[ZS00061156] BOPA02-SNG032-01F - Ruimtelijke motivering BOPA
Tekst van het document
Aansluiting is gezocht bij de inkomens- en doelgroep definities uit de aangepaste Ver ordening Doelgroepen Sociale Woningbouw.
-
Koopconstructies die woningen voor starters betaalbaar maken, en bovendien lang durig betaalbaar aanbod garanderen (zoals Koopgarant) mogelijk zijn gemaakt.
-
Een aantal extra uitzonderingen zijn bepaald waarin geen financiële afdracht in het Vereveningsfonds hoeft te worden gedaan, te weten: CPO-projecten tot 6.355.000, Ruimte-voor-Ruimte, ontwikkeling van landgoederen, en de herbouw van een indivi duele woning.
Als een initiatief minder dan 37% sociale woningbouw bevat, wordt bekeken of de initiatief nemer de resterende opgave elders kan realiseren. In sommige gevallen is sociale woningbouw niet mogelijk, of niet wenselijk. Het college kan dan een lager percentage toestaan. Een initiatiefnemer moet in dat geval zelf aantonen dat deze op korte termijn (binnen 2 jaar) elders een locatie ontwikkelen kan en daar de reste rende opgave realiseert. Dit wordt vastgelegd in een overeenkomst. Als uitzondering op de regel kan het college ter compensatie voorstellen om een afdracht te doen aan het Vereveningsfonds Sociale Woningbouw. Toets Het initiatief betreft 14 woningen, waarvan 1 woning ter vervanging van de bestaande wo ning, derhalve 13 nieuwe woningen 5 van de 13 te realiseren nieuwe woningen worden uitgegeven in de sociale sector, derhalve ca. 38% van de nieuwe woningen. Zoals besproken met de gemeente, wordt met dit aandeel sociale woningen voldaan aan de Verordening Doelgroepen Sociale Woningbouw Een afdracht aan het Vereveningsfonds Sociale Woningbouw is derhalve niet aan de orde.
3.4.4
Conclusie gemeentelijk beleid De provincie stelt in haar beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling van Eersel dat het bestaand stedelijk gebied een belangrijke rol vervult voor het accommoderen van de stedelijke ruimtevraag. Stedelijke herstructurerings- en intensiveringprocessen zijn in prin cipe overal binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk. De voorgestane herontwikkeling van het projectgebied past derhalve binnen het provinciaal beleid. Ook past het binnen het gemeentelijk beleid:
UrbiTom
35
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Door het plan kan de monumentale voormalige pastorie in het dorpshart van Wintelre, die al geruime tijd leegstaat, voor het dorp behouden blijven, omdat deze een woon functie krijgt die betaalbaar is. Het gaat om een woningbouwlocatie in stedelijk gebied, waar door herontwikkeling kwaliteit wordt toegevoegd. Het betreft woningen, die aansluiten op de woningbehoefte en het doelgroepenbeleid van de gemeente Eersel.
UrbiTom
36
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
4
Gemeente Eersel
Aspecten fysieke leefomgeving en mi lieu In dit hoofdstuk wordt de gewenste ontwikkeling getoetst aan de verschillende aspecten uit de fysieke leefomgeving. Indien noodzakelijk worden deze aspecten nader gemotiveerd met een onderzoek.
4.1
Ladder duurzame verstedelijking
4.1.1
Algemeen/Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtege bruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leef omgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stede lijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instruc tieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1.
Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwik keling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouw locatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening, die voldoende substantieel is.
2.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leeg stand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkhe den om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevings planactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
4.
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikke ling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
UrbiTom
37
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
4.1.2
Gemeente Eersel
Toetsing Het plan ligt goeddeels binnen stedelijk gebied en voor een klein deel in landelijk gebied. Zoals in het woonbeleid voor de gemeente Eersel, verankerd in de Kempische visie op wo nen, duidelijk wordt, is behoud van betaalbaar wonen en bouwen voor doelgroepen, zoals senioren en mensen met een zorgbehoefte in de gemeente een beleidsspeerpunt. Betaalbaar wonen is ook het beleid in de Woondeal Kempen Zuidoost. Van de 14 te realise ren woningen zullen er 5 in de sociale sector worden aangeboden, waarmee invulling wordt gegeven aan de beleidsdoelstellingen, zoals opgenomen in de Kempische Woonvisie. De overige seniorenwoningen zullen worden aangeboden binnen het betaalbare segment. Ander speerpunt vorm het faciliteren van zorg voor elkaar en het zorgen voor woningen die geschikt zijn voor senioren, waarbij de overgang tussen zelfstandig wonen en bescherm wo nen verminderd wordt. Met de seniorenhof in het projectgebied wordt in een woonvorm voorzien die prima bij deze gedachte aansluit. Onderhavig project betreft de realisatie van 14 woningen, in plaats van 1 bestaande woning, derhalve een woningtoename van 13 woningen. Het aantal van 13 nieuwe woningen voorziet in een deel van de woningbehoefte in de ge meente die, op basis van de Woondeal een opgave voor de gemeente Eersel betreft van 505 nieuwe woningen in de periode van 2022 t/m 2030.
Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen wordt ernaar gestreefd dat twee derde van de nieuwe woningen betaalbaar is: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Regionaal is afgesproken dat nieuwe projecten (gemiddeld) uit minimaal 30% soci ale huur, minimaal 16% middenhuur en minimaal 20% betaalbare koopwoningen bestaan. Het minimum van 30% sociale huur en twee derde betaalbaar in de nieuwbouwopgave geldt voor elke gemeente, de verdeling tussen middenhuur en betaalbare koop kan per ge meente verschillen. In de, door de gemeente Eersel opgestelde, Ruimtelijke visie woonuitbreidingen (vastge steld op 25 oktober 2022) heeft op basis van de lagenbenadering een onderzoek plaatsge vonden naar de uitbreidingsmogelijkheden voor de kernen binnen de gemeente. In deze visie zijn ook de mogelijkheden voor uitbreiding binnen onderhavig projectgebied onderzocht en gemotiveerd. Samenvattend is over de locatie het volgende aangegeven: "Gezien de ligging nabij het centrum en de restauratie-opgave van de pastorie zijn er mo gelijkheden voor een kleinschalige initiatief voor zorg of senioren. Dit betreft een ontwikke ling op het achtererf van de langgevelboerderij en een ontwikkeling in de tuin van de pastoriewoning. Dit vraagt om een zorgvuldige uitwerking gezien de landschappelijk fraaie lig ging".
In de planbeschrijving van voorliggende onderbouwing BOPA (paragraaf 2.3) alsook in de paragrafen 4.6 - 'Groen' en 4.15 - 'Cultuurhistorie' is beschreven op welke wijze wordt ge komen tot een goede groene inpassing in de omgeving en op welke wijze dit gebeurt met respect voor de bestaande cultuurhistorische waarden.
4.1.3
Conclusie Toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking laat zien dat de bebouwing waarvoor
UrbiTom
38
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
dit bestemmingsplan is opgesteld, deels is gesitueerd binnen stedelijk gebied en deels bin nen landelijk gebied. Verduidelijkt is dat het plan voorziet in een aantoonbare behoefte en dat de kleinschalige woonuitbreiding gebaseerd is op vastgesteld beleid (Ruimtelijke visie woonuitbreidingen) en dat in een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing is voor zien met respect voor cultuurhistorische waarden, die als inspiratie hebben gediend voor de nieuwe bebouwing.
4.2
Duurzaamheid
4.2.1
Algemeen/Wettelijk kader Bij duurzaam bouwen wordt rekening gehouden met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. In artikel 22.52 van de Omgevingswet (Bruidsschat) is bepaald dat alle energiemaatregelen met een terugverdientijd van maximaal 5 jaar moeten worden getroffen.
4.2.2
Toetsing
De nieuwe woningen worden 'a11 electric'. Er wordt dus geen gebruik gemaakt van gas, De woningen worden voorzien van zonnepanelen en warmtepompen en zullen BENG (bijna energieneutraal) worden uitgevoerd. 4.2.3
Conclusie Maatregelen die inherent zijn aan duurzaam bouwen worden toegepast bij de ontwikkeling van het initiatief.
4.3
Gezondheid
4.3.1
Algemeen/Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belang rijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben (Ş 5.1.4 Bkl). De instructie regels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, kwaliteit van de buitenlucht en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd. In deze paragraaf wordt, aanvullend op de bovengenoemde aspecten, aandacht besteed aan endotoxinen en spuitzones.
4.3.2
Toetsing - Pluimvee- en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken.
UrbiTom
39
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwo nenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0' opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende on derzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding ge weest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endo toxine van 30 EU/m3 aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU^3 niet wordt overschreden.
Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waar mee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU^3 eenvoudig bepaald kan worden. In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toet singskader 2.0' worden de volgende richtafstanden gehanteerd: -
Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden
-
Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom.
Binnen 250 m afstand komen geen veehouderijen voor. Rond Wintelre liggen diverse melk veehouderijen en paardenhouderijen. Kortste afstand tot een varkenshouderij bedraagt meer dan 800 m (Groenstraat). Binnen 1000 m afstand komen geen pluimveehouderijen voor. Dichtstbijzijnd is een pluim veehouderij aan de Oirschotsedijk 3 (afstand ca. 1,9 km). Conclusie Er is geen sprake van een overschrijding van de endotoxine advieswaarde ter plaatse van het projectgebied.
4.3.3
Toetsing - Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een ver
UrbiTom
40
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
hoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit pre cies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat, heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluit vorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico's. Binnen 2 km van het projectgebied komen geen geitenhouderijen voor. Conclusie Er is vanwege geitenhouderijen geen sprake van belemmeringen voor het initiatief.
