CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen 1.1 tm 1.8 bij zienswijze 2

Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente EerselBij agendapunt: Omgevingsvergunning Bisschop Rythoviusweg Eersel - realiseren van 5 levensloopbestendige woningen19.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlage 1.5 Krantenartikel eigenaar gaat naar Raad van State

669 263-H-669 Opp = 429 M2

8C-8b

10

8-8a

430 263-H-430 Opp = 1808 M2

Bijlage 1.6

6

Molenw

geluid

groene buffer

2171

3509

263-F-2171 Opp = 443 M2 60

289,2 m2

60

hwa

erafscheiding

19

88 67

345,9 m2

37

hwa

19

BNR 2

92

hwa

eg

Tekening met 9 parkeerplekken bij de de woningen; woning linksboven heeft er maar één. De 3 openbare parkerplekken zijn ook groen. Wat betekent dat ????

hwa

1851

hwa

4187 263-F-4187 Opp = 1395 M2

BNR 1

4 pp

hwa

19 92

4732 85

263-F-4732 Opp = 65 M2

00

3 pp 2 pp

hwa

2191

2169

BNR 3

9 1198

7b

263-F-2191 Opp = 2090 M2

21

263-F-2169 Opp = 4540 M2

50

4733

13

Biss

263-F-4733 Opp = 1919 M2

chop

Situatie tekening

BNR 1 hwa

250,0 m2

hwa

2 pp

Ryt

hwa

BNR 4

0 1100

hov

35

iusw

25 21

00

00

50

eg

60

00

WERKNUMMER

BLAD

25323

DO-01

hwa

231,6 m2

hwa

2 pp

hwa

15

BNR 5

12 50 0

5126 263-F-5126 Opp = 1029 M2

PROJECT

7a 12

00

21

50

Bisschop Rythoviusweg in Eersel

12

hwa

78

hwa

266,4 m2

3597 263-F-3597 Opp = 516 M2

OPDRACHTGEVER

4435 263-F-4435 Opp = 1303 M2

Areven Markt 32b, 5521 AN Eersel ,

25

9

20

5127 263-F-5127 Opp = 619 M2

2183 263-F-2183 Opp = 517 M2

7

B

issc

R hop

yth

oviu

ONDERDEEL

DATUM

Definitief ontwerp

16-12-2025

g swe 18

TEKENAAR

SvO

2184

4436

263-F-2184 Opp = 820 M2

263-F-4436 Opp = 2110 M2

FORMAAT 2413

A2

263-F-2413 Opp = 58 M2

16

SCHAAL

1:500

2347

14

263-F-2347 Opp = 702 M2

5618

4735

263-F-5618 Opp = 895 M2

263-F-4735 Opp = 425 M2

90

2189 263-F-2189 Opp = 48 M2

3650 263-F-3650 Opp = 370 M2

4376 263-F-4376 Opp = 2180 M2

12 4734 263-F-4734 Opp = 117 M2

5617 263-F-5617 Opp = 1405 M2

2451 263-F-2451 Opp = 767 M2

N

Bijlage 1.7

Pagina 54

Onderbouwing bij de buitenplanse omgevingsplanactiviteit

19-2-2026 Bisschop Rythoviusweg ong. te Eersel

DATUM 19 februari 2026 KENMERK PROJECTNUMMER EERBIS000-2025 OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER AUTEUR Van Doormaal Advies B.V. Ontginningsweg 9A 5089NR HAGHORST info@vandoormaaladvies.nl www.vandoormaaladvies.nl

2/70

1.

2.

3.

4.

3/70

Inleiding

5

1.1 1.2 1.3

5 6 7

Aanleiding Ligging planlocatie Leeswijzer

Beschrijving van het project en zijn omgeving

8

2.1

Huidige situatie 2.1.1 Feitelijk situatie 2.1.2 Relevante regels omgevingsplan

8 8 10

2.2

Toekomstige situatie 2.2.1 Ontwikkeling

12 12

2.3

Milieueffectrapportage

17

Beleidskader en toetsing daaraan

18

3.1 3.2

Rijk Provincie 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

18 19 19 19

3.3

Gemeente 3.3.1 Omgevingsvisie 2.0 Gemeente Eersel 3.3.2 Kempische visie op wonen 2024-2028 - Volkshuisvestingsprogramma 3.3.3 Financieel programma impuls sociale woningbouw gemeente Eersel 2025 3.3.4 Omgevingsplan gemeente Eersel

25 25 26 26 27

Beoordelingsregels waaronder instructieregels

28

4.1 4.2 4.3

Inleiding Bodemkwaliteit Beschermen van de waterbelangen 4.3.1 Wettelijk kader 4.3.2 Waterschapsverordening 4.3.3 Gemeentelijk beleid 4.3.4 Watertoets

28 28 30 30 31 31 31

4.4 4.5

Cultuurhistorie Archeologie 4.5.1 Gemeentelijk beleid

37 39 39

4.6

Bedrijven- en milieuzonering 4.6.1 Beoordeling omgevingstype 4.6.2 Gevoelig object 4.6.3 Omliggende bedrijvigheid 4.6.4 Woon- en leefklimaat 4.6.5 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven 4.6.6 Milieubelastende activiteiten

42 42 43 43 44 44 44

5.

6.

7. 8. 9.

