[23.20717] - Bijlage 1 Cultuurhistorie uitgediept gemeente Eersel
Tekst van het document
2.6.2
Aard en dynamiek van erf en nederzetting in de middeleeuwen
In oostelijk Noord-Brabant is de vroegste middeleeuwse bewoning vaak te vinden op plaatsen die vanaf de late middeleeuwen niet of nauwelijks meer bewoond zijn. In het bestaande beeld, gebaseerd op onderzoek in de Kempen, zou in de kolonisatiefase van de vroege middeleeuwen sprake zijn van zwervende erven met akkers in een boslandschap, gevolgd door aanleg van geconcentreerde nederzettingen die tot in de volle middeleeuwen bestaan. Naast de geconcentreerde nederzettingen zouden zowel in de laat-Merovingische als Karolingische tijd opnieuw geïsoleerde erven bestaan. Tussen 875 en 950 zou het aantal nederzettingen en de omvang van bestaande nederzettingen sterk afnemen. Vanaf de volle middeleeuwen neemt het aantal soorten nederzettingen toe evenals de omvang daarvan. Omgrachte woonplaatsen komen op, naast gehuchten en verspreide erven. Dit bewoningspatroon houdt stand tot zeker 1200, waarna verplaatsing optreedt van woonplaatsen. Tot nog toe is over die verplaatsing weinig bekend omdat laatmiddeleeuwse nederzettingen nauwelijks zijn onderzocht. Kunnen we voor de Zuid-Nederlandse zandgronden spreken van één transitie of verliepen de laatmiddeleeuwse veranderingen overal anders?
126 Verwers 1998, p. 130-133.
49
De aard van de agrarische woonplaatsen in de vroege en volle middeleeuwen varieert van relatief kortdurig bestaande éénledige nederzettingen uit de volle middeleeuwen tot woonplaatsen die eeuwen lang, vanuit de vroege tot in de volle middeleeuwen hebben bestaan en meerdere gelijktijdige erven hebben omvat. Qua samenstelling zien we in de Merovingische tijd minimaal een huis en een waterput, soms bijgebouwen en soms erfbegravingen. Voor de Karolingische tijd bestaat hetzelfde beeld, maar dan zonder erfbegravingen. In de volle middeleeuwen is er altijd een huis, een waterput en een of meer bijgebouwen. Soms zien we in die periode greppels om erven. Het gaat om greppels die erven indelen en afscheiden. Verder zijn er soms langwerpige kuilen op erven. De indeling van erven in de vroege middeleeuwen vertoont, overeenkomstig erven uit late prehistorie en Romeinse tijd, geen duidelijk patroon. In de Merovingische tijd liggen waterputten soms bij de lange zijde van het huis (Nistelrode, Geldrop), soms overhoeks (Dommelen). Bijgebouwen liggen soms bij de korte zijde van het huis (Dommelen, Gassel, Geldrop), soms bij de lange zijde (Nistelrode). In de Karolingische tijd liggen waterputten soms overhoeks (Geldrop, Dommelen) ten opzichte van het huis, soms bij de lange zijde (Dommelen), soms bij de korte zijde (Nistelrode).
Bijgebouwen liggen bij de korte zijde (Dommelen), soms bij de lange zijde (Nistelrode). In de volle middeleeuwen is er meer uniformiteit, met name tussen 1125 en 1250. Er is dan sprake van dwarsgeplaatste bijgebouwen bij de zijde van het huis met de waterput en tevens bij die zijde van het huis waar de haard ligt. Overhoeks van het huis zijn, met de lengterichting van het huis mee, bijgebouwen aan de andere korte zijde van het huis gebouwd. Bij de lange zijde van het huis liggen soms veekralen en soms zijn er toegangen tot het erf waarneembaar.
Overzicht van de opgegraven middeleeuwse nederzetting in Geldrop (600-1250 na Chr.).
50
Reconstructie van een Karolingisch erf bij Amersfoort (De Bergkamp). Wat huizen betreft kan gesteld worden dat er In de vroege middeleeuwen rechthoekige huizen zijn en in de volle middeleeuwen bootvormige. Een overgangstype daartussen is eveneens aanwijsbaar. Te Nistelrode-Zwarte Molen II is een huis gevonden dat bootvormig is en mogelijk al uit de achtste eeuw dateert. Het is daarmee het oudste bootvormige huis in het Maas-Demer-Scheldegebied tot dusver. In de periode 1200-1600 wordt voor het eerst gefundeerd op poeren. Dat zien we ook in een stedelijke context. In steden als ’s-Hertogenbosch, Utrecht, Zutphen, Venlo en Bergen op Zoom wordt vanaf de periode 1300-1575 gebouwd op poeren. Omdat poeren vaak geen sporen in de bodem achterlaten zullen van de gevonden erven niet alle gebouwen zijn overgeleverd. Op agrarische erven zien we in de gehele late middeleeuwen huizen gefundeerd op zowel poeren als met ingegraven palen. Het gaat vooral om driebeukige huizen, soms tweebeukige. Het laatste huistype van de volle middeleeuwen wordt tot zeker 1350 gebouwd. Vanaf circa 1350, maar waarschijnlijker vanaf circa 1450 verschijnen potstallen in boerderijen. Met de aanleg van potstallen verandert de lengte-breedteverhouding van de boerderij. Huizen worden relatief langer en smaller. Met de bouw van huizen met brede potstallen verandert de indeling van huizen.
De potstal komt tegen een korte zijde aan te liggen, daar waar die eerder in een (verbrede) zijbeuk lag. Wat de overige erfelementen betreft kan worden waargenomen dat erven in de dertiende eeuw vooral kleine bijgebouwen hebben. Er is mogelijk sprake van een overgang van grote naar kleine bijgebouwen op erven tussen de twaalfde en dertiende eeuw. In de veertiende eeuw zijn vaker grotere bijgebouwen op erven zichtbaar, zoals in Nederweert, Best en Sterksel. Voor het eerst komen ook erven voor zonder bijgebouwen, namelijk in Best. Ofwel de verschillen tussen erven worden groter naar aantal en omvang van bijgebouwen ten opzichte van de dertiende eeuw. Vervolgens lijken bijgebouwen te ontbreken in de vijftiende eeuw, maar deze waarneming is echter gebaseerd op slechts één opgraving. In de zestiende eeuw is opnieuw sprake van variatie naar omvang van bijgebouwen op erven. Op erven komen tot zeker 1450 mestkuilen voor, soms op het erf en soms in bijgebouwen. Vanaf 1450 liggen mestkuilen in huizen: potstallen. Wanneer erven uit de twaalfde tot en met zestiende eeuw worden vergeleken is een tendens waarneembaar waarbij de bijgebouwen steeds kleiner worden of zelfs op erven ontbreken.
51
2.6.3
Verplaatsing van bewoning
Wanneer de aanvangs- en einddata van agrarische bewoningsplaatsen samen worden beschouwd blijkt het dat reeds vanaf de vroege middeleeuwen verplaatsing van bewoning plaatsvindt, niet pas vanaf de volle middeleeuwen of pas in de overgang van de volle naar de late middeleeuwen. We zien bijvoorbeeld veel einddata van bewoningsplaatsen in de twaalfde eeuw. In elke eeuw van de periode 1200-1600 zien we de aanleg van nieuwe bewoningsplaatsen. Dat geeft aan dat in elke eeuw bewoning eerder op een andere plaats lag en dat dus van dynamiek sprake is binnen de late middeleeuwen zelf. Alleen over de Karolingische tijd bestaat wat onduidelijkheid; er zijn geen woonplaatsen bekend die aanvangen of eindigen in de negende eeuw. Parallel aan verplaatsing van woonplaatsen zien we in de vroege, volle en late middeleeuwen het naast elkaar bestaan van verschillende typen woonplaatsen (naar bestaansduur en samenstelling). Met name aangaande de volle middeleeuwen zijn we daarover goed geïnformeerd. Een mooi voorbeeld is Someren, waar zowel geïsoleerde erven, kleine meerledige als ook grote meerledige nederzettingen in elkaars nabijheid voorkomen. In het grootschalig onderzoek van een middeleeuws landschap in Someren zien we geen duidelijke verandering van de locatie van bewoningsplaatsen door de periode 450-1250 heen ten opzichte van de hoogteligging.
