CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[23.20717] - Bijlage 1 Cultuurhistorie uitgediept gemeente Eersel

Raadsvergadering 19 december 2023, gemeente EerselBij agendapunt: Actualisatie erfgoedverordening en erfgoedkaarten gemeente Eersel38.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Het Gelderse leger werd verslagen op de 143 Van Asseldonk 2016. 144 Adriaensen 2007.

73

heide tussen Heeze en Leende. In de zomer van 1542 trok Maarten van Rossum, legerbevelhebber in dienst van Gelre, plunderend door de Meierij. Hij trok onder andere van Erp via Veghel naar Sint-Oedenrode. In juli 1543 staken de Gelderse troepen de Maas weer over en trokken plunderend van Oss via Veghel en Boxtel naar Oirschot dat vervolgens werd plat gebrand. De bruggen over de Aa werden weer afgebroken. Om een einde aan de overlast te maken viel keizer Karel V (tevens hertog van Brabant) in augustus 1543 met een groot leger Gelre binnen. De hertog van Gelre gaf zich vrij snel over. Hiermee waren de Gelderse Oorlogen ten einde. Op de grens tussen Brabant en Limburg komen als gevolg van de Gelderse invallen tal van “landweren” voor, zoals in Gemert, Bakel, Deurne, Budel en Valkenswaard. Een landweer is een kilometerslange wal, liefst met gracht en palissade of doornige struiken, waarmee men een landstreek tegen roofzuchtige (leger)benden kon afschermen. Op plaatsen waar er wegen doorheen liepen moest er ook een verdedigbare structuur zijn. In het naburige Limburg dateren de landweren uit de eerste helft van de vijftiende eeuw. In Budel markeert op de kadasterkaart een zwak gebogen lopende en 1900 meter lange sloot genaamd de “Weergracht” vermoedelijk een dergelijke landweer.

In Dommelen is een groot deel van de landweer in beeld gebracht bij opgravingen en markeert de landweer de grens tussen de gemeynte en het dorp.145 Bij Doonheide in Gemert bestond de landweer behalve uit twee greppels met een wal ertussen uit zeven rijen struikelkuilen (zie reconstructie hieronder).146

Reconstructie van de landweer bij Doonheide in Gemert (tekening P. Becx).

145 Moerman 2014. 146 Bosman 2009.

74

Staatse troepen schieten tijdens een gevecht een kerk in brand.[Uit: Uytven, R. van (red.), e.a., Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden, Zwolle/Leuven, 2004.]

2.9

De Tachtigjarige oorlog en zijn naweeën

De Tachtigjarige Oorlog, 1568 – 1648, heeft deze streek losgeweekt uit het oude hertogdom Brabant en tot onderdeel van Staats-Brabant gemaakt. Wie echter meent dat met de Vrede van Munster van 1648 de vrede en rust was weer gekeerd, heeft het mis. Nog tot een eind in de achttiende eeuw bleven bij tijd en wijle vreemde legerbenden de streek teisteren, gingen de dorpen gebukt onder de aflossing van in de oorlog aangegane leningen en werd zelfs de grens met de Zuidelijke Nederlanden diplomatiek betwist. De bevolkingsomvang was in de late zestiende eeuw erg teruggelopen. Ze herstelde weer wat, maar zeker tot 1750 was er van een echte groei geen sprake. De in hoofdzaak katholieke bevolking had bovendien te maken met de merkwaardige manier waarop men na 1648 omging met het begrip “godsdienstvrijheid”. Dit alles is reden om heel de periode 1568 – 1795 hier als één blok te bespreken. 2.9.1

De oorlog

De streek had vanaf 1572 te maken met rondtrekkende legerbenden, te beginnen met geuzen en soldaten die vanuit Weert opereerden. Dat was in een aantal dorpen reden om boerenschansen te bouwen. Daartoe werd een perceel omgeven met gracht en wal. De toegang werd een verdedigbare brug. De paar schansen die teruggevonden en herkend zijn, zijn echter zo klein, dat niet voorstelbaar is dat daar de bevolking van een heel gehucht, laat staan van het hele dorp, in ondergebracht kon worden. Misschien dienden ze alleen voor enkele afgelegen boerderijen. In 1576 kwamen Spaanse muiters op onvriendelijk bezoek 147en zo zouden er nog veel plagen volgen. De bevolking bewapende zich en in 1576 kon men de volgende aantallen noteren: 148 Bewapende bevolking in 1576.

147 Adriaenssen 2007, 94. 148 Adriaenssen, 2007, 95.

75

Plaats

Vuurwapen

steek- of hakwapen

Totaal

Gemeente 1997

Bladel

103

180

283

Bladel

Casteren

41

Bladel

Hapert

59

Bladel

Hoogeloon

84

Bladel

Duizel

39

Eersel

132

Eersel

45

Eersel

72

113

Reusel-De Mierden

Eersel

33

99

Steensel Reusel

41

Dommelen

13

13

Valkenswaard

Valkenswaard

18

31

49

Valkenswaard

Aalst

12

18

30

Waalre

Waalre

13

19

32

Waalre

Woensel

74

135

209

Bron: Adriaenssen, 2007, 95. Vervolgens kwam de streek terecht in een episode waarin min of meer de tactiek van de verbrande aarde werd toegepast, vooral in 1580-1587. Dorpen ontvolkten, velen stierven of trokken weg naar verre streken om niet terug te keren. Adriaenssen schat dat de bevolking in de Meierij toen 68,5% terugliep!149 Bladel zag in 1583 bijna heel de veestapel verdwijnen, in Eersel bleven dat jaar van de 300 huizen er maar 3 overeind. In Eersel brak daarnaast ook de pest uit waarbij de helft van de inwoners omkwam.150 Heeze, Leende, Bladel en Eersel en andere dorpen werden in 1590 als voorbeeld rigoureus gebrandschat en lagen in 1591 verlaten. 151 Overigens heetten Hulsel, Maarheeze, Soerendonk en Bladel al in 1588 onbewoond te zijn.152 Veel was daar dus niet te halen. In Bladel was in 1583 reeds de helft van de 180 huizen onbewoond, in Lage Mierde was een derde van de huizen verwoest en de bevolking van Riethoven kromp tussen 1570 en 1600 met 40%. 153 In Budel waren in 1590 inwoners in de kerktoren gevlucht, waar ook het archief lag. Dat belette de vijand niet de toren in brand te steken. Inwoners en archief verbrandden. Een ander deel van de administratie werd door de soldaten geroofd uit de sacristie.154 Het land bleef braak liggen of oogsten werden verbrand.

Na deze diepe crisis moest er veel heropgebouwd worden en het is mogelijk dat daarbij gehuchten definitief verdwenen of een nieuwe vorm kregen. Tekenend is dat veel oude dorpsarchieven, met uitzondering van een paar oudere stukken, vaak niet verder teruggaan dan deze rampperiode. Het Twaalfjarig Bestand (1609 – 1621) betekende een hele verademing. Het voorzichtige herstel zette nu met kracht door en op veel plaatsen is er een brede opleving te zien. Men vond zelfs tijd en geld om kerken te herstellen. Anders dan gehoopt hernam de oorlog in 1621 weer. In 1629 viel Den Bosch in handen van de Republiek en deze claimde daarop de zeggenschap over de hele Meierij. Dit leidde tot een periode waarin zowel vanuit het zuiden als vanuit het noorden belasting geheven werd, naast de tussendoor opgelegde brandschattingen van loslopende legerbenden. Voor de betaling van deze en eerdere oorlogslasten gingen de dorpen grote schulden aan waar ze nog tot ver in de achttiende eeuw last van hadden. Uiteindelijk werd bij de Vrede van Munster vastgelegd dat de Meierij inderdaad aan de Republiek werd toegewezen: ze ging deel

149 Adriaenssen, 2007, 275. 150 Adriaenssen, 2007, 108. 151 Adriaenssen, 2007, 210, 243. 152 Adriaenssen, 2007, 244. 153 Adriaenssen, 2007, 271. 154 Adriaenssen, 2007, 152, 235.