4/70

4.7 4.8

Geur (door veehouderijen) Beschermen van de gezondheid en van het milieu 4.8.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) 4.8.2 Geitenhouderijen 4.8.3 Spuitzones

45 46 46 47 48

4.9

Kwaliteit van de buitenlucht 4.9.1 Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5.54 Bkl) 4.9.2 Blootstelling aan verontreiniging

48 49 49

4.10 4.11 4.12 4.13

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Trillingen Ladder voor duurzame verstedelijking Mobiliteit en parkeren 4.13.1 Mobiliteit 4.13.2 Parkeren

50 53 53 54 54 55

4.14 4.15 4.16 4.17 4.18 4.19

Natuur Flora en fauna Waarborgen van de veiligheid Licht en windhinder Duurzaamheid Welstand

57 61 62 64 64 64

Participatie

66

5.1 5.2

66 66

Verplichte participatie/bindend advies Participatie omgeving

Economische uitvoerbaarheid

67

6.1 6.2

67 67

Inleiding Kostenverhaal

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Voorstel voor het opnemen van het initiatief in het omgevingsplan Bijlagen

68 69 70

9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.8 9.9 9.10

70 70 70 70 70 70 70 70 70 70

Bijlage 1 Inrichtingstekening beoogde situatie Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3 Aanvullend verkennend bodemonderzoek Bijlage 4 Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6 Variantenstudie akoestisch scherm Bijlage 7 AERIUS-berekening aanlegfase Bijlage 8 AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 9 Quickscan flora en fauna Bijlage 10 Verslag omgevingsdialoog (geanonimiseerd)

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

De initiatiefnemer heeft de gronden aangekocht en wil er, gezien de ligging in de bebouwde kom van de kern Eersel, woningen op realiseren. Hiervoor is op 27 januari 2025 is een haalbaarheidsverzoek ingediend door de initiatiefnemer. Het verzoek zag toe op het realiseren van vijf levensloopbestendige en geschakelde woningen. Op 18 februari 2025 heeft de gemeente Eersel gereageerd dat perceel met een oppervlakte van 1.919 m2 goed is in te richten en door meerdere woningen te ontsluiten. Daarbij achten zij de kans van slagen voor het realiseren van vier of vijf woningen reëel. Er is ook een indicatie aangegeven van de plankosten, kosten voor bovenwijkse voorzieningen en de bijdrage voor de nota impuls sociale woningbouw (omdat de te realiseren woningen geen sociale of betaalbare woningen zijn zoals bedoeld in het gemeentelijk woonbeleid). In de reactie is tot slot gesteld dat er een principeverzoek kan worden ingediend voor het plan. Vanuit zorgvuldigheidsoogpunt heeft initiatiefnemer, alvorens het indienen van het princiepverzoek, een omgevingsdialoog gehouden met de direct omwonenden. De initiatiefnemer heeft het plan vervolgens op 5 juni 2025 middels een principeverzoek voorgelegd aan de gemeente Eersel. Per brief d.d.

9 juli 2025 (kenmerk: 25.13803) heeft de gemeente Eersel aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het realiseren van vijf levensloopbestendige woningen onder de voorwaarden dat voor de vijf woningen: - de goothoogte maximaal 3,5 meter en de nokhoogte maximaal 6,5 meter bedraagt; - de gevel van de woning gelegen aan de bestaande straat vormgegeven moet worden als meer open voorgevel; - de nieuw aan te leggen straat en het trottoir, inclusief de groene inrichting aan de zijde van de Bisschop Rythoviusweg, in eigendom wordt overgedragen aan de gemeente; - de vereiste waterberging volledig binnen het plangebied wordt gerealiseerd. Met bovenstaande voorwaarden wordt uitvoerig rekening gehouden in onderhavige onderbouwing. De huidige planologische situatie ziet reeds toe op het bestemmingsvlak ‘wonen’, echter vanwege het ontbreken van een bouwvlak is het realiseren van de beoogde woningen niet rechtstreeks toegestaan in het tijdelijke omgevingsplan. Met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (verder: BOPA) dient van het Omgevingsplan gemeente Eersel afgeweken te worden. Middels onderhavige onderbouwing wordt gemotiveerd om welke reden met het plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5/70

1.2

Ligging planlocatie

De planlocatie bevindt zich in ten noorden van de kern van Eersel en is georiënteerd aan de Bisschop Rythoviusweg. De Bisschop Rythoviusweg betreft een bestemmingsweg voor de aanpalende burgerwoningen in de bebouwde kom van Eersel. De planlocatie is kadastraal bekend als gemeente Eersel, sectie F, nummers 4733. De planlocatie kent een totale oppervlakte van circa 1.919 m². In onderstaande is een luchtfoto met de ligging van de planlocatie in de kern van Eersel opgenomen.

Figuur 1 Ligging planlocatie in de kern Eersel (planlocatie indicatief aangeduid met een rode cirkel)

6/70

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan de relevante beleidskaders en in hoofdstuk 4 aan de relevante beoordelings- en instructieregels. Hoofdstuk 5 en 6 bevat de participatie en financiële aspecten van het project. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als ETFAL). In hoofdstuk 8 is de voorgestelde planverbeelding opgenomen. Tot slot bevat hoofdstuk 9 de bijlagen.

7/70

2. BESCHRIJVING VAN HET PROJECT EN ZIJN OMGEVING 2.1

Huidige situatie

2.1.1 Feitelijk situatie Binnen de planlocatie, waar de vijf levensloopbestendige woningen zijn beoogd, bevindt zich momenteel een kleine veldschuur ten behoeve van opslag van (moes)tuinmateriaal en een overkapping voor het kunnen stallen van een caravan. In het onderstaande zijn figuren opgenomen van de huidige situatie (bovenaanzicht en straatbeeld) ter plaatse van de planlocatie.

Veldschuur

Overkapping

Figuur 2 Luchtfoto bestaande situatie planlocatie bij aankoop (planlocatie aangeduid met rode omlijning)

8/70

Figuur 3 Huidige situatie na opschoning terrein

9/70

2.1.2 Relevante regels omgevingsplan Deze paragraaf bevat een opsomming van de relevante regels in het omgevingsplan die gelden voor de locatie van de ontwikkeling. In de huidige planologische situatie is het Omgevingsplan gemeente Eersel van toepassing op het plangebied. Voornoemd Omgevingsplan is op 19 augustus 2024 na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in werking getreden. Dit betreft een zogenaamd Omgevingsplan van rechtswege. Een dergelijk Omgevingsplan van rechtswege bestaat uit (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, en rijksregels over activiteiten (de bruidsschat). Gelet hierop maakt het voormalige bestemmingsplan “Kom Eersel, eerste herziening” (vastgesteld 26 september 2013) onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. De planlocatie kent op grond van voornoemd bestemmingsplan “Kom Eersel, eerste herziening” de bestemmingsvlakken: - Wonen - 1 met bouwaanduiding ‘bijgebouwen’; - Waarde – Archeologie 4.2. Verder kent het plangebied de gebiedsaanduiding: - Wro-zone – wijzigingsgebied 1 De aanduiding ‘wro-zone - wijzigingsgebied 1’ houd in dat de gemeente Eersel bevoegd is om het bestemmingsplan binnenplans te wijzigen ten behoeve van de nieuwbouw van maximaal één woning.

