[23.20715] - Bijlage 3 Overzicht waardevol Cultureel Erfgoed Eersel
Tekst van het document
Het is niet alleen een van de weinige niet-gekanaliseerde beken, het is ook vanouds een grensbeek tussen de invloedsfeer van Oirschot tegen die van Oerle, wat zich nu nog vertaalt in de vorm van een functie als gemeentegrens. Langs 73 Bijnen 1990, 4. 74 Lieberom 1999, 8. 75 Biggelaar, van Bruggen & van der Heyden, 1993, 229. 76 Enklaar, 1941, nr. 130.
60
de beek komt een steilrandje voor. Juist benedenstrooms van de mogelijke watermolenlocatie is de beek over korte afstand verlegd, vermoedelijk in 1908 of kort nadien. Dit is het enige stukje waar de Bruggenrijt niet meer de oude loop volgt. 4.14.2.012 Brug aan Heike over Kleine Beerze 77 Ter plaatse van de straat Heike is een gemetselde boogbrug, ook wel welfbrug genoemd, over de beek Kleine Beerze aangebracht. De brug dateert van oorsprong uit 1881 wanneer de klinkerweg van Eindhoven naar Middelbeers via o.a. Vessem werd aangelegd. De boogbrug is waarschijnlijk in de jaren 70 opgemetseld en verhoogd. De brug over de kleine Beerze zal in 2022 in zijn geheel worden vervangen.
De boogbrug bij het Heike over de Kleine Beerze (uit rapport Monumentenhuis 2020).
77 M. de Jong, 2020: Redengevende omschrijving met waardestelling Brug aan Heike over de Kleine Beerze in Vessem, gemeente Eersel (Monumentenhuis Brabant).
61
Thema: 15 Gegraven waterlopen Gegraven waterlopen zijn grotere gegraven waterlopen waaronder kanalen. Behalve de turfvaarten van de Peel zijn er bij Eindhoven nog een aantal wateren gegraven. Het grootste project was de aanleg van de Zuid-Willemsvaart (met bijhorende kanalen) en later het Wilhelminakanaal. Ook is er veel gewerkt aan de kanalisatie van de Dommel. Voor de waterhuishouding van de watermolens werden wat kanaaltjes gegraven. We onderscheiden drie categorieën: bevaarbare kanalen of gekanaliseerde rivieren; gegraven molenwaters en ontwateringssloten die met ontginning en/of grensafbakening te maken hebben. 15.1 Kanalen Scheepvaartkanaal of gekanaliseerde rivieren voor algemeen interlokaal transport, of speciaal voor turftransport (turfvaart). Secundair worden kanalen gebruikt voor watertransport, bijv. ten behoeve van vloeiweiden of ontlasting van rivieren. [Komt in Eersel niet voor] 15.2 Molenloop Kanaaltje gegraven bovenstrooms van een watermolen om die molen aan een groter hoogteverschil in waterstand te helpen. Molenlopen kunnen meer dan 1 kilometer lang zijn. Bij een watermolen is er soms maar een kort stukje molenloop. [Komt in Eersel niet voor?] 15.3 Sloot / wetering Hier worden de grote ontwateringssloten die met ontginning en/of grensafbakening te maken hebben bedoeld, niet de eindeloos talrijke gewone slootjes.
4.15.3.071 t/m 086 waterlopen Eersel 15.4 Haven/kade/loswal [Komt in Eersel niet voor]
62
Thema: 16 Molens Onder molens verstaan we graanverwerkende en andere industriemolens die als zodanig herkenbaar waren. Op het platteland heeft een groot aantal molens gestaan. De oudste groep bestond uit de door rivierwater aangedreven molens. Sommige zijn zo lang geleden gebouwd en zo vroeg al weer verdwenen, dat er amper een duidelijk spoor van de vinden is: de "spookmolens". Mogelijk waren dat kleine molens die de concurrentie met de latere, grotere, molens verloren. Soms is uit archiefstukken alleen bekend dat er een molen was, maar is de exacte locatie niet bekend (hooguit alleen een globale locatie). Windmolens waren in vergelijking met de watermolens een nieuwe vinding. Aanvankelijk waren alle windmolens houten standaardmolens. Er kwamen echter in de middeleeuwen al torenmolens voor in de regio. Vanaf 1680 werden steeds meer molens met een stenen romp en draaibare kap gebouwd. Tot 1800 kon men niet vrijelijk molens oprichten en waren de mensen gedwongen om van bepaalde molens gebruik te maken, zelfs wanneer die erg onpraktisch gelegen waren. Na de opheffing van de heerlijke rechten en de belastingreglementen van de Republiek verrezen rond 1800 daarom molens op beter gekozen plaatsen, terwijl veraf gelegen molens buiten gebruik raakten of naar een betere plek verhuisden.
In de tweede helft van de negentiende eeuw werd stoomkracht ingevoerd in het maalderijbedrijf, maar pas in de twintigste eeuw werden er veel oude molens opgeruimd. De meeste molens maalden graan tot meel. Sommige hadden een meer industriële taak: schorsmalen voor de leerlooiers, olieslaan, het vollen van textiel, het grutten van boekweit, zelfs het malen van snuif kwamen voor. In eerste instantie heeft men voor aandrijving van de noodzakelijke molens gebruik gemaakt van waterkracht. Rond 1100 waren er in de Nederlanden al heel wat watermolens in bedrijf, rond 1300 nam de bouw van windmolens een vlucht. De bouw van zowel wind- als watermolens vereiste een relatief grote investering, die alleen door kapitaalkrachtige personen of instanties was op te brengen. De eerste molens zijn dan ook gebouwd door de adel die heerlijke rechten bezat en door grote kapittels en abdijen, zoals in Kempenland de abdij van Postel. Omdat deze investeringen hun rente moesten opbrengen, wendden vele eigenaars, zoals Postel, zich tot de hertog, om de plaatselijke boeren te verplichten om op de plaatselijke molen te laten malen. Dit waren de zogenaamde dwangof banmolens.78 16.1 Windmolen Door windkracht aangedreven graan- of industriemolen. Standerdmolen, later stenen molen; op het vlakke, op een berg of in een berg (beltmolen), al dan niet met galerij.
10.16.1.001 Molen van Oerle, 2e plek (ligt nu in Veldhoven) Nieuwe standplaats van de Postelse windkorenmolen bij Oerle. De molen werd naar hier verplaatst in 1462. , die in 1290 als grenspunt genoemd werd. In 1462 werd deze molen 450 meter naar het westen verplaatst. De molen zou op zijn oude standplaats te weinig wind vangen, wat iets zegt over het landschap: daar moeten flinke bomen gestaan hebben! 79 De molen bleef op de nieuwe plek tot 1913 staan. In 1990 werd op de Molenvelden bij de nieuwe plek van de Zand-Oerlese windmolen onder andere een fragment van een molensteen gevonden. Het gaat hierbij om een loper (de bovenste draaiende molensteen).80 In 1913 verhuisde de standerdmolen nogmaals, nu naar een plek in de akkers halverwege Kerk-Oerle en Zand-Oerle. Na twintig jaar werd de molen gesloopt. De molen van Oerle was dus een typische “wandelmolen”.
78 Lijten, 1996, 1. 79 Charter 1462, oktober 10: Rijken, 1915. 80 Bijnen, 1993, De standerdmolen.
63
De karresporen van de weg naar de molen van Oerle en de molenberg zitten verscholen in het jonge bosgebied. Rechts een deel van het voormalige Huismeer. 10.16.1.002 Molen van Oerle, 1e plek (ligt nu in Veldhoven) De uitgifte van de gemeynt van Wolfshoven en Zittard rond 1290 lijkt deze windmolen van Oerle als grenspunt te nemen. De blauwe grenskei op de noordoosthoek van Knegsel heette volgens Bijnen de “Ter meulen paal”. De kei markeerde de plek van de molen. In 1992 zijn daar brokken basaltlava = molensteen = tefriet en ook aardewerk uit de veertiende en vijftiende eeuw aangetroffen. Bovendien vond men een vroeg- of midden-bronstijd urn van het Drakenstein- of Larentype. Dit doet vermoeden dat de molen op een grafheuvel stond. Pal ten westen van deze plek ligt een archeologisch monument met grafheuvels. Inwoners van Knegsel gebruikten deze molen van het klooster Postel dus op of zeer nabij de noordoosthoek van het ensemblegebied stond. Deze molen is in de visie van Lijten81 de opvolger van de watermolen van Oerle. In 1332 verplichtte de hertog al zijn onderdanen in Oerle, Wintelre, Zonderwijk, Veldhoven en Knegsel om voortaan te malen op de molen van Postel in Oerle. Als ze daar niet kunnen malen, mogen ze uitwijken naar de Postelse molen van Venbergen. De boete op het verkeerd malen wordt op 1 pond zwarten gesteld.