76

uitmaken van Staats-Brabant. Na 1648 werd de streek af en toe toch weer overlopen door legers. Zo werd in 1672 het kasteel van Cranendonk door de Engelsen opgeblazen! Samenvattend: vanaf 1572 kreeg men te maken met rondtrekkende legerbenden die brand stichtten en geld en onderhoud eisten. In de jaren 1580 – 1587 raakten heel wat dorpen geheel of deels ontvolkt en verwoest. Ook daarna bleef het tot 1609 nog bijzonder onveilig. In dit eerste deel van de oorlog werd veel vernield of beschadigd, inclusief dorpsarchieven. Het Twaalfjarig bestand bracht een korte economische opleving met herbouw, maar na 1629 zaten de dorpen weer tegen nieuwe problemen aan te kijken: naast opnieuw stroperijen ook een dubbele belastingheffing.

De plundering van een dorp gedurende de Tachtigjarige Oorlog. (Bron: Sebastiaen Vrancx, Plundering van een dorp, ca. 1615-1620, collectie Museum Kunstpalast Düsseldorf / Wikimedia Commons) 2.9.2

Herbouw

Mogelijk al enigszins na 1600, zeker tussen 1609 – 1621 en vooral na 1648 moet er veel herbouwd zijn. Het is dus te verwachten dat heel wat nu nog bestaande gebouwen in hun kern tot deze periode zullen teruggaan, al kunnen er hier of daar oudere bouwdelen bewaard gebleven zijn. Die zijn dan heel belangrijk en zeldzaam. De bouwwijze van het boerderijhoofdgebouw, het woonstalhuis, veranderde niet wezenlijk. Hooguit werd er op den duur meer baksteen verwerkt in de wanden van het woonhuis: de beginnende verstening van de boerderij. Bij de herbouw van de schuren kwam kennelijk een nieuw schuurtype in de mode: de Vlaamse schuur, waarin men langs de lange zijde van voor naar achter kon doorrijden met een beladen kar. Daarvoor moet dan het dak opwelven, wat deze schuren hun typische uiterlijk geeft. Dergelijke schuren waren zelfs exportproduct want de Eerselse timmerman Bartolomeus Jacob Jansen leverde in 1627 de gebintenconstructie voor de grote Vlaamse schuur van Gageldonk te Princenhage die er nog altijd staat.155 Behalve boerderijen moesten er ook woningen herbouwd worden voor landarbeiders, wevers en handelaren zoals de Teuten. Deels was daarbij de bouwwijze een sterk verkleind boeren woonstalhuis, deels bouwde men op

155 Leenders 1977, 71.

77

andere wijze. De rijkdom van de opdrachtgever zal mede bepaald hebben hoeveel baksteen daarbij toegepast werd. Met de herbouw van kerken ging het moeizaam. De middeleeuwse kerkgebouwen waren overgedragen aan de vaak minuscule of zelfs ontbrekende protestantse gemeenten die voor herstel echt geen geld hadden. Wat er van die oude kerken overbleef hing dus af van de opgelopen schade en de omvang van de protestantse gemeente. De kerktorens waren vaak in beheer bij het dorp of daarvoor kon men nog wel eens een tiendheffer interesseren omdat de tiendklok erin hing. Bovendien zijn kerktorens vaak wat steviger gebouwd. Zo kan het dus gebeuren dat van een oude kerk alleen de toren de zeventiende en achttiende eeuw overleefd heeft. De wat grotere kapellen werden aan geestelijk gebruik onttrokken en – als ze daarvoor gunstig gelegen waren – soms als schooltje ingericht. De oude pastorie bleef soms in handen van de abdij die ook het patronaatsrecht en het tiendrecht van de parochie bezat. Financiële regelgeving maakte dat deze instellingen de opbrengsten van hun bezit niet uit StaatsBrabant mochten exporteren. Daarom werd dat geld onder andere gebruikt om de pastorie fraai uit te bouwen. Rond 1500 hadden enkele rijkere plaatsen zich al een stenen raadhuis gebouwd. Dat werd ook zover en zo vlug mogelijk hersteld.

In andere dorpen kwam er pas financiële ruimte voor een raadhuis in de tweede helft van de achttiende eeuw.

De Marskramer van Jeroen Bosch en een valkenier. Teuten en valkeniers waren twee belangrijke ondernemende beroepsgroepen. 2.9.3

Schuil- en schuurkerken, grenskapellen

De regelgeving op het gebied van de godsdienstvrijheid maakte dat de katholieken in 1648 hun kerk moesten afstaan aan de protestanten. Bovendien mochten ze geen nieuwe kerk stichten en mochten de priesters al helemaal niet herkenbaar over straat gaan. Aanvankelijk was de protestantse overheid daar heel streng in. In die periode zijn her en der, net over de toenmalige grens van Staats-Brabant, kapellen opgericht waar men wél de kerkelijke plichten kon vervullen. Soms werd daar zelfs een speciale weg naar aangelegd. “Kerkdijk” is dan een typische naam. Het meest bekend is wel de Achelse Kluis die uitgroeide tot een compleet landgoed en klooster. Na 1672 werden de regels minder streng nageleefd en trad een systeem van systematische omkoping van de schout in werking. Als men hem een bedrag toeschoof, kneep hij een oogje dicht. Maar als de schout wat meer wilde, deed hij gewoon weer eens een inval… Het werd nu mogelijk ook op de gehuchten schuurkerken te bouwen, soms zelfs op verrassend korte afstand van de oude kerk. In de achttiende eeuw gaf de Raad van State zelfs toestemming om die schuurkerken volgens ingediende bouwtekening te verbeteren.

78

2.9.4

Dorpskomvorming

De middeleeuwse kerken hadden sinds de late dertiende eeuw vaak vrij eenzaam in de akker gestaan. In enkele plaatsen was er in de bloeiperiode rond 1500 een kleine dorpskom bij gevormd, maar nu die kerk in protestantse handen gevallen was, was daarbij niets meer te verdienen. Des te meer werd dat in de achttiende eeuw mogelijk nabij de schuurkerk. Daar ontstond soms een heuse nieuwe nederzetting. In die dorpskommen vinden we rond 1800 geen of weinig boeren, maar vooral verzorgers (smid, bakker, slager, herberg, bestuurders), verzorgden (“particulieren”, renteniers, weduwen) en in enkele dorpen ook handelaren, wagenvoerders en teuten. 2.9.5

Wegen

Het is weinig bekend, maar na 1650 is men het stelsel van doorgaande wegen in deze streek gaan verbeteren. Zeker op de heide werden ze rechtgetrokken, opgehoogd tot dijken, voorzien van een tonrond wegdek en met bomen beplant. Of daar enige coördinatie bij was is onbekend, maar het resultaat beviel zo goed, dat in 1697 verordonneerd werd om overal in de Meierij de wegen op die manier te verbeteren. Een jaartje later gaf de prins van Oranje als heer van Cranendonk aldaar eenzelfde bevel uit. In de loop van de daaropvolgende eeuw zijn zo hier en daar nog wegen op deze manier verbeterd. Zo kwam de Bredase Baan tussen Bladel en Bergeijk pas in 1788 aan de beurt! Geheel nieuw was het project om een “moderne” en zelfs bestrate weg aan te leggen van Den Bosch naar Maastricht. De zandbaan kwam een heel eind gereed (vanaf Valkenswaard zuidwaarts werd er in 1789 aan begonnen), maar de bestrating kwam in 1800 vanuit Den Bosch nog maar tot Best. Waar zo’n nieuwe weg gereed kwam, werd het stil op de oude middeleeuwse banen die erdoor vervangen werden. 2.9.6

Bebossing van de Meierij

In de tweede helft van de achttiende eeuw kwam bij landgoedeigenaren en weldenkende lieden die in deftige salons bijeenkwamen het idee op dat de uitgestrekte heidevelden maar van weinig nut waren. Men wilde ze ontginnen tot boerenland en er mensen op laten wonen en werken. Op hun landgoederen probeerden de heren een en ander uit om te ontdekken dat het mestprobleem te groot was en dat de gronden te arm waren. Wat wél lukte was om er bos van te maken. Zo kwam een nieuwe bebossingsgolf op gang, die min of meer bekroning vond in een ordonnantie van Maria Theresia uit 1772 voor de Zuidelijke Nederlanden die de bebossing van de heide beval. Een laatste bron van nieuwe bossen lijkt de uitputting van de alleroudste akkers te zijn. Het fenomeen werd bij Oerle en Den Hout (Oosterhout) eerder al opgemerkt, maar het trad ook op in Bergeijk, Westerhoven, Riethoven en Knegsel. Kennelijk was door 100 jaar of meer gebruik als akker de kwaliteit van die grond zover teruggelopen, ondanks alle bemesting, dat men over ging op het kweken van hakhout. De kadasterkaart van 1830 toont dan hakhoutbossen die net zo kleinschalig verkaveld zijn als de naastliggende akker, terwijl dat voor bos helemaal niet handig is! Nieuwe bossen op oude heide kenmerken zich echter steeds door grote ruime percelen. De bossen van de achttiende eeuw zijn veelal loofhoutbossen, met zo hier en daar een stukje met dennen.