4.3.4
Toetsing - Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tus sen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorge schreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen wor den gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kor tere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het perceel aan de zuid- en oostzijde van het projectgebied is in gebruik als maïsakker en grenst aan het projectgebied. Het perceel aan de oostzijde heeft een bestemming 'Wonen1' (noordelijke deel) en 'Tuin' (zuidelijke deel). Het perceel ten zuiden van het projectgebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - landschappelijke waarden'. De kortste afstand van de grens van het agrarisch perceel tot het dichtstbijzijnde bouwvlak bedraagt ca. 10 m.
De bovenbeschreven afstand van 50 m is gebaseerd op de toepassing van gewasbescher mingsmiddelen bij gewassen, waar hoog gespoten moet worden, zoals fruitbomen. Indien bij maïsteelt gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, dan is dit om het gewas voldoende kiemmogelijkheid te geven, dus om concurrerende gewassen in de kruidlaag te bestrijden. Dit gebeurt meestal in mei (maïs heeft warmte in de grond nodig om te ontkie men). Logischerwijze wordt dan op het jonge onkruid op de grond gespoten, waardoor de nevelvorming in de lucht beperkt blijft, zeker wanneer gebruik wordt gemaakt van driftarme spuitdoppen. Het is onwaarschijnlijk dat op het betreffende maïsperceel gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast: ook in de huidige situatie is het maisperceel reeds op korte afstand van de woonbebouwing aan de Willibrordusstraat gesitueerd (Willibrordusstraat 40 - 44 en De
UrbiTom
41
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Nie 2) en bovendien gelegen in een woonbestemming. Wanneer gebruik van gewasbescher mingsmiddelen daadwerkelijk aan de orde is, kan zekerheidshalve op de oost- en zuidgrens van het perceel een dichte haag worden aangebracht, die eventuele nevel opvangt. Conclusie Binnen een afstand van 50 m tot ( de nieuwe woningbouwmogelijkheden in) het projectgebied ligt een maisveld. Gezien de korte afstand van dit maïsveld tot bestaande woningen (Willibrordusstraat 40-44 en De Nie 2), is er in de bestaande situatie reeds geen milieuruimte voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen: Daarom is er geen sprake van beperkingen voor woningbouw door spuitzones.
4.3.5
Conclusie Er zijn voor het initiatief geen belemmeringen vanwege het aspect volksgezondheid.
4.4
Weging waterbelang
4.4.1
Algemeen/wettelijk kader Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd onder de noemer 'weging van het waterbelang'.
4.4.1.1.
Waterrelevant beleid
De planlocatie is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap De Dommel en de ge meente Eersel.
4.4.1.2.
Beleid Waterschap
Algemeen In Europa wordt de Europese regelgeving van de Kader Richtlijn Water (KRW) gehanteerd. Het doel van de KRW is dat uiterlijk in 2027 alle maatregelen zijn uitgevoerd om het water in Europa schoon en gezond te krijgen en te houden. De KRW heeft drie planperiodes: 2009 2015, 2016-2021 en 2022-2027. Deze richtlijn vertaalt zich naar Nederland in beleidsplan nen op drie niveaus: het Nationaal Water Programma op rijksniveau, de Regionale Water Programma's op provinciaal niveau en de waterbeheerprogramma's van de waterschap pen. De richtlijn vanuit Europa en de beleidsplannen van het Rijk en de provincie NoordBrabant geven de kaders voor het Waterbeheerprogramma van De Dommel. De keuzes in dit WBP zijn in lijn met die kaders. Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Water als basis voor een toekomstbestendige leef omgeving' Met ingang van 1 januari 2022 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving' in werking getreden. Dit waterbeheerpro gramma beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2022-2027. In dit waterbeheerprogramma is een indeling gemaakt in de volgende thema's:
UrbiTom
42
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
1.
Droge Voeten
2.
Schoon Water
3.
Voldoende Water
Gemeente Eersel
Streven is om uiterlijk in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te hebben. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet en een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen op vangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bo dem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. In het waterbeheersplan is de route naar 2050 beschreven. Aansluitend op het waterbeheerplan is er de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024. Deze is per 1 januari 2024 in werking getreden. In de Waterschapsverordening (art 2.2 lid 5) is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van de verharde oppervlakte of door afkop pelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. In art 2.31 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen) is aangegeven dat dit verbod is van toepassing is tenzij: -
Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;
-
de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of;
-
de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak;
-
de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compense rende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de re kenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische ef fecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het ini tiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Voor nieuwbouw geldt dat het "schone" regenwater van het "vuile" huishoudelijke afval water gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. Het huishoudelijke afvalwater dient in overleg met de gemeente aangesloten te worden op een bestaand rioolstelsel in de omgeving van de planontwikkeling. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangs punt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de trits hergebruik-vasthouden-afvoeren, nader ge specificeerd in een vijftal opties, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is:
UrbiTom
43
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
1.
hergebruik;
2.
vasthouden | infiltreren;
3.
bergen;
4.
afvoeren naar oppervlaktewater;
5.
afvoeren naar de riolering.
