[21.21405] - Visie Buitengebied 2.0
Tekst van het document
Hakhoutbosje
Het is een vrij-liggend vlakvormig landschapselement, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken met een bedekking van minimaal 80%, dat als hakhout wordt beheerd.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 1 are en ten hoogste 50 are groot; Minimaal 80% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd en periodiek éénmaal in de 1020 jaar- vlaksgewijs en bij voorkeur gefaseerd afgezet; De diameter van het hakhout (uitgezonderd de overstaanders) is maximaal 20 cm op 1,30 meter boven de hakhoutstoof. Per are mogen maximaal 2 overstaanders gehandhaafd worden; Bij versnipperen van het takhout mogen de snippers niet in het element worden verwerkt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat aan stammen en hakhoutstobben en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigd zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart.; bestrijding van ongewenste houtsoorten kan in de periode tussen 15 juli en 15 maart plaats vinden.
Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen. Inrichtingscriteria bij aanleg nieuw hakhoutbosje alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken (zie bijlage 1); plantverband van minimaal 1,50 m x 1,50 meter (= 0,44 st./m2); aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt; afstand tussen 2 nieuwe hakhoutbosjes op een perceel is tenminste 100 meter. Inrichtings- en beheerskosten hakhoutbosje aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) beheer hakhoutbosje aanplant + beheer hakhoutbosje (10 jaar): 0,73 + (10 x 0,0417)
1,66/stuk 0,73/m2 4,17/are/jaar 1,147/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Griendje Het is een vrij-liggend vlakvormig landschapselement met een bedekking van minimaal 80%, dat voor tenminste 80% bestaat uit inheemse wilgensoorten en als hakhout wordt beheerd.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 1 are en ten hoogste 50 are groot; Minimaal 80% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd en periodiekgemiddeld éénmaal per 4 jaar- vlaksgewijs en bij voorkeur gefaseerdafgezet; De diameter van het hakhout is maximaal 10 cm op 0,50 meter boven de hakhoutstoof; Bij versnipperen van het takhout mogen de snippers niet in element verwerkt worden; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse Duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat stammen en hakhoutstobben en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigd zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart.; bestrijding van ongewenste houtsoorten kan in de periode tussen 15 juli en 15 maart plaats vinden. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe griendje alleen gebruik inheemse bomen en struiken, waarvan minimaal 80% bestaat uit inheemse wilgensoorten (zie bijlage 1); plantverband van minimaal 1,50 m x 1,50 meter (= 0,44 st./m2); aanplant met 2-3 jarige wilgenstek; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt; afstand tussen nieuwe griendjes op een perceel is tenminste 100 meter. Inrichtings- en beheerskosten griendje aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) beheer griendje aanplant + beheer griendje (10 jaar): 0,73 + (10 x 0,1753)
1,66/stuk 0,73/m2 17,53/are/jaar 2,483/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Klein bosje Het is een vrij-liggend vlakvorming landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken met een bedekking van minimaal 80%.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 1 are en ten hoogste 50 are groot; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat aan stammen en hakhoutstobben en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigd zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart.; bestrijding van ongewenste houtsoorten kan in de periode tussen 15 juli en 15 maart plaats vinden. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuw klein bosje alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken (zie bijlage 1); plantverband van minimaal 1,50 m x 1,50 meter (= 0,44 st./m2); aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt; afstand tussen nieuwe bosjes op een perceel is tenminste 100 meter. Inrichtings- en beheerskosten klein bosje aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) beheer klein bosje aanplant + beheer klein bosje (10 jaar): 0,73 + (10 x 0,0288)
1,66/stuk 0,73/m2 2,88/are/jaar 1,018/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Struweelhaag Het is een vrij-liggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige struiken met een bedekking van minimaal 80%.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 25 meter lang en is ten minste 2 meter en ten hoogste 5 meter breed; Het element kan vrij uitgroeien en wordt maximaal 1 maal per 6-12 jaar op tenminste 1 meter hoogte gesnoeid; overhangende takken aan de zijkanten mogen maximaal 1 maal per 3 jaar worden teruggesnoeid; Bij versnipperen van het takhout (met versnipperaar) mogen de snippers niet in het element worden verwerkt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat aan stammen en hakhoutstobben en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigd zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart.; bestrijding van ongewenste houtsoorten kan in de periode tussen 15 juli en 15 maart plaats vinden. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe struweelhaag alleen gebruik inheemse struiken, waarvan 50% bestaat uit doornachtige struiken (zie bijlage 1); het betreft een één- of tweerijig element; plantverband van minimaal 0,50 x 0,50 meter (= 4 st./m2); aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij, indien perceel beweid wordt; afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende struweelhagen op een perceel is tenminste 50 meter; in het gebied van de ‘Maasheggen’ dient minimaal 70% te bestaan uit meidoorn (één- en tweestijlige) eventueel aangevuld met andere gebiedseigen soorten.