Vervolgens is door de gemeente Eersel een omissie gecorrigeerd middels de vaststelling van het voormalige bestemmingsplan ‘Kom Eersel, herziening Bisschop Rythoviusweg 13’ (vastgesteld op 27 mei 2014). Deze ziet toe op de wijziging van het bestemmingsvlak ‘groen’ met de specifieke functieaanduiding ‘afschermend groen’. In hoofdzaak is de groene bufferzone voor het geluid afkomstig van de Molenweg ten noorden van de planlocatie verkleind van 12 meter naar 5 meter. In onderstaande figuren is de vigerende planologische situatie binnen de planlocatie opgenomen.

10/70

Figuur 4 Planlocatie in het tijdelijk omgevingsplan ‘Kom Eersel, eerste herziening’ (planlocatie aangeduid met rode omlijning)

Figuur 5 Planlocatie in het tijdelijk omgevingsplan ‘Kom Eersel, herziening Bisschop Rythoviusweg 13’ (planlocatie aangeduid met rode omlijning)

11/70

2.2

Toekomstige situatie

2.2.1 Ontwikkeling Zoals in de inleiding reeds is aangegeven, is de initiatiefnemer voornemens om binnen de planlocatie vijf levensloopbestendige geschakelde woningen te realiseren. Deze worden gerealiseerd op een bestaand woonperceel in de bebouwde kom van Eersel. De voorgestelde woonkavels hebben een oppervlakte variërend van 250 m² tot 345,9 m². De woningen zullen worden aangeboden in de vrije sector met prijsgrens dure koop. Met het plan wordt een passende invulling gevonden van een inbreidingslocatie waar reeds het vestigingsklimaat is afgestemd voor woonfuncties. Onderstaand een afbeelding van het inrichtingsplan. Hierna wordt de bovenstaande ontwikkeling verderop in deze onderbouwing aangehaald als ‘het plan’.

Figuur 6 Voorgesteld inrichtingsplan

12/70

Beeldkwaliteitsplan De vijf woningen zijn geschakeld en liggen in een lineaire opstelling met de voorzijde naar de straat en de achterzijde naar private tuinen. De woningen zijn georiënteerd op de centrale as van het plangebied, die ook dienstdoet als ontsluitingsroute. De goot- en nokhoogten bedragen respectievelijk 3,5 en 5,7 meter. De bouwvolumes hebben een eigentijdse hoofdvorm bestaande uit één bouwlaag met lessenaarsdak, waardoor een gevarieerd straatbeeld ontstaat dat past bij de schaal van de omgeving. De architectuur wordt gekenmerkt door licht gemêleerd metselwerk in combinatie met verticale houten geveldelen, wat zorgt voor warmte en natuurlijke inpassing. Grote gevelopeningen dragen bij aan een open en lichte uitstraling, terwijl overstekken en inspringende gevelvlakken zorgen voor dieptewerking. De materiaal- en kleurkeuze is neutraal en duurzaam, passend bij de beeldkwaliteit van Eersel. Het groen speelt een belangrijke rol in de inpassing: erfafscheidingen bestaan grotendeels uit hagen, er is aandacht voor de toevoeging van bomen en de voortuinen zijn groen ingericht. Parkeren vindt grotendeels plaats op eigen terrein, waardoor de openbare ruimte autoluw blijft.

Het plan draagt bij aan een rustig, groen en samenhangend straatbeeld en versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de Bisschop Rythoviusweg door eigentijdse maar dorpse architectuur met hoogwaardige materiaaltoepassing. Onderstaand een doorsnede tekening van de beoogde woningen.

Figuur 7 Doorsnedetekening patiowoning

13/70

De gemeente Eersel heeft stedenbouwkundig advies gevraagd aan het stedenbouwkundig bureau Aura en de gemeentelijke ruimtelijke kwaliteitscommissie. In onderstaande afbeeldingen zijn de uitgangspunten voor het stedenbouwkundig plan opgenomen waarmee rekening wordt gehouden.

Figuur 8 Uitgangspunten planvorming

Figuur 9 Stedenbouwkundige schetsen – 3D impressies

14/70

Figuur 10 Stedenbouwkundige schets - bovenaanzicht

Groenplan Voor de bouw van de woningen dient er géén openbaar groen te wijken. Echter dienen er wel enkele groenstructuren binnen de planlocatie te wijken voor de komst van de woningen. Met het groenplan wordt ten eerste geïnvesteerd in een representatieve en groene uitstraling van het voorterrein door de parkeerplaatsen te voorzien van halfverharding welke tevens groen worden ingebed middels een knip- en scheerhaag. In het kader van de landschappelijke inpassing van de bungalowwoningen komt er een groene muur op de oostelijke erfafscheiding met de burgerwoningen aan nr. 13 en 15. Tevens zullen de te verwijderen houtopstanden binnen de planlocatie gecompenseerd worden door de aanplant van streekeigen bosplantsoen binnen beide groene buffers aan zowel de noordelijke als de zuidelijke perceelsgrens. Zie onderstaande afbeelding voor het voorgestelde groenplan.

15/70

Plaatsing akoestisch scherm

Figuur 11 Groenplan beoogde situatie (bron: Dolmans landscaping)

16/70

2.3

Milieueffectrapportage

Toetsingskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Net als onder de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer), wordt onder de Ow gewerkt met een gesloten lijstenstelsel voor de project-mer(beoordeling). Dit betekent dat de projecten, gevallen en (op enkele uitzonderingen na) besluiten die project-mer-(beoordelings)plichtig zijn, in de lijst zijn opgenomen. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-merbeoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Ten aanzien van het aanwijzen van mer-(beoordelings)plichtige projecten is het navolgende opgenomen in artikel 11.6 van het Omgevingsbesluit: 1. Bijlage V, kolom 2 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder a, van de wet die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 2.