Populieren werden op rij geplant op perceelsgrenzen en nooit in bossen. 2.9.7

Molens

De oude standerdmolen bleef het overheersende type. Heel wat molens zullen na 1600 herbouwd zijn. Sporadisch komen er geïmporteerde Hollandse achtkanters voor. Met baksteen gebouwde ronde molens komen in het Land van Breda vanaf 1676 voor. Tot 1795 verhinderde de oude wetgeving dat er nieuwe graanmolens bijkwamen. De bestaande molens stonden soms ver van de bewoonde wereld, maar de inwoners waren toch verplicht daar hun graan te laten malen. 2.9.8

Grenskwesties

Volgens de Vrede van Munster uit 1648 hoorde heel de Meierij tot Staats-Brabant. Maar waar hield de Meierij op? De Raad van State meende dat ook Postel er bij hoorde, hoewel die abdij altijd onder de voogdij Mol gehoord had en dus tot het Kwartier van Antwerpen behoorde. Dat leverde een tegenclaim op: het Zuiden meende dat Bladel

79

en Reusel bij Postel en dus de Zuidelijke Nederlanden hoorde. Elders langs de grens waren er kleine onduidelijkheden die herkenbaar aangegeven zijn op de beroemde kaart die de graaf van Ferraris in 1772 – 1777 van de Zuidelijke Nederlanden maakte. Pas in het Verdrag van Fontainebleau in 1785 werden deze kwesties opgelost. Reusel, Bladel en Lommel bleven bij het Noorden horen, Postel en Luyksgestel bij het Zuiden. Zo ver we weten heeft dit verdrag niet tot nieuwe grenspalen geleid. Bij de voorbereiding van dit verdrag werden er Ferraris-achtige kaarten gemaakt van Bladel en Reusel. 2.9.9

Naasting kerkelijk bezit

In Staats-Brabant werd al het kerkelijk bezit van binnen de Republiek gelegen kloosters en kerken door de Raad van State genaast. Omdat zij de claim handhaafden dat Postel tot Staats-Brabant behoorde, werden ook de Postelse hoeven genaast. Tot de genaaste bezitscomplexen hoorde ook het bezit van het bisdom Den Bosch. Dat was pas in 1559 opgericht en had later in de zestiende eeuw vooral veel bezit van de abdij Tongerlo overgenomen. Bezit van de kloosters van Averbode, Thorn en Echternach of Luikse kerken werd niet genaast omdat die instellingen buiten de Republiek gevestigd waren. De Raad van State gebruikte het aldus gevormde formidabel bezit aan land, altaren, cijnzen en tienden om de salarissen van predikanten en kosters-schoolmeesters van te betalen.156 Toch werden de aldus verworven boerderijen aanvankelijk nogal verwaarloosd, kennelijk omdat men van plan was ze te verkopen. Zo lag de “Hoeve te Loon bij het bos” er in 1662 nogal armoedig bij: de schuur was afgebrand, de schoorsteen van het dak gevallen, het hek om de hof was kapot en ook de schop had een bar slecht dak.157 Een eerste verkoop vond al plaats voor 1558. In dat jaar werd een inspectietocht langs wat restte gemaakt, gevolgd door een tweede in 1662 die heel gedetailleerde beschrijvingen opleverde. In 1664 was er weer een grote verkoop, maar opnieuw ging niet alles van de hand, waaronder die hoeve te Hoogeloon.

In 1719 werd deze hoeve in erfcijns uitgegeven. Een hele reeks twaalfde-eeuwse domeinhoeven is via kloosters en deels het bisdom uiteindelijk bij de Raad van State terecht gekomen en daarna verkocht of vercijnsd. Door deze hoeven te herkennen, kunnen we dus terugkijken naar de ontstaansfase van onze dorpen! Zelfs wanneer daar nu misschien een modern bedrijf staat. 2.9.10

Visserij

Al in de Middeleeuwen zijn er aanwijzingen voor georganiseerde viskwekerijen, zoals bij de Maaij in Bergeijk. Het gaat dan om de “weiers” die vaak van een klooster of plaatselijke heer waren. Een goed ingerichte weier bestond uit drie bassins in een dal met stromend water, waarin de vis opgekweekt werd. De Postelse Weier heette oorspronkelijk het Stakenvenne en werd voor het eerst vermeld in 1342. Het was toen een visvijver. In 1373 kwam het ven in handen van Postel dat de pastoor van Oerle leverde en het ligt voor de hand dat deze het ven als zijn viskweekplaats zal hebben beschouwd. Veel pastoors kweekten destijds hun eigen vis. Naast deze georganiseerde viskwekerij was er de visvangst in de grotere vennen. Bij Wintelre treffen we zelfs een Vismarkt aan. Vermoedelijk werd daar vis verhandeld die daarna in Eindhoven opgegeten werd. Deze visserijen zullen in de Tachtigjarige Oorlog wel schade geleden hebben, maar ze zijn daarna kennelijk weer hervat 2.9.11

Nieuwe ontginningen

Al in de oorlogstijd en ook daarna hebben de dorpen delen van hun gemeynte verkocht om aan geld voor de oorlogbetalingen of aflossing van schulden te komen. Dat betekende nog niet direct ontginning, want de kopers konden die grond ook als hun “Privé heide” beschouwen: een Heikamp dus. Werd er wel ontgonnen, dan kon men rekenen op een aantal jaren belastingvrijdom. Belastingontduiking is van alle eeuwen en dus liet men tegen het verlopen van die belastingvrije periode het veld weer woest worden, om een ander veld te gaan ontginnen. Zo ontstond er een gebied met “onduidelijke” gronden: slecht ontgonnen en weer woest geworden en opnieuw half 156 BHIC, Archief Generaliteitsrekenkamer, 3512 (rekening 1677). 157 NAG, Archief Raad van State (toegang 1.011.19), 2157, Beschrijvingen van Staten-hoeven, 1662. Ongefolieerd, de eerste beschrijving.

80

ontgonnen. Ach, men kon er zijn beesten op weiden en er plaggen halen en op die manier waren die gronden zonder veel investering toch ingeschakeld in het boerenbedrijf. Tegen het eind van de achttiende eeuw werd de ontginning wat systematischer aangevat. Opnieuw werden stroken uit de gemeynte verkocht. Nu werden ze netjes ingemeten en in rechte stroken verdeeld die aan de weer groeiende bevolking verkocht konden worden. Een typische benaming hiervoor is: Nieuwe Erven. Op sommige van deze ontginningen verrezen ook boerderijen. Nadat de wegen in de loop van de achttiende eeuw sterk verbeterd waren, had men de grote breedte van de oude banen niet meer nodig. Daardoor konden ook die restruimten, die tot de gemeynte behoorden, verkocht worden. Soms leidde dit tot een dubbele rij boerderijen en woningen: een oude die op de rand van de brede baan gestaan had, en een nieuwe die langs de nieuwe smalle weg staat.