Wel zien we een duidelijke verplaatsing van bewoningsplaatsen vanuit, in de vroege middeleeuwen aangelegde kernen, naar volmiddeleeuwse bewoningsplaatsen. Die uit de volle middeleeuwen liggen deels in een langgerekt patroon op de rand van een langgerekte laagte waarin de huidige dorpskern ligt. Deels liggen ze ook verder van die rand af, zowel met geïsoleerde erfplaatsen langs wegen als met geconcentreerde erfplaatsen bij kruispunten. In totaliteit is te Someren sprake van een verplaatsing van bewoning van oost naar west. Te Nistelrode is zichtbaar dat vanaf de Karolingische tijd bewoning lager komt te liggen dan daarvoor. Tevens is daar sprake van een overgang van kort bestaande bewoningsplaatsen (ca. 125 jaar) naar een lang bestaande (ca. 425 jaar), dus van relatief dynamische naar langdurig plaatsvaste bewoning. Ook hier is sprake van verplaatsing van oost naar west. Te Best-Aarle zien we dat laatmiddeleeuwse bewoning hoger ligt dan volmiddeleeuwse bewoning. De bewoning daar is vanaf de vijftiende eeuw tot op het heden op één plaats gefixeerd. De bewoningsverplaatsing te Best-Aarle moet niet lineair worden beschouwd, maar in het licht van een excentrische beweging vanuit akkerkernen naar buiten, samenhangend met expansie van het landbouwareaal.
Dit is wellicht een van de sleutels tot het begrijpen van de verplaatsing van de bewoning in de overgang van de volle naar de late middeleeuwen, maar ook bij het begrijpen van verplaatsing in algemeen tussen de vroege middeleeuwen en de nieuwe tijd.
Impressie van bewoning in het plangebied Best-Aarle in de tweede helft van de elfde eeuw bezien vanaf het zuidoosten (Tekening Mikko Kriek).
52
Een belangrijke onderzoeksvraag van de afgelopen jaren was wanneer er een overgang van zwervende erven naar stabiele bewoning plaatshad in de periode tussen 800 en 1200. In de eerste plaats moeten we vaststellen dat niet van zwervende erven sprake was in de vroege tot en met late middeleeuwen, er was continu sprake van stabiele bewoning, zij het met verschillen (kort, middellang en lang bestaande woonplaatsen). ‘Kort’ bestaande woonplaatsen bestonden bijvoorbeeld geen 25 jaar zoals in het zwervende ervenmodel, maar eerder 75 jaar (op basis van compleet opgegraven exemplaren). In de tweede plaats is sprake van fixatie van bewoning vanaf de tiende eeuw bij aristocratische woonplaatsen en waarschijnlijk vanaf de late middeleeuwen bij bewoningsconcentraties met alleen agrarische woonplaatsen, hoewel daar in archeologische zin nog weinig over bekend is. Verder moet worden opgemerkt dat in Oost-Brabant ook plaatsen bestaan waar nauwelijks sprake is van verplaatsing, zoals te Son en Oss. Daar zien we bewoning vanaf de vroege middeleeuwen tot en met nu op dezelfde plaats. Daarvan is wellicht ook sprake te Sint-Oedenrode en Bergeijk, waar spaarzaam Karolingische bewoning op de aristocratische woonplaatsen is aangetroffen.
De verplaatsing van agrarische bewoning in de middeleeuwen van oostelijk Noord-Brabant van hoog (in de Merovingische tijd) naar laag (in de late middeleeuwen) lijkt vooral te maken te hebben met een verschuivend agrarisch accent ten gunste van veeteelt, samenhangend met de steeds verdere intensivering van akkerbouw. Er wordt steeds een agrarisch strategische positie gekozen die van belang is voor de aard van het agrarisch bedrijf van het moment (vooral akkerbouw, vooral veeteelt of een gemengd bedrijf). De intensivering van akkerbouw begint kort na 1000 en is zichtbaar in de vorm van mestkuilen op erven. In depressies worden in de volle middeleeuwen veekralen aangelegd en ook op kruispunten van wegen. In de opgravingen te Someren-Waterdael is dat fraai zichtbaar, waar zelfs een depressie met veekraal is opgenomen in de erfindeling. Die intensivering van veeteelt zal samenhangen met intensivering van akkerbouw. In de loop van de late middeleeuwen worden potstallen in de boerderijen aangelegd, te Best-Aarle zijn daar verschillende voorbeelden van gevonden. Tegelijkertijd is sprake van de opkomst van plaggendekken. De intensivering van de akkerbouw zelf kan samenhangen met vier factoren: bevolkingsgroei, bodemverarming, perceelversnippering en marktproductie.
De verplaatsing van bewoning in de twaalfde en dertiende eeuw naar lage gebieden zal primair samenhangen met intensivering van veeteelt voor de intensivering van de akkerbouw en de expansie van het cultuurland als geheel. Daarom gaat men in de late middeleeuwen vooral in lage gebieden wonen, maar soms ook hoog zoals te BestAarle. Een rol van betekenis bij die verplaatsing in die periode kan ook de toenemende marktafhankelijkheid zijn, maar ook de losmaking van verticale relaties met aristocraten. Markten komen namelijk niet toevallig juist op eind twaalfde en in de dertiende eeuw in oostelijk-Noord-Brabant (en in heel Europa). Het feit dat aristocratische woonplaatsen buiten gebruik raken einde dertiende en begin veertiende eeuw (Oerle, Bergeijk) en eind twaalfde eeuw worden gereorganiseerd, dan wel in de dertiende eeuw (1232?) worden overgenomen (Sint-Oedenrode), is geen aanwijzing voor de gedachte dat de machtsbasis van lokale heren in die periode goeddeels is verdwenen. De machtsbasis van lokale heren verdwijnt niet, maar verandert. In de dertiende en veertiende eeuw worden talloze kastelen en moated sites gesticht, hetgeen erop wijst dan hun rol, zeker op lokaal niveau, toeneemt. De hertog van Brabant reduceerde de bovenlokale aspiraties van bepaalde families, zoals de graven van Rode, maar hun rol is daarmee op lokaal niveau zeker niet uitgespeeld.
Veel edellieden worden dienstmannen van de hertog. Tevens ontstaan er nieuwe elitegroepen, zoals kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en de stedelijke elite die zich op het platteland vestigen.
53
Grote woonstalboerderij uit de Volle Middeleeuwen zoals deze in het Historisch Openlucht Museum van Eindhoven is nagebouwd. 2.6.4
Aristocratische bewoningsplaatsen, grafvelden en kerken
Naast agrarische bewoningsplaatsen bestaan ook vroeg-aristocratische en aristocratische woonplaatsen. Een vroeg-aristocratische woonplaats is gevonden te Eindhoven-Blixembosch (datering 800-1050). Aristocratische bewoningsplaatsen uit de volle middeleeuwen (900-1250) betreffen Flachsiedlungen, motteburchten en waterburchten (omgrachte kastelen). In de late middeleeuwen (1250-1500) zien we naast motteburchten, die in deze tijd overigens al grotendeels verdwenen zijn, en waterburchten ook moated sites, maar ook andere kasteeltypen. Door de tijd heen is vaak sprake van complexen met per fase een of meer omgrachte eilanden. Op die eilanden kunnen woongebouwen en verdedigbare gebouwen staan ̶ die functies konden ook gecombineerd zijn ̶ , maar ook kerken en schuren (ook tiendschuren) en stallen. In Eersel lag bij de Hertheuvelse Hoef waarschijnlijk een moated site. Op deze plek stond in 1650-1659 een omgracht gebouw. Op dezelfde plaats stond in 1830 nog steeds een gebouw, omgracht en wel. Naast bewoningsplaatsen bestaan ook grafvelden en cultusplaatsen (kerken). In de Merovingische tijd is sprake van collectieve grafvelden, nederzettingsgrafvelden en erfgrafveldjes. Grafvelden uit de Karolingische tijd zijn nog niet gevonden. In de volle middeleeuwen bestaan grafvelden die bij bestaande agrarische en aristocratische bewoningsplaatsen worden aangelegd.
Kerken worden gelijktijdig met of na aanleg van het grafveld gebouwd. In de late middeleeuwen is de bewoning bij sommige kerken verdwenen en resteert alleen een eenzaam in de akkers gelegen kerk met kerkhof. Het mooiste voorbeeld van een eenzaam achter gebleven kerktoren vinden we in Oostelbeers. Het beboste terrein waarbinnen de kerk en kerkhof zich bevinden, is omsloten door een aarden wal. De fundamenten van de kerk liggen zichtbaar dicht aan de oppervlakte. Ter plekke van het oude schip is een open plek met gras. In het open akkergebied rond de toren ligt vrijwel zeker de middeleeuwse voorganger van het dorpje Oostelbeers verborgen onder een dik plaggendek. Te Bergeijk wordt de aristocratische woonplaats in de tiende eeuw laag in het landschap aangelegd, terwijl die weer verdwijnt in de late dertiende en vroege veertiende eeuw. Dichtbij die woonplaats ligt in 1830 de dorpskern. Bij middeleeuws Oerle is hetzelfde waarneembaar. De aristocratische woonplaats uit de volle middeleeuwen raakt begin veertiende eeuw buiten gebruik, maar ligt wel op de plaats van de laatmiddeleeuwse dorpskern. Te SintOedenrode zien we een Flachsiedlung die in de tiende eeuw wordt aangelegd. Nabij ligt, later, de laatmiddeleeuwse dorpskern, namelijk het marktplein. Te Gemert zien we een burchtterrein dat in de elfde eeuw is aangelegd, nabij ligt ook de laatmiddeleeuwse dorpskern.