Inrichtings- en beheerskosten struweelhaag aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) beheer struweelhaag 6 jaar aanplant + beheer struweelhaag (10 jaar): 6,64 + (10 x 0,0163)
1,66/stuk 6,64/m2 1,63/m1/jaar 6,803/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Knip- en scheerheg
Het is een vrij-liggend lijnvormig landschapselement, met aaneengesloten begroeiing van inheemse bomenen struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 25 meter lang en is ten minste 1 meter en ten hoogste 3 meter breed; Het element wordt minimaal eenmaal per 2 jaar en maximaal eenmaal per jaar geknipt of geschoren en de haag heeft in geschoren toestand een hoogte van minimaal 1 meter; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat aan stammen en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigd zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 juni en 15 maart. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe knip- of scheerheg alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken (zie bijlage 1); het betreft een één- of tweerijig element; plantverband van minimaal 0,50 x 0,50 meter (= 4 st./m2); aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van Nederlandse herkomst; raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt; afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende knip- en scheerheggen op een perceel is tenminste 50 meter. Inrichtings- en beheerskosten knip- of scheerheg aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) aanplant bosplantsoen, conventioneel geteeld en nl-herkomst (excl. dijktaluds) beheer knip- of scheerheg (jaarlijkse cyclus) aanplant + beheer knip- of scheerheg (10 jaar): 6,64 + (10 x 0,0117)
1,66/stuk 6,64/m2 1,17/m1/jaar 6,757/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Landschapsboom als solitair
Een solitaire landschapsboom is een alleenstaande inheemse loofboom, niet zijnde een knotboom, die doorgaans in een vrij grote, open ruimte staat. De oom staat niet in een ander landschapspakket waarbij de beheersvergoeding gerelateerd is aan de oppervlakte (zoals houtsingel en hakhoutbosje).
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De boom kan periodiek worden gesnoeid, waarbij de kroon (onderste dikke tak tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van het takvrij stamstuk bedraagt; Bij beweiding van de aanliggende gronden is bij solitaire bomen langs een perceelsgrens een raster aanwezig waardoor schade door vraat aan stammen en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigd zijn aan stammen van het element zelf. Indien de boom in een beweid perceel staat is rond de boom een raster aanwezig op 1,5 meter uit de voet van de stam. Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 augustus en 15 maart. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen. Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe solitaire landschapsbomen Alleen gebruik inheemse bomen (zie bijlage 1); Plantafstand minimaal 20 meter; Aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12; Raster minimaal op 1 meter uit het hart van de boom indien perceel beweid wordt.