-
Gemeente Eersel
De initiatiefnemer dient deze opties te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater | riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een com penserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang.
-
Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid eisen aan de afvoer van he melwater.
-
Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel.
-
In de waterparagraaf dient duidelijk te worden welk type infiltratie- en|of bergingsvoorziening wordt toegepast. Middels een tekening kan inzicht worden gegeven in de locatie en het ruimtebeslag van de voorziening(en). Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de leegloop en overstort van de voorziening. Tevens dient inzichtelijk ge maakt te worden dat er door de nieuwe ontwikkeling geen problemen elders worden veroorzaakt.
-
Bij de inrichting, bouwen en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Con form de waterkwaliteitstrits, 1. schoonhouden 2. scheiden 3. zuiveren, dienen de mo gelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht. Denk hier bij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwa ter en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer).
4.4.I.3.
Beleid gemeente Eersel - vGRP 2023-2027
Om de rioleringszorg uit te voeren zijn in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) 2023-2027 ambities benoemd op het gebied van doelmatig beheer, milieu en duurzaam heid, inzameling en transport van afvalwater en hemelwater, het technisch beheer van de rioleringssystemen en financiën. Enkele ambities betreffen het vergroten van de duurzaamheid van de rioleringszorg, het monitoren van wateroverlast, afkoppelen van verhard oppervlak en doelmatig beheer van de riolering. Deze ambities zijn vertaald naar speerpunten en maatregelen die het water schap in de beleidsperiode gaat invullen. Speerpunten voor de periode 2023-2027 zijn het inzichtelijk maken van de aanwezige voor zieningen en de staat van de riolering, het opstellen van strategische (vervangings-) plan ningen, het verkrijgen van inzicht in het hydraulisch functioneren van de riolering en samen
UrbiTom
44
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
werking met de partners in de afvalwaterketen. De maatregelen hierbij betreffen onder an dere het invullen van afkoppelmogelijkheden, het opstellen van een hemelwaterbeleid, het actueel houden van de beheergegevens, het opstellen van een beheervisie en verder on derzoek naar klimaatbestendigheid van de riolering. Bij het afkoppelbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen bestaand gebied, nieuwbouw, inbreidingen en buitengebied. In het VGRP staat voor nieuwe bebouwing het volgende aangegeven over de verwerking van hemelwater: Met nieuwbouw worden zowel uitbreidings- als inbreidingslocaties, en aanbouw aan be staande bouw bedoeld. Voor nieuwbouw geldt een volledige gescheiden inzameling en verwerking van het afvalen hemelwater. De bergingseis volgt uit de watertoets en is maatwerk. Vanuit klimaatbe stendigheid wordt bij nieuwbouw een berging van 60 mm geadviseerd. Dit ligt vast in een hemelwater- en grondwaterverordening. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat deze vanwege rechtswege over in het omgevingsplan. Daarnaast houden wordt bij nieuwbouw een bouwpeilhoogte van 30 cm boven het hoogste straatniveau aangehouden. Bij aanbouwen aan bestaande bebouwing zal dit niet altijd mo gelijk zijn. In deze situaties kan hier gemotiveerd op worden afgeweken, dit blijft maatwerk.
4.4.2
Toetsing - Locatiestudie Het onderzoeksgebied betreft het perceel, kadastraal bekend gemeente Vessem, sectie D, nr. 4755. Dit perceel heeft een oppervlak van 3.516 m2. Uit de kaart die bij de Waterschapsverordening hoort wordt duidelijk dat het projectgebied is gelegen buiten beschermde gebieden, attentiegebieden of beekdalen. Wel is het gebied gelegen binnen een attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of be perkt invloedsgebied Natura 2000. Hier zijn regels van toepassing die betrekking hebben op het ontwateren van gronden middels drainagemiddelen en het onttrekken van grondwater voor beregening van grasland. Deze regels zijn voor het projectgebied, met een woonfunc tie, niet van toepassing.
UrbiTom
45
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Toename verharding en noodzaak waterberging Door de ontwikkeling is er sprake van een verhardingstoename in het projectgebied van ca. 1.387 m2: Het totaal aan bestaande en nieuwe verharding in de nieuwe situatie bedraagt 1.890 m2.