Wat betreft de vastlegging van bewoning kan er daarmee een verschil in de tijd bestaan tussen plaatsen met alleen agrarische bewoning en plaatsen met 54
aristocratische bewoning waar (in elk geval) later een dorpskern komt te liggen. Bewoningsconcentraties met aristocratische bewoning kunnen aldus in de volle middeleeuwen zijn vastgelegd, terwijl die met (alleen) agrarische bewoning pas in de late middeleeuwen kunnen zijn gefixeerd. Het is verder bekend dat de heide, bossen, vennen en beekdalen gemeenschappelijk werden gebruikt. Zeker aan het einde van de Middeleeuwen vormden ze het ‘onvervreemdbare bezit’ van de dorpsgemeenschap. Ze dienden voor het maaien van gras en verzamelen van strooisel, het kappen van hout, het steken van turf en het weiden van vee, nog los van een hele reeks andere activiteiten (zoals visvangst en het houden van bijen) die ‘gedeelde’ rechten over het buitengebied doen veronderstellen.
2.6.5
Middeleeuwse vindplaatsen in Eersel
Het merendeel van de vindplaatsen die de laatste jaren zijn opgegraven dateren uit de Middeleeuwen. Naast grote opgravingen bij Kerkebogten en Boterbogten, gaat het ook om kleinere gebieden als VessemServatiusstraat en Eersel-Willibrordusstraat. De nederzetting bij Eersel-Kerkebogten dateert uit de Volle Middeleeuwen (1050-1250 n.Chr.) en bestaat uit meerdere al dan niet meerfasige erven.127 De (meer dan 60!) huizen, bijgebouwen, waterputten en overige structuren liggen verspreid over drie vindplaatsen met in totaal twaalf erven. Op vindplaats 11 ligt een eenfasig erf dat dateert in de periode 1125-1175 na Chr. Het lijkt om een Einzelhof te gaan maar gezien de ligging aan de rand van Kerkebogten kan niet worden uitgesloten dat de nederzetting zich in westelijke richting voortzet. Op vindplaats 12 zijn zeven erven onderscheiden. De erven liggen langs de voormalige zandweg naar Stokkelen die dus blijkbaar al in de Volle Middeleeuwen in gebruik was. Ook de vier erven van de in het noorden gelegen vindplaats 13 liggen langs een weg. Deze verdween echter met de middeleeuwse bewoning van het gebied en kent dus geen continuiteit zoals de weg naar Stokkelen. Omstreeks 1200 na Chr. Zijn de meeste erven verlaten.
127 Lascaris 2011.
55
Eersel-Kerkebogten, bewoningsplaatsen uit de volle middeleeuwen. Nr. 1 overzichtsplattegrond met vindplaatsen 11 (1125-1200/1225), 12 (1050-1250) en 13 (1050-1200/1225); nr. 2 vindplaats 11 en bewoningsplaats 1; nr. 3 vindplaats 12 en bewoningsplaats 2; nr. 4 vindplaats 13 en bewoningsplaats 3 (bron: nr. 1 Lascaris 2011, 89, fig. 9.1, nr. 2 Lascaris 2011, 92, fig. 9.7, nr. 3 Lascaris 2011, 94, fig. 9.8, nr. 4 Lascaris 2011, 103, fig. 9.14, met aanpassingen). In Kerkebogten is geen middeleeuwse begraafplaats gevonden en ook is niets gevonden dat wijst op aanwezigheid van een kerk of kapel in de nederzetting. Waarschijnlijk zullen de inwoners van Kerkebogten ter kerke zijn gegaan bij een voorganger van de nog bestaande St. Willibrorduskerk. Zowel in de noordelijke als in de zuidelijke nederzetting verschoof de bewoning in oostelijke richting. De structuur van de nederzettingen lag blijkbaar niet zo vast als we dat van latere agrarische dorpen kennen. Anderszins waren er wel open plaatsen in de nederzettingen waar nooit gebouwd is. Dat laatste maakt duidelijk dat ook binnen de op zich losse nederzettingsstructuur claims lagen op bepaalde terreindelen. Uit de opgraving Kerkebogten blijkt ook dat het aandeel van bomen flink is toegenomen ten opzichte van de Romeinse tijd. Gemiddeld genomen lijkt het ongeveer verdubbeld te zijn. Het aandeel van cultuurgewassen is iets groter, maar 56
het globale beeld is dat het landschap rond Eersel in de volle middeleeuwen minder intensief werd gebruikt dan tijdens de Romeinse tijd.
Overzicht van de middeleeuwse structuren aan de Servatiusstraat in Vessem. Schaal 1:600. A niet/wel opgegraven; B gebouwen (zwart) en andere structuren (grijs); C overige grondsporen; D recente verstoringen (bron: Lascaris 2005). In 2003-2004 kwamen bij een opgraving op de plek van de nieuwe basisschool en het gemeenschapshuis aan de Servatiusstraat in Vessem, vier huisplattegronden, drie boomstamwaterputten en meerdere kuilen aan het licht. In noordelijke richting – naarmate de afstand tot de kerk toeneemt – lijkt de dichtheid van de concentratie met middeleeuwse grondsporen af te nemen. De oudste in de bouwput- ten aangetroffen middeleeuwse structuren dateren uit de 11e eeuw. Gezien de beperkte omvang van het onderzochte terrein, is het aannemelijk dat elders rond de kerk nog oudere – mogelijk zelfs vroeg middeleeuwse – archeologische resten liggen. Op basis van het in een aantal sporen gevonden aardewerk is de nederzetting in ieder geval in gebruik geweest tot in de 13 e eeuw.128
128 Lascaris 2005.
57
Voorafgaand aan woninguitbreidingen in Steensel-Noord en Steensel-Boterbogten zijn eveneens sporen gevonden van bewoning uit de Volle Middeleeuwen (1050-1300 n. Chr.). In Steensel-Noord gaat het om twee boomstamwaterputten met een diepte van minder dan 1 m en een kern met een diameter van ca. 60 cm. Uit de inventarisatie van enkele botanische monsters uit de twee waterputten blijkt dat ze binnen een nederzetting waren gelegen en dat het niet gaat om geïsoleerde waterputten. De monsters bevatten resten van rogge en gerst en mogelijk duivenboon en haver. Gezien het ontbreken van middeleeuwse bewoningssporen ten zuiden van de aangetroffen waterputten moet er rekening mee worden gehouden dat deze zich ten noorden van het onderzoeksgebied bevinden.129 Bij Boterbogten blijkt sprake van twee incomplete boerderij erven, die waarschijnlijk dateren uit de 12e eeuw. Er is ook een houtskoolmeiler opgegraven, maar de datering hiervan is waarschijnlijk Late Middeleewen.130 In 2019 heeft aan de Willibrorduslaan 55 in Eersel een kleinschalige opraving plaats gevonden. Op een oppervlak van slechts 500 m2 werden 270 grondsporen aangetroffen, merendeels paalsporen. Een aanzienlijk deel hiervan maakt waarschijnlijk deel uit van gebouwen daterend in de Volle Middeleeuwen. Omdat vondstmateriaal veelal ontbreekt, is een zekere datering lastig vast te stellen.