Voor dit recht zal Postel jaarlijks aan de hertog 6 mud rogge Oerlese maat betalen.82 Dit werd nog bevestigd in 1615.83 In 1405 werd getuigd dat de Oerlese molen al meer dan 45 jaar een dwangmolen was.84 Dat terugrekenend komen we in 1360 of eerder. De getuigen zeggen niets over verplaatsing, alleen maar dat Postel het recht van de banmolen al zo lang en langer heeft. 85 Eerder denk ik dat het verlenen van een molenban op een belangrijke verandering wijst. Dat kan er op wijzen dat toen, in of kort voor 1332, de windmolen gereed kwam en de oude watermolen van Oerle verlaten werd. 4.16.1.002 Vessem, molen In 1835 verzoek tot oprichting van een graan- en oliemolen. In 1837 gebouwd. Kadasteraal C-148, later K-665 aan de Merenweg. De molen komt te staan op de (Buik)heide; nabij het woonwagencentrum tegenover de huidige sportvelden. Op de afgebeelde kaart uit de Kuijpers-atlas 81 Lijten, 1989. 82 Charter 1332, april 17: Rijken, 1915. 83 Charter 1615, april 7: Rijken, 1915. 84 Charter 1405, november 17: Rijken, 1915. 85 Bijnen, 1993, lijkt te interpreteren dat er in 1360 een verplaatsing was.
64
1865-1869 is deze terug te vinden.86 Was rietgedekt, wat er op wijst dat het een (geïmporteerde?) Hollandse achtkanter was. Afgebrand in 1893. Nu verdwenen.87 In de database van verdwenen molens staat deze molen geregistreerd als een koren- oliemolen van een onbekend type (nr. 3863). Voor achtergrondinformatie zie http://www.molendatabase.org/molendb.php.
Afbeelding: Molen Vessem in Kuijper-atlas (naar B. Beex) 4.16.1.003 Eersel, molen in de Eerselse Akkers Molen in de Eerselse Akkers; in de Postakker, in de Quackelaer. Vóór 1303 stond er een windmolen tussen Eersel en Steensel. Wordt genoemd tussen 1393-1397 en in 1414. Verpachting molen te Eersel 20-02-1557. Verkoop erfpacht uit de windmolen van Eersel 09-09-1566.88 De Eerselse windmolen wordt ook genoemd in het cijnsboek 1339-1340.89 In 1848 werd hier een stenen bergmolen gebouwd. Deze is in november 1940 door brand verwoest en niet meer opgebouwd. Onderste gedeelte stond nog in 1948. Molen en molenbergzijn verdwenen. In 1972 was daar nog het maalbedrijf en winkel van M. Coppens en in 1989 iets dat “De Run” heette.90 In de database van verdwenen molens staat deze molen geregistreerd als een korenmolen van een onbekend type (nr. 6077). Voor achtergrondinformatie zie http://www.molendatabase.org/molendb.php 4.16.1.004 Eersel, molen op de Hint 29 Restant voormalige korenmolen op de Hint. Achtkante bergmolen, in 1904 gebouwd op perceel kadastraal F-168. Waarschijnlijk stond deze molen eerst in Oudshoorn (De Smalle Juffer). Karakteristieke slanke, sterk getailleerde houten molenromp. In 1952 gesloopt. De onderbouw bestaat nog (2000). Uitwendig achtkantig, inwendig rond.
In 2016 ten zuiden van de omgelegde weg Eindhoven-Hapert die hier Molenweg heet.91 De gemetselde onderbouw is inwendig rond. Het huisje op de poort werd gebouwd door de bekende historicus A. Kakebeeke. In de database van verdwenen molens staat deze molen geregistreerd als een korenmolen van het type Beltmolen (nr. 818). Voor meer foto’s, zie http://www.molendatabase.org/molendb.php 86 B. Beex, Windmolen Vessem (1836-1893), z.j. 87 Biggelaar e.a., 1993, 152; Zoetmulder, 1974. 88 Dams, Huijbregts & Spoorenberg, 1989, 80; Melsen 1977, 121; Watermolens in de Kempen, in: De Rosdoek 94, p. 18. 89 Watermolens in de Kempen, in: De Rosdoek 94, 18. 90 Dams e.a. 1989, 259; 1948: Vrijheid aan de Run , 76; Kwinten 1972, 17; Kolman e.a., 1997. 91 Kwinten 1972, 16; De molen van Eersel op het Hint, in: De Rosdoek 94, 19-22; Kolman e.a., 1997.
65
Afbeelding: De molenromp op de Hint in Eersel (bron: Molendatabase, Foto Ronald Bakker, opname 13 maart 2016). 4.16.1.008 De Jacobus te Vessem Stenen beltwindkorenmolen Wilhelminalaan 18 te Vessem, gebouwd in 1893, als opvolger van de afgebrande molen 4.16.1.002. In 2010: Maalvaardig. Molendatabase nr 603. Met Molenbiotoop en toch teveel bomen! Wonen doet de molenaar in het centrum in een woon-huis-café met de toepasselijk naam “Molenhuis” dat tot aan het afbranden in 1937 stond op de hoek tussen Caférestaurant “De Gouden Leeuw” en Café Van de Ven.
66
Afbeelding. Jacobus te Vessem (www.molendatabase.nl) Gebouwd in 1893 voor molenaar Jacobus Peeters. Ronde stenen bergkorenmolen met 4 zolders. Houten kap met asfaltbedekking. Bovenkruier met Engels kruiwerk. IJzeren gelaste roeden met een vlucht van 28,20 meter. Kadastraal B-891. 1906 vergunning tot plaatsing petroleummotor onder de molen. Vergunning plaatsen dieselmotor 1936. Lichte oorlogsschade in 1944. In 1955 verkoop aan de gemeente. Restauratie 1960, 1970 en 1986.92 In de molendatabase staat deze molen geregistreerd als een korenmolen van het type Beltmolen (nr. 603). De landschappelijke waarde wordt als volgt omschreven: Deze zeer grote molen wordt helaas sterk gedomineerd door bomen. Hierdoor ook bewegingsbelemmering. Voor achtergrondinformatie en foto’s: zie http://www.molendatabase.nl/nederland/molen.php?nummer=603 Rijksmonument nr. 37243 CHW. nr. KL115-000678 4.16.1.009 Vessem, molen Molen tussen Vessem en Hoogeloon gebouwd in 1304.93 De molen staat buiten de oude grens van Vessem en buiten de moderne grenzen van Eersel, maar was wel voor Vessem van belang. Daarom hier pro memorie opgevoerd. De molen verdween in 1858. Zie catalogus Bladel: 2.16.1.009 4.16.1.011 Wintelre, standerdmolen Ook wel de molen van Coolen genoemd. Gesloten standerdmolen gebouwd kort voor 1887 op perceel D344 (1830).
De molen was afkomstig uit Strijp en had nog eerder in Eersel gestaan (Zie 4.16.1.012). In 1889 werd er een bakkerij bij gebouwd op Willibrordusstraat 43. In 1906 kwam er in een apart gebouw een 16 pk petroleummoter bij op Molenweg 5. Dit gebouw bestaat nog. De molen werd gesloopt in 1934 of 1932, waarbij onderdelen onder andere naar molen van Moergestel gegaan zijn.94 In de database van verdwenen molens staat deze molen geregistreerd als een korenmolen van het type standerdmolen (nr. 2225). Voor achtergrondinformatie en foto’s, zie http://www.molendatabase.org/molendb.php 4.16.1.012 Eersel, windmolen op Schadewijk Molen op Schadewijk wordt in 1850 verplaatst naar de Zeelsterstraat in Strijp, later verplaatst naar Wintelre (zie 4.16.1.011), dateerde uit 1741, afgebroken in 1932 of 1934. Nu Molenweg Wintelre.95 In de database van verdwenen molens staat deze molen geregistreerd als een korenmolen van het type 92 Biggelaar e.a., 1993, 151; Smetsers, 1972, 6; Baardwijk, 1993, 67. 93 Biggelaar e.a. 1993, 150 94 Biggelaar, van Bruggen & van der Heyden, 1993, 150; Smetsers 1972, 11; De molen van Wintelre, in: De Rosdoek nr. 23, 28-30. 95 Anoniem 1948, Onbekend 2000, 18.
