Bijlagen 1.1 tm 1.8 bij zienswijze 2
Tekst van het document
wordt gebruik gemaakt van ondergrondse elementen in de hoedanigheid van infiltratiekratten onder de beoogde (openbare) parkeervoorzieningen, zie onderstaande afbeeldingen. De kratten hebben een hoogte van 40 cm met 80 cm gronddekking. De infiltratiekratten hebben een totale oppervlakte van (1 x 56m² + 5 x 25m² =) 181 m ². De inhoud van de infiltratiekratten bedraagt hierdoor 181 x 0,4 = 72,4 m³. De minimale vereiste is 67 m³. Hierdoor is aangetoond dat er voldoende capaciteit is om het hemelwater gedurende piekbuien op te kunnen vangen.
Figuur 17 Wijze van hemelwaterberging binnen planlocatie
35/70
Figuur 18 Wijze van hemelwaterberging planlocatie ingezoomd
36/70
Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Met het beoogde bouwplan wordt rekening gehouden met het vorenstaande. Het vanuit het plangebied afkomstige vuilwater zal worden aangesloten op het reeds bestaande, gescheiden stelsel. Het van het verhard oppervlak afstromende hemelwater wordt zoals hiervoor omschreven ter plaatse geïnfiltreerd. Conclusie Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beleid gemeente Eersel In de gemeente Eersel dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, omgevingsplannen te worden getoetst aan de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart welke als laatste is geüpdatet in oktober 2024 (zie figuur in deze paragraaf). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
Beoordeling Met het plan wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt, waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren gaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie alsmede die van de gemeente volgt dat de locatie zich binnen een regio bevindt die is aangemerkt als zijnde een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang, te weten de regio de Kempen. Het cultuurhistorische belang van de Kempen wordt als volgt omschreven (in cursief): ‘De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige klein-schaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland’.
37/70
Ten aanzien van deze regio van cultuurhistorisch belang is de navolgende ontwikkelstrategie opgenomen (in cursief): 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristischrecreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen:; “Het Groene Woud” (grotendeels in gebiedspaspoort Meierij);“Dommeldal”;“Oud zandlandschap bij Oerle-Knegsel”;“Oud zandlandschap Cartierheide” (met omliggende akkercomplexen);“Oud zandlandschap bij Stiphout” (ook deels in gebiedspaspoort Peelrand);“Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg” (Gorp en Rovert, De Utrecht, De Hoevens, Het Ooijvaarsnest, Wellenseind; ook deels in gebiedspaspoort Baronie); 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek”, “Kempenland”, “Keersop-Dommel”, “Dekzandeiland Tongelreep-Groote Aa” en “Helmondse Akkers”. Het toevoegen van wooneenheden op een bestaand woonperceel binnen het stedelijk gebied doet, gelet op diens aard en omvang, geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de Kempen als regio van provinciaal cultuurhistorisch belang.
Door rekening te houden met de redelijke eisen van welstand worden passende woningen georiënteerd aan de Bisschop Rythoviusweg gerealiseerd. Conclusie Het plan doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden in de omgeving.
Figuur 19 Uitsnede CHW-herziening 2024 kaart Noord-Brabant (planlocatie indicatief aangeduid met een rode cirkel)
38/70
Figuur 20 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart 18 oktober 2024 Eersel (planlocatie indicatief aangeduid met een rode cirkel)
4.5
Archeologie
Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.5.1 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven dat het bestemmingsplan (nu Omgevingsplan) het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. In het onderstaande is een uitsnede opgenomen van de archeologische beleidskaart. Beoordeling Op de archeologische beleidskaart, die deel uitmaakt van de erfgoedverordening, zijn de archeologische (verwachtings)waarden voor het hele gemeentelijk grondgebied in beeld gebracht. Op basis van een analyse van landschappelijke, bodemkundige en archeologische informatie is een vlakdekkende kaart opgesteld. Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in 7 categorieën: I. categorie 1: archeologisch monument; II.
categorie 2: gebied van archeologische waarde; III. categorie 3: gebied met hoge verwachting (historische kernen en linten); IV. categorie 4: gebied met hoge verwachting;
39/70
V. VI. VII.
categorie 5: gebied met middelhoge verwachting; categorie 6: gebied met lage verwachting; categorie 7: gebied zonder archeologische verwachting.
In het onderstaande is aanvankelijk een uitsnede van de Interactieve erfgoedkaart: Archeologische verwachtingen- en waardenkaart opgenomen.
Figuur 21 Uitsnede archeologische verwachtingen- en waardenkaart 2021 (planlocatie is indicatief voorzien van een witte omlijning)
Bovenstaande uitsnede laat zien dat de planlocatie is gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Tevens is de planlocatie gelegen op een waardevol esdek/plaggendek. Bovenstaande archeologische verwachtingenen waardenkaart is vervolgens vertaald in een archeologische beleidskaart. In het onderstaande is een uitsnede van de archeologische beleidskaart opgenomen. Een en ander laat zien dat de planlocatie deels is gelegen binnen categorie 5: Gebied met middelhoge verwachting.