Het lijkt echter aannemelijk dat het onderzoeksgebied in het verleden in ten minste twee perioden bewoning heeft gekend: Romeinse tijd en Volle Middeleeuwen. Van de vijf waterputten konden er twee helaas niet worden onderzocht, omdat deze buiten het onderzoeksgebied doorliepen en onder de bestrating/bebouwing lagen. Twee waterputten hadden nog resten van een houten planken beschoeiing, maar een put lijkt volledig te zijn uitgegraven.131
Volop grondverkleuringen aan de Willibrorduslaan die het gevolg zijn van bebouwing in de 11-13e eeuw (bron: Van der Veeken 2019). Tijdens het graven van een nieuwe meander en zandvang ter hoogte van de Vessemse brug is in 2008 een lineaire houtconstructie aangetroffen. Hoewel er slechts een relatief klein oppervlak (circa 140 m²) is opengelegd, kwamen er tijdens de archeologische begeleiding 61 eikenhouten palen en planken te voorschijn, waarvan 52 verticaal waren verankerd in de bodem. Tussen het hout zijn tijdens het opschaven van het vlak enkele vroegmiddeleeuwse aardewerkfragmenten en een maalsteenfragment van tefrietsteen gevonden. De houtconstructie is met behulp van de 14C-methode gedateerd in de Vroege Middeleeuwen, tussen 596 en 967 na Chr. De lineaire structuur van de constructie wijst in de richting van een beschoeiing die in een voormalige beekbedding van de Kleine Beerze is aangebracht. Mogelijk is er een samenhang met het bestaan van een
129 Elstrodt 2009. 130 Wesdorp 2014. 131 Veeken 2019.
58
vroeg-middeleeuwse watermolen in de directe omgeving. Om het water namelijk zo efficiënt mogelijk te benutten, stuwde de molenaar het zo hoog mogelijk op. Niet alleen werd hierdoor een waterreservoir opgebouwd, maar ook de waterstroom werd hierdoor krachtiger om de molenstenen te laten draaien. Een ongewenst bijverschijnsel was dat als gevolg van de sterke stroming oevers erodeerden. Om dit tegen te gaan werden in die zones waar de meeste overslag plaatsvond (molenvijver en kolk) een beschoeiing aangebracht.132
De houten constructie die werd aangetroffen bij de Vessemse brug in 2008 (bron: Roymans & Sprengers 2012).
2.7
Tot de Tachtigjarige Oorlog (1250 – 1570 n.Chr.)
K.A.H.W. Leenders 2.7.1
De middeleeuwse pioniers
De middeleeuwse pioniers die in deze streek aan het ontginnen sloegen, deden dat in een halfnatuurlijk landschap met sporen uit eerdere perioden met menselijke bewoning. In dat landschap was veel bos, maar er waren ook al dan niet bomenrijke moerassen, zandvlakten en verstuivingen, natte beekdalen en natuurlijke meren. De kwaliteit van het bos zal afgehangen hebben van de lemigheid en de vochtigheid van de bodem en ook van de intensiteit van het eerdere gebruik. We moeten ons het landschap waarin de pioniers een plekje zochten dus als een interessant mozaïek beschouwen.
132 Roymans & Sprengers 2012.
59
Het ziet er naar uit dat de pioniers bij voorkeur op plekken met een rijke bosbodem zijn neergestreken, misschien in eerste instantie op (half-)natuurlijke open plekken in het bos. Veel dorpsnamen in de streek zijn inderdaad bosnamen. Namen op –rode duiden op bosrooiing. Ze zijn hier schaars. Dorps- en gehuchtnamen met daarin de elementen –heem of –zele verwijzen naar vroegmiddeleeuwse nederzettingen. Namen die het element –hoven bevatten zouden wat jonger zijn. Deze namen verwijzen naar de interne structuur van de vroege nederzettingen. Die werden weliswaar in hoofdzaak door boeren bevolkt, maar die waren vaak onderworpen aan de bezitter van het grootgrondbezit dat zij bewerkten. Die bezitter was aanvankelijk misschien de stichter van de ontginning of een directe opvolger daarvan en we mogen verwachten dat deze op een bijzondere nederzetting woonde: een gracht, wal of palissade er omheen en een beter huis dan de afhankelijke boer. Zo ver we weten woonden de boeren zelf verspreid over het gebied dat ze beakkerden voor hun “heer”. Hier en daar waren er kleine watergedreven molentjes: toponiemen als “Oude Molen” op plaatsen waar uit latere archieven geen molen bekend is, herinneren er nog aan. Na verloop van tijd raakte het landgoed verdeeld tussen erfgenamen.
Deze, maar ook al de eerdere eigenaren van het geheel, hebben in veel gevallen hun bezit omwille van hun zieleheil overgedragen aan kerkelijke instellingen. Dat begon al met Sint-Willibrord rond het jaar 700: wat hij zo verzamelde kwam later aan het klooster van Echternach. Ook in latere eeuwen ging dat voort en we zien daarbij een opvallend patroon. Tot de twaalfde eeuw waren het steeds ver weg gelegen kloosters en kerken die bezit in de streek verwierven. In de twaalfde eeuw komen daarvoor kloosters in de plaats die een stuk dichterbij lagen: Tongerlo, Averbode, Postel. Nog later duiken kerkelijke instellingen in het huidige Noord-Brabant op: de kapittels van Oirschot, Hilvarenbeek, Den Bosch bijvoorbeeld. Al deze kerkelijke grootgrondbezitters moeten dus als secundaire eigenaar beschouwd worden, na die eerste groep ontginners en hun nazaten.
60
De kerkelijke bezitters hebben de oorspronkelijke organisatie van het bezit overgenomen en later uitgebouwd met verdere ontginningen. Omdat van kerkenbouw in deze streek pas vanaf 1000 AD sprake lijkt te zijn, zullen zij ook vaak de eerste parochiekerk opgericht hebben. Zij lieten het beheer ter plaatse over aan een meier. Die meiers en de grote afstand tot vooral de oudste groep kloosters vormden een combinatie die tot een nieuwe ontwikkeling leidde: de meier ging zich als dorpsheer gedragen! Daar kwam bij dat de kloosters geen wereldlijke rechtsmacht konden uitoefenen. Daarvoor hadden ze een leke-voogd nodig. Allerlei graven en minder belangrijke lieden wierpen zich graag op als voogd, om vervolgens de oude kerkelijke bezitter vrijwel geheel te overvleugelen. Zo ontstaat er een nieuwe groep dorpsheren, bestaande uit kwade meiers en voogden. Deze resideerden in de regel ter plaatse en hadden dus weer een passende woning nodig: vroege kasteelvormen horen daarbij. Voor de kloosters resteerde dan het verpachten van gronden, het innen van cijns en tienden en het aanstellen van de pastoor. Een groepje abdijhoeven is daarvan in het terrein een typisch “spoor”.
Jan I was hertog van Brabant van 1267 tot 1294. In de twaalfde eeuw strekte een aantal graven hun macht over de streek uit, nadat in de voorgaande eeuw de bisschop van Luik iets dergelijks ondernomen schijnt te hebben. Verondersteld wordt dat sommige kerken onder zijn invloed gesticht zijn. De graven waar we daarna mee te maken hebben zijn die van Leuven (later hertog van Brabant); van Gelre (dat toen veel zuidelijker lag dan nu) en van Loon (nu ruwweg Belgisch Limburg). Vooral in de jaren 1180 – 1235 werd de streek grotendeels onder Brabants gezag gebracht, al bleef de Dommel nog een tijdje de oostgrens van de Brabantse invloed. Pas na 1300 rukte Brabant verder oostwaarts op, zodat het uiteindelijk ook Budel omvatte. Het nabij Bergeijk gelegen Gestel bleef Loons en werd in 1366 Luiks, maar Lommel was Brabants. Deze twee plaatsen zijn in 1807 tegen elkaar geruild. 133 Bij zijn machtsontplooiing in noordelijke richting gebruikte de hertog van Brabant een aantal methoden die elkaar aanvulden. Van de graaf van Gelre kocht hij in 1203 een deel van Kempenland. Daarbinnen zaten echter nog wat lokale heertjes. Als die niet bereid waren hun bezit in leen op te dragen aan de hertog, was er een ander middel: een in de nabijheid oprichten van woonplaatsen waar de inwoners vrij zouden zijn van de aloude horigheid. Zo hoopte de hertog de oude domeinen wat mensen betreft leeg te zuigen.
Dergelijke vrijheden werden kort voor 1212 opgericht in Oisterwijk, Arendonk, Turnhout, Herentals: alle vlak bij onze streek. Wat later kregen ook Eersel en Eindhoven dergelijke rechten en kennelijk ook Zand-Oerle. Tegen het midden van de dertiende eeuw werden de resterende horigen echter op grote schaal vrij en werkte dit instrument niet meer. De nadien opgerichte
133 Sanders, van Ham & Vriens (red.) 1996. 36.
61
vrijheden betreffen eerder aan bestaande nederzettingen toegekende economische voorrechten zoals jaarmarkt of tolvrijdommen.