2.10 De periode 1800 – 1960 K.A.H.W. Leenders De inval van Franse troepen in 1793 luidde een twintigjarige periode met veel veranderingen in. Uiteindelijk ontstond daaruit het koninkrijk der Nederlanden waar in 1815 de Zuidelijke Nederlanden aan toegevoegd werden, waarna deze 15 jaar later weer hun eigen weg gingen. De grensafbakening tussen Nederland en België was pas in 1843 gereed. Vooral na 1900 onderging de streek ingrijpende veranderingen. 2.10.1

De kerken

De omwentelingen brachten voor de katholieken weer meer vrijheid. Ook moesten de kerkeigendommen opnieuw verdeeld worden tussen de katholieken en de protestanten. In de meeste plaatsen betekende dit dat de oude kerk – of wat er van over was – weer in katholieke handen kwam en de protestanten een nieuw bedehuis moesten zoeken. Een aantal nieuwe kerkgebouwen was het resultaat, mede omdat sommige oude kerken onbruikbare ruïnes waren. Nadat de strijd om de kerken gewonnen was, richtte de Kerk zich op de inrichting van kloostertjes van waaruit scholen voorzien werden met onderwijzend personeel. Zo vormde zich een klassiek geworden dorpscentrum: kerk, kerkhof, pastorie, klooster en school. Met daarbij natuurlijk een kroeg en banketwinkel. Toen ook dat geregeld was, werd de rest van het landschap gekerstend door de plaatsing van kapelletjes en wegkruisen. 2.10.2

De molens

Ook de molens werden vrijgemaakt. De oude heerlijke monopolies werden afgeschaft. Een molen oprichten vereiste nu vooral de verkrijging van een hinderwetvergunning. In de loop van de 19 e eeuw zijn er heel wat nieuwe windmolens opgericht. Meestal waren het stenengraanmolens, soms kocht men tweedehands ergens een molen. Vanaf het midden van de negentiende eeuw is men in de stenen windmolens stoommachines gaan bijplaatsen. Zo kon de molen ook bij windstilte draaien. Rond 1907 werden die soms vervangen door een zuiggasmoter en vervolgens door diesel of elektriciteit. Op den duur maalden de molens hoofdzakelijk op motoren: het waren maalderijen geworden en nieuwe maalderijen werden daarom ook als een gewoon fabriekspand gebouwd. 2.10.3

De grenzen

In het Keizerrijk Frankrijk had men het systeem van het grondkadaster tot in detail uitgewerkt en in uitvoering gebracht. Zo werd het toen Franse Weert al in 1808 en 1809 op de Franse wijze gekarteerd. Noord-Brabant hoorde toen enkele jaren tot het koninkrijk Holland en dat liet het kadasterwerk op z’n Hollands doen. In de archieven vinden we er nog registers van, kaarten zijn zeldzaam en het werk was nog lang niet af toen NoordBrabant ingelijfd werd bij Frankrijk, eind 1809. In de “Hollandse” periode werden Luyksgestel en Lommel tegen

81

elkaar geruild met het keizerrijk Frankrijk zodat het Grand Canal du Nord geheel in het keizerrijk zou kunnen worden aangelegd.158 De Fransen begonnen het kadasterwerk opnieuw en na 1813 werd dit werk voortgezet. Het werd per 31 december 1831 voltooid en is de basis voor het huidige kadastersysteem. Het maken van een kadaster begon met het afbakenen van de kadastrale gemeente. Ieder grensvak werd door de beide gemeente besturen en de kadastermensen in het veld nagelopen en vastgelegd. Problemen en geschillen kwamen zo aan het licht en konden op een hoger niveau vaak snel opgelost worden. Vervolgens werd het afgebakende gemeentegebied perceelsgewijs opgemeten, in kaart gebracht en van een beschrijvende tabel voorzien. Naast de stapel “minuutplans” werd er ook een overzichtskaart gemaakt. Dit basismateriaal moest bewaard blijven en mocht niet meer veranderd worden. Toch zijn hier en daar minuutplans verdwenen en soms heeft men die later weer gereconstrueerd. Overzichtskaarten gingen vaker verloren en ook die werden later weer gereconstrueerd. Op die reconstructies staat niet meer het jaartal van afronding van het kadasterwerk, dat wel op de originelen stond. Dat maakt dat we die datum soms moeten schatten. In de meeste plaatsen werd het kadasterwerk in 1826 – 1830 afgerond.

Bij het vaststellen van de kadastrale gemeentegrenzen werden al enkele onhandige situaties verholpen, zoals de lange spievormige uitloper van Eersel tot de paal Schoongars. Deze uitloper werd aan Bergeijk toegevoegd. Waar dat nodig was heeft men de gemeentegrenzen opnieuw gemarkeerd meestal met aardhopen, soms een extra grenspaal. Elders volstonden oude grenspalen of beken als afbakening in het veld. Grote veranderingen kwamen er pas bij het vastleggen van de grens tussen Nederland en België. Over grote lengte is dat de oude grens van Fontainebleau uit 1785, maar hier en daar zijn er onhandige situaties verholpen. De spievormige uitlopers van Bergeijk en Luyksgestel naar Schoongars werden afgekapt. Bergeijk kreeg er een nieuwe maar overal even brede uitloper in het noordoosten van Postel voor terug. Een andere spievormige uitloper van Bergeijk werd eveneens voor een blokvorig stuk grond geruild. Ten zuiden van Budel werd een driehoek die tot Bocholt behoorde naar Weert overgeheveld. Daarbij werd ook de eerder nog met aardhopen afgebakende zuidgrens van Budel weer wat gewijzigd. De “hik” in die zuidgrens dateert dus van 1843. Langs de nieuwe grens werden vervolgens genummerde grote grenspalen gezet, met daartussen kleine grensstenen. Deze grenspalen zijn er veelal nog, ze functioneren nog steeds als grenstekens. Enkele zijn echter gestolen.

De kadastrale gemeenten komen hier steeds overeen met de burgerlijke gemeenten. Wel werden al in het midden van de negentiende eeuw enkele kleine veranderingen in gemeentegrenzen doorgevoerd, maar in hoofdzaak bleven de gemeenten bijna een eeuw ongewijzigd. Daarna volgden nog wat veranderingen en samenvoegingen, tot de grote gemeentelijke herindeling die per 1 januari 1997 in werking trad. 2.10.4

Verkeer

De bestrating van de grote weg van Den Bosch naar Maastricht werd voortgezet en afgerond en er werden nog wat nieuwe kaarsrechte banen over de heide tussen de dorpen aangelegd, maar die bleven onverhard. In het midden van de negentiende eeuw konden de verbindingswegen tussen de dorpen verheven worden tot “provinciale weg”. Ze werden dan waar nodig van rare bochten ontdaan, bestraat en van bomen voorzien. De kaarten van rond 1900 laten zien dat er zo een netwerk van verharde wegen was ontstaan dat de dorpskernen verbond. Na 1900 werden binnen de gemeenten geleidelijk meer wegen verhard en tegen 1950 waren alle gehuchten ook over degelijke wegen bereikbaar. Na de kanalenbouwperiode 1807 – 1846 volgde een periode waarin spoorwegen gezien werden als een modern middel voor massatransport. De eerste stoomtrein op het vasteland van Europa reed in 1832 tussen Mechelen en Brussel. Nederland volgde in 1839 met de lijn Haarlem – Amsterdam. De eerste trein bereikte Noord-Brabant vanuit Antwerpen in 1854. Vooral in de jaren 1860 werd het spoornet in de provincie uitgebreid. De eerste 158 Sanders, van Ham & Vriens (red.) 1996, 36.

82

spoorlijnen in Zuidoost-Brabant waren de lijnen Neerpelt – Eindhoven door Valkenswaard (1866) en Neerpelt – Roermond via het zuiden van Budel. Deze laatste was en is een deel van de IJzeren Rijn tussen Antwerpen en het Ruhrgebied en werd aangelegd in 1879. In 1959 werd het oude spoorlijntje tussen Valkenswaard en Eindhoven, waarop tot in 1945 ook personenvoer was, opgeheven en vervangen door een omleiding over Geldrop en Heeze. 2.10.5

Nederzettingsontwikkeling

Rond 1800 hadden de oude dorpsgemeenschappen in de regel een min of meer duidelijke hoofdkern die zich als “dorp” presenteerde, naast een hele verzameling gehuchten daaromheen. In de toen 25 gemeenten in de Kempen waren er ongeveer 185 gehuchten, dat is gemiddeld ruim 7 per gemeente. Veel van de dorpen en gehuchten hadden het karakter van lintbebouwing met ergens een pleintje. Die lag oorspronkelijk op de rand tussen akker en beekdal, of akker en hei en bestond eerst uit boerderijen en woningen voor landarbeiders. In de grotere nederzettingen had je daarnaast ook allerlei “verzorgers”, renteniers, wevers en handelaren. In de loop van de negentiende eeuw is aan dit patroon niet veel verbeterd, al werden er in de lintbebouwing alsmaar woningen toegevoegd en kregen de grotere kernen naast de vernieuwde en vergrote kerk ook een pastorie, school, klooster en gemeentehuis, later aangevuld met een post- en telegraafkantoor. Na 1900 zou de opkomst van de grote fabrieken in Eindhoven, Aalst, Waalre en Valkenswaard tot gemakkelijk bereikbare woonplaatsen buiten de grote stad maken. Die bevolkingsgroei werd vooral opgevangen door het verdichten en uitbreiden van de lintbebouwing en door het bijbouwen van nieuwe straten en zelfs wijkjes. Zo raakten gehuchten met elkaar verknoopt of werden ze tot rand van de dorpsbebouwing.