40/70
Figuur 22 Uitsnede Archeologische beleidskaart 2021 (planlocatie is indicatief voorzien van een witte omlijning)
Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit kan in de vorm van het treffen van technische maatregelen, het doen van een opgraving of archeologische begeleiding van werkzaamheden. Daarnaast is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Per categorie gelden ondergrenzen voor wat betreft de oppervlakte en diepte van de verstoring. Voor verstoringen met een beperkt oppervlak of een beperkte verstoringsdiepte is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De ondergrenzen variëren, overeenkomstig het erfgoedplan, per dubbelbestemming of categorie. Op basis van het huidige Omgevingsplan is voor de planlocatie de archeologische bestemming ‘Waarde – Archeologie 4.2’ toegekend. Hierbij is bepaald dat er bij bodemingrepen, niet dieper dan 50 cm onder maaiveld én met een omvang van minder dan 500 m² in gebieden met een hoge archeologische verwachting, geen verplichting tot archeologisch onderzoek geldt. Het plan voorziet in het toevoegen van vijf wooneenheden waarbij bodemingrepen en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden welke de ondergrens van 500 m² overschrijdt. Dit maakt dat archeologisch onderzoek verplicht is.
Hiertoe heeft initiatiefnemer een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgezet. Een rapportage hiervan is opgenomen als separate bijlage bij deze onderbouwing. Het advies dat hier uit voort komt is als volgt: ‘’Het plan omvat de bouw van vijf nieuwe woningen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 630 m². Uit het veldonderzoek blijkt dat er een grote kans is op het aantreffen van archeologische vindplaatsen uit de periode Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen. De archeologisch relevante laag, namelijk de top van het dekzand, is aangetroffen op een diepte van 80 tot 110 cm
41/70
onder het maaiveld (30,6–30,0 m +NAP). Wanneer rekening wordt gehouden met een buffer van 30 cm, vormen grondwerkzaamheden die dieper gaan dan 50 cm onder het maaiveld een potentieel risico voor aanwezige archeologische resten. Om deze reden wordt geadviseerd om, zodra bodemverstoringen dieper dan 50 cm gepland zijn, een aanvullend inventariserend veldonderzoek (IVO-P) uit te voeren volgens protocol 4003. Dit onderzoek bestaat uit een karterende en een waarderende fase, en kan na de bovengrondse sloop van de schuur plaats te vinden door middel van proefsleuven. Voor het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PVE) nodig, dat op voorhand door de bevoegde overheid moet worden beoordeeld en goedgekeurd.’’ Namens initiatiefnemer is het conceptrapport beoordeeld door archeologisch adviseur dr. R. Isarin. Daarbij is opgemerkt dat, behoudens boring 3, geen duidelijk ontwikkeld podzolprofiel is aangetroffen, terwijl op een dekzandrug doorgaans een goed ontwikkeld podzol mag worden verwacht. Volgens deze beoordeling wijst het grotendeels ontbreken van een podzolprofiel erop dat de kans op een behoudenswaardige vindplaats binnen het plangebied beperkt is.Het rapport van Transect bevat een onderbouwd advies conform de geldende KNA-protocollen en is richtinggevend voor de verdere besluitvorming.
Het is aan het bevoegd gezag om, mede op basis van het rapport en de ontvangen reactie, een afgewogen besluit te nemen over de noodzaak van eventueel vervolgonderzoek in het kader van de vergunningverlening. Conform de Erfgoedwet geldt te allen tijde een meldingsplicht indien tijdens de werkzaamheden onverwacht archeologische vondsten worden gedaan. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ staat vooralsnog niet in de weg aan de beoogde ontwikkeling waarbij de gemeente Eersel eventuele voorwaardelijke verplichting in de omgevingsvergunning kan opnemen.
4.6
Bedrijven- en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. 4.6.1 Beoordeling omgevingstype Rondom de planlocatie is sprake van een mengeling van functies. Op korte afstand is een bedrijventerrein en middelbare school aanwezig. Verder is er sprake van bedrijvigheid aan huis bij woningen in de directe omgeving.
Vanwege diverse uiteenlopende functies in de omgeving van de planlocatie en de ligging nabij drukke wegenstructuren, laat de ligging van de planlocatie zich conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering typeren als gemengd buitengebied.