Bebouwing Verharde buiten ruimte Totaal verhard op pervlak Onverhard opper vlak Totaal perceelsoppervlak
Huidige situatie (m2) 353 150
Toekomstige situatie (m2) 1.002 888
503
1.890
3.013
1.626
3.516
3.516
Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel, behorend bij de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024, kan de vereiste compensatie per ontwikkelscenario berekend worden. Voor ontwikkelingen, waarvan de toename van het verhard oppervlak meer dan 500 m2 bedraagt, is compenserende waterberging vereist. De hydrologische gevolgen van ontwikkelingen, kleiner dan 500 m2, zijn voor het ontvan gende watersysteem namelijk beperkt. Tevens zou bij ontwikkelingen van deze omvang noodzakelijke compensatie bij een geïsoleerde voorziening resulteren in een voorziening die slecht beheer(s)baar is en weinig zekerheid op functioneren biedt. De ontwikkeling, die onderwerp is van voorliggende onderbouwing BOPA, heeft een ver hardingstoename van meer dan 500 m2. Ingevolge de Waterschapsverordening moet dus voorzien worden in compenserende waterberging.
Ingevolge het beleid van de gemeente Eersel, zoals vervat in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP 2023-2027) moet er voor nieuwprojecten voorzien worden in een wa terberging op eigen terrein van 60 mm, waarbij gerekend wordt met de aanwezige verhar ding in het projectgebied na nieuwbouw (zowel verharding die reeds aanwezig was als nieuwe verharding Voor het verhard oppervlak kan de vereiste compensatie berekend worden door de het verhard oppervlak (m2) in de toekomstige situatie te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke me ters (m3). De rekenregel luidt dus als volgt: 'Benodigde compensatie (in m3) = verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)'
Op basis van deze berekening dient een waterbergingsvoorziening met een inhoud van 113,4 m3 (1.890 x 1 x 0,06 m3) gerealiseerd te worden.
UrbiTom
46
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Grondwaterstand, infiltratiemogelijkheden en waterberging Voor het projectgebied geldt een gemiddeld hoogste grondwaterstand die varieert van ca. 78 cm -maaiveld (in het gedeelte van het projectgebied ten zuiden van de Pastorie, voorzo ver gelegen ter hoogte van de naastliggende supermarktbebouwing) tot 59 cm -maaiveld (ten zuiden van de supermarktbebouwing) (bron: www.bodemdata.nl). De bodem bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand zonder leemlagen (bron: verkennend bodemonderzoek: zie bijlage bij deze onderbouwing BOPA). Ter hoogte van Willibrordusstraat 44 is door de gemeente een peilbuis aangebracht (nr. B51D2229pf01) met meetgegevens over 2023 en 2024. Hieruit is een gemiddelde GHG van 20.38 m + N.A.P. te herleiden (gemiddelde van 19.75 m + N.A.P. in het 'normale' jaar 2023 en 21 m in het 'natte' jaar 2024) (bron: openbare waterdata Waterschap De Dommel). De N.A.P. hoogte van het bestaande terrein varieert van 21.30 + N.A.P. net ten zuiden van de pastorie tot 21.00 m + N.A.P. in de zuidoosthoek van het terrein (buiten insteek talud van de bestaande sloot langs de zuidrand). Dat zou dus betekenen dat de GHG van de zuid zijde van de pastorie naar de zuidzijde van het projectgebied tussen de 0,92 m en de 0,62 m -maaiveld ligt. Dit stemt redelijk overeen met de oudere gegevens van www.bodemdata.nl. Intentie is om het lagergelegen gebied ca. 25 cm.
Op te hogen (voorzover gelegen buiten het kroonbeslag van de bestaande eiken). Uiteindelijk komt de GHG, behalve ter plaatse van de boomkronen van de bestaande eiken aan de zuidzijde van het projectgebied, dus op een diepte van minimaal 0,87 m -maaiveld te liggen. Het perceel is als woonperceel in gebruik geweest. Voor de tuinen, waar een infiltratievoorzieningen kunnen worden aangelegd, is er geen reden om aan te nemen dat de grond ver dicht is. De infiltratiemogelijkheden zijn derhalve naar alle waarschijnlijkheid goed. De vereiste waterberging in het projectgebied wordt gerealiseerd in de vorm van een wadi, zoals opgenomen op navolgende tekening. De wadi wordt gerealiseerd in het laagstgelegen deel van het projectgebied. De wadi heeft een capaciteit van ruim 122 m3, derhalve meer dan de vereiste 113,4 m3. Ingeval van een zware bui, kan de wadi overlopen op de nabijgelegen sloot aan de zuidrand van het projectgebied. Deze sloot , die deels overkluisd is, watert af naar het oosten in de richting van de Groenstraat. Door het aanbrengen van een stuwtje in de sloot ter hoogte van de oostelijke perceelsrand, kan de bestaande sloot, voorzover deze aan het projectge bied grenst, bij de wadi worden getrokken en kan de stuw als overloop fungeren.