Bijlage V, kolom 3 in samenhang met kolom 1, bevat de projecten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet waarvoor moet worden beoordeeld of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3. Als benodigde besluiten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de wet, die betrekking hebben op de projecten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen: a. een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, met uitzondering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap; b. het opnemen van regels in een omgevingsplan die zijn gericht op het uitvoeren van een project van publiek belang als bedoeld in artikel 5.55 van de wet; de besluiten, bedoeld in bijlage V, kolom 4; en d. de besluiten, bedoeld in artikel 11.8. Beoordeling Het plan wordt niet genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt enkel gesproken over de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Hier is geen sprake van met de toevoeging van 5 woningen. E.e.a. heeft een kleinschalig concreet bouwplan tot gevolg, wat niet is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’.

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden gezien de stikstofberekeningen 0,00 mol depositie hebben uitgewezen zonder intern salderen. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r.

17/70

3. BELEIDSKADER EN TOETSING DAARAAN 3.1

Rijk

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel opgenomen in deze nieuwe visie. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.

Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking plan Met de onderhavige ontwikkeling zijn, gelet op diens aard en omvang, geen nationale belangen in het geding.

18/70

3.2

Provincie

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie Noord-Brabant schetst de provincie een wensbeeld van de fysieke leefomgeving in 2050. De analyse van de huidige kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de trends en ontwikkelingen die hierop van invloed zijn, laten zien dat nieuw beleid en stevige inspanningen van de provincie nodig zijn om de ambities te bereiken. In de omgevingsvisie zijn vijf opgaven geformuleerd, waarvoor de provincie doelen heeft gesteld. Om die ambities te bereiken schetst de omgevingsvisie de eerste contouren van het voorgenomen beleid. Dit beleid wordt verder uitgewerkt met concrete maatregelen De volgende vijf opgaven zijn opgenomen in de Brabantse omgevingsvisie: • Basisopgave, werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit • Werken aan de Brabantse energietransitie • Werken aan een klimaatproof Brabant • Werken aan de slimme netwerkstad • Werken aan een concurrerende, duurzame economie Voor de opgaven zijn doelen gesteld en is aangegeven welke stappen de provincie wil zetten om deze doelen te bereiken. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling is als kleinschalig aan te merken in verhouding tot de strategische gebiedsambities voor de provincie Noord-Brabant richting 2050.

Met het plan wordt op een inbreidingslocatie gelegen in de bebouwde kom een passende herontwikkeling naar wonen mogelijk gemaakt waar reeds een gunstig vestigingsklimaat heerst voor wonen. Ook wordt met het plan een bijdrage geleverd aan het behoud van de leefbaarheid binnen de kern Eersel, nu het plan gepaard gaat met de komst van vijf levensloopbestendige wooneenheden waarmee doorstroming in de woningmarkt wordt bewerkstelligd. Het plan is, gelet op het vorenstaande, in overeenstemming met uitgangspunten uit de Brabantse Omgevingsvisie. Dit omdat de provincie Brabant zich onder meer als doel heeft gesteld om een goede woonomgeving te creëren, waarbij gewerkt wordt aan een goede omgevingskwaliteit. Conclusie Gelet hierop gaat het plan gepaard met een aanmerkelijke verbetering van de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past derhalve binnen beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant. 3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader De omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden.

Voor de provinciale inzet is het werken vanuit het samenspel met diep, rond en breed kijken vertrekpunt. Dit vraagt om een provincie die gemakkelijk van rol kan wisselen en die gericht is op het verbinden van belangen: private belangen, gebiedsbelangen en het publieke belang. Daarbij hanteert de provincie vijf kernwaarden voor haar denken en handelen. Er wordt ingezet op:

19/70

1. 2. 3. 4. 5.

meerwaardecreatie technische en sociale innovatie kwaliteit boven kwantiteit een continue verbetering van de leefomgeving proactief en preventief handelen boven gevolgbeperking en herstel

Om uitvoering te geven aan de visie heeft de provincie onder de Omgevingswet verschillende instrumenten tot haar beschikking. De omgevingsverordening is daarbij slechts 1 van de instrumenten die de provincie inzet om haar doelen en ambities te realiseren. De omgevingsverordening bevat de spelregels en randvoorwaarden met een bindende werking voor het handelen van burgers en bedrijven, gemeenten en waterschappen. Beoordeling Op basis van de Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant van de verordening is de planlocatie gelegen in het ‘stedelijk gebied’ zoals weergeven in onderstaand figuur.

Figuur 12 Uitsnede Basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant Omgevingsverordening Noord-Brabant (planlocatie indicatief aangeduid met witte omlijning)

Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten eerste moet voldaan worden aan de ‘basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies’ (paragraaf 5.1.2 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant) en ‘versterken van omgevingskwaliteit’ (paragraaf 5.1.3 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant). Daarnaast moet getoetst worden aan de regels voor een ‘Duurzame stedelijke ontwikkeling’ (artikel 5.55).

20/70

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant bevat instructieregels aan gemeenten bij het vaststellen van een omgevingsplan. Deze regels worden uitgesplitst in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7), regels voor zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8), toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9) en meerwaardecreatie (artikel 5.10). 3.2.2.1 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7) In artikel 5.7 is opgenomen dat een omgevingsplan bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling geeft aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een geode omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik (art. 5.8); b. de lagenbenadering (artikel 5.9); c. meerwaardecreatie (art. 5.10). Navolgend worden deze aspecten van het plan verder onderbouwd. 3.2.2.2 Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8) Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling; c.

bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel ; en e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan. Beoordeling Het plan bevindt zich in de bebouwde kom en is gelegen aan een goed ontsloten weg tussen bestaande woonbestemmingen. Hierdoor is de planlocatie aan te wijzen als een duurzame woonlocatie, is er sprake van een inbreidingslocatie en is de realisatie van levensloopbestendige woningen voorstelbaar. De architectuur en verkaveling passen goed in de bestaande wijkstructuur, met aandacht voor groen, schaal en beleving. Nu het plan binnen het stedelijk gebied aan de orde is en volledig binnen de omgevingskarakteristiek en -behoeften past, kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. 3.2.2.3 Toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9) Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in: a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en b. hoe negatieve effecten worden voorkomen. Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden: a.