42/70
4.6.2 Gevoelig object Het plan betreft het toevoegen van vijf wooneenheden. Gelet hierop is er sprake van in totaal vijf gevoelige functies én geen milieubelastende functie. Hierdoor dient inzichtelijk gemaakt te worden of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of het plan een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. 4.6.3 Omliggende bedrijvigheid Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: Adres
Type bedrijvigheid
Feitelijke afstand
Bedrijvigheid aan huis
Milieucategorie Grootste richtafstand (mét verlaging één afstandsstap) 1 0 meter
Nieuwstraat Koperslager
Bedrijventerrein
3.2
50 meter
52 meter
Bospoort Eersel
1 Middelbare school
2
10 meter
60 meter
43/70
34 meter
Bedrijventerrein Ten hoogste milieucategorie 3.2
52 m
Functiemenging A 60 m
(bedrijvigheid aan huis) 34 m
Rythovius college (Bospoort 1 Eersel)
Figuur 23 Ligging planlocatie ten opzicht van bedrijvigheid in de directe omgeving (beoogd woonvlak is indicatief voorzien van een blauwe omlijning)
4.6.4 Woon- en leefklimaat Op basis van voorgaande paragraaf kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de richtafstanden. Gezien het bovenstaande mag worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.6.5 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Gezien het bovenstaande mag worden aangenomen dat omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. 4.6.6 Milieubelastende activiteiten Binnen het plangebied vinden in de beoogde situatie geen milieubelastende activiteiten plaats.
44/70
4.7
Geur (door veehouderijen)
Toetsingskader In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandeisen; Randvoorwaarden. Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Er moet worden aangetoond dat het initiatief geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de gezondheid doet zich met name voor bij de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het initiatief aan deze aspecten getoetst. Bij dit initiatief is geen sprake van een ontwikkeling in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. De dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf met een geur/fijnstof emissiefactor is op een ruime afstand van circa 1,5 kilmeter gelegen, dit betreft de varkenshouderij aan Grote Aardweg 9 te Eersel. De dichtstbijzijnde boomen fruitteeltbedrijf is gelegen op meer dan 50 meter afstand. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijnen zijn gelegen op ruim 1,2 kilometer afstand.
Vanwege de dichterbij gelegen woningen tussen de veehouderijbedrijven en onderhavige planlocatie, zullen de nieuwe toe te voegen wooneenheden geen extra beperking vormen voor de bestaande veehouderijbedrijven. Daarnaast zijn binnen een afstand van 100 meter (richtafstand bebouwde kom) van de planlocatie geen bedrijven gelegen met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, hierdoor kan met zekerheid gesteld worden dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Volledigheidshalve kan op basis van de geurkaart met de achtergrondbelasting opgesteld door de ODZOB (peildatum juni 2023) afgeleid worden dat op de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting minder dan 3 ouE/m³, zijnde ‘zeer goed’ en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zie onderstaande afbeelding.
45/70
Figuur 24 Kaart achtergrondbelasting planlocatie (bron: ODZOB, peildatum juni 2023) (planlocatie is indicatief voorzien van rode omlijning)
Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen voor veehouderijen in de omgeving van het plangebied. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’. Wat betreft het omgevingsaspect ‘gezondheid’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.8
Beschermen van de gezondheid en van het milieu
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4 instructieregels voor het beschermen van de gezondheid en van het milieu. Een omgevingsvergunning voor een bopa kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet de kwaliteit van de fysieke leefomgeving worden gewaarborgd. Dit vereist een brede belangenafweging waarbij ook het belang van de gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering wordt afgewogen. Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema’s samenkomen. Het gaat hierbij om thema’s die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals geluid, geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. 4.8.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond.
Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. 46/70
Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand, afhankelijk van de bedrijfsomvang, het type pluimvee en de uitstoot, circa 300 – 650 meter. Beoordeling Binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie bevindt zich geen pluimveehouderij. Binnen een afstand van 200 meter van het plangebied is ook geen varkenshouderij gelegen. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gelet op endotoxine. 4.8.2 Geitenhouderijen Het VGO-III onderzoek heeft geen direct causaal verband aangetoond tussen de afstand tot geitenhouderijen en gezondheidsklachten zoals longontsteking.
Hoewel er statistisch een verhoogd risico op longontsteking is vastgesteld bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij, is de exacte oorzaak hiervan nog niet volledig verklaard. Er zijn verschillende mogelijke verklaringen voor deze bevinding, waaronder blootstelling aan micro-organismen in de stallucht of indirecte factoren zoals het woongedrag en de algemene gezondheidstoestand van bewoners in agrarische gebieden. Het onderzoek toont dus wel een verband (correlatie), maar kan niet met zekerheid stellen dat de nabijheid van een geitenhouderij de directe oorzaak is van de verhoogde kans op longontsteking. Voor een kleiner zorginitiatief betekent dit dat er een verhoogde waakzaamheid nodig is bij de locatiekeuze, maar dat er geen absoluut verbod geldt op vestiging binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Wel wordt aangeraden om eventuele toekomstige onderzoeksresultaten mee te nemen in het beleid en preventieve maatregelen te overwegen om de gezondheid van bewoners te beschermen. Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij.
Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Beoordeling De dichtstbijzijnde geitenhouderij is gelegen op een afstand van ruim 2 kilometer. Hierdoor wordt er voldaan aan de richtlijnafstand van 2 kilometer en zijn er geen extra gezondheidsrisico’s ter plaatse van de beoogde woningen. Verder dient opgemerkt te worden dat tussen de planlocatie en de nabijgelegen geitenhouderijen reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderijen eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd.
47/70
Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.8.3 Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Derhalve dient getoetst te worden of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht.
In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Verder is de afdeling in een uitspraak van 22 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4331) tevens tot de conclusie gekomen dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: - De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: - Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. - Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. - De wijze van teelt: - Teelt in de open lucht of containerteelt. - Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. - Feitelijke omstandigheden: - Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.). Wanneer de situatie nabij de planlocatie locatie-specifiek in ogenschouw wordt genomen, wordt tot de conclusie gekomen dat het plangebied niet is gelegen binnen een afstand van 50 meter met agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen bedrijfsmatig kunnen worden gebruikt. Gezien deze omstandigheden kan geconcludeerd worden dat er, voor wat betreft de spuitzone, een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden binnen het plangebied.
Conclusie Het aspect gezondheid staat niet in de weg aan het plan.
4.9
Kwaliteit van de buitenlucht
Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
48/70
•
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. 4.9.1 Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5.54 Bkl) De beoogde situatie is objectief te kwantificeren als een van de ‘standaardgevallen NIBM’. Op basis van de meest actuele kaarten van NO2, PM10 en PM2,5 is er geen sprake van een overschrijding van de waarden die aanvaardbaar worden geacht. De gemeente Eersel is dan ook niet aangewezen als een “aandachtsgebied” voor NO2 en/of PM10. In artikel 5.54 van het Bkl is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling Als het plan wordt afgezet tegen de komst van 1.500 woningen met één ontsluitingsweg kan worden aangenomen dat een en ander niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. 4.9.2 Blootstelling aan verontreiniging In paragraaf 2.2.1.1 zijn in het Bkl omgevingswaarden opgenomen die als richtlijn gelden voor de luchtkwaliteit. Voor onderhavig plan wordt getoetst aan de concentraties van NO2, PM10 en PM2,5. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van NO2, PM10 en PM2,5 en ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2023).
Figuur 25 Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (NO2-2023) (voorgestelde woningen zijn indicatief voorzien van een blauwe marker)
49/70
Figuur 26 Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM10-2023) (voorgestelde woningen zijn indicatief voorzien van een blauwe marker)
Figuur 27 Uitsnede https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten (PM2,5-2023) (voorgestelde woningen zijn indicatief voorzien van een blauwe marker)
Gelet op bovenstaande uitsneden is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 en die ver onder de grenswaarden blijven. Immers, de jaargemiddelde concentratie van N02 binnen de planlocatie bedraagt circa 10,45 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m 3 als kalenderjaargemiddelde geldt. Verder bedraagt de jaargemiddelde concentratie PM 10 circa 15,0 μg/m³ en PM 2,5 circa 8,52 μg/m³, waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van PM 10 en PM 2,5 40 μg/m³, respectievelijk 25 μg/m³, bedraagt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het plan in het kader van luchtkwaliteit geen bezwaar is.
4.10 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Toetsingskader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullings-
50/70
besluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Beoordeling In paragraaf 4.6 vindt een nadere toetsing plaats aan geluid afkomstig vanuit industrieterreinen en andere bedrijvigheid. Verder bevindt het plangebied zich op dermate ruime afstand van een spoorweg dat van enige geluidhinder afkomstig vanuit spoorwegen geen sprake is. Dit maakt dat in deze paragraaf enkel inzicht wordt gegeven in het aspect wegverkeerslawaai. Het plan gaat gepaard met het toevoegen van geluidsgevoelig gebouwen op grond van het Bkl voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
Ten aanzien van de geluidsbelasting afkomstig van de Molenweg alsmede de Bisschop Rythoviusweg heeft initiatiefnemer een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai laten uitvoeren. Een rapportage hiervan is als separate bijlage bij deze onderbouwing opgenomen. Hierbij is de conclusie als volgt: Er wordt voldaan aan de grenswaarde voor zowel gemeentewegen als rijkswegen maar niet aan de standaardwaarde. Het gezamenlijk geluid is maximaal 66 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB. Bij het overschrijden van de standaardwaarde dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. Deze zijn aanwezig bij alle woningen. Grenzend aan deze geluidluwe gevels bevinden zich de geluidluwe buitenruimten. In onderhavige situatie wordt een minimale gevelgeluidwering van 33 dB vereist.