Het hertogdom Brabant rond 1250 (cartografie Thor Smits, bron Van Asseldonk 2016). 2.7.2
De middeleeuwse reorganisatie134
De twaalfde eeuw (tot 1175/1185) is in oostelijk Noord-Brabant een bloeiperiode met de opkomst van veel nieuwe woonplaatsen, bevolkingsgroei, expansie van cultuurland, grotere agrarische bedrijven (erven met grote bijgebouwen) en versterkte communale sociaal-economische relaties als het gaat om veeteelt (en akkerbouw?). Parallel daaraan kan de intensivering van akkerbouw, via intensivering van veeteelt, de cultuurlandexpansie vanaf 1000 gezien worden als een middellange termijnproces. Dat middellange proces is zelf deel van een lange termijnproces: de verschuiving van woonplaatsen van hoog naar laag, bevolkingsgroei, verdichting van bewoning, uitbreiding van cultuurland en veranderingen in het agrarische bedrijf vanaf de vroege middeleeuwen. Aldus zijn – deels – drie processen zichtbaar in de middeleeuwen van oostelijk Noord-Brabant, die in bepaalde perioden hand in hand verlopen: 1. Een lange termijnproces 500-1500/1600 van de verschuiving van woonplaatsen van hoog naar laag, maar met uitzonderingen. Daarnaast zijn bevolkingsgroei, verdichting van bewoning, cultuurlandexpansie en wijzigende agrarische accenten aanwijsbaar. 2. Een middellange termijnproces 1000-1500/1600 van intensivering van akkerbouw via intensivering van veeteelt voor mestproductie.
Als gevolg van het verschuivende agrarische accent (steeds meer een nadruk op veeteelt) zien we telkens verplaatsing van agrarische woonplaatsen naar nieuwe agrarisch-strategische locaties in 134 Huijbers 2018B.
62
landschap. In de periode 1000-1200 verschuiven bewoningsplaatsen naar depressies en andere natte zones, zoals beekdalvormige laagten. Vervolgens in de periode 1200-1500 naar woonlocaties in die laagten zelf. Te bedenken valt dat tussen 1000 en 1500/1600 ook locaties bij heidevelden steeds belangrijker worden indien men schapenmest wil gebruiken. 3. Een korte termijnproces 1175/1185-1300/1325 met veel veranderingen in korte tijd: •
verdwijning van agrarische woonplaatsen op de dekzandruggen;
•
opkomst van markten in opkomende steden en het platteland en zo een toenemende marktafhankelijkheid;
•
opname van grote delen van het studiegebied in het hertogdom Brabant;
•
verdwijning, herinrichting en/of overname van (een aantal) volmiddeleeuwse aristocratische woonplaatsen als gevolg van gewijzigde machtsverhoudingen tussen hertog en lokale heren (en zo meer vrijheid bij boeren);
•
opkomst van het verschijnsel stad zelf.
Over de vraag of landschappelijke veranderingen een rol in de laatmiddeleeuwse transitie spelen, zoals het verdwijnen van bossen en het ontstaan van steeds grotere heidevelden, en of de opkomst van de intensieve schapenhouderij aan de laatmiddeleeuwse transitie kan worden gerelateerd, kan op basis van het palynologische onderzoek nauwelijks iets gezegd worden. Dat komt omdat naar verhouding weinig pollengegevens uit waterputten, waterkuilen, greppels of grachten voor deze periode beschikbaar zijn. Alleen twee pollendiagrammen uit ’s-Hertogenbosch laten duidelijk de landschappelijke gevolgen zien van de agrarische intensivering vanaf de late middeleeuwen. Vanaf ca. 1300-1400 stijgt daar het aandeel van cultuurindicatoren sterk. Er zijn aanwijzingen voor de continue verbouw van winterrogge en blijkbaar wordt de braakperiode afgeschaft. Uit macrorestenvondsten blijkt zeker dat vanaf het laatste kwart van de dertiende eeuw bemesting met stalmest plaatsvindt. Het afschaffen van de braakperiode gaat dus samen met stalmestbemesting. Vrijwel gelijktijdig stijgt ook het aandeel van struikhei enorm, ongetwijfeld als gevolg van de agrarische intensivering. Het is goed mogelijk dat de uitbreiding van de heide te maken heeft met een toename van de schapenhouderij. Struikheidevegetaties zijn uitermate geschikte begroeiingen voor begrazing door schapen.
Een andere verandering was dat in de voorgaande eeuwen geleidelijk het aanvankelijk overal wel aanwezige bos opgebruikt was. Waar men aanvankelijk het vee in het bos kon weiden en uit het bos allerlei bosstrooisel en vruchten kon halen, moest men zich nu met een veel kalere wildernis tevreden stellen. Kale heide was het nog lang niet, maar de resterende bossen werden nu zuinig beheerd. Rond 1300 zou de hertog nog een aantal bossen voor de houtkap en ontginning verkopen en dat was het dan. De heer van Cranendonk richtte misschien een deel in als jachtpark (De Perk), de abdij van Tongerlo wist het Loons Bos zelfs voortdurend overeind te houden: het staat er nóg! Dergelijke oude restbossen zijn dus uiterst zeldzaam.
63
Oude beukenbomen in het Loonsch Bos (bron: Roymans & Sprengers 2012). Archeologisch onderzoek heeft laten zien dat de vroeg- en hoogmiddeleeuwse nederzettingen in deze overgangsperiode “verlaten” werden. Dat wil zeggen: het aanvankelijk bewoonde akkergebied werd een onbewoond akkergebied. Kennelijk werden de boerderijen verplaatst naar de rand van de oude akkergebieden, zodat Kakebeeke’s “kransakkerdorpen” tot stand kwamen: groepen lintvormige gehuchten rond een centrale akker, met aan de andere kant vaak een beekdal dat ontgonnen werd om als hooiland te dienen. Maar… in sommige akkers stond al een kerk met kerkhof! Het stenen kerkgebouw werd niet verplaatst en ook de begraafplaats was onbewegelijk. Zo leidde deze ontruiming tot het ontstaan van de typische “eenzame kerken op de akker”. In enkele gevallen is er later (1500 en later) bij die kerk weer een nieuwe nederzetting gevormd, elders bleef die kerk daar eenzaam staan. Opvallend is dat de naam van de meestal kleine nederzetting bij de kerk in oude archiefstukken zelden gelijk blijft aan de dorps- of parochienaam. Veeleer heet die nederzetting “Kerk”, “Kerkeind” of “Kerkhof”. Zelfs in een grote plaats als Oirschot is de naam van de dorpskern: “Kerkhof” en omdat de Latijnse weergave “Cymeterium” of “Atrium” luidt, weten we dat echt de begraafplaats bedoeld wordt en niet zomaar een veldje van de kerk.
De parochie- of dorpsnaam was dus echt de naam van de hele gemeenschap en niet die van de hoofdkern – als die er al was. Pas in de negentiende eeuw gaat men de gemeenschapsnaam, die intussen gemeentenaam geworden is, systematisch toekennen aan de toenmalige hoofdkern. De nieuwe plaatselijke heren lieten nu grotere watermolens oprichten die de oude kleintjes al snel uit de markt maalden. Deze grote watermolens zijn vaak tot in de negentiende eeuw blijven bestaan en enkele bestaan nog steeds. Van andere herinnert alleen een toponiem Molenstraat, Molenbrug, Vloed (overstroomd gebied bovenstrooms van de molen) of een “molenwiel” (beekverbreding bij een stuw of molen) aan een dergelijke molen, als die bij de beek”normalisatie” niet verwoest zijn. Een watermolen laat in de regel tal van archeologische sporen na, waarbij ook de sluis- en stuwwerken niet vergeten mogen worden. Vanaf 1250 drong de windmolen door tot in deze streek. Die eerste windmolens waren houten standerdmolens. Ze werden graag midden op de akker of juist aan de rand ervan geplaatst, of op een heuvel in de hei. In de bodem laten ze weinig sporen na: de
64
molen stond op stenen poeren, maar soms wierp men een molenberg op. Bovendien hoort bij zo’n molen een krans van palen waaraan de staart van de molen vastgezet werd om de molen goed op de wind te houden. Die kransen, plus allerlei afval, moeten terug te vinden zijn. Standerdmolens hielden het alleenrecht tot na 1650. De domeingronden van de heren en de kloosters werden nieuw ingericht. Enkele grote stukken werden omgevormd tot pachtboerderijen. Deze pachthoeven markeren dus het oude bezit van de dorpsstichters en dorpsheren. Andere stukken werden tegen een jaarlijkse vergoeding (cijns) aan de voormalige horigen in gebruik gegeven of in leen uitgegeven aan familieleden of andere getrouwen. Alleen de directe omgeving van zijn woning en eventueel een jachtbos behield de heer zelf. De meier van de abdij bouwde soms ook een aanzienlijk onderkomen, zoals onder andere te zien is op zeventiende-eeuwse kaarten van Sterksel en de Hertheuvelsehoef bij Eersel. De akker zelf behield mogelijk het oude wegenpatroon terwijl de grond in blokken en later in toenemende mate in bloksgewijs gegroepeerde groepjes smalle stroken verdeeld werd. Het grondbezit lag hier erg door elkaar, maar ieders lapje grond werd slechts door kleine merktekens als een één voets greppel of een smalle ongeploegde rand aangegeven.