67
standerdmolen (nr. 5980). Voor achtergrondinformatie en foto’s, zie http://www.molendatabase.org/molendb.php
Figuur. Veldbezoek aan de locatie waar de Schadewijkse windmolen stond (november 2010) 16.2 Watermolen De oudste molens waren watermolens: molens die door het water van een beek of rivier aangedreven werden. De vroegste windmolen werd in Brabant bij Antwerpen vermeld rond 1250. 4.16.2.001 Muestermolen (staat onder Oirschot) De Muestermolen in 1326 als grenspunt van de gemeynte van Zand-Oerle, Knegsel, Hoog-Casteren, Vessem en Wintelre. Stukje grensbeschrijving: tote Vessem ende vandaer totten rade van Muestermolen ende vandaer ter smisse van Berse ende vandaer… 96 Dit is de watermolen tussen Vessem en Oostelbeers op de Kleine Beerse, ongeveer een kilometer buiten de huidige gemeentegrens van Eersel (destijds Vessem). Deze molen gebruikte het noordelijke deel van het dal van de Beerse voor het opstuwen van het water en had aldus invloed tot ver in Vessem: het Molenbroek. Eigenaar van het goed 'de Muijstermolen' was Johannes de Molendino. De watermolen was een zogenaamde 'wintermolen' wat inhield dat alleen gedurende de wintermaanden het water zo hoog mogelijk gestuwd kon worden, dat het rad voor langere tijd aangedreven kon worden. 97 In de database voor verdwenen molens staat deze molen bekend onder nummer 29. De molen kon niet worden getypeerd.
De Muystermolen stond op de Kleine Beerze ca 1 1/2 kilometer ten zuidoosten van Middelbeers en ten zuiden van Oostelbeers, tot welke plaats ze behoorde. De eerste vermelding van deze watermolen dateert van 1326. De watermolen behoorde toe aan de Abdij van Tongerlo, evenals de windmolen die zich ook in Oostelbeers bevond. In 1590 ging het bezit van de molen over op het Bisdom ’s-Hertogenbosch. Bij de Vrede van Münster in 1648 werd de molen onteigend door de Republiek der Verenigde Nederlanden. Ze kwam weer in bezit van particulieren om in 1884 te worden gesloopt.98 4.16.2.001 Stevertse of Steenvoortse watermolen De watermolen bij Steenvoort wordt in 1350 genoemd bij de grensbeschrijving van de gemeynt tussen Oerle, Veldhoven, Broekhoven, Stevert en Eersel: totten paelen van Broechoven ende vandaer voort totter molen van Steenvoort ende vandaer voort totten paelsteden der chaerten van Eerssel ende vandaer weder…99 In 1439 worden twee molens op “Steenvoort” vermeld; in 1441 96 Enklaar, 1941, nr. 148. 97 Vera, 1992 – 1994. 98 http://www.molendatabase.org/molendb.php 99 Enklaar, 1941, nr. 130.
68
watermolen genoemd Steenvoirt. Vermelding 1447 huis bij de molen in 1447. In 1451 is er sprake van twee watermolens op de Steenvoort onder Steensel, eigendom van Rutger van Erpe. Bij een plundering door het Franse leger in 1688 brandt de watermolen op de Stevert af bij de plundering van het Franse leger.100 De molen werd hersteld. In 1743 volgde een renovatie en de inscriptie ‘anno 1745’ was terug te vinden in de draagconstructie van de molenstenen. Het huidige waterrad dateert uit 1878, maar al snel na de vernieuwing van het rad werd ook machinekracht ingezet. In respectievelijk 1887, 1905 en 1925 werden een stoommachine, een petroleummotor en een gasmotor de molen ingedragen. De eerste machine bewees nog hetzelfde jaar zijn bestaansrecht door maalcapaciteit te leveren in een heel droog seizoen. Sinds 1942 werd helemaal niet meer met waterkracht gemalen, er was elektrische aandrijving voor één koppel maalstenen. In feite was dat het einde van de watermolen. Het definitieve einde kwam in 1969 toen de bedding van molenbeek de Run enkele tientallen meters werd verlegd en het waterrad droog kwam te staan.
Figuur. Stevertse watermolen (uit Dams e.a. 1989) Verder onderging het molenhuis, dat in 1928 nog in steen opgetrokken was, in 1989 een ingrijpende verbouwing. Nadien resteren alleen het werkeloze waterrad en het gaande werk. Het is een tweelaags bakstenen molenhuis met zadeldak en muldenpannen. Het molenrad is nog aanwezig; het gaande werk (mechaniek) is beschermd. Het maalwerk is verwijderd. Voorbeeld van verstening van een oorspronkelijk middeleeuwse molen. Gedenksteen J. van Grootel, 1928. Door de verlegging van het riviertje de Run staat het rad droog. Steensel, Stevert 35. Het gaande werk (mechaniek) betreft een gemeentelijk monument. In de database van verdwenen molens staat deze molen geregistreerd als een korenmolen van het type Onderslag watermolen (nr. 6075). Uitgebreide achtergrondinformatie en foto’s, te vinden op: http://www.molendatabase.org/molendb.php en http://www.waterradmolens.nl/NrdBrabant/Stevert.htm
100 Dams e.a., 1989, 80, 181, 212, 248, 259; 1948: Vrijheid aan de Run, 21; Kwinten 1972, 18; Watermolens in de Kempen, in: De Rosdoek 94, p. 18.
69
Figuur: De Stevertse Watermolen in 2008 (bron: www.waterradmolens.nl/NrdBrabant/Stevert). 4.16.2.002 Watermolen Wintelre Inwoners van Knegsel gebruikten de molen van het klooster Postel in Zand-Oerle. Deze watermolen is in de visie van Lijten101 de opvolger van de watermolen van Oerle. In 1332 verplichtte de hertog al zijn onderdanen in Oerle, Wintelre, Zonderwijk, Veldhoven en Knegsel om voortaan te malen op de molen van Postel in Oerle. Als ze daar niet kunnen malen, mogen ze uitwijken naar de Postelse molen van Venbergen. De boete op het verkeerd malen wordt op 1 pond zwarten gesteld. Voor dit recht zal Postel jaarlijks aan de hertog 6 mud rogge Oerlese maat betalen. 102 Dit werd nog bevestigd in 1615.103 In 1405 werd getuigd dat de Oerlese molen al meer dan 45 jaar een dwangmolen was. 104 Dat terugrekenend komen we in 1360 of eerder. De getuigen zeggen niets over verplaatsing, alleen maar dat Postel het recht van de banmolen al zo lang en langer heeft.105 Eerder denk ik dat het verlenen van een molenban op een belangrijke verandering wijst. Dat kan er op wijzen dat toen, in of kort voor 1332, de windmolen gereed kwam en de oude watermolen van Oerle verlaten werd. Deze watermolen blijft in hoge mate hypothetisch. Een mogelijke locatie is aan de voorde over de Bruggenrijt op de weg naar Wintelre. 16.3. Rosmolen Door paardenkracht aangedreven graan of industriemolen.
Vaak in een typisch veelhoekig gebouwtje of een “verdikking” van een ander gebouw. 4.16.3.001 Olieslagmolen Wintelre
101 Lijten, 1989. 102 Charter 1332, april 17: Rijken, 1915. 103 Charter 1615, april 7: Rijken, 1915. 104 Charter 1405, november 17: Rijken, 1915. 105 Bijnen, 1993, lijkt te interpreteren dat er in 1360 een verplaatsing was.
70
In de zestiende eeuw stond er in Wintelre een olieslagmolen.106 Waarschijnlijk was dit een rosmolen waarin een rondlopend paard de maal- en slaginrichting aandreef. De summiere gegevens laten niet toe deze molen nader te lokaliseren. 4.16.3.002 Rosmolen Knegsel Vermelding van een slagmolen in 1450 (een slagmolen is een oliemolen, hoogstwaarschijnlijk was dit in Knegsel een rosmolen). 1502 “eenre rosmoelen oft olimoelen staende tot Knechsel”. Locatie is onbekend. 16.4 Torenmolen Molens met een stenen romp, die hier in de regio al in de middeleeuwen voorkwamen. [Niet in Eersel] 16.5 Motermolen Vanaf 1846 komt de stoommachine de wind- en waterkracht aflossen, eerst in een bijgebouwtje van de oude molen. Vanaf 1907 ook “zuiggas”-motoren en later diesel en elektromotoren. Eerst worden er nog typische motermolengebouwen opgericht, later is een maalderij onherkenbaar. Het gaat om die typische motermolengebouwen. 4.16.5.001 Wintelre, motormolen Bij de molen van Coolen werd in 1906 een gebouw voor petroleummoter opgericht, nu woonhuis Molenweg 5. In 1910 werd er bij de molen een stoomgemaal gebouwd, nu woonhuis.107 4.16.5.002 Wintelre, motormolen Willibrordusstraat 41, in 1932 is hier een motor-molenaarsbedrijf begonnen.108 4.16.5.003 Eersel, motormolen, Quackelaer 74. Ruwoliemolen in de molen op de Postakker, die diende om de maalstoel van het hulpgemaal aan te drijven.