UrbiTom
47
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
UrbiTom
48
Gemeente Eersel
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Waterkwaliteit - scheiding van afvalwater en hemelwater Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg geen ge bruik maken van uitloogbare materialen, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Binnen het bouwplan wordt het huishoudelijke afvalwater (DWA) gescheiden van het re genwater (RWA). De DWA wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel van de Willibrordusstraat. De HWA wordt geïnfiltreerd op eigen terrein, zoals hiervoor omschreven. Het (afval)water dat voor de nieuwe woningen afgevoerd moet worden bevat geen chemi sche stoffen die schadelijk zijn voor het water in het openbaar riool. Ook geeft het af te voeren water geen stankoverlast en bevat het water geen snel bezinkende- en/of grove afvalstoffen. Van een verontreiniging van het rioolwater door toedoen van het afvalwater is dan ook geen sprake. Ook voor het hemelwater kan worden gesteld dat de afvoer naar de waterberging op eigen terrein plaatsvindt op een dusdanige manier dat er geen sprake is van verontreiniging en er geen bezwaren zijn om deze berging, in geval van overvloedige regenval, over laten lopen op het bestaande oppervlaktewaterstelsel (sloot aan de zuidrand van het projectgebied).
Conclusie In het kader van de planprocedure zijn de gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding inzichtelijk gemaakt en de daaruit voortkomende waterbergingsbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat, vanwege de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk ge maakt, moet worden voorzien in 113,4 m3 bergingscompensatie op eigen terrein vanwege een verharding in de nieuwe situatie van 1.890 m2. Dit is, gezien de grootte van de tuin aan de zuidzijde eenvoudig uitvoerbaar: in het plan is voorzien in een wadi met voldoende bergingscapaciteit die, ingeval van een zware bui, kan overlopen op de nabijgelegen sloot aan de zuidrand van het projectgebied. Aldus zij er voor onderhavige ontwikkeling geen belem meringen aanwezig vanwege water.
4.5
Klimaatadaptatie Ons klimaat verandert. Er zijn meer warme perioden met hogere temperaturen dan voor heen en er zijn meer buien met veel neerslag in korte tijd. Het initiatief betreft 14 woningen (13 nieuwe en 1 vervangende) op een ruim perceel, waar voldoende ruimte is voor opgaand groen, waardoor hittestress op het perceel verminderd kan worden. Door te voorzien in infiltratiemogelijkheden conform de eisen van gemeente en waterschap wordt uitvoering gegeven aan klimaatadaptief waterbeleid (zie ook paragraaf 5.5 - Weging waterbelang).
4.6
Groen In de waterparagraaf (paragraaf 4.4) is aangegeven wat de verhouding verharding : groen is. Deze is ongeveer 50:50. Bestaande bomen worden gehandhaafd.
UrbiTom
49
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
De woonpercelen en het haaksparkeren worden omrand door inheemse hagen. Op een centraal gelegen veldje wordt een jeu-de-boulesbaan aangelegd. Zuidelijk op het perceel wordt voorzien in een wadi voor waterberging.
Sfiípnbepelannng Vaste planten mix
Bodembedekker V'nea Minor
Bloemödkkeo Rhodoüendrons Mee'slarrmig
Siergaľcn
Bloemenweide Gras ardfìcra GD-G2
Wadi Biocme* mengsel Oeverfiora OE-27
Tout HOcmnoof
Groene beuk 80cm hoog
Kíimoo LSOcm hoog
UrbiTom
50
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
4.7
Verkeer
4.7.1
Toetsingskader
Gemeente Eersel
De wijziging van functie heeft effect op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect hiervan is. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikke lingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid te worden ge toetst.
4.7.2
Toetsing Parkeren De gemeente Eersel heeft op 23 januari 2014 het Parkeerbeleidsplan Eersel vastgesteld. Daarin zijn parkeernormen opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen, met ruimte voor de nodige flexibiliteit en maatwerk. Met dit parkeerbeleid is zo veel mogelijk vastgehouden aan de landelijke richtlijnen vanuit het CROW (Kenniscentrum voor verkeer, vervoer en in frastructuur). Met behulp van parkeernormen wordt de parkeereis bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen. Parkeernormen worden niet gebruikt om bestaande parkeerdruk in beeld te brengen of te corrigeren. De parkeereis is het totaal aan parkeerplaatsen waar een ont wikkeling in moet voorzien. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de parkeernormen, zoals op genomen in het Parkeerbeleidsplan Eersel. Uitgangspunt is hierbij geweest dat Eersel wordt aangemerkt als weinig stedelijk gebied (verstedelijkingscategorie 4 volgens het CBS) en dat het initiatief is gelegen in een zone die wordt aangemerkt als 'Rest bebouwde kom' (zie kaartje). Voor de seniorenzorgwoningen is een parkeernorm van 0.7 parkeerplaats/woning van toe passing. Voor de 2 grote appartementen geldt een parkeernorm van 1.9, voor de studio's een parkeernorm van 1.6 Totaal aantal benodigde parkeerplaatsen bedraagt dan (9 x 0.7 + 2 x 1.9 + 3 x 1.6 ^ 14,9, afgerond 15 parkeerplaatsen.