Buiten om de akker lag vaak een groene haag, soms op een wal, zeker daar waar er geen boerderijen tegen de akker lagen. 2.7.3
Verdere uitbouw van de dorpen en hun cultuurland
Na de middeleeuwse transformatie stond de ontwikkeling niet stil. De regio zat midden in een periode van snelle bevolkingsgroei en dus van voortgaande ontginningen. Daarvoor werd de wildernis steeds meer aangesproken, maar allerlei lokale heren en niet te vergeten de hertog van Brabant verlangden daarvoor een jaarlijks vergoeding: de cijns van nieuwe gronden. Door al die uitbreidingen kwam er meer bouwland en minder heide. Dit leidde tot de behoefte om het gebruik van de woeste gronden voor de dorpelingen veilig te stellen. Het feit dat enkele kloosters hun deel van de woeste gronden daadwerkelijk afschermden voor lieden van elders versterkte deze behoefte bij de gewone dorpelingen. In eerste instantie was de oplossing dat de boeren van een of meer gehuchten een deel wildernis samen tegen cijns innamen van de grondheer: een gebuurheike of vooraard. Vervolgens is de hertog van Brabant vooral in de jaren 1290 – 1335 in de dorpen waar hij grondheer was aan complete dorpsgemeenschappen gebruiksrechten op de wildernis gaan verkopen. Daar ontstaan dan de “gemeynten”, die zich als het ware om de eerdere gebuurheikes heen vouwden. Dit verkopen van gemeynten is een typisch hertogelijke activiteit. Behalve dat de gemeynte het oppervlakkig gebruik van de wildernis voor de dorpen veiligstelde, werd ook geregeld dat de wildernis niet verkleind kon worden zonder medeweten van het dorp.
De buitengrens van de gemeynte werd in detail beschreven en vaak toen al of later voorzien van tal van grensmerken. Dat kunnen natuurstenen palen zijn, maar ook natuurlijke heuvels en vennen, opmerkelijke bomen of opgeworpen aardhopen. Zelfs oude grafheuvels konden als grensteken dienen. De ontginningen van voor de gemeyntevorming en ook die van daarna kregen in het veld, als ze veroverd werden op de wildernis, vaak de gedaante van een “kamp”. Dat zijn vaak wat afgeronde gehelen die met een levende haag omgeven waren en soms ook met een wal. Lang niet altijd stonden daar boerderijen in: soms was het puur een uitbreiding van het cultuurland. Ook in de beekdalen werd ontgonnen, wat dan grasland, hooiland opleverde met vaak flinke begroeiing langs de scheidingssloten: de beemden. In deze streek was in de middeleeuwen en lang daarna de algemene benaming voor dergelijke met levende hagen omgeven akkers of beemden: “bucht” of “bocht”. Het woord “kamp” komt juist weinig voor: dat lijkt meer een woord uit wat noordelijker streken als Boxtel.
65
Breughel 1600-1700 BdH 20376 (PK) (prent, ets), 16e eeuwse Noord- en Zuid-Nederlandse grafiek, Prentenkabinet Museum Boijmans Van Beuningen De omheinde percelen binnen de bochten waren vaak van één of althans weinig eigenaren. Bovendien waren en bleven ze min of meer vierkant, zodat de boer ze bol kon ploegen. De akker komt dan in het midden een halve meter of meer hoger te liggen dan aan de randen. Dat bevorderde de afwatering en het vervroegde het begin van de groei van het gewas. Wanneer deze grondbewerking in zwang kwam is niet duidelijk. Vaak zijn deze bolle akkers in de laatste decennia weer belangrijk afgevlakt, zodat we aan nog duidelijke bolle akkers een belangrijke herinneringswaarde moeten toekennen. De bevolkingsgroei werd deels opgevangen door uitbreiding en verdichting van de oude gehuchten. Daarnaast ontstonden er ook nieuwe, vaak op de rand van de heide. Deze gehuchten dragen in deze streek in een tiental gevallen namen als Heikant, Hei-eind, Heike. Ze dateren van de vijftiende en zestiende eeuw. Andere gehuchten lagen naast ontgonnen broekgebieden en werden daar ook naar genoemd: namen op “broek” en “rijt”. De bevolking groeide waarschijnlijk nog fors door tot omstreeks 1350. In andere streken decimeerden pestepidemieën de bevolking soms, maar hier merken we daar helemaal niets van.
Wel lijkt de groei in de meeste dorpen te stoppen en blijven de bestuurlijke structuren tussen 1350 en 1550 in grote mate ongewijzigd. Pas tegen het eind van de vijftiende eeuw bloeit de economie blijkbaar weer op en neemt ook de bevolking toe. Dat is de tijd waarin heel wat dorpskerken geheel of deels vernieuwd werden en in tal van gehuchten een flinke kapel verrees. De eerste deftige boerderijen werden deels met baksteengevels verrijkt. Voor al dat bouwen waren bakstenen nodig die in plaatselijke en vaak tijdelijke steenovens gebakken werden. De benodigde leem werd ter plaatse gewonnen. Veldnamen als “Steenoven” en “Leemkuilen” herinneren daar nog aan.
2.7.4
Vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in Eersel
Op diverse locaties in de gemeente Eersel zijn bij opgravingen van nederzettingssporen uit de Volle Middeleeuwen tevens tal van grondsporen uit de Nieuwe Tijd aangetroffen. Bij Steensel-Boterbogten werden circa 100 m ten oosten van de erven uit de Volle Middeleeuwen, direct naast de Riethovenseweg, drie waterputten aangetroffen. Deze zo geheten ‘plaggenputten’ bestaan uit een kern van plaggen die gestapeld op een wagenwiel zijn ingegraven. Op basis van het aardewerk, baksteen en het type waterput dateren de waterputten in de Nieuwe
66
tijd. Bijbehorende huizen zijn niet gevonden; Deze liggen mogelijk naar het noorden of oosten toe. Wel werd nog een losse houtskoolmeiler gevonden die gebruikt is om houtskool in te maken.135
Opgraving een van de waterputten in Boterbogten (bron: Tuinstra en Bink 2016). Aan de Servatiusstraat in Vessem zijn ook resten uit de Nieuwe tijd gevonden. Bekend was dat langs de Servatiusstraat twee historische boerderijen hebben gestaan. De zuidelijkste van deze gebouwen ligt net buiten de grenzen van de opgraving. Het bij deze boerderij horende erf lag echter nog wel in de opgegraven bouwput. Hier lag ondermeer een kuil met een geitenskelet. Ter hoogte van de plaats waar de noordelijkste boerderij verwacht werd, bleken onder het plaggendek inderdaad nog resten van een stenen gebouw bewaard gebleven te zijn. Het gaat bij deze resten om een dwars op het gebouw liggend fundament van een brandmuur, twee stenen poeren en een houten aanbouw, met voor deze periode ouderwets aandoende paalkuilen en wandgreppels. Bekend is dat op deze plaats in 1904 een boerderij door brand verwoest is.. Op basis van het in grondsporen aangetroffen vondstmateriaal is het niet uit te sluiten dat het om de resten van een 17 e of 18e eeuwse voorganger van het historisch overgeleverde gebouw gaat.