Nu bedrijfspand “De Run” diervoeding en tuinbenodigdheden. 16.6 Molenbiotoop Gebied met straal van 600 meter rond een met windkracht aangedreven molen. 4.16.6.001 Molenbiotoop molen De Jacobus in Vessem Zie voor De Jacobus: 4.16.1.008
16.7 Molenberg Natuurlijke of opgeworpen hoogte waarop een windmolen staat of stond. Ook de “belt” van een beltmolen. Zie bij de windmolens. 16.8 Molenwiel Min of meer ronde waterplassen boven en benedenstrooms van watermolens, uitgewoeld door het onrustige water. De molenaar had er vaak het visrecht op. Niet te verwarren met het molenrad: dat is het rad waarin het water valt om de molen aan te drijven. 4.16.8.001 Bij Stevertse of Steenvoortse watermolen Direct benedenstrooms van de Stevertse watermolen was een langgerekt molenwiel. 16.9 Molenvloed Gebied bovenstrooms van watermolen dat door te sterke stuwing bij de molen wateroverlast kon hebben. 106 BHIC, RRD 152 (vangt vermoedelijk in 1543 aan) f 57v: de molendino snooleij dicto slachmoelen in Wynterle sito per consensum et compositione dmni nstr ducis. 107 Smetsers, 1972, 11. 108 Smetsers, 1972, 11.
71
NB: verschilt van “Molenwiel”, want dat is een meest ronde kleine waterplas bij de uitloop van het molenrad of de bijhorende sluis; soms ook pal bovenstrooms van molenrad. 4.16.9.001 Het Molenbroek Het Molenbroek is in feite de ‘vloed’ van de Muestermolen, de watermolen net over de gemeentegrens nu in Oirschot. 16.10 Watervluchtmolen Watermolen die de mogelijkheid heeft om over te schakelen op windkracht dankzij erop of naast gebouwde windmolen. Komt in Eersel niet voor.
72
Thema: 17 Gehuchten Dit deel van Brabant is vanouds een gehuchtenland, met gemiddeld een dozijn gehuchten en één dorpskom per oorspronkelijke gemeente. Het begrip “gehucht” (buurtschap, herdgang) hoort specifiek bij het oude hoofdzakelijk agrarische landschap. Ieder gehucht beschikte over een groter of kleiner gebied met akkers, weiden, hooiland en in de Middeleeuwen een aandeel in de gemene gronden. Dit kan het gehuchttoebehoren genoemd worden. Gehuchten die vooral uit boerderijen bestonden vertoonden een vrij open structuur. Iedere boerderij stond immers op een betrekkelijk groot erf (typische maat: 1 hectare) en daardoor konden ze niet dicht opeen geschoven worden. Vaak is de onderlinge afstand nog veel groter en is de ligging bij eigen grond blijkbaar een belangrijke factor geweest. Een straat verbindt in veel gevallen de boerderijen. In andere gevallen stonden de boerderijen met hun "voordeur" op de rand van een akkergebied (krans-akkerdorp) of op de rand van een stuk gemeenschappelijk gebruikte grond (krans-aard-dorp). Bij deze twee laatste vormen vinden we de boerderijen alle aan dezelfde kant van de straat, maar tevens waren ze verdeeld over meerdere gehuchten. In bijzondere topografische omstandigheden kan op deze wijze een driehoekige ruimte tussen boerderijen ontstaan zijn.
Dat zijn geen "Frankische driehoeken", maar in de late Middeleeuwen of daarna gevormde pleinen, die qua genese verwant zijn aan de wegenwaaiers aan de rand van het cultuurland. Waar er dichte bebouwing optreedt, hebben we niet met boeren te maken. Het kan gaan om landarbeiders of wevers, maar ook (vooral in de dorpskommen) om renteniers, winkeliers, notabelen etc. Niet alle gehuchten dateren uit de hoge of late Middeleeuwen. Naarmate de ontginningen voortgingen, ontstonden er ook nieuwe nederzettingen. Door het opschuiven van de heiderand kwamen ooit op die rand gelegen gehuchten midden in het boerenland te liggen en kwam er ruimte voor een nieuwe rij: "Heikant" is dan een typische benaming. Elders werd op vrij chaotische wijze een stuk heide ingenomen en bebouwd: de heidekrakers. In het bestaande cultuurland ontstonden nieuwe gehuchten door de splitsing van oude boerderijen, door het aankoeken bij een herberg of door het op een strookje langs de weg huisvesten van landarbeiders. Op de erfgoedkaart worden twee referentieperiodes gebruikt bij het thema gehuchten en dorpen, namelijk de periode 1830 en 1900-1930. De situatie op basis van de kaart van 1832 wordt als onderlegger gebruikt voor de verwachtingswaarde hoog – historische kern. Als eerste meetmoment wordt 1832 (opname kadaster) aangehouden. De bewoonde erven van 1832 dienen als basis voor de gehucht-identificatie.
De situatie van 1900-1930 is de tweede referentie waarbij de bewoning nader wordt getypeerd. Bij ieder bewoond erf is aangegeven tot welk gehucht en tot welke gemeente het behoorde. De in 1832 bewoonde erven kunnen archeologisch interessant zijn. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat, als het bedrijf tot in de twintigste eeuw voortgezet werd, op het erf naast puin ook bodemverontreiniging wordt aangetroffen. De gehuchten worden als volgt getypeerd: groot dorp: meer dan 50 nederzettingseenheden (NZE), brede verzorgende functie, veel functies meervoudig aanwezig. klein dorp: meer dan 25 NZE, verzorgende functies enkelvoudig aanwezig groot gehucht: meer dan 25 NZE, geen verzorgende functie buiten een enkele herberg klein gehucht: 10-25 NZE huizengroep: 3-9 NZE. verspreide bewoning aan straat: Van belang is dat de "verspreide bewoning aan straat" in veel gevallen de gedaante is waarin oude, niet erg uitgegroeide, agrarische gehuchten in de vroege negentiende eeuw nog voort bestonden compact aan straat: enkele verdichtingen in de verspreide bewoning, meestal aan een weg. verspreid: soms erg eenzaam gelegen losse NZE, bijv. boswachter, veerhuis, paardenwisselstation. 73
Bij het typeren van gehuchten is het van belang op welk moment we de situatie beoordelen. Een gebied met verspreide bewoning in 1832 kan tegen 1900 enkele gehuchten bevatten, een groep boerderijen die in 1832 als “verspreid langs straat” (verder dan 100 meter uit elkaar dus) getypeerd wordt, kan doordat er huizen en boerderijen tussengevoegd zijn, in 1900 of 1930 als klein of zelfs groot gehucht (onderlinge afstanden minder dan 100 m) getypeerd moeten worden. Het laatste kwart van de 19e eeuw en de eerste decennia van de 20e eeuw staan te boek als een periode waarin in Nederland grote veranderingen plaatsvonden. Deze ontwikkelingen, dikwijls aangeduid als ‘modernisering’, behelsden vooral in Zuid-Nederland een sterke economische en demografische groei. Door de daling van de sterftecijfers groeide de bevolking van Nederland in dit tijdvak zeer sterk.109 Vooral in het katholieke Brabant groeide de bevolking explosief. De huisnijverheid bood soelaas voor deze enorme bevolkingsaanwas. Aan het begin van de 20e eeuw was er vooral sprake van huisindustrie (leer, schoenen, sigaren, klompen et cetera). Uit de huisindustrie ontstonden in de loop van de 20e eeuw grootschalige industriële activiteiten. In de Kempen vonden echter geen grootschalige industriële activiteiten plaats.
Met uitzondering van Reusel, Eersel, Valkenswaard, Bergeijk en Middelbeers namen de dorpen en gehuchten dan ook niet of nauwelijks in omvang toe. Op basis van het historisch kaartmateriaal lijken de gebieden rondom de Kempen, waar wel grootschalige industriële activiteiten plaatsvonden, de bevolkingsaanwas binnen de Kempen te hebben opgevangen. In de historische literatuur wordt vaak gesteld dat de perifere Kempense gemeenschappen als laatste van de dorpen in Nederland sociale en culturele veranderingen hebben ondergaan, zo ongeveer toen de 20e eeuw al een eind gevorderd was. Hoewel het beeld van de Kempen als ’reservaat’ door dr. P. Meurkens in belangrijke mate is bijgesteld van een statische samenleving naar een samenleving die op vele gebieden in beweging was, concludeert Meurkens dat de diepgaande maatschappelijke veranderingen in de tweede helft van de 19e eeuw nog weinig invloed hadden op het fysieke aanzien van de gemeenschappen. Rond 1900 was er slechts een geringe bevolkingsaanwas, bestaansbronnen kenden alleen marginale wijzingen en de natuurlijke omgeving behield dezelfde kenmerken.110 Bij de cultuurhistorische inventarisatie die ten grondslag ligt aan de erfgoedkaarten is het juist te doen om het fysieke aanzien van de dorpen en het omringende landschap. Vandaar dat de periode rond 1900 hier als ijkpunt is gekozen.