Inrichtings- en beheerskosten solitaire landschapsboom aanplant (laan)boom beheer landschapsboom, diameter <20 cm beheer landschapsboom, diameter 20-60 cm beheer landschapsboom, diameter >60 cm aanplant + beheer solitaire landschapsboom (10 jaar): 64,90 + (10 x gem. 5,54)
64,90/stuk 3,34/stuk/jaar 5,54/stuk/jaar 9,70/stuk/jaar 120,30/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Landschapsboom in bomenrij (geen agrarisch medegebruik)
Een bomenrij is een één-, twee of meerrijigge beplanting van bomen, niet zijnde knotbomen, die meestal van ongeveer gelijke leeftijd zijn. Een laan is een specifieke vorm van een bomenrij. Er is sprake van een laan als aan beide zijden van een weg één of meer rijen bomen in een regelmatig plantverband geplant zijn. Een bomenrij rij bestaat uit minimaal 2 inheemse loofbomen en de bomen staan in een langgerekte en relatief smalle zone zonder agrarisch gebruik.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De bomen kunnen periodiek worden gesnoeid, waarbij de kroon (onderste dikke tak tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van het takvrij stamstuk bedraagt; Bij versnipperen van het takhout mogen de snippers niet in de strook zonder agrarisch gebruik worden verwerkt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat aan stammen en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigd zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 augustus en 15 maart. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe bomenrijen Alleen gebruik inheemse bomen (zie bijlage 1); Plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 15 meter; Afstand tussen twee bomenrijen minimaal 5 meter ; Aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12; Raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij indien perceel beweid wordt. Inrichtings- en beheerskosten landschapsboom in bomenrij aanplant (laan)boom beheer landschapsboom, diameter <20 cm beheer landschapsboom, diameter 20-60 cm beheer landschapsboom, diameter >60 cm aanplant + beheer solitaire landschapsboom (10 jaar): 64,90 + (10 x gem. 5,54)
64,90/stuk 3,34/stuk/jaar 5,54/stuk/jaar 9,70/stuk/jaar 120,30/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Landschapsboom in bomenrij in grasland Een bomenrij is een één-, twee of meerrijigge beplanting van bomen, niet zijnde knotbomen, die meestal van ongeveer gelijke leeftijd zijn. Een laan is een specifieke vorm van een bomenrij. Er is sprake van een laan als aan beide zijden van een weg één of meer rijen bomen in een regelmatig plantverband geplant zijn. Een bomenrij rij bestaat uit minimaal 2 inheemse loofbomen en de bomen staan in een grasland.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De onderbegroeiing bestaat uit grasland en het grasland mag in landbouwkundig gebruik zijn; De bomen kunnen periodiek worden gesnoeid, waarbij de kroon (onderste dikke tak tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van het takvrij stamstuk bedraagt; De stammen van de bomen mogen niet of in zeer beperkte mate beschadigd worden door vraat door vee. Jonge bomen moet beschermt zijn door een boomkorf. De boomkorf mag niet bevestigd zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 augustus en 15 maart. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen. Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe bomenrij in grasland Alleen gebruik inheemse bomen (zie bijlage 1); Plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 15 meter; Afstand tussen twee bomenrijen minimaal 5 meter; Aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12; Jonge bomen beschermen met boomkorf indien perceel beweid wordt.
Inrichtings- en beheerskosten bomenrij in grasland aanplant (laan)boom beheer landschapsboom, diameter <20 cm beheer landschapsboom, diameter 20-60 cm beheer landschapsboom, diameter >60 cm aanplant + beheer solitaire landschapsboom (10 jaar): 64,90 + (10 x gem. 5,54)
64,90/stuk 3,34/stuk/jaar 5,54/stuk/jaar 9,70/stuk/jaar 120,30/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Knotboom Inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,5 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot) en als solitair, in een groep of rij voorkomt op of langs landbouwgronden.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De boom wordt periodiek geknot; knotwilgen en knotpopulieren minimaal 1 maal per 5 jaar en andere knotbomen minimaal 1 maal per 8 jaar. Bij versnipperen van het takhout mogen de snippers niet in het element worden verwerkt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Schade aan stammen van bomen door vraat wordt voorkomen; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen.
