CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[ZS00061156] BOPA02-SNG032-01F - Ruimtelijke motivering BOPA

Raadsvergadering 28 mei 2026, gemeente EerselBij agendapunt: Verbouwen pastorie Wintelre tot 5 appartementen met bouw van 9 seniorenwoningen in pastorietuin26.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Algemeen/wettelijk kader Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof

UrbiTom

59

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

(PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden over­ schreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw pro­ ject een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waar­ voor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof­ dioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het al­ gemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen ver­ wacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in af­ deling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van func­ ties aan locaties. norm

ingangsdatum

Jaargemiddelde grenswaarde NO2

40 pg/m3

1-1-2015

Jaargemiddelde grenswaarde PM10

40 pg/m3

1-6-2011

Daggemiddelde grenswaarde PM10

max. 35 dagen/jaar > 50 pg/m3

1-6-2011

Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: -

aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grens­ waarde danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde;

-

aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbe­ tert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwa­ liteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering);

-

aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buiten­ lucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.

4.9.2

Toetsing De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in beteke­ nende mate' is vastgelegd in art. 5.54 Bkl. Hierin zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. Er is blijkens deze regeling eveneens geen onderzoek nodig voor 'kanto­ renlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer

UrbiTom

60

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

dan 100.000 m2 b.v.o. omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijk­ matige verkeersverdeling, netto niet meer dan 200.000 m2 b.v.o. omvat'.

De ontwikkeling leidt niet tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit Zoals op navolgende kaarten is te zien blijven de concentraties PM10, PM2.5 en NO2 ter plaatse van het projectgebied ruim onder de aangegeven grenswaarden, die voorgaande tabel zijn aangegeven.

UrbiTom

61

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

4.9.3

Gemeente Eersel

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de verbouwing van 1 bestaande woning tot 2 appartementen op de begane grond en 3 studio's op de verdieping en op de bouw van 9 nieuwe zorgwoningen voor senioren. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen'. De kaarten met gemiddelde concentraties fijnstof en stikstof van het RIVM laten zien dat deze ruim onder de grenswaarden blijven, die ingevolge de Europese richtlijn milieukwali­ teit van toepassing zijn voor een goede luchtkwaliteit.

4.10

Geluid

4.10.1 Algemeen/Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decen­ trale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Om bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een eenduidige manier van beoordelen van geluid te behouden heeft de gemeente Eersel de 'Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet gemeente Eersel' vastgesteld. Deze beleids­ regel is op 1 januari 2024, tegelijk met de Omgevingswet, in werking getreden. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun ge­ zondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gaan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

UrbiTom

62

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: -

het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;

-

het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;

-

het bevorderen van bronmaatregelen;

-

het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels:

-

het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane geluidsproductie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voor­ ziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewe­ zen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig ge­ bouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter be­ scherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in pa­ ragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met in­ structieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toe­ deling van functies aan locaties.

4.10.2 Toetsing Wegverkeerslawaai Het projectgebied is gelegen binnen de gemeente Eersel. Binnen deze gemeente zijn er voor gemeente- en waterschapswegen geen geluidaandachtsgebieden vastgesteld. De onderzoeksplichtige wegen zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Geluidbronsoorten

Geluidaandachtsgebied en gege­ vens opgenomen in CVGG

Weg Kloosterstraat

Gemeentewegen

Kerkstraat

Nee

Willibrordusstraat

Onderzoek In het onderzoek is het geluid berekend vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen in het projectgebied. De rapportage akoestisch onderzoek is als bijlage bij deze motivering BOPA gevoegd.

UrbiTom

63

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

Toetsing standaardwaarden en grenswaarden Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 54 dB. Hiermee wordt de standaard waarde van 53 dB overschreden maar de grenswaarde van 70 dB niet. Maat­ regelen worden niet doelmatig geacht (zie paragraaf 3.3 onderzoeksrapport). Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 54 dB ter plaatse van de noordgevel van de bestaande bebouwing. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maxi­ maal 54 - 33 = 21 dB. Een dergelijke gevelwering zal altijd wel gehaald worden. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als 'laagste kwaliteit' tot 'zeer goed'. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van hiervoorbeschreven bevindingen kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.

Hinderlijke bedrijvigheid Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende milieubelastende functies en wonen noodzake­ lijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtingge­ vende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Ne­ derlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Uitsnede bestemmingsplan 'Kom Wintelre' met projectgebied uitgelicht en rood omlijnd

UrbiTom

64

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk'/'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Het projectgebied aan de Willibrordusstraat bevindt zich aan een oude hoofdstraat van Wintelre met functiemenging. De be­ bouwing die aan de Willibrordusstraat is gelegen kan daarom worden beschouwd als ge­ voelige bebouwing binnen het omgevingstype 'gemengd gebied'. De nieuwe seniorenwoningen worden van de straat afgeschermd door de bestaande be­ bouwing en worden daarom beschouwd als gevoelige bebouwing binnen het omgevings­ type 'rustige woonwijk'. Gekeken is naar de indicatieve afstanden die gelden tussen potentieel hinderlijke bestem­ mingen en gevoelige bebouwing binnen dit omgevingstype. De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt be­ paald vanaf de gevel van de gevoelige bebouwing tot de grens van de inrichting/de grens van de hinderlijke functie. Ten oosten van het projectgebied liggen woonbestemmingen en, op een afstand van ca. 45 m, een bestemming 'gemengd' waarbinnen maatschappelijke doeleinden, horeca en bedrij­ vigheid in de milieucategorieën 1 en 2 zijn toegestaan. Hier bevindt zich een hotel met ter­ ras. De richtafstand van een hotelfunctie tot het omgevingstype 'rustige woonwijk' be­ draagt 10 m, tot 'gemengd gebied '0 m'.