De snelle en diepgaande culturele en maatschappelijke veranderingen in de tweede helft van de 19e eeuw zijn dan nog niet gekristalliseerd. Aan de hand van het fysieke aanzien van de dorpen rond 1930 (derde referentieperiode bij de erfgoedkaarten) wordt op treffende wijze zichtbaar welke dorpen in de Kempen door de ‘ondergrondse’ maatschappelijke en sociale dynamiek sterk van gedaante zijn veranderd. Op basis van het historisch kaartmateriaal (zie erfgoedkaarten) gaat het om Reusel, Eersel, Bergeijk, Middelbeers en Valkenswaard.111 17.1 Groot dorp 4.17.1.056 Eersel De driehoekige agrarische nederzetting Hint is in de 15e eeuw naar het zuiden toe uitgebreid met het baandorp Markt, een specifieke handelsnederzetting met een in 1464 gestichte eigen kapel. De bebouwing van het Hint is gedeeltelijk oost-west georiënteerd als rudiment van de vroegere agrarische functie, de bebouwing aan de Markt is vooral noord-zuid gericht met de noklijnen evenwijdig aan de straat. Vooral in de 16de en 17de eeuw was dat het middelpunt van Eersel als handelscentrum en marktplaats. Bij de kapel deelde de weg Eindhoven-Turnhout dit langgerekte marktplein in tweeën.
109 Blom & Lambert, 2006, 327-328. 110 Meurkens, 1985, 4. 111 Indien er aanwijzingen zijn dat ook andere dorpen op dezelfde dynamische wijze zijn veranderd, door bijvoorbeeld sterke bevolkingswaanwas, groei van de dorpen en industrie, staan wij open voor suggesties.
74
Afbeelding: Eersel op de kadasterkaart van 1832. De dorpskom ligt in een relatief lager graslandgebied waarin enkele beekjes hun oorsprong hebben (Kort Kruisloopje, Duizelse Aa en beekjes die oostwaarts stromen). Daarmee is Eersel duidelijk géén nederzetting op de rand van een open akker en al evenmin een nederzetting op een “oeverwal” want die prille beekjes hebben helemaal geen oeverwal. De structuur is goed bewaard gebleven en aangewezen als "beschermd dorpsgezicht". Eind 19e eeuw begon de oost-west verbinding belangrijk te worden, en de Nieuwstraat kreeg toen een lintbebouwing waarin ook nu nog een aantal villa's en een enkel bedrijfsgebouw opvallen. Daar kwam sigarennijverheid tot ontwikkeling (Henri Wintermans-sigaren).112 Het gebied ten oosten van de Markt
112 Kolman e.a., 1997.
75
is na 1940 bebouwd.113 Het gebied ten zuiden ervan werd vanaf 1980 volgebouwd. Sinds ca. 1990 werden Hint en Markt verkeersluw omdat het grote verkeer langs de noord en westzijde van de kom werd omgeleid. 4.17.1.047 Steensel Ontstond in de Middeleeuwen in het stroomgebied van de Gender en Run. Nederzetting op de rand tussen het beekdal van de Gender en de hoge open akker met flink wat bebouwing (45 boerderijen en woningen?) en de kerk langs de beekdal begeleidende weg en langs wegen die de akker op lopen. Steensel werd op 03-12-1688 door de Fransen geheel afgebrand. Alleen de ’s Landshoeve en 5 slechte huizen zijn blijven staan.114 17.2. Klein dorp 4.17.2.041 Vessem Kerkdorp ontstaan op een dekzandrug in het stroomgebied van de Kleine Beerze, waarlangs zich enige lintbebouwing ontwikkelde.115 De dorpskom bestond in 1830 uit bebouwing langs een zich slpitsende wegenbundel die van de brug (voorde) over de Kleine Beerse of Stroom af kwam en de dekzandrug opliep. De kerk staat op de rand van de grote open akker aan de zuidzijde en was met een bebouwde straat met de wegenbundel verbonden. Ten noorden van de kom een tweede, wat minder grote, open akker (Borsent Braak). 17.3.
Groot gehucht [Niet aangetroffen] 17.4 Klein gehucht 4.17.4.004 Vessem, het Vondereind Het Vondereind was in 1830 een straatgehucht ter weerszijden van de vonder over de Stroom of Kleine Beerse ten westen van de kerk van Vessem. Aan de westzijde waren er naast weiden ook enkele akkers. 4.17.4.007 Vessem, Het Heiken Het Heiken is een gehucht langs de Heikense Straat, in de overgangszone tussen open akkers aan de oostzijde en besloten akkers aan de westzijde. In die zone was in de 19e eeuw nog een driehoek heide en daar zal het gehucht naar genoemd zijn. 4.17.4.016 Het Groen, Knegsel Gehucht van 11 boerderijen en huizen op de noordflank van het dal van een beek die ter plaatse Dommel heette nabij de schuurkerk aan de rand van de open akker Het Groen. De oude kerk stond daar 500 meter ten zuidwesten van, aan de andere kant van die kleine open akker. In 1830 was daar alleen akker. Ruimere open akkers lagen aan de overzijde van de Dommel. Het Groen kreeg op de 19e eeuwse kaarten al de aanduiding “Knegsel” en groeide na 1930 uit tot een dorpje. 4.17.4.040 Vessem, de Donk De Donk was een compact gehucht van een tiental boerderijen aan de open akkers van Donk, op een dekzandrug tussen het dal van de Stroom of Kleine Beerse in het oosten en een stuifzandgebied in de heide aan de westkant.
4.17.4.050 Eersel, Schadewijk Schadewijk is een gehucht van een vijftiental boerderijen op de linkeroever van de Steenselse Aa in een grasland- en bochtengebied ten zuiden van de grote open akkers van Eersel. Complexe plaatse waarin meerdere driehoeken lijken samen te komen, met drinkkuil en een aantal langgevelboerderijen 113 Cultuurhistorische inventarisatie provincie Noord-Brabant : gemeente Eersel, (’s-Hertogenbosch 1983), p. 11 114 Kolman e.a., 1997. 115 Kolman e.a., 1997.
76
met de noklijn evenwijdig aan de weg. Door wegaanleg en reconstructie van karakter veranderd. De drenkkuil iets verplaatst en de lindebeplanting in uitheemse soort vernieuwd. De karakteristieke boerderijen zijn grotendeels in dezelfde maat en schaal maar afwijkende detaillering, vernieuwd.116
Afbeelding: Schadewijk op de kadasterkaart van 1832. 4.17.4.051 Eersel, De Hoogstraat Klein straatgehucht van een achttal boerderijen, waaronder één abdijhoeve van Tongerlo op de rand van het dalletje van een beek die van de oude Eerselse kerk naar de Steenselse Aa stroomt. Enkele oude boerderijen worden afgewisseld met boerderijen uit circa 1920-1930 en recente woonhuizen in imitatie-landelijke stijl. 4.17.4.053 Eersel, Stokkelen Stokkelen is een straatgehucht met plaatse, met een achttal boerderijen en nog wat huisjes langs de Broekstraat, op de linkeroever van de Steenselse Aa. De gehuchtstraat maakte deel uit van de weg naar Bergeijk. Ten noorden van de plaatse ligt een open akkergebied. Deze buurtschap is door nieuwbouw en wegreconstructie zeer gewijzigd.117 De naam Stokkelen luidde in 1311 Stocloe en is gevormd uit lo ‘bos’en stoc ‘boomstam, rijs’, hier mogelijk duidend op een vonder of eenvoudige overgang over het water. Als de naam op één lijn gesteld mag worden met oud-engels stocwood, kan echter ook gedacht worden aan stoc ‘veestapel, veehouderij’. 118 Dat de naam Stokkelen zou duiden op opslaan van turf, zoals Thiadens beweert, lijkt onzin.119 4.17.4.055 Eersel, Boksheide Boksheide was in 1830 een compact gehucht van 9 boerderijen gelegen ten zuiden van een complex open akker complex op een dekzandrug nabij de Steenselse Aa.
4.17.4.057 Duizel De dorpskom van Duizel strekt langs een straat tussen twee akkercomplexen: de Kerkakker en De Akker. Deze straat staat min of meer haaks op de bovenloop van de Duizelse Aa, de de kerk aan de
116 Dams e.a., 1989, 244. 117 Dams e.a., 1989, 241. 118 Van Berkel en Samplonius, 1995, 223. 119 Thiadens, 1992, 26
77
kant van de Aa en verderop bekend als Kerkstraat en Groenstraat. Aan de Kerkstraat behalve 14 huizen en boerderijen ook de omgrachte pastorie. Het dorp had in de 19de eeuw een bloeiende sigarenindustrie, waarvan nu nog de Agiosigarenfabriek langs de Provinciale weg getuigt. 120 4.17.4.163 Wintelre121 In 1830 staan bij de kerk van Wintelre een vijftiental boerderijen en een pastorie. Zover kan worden nagegaan is dit niet de oude dorpskom van Wintelre, zo er al ooit een oude kom was. De middeleeuwse kerk stond een kilometer zuidelijker en daarbij hoorde waarschijnlijk een vrij verspreide bewoning. Pas nadat omstreeks 1672 in de huidige kom van Wintelre een schuurkerk in gebruik werd genomen, kon daar een proces van dorpsvorming op gang komen. Met de bouw van een echte kerk in 1822 – 1823 en kort daarna de sloop van de oude kerk was de “verschuiving” van het zwaartepunt van de gemeenschap voltooid. Bij de nieuwe kerk hoorde een pastorie, school en een aantal dienstverlenende lieden, terwijl dat ook een goede plek was voor “particulieren” die geen boerderij dreven. Kortom, een dorpje.