De andere dorpen en gehuchten hadden ook met verdichting en verlenging van de lintbebouwing te maken, maar in mindere mate. Na de oorlog werd door het bouwen van woonwijken getracht de lintbebouwing te stoppen. Die dorpse woonwijken verrezen vaak juist op de oudste akkers zodat de landbouw moest opschuiven naar jonger ontgonnen gronden. Op het “echte” platteland verrezen nieuwe boerderijen en tegen 1950 bereikte de boerderijdichtheid zijn maximum. Door schaalvergroting, verstedelijking en de stop op de ontginningen is het aantal agrarische bedrijven sindsdien dalende. In deze periode werd de “verstening” van de boerderij vrijwel voltooid. Steeds meer delen van het woonstalhuis kregen een bakstenen wand en nieuwe boerderijen werden in toenemende mate geheel met bakstenen wanden gebouwd. De boerderijen bleven lange tijd in hoofdzaak uit meerdere gebouwen bestaan: een woonstalhuis, een schuur, bakhuis en nog wat bijgebouwen. Alleen de kleine boerderijen kregen alles onder één dak. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen nieuwe boerderijtypen in zwang. Werd aanvankelijk de zuivel op de boerderij zelf bereid, in de negentiende eeuw verschenen er steeds meer melkfabriekjes waarin dat gecentraliseerd en gemechaniseerd kon gebeuren. Net als de graanmolens kregen ook deze melkfabriekjes een stoommachine als krachtbron. 2.10.6

Ontginningen

De traag maar gestaag voortgaande ontginning van de Noord-Brabantse zandgronden had in de Meierij in de periode 1650 – 1800 het cultuurland met de helft vergroot. Rond 1800 trad, gestimuleerd door de geblokkeerde import van graan, een kort ontginningsgolfje op. Het oude tragere tempo werd daarna hernomen, tot nieuwe ontwikkelingen zich aandienden. De woeste gronden waren in veel gevallen rond 1800 gemeentelijk eigendom geworden. De gemeenten werden gestimuleerd om dat eigendom zo rap mogelijk af te stoten. Bosbouw Door het voortdurende tekort aan mest, was het in de negentiende eeuw niet goed mogelijk de heide tot boerenland te ontginnen. Dergelijke ontginningen bleven dan ook beperkt van omvang. Wat wel lukte was het bebossen van de heide. Aanvankelijk plantte men vooral loofhout en ook dennen aan, maar toen de streek eenmaal ontsloten raakte met spoor- en kanaalverbindingen naar de kolenmijnen van Wallonië en later ook Belgisch en Nederlands Limburg, ging de den overheersen. In handzame mootjes gezaagd leverde de den 83

immers zeer gewild stuthout voor de mijnen op. Vanaf de jaren 1870 was kunstmest bekend. Deze oplossing voor het mestgebrek drong in Noord-Brabant pas na 1900 echt door. De heide verloor niettemin al tegen het eind van de negentiende eeuw haar functie in de mesthuishouding geheel, want ze begon snel dicht te groeien. Na 1900 werd de hei al niet met behulp van kunstmest tot boerenland ontgonnen, naast de voortgaande bebossing. Op dat boerenland verschenen weldra weer heggen en houtkanten, zodat ook de introductie van de kunstmest in eerste instantie bijdroeg aan het meer gesloten maken van het zandlandschap. De Utrecht Een grootschalige heideontginning in Reusel – De Mierden en Hilvarenbeek leidde tot het ontstaan van het landgoed De Utrecht. Het grootste deel daarvan werd tussen 1898 en 1940 aangekocht, ontgonnen en ingericht door de verzekeringsmaatschappij De Utrecht, tegenwoordig de AMEV. De huidige verschijningsvorm is kort na 1945 tot stand gekomen toen ook de laatste gedeelten werden ontgonnen. Dat het oostelijke gedeelte niet geheel is ingericht met productiebossen hangt nauw samen met een cultuuromslag van de verzekeringsmaatschappij omstreeks 1920. Behalve een winstgevend beleggingsobject wilde zij tevens het natuurlijke beeld van het oude Kempenlandschap bewaren en tegelijkertijd een fraai recreatiegebied creëren. Dit hing ook nauw samen met publicitaire doeleinden.

Hierdoor kreeg het landgoed een tweeledige bestemming, enerzijds economisch en anderzijds recreatief, die een ruimtelijke weerslag had. De Utrecht weerspiegelt de omslag van puur ontginning van heide tot bos, naar landschapsbehoud, zoals die in de 20ste eeuw in Noord-Brabant optrad. Vennen kenden aanvankelijk een subtiel evenwicht tussen natuurlijke processen zoals waterpeilschommelingen onder seizoensinvloed, verlanding door veenvorming, en menselijk ingrijpen zoals turfbaggeren, het wassen van schapen en het handhaven van de omringende heide. In de twintigste eeuw veranderde dat menselijk handelen van karakter. Het vennengebied op de Groote Heide (Heeze – Leende en Geldrop – Mierlo) werd gebruikt als oppervlaktewaterwingebied voor Eindhoven. In het vennengebied van Vessem werd een drinkwaterpompstation aangelegd. Dat eens zo waterrijke gebied heeft nu zeer droge gronden. Elders zijn veel vennen ontwaterd of hebben ze een lagere waterstand gekregen door de algemene daling van het grondwaterniveau. Vroeger hadden veel vennen een voedselarm karakter. Door het opdringen van de regelmatig bemeste ontgonnen gronden ging dat langzaam verloren waardoor de flora en fauna van de vennen veranderden. Ook de omgeving veranderde en heidevennen werden tot bosvennen.

Voor het ontginnen van het landgoed de Utrecht bij Hilvarenbeek werd een diepploeg, voortgetrokken door een locomobiel, ingezet (Bron: Zandstad.nl). 2.10.7

De heggen

De heggen rond akkers en bochten hadden vanouds een functie gehad als veekering en als producent van timmer, zaag-, gerief- en brandhout. Eikenhakhout leverde bovendien schors waaruit looistof gewonnen werd. Het was daarmee van belang voor de lederindustrie. Door onderhoud van de heggen zoals snoeien en bijplanten 84

werd de veekerende functie in stand gehouden. Oordeelkundig oogsten van het zesjarig hout garandeerde een permanente houtvoorziening. De heggen konden pas verdwijnen toen voor al die functies goede alternatieven beschikbaar kwamen. Voor de scheidingsfunctie kwam rond 1900 het in 1883 uitgevonden prikkeldraad beschikbaar. Vanaf 1902 werd het ook binnen Noord-Brabant, te Aarle-Rixtel, gemaakt. Als brandstofleverancier werden de heggen hoofdzakelijk vervangen door de olie en de kolen die als retourvracht voor het mijnhout naar Noord-Brabant kwamen. Buurtspoorwegen, vrachtwagens en kanalen brachten de nieuwe brandstoffen het platteland op. De heggen leverden ooit ook hout voor het onderhoud van boerderij en gereedschappen. Maar de hoeven werden meer en meer van duurzaam materiaal gebouwd, terwijl gereedschap bij de smid te koop was. Bovendien kon de boer in de altijd nabije bossen wel wat hout halen of kopen. De lederindustrie schakelde vanaf 1904 over op chroomlooiing, waardoor ook de vraag naar schors verdween. De heggen leverden vrij plotseling niets meer op, terwijl het onderhoud ervan vaak door ingehuurde specialisten gedaan werd. Die werden nu te duur en verdwenen van het veld. Heggen verwilderden, werden slecht gesnoeid en verloren hun ondoordringbaarheid of schoten hoog door. Hoewel daarmee de kwaliteit achteruit ging betekende dat nog geen verdwijnen.

Vermoedelijk zijn heel wat heggen pas doelbewust gerooid toen ze er, door gebrek aan onderhoud, erg slecht aan toe waren.

85

3

Werkwijze Erfgoedkaart

De erfgoedkaart is een digitale opeenstapeling van gebieden en objecten (GIS-kaart). Hier zijn de te registreren "cultuurhistorische waarden" breed opgevat. Het gaat hierbij, conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, om: -

historisch-geografische landschapselementen (oude akkers, wegen, vloeiweiden, laanbeplanting etc.);

-

gebouwde elementen (watermolen, schans, kapel, kruis, etc.);

-

historische bewoningskernen (dorp, gehucht, huizengroep, woonwijk, etc.);

-

archeologische vindplaatsen (grafheuvels, nederzettingen, kasteel, etc.);

-

gebouwde monumenten (boerderijen, landhuis, herberg, café, etc.).

De cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart gaat uit van een onderverdeling naar landschappelijk, historisch en archeologisch thema en vervolgens naar subthema of nadere typering van het object of gebied. Dit is aantrekkelijker dan een rubricering volgens dimensionaliteit (punt - lijn - vlak) omdat het toelaat binnen een thema elementen te behandelen die onderling structureel samenhangen, maar toevallig een verschillende dimensionaliteit hebben. Door te werken met thema’s en subthema’s kan de diversiteit, eigenheid en complexiteit van het landschap beter worden gevangen. De afbakening van de gemeente volgens de huidige gemeentegrenzen komt hier en daar niet overeen met historische grenzen. Daarom beslaat de erfgoedkaart meer oppervlakte dan de huidige gemeente. In de catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (zie bijlage 3) worden de resultaten van de inventarisatie van de erfgoedkaart in detail beschreven. Binnen de hoofdindeling naar fysiek landschap, historisch landschap en archeologisch landschap, zijn alle geïnventariseerde gegevens onderverdeeld naar thema en naar type gebied of object (ofwel subthema genoemd). Elk object of gebied bezit een eigen “Uniek nummer” dat als volgt is opgebouwd: gemeentenummer.themanummer.subthemanummer.volgnummer (bijv. 1.14.4.085).

Bij het maken van de erfgoedkaart zijn de geïnventariseerde cultuurhistorische objecten en gebieden verdeeld naar thema en subthema. In totaal gaat het om 40 thema’s met bij het fysieke landschap 30 nadere typeringen of subthema’s, bij het historisch landschap 219 nadere typeringen en bij het archeologisch landschap 43 nadere typeringen; zie voor het overzicht van de opbouw van de inventarisatie van de erfgoedkaart, tabel 1 op de volgende pagina. Doel van de inventarisatie is om niet alleen een inventarisatie van nog zichtbare overblijfselen uit het verleden op te stellen, maar vooral een overzicht van voormalige elementen en structuren met hun landschapsgenetische context, ongeacht de mate waarin deze thans aan de oppervlakte nog zichtbaar zijn. Dit biedt de mogelijkheid om gericht archeologische waarden te beschermen (en bij onafwendbare vernietiging te onderzoeken), maar ook om de planvorming te adviseren over het bewaren en eventueel herstellen van cultuurhistorische waarden. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan stedenbouwkundige plannen, maar ook aan de planning rond landinrichting en natuurbeheer en natuurbouw.

Om de relaties tussen de fysieke ruimte en hetgeen in de loop van de eeuwen door de mens tot stand is gebracht te begrijpen, wordt in het kader van deze inventarisatie een analyse gemaakt van zowel fysieke (reliëf en bodem) als antropogene (grondgebruik, bewoning, percelering) landschapscomponenten en hun samenhang. Niet alleen de afzonderlijke historisch bepaalde landschapscomponenten, maar ook hun samenhang met reliëf en bodem worden door de moderne alles gelijkschakelende ontwikkelingen vaak in hun voortbestaan bedreigd. Wellicht kan in toekomstige planvorming ook die samenhang behouden blijven, wanneer informatie daarover eenmaal beschikbaar is.

86

Tabel 1: Thema’s en sub thema’s die voor de Erfgoedkaart van Zuidoost-Brabant van toepassing (kunnen) zijn:

87

3.1

Inventarisatie fysieke landschap

De inventarisatiekaart van het fysieke landschap is een reconstructie van het natuurlijke landschap, voor de mens daar grote veranderingen in ging aanbrengen. De kaart is vooral van belang voor het inschatten van archeologische potenties en als basis voor de historisch-geografische ontwikkeling. Met een historischlandschappelijke analyse zijn ook de huidige verstedelijkte gebieden in de regio qua bodem geïnventariseerd. Deze gebieden zijn namelijk nooit beschreven in de standaard bodemkaarten of geomorfologische kaarten. Voor die bewerking is uitgegaan van de oude topografie en de samenhang tussen landschappelijke structuren uit 1838 met geomorfologische en bodemkenmerken, zoals die juist buiten het stedelijke gebied aanwezig zijn. Verdere verfijning is verkregen door gebruik te maken van de digitale hoogtegegevens. Omdat de mens in het landschap echter altijd al aan het werk is geweest, zowel door directe ingrepen als door gevolgen van ingrepen elders, is niet van één bepaalde tijdsperiode uitgegaan. Er is vooral praktisch te werk gegaan, waarbij de grote "kunstwerken" (ophogingen, afgravingen, kanalisaties etc.) buiten beschouwing zijn gebleven, evenals de in het platteland veel voorkomende kleine zandafgravingen. De kaart van het fysieke landschap vertoont meerderde thema’s, genummerd 01 tot en met 11. Thema nr

Thema naam

01

De lage zandgronden

02

De lage dekzandruggen

03

De hoge dekzandruggen

04

Duinen en stuifkoppen

05

Laagte op het Hoge

06

Dalen op het Hoge

07

Beken

08

De moeren op het Hoge

09

Hei

10

Grote Structuren

11

Restbossen

Tabel 2. Thema’s fysieke landschap De beschrijving van de reconstructie van het fysieke landschap is opgenomen in de bijgevoegde catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart (bijlage 3).

3.2

Inventarisatie historisch landschap

Bij de reconstructie van het historische landschap wordt niet uitgegaan van een kaartbeeld dat bij één welgekozen moment in het verleden hoort. Het is een opeenstapeling van landschappelijke elementen uit ruwweg de acht eeuwen tussen 1200 en 1950, voor zover we daar enig zicht op hebben. Dat betekent dat ook de functieveranderingen in zicht komen die een zelfde object of gebied in die lange tijd kan hebben ondergaan. De reconstructie van het historische landschap wordt ook hier beschreven volgens thema’s en subthema’s. Deze thema's zijn gekozen op basis van de belangrijkste vormende krachten in het historische landschap in de regio. Gehuchten zijn een typisch fenomeen in Zuidoost-Brabant. Andere thema's zijn meer van algemene aard, zoals lokale en doorgaande wegen, kerkelijke en bestuurlijke objecten, molens en kanalen. Onder het thema "meubilair" zijn allerlei uiteenlopende elementen van het landschap samengebracht die niet onder een van de voorgaande thema’s geplaatst konden worden. Denk aan een bijzondere boom, gedenkteken, school, zandwinput, e.d. Bij de

reconstructie van het historisch landschap zijn niet alleen terreinkenmerken, gebouwen, wegen en wateren opgenomen, maar ook volksverhalen en andere bijzondere herinneringen kunnen er een plaats in vinden als ze aan een aanwijsbare plek verbonden zijn. Ieder element krijgt een beschrijving, waarin de geschiedenis van die plek kort geschilderd wordt. De thema’s worden volgend op het fysieke landschap doorgenummerd van thema 12 t/m 31. Thema nr.

Thema naam

12

Oude infrastructuur

13

Doorgaande wegen

14

Lokale wegen

15

Gegraven waterlopen

16

Molens

17

Gehuchten

18

Heerlijkheden

19

Landgoederen

20

Bosbouw

21

De oude akkers

22

Ontginningssystemen

23

De beemden

24

Bestuurlijk

25

Militair

26

Kerkelijk

27

Meubilair

28

Grondstofwinning

29

Industrieel

30

Woonwijk

31

Historische bouwkunst

Tabel 3. Thema’s historisch landschap Het voordeel van deze opzet is dat de “relicten” van onderdelen van het historische landschap beter te begrijpen zijn en dat bij het beschrijven ervan een relevant verhaal gevonden wordt. Doordat de reconstructie van het historische landschap ligt op de ondergrond van de reconstructie van het natuurlijke landschap, is het bovendien eenvoudig om de relatie tussen beide te zien. Je ziet bijvoorbeeld in één oogopslag of een weg op een rug ligt, in een laag gebied of net op de overgang tussen hoog en laag. De beschrijving van de reconstructie van het historisch landschap is opgenomen in de bijgevoegde catalogus van de cultuurhistorische inventarisatie van de erfgoedkaart ( bijlage 3).