In de anterieure overeenkomst is bepaald dat hiervan 14 par keerplaatsen op eigen terrein zullen worden gerealiseerd. De resterende parkeerplaats kan gevonden worden tegenover de voormalige pastorie. Hier zijn 20 parkeerplaatsen aanwezig voor de St. Willibrorduskerk, die meestal nagenoeg onbenut zijn en zelden volledig bezet. Alleen bij kerkbezoek vanwege belangrijke christelijke feestdagen en huwelijken en uitvaar ten bestaat er de kans op volledige bezetting. De 14, bij overeenkomst vereiste, parkeerplaatsen zijn opgenomen op de situatietekening bij het ontwerp dat ten grondslag ligt aan dit bestemmingsplan (11 haakse parkeerplaatsen aan De Nie, 2 parkeerplaatsen op de oprit naast de voormalige pastorie, 1 parkeerplaats op de oprit van het koetshuis aan De Nie).
UrbiTom
51
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Er wordt derhalve voldaan aan de parkeerrichtlijnen, zoals opgenomen in het Parkeerbeleidsplan Eersel.
Verkeersgeneratie Bestaande situatie In de bestaande situatie is er sprake van een grote vrijstaande woning. Uitgaande van een gebied met de kenmerken 'weinig stedelijk' en 'rest van de bebouwde kom' wordt hiervoor in de CROW brochure 381 - 'parkeren en verkeersgeneratie' een ver keersgeneratie aangegeven van gemiddeld 8,2 motorvoertuigen/etmaal. Nieuwe situatie In de nieuwe situatie is er sprake van 9 zorgwoningen, 2 grote appartementen en 3 studio's. De verkeersgeneratie (op basis van dezelfde kenmerken als benoemd bij de bestaande si tuatie) voor deze woningtypen is als volgt: -
Seniorenzorgwoningen gemiddeld 2,1 mvt/etmaal/woning
-
Voor de studio's (goedkope koop) gemiddeld 5.6 mvt/etmaal/woning
-
Voor de appartementen (middeldure koop) gemiddeld 6 mvt/etmaal/woning
Totale verkeersgeneratie wordt dan (9 x 2,1 + 3 x 5,6 + 2 x 6 = ) gemiddeld 47,7 motorvoer tuigen/etmaal, De verkeerstoename vanwege de ontwikkeling is daarmee 39 a 40 motorvoertuigen/et maal. Dit is een geringe toename, die gemakkelijk kan worden opgevangen binnen de be staande capaciteit van de Willibrordusstraat.
Openbaar vervoer Wintelre is met het openbaar vervoer alleen per bus bereikbaar. De dichtst bij het projectgebied gelegen bushalte bevindt zich op de kruising Willibrordusstraat - Kerkstraat. De loopafstand bedraagt ca. 50 m. Het projectgebied is dus, qua loopafstand tot halteplaatsen, goed bereikbaar met het openbaar vervoer.
4.7.3
Conclusie Het initiatief voldoet aan de parkeernormen. Ontwikkeling ervan heeft geen significante invloed op het aantal verkeersbewegingen. Het projectgebied ligt op zeer korte afstand van bushaltes. De bus is de enige vorm van openbaar vervoer in Wintelre. Dat laatste is inherent aan het wonen in een kleine kern. Het initiatief heeft hier geen invloed op.
4.8
Ecologie
4.8.1
Algemeen/wettelijk kader In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehou den met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescher ming.
UrbiTom
52
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, af zonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante ef fecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te wor den gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is ver kregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voor waarden: 4. 5.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
6.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatricht lijn vallen, alsook om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescher ming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Ech ter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: -
er soorten aanwezig zijn; en
-
welke soorten dat zijn.
UrbiTom
53
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een ver gunning nodig is.
4.8.2
Toetsing 4.8.2.1 gebiedsbescherming Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De pro vincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een ruim telijk plan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het projectgebied op een dergelijke afstand gelegen dat er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied geen sprake is. Tevens betreft het een beperkte ingreep (nieuwbouw binnen bebouwde kom). De afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is dermate groot dat er geen direct negatief effect te verwachten is. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft "Kempenland West" (gebiedsnummer 135). Het Grootmeer, dat onderdeel uitmaakt van dit Natura 2000 gebied, is op ca. 2 kilometer van het projectgebied gelegen. Om zekerheid te verkrijgen over eventuele stikstofdepositie, is door Van Empel Milieuadvies uit Bergeijk in december 2024 een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. De resulta ten hiervan zijn opgenomen in een rapport dat als bijlage bij deze onderbouwing BOPA is gevoegd.
Uit de berekeningen met behulp van AERIUS versie 2024.0.1_20241009_75e59949f9 blijkt dat de stikstofdepositie zowel in de aanleg- als de gebruiksfase minder bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Het is essentieel dat de aannemer ten tijde van de bouwwerkzaamheden bij de op diesel aangedreven machines en werktuigen gebruik maakt van minimaal stageklasse V materiaal (werktuigen vanaf bouwjaar 2019 met AdBlue-systeem). 4.8.2.2 Soortenbescherming Door Exlan is in maart 2023 een quickscan soortenbescherming verricht. De rapportage hiervan is opgenomen als bijlage bij deze plantoelichting. Veldbezoek Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. Op het perceel zijn enkele fruitbomen en een fijnspar met hulst aanwezig. Er staat ook een oude zomereik en aan de voorzijde nabij de weg een oude beuk. Grondgebonden zoogdieren Specifiek is bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen.