17.5 Huizengroep 4.17.5.001 Wintelre – De Hut Twee boerderijen: “de Wintelrese Hut” aan de westzijde van Oirschotsedijk, grens tussen Wintelre en Oerle. Westkant was Wintelre, gemeente Vessem (nu Eersel). Voorbij de bocht aan de oostkant en dus onder Oerle stond de tweede boerderij ”Oerlese Hut”. Tot in de jaren twintig de enige huizen langs deze weg. Bewoners Oerlesche Hut kregen in 1907 permissie van de pastoor van Oerle om zich “bij leven en sterven te gedragen als parochianen van Wintelre”. Uitspanning “de Hut” in Oerle was nog niet bebouwd in 1826.122 4.17.5.005 Duizel, de Mosik In 1830 drie boerderijen vlak bijeen. Mogelijk een opdeling van één enkele boerderij. De Mosik ligt op een wat geïsoleerde hoogte aan het beekdal van de Stroom of Kleine Beerse, met in de nabijheid besloten akkers. Nu is het een buurtschap ten westen van Duizel, op de westelijke oever van de Beerze gelegen. Tussen beplanting van wilgen en haagbeuk een tweetal boerderijen die circa 19201930 herbouwd zijn.123 4.17.5.006 Duizel, Smitseind In 1830 een straatgehucht met vijf boerderijen, ten zuiden van de kerk van Duizel. Halverwege het Smitseind wordt de Duizelse Aa overgestoken. De gehuchtstraat steekt dus het beekdal over. 4.17.5.007 Steensel, Bussereind Het Bussereind bestond in 1830 uit twee boerderijen naast elkaar en nog eentje wat verderop.
Deze boerderijen lagen op de rand van het dal van de Gender, net buiten de open akker, in een gebied met besloten akkers. 4.17.5.009. Steensel, de Pappotten De Pappotten was in 1830 een klein groepje van drie boerderijen midden in de open akker ten oosten van de kerk van Steensel. Rond 1900 werd het gebied bebost en verdwenen de boerderijen. Een hoek werd diep uitgegraven, een tweede wat minder. Alleen de Pappotsestraat herinnert nog aan dit verdwenen gehuchtje. 4.17.5.010 Vessem, de Lantie124
120 Dams e.a., 1989, 78; Kolman e.a., 1997. 121 Leenders, 2005. 122 Bijnen, 1990, 184 123 Dams e.a., 1989, 239. 124 Heijmraeder, 2008-4.
78
In 1830 een gehuchtje van vier verspreide boerderijen aan een open akker gebied in het westen van Vessem. In het noorden een beekdalletje(met 3 boerderijen). Naar het zuiden loopt de bodem flink op. De akkers worden daar begrensd door een duingebiedje. Het lage noorden is verder uitgegraven. Van de akkers is weinig over: vooral bosgebied en de Eurocamping. 4.17.5.012 Vessem, het Veneind Het Veneind bestond in1830 uit drie boerderijen aan een uitloper van het grote open akker gebied van Vessem. Ten oosten daarvan ligt een dalletje waarin we misschien het ‘ven’ (veen?) moeten zoeken waarnaar dit gehuchtje genoemd is. 4.17.5.013 Vessem, Maaskant De Maaskant ligt aan de overzijde van het dalletje ten oosten van Veneind. In 1830 waren er 6 of 7 boerderijen. In het dalletje was grasland, maar ten oosten van de boerderijen lag een vrij groot open Kamergebied, omzoomd met houtranden. In 1930 lag dit nog als een open ruimte te midden van bossen. Nu is die openheid er nog, maar ligt hier grasland.
4.17.5.015 Wintelre, de Roestenberg125 De Roestenberg wordt al in 1340 vermeld: Jordanus van Roestenberch. Blijkbaar was er toen al een boerderij waar deze Jordanus op woonde. De naam wordt verder steeds geschreven Roestenberg terwijl De Bont in de jaren 1960 uit de volksmond optekende: de Roestenbärg. Van Berkel en Samplonius schrijven bij Roestenburg in Heesch: samenstelling van burg ‘kasteel, statig huis’ en een onduidelijk eerste deel roest. Hier schrijven alle vermeldingen echter berg wat eerder op een (afgevlakt) duin wijst. Roestenberg is een oude kamp die vanouds waarschijnlijk bij slechts één hoeve hoorde. Er bleven slechts enkele oude perceelslijnen bewaard. Bij de twee permanent bewoonde erven ligt een jonge struikrand en een oude perceelslijn waarvan de ouderdom af te lezen valt aan het kromme verloop. Verspreid staan er drie solitaire bomen. 4.17.5.016 Wintelre, Kekkeneind126 Het Kekkeneind is een gehuchtje ten zuidwesten van de kom van Wintelre, tussen het Heggeneind en het centrale akkergebied. De naam Kekkeneind lijkt een vrij jonge benaming te zijn. De oudste vermelding is uit 1785 en luidt “op het Kacken Eijnd”. Ook de latere vermeldingen spreken van Kakkeneind, maar volgens De Bont luidt de naam in de volksmond van de jaren 1960: et Kakkeneind, et Käkkeneind. Die laatste klank is in de moderne straatnaamgeving opgeschreven.
De Bont verwijst naar Lindemans die stelt: kaeck = straatkant. Het Kekkeneind is denkelijk een betrekkelijk recente ontginning, een opvulling van de hoek tussen het oude akkergebied van Wintelre en het Heggeneind. In 1803 werd toegestaan om grond uit de gemeynt te verkopen en in 1806 gebeurde dat ook echt. Een deel van de toen verkochte grond lag op het Kekkeneind. Waarschijnlijk is dit de strook met korte smalle percelen langs de straat Keggeneind. Op het Kekkeneind was in 1830 slechts één boerderij. Later in de negentiende eeuw kwam er nog één (aan de straat) bij. 4.17.5.020 Knegsel, de Sneidershoek Sneidershoek bestond in 1830 uit een vijftal verspreid aan de westrand van de open akker gelegen boerderijen, nabij het dal van de beek die hier Dommel heet. 4.17.5.024 Eersel, De Voort De Voort was in 1830 één boerderij aan de oversteek van de weg van Eersel-dorp naar de Hertheuvelse Hoef over de beek Dieprijt. Bij de boerderij lag een kleine akker. In 1930 met een tweede huisje. Nu is het een groep van vijf boerderijen. 4.17.5.035 Wintelre, Bijsterveld127
125 Leenders, 2005. 126 Leenders, 2005. 127 Leenders, 2005.
79
De oudste vermeldingen dateren uit 1340 en luiden Bistervelt, Byestervelt, Henricus de Bistervelt. Uit de volksmond tekende de Bont in de jaren 1960 op: et Biestväld. In 1882 werd de Bijsterveldse Loop in het Bijsterveld als een van de officiële watergangen aangemerkt. Middelnederlands bijster betekent ‘verwilderd, vervallen, slecht’ en bijsterveld staat dan voor ‘hongerland’. Bijsterveld is een grote kampontginning ten oosten van het centrale oude akkergebied van Wintelre. Rond 1900 werd de kamp nog omgeven door struikranden langs de Slikdijk, de straat Bijsterveld, de Zandstraat en langs de oostgrens die nu in het vliegveldgebied ligt . Binnen de kamp was een zekere geleding te zien, het grote gebied zal niet in één slag ontgonnen zijn. De nummering 1, 2, 3, 4 in het kaartje en de pijl geven de vermoede ontginningsrichting aan. In de kamp ingesloten ligt een graslandgebied (groen gearceerd in het kaartje), waarschijnlijk een oud ven. Dit was in smalle perceeltjes verdeeld. De omringende akkers waren ruimer van opzet en alle perceelsgrenzen waren begroeid met heggen. De ontginning dateert waarschijnlijk uit de dertiende eeuw. In de negentiende eeuw lagen de boerderijen langs de noordrand en langs de Slikdijk. Langs de Zandstraat waren geen boerderijen.