3.3

Inventarisatie archeologisch landschap

De kaart van het archeologisch landschap verschaft kennis over de plaats en aard van nog aanwezige waarden en kennis van de plaats waar deze niet (meer) aanwezig zijn of niet verwacht worden. Op detailniveau kan deze kennis veelal pas verkregen worden door inventariserend onderzoek binnen plangebieden. Het streven bij de vervaardiging van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart, die uit de inventarisatie voortvloeit, is echter om deze kennis ten behoeve van preventief beleid op hoofdlijnen in beeld te brengen en voor zover mogelijk te detailleren in gebieden waar de meeste ruimtelijke druk op staat. Hiertoe is allereerst zoveel mogelijk uitputtend geïnventariseerd van wat er archeologisch bekend is uit het onderzoeksgebied: welke onderzoeken zijn er uitgevoerd, welke vondsten zijn gedaan, welke gebieden hebben een bepaalde archeologische waarde of zijn

89 van 181

aangewezen als monument. Al deze informatie is verzameld in een database, die gekoppeld is aan de fysieke kenmerken van het betreffende gebied en op grond waarvan verwachtingen over mogelijk aanwezige archeologie benoemd konden worden (verwachtingsmodel). Om de beschikbare vindplaatsgegevens te kunnen gebruiken in het verwachtingsmodel zijn de gegevens eerst verwerkt, waarbij ze opnieuw zijn ingedeeld naar datering en complextype. Voor de onderverdeling naar perioden is gekozen voor een zo algemeen mogelijke indeling die in belangrijke mate op de indeling van ARCHIS is gebaseerd. Waar dit niet het geval is, is ervoor gekozen de gegevens zoveel mogelijk wel zo in te delen. Dit heeft geleid tot een indeling zoals hieronder is weergegeven. Voor onderhavig onderzoek is een onderscheid gemaakt tussen de volgende archeologische perioden159: 1. Midden Paleolithicum (300.000 - 35.000 jaar geleden); 2. Laat Paleolithicum (35.000 - 9.600 jaar geleden); 3. Mesolithicum (9.600 jaar geleden - 4.900 voor Chr.); 4. Neolithicum (4.900 - 2.000 voor Chr.); 5. Bronstijd (2.000 - 800 voor Chr.); 6. IJzertijd (800 - 12 voor Chr); 7. Romeinse tijd (12 voor Chr. - 450 na Chr); 8. Vroege Middeleeuwen (450 - 1.050 na Chr.); 9. Volle en Late Middeleeuwen (1.050 - 1.500 na Chr.); 10. Nieuwe tijd (1.500 na Chr. - heden). Helaas kan een aantal vindplaatsen niet exact op periode gedateerd worden.

Voor deze vindplaatsen is de periode 'onbepaald' toegevoegd. Indeling in bovenstaande perioden betekent ook dat een aantal vindplaatsen zijn samengevoegd. Op grond van de vindplaatsgegevens kan het archeologisch landschap worden onderverdeeld in 9 thema’s, 32 tot en met 40, met daaronder weer diverse subthema’s (ook wel complextype geheten in de archeologie: nederzetting, grafveld, grafheuvel, kasteelheuvel, rituele depositie, etc.).160 Thema nr

Thema naam

32

Bewoning (inclusief verdediging)

33

Religie (cultus/heiligdom)

34

Begraving

35

Infrastructuur

36

Agrarische productie en voedselvoorziening

37

Grondstofwinning

38

Industrie en nijverheid

39

Depot

40

Onbekend

Tabel 4. Thema’s archeologisch landschap Dit archeologische landschap sluit qua opzet en indeling aan op de lagen van het fysieke en historische landschap, waardoor een eenduidig geheel ontstaat. We zien bijvoorbeeld ook een overlap in begrippen op plaatsen waar zowel archeologische vondsten zijn gedaan van bijvoorbeeld een kerk of kasteel en waar deze fysiek ook nog steeds aanwezig is.

159 Brandt, Drenth, Montforts, Proos, Roorda & Wiemer 1992. Lanting & van der Plicht 1995/1996. Lanting & van der Plicht 1997/1998. Lanting & van der Plicht 1999/2000. Lanting & van der Plicht 2001/2002. Lanting & van der Plicht 2005/2006. 160 Wit & Sloos 2008.

90 van 181

3.4

De basis voor de erfgoedkaart

Om een reconstructie te kunnen maken van het fysisch, historisch en archeologisch landschap van de gemeente Eersel zijn verschillende stappen uitgevoerd, die hieronder nader zullen worden beschreven. Allereerst zijn in ArcGIS zoveel mogelijk basisgegevens verzameld waarmee een digitale basisatlas tot stand is gebracht. De basisatlas vormde daarmee de ruggengraat van onze inventarisatie, de geografische kapstop waaraan alle informatie opgehangen werd. De atlas was vooral ook een hulpmiddel om allerlei informatie te koppelen aan een oud of nieuw plekje op de kaart en daarnaast bevatte de atlas zelf ook zoveel informatie dat analyse hiervan hielp bij het opstellen van de eindproducten. Hieronder volgt een overzicht van de digitale bronnen die zijn gebruikt in de basisatlas ten behoeve van de inventarisatie van de erfgoedkaart: -

GBKN en de kadastrale ondergrond (gemeente);

-

Google maps en streetview;

-

Actuele topografie: Top10 kaart van Topografische Dienst Nederland;

-

Actueel Hoogtebestand Nederland, AHN-3, versie 2014-2019;;

-

Hoogtekaarten van voor de ruilverkaveling (1:10.000 bij Top Dienst/Kadaster);

-

Geomorfologische kaart (schaal 1:50.000);

-

Bodemkaart (schaal 1:50.000 en deels schaal 1:10.000/25.000);

-

1790: Kaart van de Meierij van ’s-Hertogenbosch door Hendrik Verhees;

-

Kadaster kaarten1832;

-

1838: Manuscriptkaarten TDN, opgenomen 1837 en 1839. Oorspr. Schaal 1:25.000. Afgedrukt in: Wolters-Noordhoff. Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000. Deel 4: Zuid-Nederland 1838 1857. Groningen, 1990;

-

Topografie ca 1845: Voordt-Pieck, L. van der, M. Kuijl. Statistiek der provincie Noord-Braband volgens de uitkomsten van het kadaster bij deszelfs invoering. Maastricht, 1845 (Geografisch Etablissement F. Desterbecq);

-

Topografie kaarten TDN (Bonnekaartjes) ca 1900 en 1930. Historische Atlas van Noord-Brabant. Chromotopografische Kaart des Rijks oorspronkelijke schaal 1:25.000. Afgedrukt in: Wieberdink, G.L. (samensteller). Historische Atlas van Noord-Brabant. Chromotopografische Kaart des Rijks 1:25.000. Den Ilp, 1989;

-

Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant, editie 2006, 2010 en 2016;

-

Aardkundige waardenkaart van Noord-Brabant 2009;

-

Historisch Grondgebruik Nederland digitaal 50m raster (Alterra);

-

Topografie ca 1948 (Topografische Kaart 1:50.000);

-

Topografie ca 1985: Wolters-Noordhoff. Grote Provincie Atlas 1:25.000. Noord-Brabant/Oost. Groningen, 1990;

-

Topografische kaarten TDN 2004: ANWB Topografische Atlas 1:25.000. Noord-Brabant. Den Haag, 2005 (2e druk);

-

Topografische kaarten divers 20e/ 21e eeuw via Esri Nederland; Kadaster; Gemeentekaart (t/m 1:768.000), TK200 (t/m 1:192.000), TOP50 (t/m 1:48.000), TOP25 (t/m 1:6.000);

-

Ontgrondingenkaart Provincie Noord-Brabant 1950-1998;

-

Veiligheidsrisicokaarten Zuidoost-Brabant voor grootschalige ondergrondse infrastructuur;

-

Bodemsaneringen en stortplaatsen Provincie Noord-Brabant (Bodemloket.nl en https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Stortplaatsen );

-

BAG bestanden;

-

Luchtfoto’s (oud en nieuw);

-

Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE);

-

Beschermde landgoederen en stads- en dorpsgezichten (RCE);

-

Rijks- en gemeentelijke monumenten (RCE en gemeente);

91 van 181

-

Archeologisch Informatiesysteem (Achis) (RCE);

-

Erfgoedkaarten Kempengemeenten.

Het opsporen van cultuurhistorische waarden in het landschap leidde vaak naar mogelijke archeologische gegevens in de bodem. Door het samenvoegen van de informatie in één catalogus en op één kaart werd al snel de wisselwerking tussen de twee takken duidelijk. Bij het reconstrueren van het historisch landschap doken bijvoorbeeld plekken op die archeologisch interessant zijn, zoals oude voorden, omgrachte oude hoeven, wallen en schansen. Deze elementen zijn vervolgens in de archeologische verwachtingen- en waardenkaart verwerkt.