de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

21/70

Beoordeling De toetsing van de gevolgen van het voornemen op bovengenoemde aspecten is per onderwerp uiteengezet in voorliggende onderbouwing. Hieruit volgt dat het voornemen ruimtelijk en milieu hygiënisch aanvaardbaar is. Daarmee wordt voldaan aan het vereiste van het toepassen van de lagenbenadering. 3.2.2.4 Meerwaardecreatie (artikel 5.10) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De Omgevingsverordening geeft aan dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 ‘Kwaliteitsverbetering landschap’ deel uit kan maken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Het plan beoogt ‘meerwaardecreatie’ door een perceel welke onderdeel uit maakt van het stedelijk gebied Eersel te herontwikkelen met de toevoeging van vijf levensloopbestendige woningen. De infrastructuur is reeds ingericht op onderhavige ontwikkeling. Gelet hierop wordt met het plan een passende vervolgfunctie gevonden ten midden van de bebouwde kom omgeven door woonfuncties.

Daarmee wordt bijgedragen aan het beperken van ruimtebeslag in het buitengebied. Kleinschalige, passende woningbouw draagt bij aan het behouden of verbeteren van de leefbaarheid, zeker in dorpen of wijken waar voorzieningen onder druk staan of vergrijzing speelt. Er is een duidelijke toenemende woningbehoefte onder senioren. De bouw van levensloopbestendige woningen sluit aan op de doelstelling om het woningaanbod beter af te stemmen op demografische ontwikkelingen (vergrijzing). Deze woningen stimuleren doorstroming op de plaatselijke woningmarkt, doordat ouderen hun eengezinswoning verlaten, wat weer ruimte creëert voor jonge gezinnen. 3.2.2.5 Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 5.11) Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door: a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten: a.

de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing ; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone ; of g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

22/70

Beoordeling Nu de planlocatie niet is gelegen binnen landelijk gebied, maar binnen stedelijk gebied, is artikel 5.11 niet van toepassing. Desondanks wordt ter plaatse van de planlocatie voorzien in een adequate landschappelijke inpassing. 3.2.2.6 Ontwikkelingsrichting (artikel 5.12) Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten: a. Welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving; b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving , de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2 , mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap ; en d. op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.

Beoordeling Nu de planlocatie niet binnen landelijk gebied, maar binnen stedelijk gebied is gelegen, is artikel 5.12 ontwikkelingsrichting niet van toepassing. Derhalve kan een toetsing aan het aspect ontwikkelingsrichting in onderhavige onderbouwing achterwege blijven. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien kan hierbij opgemerkt worden dat binnen het plangebied reeds een woongebruik is toegestaan en het een inbreidingslocatie in de bebouwde kom betreft. Hiermee is het plan passend binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. 3.2.2.7 Duurzame stedelijke ontwikkeling (artikel 5.55) Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; Het plan past binnen de regionale afspraken als bedoeld in afdeling 7.2 b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Onderhavig plan zorgt voor een woningbouwontwikkeling op een inbreidingslocatie. De herontwikkeling met de toevoeging van vijf levensloopbestendige wooneenheden kan als passend binnen de woonomgeving worden beschouwd.

In de regionale woonvisies (zoals bijvoorbeeld de regionale woondeal of gemeentelijke woningbehoefteonderzoeken) is er veel aandacht voor de groeiende vraag naar levensloopbestendige woningen. Door de vergrijzing en het langer zelfstandig thuis wonen, is dit woningtype hard nodig. Deze ontwikkeling voorziet dus in een actuele behoefte, die structureel en demografisch onderbouwd is. Het bouwplan voldoet daarnaast minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen. Voor een verdere motivering of er sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling, zie het onderstaande. Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als: a. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met een veilige en gezonde leefomgeving; Binnen het plangebied is reeds een woongebruik toegestaan. Dit maakt dat het plan per definitie passend is binnen de ruimtelijke structuur en de heersende omgevingskarakteristiek. Verder dient opgemerkt te worden

23/70

dat in de ‘Omgevingsvisie 2.0’ van de gemeente Eersel en de ‘Kempische visie op wonen’ onder meer wordt aangegeven dat inbreidingslocaties noodzakelijk zijn voor de leefbaarheid van de (kleine) kernen. Verder wordt aangegeven dat de gemeente Eersel zoveel als mogelijk wil bouwen binnen bestaande stedelijke contouren. Het plan binnen de planlocatie zorgt voor duurzame verstedelijking in de vorm van inbreiding binnen de contouren van het stedelijk gebied en de bebouwde kom van Eersel. Onnodige verstening van het waardevolle buitengebied wordt hierdoor voorkomen. De maatvoering en architectuur van zowel de geschakelde als de vrijstaande woning(en) sluiten aan op de directe woonomgeving, zonder dat sprake is van overprogrammering of overlast. Het beoogde plan doet dit zonder het aantasten van het dorpse woonmilieu en optimaal gebruik te maken van de bestaande woonstructuren van de bebouwde kom (waar reeds een goede omgevingskwaliteit heerst). b. Toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; Zorgvuldig ruimtegebruik wordt nagestreefd door te bouwen binnen het stedelijk concentratiegebied én binnen de contouren van de bebouwde kom. c.

optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; De woningen wordt ten eerste gasloos gebouwd waarbij een warmtepomp installatie een optie is. Tevens zijn er mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen op het dak van de hoofdbouw dan wel bijgebouwen. Een en ander wordt verder in de aanvraag voor de bouwactiviteit verder gespecificeerd. d. Rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; Binnen het plangebied is voldoende ruimte om de gevolgen van klimaatverandering te waarborgen. Verder wordt ter plaatse van de planlocatie voldoende ruimte gereserveerd voor de benodigde en verplichte opvang van water. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar de waterparagraaf in de onderhavige ruimtelijke onderbouwing. e. de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; Door de ligging van het plangebied kan makkelijk worden aangesloten op de reeds aanwezige openbare infrastructuur aan de Bisschop Rythoviusweg. Daarbij is de planlocatie op korte afstand van centrumvoorzieningen en opstapplaatsen voor het openbaar vervoer gelegen. f.