De eerste boerderij moet gezocht worden in het groepje van vier in het noorden, waar ook een inkeping van de buitenheg was: een nooit volgroeid driehoekje: de uitloper van de hei tot voor de deur van de boerderij. Ook op Kreielt was er zo’n structuur. De oostgrens van Bijsterveld lag langs de oude weg Oerle – Oirschot. Die grens is wat westwaarts verschoven door de wegen en structuren van het vliegveld. Veel oude perceelsgrenzen zijn niet meer zichtbaar. Het enige gebiedje waar ze nog wel zijn, is het ingesloten graslandgebiedje. De zuidoostgrens daarvan is bovendien een steilrandje. Langs de Slikdijk en verspreid in Bijsterveld zijn nog enkele stukjes perceelsrandbegroeiing bewaard gebleven (struikrand of solitaire bomen op rij). De oude erven van de nederzetting Bijsterveld zijn meest nog bewoond en afgezien van wat uitbouw van de kom van Wintelre in het westen, bleef de nederzettingsstructuur goed bewaard. In het gebied zijn geen rijksmonumenten of MIP-lijst-objecten. In het zuidoosten van Bijsterveld stond in 1826 nog een oude tiendpaal die de grens tussen Oerle en Wintelre markeerde. Het is onbekend of er nog iets van die paal resteert. Van het onvolgroeide driehoekje bij Bijsterveld resteert alleen de zuidgrens als weggetje.
4.17.5.036 Wintelre, den Mostheuvel128 Mostheuvel was in 1830 een gehuchtje van een drietal hoeven langs de scheidingsweg tussen de heide en een uitgestrekt besloten akkergebied. De oude kern ligt merkwaardigerwijs niet op de dekzandrug die doorsneden wordt door een dalvormige laagte zonder veen, die loopt van de kom van Wintelre noordwaarts naar de Koemeren. De oude kern ligt juist tegen dat dalletje aan. In 1830 bestond het gehucht uit enkele boerderijen gegroepeerd aan een driehoekige heidetoegang. De Het agrarisch gebied bestaat uit een oude kern, langs de Hemelrijksestraat jonge kampen en in het noorden een blok heitvelden: verkavelde maar niet ontgonnen heide in 1830. Mostheuvel is een van de oude gehuchten van Wintelre. De naam Mostheuvel komt al voor in 1340: Gherardus de Moesthovel, Wautgherus Fabri de Moesthovel. Dat zijn waarschijnlijk personen die op Mostheuvel woonden. In 1513 werd geschreven: sijn hoeue op Moest Hoeuell. De volksmond van de
128 Leenders, 2005.
80
jaren 1960 sprak van “de Moosthuivel.” De naam is samengesteld uit most ‘moerassige grond, poel’ (in Brabant) en heuvel ‘hoogte in het terrein’. Het gaat dus om een hooggelegen drassig terrein. 129 4.17.5.038 Wintelre, Kreiel130 De nederzetting is een 450 meter lange heiderandbewoning. De zeven boerderijen van Kreiel stonden in 1830 in een boogje in het zuiden, met destijds direct toegang tot de heide (zuid) en hun akkers en weiden (noord). De interne verdeling van Kreielt in enkele brede banen weerspiegelt deze relatie. Die structuur zou zelfs op een “Waldhufe”-ontginning kunnen duiden: toch een Kraaienbos? Aan de oostzijde is in een latere fase nog een kamp bijontgonnen. Duidelijk is ook dat men de eigen stroken geleidelijk noordwaarts verlengde en dat de achterste delen in de negentiende eeuw wel verkaveld maar niet echt in cultuur waren (bos, hei). Twee steilrandjes in het noorden herinneren misschien nog aan deze stapsgewijze uitbreiding van het cultuurland. Van de interne perceelslijnen is niet veel over, maar de buitengrens van Kreiel wordt nog goed door oude lijnen (perceelsgrenzen, weg naar het Rouwven) gemarkeerd. De lotgevallen van de nederzetting Kreiel zijn wisselend. Er zijn twee permanent bewoonde erven en voorts een aantal dat op verschillende momenten wel of niet bewoond was. Kreiel is een van de oude gehuchten van Wintelre.
De eerste vermelding van dit gehucht dateert al van 1340: Elyas de Creyelt, Ghenekinus Creiel, Gerardus van Creyelt. Dat zijn dus personen die kennelijk uit Kreielt komen. In 1619 werd “een uijtfangh vanden gemeente der nabuuren van Oerle gent die Creijeltsche Hoeve” vermeld. In 1785 werd de Kreieltse Akker genoemd en in 1802 ook het Krijels Heijveld. 4.17.5.039 Vessem, het Meerven Meerven was een eenzijdig straatgehucht ten noorden van De Donk, aan de rand vande heide. Het gehucht beschikte aan de zuidkant over een complex besloten akkers. De naam doet een voormalig ven in de buurt vermoeden, maar dat is niet meer herkenbaar. Misschien lag het in het dal van de Stroom of Kleine Beerse, of op de hei. 4.17.5.042 Vessem, de Driehuizen Driehuizen bestond in 1830 uit vier boerderijen op de oostrand van het grote open akker gebied van Vessem. Ze lagen tegen een lager graslandgebiedje aan. 4.17.5.045 Duizel, de Hoek Gehucht van zes boerderijen aan het akkergebied ten noorden van de kerk van Duizel, tegen een uitloper van de hei aan, en aan het begin van een klein beekdal dat naar de Stroom of Kleine Beerse toe loopt. 4.17.5.048 Steensel, de Stevert Gehucht van enkele huizen en misschien een boerderij aan de weg van Steensel naar de Stevertse watermolen, waar men tevens de Steenselse Aa of Run kon oversteken.
Amper enig bouwland in de buurt, het lijkt een echt verkeers- of molengehucht. De watermolen werd al in 1350 vermeld: totter molen van Steenvoort ende vandaer voort …131 Het is nu een buurtschap op de noordelijke oever van de Run, bij een rivierovergang.132 4.17.5.049 Eersel, De Hees Het gehucht De Hees was een groepje van 7 boerderijen in een dalvormige laagte die in het akkergebied ten oosten van Eersel prikt. 400 meter westelijker lag de hoeve Grote Hees. De Heesche Akkers liggen ten zuidoosten van het gehucht. Het is nu een buurtschap met enige geheel verbouwde boerderijen en veel nieuwe bungalows. 4.17.5.051 Knegsel, Hoek
129 Van Berkel en Samplonius, 1995, 155. 130 Leenders, 2005 131 Enklaar, 1941, nr. 130. 132 Dams e.a., 1989, 247.
81
Straatgehuchtje van 5 boerderijen ten westen van de oude kerk van Knegsel, op dezelfde dekzandrug. Aan de zuidzijde akkers, aan de noordzijde grasland. 4.17.5.052 Eersel, de Kerkhof De oude kerk van Eersel met daarbij in 1830 twee huizen. Dat is alles. De kerk staat in een smalle graslandstrook tussen de open akkers Molenakkers (noord) en de Stokkelse Akker (zuid). Die strook is mogelijk een oud dalletje waarin ook een beekje naar de Steenselse Aa loopt. De kerk staat één kilometer ten oosten van het marktplein van Eersel. 4.17.5.054 Eersel, Boevenheuvel Het gehucht Boevenheuvel bestond in 1830 uit drie boerderijen in Eersel en een stukje verderop nog één in Bergeijk. De naam betekent niet dat hier boeven of struikrovers zaten, want boeven betekent hier ‘boven’. Het betreft hier twee geïsoleerd in de heide gelegen groepen cultuurland. 4.17.5.058 Knegsel, de Wolfshoek De Wolfshoek is een gehucht van een achttal verspreid langs de noord- en oostrand vaneen open akker gelegen boerderijen. Ze liggen tevens aan de rand van het dal van de beek die hier Dommel heet. 4.17.5.059 Knegsel, de Driehuis In Driehuis tekent het kadaster inderdaad nog drie gebouwen. Het is een klein gehuchtje aan de westpunt van een groot open akkergebied en aan de rand van het beginnende dal van de beek die hier Dommel heet.
17.6 Verspreid aan de straat [Niet genoteerd] 17.7 Compact aan straat [Niet genoteerd] 17.8 Verspreid [Niet genoteerd]
82
Thema: 18 Heerlijkheden Een typisch middeleeuws fenomeen zijn de heerlijkheden. In oorsprong zijn dat grote stukken grond waarover de bezitter of heer een zekere rechtsmacht bezat. Veelal betrof die macht ook de mensen die op die grond woonden of anderszins aan de heerlijkheid gebonden waren. Deze rechtsmacht vertoonde gradaties: de hoge rechtsmacht liet toe misdadigers te bestraffen, eventueel met de doodstraf. De lage rechtsmacht liet slechts toe boetes tot een zeker niveau op te leggen, terwijl het recht van "erven en onterven" er op neer kwam dat de gronden die onder de heerlijkheid vielen alleen ten overstaan van de heer of zijn vertegenwoordiger en zijn leen- of laathof konden worden verkocht of verworven. Voor die heer was er in principe een woning op de heerlijkheid. Veelal werd die woning in de loop van de tijd uitgebouwd tot een eenvoudig kasteeltje met op de voorhof een hoeve. Tot de heerlijkheid hoorden vaak nog enkele hoeven die door de heer verpacht werden. Daarnaast was een deel van de grond uitgegeven en werd daarvan jaarlijks een klein bedrag (typisch 6 Leuvense penningen per bunder, ongeveer 2,5 eurocent per hectare) aan de heer betaald. Andere gronden waren als leengoed uitgegeven. De leen- en cijnsgronden lagen deels aaneen tegen het eigen (deels verpachte) deel van de gronden van de heerlijkheid, maar voor een ander deel lagen ze vaak erg verspreid.