Voor andere toegelaten functies geldt een richtaf­ stand van maximaal 30 m tot een 'rustige woonwijk'. De afstand van de gemengde bestem­ ming tot het projectgebied bedraagt dus ruimschoots meer dan de richtafstand. Ten noordoosten van het projectgebied ligt de St. Willibrorduskerk met een bestemming 'Maatschappelijk'. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 m tot het omgevingstype 'rustige woonwijk' en 10 m tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. De kortste afstand van bouw­ mogelijkheden in het projectgebied tot de bestemmingsgrens 'Maatschappelijk' bedraagt 30 m, dus voldoet aan de richtafstand voor het omgevingstype 'rustige woonwijk' en be­ draagt ruimschoots meer dan de richtafstand voor het omgevingstype 'gemengd gebied'. Op korte afstand van het projectgebied ligt aan de westzijde een supermarkt met de be­ stemming 'Detailhandel', die ingevolge de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' een richt­ afstand van 10 m heeft tot het omgevingstype 'rustige woonwijk' en 0 m tot het omgevings­ type 'gemengd gebied'. Tot van het bouwvlak voor de pastorie ('gemengd gebied') geldt een richtafstand vanwege omgevingslawaai detailhandel van 0 m. De richtafstand van bouwvlakken voor de nieuwe seniorenwoningen in het projectgebied tot de bestemmingsgrens van de bestemming 'detailhandel' bedraagt 10 m (omgevingstype 'rustige woonwijk'.

De daadwerkelijke kortste afstand bedraagt 9,4 m dus voldoet net niet. Vanwege de supermarkt heeft daarom een onderzoek omgevingslawaai plaatsgevonden door VDM Akoestiek. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij onder­ havige onderbouwing BOPA. Vanwege voorgenomen ontwikkelingen op het terrein van de supermarkt ten westen van het projectgebied is een onderzoek omgevingslawaai verricht door De Roever uit Veghel. De uitgangspunten voor dit onderzoek zijn, in goed overleg met

UrbiTom

65

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

de eigenaar van de supermarkt, ook gehanteerd voor het onderzoek omgevingslawaai dat ten behoeve van onderhavige ontwikkeling aan de Willibrordusstraat 32 is verricht. De conclusie van het akoestisch onderzoek omgevingslawaai is als volgt: Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Ur,Ľr): -

In alle perioden voldoet het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Ur.Ľr) op de ge­ vels van de geluidgevoelige bestemmingen aan de waarden voor geluid uit de regels bij het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Eersel.

-

In de nachtperiode wordt in de tuin van de nieuwe hofwoningen de waarde uit het omgevingsplan en de standaardwaarde volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) overschreden. De overschrijding bedraagt slechts 1 dB. Daarbij kan gesteld wor­ den dat in de nachtperiode de tuin geen aanvullende bescherming behoeft.

Maximale geluidniveaus (ľa max): -

De maximale geluidniveaus (LAmax) overschrijden de waarden voor geluid volgens ar­ tikel 22.63 van de regels bij het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Ook de standaardwaarden volgens artikel 5.65 van het Bkl voor de avond- en nachtperiode worden overschreden.

Indirecte hinder -

Het equivalente geluidniveau door de indirecte hinder veroorzaakt door het verkeer van en naar de supermarkt overschrijdt de voorkeursgrenswaarde in de nachtperiode.

Op basis van de volgende overwegingen wordt de situatie toch aanvaardbaar geacht: -

Het treffen van maatregelen aan de bron ligt bij de supermarkt en kan daarmee als niet redelijk worden beschouwd.

-

Het treffen van maatregelen in de overdracht stuit op bezwaren van stedenbouwkun­ dige aard.

-

Door het vastleggen van eisen aan de geluidwering in de regels bij het omgevingsplan of in de voorschriften bij de omgevingsvergunning wordt er zorg voor gedragen dat in de geluidgevoelige ruimten van de woningen aan de grenswaarden volgens tabel 5.66 van het Bkl wordt voldaan. Om in de geluidgevoelige ruimten te voldoen aan de grens­ waarde voor maximale geluidniveaus in de avondperiode, wordt de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van de 1e verdieping van de woningen minimaal met de volgende waarden uitgevoerd: o 29 dB voor verblijfsgebieden en verblijfsruimten aan de achtergevel van kavel 1 t/m 4 van de hofwoningen en de linkerzijgevel van kavel 4 (meest zuidwestelijke hofwoning); o 22 dB voor de verblijfsgebieden en verblijfsruimten aan de voor- en rechter zijge­ vel van de woning op kavel 9 (meest zuidoostelijke hofwoning).