Uitgaande van standaard spouwmuur of steens binnenblad met een HSB buitenblad, HR++ beglazing dan wel of niet gecombineerd met een gebalanceerd ventilatiesysteem wordt een geluidwering van minimaal 33 dB behaald. Ondanks dat de grenswaarde nergens wordt overschreden, laat het akoestisch onderzoek ook zien dat ter plaatse van enkele gevels nabij de Molenweg de standaardwaarde voor wegverkeerslawaai wel wordt overschreden. In overleg met de gemeente Eersel is daarom een aantal varianten met een akoestisch scherm onderzocht. Een rapportage van deze variantenstudie is als bijlage bij deze onderbouwing opgenomen. Uit deze studie blijkt dat ook met inzet van de onderzochte schermvarianten de standaardwaarde formeel niet volledig kan worden bereikt. 51/70
Echter uit de berekeningen blijkt dat met name variant 3 (scherm parallel aan de Molenweg en deels de hoeken om) leidt tot een aantoonbare afname van de geluidsbelasting ter plaatse van de gevels en in de buitenruimte, zie onderstaande afbeelding. Door plaatsing van een geluidsscherm wordt de geluidsbelasting als veel beter aanvaardbaar aangemerkt. Een zo optimaal mogelijk woongenot draagt bij aan een zorgvuldige en kwalitatieve ruimtelijke inpassing van het initiatief. Hoewel de reductie in absolute zin beperkt is uitgedrukt in decibellen, dient te worden benadrukt dat geluid een logaritmische grootheid betreft. Een ogenschijnlijk beperkte reductie kan in de praktijk wel degelijk bijdragen aan een merkbare verbetering van het akoestisch woonklimaat, met name in de beleving van de buitenruimte.
Figuur 28 Resultaten geluidsbelasting akoestisch scherm - scenario 3
Conclusie Het aspect geluid met betrekking tot wegverkeerslawaai staat, mede met de realisatie van een geluidsscherm, het plan niet in de weg. 52/70
4.11 Trillingen Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Beoordeling De planlocatie bevindt zich op aanmerkelijk ruime afstand van een spoorweg. Derhalve kan een nadere toetsing aan het aspect trillingen achterwege blijven in de onderhavige onderbouwing en kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect trillingen. Conclusie Onderhavig plan heeft met zekerheid geen mogelijk negatief effect tot gevolg.
4.12 Ladder voor duurzame verstedelijking Hoofstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5.4 de ladder voor duurzame verstedelijking. Het oogmerk van dit thema is het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g van het Bkl is het enige artikel in deze paragraaf en heeft de titel ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’. Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Dit motiveringsvereiste is gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en houdt in dat in de toelichting bij een ruimtelijk besluit dat ‘een nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het ruimtelijk besluit de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling wordt daarbij gedefinieerd als ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Onder andere stedelijke voorzieningen wordt het volgende verstaan: onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Beoordeling Sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling Met de onderhavige ontwikkeling worden vijf woningen toegevoegd. Met betrekking tot de beoogde komst van vijf woningen dient opgemerkt te worden dat uit de jurisprudentie die is verschenen sinds de inwerkingtreding van de ladder blijkt dat de Afdeling een zekere ondergrens stelt aan ontwikkelingen wanneer het gaat om de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zo heeft de Afdeling ten aanzien van woningbouwplannen geoordeeld dat de realisatie van 1 woning (AbRvS 14 januari 2014, nr 201308263/2/R4), 4 woningen (AbRvS 27 augustus 2014, nr. 201311233/1/R4) of 6 woningen, waarvan 3 rechtstreeks bestemd en 3 eerst na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid (Vz AbRvS 4 juni 2014, nr. 201401129/1/R4), niet zijn aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Verder laat relevante jurisprudentie van de Afdeling zien dat de ondergrens om iets aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in beginsel bij 12 woningen ligt (AbRvS, 16 september 2015, 201501297/1/R4). Nu het plan ‘slechts’ gepaard gaat met de toevoeging van vijf burgerwoningen is een en ander, gelet op bovenstaande uiteenzetting van relevante jurisprudentie, niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling.
53/70
Conclusie Geconcludeerd wordt dan ook dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en daardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op deze ontwikkeling.
4.13 Mobiliteit en parkeren 4.13.1 Mobiliteit Ten behoeve van de realisatie van vijf kleinschalige patiowoningen aan de Bisschop Rythoviusweg te Eersel is het noodzakelijk om de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en leefkwaliteit in beeld te brengen. Conform artikel 4.19 Omgevingswet vormt het toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) een cruciaal onderdeel van de ruimtelijke motivering. Hierbij worden onder andere de aspecten verkeersgeneratie, verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid en het woongenot van omwonenden beoordeeld. Het betreft een herinrichting binnen de bestaande bebouwde kom, waarbij de nieuwe woonfunctie aansluit op het bestaande woonmilieu en geen nieuwe gebiedsontsluitende functie introduceert. De verkeerskundige effecten blijven daardoor beperkt. In deze motivering wordt dit nader onderbouwd. Voor een vrijstaande woning gelegen binnen ‘weinig stedelijk’ gebied en ‘rest bebouwde kom’ geldt conform de geldende kerncijfers een verkeersgeneratie van gemiddeld 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betekent een totaal aan verkeersbewegingen van maximaal (5 x 8,2 =) 41 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betreft zowel inkomende als uitgaande ritten. De verkeersgeneratie is voor een ontwikkeling van deze schaal zeer gering en leidt niet tot significante belasting van de omliggende infrastructuur.