Wel is direct naast de boerderij een bakstenen waterput aangetroffen die minstens tot aan het einde van de 19e eeuw in gebruik moet zijn geweest.136 In het uiterste noorden van het onderzoeksterrein Vessem-Servatiusstraat kwamen, geheel onverwacht, de goed bewaarde resten van een gieterij voor kerkklokken aan het licht. Het bleek bij deze resten te gaan om een tijdelijke werf van de klokkengieter Jean Petit die op deze plaats in 1726 de nieuwe klokken gegoten heeft voor de St. Lambertuskerk in Vessem en het St. Willibrorduskerkje te Middelbeers. Resten van dergelijke tijdelijke klokkengieterijen worden in Brabant wel vaker aangetroffen. In Vessem gaat het echter om een buitengewoon compleet ensemble waarbij zowel de kuil waarin de klokken werden gegoten als resten van de oven konden worden bestudeerd. Verder bleken zich tussen het afval, waarmee de kuilen na gebruik opgevuld waren, resten van een goed geconserveerde gietvorm te bevinden, waarop nog de naam van de gieter te lezen is. 137
135 Tuinstra & Bink 2016. 136 Lascaris 2005. 137 Lascaris 2005.
67
Reconstructie van de oven met gietkuil en asopvang zoals gevonden aan de Servatiusstraat in Vessem (bron: Lascaris 2005, fig. 25). 2.7.5
Brabants Gouden Eeuw
De talloze imposante kerken en kerktorens in oostelijk Brabant zijn de stille getuige aan andere tijden. Ze herinneren aan de Brabantse Gouden Eeuw (de periode 15 e/16e eeuw). In de Brabantse steden woonde een kapitaalkrachtige elite die haar weelde wilde tonen. De welvaart en culturele bloei waren overal zichtbaar: in de steden, de kerken, de kloosters, het hele Ommeland. In de Brabantse dorpen uitte de toegenomen welvaart zich in de bouw van vele kerken die zijn uitgevoerd in de stijl van de Kempense gotiek. 138 De Gotische kerktorens in Noord-Brabant dateren uit de tweede helft van de 15e eeuw. Ook talloze kunstschatten geven aan dat de goud- en zilversmeden en de beeldhouwers volop werk hadden en de fraaiste voorwerpen voor hun opdrachtgevers vervaardigden. Gedurende de Beeldenstorm en de protestantse periode 1648-1798 zijn veel religieuze kerkschatten verloren gegaan of in het buitenland verkocht, maar het overgebleven materiaal geeft al een goede indruk hoe rijk de 15e eeuw was. Hoewel het zuidelijk deel van het hertogdom natuurlijk rijker en meer verstedelijkt was, blijkt er sprake te zijn van een geïntegreerde Brabantse economie, waarbij het rurale noorden als leverancier van grondstoffen, een complementaire functie vervulde voor hoogontwikkelde nijverheid in het geürbaniseerde zuiden.
Een substantieel deel van de verhandelbare agrarische productie uit het noorden vond zijn weg naar de Zuid-Brabantse steden. Hierbij wordt gedacht aan wol in het bijzonder, maar ook aan vlas, haver, levend rundvee, paarden en onbewerkte huiden.139
138 Kolman, Meierink & Stenvert, p. 15, 20. 139 Hoppenbrouwers 2004, 116.
68
De gotische schilderkunst, die zijn hoogtepunt vond in de miniaturen van de gebroeders Van Limburg, zijn adembenemend mooi en geven een prachtig beeld op het leven in Hertogdom Brabant ten tijde van de Gouden Eeuw. In de late middeleeuwen ging niet alleen verhandelbare agrarische productie van het noorden naar het zuiden, maar vonden ook veel nijverheidsproducten hun weg naar het zuiden. Aan het einde van de vijftiende eeuw rekende men in Antwerpen vooral op aanvoer van linnen uit ’s-Hertogenbosch, Hoogstraten, Zundert, De Kempen en Peelland. ’s-Hertogenbosch kende een specialiteit van koperen spelden en messen die tot in Spanje beroemd waren.140 Door de veelvuldige contacten ondergingen noorderlingen de invloed van de stedelijke cultuur van het zuiden. Deze nieuwe moderne samenleving die de toon aangaf in Europa bleef niet beperkt tot de Grote Vier (Antwerpen, Leuven, Brussel en Den Bosch): ‘Vlaanderen en iets later Brabant speelden een belangrijke rol in de moderniseringsgolf van de Europese samenleving, die gekenmerkt werd door de opkomst van stedelijke economieën in de hoge middeleeuwen’.141 Er was een druk verkeer van personen en goederen, veelvuldige (handels)contacten en dus transmissie van cultuurelementen naar de kleinere steden in het hertogdom. Kortom, de levenswijze die behoorde bij een stedelijke economie kreeg navolging in de grote dorpen en kleinere steden. 2.7.6
Het wegennet
De dorpen lagen niet in isolatie. Alleen al hun relatie met ver weg gelegen kloosters wijst op langeafstandsverkeer. Bovendien werd de streek doorsneden door oude verkeersroutes, zoals die van Antwerpen naar Roermond. Deze was tussen Turnhout en Achel een tolweg, met halverwege een marktplaats in Eersel. Later werden delen van deze route opgenomen in de route Breda – Maastricht. Dwars daarop liep de route tussen Den Bosch en Maastricht. We spreken hier van “routes” en niet van “wegen” omdat een dergelijke route in feite uit een groot aantal bundels van wegen bestond. Op tolplaatsen, markten, bij voorden en bruggen kwamen die wegen samen om daarna weer uit te waaieren. Soms was er sprake van een “zomerweg” parallel aan een “winterweg”. De ervaring had dan geleerd welke baan in welk seizoen het best begaanbaar was. Immers, alle wegen waren zandwegen op misschien hier en daar een klein bestraat stukje in steden en grote dorpen. Die oude wegen hadden dus een heel ander karakter dan de moderne A2 of A67! In de late middeleeuwen trok de hertogelijke rentmeester jaarlijks vaste rondjes langs de dorpen om daar cijns op te halen. Hij kwam dan met 60.000 zilveren muntjes thuis. Hoe kwamen de boeren daaraan? Ze moesten hun producten ter markt brengen en ze daar voor geld, die muntjes, verkopen.
Niks autarkie, de boeren werkten ook in de veertiende eeuw al volop voor de markt, anders konden ze die rentmeester niet betalen! Naast de doorgaande 140 Van Uytven 2004. 141 Blom & Lamberts (red) 2006.
69
grote wegen was er een verkeers- en handelsnetwerk dat op Den Bosch gericht was. Op plaatselijke (jaar)markten werden de landbouwproducten van de dorpen en gehuchten aangeboden. Van daaruit ging het naar grotere plaatsen zoals Oirschot, Eersel, Eindhoven of Weert en vandaaruit naar de grote steden Den Bosch of Roermond. De beken konden daarbij amper als waterweg dienen omdat ze te smal, te kronkelig en te rijk aan watermolens waren. Alleen vanaf Oisterwijk lijkt er scheepvaart op Den Bosch mogelijk geweest te zijn. Turfvaarten en scheepvaartkanalen zijn hier tot na 1800 nooit geweest.
Het Kerkepad in Eersel liep vanaf de oude middeleeuwse kerk naar het latere centrum aan de Markt, hier gezien vanaf de Schoolstraat (foto Google Streetview 2016). Het plaatselijke verkeer verliep tussen de boerderijen en gehuchten en hun landerijen, de kerk en de molen. De kerk en de molen waren vaak het centrum van een net van “kerkwegen”, “kerkpaden” en “molenwegen” dat naar alle zijden uitstraalde. Binnen de gehuchten was er vaak de gehuchtstraat waaraan de meeste boerderijen stonden. De talrijke beekjes en natte gebieden vormden een hindernis. Beken werden wadend overgestoken waar de beekbodem dat toeliet omdat deze stevig was of verstevigd kon worden: namen als Zandvoort, Houtvoort (met hout bestraat), Steenvoort (met keien bestraat) wijzen daar op. Bij een voorde moet je naar beneden en weer omhoog. Om die helling wat minder steil te maken, werd de doorgang wat scheef op de beek gelegd. Dat levert een knik in de weg op die soms nog als herinnering aan een voorde voort bestaat. Een enkele keer werd de knik heel nadrukkelijk: er was dan een vrij lange passage door beek en beekdal. Dat heet een “langvoort”. Nog extremer wordt het wanneer men de weg een eindje door de beekbedding liet lopen. In Engeland zijn die situaties bekend als “waterlane”, hier als “waterstraat”, al zijn er ook waterstraten die alleen maar naar een water toelopen.
In voetpaden volstond soms een rij palen in het water waar men overheen kon stappen (een waterstap) of een flinke plank. Bij wat zwaardere constructies moest het houten wegdek ondersteund, geschoord, worden: een schoor. De meest luxe overgangen waren al dan niet gemetselde bruggen. Kleine waterlopen en sloten werden soms door een buis (hout, later gemetseld) onder een weg of toerit door geleid: een heul of hool. Vooral bij voorden en bruggen zien we aan twee zijden vaak een wegenwaaier: alleen dáár kon men de beek oversteken. Brede natte gebieden in beekdalen en op de hei vroegen om een andere aanpak. Daar werd de weg opgehoogd, met ergens halverwege een voorde of brug. Dergelijke wegen heten hier steeds “dijk”. In tegenstelling tot de Hollandse dijken die het water keren, laten de Kempense dijken het water door. Ze dienden alleen maar om een nat gebied over te steken. Wegen in droge gebieden konden tot een holle weg worden. Daarbij kunnen vijf processen een elkaar aanvullende rol gespeeld hebben. Het verkeer, vooral met paarden bespannen wagens en complete kuddes, deed het losse zand opspringen en wegwaaien. Bermen van wegen werden graag afgegraven om aan zand voor de potstal te komen of om met dat zand de eigenlijke wegbaan tonrond op te hogen. De akkers naast de weg werden door de plaggenbemesting geleidelijk hoger.