UrbiTom
54
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Er zijn enkele sporen van muizen naast de woning aangetroffen. Onder de fijnspar bevinden zich verschillende holen en graafsporen van konijnen. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geen geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bun zing. De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten heb ben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit be tekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bun zing als migratieroute.
Omdat de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van ge noemde soorten. Indien bij sloop/herinrichting van het gebied groenstructuren rond het perceel behouden blijven, is er geen sprake van een negatief effect op genoemde soorten. Eekhoorn De onderzoekslocatie is vanwege de afwezigheid van voldoende bomen niet geschikt als habitat voor de eekhoorn. Er staan te weinig bomen rondom de projectlocatie. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten. Das Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het ge bruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de (aansluitende) weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Vleermuizen Het projectgebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor de vleer muissoorten die hun verblijfplaats hebben in een gebouw zoals bijvoorbeeld de dwergvleermuis, laatvlieger en grootoorvleermuis.
Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Verblijfsruimten voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele tem peratuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden vier verblijfplaatsen onderscheiden:
UrbiTom
55
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
winterverblijven, zomerverblijven, kraamverblijven en paarverblijven. Aan de winterverblij ven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de kraamverblijven, dan de zomerverblijven en tenslotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. Het dak van het gebouw is voorzien van leisteen met enkel planken eronder. De muren zijn gaaf of gestuct. Alle randen zijn dichtgesmeerd met specie. Het gebouw is ongeïsoleerd. De kelder en zolder zijn ook bezocht. Er zijn in en om het gebouw geen sporen (vetstrepen, uitwerpselen, prooiresten) aangetroffen. Daarnaast staat het pand al jaren leeg waardoor er geen warmte lekt naar de spouwmuur. Veel gebouwminnende vleermuizen hebben sterk de voorkeur voor gebouwen waarbij ze kunnen profiteren van de restwarmte. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het gebied kunnen dit zijn: gierzwaluw, buizerd, havik, wespendief, sperwer, huismus, steenuil en de kerkuil. Gierzwaluw In vooral stedelijke omgeving kan men gierzwaluwen aantreffen. Er zijn in dit gebouw geen goede openingen in het dak waargenomen. Daarnaast hebben gierzwaluwen een sterke voorkeur voor hoge gebouwen. De kerk aan de overzijde betreft het hoogste gebouw in de omgeving. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Eveneens worden er met de beoogde werkzaamheden geen bomen gekapt, zodat het wegnemen van een jaarrond be schermd nest kan worden uitgesloten.
UrbiTom
56
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naald bomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie en de afwe zigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te ver wachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Broedgevallen van zowel de wespendief als de sperwer zijn tijdens het veldbezoek uitgesloten. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei land schapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en ge bruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. Het gebouw is in zijn geheel gecon troleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkui len waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving.
Huismus Ook voor de huismus, die vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond be schermd. Er zijn geen nesten van huismussen gevonden. Er zijn ook geen huismussen gezien of gehoord. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn geen nesten van overige broedvogels aan getroffen. Er zijn tijdens het veldbezoek vogels gezien en gehoord, namelijk Koolmees, Tjiftjaf, Witte kwikstaart, Heggemus, Kauwen, Houtduiven (broeden in de fijnspar) en Groenling. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten wor den vrijwel alleen aangetroffen in specifieke natuurgebieden. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieënsoorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater.
De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschut ting vinden tussen de begroeiing en onder de takken- of stenenhopen. Voor algemene am fibieënsoorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een vrijstelling, zodat een
UrbiTom
57
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schen ken aan de zorgplicht. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Overige soorten Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangeno men dat deze soorten gedurende het jaar in het projectgebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het projectgebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig.
Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het projectgebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het projectgebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt ge schikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om al gemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat het gebouw als verblijf plaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aange tast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. De instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.
UrbiTom
58
Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan 'Willibrordusstraat 38, Wintelre'
Gemeente Eersel
Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.8.3
Conclusie Conclusie gebiedsbescherming Er kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Conform de "Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ 12 is geen passende beoordeling noodzakelijk. Conclusie soortenbescherming Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door, waar mogelijk, antwoord te geven op de volgende vragen: 1.
Welke wettelijk beschermde soorten komen in het projectgebied voor? Welke status hebben deze soorten?
2.
Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding?
3.
Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?
Het voornemen voor de bouw van 14 woningen en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van be schermde soorten. Binnen het projectgebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt be schermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het projectgebied trek ken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke ver blijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrij stelling is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepas sing.