Ook zijn er geen functies voorzien die extra verkeer aantrekken (zoals zorgfuncties, commerciële voorzieningen of intensieve logiesfuncties). Uit de provinciale kaart ‘Staat van de Mobiliteit Brabant’ blijkt dat de verkeersintensiteiten op de relevante doorgaande weg, Nieuwstraat / Willibrorduslaan, circa 3.740 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedragen. Deze weg vormt de primaire verkeersroute waarop de nieuwe woningen, via de Bisschop Rythoviusweg, zullen afwikkelen. De bijdrage van 41 mvt/etmaal aan een weg met 3.740 mvt/etmaal komt neer op een relatieve toename van slechts circa 1,1%. Dit ligt ruim onder de grens waarbij verkeerseffecten visueel of akoestisch merkbaar worden in de omgeving. In verkeerskundige zin geldt een toename van minder dan 5% doorgaans als praktisch verwaarloosbaar, omdat deze binnen natuurlijke dagelijkse fluctuaties van verkeersvolumes valt. De Bisschop Rythoviusweg is een 30-km-erftoegangsweg met een verblijfsfunctie. Dergelijke wegen kennen geen harde capaciteitsgrenzen zoals gebiedsontsluitingswegen. Uit verkeersrichtlijnen blijkt dat dergelijke wegen zonder problemen meer dan 2.000 mvt/etmaal kunnen verwerken zonder dat het functionele karakter verandert. De huidige verkeersdruk ligt ruim onder deze waarde. De toevoeging van 41 verkeersbewegingen per etmaal vormt daarom geen knelpunt voor de afwikkeling of doorstroming.
Verkeer van woningen kent een natuurlijke spreiding over de dag. Het merendeel van de ritten vindt plaats buiten de spitsperioden. Hierdoor ontstaat geen verkeersconcentratie of piekbelasting bij aansluitingen op de Nieuwstraat/Willibrorduslaan. De omliggende straten beschikken over voldoende breedte en overzicht. De aansluitende kruispunten hebben geen capaciteitsproblemen en de geringe toename aan verkeer veroorzaakt geen merkbare extra wachttijden. De verkeersafwikkeling blijft daarmee soepel en veilig. Het gebied kent een 30-km-inrichting, waarbij voetgangers en fietsers prioriteit hebben. De beperkte verkeersgroei leidt niet tot verandering in rijsnelheden, weginrichting of het verkeersbeeld. De overzichtelijkheid en het veilige karakter van het woongebied blijven volledig behouden. Er worden geen nieuwe kruispunten of uitritten geïntroduceerd
54/70
die de verkeerssituatie complexer maken. Ook worden er geen functies toegevoegd die piekverkeer of afwijkende voertuigbewegingen genereren (zoals bestelverkeer of zwaar verkeer). De ontwikkeling blijft daardoor volledig passend binnen het bestaande verkeersveiligheidsniveau. De zeer beperkte verkeerstoename (41 mvt/etmaal) leidt niet tot een waarneembare verandering in achtergrondgeluid. De toename valt binnen de dagelijkse fluctuatieruimte van verkeersintensiteiten. Geluidsbelasting en trillingsniveaus blijven daardoor ongewijzigd voor omwonenden. De ontwikkeling is kleinschalig en sluit aan bij het bestaande woongebied. De nieuwe woningen passen qua omvang, typologie en uitstraling in het gebied en leiden niet tot aantasting van privacy, uitzicht of daglichttoetreding. Het karakter van de wijk blijft intact. Het woongebied blijft een rustig woonmilieu. Er worden geen functies toegevoegd die hinder kunnen veroorzaken in de vorm van geluid, verkeersdrukte of bezoekersstromen. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling. 4.13.2 Parkeren Parkeren maakt onderdeel uit van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente Eersel beschikt over een gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan (vastgelegd in het Parapluplan parkeren van 25 september 2018) voor de kernen.
De planlocatie is gelegen in ‘rest bebouwde kom’, zie onderstaand figuur. In dit beleid wordt aangesloten bij de landelijke richtlijnen van de recentste CROW-publicatie. Deze cijfers worden landelijk gezien als betrouwbare kencijfers en vormen ook het referentiekader bij juridische vraagstukken in Nederland. Daarop volgend is meer recent de ‘Nota parkeernormen 2025 gemeente Eersel’ vastgesteld.
