatig gebruik, in overeenstemming met de functies die volgens de wet aan het watersysteem toegedeeld zijn. Denk aan drinkwatervoorziening, voedselvoorziening, industrie, landbouw, visserij, transport, recreatie, enzovoorts de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de chemische grondwaterkwaliteit. In de waterschapsverordening staan niet alleen regels voor het waterschap. Er gelden ook verplichtingen voor een initiatiefnemer. Het waterschap kan via de waterschapsverordening bepalen dat een initiatiefnemer voor een activiteit een omgevingsvergunning moet aanvragen of een melding moet doen.
Het gaat om de volgende activiteiten: lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie) activiteiten in of nabij het oppervlaktewater activiteiten in, op of nabij waterkeringen het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem activiteiten aan, op of nabij wegen in het beheer van het waterschap.
26
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de lozing uit een gebied niet toe mag nemen. Een ontwikkeling waar bestaande verharding wordt vervangen voor nieuwe verharding wordt ook gezien als een toename aan verharding. Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. Waterschap Limburg hanteert geen ondergrens. Dynamische bergings- en infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op met een inhoud van 80 mm in het (noordelijk) beheergebied van Waterschap Limburg. Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/ infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Limburg maximaal 2 l/s/ha geloosd worden. Doorwerking in / relatie met het voorliggend plan In paragraaf 6.2 van deze motivering wordt ingegaan op de weging van het waterbelang.
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Strategische visie 2022 Vernieuwen door verbinden
In de Strategische visie 2022 is mede benoemd dat het voor jong en oud aantrekkelijk is om in de gemeente Eijsden-Margraten te wonen. De diversiteit in het woningaanbod zal daarvoor moeten toenemen. Met een woonaanbod dat past bij behoeften, met bereikbare en levensvatbare voorzieningen en een prettige, sociale en groene leefomgeving. Deze verandering wil de gemeente realiseren door het bestaande bouwareaal aan te passen. Verder 'verstening', vooral verstening richting buitengebied, moet voorkomen worden. De gemeente kiest daarbij voor kwaliteit. De tijd van groei, van steeds meer bouwen is voorbij. Daarom gaat het steeds meer om goed beheer en onderhoud. Wat woningen betreft, zet de gemeente in op innovatie, transformatie en inbreiding. Veiligheid, duurzaamheid en energiebewust beleid zijn een onlosmakelijk deel van deze ambitie. Relatie met het voorliggend plan Voorliggend voornemen bestaat uit het slopen van de bestaande bebouwing van het voormalige tuincentrum en het realiseren van nieuwe woningen. Er is hier sprake van inbreiding, omdat de ontwikkeling plaatsvindt op een vrijgekomen bedrijfslocatie in de kern Gronsveld. Er is daarmee geen sprake van verdere verstening. De ontwikkeling past daarmee binnen de Strategische visie 2022.
27
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Hoofdstuk 4
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Relatie met het voorliggend plan Er gelden geen beperkingengebieden voor het voorliggende plan.
28
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Slakweg Gronsveld (vastgesteld)
Hoofdstuk 5 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden
5.1
Landschap
Landshappelijk kader omgeving wijzigingsgebied De kern Gronsveld ligt in het Maasdal, tegen de helling van het Plateau van Margraten op circa 60 meter +NAP. Vanaf het westen naar het oosten gezien neemt de helling van het plateau in hoogte toe; oftewel, op grotere schaal gezien neemt de hoogte toe vanuit het Maasdal ten westen van het wijzigingsgebied richting het Limburgs Heuvellandschap dat ten oosten van Gronsveld is gelegen. Op de helling van het plateau (oostelijk van Gronsveld) bevindt zich het natuurgebied Savelsbos; een natuurgebied bestaande uit een lange smalle gordel van hellingbossen die op de steile hellingen van het Maasdal zijn gelegen. Het Maasdal kenmerkt zich niet alleen door de steile hellingen met hellingbossen, maar ook door fruitteelt. Ten noordoosten van Gronsveld bevindt zich nog een traditionele hoogstamboomgaard waar verschillende fruitsoorten gekweekt worden. Ten noorden van het wijzigingsgebied bevindt zich een aantal groene kamers - publiekelijk en privaat die omzoomd worden door hogere groenstructuren bestaande uit bomen en struikgewassen. Deze hogere groenstructuren dragen bij om het geluid van de A2 op natuurlijke wijze af te schermen. Tevens is er ook een groot volkstuinencomplex ten noorden van het wijzigingsgebied gelegen. Ten zuiden van het wijzigingsgebied bestaat het landschap uit agrarisch land.