Wordt bijgedragen aan een duurzame, concurrerende economie; Onderhavig plan is een kleinschalig bouwinitiatief. Hierdoor is realisatie op zeer korte termijn mogelijk. Dit is positief voor het verspreid op de markt komen van woningen in gemeente Eersel en geeft het plan een mooie wisselwerking met de grotere woningbouwprojecten binnen de gemeente Eersel. Dit draagt bij aan een duurzaam opgebouwde woningmarkt en concurrentiekracht binnen de kern Eersel, de gemeente Eersel en de provincie Noord-Brabant.

Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

24/70

3.3

Gemeente

3.3.1 Omgevingsvisie 2.0 Gemeente Eersel De voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplichtte alle overheden tot het opstellen van een structuurvisie. Om aan deze Wro-verplichting te voldoen, heeft de gemeente Eersel een integrale omgevingsvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente opgesteld: de ‘Omgevingsvisie 2.0’. In deze structuurvisie wordt aan de hand van thema’s omschreven wat de ambities van de gemeente Eersel zijn. Onderdeel van de omgevingsvisie is de kaart Omgevingsvisie 2.0. In de visie wordt gestreefd naar Kempisch wonen in levendige kernen, recreatieve functies en werkgelegenheid met het landschap als onderleggen. Vanuit de kaart is een duidelijk onderscheid zichtbaar tussen de noordzijde van de gemeente (kernen: Wintelre en Vessem) waar wonen, natuur, recreatie en landschap centraal staan en de meer ‘rode’ functies in het zuiden van de gemeente (kernen: Knegsel, Duizel, Eersel, Steensel). Hierna is een uitsnede van deze kaart weergegeven, waarop de initiatieflocatie is aangeduid.

Figuur 13 Uitsnede Omgevingsvisie 2.0 (planlocatie is indicatief aangeduid middels een rode cirkel)

Op basis van bovenstaande uitsnede komt naar voren dat de planlocatie is gelegen binnen de contouren van ‘Kempisch wonen in levendige kernen’. Verder zijn gronden nabij de planlocatie eveneens aangeduid als zoekgebied voor ‘inbreidingslocaties’. Ten aanzien van wonen wordt in de omgevingsvisie onder meer aangegeven dat het belangrijk is dat binnen elke kern binnen de gemeente voldoende woningen worden gebouwd om zo de leefbaarheid op peil te houden. Verder wordt aangegeven dat de gemeente Eersel zoveel als mogelijk wil bouwen binnen bestaande stedelijke contouren. Dit om de landschappelijke kwaliteiten zoveel als mogelijk te behouden. Nu het woningbouwplan binnen de stedelijke contouren ligt, op een inbreidingslocatie en ter plaatse van gronden die zijn aangeduid als ‘Kempisch wonen in

25/70

levendige kernen’ wordt voorzien in levensloopbestendige woningen, kan geconcludeerd worden dat een en ander passend is binnen relevante uitgangspunten uit onderhavige omgevingsvisie. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen gemeentelijke beleidsuitgangspunten, zoals zijn vastgelegd in de gemeentelijke omgevingsvisie. 3.3.2 Kempische visie op wonen 2024-2028 - Volkshuisvestingsprogramma In deze visie wordt onder meer aangegeven dat het groeiend woningtekort op dit moment één van de grootste problemen is in Nederland, en ook in de Kempen. Te veel mensen vinden geen geschikte en betaalbare woning. Daarbovenop zijn er in de Kempen relatief weinig sociale huurwoningen en betaalbare en kleine koopwoningen. Dit maakt het voor jongeren en mensen met een lager inkomen lastig om een start te maken op de woningmarkt. De gevolgen van de woningnood zijn dan ook zichtbaar: van dertigers die nog bij hun ouders wonen tot mensen met een middeninkomen die tussen wal en schip raken, spoedzoekers die geen sociale huurwoning kunnen vinden of ouderen die in een grote gezinswoning moeten blijven wonen. De provincie houdt voor de Kempen in de periode tot en met 2030 rekening met woningbouwopgave van bijna +2.600 woningen. Tussen 2030 en 2040 wordt een extra groei van minimaal +2.350 woningen voorspeld.

Beoordeling Met het plan wordt voorzien in de toevoeging van vijf wooneenheden in de vorm van levensloopbestendige woningen, op een inbreidingslocatie en binnen het (toekomstige) stedelijk gebied. Hierdoor wordt voldaan aan het principe dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Daarnaast wordt hiermee een bijdrage geleverd aan een passend woonaanbod voor ouderen die nog in te grote gezinswoningen moeten blijven wonen. Gelet hierop is het plan in overeenstemming met de beleidsuitgangspunten uit de ‘Kempische visie op wonen 2024-2028. Conclusie Het plan is in overeenstemming met relevante beleidsuitgangspunten uit de ‘Kempische visie op wonen 2024-2028’. 3.3.3 Financieel programma impuls sociale woningbouw gemeente Eersel 2025 Het college van de gemeente Eersel heeft op 15 april 2025 het ‘Financieel programma impuls sociale woningbouw’ vastgesteld. Dit programma heeft betrekking op alle woningbouwinitiatieven en geeft inzicht in de wijze waarop de gemeente Eersel omgaat met woningbouwinitiatieven die niet passen binnen het geldend bestemmingsplan. Hierbij wordt gekeken of het plan bijdraagt aan de gemeentelijke ambitie ten aanzien van sociale woningbouw.