UrbiTom

66

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

Bij voorgaande wordt nog het volgende opgemerkt: -

Voor de woningen waar de waarden voor geluid uit het omgevingsplan worden over­ schreden (de hofwoningen), is geen sprake van een relevante cumulatie met andere geluidbronnen zoals wegverkeer.

-

Alle woningen hebben een geluidluwe zijde. De woningen worden in de vorm van een hofje gebouwd. De gezamenlijke buiten­ ruimte ligt hierbij aan de geluidluwe zijde van de woningen.

-

De onderzochte situatie kan als worstcase aangeduid worden. Dit komt omdat in de huidige situatie zonder de hofwoningen de laad- en losactiviteiten in de avond- en nachtperiode namelijk ook zullen leiden tot overschrijdingen bij de woning aan De Nie 2 ten zuiden van de laad- en losplaats. De afstand naar deze woning is vergelijkbaar met de afstand tot de nieuwe woningen. Daarmee zullen de maximale geluidniveaus (Umax) ook bij de bestaande woning de waarde volgens de regels bij het tijdelijk deel van het omgevingsplan overschrijden. Geconcludeerd wordt dat door de realisatie van de hofwoningen de supermarkt niet (verder) in zijn bedrijfsvoering beperkt wordt.

-

Door de Roever Omgevingsadvies is een akoestisch onderzoek opgesteld voor de be­ oogde uitbreiding van de supermarkt. In dat onderzoek zijn geen laad- en losactivitei­ ten opgenomen in de avond- en nachtperiode. Door deze in het onderhavige onder­ zoek van VDM wel mee te nemen is invulling gegeven aan de maximale planologische mogelijkheden, ondanks dat deze activiteiten al beperkt worden door de aanwezig­ heid van bestaande woningen.

UrbiTom

67

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

Door de geluidgevoelige ruimten in de nieuwe woningen toch te beschermen tegen mogelijke laad- en losactiviteiten in de avond- en nachtperiode, is sprake van het maxi­ maal waarborgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

4.10.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn voor onderhavige ontwikkeling vanwege geluidhinder door wegverkeerslawaai. Ook is er geen sprake van belemmeringen vanwege hinderlijke bedrijvigheid, Om in de geluidgevoelige ruimten te voldoen aan de grenswaarde voor maximale geluidniveaus in de avondperiode, wordt de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van de 1e verdieping van de woningen minimaal met de volgende waarden uitgevoerd: 29 dB voor verblijfsgebieden en verblijfsruimten aan de achtergevel van kavel 1 t/m 4 van de hofwoningen en de linkerzijgevel van kavel 4 (meest zuidwestelijke hofwo­ ning); 22 dB voor de verblijfsgebieden en verblijfsruimten aan de voor- en rechter zijgevel van de woning op kavel 9 (meest zuidoostelijke hofwoning). Er is dan sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een voldoende ruimtelijke scheiding wordt gerespecteerd ten opzichte van omliggende milieubelastende functies. Voor de aanvraag technische bouwactiviteit zal worden voorzien in een bouwakoestisch onderzoek waarin wordt aangetoond dat de maximaal toegestane akoestische binnen­ waarde niet wordt overschreden.

4.11

Geur

4.11.1 Algemeen/wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige ge­ bouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Hiervoor geldt de "Beleidsregel de­ finitie geurgevoelig gebouw Eersel 2024". In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval moe­ ten worden beschermd. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van land­ bouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: -

Geurnormen in het omgevingsplan

-

Rekenen

UrbiTom

68

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

-

Afstand eisen

-

Randvoorwaarden

Gemeente Eersel

Geurhinder door activiteiten Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de wer­ kingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omge­ vingsplan van de gemeente. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunning­ aanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

4.11.2 Toetsing Geurhinder veehouderijen Potentieel hinderlijke veehouderijen bevinden zich op afstand van het projectgebied: Rond Wintelre liggen diverse melkveehouderijen en paardenhouderijen, die een vaste af­ stand hebben van 100 m tot gevoelige bebouwing binnen de bebouwde kom. Dichtstbijgelegen is een paardenhouderij aan de Groenstraat 8, dus het projectgebied ligt ver buiten geurcirkels van agrarische bedrijven met een vaste afstand. Kortste afstand tot een veehou­ derij met een niet-vaste afstand bedraagt ca. 800 m (Varkenshouderij aan de Groenstraat 16). Door de ODZOB is in oktober 2024 een kaart vervaardigd waarop de achtergrondbelasting vanwege geurhinder is weergegeven voor Noord Brabant. Op onderstaande uitsnede van deze kaart is te zien dat het projectgebied is gesitueerd bin­ nen een leefomgeving met de kwalificatie 'zeer goed'.

ũ-

Projectgebied

Conténtratieg ebied kwaliteit leefomgeving Leefklimaat (achtergrondbelating i n ouEZm3) B Zeur goed (t3) | Goed (3-7) Redelijk goed (7-135 Matig (13-20} Tamelijk slecht {20 28) Slecht (2&-3S) B Zeer slecht (35-50} B Extreem slecht (í 50)

Uitsnede kaart achtergrondbelasting (bron: Omgevingsdįenst Zuidoost Brabant - ODZOB) 69

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

Geurhinder industriële geur In de directe omgeving van het projectgebied is geen geur veroorzakende bedrijvigheid aan­ wezig die een belemmering vormt voor de voorgenomen realisatie van het woningbouw­ project. 4.11.3 Conclusie De leefomgeving in de kern van Wintelre, waar zich ook het projectgebied bevindt, is ge­ kwalificeerd als 'zeer goed'. Er is geen geur veroorzakende bedrijvigheid aanwezig in de na­ bijheid van het projectgebied. Geurhinder vormt derhalve geen belemmering voor woning­ bouw.