Samenvattend: 1. eigen goed: - burcht of kasteel - huis voor de heer, met wat grond (tuin, park) - een of meer verpachte boerderijen 2. leengoed 3. cijnsgoed 4. allerhande rechten. Deze kunnen soms landschappelijk tot uiting komen. De bezitter van zo'n heerlijkheid was in de regel zelf weer leenman van een andere heer. Dat kon de hertog van Brabant of Gelre zijn of de abdis van Thorn, de bisschop van Luik etc.. Deze feodale afhankelijkheid is belangrijk voor het begrijpen van de vorming van de nederzettingen. In de Kempen is een heerlijkheid een gebied waarover een lokale heer enkele rechten uitoefent. Dat kan heel beperkt zijn, het kan ook gaan om rechtsmacht tot en met het ter dood brengen van veroordeelden. Heerlijkheden zijn een typisch middeleeuws fenomeen waaraan in 1795 formeel een einde kwam. In het landschap herinnert er nog veel aan. De heerlijkheden zijn vanaf de zestiende eeuw in toenemende mate ook een landgoed geworden. De landgoedaspecten van de heerlijkheden worden hierna onder thema 19, Landgoederen behandeld. Daar komen de heerlijkheden dus ook weer terug. Hoe dat dat in de huidige gemeente Eersel? Voor een antwoord moeten we dan weer ontleden naar de oude gemeenten. Vessem, Wintelre en Knegsel vormden voor 1795 één hertogsdorp; Eersel met Duizel en Steensel een tweede, ieder met een schepenbank.
Beide hoorden tot het kwartier van Kempenland van de Meierij van ’s-Hertogenbosch. Het gebied werd in 1203 door de hertog van Brabant verworven van de graaf van Gelre. Hoe lang die voordien hier de landsheer was is onbekend, maar veel langer dan een eeuw zal dat niet geweest zijn. Binnen deze context waren er dan de domeinen van diverse heren, kapittels, abten en bisschoppen. Over hun bezit hadden ze hier hooguit grondheerlijke rechtsmacht en voor het midden van de dertiende eeuw zullen ze er ook horigen gehad hebben. 18.1 Kasteel Onder kasteel verstaan we niet alleen het (stenen) hoofdgebouw in een gracht, maar het hele complex bestaande uit zo’n hoofdgebouw (eventueel op een motte) en zijn gracht, een voorhof in een gracht, de kasteelboerderij, eventueel poortgebouw, verdere wallen en grachten. Zo opgevat zijn de 83
drie hier bruinig gekleurde items niet nodig. Misschien wijst de praktijk uit dat we dit “totaal-kasteel” toch beter in onderdelen opsplitsen. Vergeet niet dat er misschien nu nog maar enkele brokjes zichtbaar zijn, maar dat er in het verleden meestal wel een compleet “totaal-kasteel” was en dat daarvan in de ondergrond gewoon nog resten zitten (link naar de archeologie!). 4.18.1.001 ’s-Hertogenhofstat Tot 1316 bezat de hertog van Brabant in Eersel een perceel dat toen tot Brabants leen gemaakt werd. Dat perceel heette ’s-Hertogenhofstat. ‘Hofstat’ betekent niet meer dan dat het een perceel is waarop een gebouw hoort te staan, maar het staat er niet meer of nog niet. De naam zegt niets over het karakter van het gebouw, dus ook niet of het een “kasteel” was. Waarschijnlijker is het dat hier een domaniaal exploitatiecentrum was van waaruit de hertog zijn bezit in Kempenland liet beheren. Dat centrum is ofwel door de hertog na 1203 gesticht, of door hem in dat jaar van Gelre overgenomen. In dat laatste geval ligt een 12e eeuwse oorsprong voor de hand.
Het in 1316 gecreëerde leen omvatte naast de ’s-Hertogenhofstat ook de markttol van Eersel, de wegentol op de weg van de Turnhoutervoorde via Eersel naar de Kattenrijt, dat is het middendeel van een oude route Antwerpen – Roermond, en tenslotte twaalf bunder hei op Heestert.133 Uit dat laatste element is misschien de hoeve Heestert voort gekomen, dat zou eens onderzocht moeten worden. Het leenonderdeel ‘s-Hertogenhofstat vinden we helemaal verbrokkeld terug in het cohier van de honderdste penning uit 1571.134 Daar blijkt het om percelen in de akker bij de Eerselse kerk te gaan, zodat we de ’s-Hertogenhofstat in die omgeving moeten zoeken. Op die percelen wordt in 1571 geen huis of hoeve genoemd. Merkelbach en Dams hebben voorgesteld dat ’s-Hertogenhof gelegen zou hebben op een omwaterd perceel 2 kilometer ten westen van de Eerselse kerk, in het gebied Het Hof.135 Niet alleen werd daarvoor oud kaartmateriaal foutief geïnterpreteerd (het toont geen ‘gebouw’ maar een perceel hakhout!), ook moet die plek aan de rand van de culuurgronden van Eersel als wel erg onwaarschijnlijk worden beschouwd. Het perceel grenst nota bene aan rond 1800 uitgegeven “Nieuwe Erven”! (Zie verder 4.18.1.002) 4.18.1.002 Het Hof Volgens Merkelbach en Dams lag ’s-Hertogenhofstat tegen de A67, 500 meter ten zuidwesten van het viaduct over de Dalemseweg. Zoals hiervoor al aangegeven is dat een misvatting.
Dams schreef dat de burcht “t goed van Eersel, gheheiten shertoghen hofstat, met sinen toebehoerten” vóór 1316 is verdwenen.136 Het kasteel van Eersel, ten westen van Eersel aan de weg naar Hapert, had circa 1820 nog grachten.137 In "Brabants Heem" van 12 juli 1941 wordt gesproken over de plaats van het kasteel. Men spreekt hier van:’‘Een nog bestaand bosrijk terrein met oude grachten genaamd Het Hof, fraai gelegen aan den breeden landweg van Eersel naar Hapert ten zuiden van Duizel.’ De kadasterkaart van 1830 werpt licht op het grondgebied van Het Hof. Op deze kaart zien we een eilandje (perceel E71) in een ruime ander perceel (E70). De beschrijving leert dat E71 840 m 2 groot was en vol hakhout stond. Perceel E70 werd als moeras aangeduid en was 1,22 hectare groot of gemeten op de kaart zo’n 125 bij 100 meter. Beide percelen waren van Jan van Mol die daar in de buurt meer grond bezat. De gracht was kennelijk al flink verland en vormde het beginpunt van niets minder dan een van de voedingstakken van de Duizelse Aa! Op de topografische kaart van 1837 wordt E71 als een bosje aangegeven, omgeven door een waterpartij.
133 Van Asseldonk en Leenders, 2003, 55 – 56. 134 NAG, RvS 2166-II. Transcriptie D. Vangheluwe, met dank voor het ter beschikking stellen van dit nog niet voltooide werkstuk. 135 Dams e.a., 1989, 64; Merkelbach, 1988, 48-50. 136 Dams e.a., 1989, 64. 137 Dams e.a., 1989, 88.
84
Afbeelding: locatie kasteel ’t Hof, in het rood omcirkeld. De grachten zijn duidelijk zichtbaar (naar Dams e.a. 1989). Eersel droomt ervan dat hier een kasteel of burcht was. ln het gemeentewapen van Eersel komen nog steeds drie torens voor en ook reeds in een 14e eeuws schepenbankzegel worden torens afgebeeld wat er op zou duiden dat te Eersel in vroeger tijd een burcht of kasteel gestaan moet hebben.138 Of deze burcht in het Hof gelegen was is niet bekend. Het vroeg 19e eeuwse kaartmateriaal geeft daarover geen uitsluitsel! De identificatie “Het Hof = ’s Hertogen Hofstat” is bij nader inzien niet meer dan een gissing en steunt niet op archiefgegevens over de periode tussen 1316 en 1830. Bovendien wijzen de wél beschikbare gegevens erop dat ’s-Hertogenhofstat ergens op de akker bij de Eerselse kerk lag. Tenslotte wijst niets erop dat die ’s-Hertogenhofstat ooit het karakter van een burcht of kasteel had. Het gebouw was in 1316 kennelijk zelfs alweer verdwenen. Wat was Het Hof dan wel? Landschappelijk gezien lijkt het een bronplaats, een ven of misschien een rijt aan het begin van een van de takken van de Duizelse Aa. Het gebied lijkt een 18e -eeuwse ontginning, misschien heeft er een pachthoeve gelegen of was het de bedoeling die er te stichten. In 1952/1953 heeft landbouwer Daemen ‘t Hof ontgonnen.