Het Financieel programma impuls sociale woningbouw is van toepassing op nieuwe woningbouwinitiatieven waarvoor een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Eersel of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is. Het Vereveningsfonds sociale woningbouw is enerzijds van toepassing op initiatieven die in onvoldoende mate bijdragen aan de beleidsdoelstellingen. Anderzijds is het fonds van toepassing voor initiatieven die meer sociale huurwoningen realiseren, ter compensatie van locaties met onvoldoende sociaal programma. Ook is een bijdrage mogelijk voor de realisatie van sociale huurwoningen (ook voor de eerste verplichte 30% aan sociale huurwoningen) in projecten bij gemeentelijke exploitaties en/of bij een aantoonbare onrendabele top bij herstructureringslocaties, en/of voor verplaatsingskosten van tijdelijke al eerder in de gemeente Eersel geplaatste sociale huurwoningen naar een nieuwe locatie binnen de gemeente Eersel. Beoordeling Met het plan wordt niet voldaan aan de opgave van sociale woningbouw. Hiervoor zal door initiatiefnemer een afdracht worden gedaan in het sociale woningbouwfonds, zoals afgesproken met de gemeente Eersel.

26/70

3.3.4 Omgevingsplan gemeente Eersel In paragraaf 2.1.2 van de onderhavige onderbouwing is het vigerende planologische kader van de planlocatie reeds uiteen gezet. Voor een nadere motivatie wordt dan ook verwezen naar voornoemde paragraaf. Het beoogde plan, gezien de toename in het aantal woningen en het ontbreken van een bouwvlak, is in strijd met het vigerende Omgevingsplan. Het plan is niet rechtstreeks passend binnen het Omgevingsplan gemeente Eersel. Derhalve wordt met een BOPA van het Omgevingsplan gemeente Eersel afgeweken.

27/70

4. BEOORDELINGSREGELS WAARONDER INSTRUCTIEREGELS 4.1

Inleiding

Aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving worden steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het plan waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden beoordeeld.

4.2

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Beoordeling In de huidige planologische situatie rust binnen de planlocatie het bestemmingsvlak ‘wonen’. Hierbinnen is onder meer het gebruik ten behoeve van wonen toegestaan. Gelet hierop is in de huidige planologische situatie binnen de planlocatie reeds een gevoelige functie toegestaan, nu er zich binnen de planlocatie in permanente mate (meer dan twee uur per dag) mensen kunnen begeven. Echter heeft het plan betrekking op de nieuwbouw van vijf woningen op gronden welke dienst doen als (volks)tuin. Hierdoor dient inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Hiertoe heeft initiatiefnemer een verkennend bodemonderzoek uitgezet om de milieu hygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vast te leggen. Een rapportage hiervan is als bijlage bij deze onderbouwing toegevoegd. Vervolgens is door de gemeente Eersel een aanvullend verkennend bodemonderzoek geëist aangezien niet het gehele plangebied was onderzocht. Tevens is gevraagd om de parameter OCB te analyseren. Een aanvullend verkennend bodemonderzoek heeft vervolgens plaats gevonden waarvan de rapportage tevens als bijlage bij deze onderbouwing is opgenomen. In het aanvullend onderzoek is ook een OCB-analyse plaats uitgevoerd.

De conclusie uit het verkennend bodemonderzoek is als volgt:

28/70

‘’Vooronderzoek NEN5725 Met het oog op het gebruik wordt de locatie beschouwd als verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE). De ondergrond wordt als onverdacht beschouwd (ONV-NL). De bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. In de regio worden gehalten aan zware metalen in het grondwater aangetoond. Deze kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek In de bovengrond ter plaatse van meetpunten 9, 12 en 13 is een bijmenging van baksteen waargenomen. De bijmenging is in het veld beoordeeld en wordt niet als asbestverdacht beschouwd. Tijdens het verrichten van de overige boringen zijn geen bijmengingen aangetroffen in de bodem die duiden op bodemverontreiniging. De beoordeling van de opgeboorde grond vormt geen aanleiding voor aanpassingen van de onderzoeksstrategie. Analyseresultaten (meng-)monsters Mengmonster BG1, samengesteld uit sporen baksteenhoudende bovengrond, wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur.

Mengmonster BG2, samengesteld uit visueel schone bovengrond, wordt op basis van gehaltes aan zware metalen ingedeeld in de kwaliteitsklasse wonen. Mengmonster BG3, samengesteld uit visueel schone bovengrond, wordt op basis van het gehalte aan zink ingedeeld in de kwaliteitsklasse industrie. Mengmonster OG1, samengesteld uit visueel schone ondergrond, wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. De gemeten gehalten van alle stoffen liggen onder de interventiewaarde bodemkwaliteit. Analyseresultaten grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 6 is een gehalte aan zink aangetoond boven de voorkeurswaarde. Conclusie De waarden van de onderzochte stoffen van de geanalyseerde mengmonsters en het grondwater voldoen aan de gestelde criteria uit Omgevingswet en Omgevingsverordening Noord-Brabant voor het beoogde gebruik. Advies Geadviseerd wordt om na het verwijderen van de vegetatie op het terrein een tweetal aanvullende boringen te verrichten en bij waarneming van bijzonderheden analytisch te onderzoeken. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt vooralsnog geen belemmering voor de beoogde bouw van woningen. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar.

Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het tijdelijk deel van een Gemeentelijk Omgevingsplan.’’

29/70

Onderstaande conclusie komt voort uit het aanvullend verkennend bodemonderzoek: ‘’Aanvullend verkennend bodemonderzoek Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek Tijdens het verrichte veldwerk zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen in de opgeboorde grond bij de meetpunten. Analyseresultaten (meng-)monsters Mengmonster BG4, samengesteld uit visueel schone bovengrond, wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. De gemeten gehalten van alle stoffen liggen onder de interventiewaarde bodemkwaliteit. Conclusie De waarden van de onderzochte stoffen van het geanalyseerde mengmonster voldoet aan de gestelde criteria uit Omgevingswet voor het beoogde gebruik. Advies De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde oprichting van woningen. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het tijdelijk deel van een Gemeentelijk Omgevingsplan.’’ Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor het plan.

4.3

Beschermen van de waterbelangen

4.3.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bopa dienen de waterbelangen te worden geborgd. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan worden de wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water. De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen.

Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het wa-

30/70

tertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(-s). Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. 4.3.2 Waterschapsverordening Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. In de Omgevingswet staan alle regels van het waterschap voor de ruimte waarin we wonen, werken en ontspannen: onze leefomgeving. Deze regels staan in één digitale verordening: de waterschapsverordening. Voorheen stonden deze regels in het waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Keur en de bijbehorende algemene regels. Met de komst van de Omgevingswet zijn deze regels vervangen door de waterschapsverordening. Artikel 2.2 lid 5 schrijft onder meer voor dat het verboden is om zonder omgevingsvergunningaanvraag water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Dit verbod geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m 2. Beoordeling Ten aanzien van de beoordeling of het plan een toename van verhard oppervlak tot gevolg heeft, dient opgemerkt te worden dat het plan voorziet in de realisatie van vijf geschakelde woningen.

Gelet hierop is met het plan sprake van een toename van het verhard oppervlak die meer dan 500 m2 bedraagt, waardoor op grond van de waterschapsverordening een verplichting tot de realisatie van een waterbergende voorziening geldt. Een en ander wordt in het onderstaande bij de toetsing aan het gemeentelijk waterbeleid nader uitgewerkt aangezien het gemeentelijk waterbeleid strenger is dan het waterschapsbeleid. 4.3.3 Gemeentelijk beleid In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Eersel 2023-2027 (vGRP) d.d. 4 oktober 2022 is, voor een periode van vijf jaar, het rioleringsbeleid van de gemeente Eersel vastgelegd. Het vGRP beschrijft, als wettelijk verplichte planvorm, op hoofdlijnen hoe richting wordt gegeven aan de rioleringszorg in de gemeente Eersel. Het betreft een strategie voor de lange termijn. Ook wordt in het plan vastgelegd welke personele en financiële middelen er nodig zijn om de strategie te kunnen realiseren. Hiermee wordt de continuïteit van de rioleringszorg gewaarborgd, in lijn met de eisen uit de wetgeving. Het vGRP vloeit voort uit een van de verplichtingen uit de Wet milieubeheer, de Waterwet en de Gemeentewet (wettelijke kaders rond de rioolheffing).

In het GRP moet inzichtelijk worden gemaakt welke voorzieningen op het gebied van riolering in beheer zijn, welke effecten deze voorzieningen op het milieu hebben en welke kosten met het beheer en onderhoud gemoeid zijn, rekening houdend met toekomstige vervanging/verbetering. In de Wet milieubeheer is ook de zorgplicht voor stedelijk afvalwater vastgelegd. De gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater zijn momenteel opgenomen in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit opgenomen in artikel 2.16 Ow (lid1a). Conform het huidig beleid blijft de voorkeursvolgorde voor waterkwantiteit (vasthouden – bergen – afvoeren) en waterkwantiteit (schoonhouden – scheiden – schoonmaken) gehanteerd. Dit geldt zowel voor de openbare inrichting als voor particuliere percelen zoals onderhavig plan. Het plan voorziet in een toename in verhard oppervlak wegens de bouw van woningen met aanhorigheden. Per m² toename in verhard oppervlak geldt op basis van het gemeentelijk beleid een compenserende waterberging van 60 mm. In het onderstaande vindt een nadere uitwerking van de watertoets plaats. 4.3.4 Watertoets Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse van de planlocatie Hoge zwarte enkeerdgronden; ‘lemig fijn zand’, zie onderstaand figuur.

31/70

Figuur 14 Uitsnede bodemkaart 1 : 50.000 (bron: bodemdata.nl/basiskaarten)

Verder is er sprake van een hoogste grondwaterstand ter plaatse van tenminste 1,5 meter beneden maaiveld, zie onderstaand figuur.

32/70

Figuur 15 GHG bron: https://wdedommel.maps.arcgis.com/apps/mapviewer/index.html (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel)

Waterkwantiteit Op alle watergangen en sloten binnen het plangebied, die zijn opgenomen in de legger, is de Waterschapsverordening van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: a. waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden; b. waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen); c. voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden, dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten, zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Binnen het plangebied zijn geen A-waterlopen met bijbehorende beschermingszone gelegen die zijn opgenomen in de legger van het waterschap. Binnen de planlocatie of in de nabijheid zijn ook geen B-waterlopen gelegen. In het onderstaande is een uitsnede uit de legger van het waterschap opgenomen ter illustratie. Veiligheid en waterkeringen

Binnen de planlocatie en in de directe omgeving zijn geen waterkeringen gelegen.

33/70

Figuur 16 Uitsnede kaart Legger Waterschap Dommel (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Toekomstige situatie Algemeen Zoals hiervoor reeds is aangegeven, geldt op grond van het gemeentelijk waterbeleid dat hemelwater op eigen perceel dient te worden verwerkt. Gemeentelijk waterbeleid gaat hierbij uit van nieuw verhard oppervlak. Dit wil zeggen oppervlak wat wordt ontwikkeld, herbouwd of opnieuw wordt aangelegd. Het te slopen oppervlak mag niet van het te compenseren oppervlak worden afgetrokken. Het nieuw verhard oppervlak bestaat in het onderhavige geval, op basis van de beoogde inrichting van de openbare ruimte / inrichtingstekening, globaal uit de volgende plandelen: - vijf woningen (hoofdbouw ca. 130 m²); 650 m2 - 3 parkeerplaatsen met grasbeton (= 37,5 m2 x 50% verhard) 18,75 m2 - 54 strekkende meter straat van gemiddeld 6 m breed 324 m2 - 10 parkeerplaatsen bij de woningen 125 m2_____+ Totaal ca. 1.118 m2 De vereiste compensatie kan berekend worden door het “nieuwe verharde oppervlak” te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m 3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m). De benodigde compensatie voor de locatie betreft dus: 1.118 x 1 x 0,06 = 67 m³. Bij de aanleg van de infiltratievoorziening is het van belang dat het water boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) kan worden geborgen.

Afhankelijk van de situering van de infiltratievoorziening mag deze derhalve een maximale diepte hebben van 140 cm beneden maaiveld. De grondwaterstand staat de bergingscapaciteit dan ook niet in de weg. Binnen de planlocatie is voldoende ruimte om te voorzien in een retentievoorziening boven GHG. Hiervoor 34/70

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=ea5de21d-3ad5-4c9b-8e7e-70e9b2b030d8