4.12

Omgevingsveiligheid

4.12.1

Algemeen/wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebon­ den risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:8 -

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelas­ tende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

-

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activi­ teit in het Besluit activiteiten leefomgeving.

-

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activi­ teit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raad­ pleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehou­ den met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen be­ perkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl.

4.12.2

Toetsing Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Uit de risicokaart Brabant, zoals opgenomen in de Atlas voor de Leef­ omgeving, blijkt dat het initiatief niet gelegen is in het invloedsgebied van risicovolle inrich­ tingen, van transportroutes en van leidingen.

UrbiTom

70

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

Uitsnede kaart externe veiligheid Noord-Brabant (bron: Atlas Leefomgeving)

Aan de westzijde van Wintelre loopt een buisleiding voor het vervoer van petrochemische stoffen. Er is geen afstand vanwege plaatsgebonden risico (Pr 10-6) voor deze leiding. Het projectgebied ligt met een kortste afstand tot deze leiding van ca. 500 m buiten het invloedsgebied van deze leiding. Aan de oostzijde van Wintelre loopt een buisleiding van Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO). Er is geen afstand vanwege plaatsgebonden risico (Pr 10-6) voor deze leiding. Het invloedsgebied bedraagt 130 m vanuit de leiding. Het projectgebied ligt met een kortste afstand tot deze leiding van ca. 700 m buiten het invloedsgebied van deze leiding. Aan Biemeren 7 ligt een tankstation met LPG. Met een afstand van ca. 595 m ligt het pro­ jectgebied ruimschoots buiten de, op de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2017' aangegeven 'veiligheidszone LPG'.

4.12.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid worden geen belemmeringen voor de voorge­ stane ontwikkeling verwacht.

4.13

Trilling

4.13.1 Algemeen/wettelijk kader De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn beperkt tot de bescherming van trilling gevoelige gebouwen en trilling gevoelige ruimten tegen trillingen in het frequen­ tie interval van 1 tot 80 Hertz (Hz), ten gevolge van (milieubelastende) 'activiteiten anders

UrbiTom

71

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

dan wonen'. Ondanks de ruime benaming zijn veel activiteiten uitgezonderd. Uitgezonderd van het wettelijk kader zijn: -

activiteiten bij wonen (tenzij het gaat om een bedrijf aan huis)

-

het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een ter­ rein

-

een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht

-

verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen

-

evenementen die niet plaatsvinden op een locatie voor evenementen

-

tijdelijke trillinggevoelige gebouwen die niet meer dan tien jaar zijn toegelaten

-

een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieter­ rein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, en/of gelegen op een industrieterrein dat onder de Wet geluidhinder 'gezoneerd' was.

4.13.2

Toetsing In paragraaf 5.11.2 (geluid vanwege hinderlijke bedrijvigheid) is reeds duidelijk geworden dat zich geen hinderlijke bedrijvigheid bevindt in de nabijheid van het projectgebied, die trilling kan veroorzaken. Het initiatief bevindt zich weliswaar aan een hoofdstraat, maar hier geldt een lage maximumsnelheid van 30 km/u. Er is derhalve ook geen trillingshinder te verwachten door zwaar verkeer.

4.13.3

Conclusie Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de beoogde omgevingsplanactiviteit.

4.14

Welstand

4.14.1

Algemeen/wettelijk kader Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijde­ lijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.

4.14.2

Toetsing Het bouwplan is voorgelegd aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Eer­ sel alsook aan de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). Omdat de adviezen van deze instanties van elkaar afweken is door het college van B&W besloten om het pré-advies van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed van 21 november 2022 en het advies van het provin­ ciale Planoverleg van 20 februari 2024 te volgen en dus af te wijken van het advies van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit (erfgoed) Eersel van 25 maart 2024.

4.14.3

Conclusie Conclusie van de RCE is dat het plan in basis overtuigd. De structuur en de architectuur van

UrbiTom

72

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

het pand blijft ondanks de herbestemming in eerdere woningen gehandhaafd. Voor een doorslaggevende argumentatie en motivatie is het verzoek verder uitgedetailleerd of aan­ vullend tekenwerk aan te leveren. Daarnaast wordt nog aandacht gevraagd voor de monu­ mentale gang en het erf. Het doorontwikkelde en verder uitgewerkte plan wordt met be­ langstelling tegemoet gezien.

4.15

Archeologie en cultuurhistorie

4.15.1

Algemeen/wettelijk kader Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze ar­ cheologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omge­ vingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

4.15.2

Toetsing archeologie Archeologisch vooronderzoek Het projectgebied heeft in het geldende tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplanplan 'Kom Wintelre', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Dit betreft gebied met een hoge archeologische verwachting. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen opper­ vlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m2 en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld. Het oppervlak waar bodemingrepen mogelijk zijn, die dieper dan 0,3 m -mv rei­ ken bedraagt meer dan 250 m2. Daarom is een archeologisch vooronderzoek verricht door Transect.