De onbegroeide baan kon ook gemakkelijk uitstuiven maar het is ook denkbaar dan men in duingebieden van begin af aan de weg tussen de lastigste zandkoppen door 70
gekozen heeft. Dat wekt ook de indruk van een holle weg. Mogelijk is op een aantal plaatsen de holle weg niet dieper geworden omdat een meer slijtvaste bodemlaag bereikt werd. Holle wegen getuigen soms van oude wegen die op geen enkele oude kaart staan aangegeven. 2.7.7
Wallen en Brandstofvoorziening
Het boerenlandschap van de late middeleeuwen kende tal van walstructuren. Rondom de grote open dorpsakkers was in ieder geval een groene haag aangelegd, maar die stond soms ook op een aarden wal. De toegangen tot de akker waren met een hek afgesloten: het “akkerveken” dat in het “akkergat” hing. Soms laten dergelijke wallen zien hoe het akkerland in de loop van de tijd uitgebreid werd, zelfs wanneer dat intussen bebost is. Dit is bijvoorbeeld in Duizel het geval. Wie een stukje van de wildernis, van de gemene gronden, in privé gebruik wilde nemen, moest die grond wel eerst afbakenen. Prikkeldraad was er niet en hakhout groeit zo hard niet. In eerste instantie groef men daarom een greppel en dan ontstaat er al gemakkelijk een walletje uit het uitgegraven zand. Daarop kon dan mooi het hakhout aangeplant worden. Dit levert uiteraard geen hoge dikke wallen op, maar wel smalle lage walletjes onder de hakhoutheggen. Ook oude bossen werden vanouds omwald, misschien niet zozeer om het wild er binnen te houden, maar puur als afbakening tegen agressief ploegende boeren: tot hier en niet verder. De wal om het Loons Bos is hiervan een voorbeeld. In en rond Knegsel is nog een groot deel van deze middeleeuwse wallen bewaard gebleven. Vanaf de kruising OudeDijk/Oeyenbosch naar het westen is nog een deel van deze wal te zien/ bewaard gebleven.
Driekwart van het dorp was omringd door dit type akkerwal. Het vormde een scheiding tussen het particuliere bezit en het gemeynt, de gemeenschappelijke gebruikte heide. De oorspronkelijke wallen waren hoger en aan de buitenzijde voorzien van een greppel. Zo kon het vee geen schade aanbrengen aan de particulier akkers. De oudste aanleg gaat waarschijnlijk terug naar de veertiende eeuw.
Dwarsprofiel door de lange wal van Knegsel (foto Henk Bongenaar) In de vroege en hoge middeleeuwen hadden de bewoners van de streek nog bossen beschikbaar om daar onder andere hun brandhout te halen. Nadat de meeste bossen verdwenen waren, bleven er twee brandstofbronnen over: de moeren en “eigen kweek”. Op veel plekken in de wildernis, zelfs daar waar wij het nu absoluut niet zouden verwachten, moet ooit veen gezeten hebben. Zo werd van een 84 hectare grote strook in de Oirschotse Heide, nu een bebost duinengebied, in 1466 gezegd dat 22% bestond uit uitgegraven turfplekken die vol water stonden.142 Het veen is vaak al in de middeleeuwen door de boeren weggegraven en met turfgraven en baggeren is tot in de twintigste eeuw doorgegaan. Het veen waar het hier om gaat kwam voor in beekdalen, broeken en goren, maar ook in vennen en in vlakke of duinenrijke delen van de hei. Het ging niet om onafzienbare veengebieden zoals in de Peel of westelijk Noord-Brabant, maar om betrekkelijk beperkte plekken. Daarom is hier van commerciële turfafgravingen geen sprake geweest: het ging steeds om “boerenvervening”.
142 Enklaar, 1941, nr. 92.
71
Wie kans ziet om het water uit een veen kwijt te raken, kan daarna het veen onder droge omstandigheden weggraven. Dat zal hier niet vaak goed mogelijk geweest zijn. Er was een tweede methode: met een paar stevige kerels in één dag een flink gat in het veen graven. Zo’n gat bleef lang genoeg droog om erin te kunnen werken. Dat leverde een stapel natte turf op die na een zomertje drogen de haard weer een winter kon laten branden. Landschappelijk was het gevolg dat een broek of goor vol oude turfgaten kwam te zitten. Die gaten gingen verlanden en dat leverde weer allerlei struik- en bosachtige vegetatie op. Zo’n gebied kreeg soms een naam als “De Kuilen”of “De Putten”. Een derde methode was het baggeren, een bezigheid die vooral in vennen of eerder afgegraven veen handig was. Vanaf een bootje of misschien gewoon wadend door het water trok men met een baggerbeugel de veenlaag van de venbodem. De kletsnatte bagger werd ergens te drogen gelegd en later versneden tot turfjes. Dit leverde vaak de beste turf op: “klot” of “kliet” genaamd. Waar gebaggerd is, is de oude veenlaag verdwenen. Bij sommige boerderijen stond een apart turfhok, bij de andere werd de turf in een van de andere gebouwen opgeslagen. De “eigen kweek” van brandstof kreeg de vorm van de hakhoutteelt.
Op de randen van de bochten en de grote dorpsakkers, maar ook tussen graslandpercelen in de broeken, goren en beekdalen, groeide allerlei hakhout: struiken van eik, els en andere houtige soorten die om de zes of acht jaar zo gekapt werden, dat ze weer uitliepen. Het hakhout werd zorgvuldig onderhouden door bijplanten van zelf gekweekte “heesters”. Het hakhout diende, naast brandstofvoorziening, allerlei doelen. In het veld was het een scheiding tussen percelen. Eenmaal gekapt leverde het blad voer op, de schors was bruikbaar als grondstof in het leerlooiproces. Het eigenlijke hout was ook geschikt voor het maken en onderhouden van wanden van de boerderijgebouwen en hekken om de hof. Je kon er bonenstaken en hopstaken uit halen, etc.. Later is men in de heggen en vooral op de voorpootstroken ook grote bomen gaan zetten. Dat leverde bouw- en klompenhout op, naast opnieuw een stapel kleinhout dat weer allerlei gebruiksmogelijkheden had. Uiteraard waren de hakhoutstroken en de grote bomen erg beeldbepalend voor het uitzicht van het cultuurland van de gehuchten.
72
Eind 1522 bereikt Gelre zijn maximale omvang (bron: wikipedia).
2.8
De oorlogen van Brabant met Gelre (1356-1543)143
Vanaf 1356 werd de macht van de Brabantse hertog aan de noordgrens van de Meierij geregeld betwist door de graaf van Gelre. Regelmatig vielen troepen binnen en werden huizen verbrand. In 1388 werden bijvoorbeeld Oisterwijk, St. Michielsgestel, Hilvarenbeek en Boxtel geplunderd en in 1397 wordt Eindhoven belegerd. Hoewel diverse keren vrede werd gesloten, rakelde de strijd telkens toch weer op. Er werden door de inwoners landweren aangelegd op de grens met Gelre. Inwoners van de Meierij waren verder verplicht de wallen rond Den Bosch en Eindhoven te onderhouden. Diegenen die niet kwamen opdagen, kregen een boete. De dorpen draaien ook op voor de kosten van de belegeringen en raakten daardoor vaak in de schulden. Veel dorpen krijgen toestemming om gemene gronden te verkopen om de schade door de oorlogen en de brandschattingen te kunnen betalen, zo ook Eersel. Kort na het overlijden van Filips de Schone op 26 september 1506 brak de vierde Gelderse oorlog (1506-1508) uit. Zij hielden een week lang huis op het platteland: in Heeze, Leende en Someren werden veel boeren gevangen genomen en werd veel buit behaald. Daarna werden Budel en Maarheeze geplunderd, evenals Eersel en Bergeijk.144 In 1528 vielen de Gelderse soldaten vanuit het zuiden via de Peel Brabant binnen en de weerbare mannen werden per klokslag opgeroepen om het land te verdedigen.