Detail van de Hertheuvelse Hoef op de kaart van Averbode (datering 1650 - 1659). Bij de Hertheuvelse Hoef stond midden 17e eeuw een omwaterd stenen huis ofwel “Kasteel”. Het kasteelterrein is heden ten dage nog te herkennen aan een wat lager gelegen veld met resten van een gracht.

92 van 181

4

Actualisatie archeologie

4.1

Inleiding

Om tot een betrouwbare en actuele archeologische verwachtingen- en waardenkaart te komen, is het noodzakelijk te inventariseren welke onderzoeken de afgelopen jaren zijn uitgevoerd en welke vondsten gedaan zijn, kortom wat de huidige stand van kennis is aangaande de archeologie in de Kempen. De gegevens die tijdens de inventarisatie verzameld worden, geven inzicht in de locatie van archeologische vindplaatsen binnen de gemeente en daarmee inzicht in de geschiedenis van de gemeente vanaf de prehistorie. We moeten ons daarbij realiseren dat de huidige dorpen met hun historische middelpunten (vaak de kerk) in zekere zin pas een recent fenomeen zijn. Pas in de loop van de middeleeuwen kreeg het cultuurlandschap de vorm zoals we die kennen vanaf het begin van de 20e eeuw: een dorp met in het centrum de kerk en/of oude hoeves met bijhorende akkers en daaromheen de restanten van woeste gronden. In de tijd voor de bouw van de kerken en de vorming van de huidige dorpen, waren vaak heel andere elementen –vaak onderdelen van het natuurlijke landschap - bepalend voor de inrichting van het cultuurlandschap. De Kempen kent bijzondere archeologische vindplaatsen die typisch zijn voor de archeologie van Noord-Brabant en uniek voor de Nederlandse archeologie: -

Steentijd vindplaatsen die in onze heidegebieden vaak nog uitzonderlijk goed bewaard zijn;

-

prehistorische grafheuvels en urnenvelden die eeuwenlang het Brabantse landschap tekenden in zowel het geestelijke als fysieke leven;

-

een Romeinse cultuuromslag die zorgde voor een grootschalige landbouwkundige inrichting van het landschap met de eerste dorpjes en een heuse villa;

-

middeleeuwse hoeven, kerken en grafvelden die nog altijd ons beeld van Brabant domineren.

Om tot een actuele archeologische verwachtingen- en waardenkaart voor de gemeente Eersel te komen, zijn feitelijk de volgende vijf stappen doorlopen: 1.

4.2

Actualiseren van het regionale verwachtingsmodel.

2.

Verfijning verwachtingsmodel op basis van het fysieke landschap.

3.

Verfijning verwachtingen op basis van de archeologische inventarisatie.

4.

Verfijning verwachtingen op basis van de (cultuur)historische inventarisatie.

5.

Verfijning verwachtingen op basis van (mogelijke) verstoringen.

Verwachtingsmodel

De basis voor de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Eersel is het archeologische verwachtingsmodel dat voor de regio Zuidoost-Brabant (zie appendix I bij dit document) is opgesteld en in 2020 is geactualiseerd.161 De basis van het model vormen de algemene verspreidingspatronen van vindplaatsen en de geomorfologische en bodemkundige achtergrond. De archeologische verwachting is daarbij bepaald aan de hand van de relatie tussen de bekende vindplaatsen in de regio en hun landschappelijke context: in vergelijkbare landschappelijke eenheden worden vergelijkbare resten uit dezelfde perioden verwacht. Door extrapolatie van de hoge onderzoeksintensiteit en hoge vondstdichtheid naar minder intensief onderzochte gebieden in de regio kunnen betrouwbare uitspraken over de archeologische verwachting gedaan worden. Door de voorkomende geomorfologische eenheden met bodemeenheden en met de ligging van de reeds bekende vindplaatsen te

161

Regio Zuidoost-Brabant: Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Best, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven en Waalre.

93 van 181

combineren, ontstaat een statistisch onderbouwd archeologisch verwachtingsmodel. De bepaling van de verwachtingen is gebaseerd op een berekening waarin per eenheid (bijvoorbeeld dekzandrug met hoge zwarte enkeerdgrond) het percentage vindplaatsen is vergeleken met de oppervlakte van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Als er minder vindplaatsen in een eenheid liggen dan op basis van een evenredige verdeling over het landschap verwacht wordt, dan scoort die eenheid laag. Als er meer vindplaatsen in een eenheid liggen, dan scoort de eenheid middelhoog of hoog. Daarbij is de regel gehanteerd dat een verschil van 0 tot 1 middelhoog scoort en een verschil van 1 of meer hoog scoort. Dit statistisch onderbouwde verwachtingsmodel vormt de basis voor de archeologische verwachtingen- en waardenkaart. De grondwatertrap is hierin buiten beschouwing gelaten, omdat deze door de eeuwen heen sterk aan verandering onderhevig is geweest. Locaties die tegenwoordig erg droog zijn, kunnen in het verleden juist erg nat zijn geweest en omgekeerd. Uit het verwachtingsmodel van Zuidoost-Brabant blijkt dat de helft van alle vindplaatsen uit de regio ZuidoostBrabant is aangetroffen op de dekzandruggen, meestal bedekt door een plaggendek. De archeologische verwachting voor zowel hoge als lage dekzandruggen is in deze hele regio dan ook hoog voor alle perioden.

In de tabellen van appendix I is de archeologische verwachting per landschappelijke eenheid (bodem en geomorfologie) op basis van de archeologische gegevens verdeeld naar de verschillende tijdsperioden. Daaruit wordt duidelijk dat de verwachting voor Steentijd en latere perioden van elkaar verschilt per landschappelijke eenheid.

4.3

Verfijning verwachtingen op basis van het fysieke landschap

Aangezien de bewoningsontwikkeling en de keuze om ergens te gaan wonen, sterk beïnvloed is door de landschappelijke omstandigheden, vormt de analyse van het fysieke landschap een belangrijk onderdeel van het archeologische verwachtingsmodel. Voor de Kempen- en A2 gemeenten is in het kader van de erfgoedkaart de landschappelijke ondergrond (fysieke landschap) gedetailleerd in beeld gebracht aan de hand van onder meer de oude kadasterkaart en het Actuele Hoogtebestand van Nederland, zie kaartbijlage 4. De kaart van het fysieke landschap is interessant voor de archeoloog die soms in een nieuw geschapen maanlandschap aan het werk is en iedere oriëntatie op en voeling met het oude landschap dan al snel kwijt raakt. Op deze kaart zijn bijvoorbeeld de oude kamduinen, verdwenen vennen en de oorspronkelijke beeklopen gereconstrueerd. In de oude dorpskernen is het oude landschap zo goed mogelijk gereconstrueerd aan de hand van oude topografische kaarten, toponiemen en de relatie tussen bodem en topografie in nabije gebieden buiten de witte vlekken. De verwachtingenkaart gebaseerd op het verwachtingsmodel van Zuidoost-Brabant is hiermee dan ook verder verfijnd. Uit wat bekend is over vestigingskeuzes en landschapsgebruik door de tijd heen, blijkt dat de aanwezigheid van water en dekzandopduikingen (ruggen, koppen en kamduinen) bepalend is voor menselijke activiteiten.

Op basis van het gereconstrueerde fysieke landschap zijn deze gebieden uitgelicht, die een hogere archeologische verwachting krijgen dan de omliggende arealen. Naast lage en hoge dekzandruggen betreft het kamduinen. Deze duinen kunnen van laatglaciale ouderdom zijn, maar ook laatmiddeleeuws en alle dateringen daartussen. Opvallend is dat Steentijd vindplaatsen zich vaak concentreren op de kamduinen. Naast dekzandopduikingen betreft het oude vennen en laagten op het hoge, maar ook gebieden waar nog veen in de ondergrond aanwezig is. In dit veen kunnen nog bijzondere archeologische resten bewaard zijn gebleven als houten bruggen maar ook plantenresten en pollen. De gebieden hebben een middelhoge trefkans gekregen, omdat niet zeker is of de botanische en palynologische resten goed geconserveerd zijn en omdat het redelijk grote gebieden betreft. De archeologische verwachting is op basis van het fysieke landschap als volgt verfijnd: Eenheid Archeologische verwachting 2 Lage dekzandruggen Hoog

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=793ad354-3c6b-4323-8acd-60fcaa9e9a91