UrbiTom

73

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

De rapportage van dit vooronderzoek is als bijlage bij deze onderbouwing BOPA gevoegd en de bevindingen uit de rapportage zijn navolgend weergegeven: Transect heeft in februari 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het projectgebied (circa 3500 m2) aan de Willibrordusstraat 38 in Wintelre. De aanleiding voor het on­ derzoek vormt de ruimtelijke procedure om het bestaande pand tot een appartementen­ complex om te vormen en negen zorgwoningen in het projectgebied te bouwen. Het arche­ ologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Het projectgebied bevindt zich deels in en deels ten zuiden van de historische kern (circa 12e eeuw) van Wintelre, in een lemig dekzandlandschap. Het projectgebied ligt hierbinnen waarschijnlijk in een dekzandvlakte, dat te duiden is aan het vlakke reliëf in en direct om het projectgebied. Op grond van de ouderdom van de verwachte afzettingen in het gebied, kunnen in de top van het dekzand vindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum - Nieuwe tijd aanwezig zijn.

Op deze periodes geldt een hoge archeologische verwachting. Resten uit de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd (als onderdeel van de historische kern van Wintelre) zijn met name in het noordelijke deel van het projectgebied te verwachten Het pand dat nu in het projectgebied staat, heeft een monumentale status en is omstreeks 1822 gebouwd. Bij archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het projectgebied zijn echter vooralsnog weinig resten of vindplaatsen bekend. Tijdens onderzoeken zijn namelijk tot nog toe veelal diepe verstoringen geconstateerd. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat het bodemprofiel in het projectgebied uit een bouwlanddek op dekzandafzettingen bestaat. Het dekzand is geïnterpreteerd als Oud Dek­ zand en is aangetroffen op een diepte van 95 tot 140 cm -Mv (19,7-20,2 m +NAP). Op basis van humusbrokken in de top van het dekzand en zandbrokken in het bouwlanddek, alsmede het ontbreken duidelijke verweringhorizonten in de top van het dekzand, is geconcludeerd dat de top van het dekzand niet intact aanwezig is. De hoge archeologische verwachting op resten vanaf het Laat-Paleolithicum uit het bureauonderzoek is op basis van de resultaten van het veldonderzoek bij te stellen. In het projectgebied is de verwachting op resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen bij te stellen naar laag.

Vindplaatsen uit deze periodes kenmerken zich door oppervlakkige vondstconcentraties of grondsporen in de top van het dekzand, dat in het projectgebied door moderne graafwerkzaamheden niet meer intact aanwezig is. Voor de periodes Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd blijft de hoge verwachting wel gelden. Ter plaatse van de bestaande bebouwing kunnen mogelijk restan­ ten van voorgangers van het huidige pand uit de 19e eeuw aanwezig zijn. In het midden en zuiden van het projectgebied worden onder de verstoringslaag (vanaf 95-140 cm -Mv) erfgerelateerde resten, zoals water- en beerputten, en sporen van terreininrichting en landge­ bruik verwacht.

UrbiTom

74

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

Advies In het projectgebied is op basis van het onderzoek een lage archeologische verwachting op resten en sporen uit de periodes Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen en een hoge verwachting op resten en sporen uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd vastge­ steld. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om de herontwikkeling van het monumentale pand en de realisatie van negen zorgwoningen mogelijk te maken wordt het volgende geadviseerd: -

voor de herontwikkeling in het bestaande pand is geen aanvullend onderzoek nodig, omdat hier enkel inpandige werkzaamheden zullen plaatsvinden.

-

bij de realisatie van de seniorenwoningen wordt geadviseerd om alleen een vervolg­ onderzoek uit te voeren indien de graafwerkzaamheden dieper reiken dan 70 cm -Mv (top archeologisch niveau + circa 30 cm buffer). Aangezien in het midden en zuiden van het projectgebied voornamelijk grondsporen verwacht worden, kan het vervolg­ onderzoek het beste uitgevoerd worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen noodzake­ lijk, dat op voorhand van de werkzaamheden door de bevoegde overheid (gemeente Eersel) goedgekeurd moet zijn. Voor de overige werkzaamheden adviseert Transect, vanwege de relatief geringe verstoringsdiepte (tot circa 30 cm -Mv) geen aanvullende maatregelen te nemen. Op het moment dat tijdens de toekomstige graafwerkzaam­ heden toch onverhoopt archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wette­ lijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Eersel).

Selectiebesluit Op grond van de resultaten van het rapport en het advies heeft de bevoegde overheid (de gemeente Eersel) als volgt besloten over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwe­ zige archeologische waarden binnen het projectgebied: Er hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden: Omdat het te verstoren oppervlak minder bedraagt dan 250 m2 (verstoringsoppervlakte waarboven archeologisch onderzoek aan de orde is voor de ter plaatse geldende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3').

Normaliter wordt roering van de bodem op een

diepte van 30 cm of meer onder het maaiveld, als verstoring gezien, maar omdat uit het booronderzoek blijkt dat de archeologisch relevante laag veel dieper zit, wordt door het bevoegd gezag de aanbeveling, van het bureau dat het archeologisch vooronderzoek heeft verricht, overgenomen om een vrijstelling van 70 cm -maaiveld aan houden voor dit plan. Als bodemverstorende activiteiten worden beschouwd: het graven van een wadi, het aan­ brengen van schroeffunderingspalen en eventuele andere werkzaamheden die dieper dan 70 cm reiken.