55/70
Figuur 29 Gebiedsindeling parkeernormen Eersel (planlocatie indicatief voorzien van een rode cirkel)
Beoordeling Onderhavig plan gelet op de geschakelde woningen zorgt voor de toevoeging van vijf wooneenheden, zijnde woningen in de categorie ‘koop, vrijstaand’ gelegen in een ‘weinig stedelijk’ gebied dat wordt gedefinieerd als ‘rest bebouwde kom’. Bij een dergelijke woning zijn gemiddeld 2,3 parkeerplaatsen per woning benodigd inclusief bezoekersparkeren. 5 x 2,3 = 11,5 (afgerond 12 parkeerplaatsen). In het beoogde bouwplan is er per woning de mogelijkheid om twee auto’s te parkeren. Daarnaast worden er 3 parkeerplaatsen in het openbare gebied gerealiseerd ten behoeve van deze woningen. Hiermee wordt voorzien in 13 parkeerplaatsen waardoor er ten aller tijde wordt voldaan aan de parkeerbehoefte conform het vigerend gemeentelijk beleid. Uitgaande van de Eerselse parkeernorm voor grondgebonden woningen wordt de parkeerbehoefte op eigen terrein opgelost. Daarmee wordt geen extra druk op de openbare ruimte verwacht. Doordat de parkeerbehoefte op het eigen perceel wordt opgenomen, voorkomt dit zoekverkeer of parkeeroverlast. Dit draagt direct bij aan het behoud van het huidige woongenot in de omgeving. Conclusie Het aspect ‘parkeren’ staat het plan niet in de weg nu binnen de planlocatie meer dan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn.
56/70
4.14 Natuur Toetsingskader Natuur/stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Derhalve wordt in het onderstaande getoetst aan de voormalige Wnb. Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ op circa 2,2 kilometer in overwegend oostelijke richting. Het dichtstbijzijnde legen voor stikstofgevoelige habitat is gelegen op een afstand van circa 7,6 kilometer in het Natura 2000-gebied ‘Kempenland-West’. In het onderstaande is de ligging van de planlocatie ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.
57/70
Figuur 30 Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden (planlocatie is indicatief aangeduid met een zwarte cirkel)
Aanlegfase en gebruiksfase Een AERIUS-berekening is uitgevoerd om te bepalen of de bouw-/aanlegfase een noemenswaardige stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 is ervoor gekozen om hierbij geen referentiesituatie te hanteren. Een al dan niet noodzakelijk omgevingsvergunning ‘Natura 2000-activiteit’ wordt indien nodig separaat aangevraagd en is niet onlosmakelijk verbonden met onderhavige aanvraag.
58/70
Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht, middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Hierbij is uitgegaan van de navolgende verkeersbewegingen (vanuit een worst-case benadering zijn alle verkeersbewegingen in alle richtingen opgevoerd). Daarbij is tevens rekening gehouden met de ontsluiting tot aan de doorgaande weg: - 448 lichte verkeersbewegingen (bestelbussen/personeel/aannemer); - 448 middelzware verkeersbewegingen (bakwagens/bodediensten); - 112 zware verkeersbewegingen (vrachtwagens/betonstorters, etc.). Bij het transport met de zware vrachtwagens is het aannemelijk dat zij bij stilstand nog stationair draaien zoals bijvoorbeeld het laden en lossen van de bouwmaterialen, optrekken containers etc. Zoals eerder beschreven zijn er 112 bezoeken met zware vrachtwagens. Het laden/lossen duurt circa 0,3 uur per bezoek. De totale bedrijfstijd stationair draaien bedraagt daarmee: 0,3 x 56 = 33,6 uur per jaar. Conform bijlage 1 van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator’ heeft een stationair draaiende vrachtwagen (2022) een emissie van 1,0104 gr. NH3 en 87,5424 gr. NOX per uur.