UrbiTom

75

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

verstqrinoęn 7ŪOmm onder maaiveld:

walerberging:

12U.8m‘

waterríoleríng: 40.7m' palen: U8m* totaal: 1733m' de totale verstoring vanaf 700 onder maaiveld blijft onder de 250m2 dus geen archeologisch onderzoek nodig

Bodemverstoring (bron: Buro Sengers Architecten)

De wadi die tot 90 cm -maaiveld reikt, wordt gezien als mogelijk verstorend, omdat hierbij de beschermlaag bovenop de archeologisch relevante laag wordt weggegraven. Deze wadi heeft (beneden 70 cm -mv) een oppervlak van 120,8 m2. De woningen worden gefundeerd op schroefpalen. Er treed alleen verstoring op bin­ nen de omtrek van een paal. De palen hebben een diameter van 30 cm. De oppervlakte per paal bedraagt aldus (nr2) 3.14 x 0,152 = 0,07 m2. Het aantal palen per woning be­ draagt ca. 10-13. Bij 9 nieuwe woningen + 1 gemeenschappelijke berging gaat het der­ halve om ca. 130 palen. De totale te verstoren oppervlakte vanwege de palen komt dan op ca. 11,8 m2 (uitgaande van het maximum aantal van 13 palen per woning en 10

UrbiTom

76

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

voor de berging). In het palenplan, dat bij de omgevingsvergunningaanvraag wordt gevoegd is het uiteindelijke aantal palen aangegeven. -

Andere bodemverstorende activiteiten op meer dan 70 cm - maaiveld betreffen: het graven van leidingsleuven naar de nieuwe woningen. De te vergraven oppervlakte hiervoor bedraagt ca. 40,7 m2.

Totaal te vergraven oppervlakte beneden 70 cm -mv bedraagt dan ca. (120,8 + 11,8 + 40,7 = 173,3 m2, derhalve ruimschoots onder de 250 m2. Voor aanvang van de werkzaamheden zal de gemeente door de landmeetgroep de hoog­ tes van het terrein laten inmeten.

4.15.3 Toetsing Cultuurhistorie Op de cultuurhistorische beleidskaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) is aan het noordelijk deel van het projectgebied een redelijk hoge cultuurhistorische waarde toegekend. Deze cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De aanwezige cultuurhistorische waarden mogen in principe niet worden verstoord of ver­ nietigd. Nieuwe ontwikkelingen moeten zo mogelijk de cultuurhistorische waarden verster­ ken. Bij gebouwen geldt dat onderhoud en versterken voor vernieuwen en ontwikkelen gaat en dat vernieuwen en ontwikkelen geschiedt vanuit en met respect voor de cultuurhistori­ sche waarden). Het gebouw van de voormalige pastorie is als rijksmonument aangeduid. De cultuurhistori­ sche waarden dienen behouden te worden.

1. Historische Bouwkunst #

Rijksmonument

0 Gemeentelijk monument Hoog

2. Historische Stedenbouw ĵ Redelijk hoog

3. Cultuurhistorische Ensembles ĵ Cultuurhistorische Ensembles

5. Historische Geografie 5. Historische Geografie (lijn) Waarde

Projectgeqied

5. Historische Geografie (vlak) ĵ Hoog

ó. Historisch Groen Historisch Groen ,

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart ODZOB

UrbiTom

77

Monumentale Bomen

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

De voormalige pastorie zal worden verbouwd tot woonappartementen. Bij de verbouwing wordt het exterieur van het gebouw in verschijning ongemoeid gelaten en alleen, waar no­ dig, gerestaureerd. Interieur worden monumentale waarden gerespecteerd. Uitgangspunt is hierbij is het bouwhistorisch onderzoek, dat als bijlage bij deze bestemmingsplantoelichting is gevoegd. Het project is voorgelegd aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) alsook aan de plaatselijke monumentencommissie. De RCE heeft op 21 november 2022 in basis positief geadviseerd over het project en om verdere uitwerking en detaillering verzocht. It verslag is als bijlage bij voorliggende onderbouwing BOPA gevoegd. De monumentencommissie heeft negatief geadviseerd over het project. Omdat de voor­ malige pastorie een rijksmonument betreft, is door het college van burgemeester en wet­ houders besloten om verder te gaan met het project op basis van advisering door de RCE. Er is voorzien in een tuinplan. Dit is als bijlage bij voorliggende onderbouwing BOPA ge­ voegd. Vanuit de RCE is met name om een eenduidig tuinontwerp voor de voortuin van de voormalige pastorie verzocht. Het (voor)tuinplan, (zie afbeelding in paragraaf 4.6 - 'Groen en tuinplan in de bijlage'), heeft de instemming gekregen van de RCE in het overleg d.d. 18 maart 2025.

Het verslag van dit overleg is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing BOPA). In het overleg van 18 maart zijn nog de volgende aandachtspunten meegegeven door de RCE: -

het kleurhistorisch onderzoek dient te worden uitgevoerd door een extern ter zake deskundige, als aanvulling op het bouwhistorisch onderzoek. Denk aan bijvoorbeeld: Katherine Kolff; Aleth Lorne; Lisette Kappers; Suzanne Fischer; Rosan Scheres; Marjo­ lein Deceuninck.

-

Voor de bijzondere vloerafwerkingen in hal en keuken dient voorafgaande volledige demontage eerst als proef een klein deel te worden gedemonteerd. Als het niet lukt zonder schade, dan de bijzondere vloerafwerkingen in situ behouden (hier kan dan geen vloer isolatie worden aangebracht).

Door de architect zijn deze aandachtspunten opgenomen in een aanvulling op het door hem opgestelde restauratieplan. Het restauratieplan voor de nog te verrichten werkzaamheden (fase 2 + aanvulling) is opgenomen als bijlage bij voorliggende onderbouwing BOPA. Achter de pastorie, wordt bebouwing gesitueerd die lager is dan de voormalige pastorie, dus buiten het beeld van de Willibrordusstraat. Deze bebouwing is gesitueerd aan De Nie en past binnen de opbouw van het dorp, waar meer bebouwing achter het lint aan zijstraten is georiënteerd.

4.15.4 Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die onderwerp zijn van voor­ liggende onderbouwing BOPA.

UrbiTom

78

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

Invulling van het projectgebied zal gebeuren met respect voor de aanwezige cultuurhistori­ sche waarden in en rond het gebied.

4.16

Bodem

4.16.1

Algemeen/wettelijk kader Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bo­ dem gebaseerd op drie pijlers: 1.

het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);

2.

het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwa­ liteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies);

3.

het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontrei­ nigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodem­ kwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein, direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toege­ laten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.16.2

Toetsing Verkennend bodem- en asbestonderzoek Lankelma Geotechniek Zuid B.V. heeft in januari 2023 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het projectgebied en hierover in februari 2023 gerapporteerd. Het rapport is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een bodemonderzoek is de voorgenomen ont­ wikkeling ter plaatse van de onderzoekslocatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiëni­ sche kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door

UrbiTom

79

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures nood­ zakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). De bevindingen zijn hier­ onder weergegeven. Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 5,0 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. De bodemlaag van 2,5 - 3,5 m-mv van peilbuis PB01 bestaat uit zwak zandig leem. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn met name in de bovengrond lokaal bijmengingen (spikkels baksteen en spikkels houtskool) ge­ daan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar vo­ ren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In het grondmengmonster MM01 (bovengrond, spikkels baksteen) zijn analytisch licht ver­ hoogde gehalten met cadmium, kwik, lood en zink aangetoond. Deze gehalten overschrij­ den de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indica­ tief als klasse industrie beschouwd worden. In het grondmonster PB01 (bodemlaag 0,1 - 0,5 m-mv, spikkels houtskool) zijn analytisch licht verhoogde gehalten met koper, kwik, lood, zink en PCB aangetoond.

Deze gehalten overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodem­ laag indicatief als klasse industrie beschouwd worden. In het grondmengmonster MM02 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte pa­ rameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodem­ laag indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 is analytisch een licht verhoogde concentratie aan ba­ rium aangetoond. Deze overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve in­ spectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Toetsing hypothese De hypothese 'onverdacht' dient op basis van de resultaten te worden verworpen. Echter worden slechts licht verhoogde gehalten in grond en grondwater aangetoond.

UrbiTom

80

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

Conclusie en advies Middels het bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grond­ water vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende pro­ cedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling van deze locatie. Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men reke­ ning te houden met de volgende zaken: -

wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de bovengrond indicatief als zijnde klasse industrie bestempeld. De ondergrond is indicatief bestempeld als klasse AW2000;

-

het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag.

4.17

Beperkingsgebieden

4.17.1

Algemeen/Wettelijk kader Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefi­ nieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

4.17.2

Toetsing Geluidzone - vliegveld grondgeluid

UrbiTom

81

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

Gemeente Eersel

In het geldende bestemmingsplan 'Kom Wintelre' is het oostelijk deel van het projectgebied aangeduid als 'Geluidzone - vliegveld grondgeluid' vanwege vliegtuigen die gebruik maken van start- en landingsbaan van Eindhoven Airport. Hiervoor geldt, ingevolge de planregels, het volgende: Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - vliegveld grondgeluid' mogen, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen nieuwe geluidsgevoelige ge­ bouwen worden gebouwd of nieuwe geluidsgevoelige terreinen worden aangelegd, inge­ richt of gebruikt, tenzij een hogere waarde in de zin van de Wet geluidhinder is vastgesteld. Inmiddels is deze geluidzone aangepast, zoals blijkt uit bovenstaande kaart uit het Barro 2016. Hieruit blijkt dat de 50 dB(A) contour vanwege industrielawaai inmiddels niet meer over het projectgebied ligt en dat derhalve geen verzoek hogere waarde meer hoeft te wor­ den gedaan. Luchtvaartverkeerzone - IHCS/-ILS Zoals in paragraaf 1.4 is aangegeven, liggen in het geldende bestemmingsplan 'Kom Win­ telre' over het projectgebied de aanduidingen 'luchtvaartverkeerzone - IHCS' en 'luchtvaartverkeerzone - ILS 42,4 m + NAP'. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - IHCS' mag de bouw­ hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 65 m + NAP.

De bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer be­ dragen dan 42,4 m + NAP ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - ILS 42,4 m + NAP. De bebouwing in het plan is (voormalige pastorie en koetshuis) of wordt (nieuwe senioren­ woningen) opgetrokken in 1 bouwlaag met kap. Deze bebouwing is derhalve veel lager dan de toegestane maximale bouwhoogte vanwege de Luchtvaartverkeerzone - IHCS/-ILS.

4.17.3 Conclusie Grondgeluid vanwege Eindhoven Airport vormt geen belemmering voor het woningbouwinitiatief. Bouwhoogten in het projectgebied blijven ruimschoots beneden de toegestane bouwhoog­ ten binnen de luchtvaartverkeerszones van Eindhoven Airport.

4.18

Kabels en leidingen Binnen het projectgebied zijn, voorzover bekend, geen kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Binnen het projectgebied is ver­ der geen sprake van straalpaden en invloeden van zendmasten. Voor aanvang van werk­ zaamheden zal een KLIC-melding worden verricht.

UrbiTom

82

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

4.19

M.e.r.-beoordeling

4.19.1

Algemeen

Gemeente Eersel

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strate­ gische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aan­ wijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.procedure verplicht is. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wij­ zigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieu­ gevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

4.19.2

Toetsing Het realiseren van 5 appartementen in bestaande bebouwing, die thans benut wordt voor een woning met kantoorruimte, en het bouwen van 9 nieuwe woningen buiten de be­ staande bebouwing kan niet gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals op­ genomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit in kolom 3 (zonder voorwaarden). Een na­ dere m.e.r. beoordeling is derhalve niet aan de orde.

4.19.3

Conclusie De activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het projectgebied zijn, gelet op de kenmer­ ken en de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.

UrbiTom

83

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

UrbiTom

84

Gemeente Eersel

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

5

Participatie

5.1

Verplichte participatie

Gemeente Eersel

Op 19 september 2023 is door de gemeenteraad een 'Lijst van activiteiten, waarvoor advies van de gemeenteraad nodig is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit' vastgesteld. Indien een activiteit op deze lijst voorkomt is participatie verplicht. Op deze lijst staan de volgende activiteiten: 1.

Algemeen a. activiteiten, waarvoor een ruimtelijk kader ontbreekt; b. activiteiten, die geheel of gedeeltelijk afwijken van het ruimtelijk kader;

2.

Voor activiteiten die passen binnen het ruimtelijke kader binnen de bebouwde kom: a. bij de realisatie van 3 of meer woningen inclusief de bijbehorende bouwwerken; b. het realiseren, uitbreiden of wijzigen van een bedrijfsgebouw ten behoeve van een bedrijf met een hogere milieucategorie dan 2; c. tijdelijk ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn langer dan 10 jaar;

3.

Voor activiteiten die passen binnen het ruimtelijke kader buiten de bebouwde kom: a. bij de realisatie van meer dan één woning, met uitzondering van splitsing van cul­ tuurhistorische waardevolle bebouwing, inclusief de bijbehorende bouwwerken; b. een functiewijziging van meer dan 1.000 m2 in een bestaand gebouw; c. ander gebruik van gronden; d. tijdelijk ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn langer dan 10 jaar.

Het initiatief betreft activiteiten, die geheel of gedeeltelijk afwijken van het ruimtelijk kader, dus participatie is verplicht.

5.2

Overleg met gemeente Het plan heeft de instemming van de gemeente. Inmiddels is een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer getekend. Tussen initiatiefnemer en gemeente plaatsgevonden om af te stemmen over het plan. Hier­ bij is ook de locatie bezocht. Ook is door de initiatiefnemer advies ingewonnen bij de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Eersel (zie paragraaf 4.14 - welstand).

UrbiTom

85

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'

5.3

Gemeente Eersel

Participatie omgeving Overleg met de buurt/belangstellenden De leegstaande voormalige pastorie van de St. Willibrorduskerk is al geruime tijd onderwerp van gesprek in Wintelre. De plannen hiervoor hebben reeds in het Eindhovens Dagblad ge­ staan. Overleg met de direct aanwonenden Naar omwonenden en belanghebbenden in de omgeving van het projectgebied is een brief gezonden, die als bijlage bij deze onderbouwing BOPA is gevoegd. Hierin is de herontwikkeling van het projectgebied aangekondigd en zijn de plannen hiervoor als bijlage bijgevoegd. Gevraagd is om te bevestigen dat de brief ontvangen is en om aan te geven of het plan al dan niet de instemming kan genieten van de aangeschrevenen. De reacties op het plan zijn positief. Men is blij dat de pastorie als monumentaal gebouw voor het dorp behouden kan blijven en dat er een einde komt aan de langdurige leegstand. Ook de woningtypen die worden aangeboden zijn positief ontvangen. De eigenaren van de naastgelegen supermarkt juichen het initiatief ook toe, maar hebben nog wel bedenkingen bij het parkeren. Zij vrezen dat bewoners hun auto op het parkeerter­ rein van de supermarkt zullen zetten, dat voor de klandizie bedoeld is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=d507082e-35ad-45c7-8cdb-a65bb285f7a5