Dit resulteert in: 33,6 x 0,0010104 kg = 0,03394944 kg NH3 per jaar 33,6 x 0,0875424 kg = 2,94142464 NOx per jaar Ook dient rekening gehouden te worden met het stationair draaien van middelzwaar verkeer. Het laden/lossen duurt circa 0,3 uur per bezoek. De totale bedrijfstijd stationair draaien bedraagt daarmee: 0,3 x 448 = 134,4 uur per jaar. Conform bijlage 1 van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024.1’ heeft een stationair draaiende vrachtauto < 20 ton GVW (2022) een emissie van 0,6804 gr. NH3 en 75.0444 gr. NOX per uur. Dit resulteert in: 134,4 x 0,0006804 kg = 0,09144576 kg NH3 per jaar 134,4 x 0,07504444 kg = 10,085972736 kg NOx per jaar De snelheid van het bouwverkeer is gebaseerd op deels de ‘binnen de bebouwde kom’. De inzet van Adblue is bepaald aan de hand van het normale (gemiddelde) AdBlueverbruik dat in het AUB rapport van TNO staat. Dit aangezien de exacte gegevens van het AdBlueverbruik niet bekend zijn. Voor de bouwkraan geldt 3% en voor de overige mobiele werktuigen 6% van het dieselverbruik. Zoals eerder beschreven is er sprake van 448 lichte verkeersbewegingen, 448 middelzware en 112 zware verkeersbewegingen per dag gedurende de bouwfase voor de vijf woningen. Uitgaande dat het lichtverkeer langer dan 2 uur stil staat gelet op het personeel. Het overige bestaat uit kortdurig laden en lossen van bouwmateriaal.
Het zwaar vrachtverkeer zal enkel kortdurig laden/lossen en zal niet langer dan 2 uur stil staan ter plaatse. Dit geldt ook voor het middenzwaar verkeer. De inzet van onderstaande mobiele werktuigen is als volgt:
Figuur 31 Ingevoerde parameters mobiele werktuigen
59/70
Ten aanzien van de inzet van mobiele werktuigen is vanuit een worst-case benadering uitgegaan van de inzet van graafmachines, betonstorters/-pompen, vrachtwagens, minigravers, trilplaats/stampers, hijskranen, verreikers en een mobiele kraan. De berekening van het brandstofverbruik is gebaseerd op relevante kengetallen van het TNO. Bij het bepalen van de ureninzet en de bouwtijd is rekening gehouden met een absolute worst-case brutovloeroppervlakte van de totale bebouwing van circa 650 m2 (5x een geschakelde woning van 130 m²). Voor wat betreft de bouwtijd wordt uitgegaan van de omstandigheid dat een en ander één jaar in beslag zal nemen. In onderstaande afbeeldingen is een gebruikelijke formule weergegeven.
Figuur 32 Gehanteerde formule brandstofverbruik
De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat ook in het geval van bovenstaand ‘worst-case’ scenario de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. De AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Gebruiksfase Er is tevens een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. Voor wat betreft de gebruiksfase is uitgegaan van de volgende parameters: - 41 verkeersbewegingen per etmaal (voor een nadere onderbouwing zie paragraaf 4.13); - 23 koude starts per dag gebaseerd op 5 woningen met elk 2 koude starts per dag en 13 parkeerplaatsen met elk 1 koude start per dag gelet op eventuele bezoekers; - Beoogde woningen zijn gasloos. De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk negatief effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavig plan.
60/70
4.15 Flora en fauna Toetsingskader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat géén instructieregels met betrekking tot ecologie. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op flora en fauna en natuurgebieden. Dit vergt doorgaans onderzoek afhankelijk van de omvang van het plan. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Een voorbeeld is een woningbouwontwikkeling. Deze kan tot gevolg hebben dat planten en dieren op de ontwikkellocatie verdwijnen, bijvoorbeeld door het bouwen van woningen, aanleggen van verharding, het rooien van bomen en het dempen van sloten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van weten regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.
Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Beoordeling Op het perceel ter plaatse van de vijf geschakelde woningen staan enkele gebouwen die moeten worden gesloopt en gesaneerd. Daarnaast staan er groenstructuren die moeten wijken voor de komst van de woningen. De eventuele aanwezigheid van beschermde soorten is niet uit te sluiten. Hiertoe laat de initiatiefnemer een quickscan flora en fauna uitvoeren. Een rapportage is toegevoegd als bijlage bij deze onderbouwing. De conclusie is als volgt: ‘’Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten.
Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden. Aanbeveling Alle kap- en rooiwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Zo is de kans op het beschadigen of verstoren van een nest zo klein mogelijk. 61/70
Om te voorkomen dat een vliegroute voor vleermuizen wordt beschadigd, mag geen bouwplaats verlichting worden toegepast. Indien dit noodzakelijk is (bijvoorbeeld in het kader van veiligheid) dan kan amberkleurige of rode bouwplaats verlichting toegepast worden. Voor deze kleuren zijn vleermuizen niet gevoelig. Het aanlichten van de kruinen van de bomen aan de Molenweg moet ten aller tijden voorkomen worden.’’ Conclusie Het aspect ‘flora en fauna’ vormt geen belemmering voor het plan. Verder is er ten aller tijde de zorgplicht van toepassing en dienen bovenstaande aanbevelingen in acht te worden genomen.
4.16 Waarborgen van de veiligheid Toetsingskader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Met het plan worden vijf kwetsbare gebouwen toegevoegd. De planlocatie is, zoals weergegeven in onderstaand figuur, niet gelegen in een aandachtsgebied of PR-contour van een risicobron en/of een transportroute.