Inrichtingscriteria bij aanleg nieuwe knotbomen alleen gebruik inheemse bomen (zie bijlage 1); plantafstand in de rij minimaal 5 meter en maximaal 15 meter; aanplant ‘laanbomen’ met minimale maat 10-12 of 3 jarige onbewortelde wilgenstek; afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende knotbomenrijen op een perceel is tenminste 20 meter.\ Inrichtings- en beheerskosten knotboom aanplant knotwilgenstek beheer knotboom, diameter <30 cm beheer knotboom, diameter 30-60 cm beheer knotboom, diameter >60 cm aanplant + beheer knotboom (10 jaar): 11,42 + (10 x gem. 7,38)
11,42/stuk 2,68/stuk/jaar 7,38/stuk/jaar 9,72/stuk/jaar 85,22/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Hoogstamfruitboomgaard Een boomgaard met hoogstamfruitbomen ( appel, peer, pruim,kers), waarvan de kroon op een hoogte van minimaal 150 centimeter boven de stamvoet begint en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 1 are en ten hoogste 50 are groot. In geval van een bestaand element bedraagt de onderlinge plantafstand minimaal 8 meter; De onderbegroeiing wordt als grasland beheerd. Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste éénmaal per 2 jaar gesnoeid. Andere soorten enkel vormsnoei indien nodig. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbebehandeling. Schade aan stammen van bomen door vraat wordt voorkomen. Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen. Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 augustus en 1 april. Het snoeihout wordt bij voorkeur verwerkt in takkenhopen en/of takkenrillen. Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe hoogstamfruitbomen Plantafstand minimaal 10 x 10 meter en maximaal 15 x 15 meter;; Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid; Afstand tussen 2 nieuwe hoogstamfruitboomgaarden op een perceel is tenminste 100 meter.
Inrichtings- en beheerskosten hoogstamfruitbomen aanplant (laan)boom beheer hoogstamfruitboom, diameter <20 cm beheer landschapsboom, diameter >20 cm aanplant + beheer hoogstamfruitboom diameter <20 cm (10 jaar): 64,90 + (10 x 5,34) aanplant + beheer hoogstamfruitboom diameter >20 cm (10 jaar): 64,90 + (10 x 15,86)
64,90/stuk 5,34/stuk/jaar 15,86/stuk/jaar 118,30/m2 223,50/m2
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Amfibieënpoel Een amfibieënpoel is een natuurelement dat niet aansluit op een waterloop/sloot en gevoed wordt door grond- en/of regenwater en waarvan in de winterperiode het natte oppervlakte voor tenminste 80% bestaat uit open water.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 1 are en ten hoogste 7 are groot, waarbij het waterbiotoop (water + taluds) minimaal 70% van de oppervlakte inneemt. Maximaal 30% van de oppervlakte van de poel mag bestaan uit landbiotoop zonder regulier landbouwkundig gebruik (bloemrijk grasland/ruigte). De waterdiepte is in de diepste delen in de periode van 1 oktober tot 1 april tenminste 0,5 meter; incidenteel mag de poel in de zomerperiode droogvallen; Maximaal 25% van de oppervlakte van de oever is begroeid met houtige gewassen; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan; Geen water onttrekken aan het element anders dan voor het drenken van vee; In het element mag geen vis uitgezet worden en er mogen geen eenden/ganzen in gehouden of gelokt worden; De oever van de poel is begroeid met inheemse plantensoorten met een bedekking van minimaal 75%; Schoningswerkzaamheden verrichten in de periode tussen 1 september en 15 oktober.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe poel Oppervlakte poel gemeten vanaf insteek talud met maaiveld maximaal 500 m2; totale oppervlakte nieuwe poel inclusief landbiotoop maximaal 700 m2; Diepte poel maximaal 2,00 meter; Taluds minimaal 1:3; Grondwaterstand locatie waar poel wordt aangelegd in september niet dieper dan 1,30 cm onder het maaiveld; Indien de zone rond de poel wordt ingezaaid met een mengsel, dient het mengsel uitstluitend inheemse plantensoorten te bevatten; Afstand tussen nieuwe poelen tenminste 100 meter. Inrichtings- en beheerskosten amfibieënpoel ontgraven poel/natuuroever en verwerken vrijkomende grond beheer amfibieënpoel, opp. 100-300 m2 beheer amfibieënpoel, opp. >300 m2
5,51/m3 43,09/poel/jaar 61,19/poel/jaar
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Weidevogelpoel Een weidevogelpoel is een natuurelement met een slikkige rand dat gevoed wordt door grond- of regenwater en waarbij in de winterperiode het natte oppervlakte voor tenminste 80% bestaat uit open water.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 5 are en ten hoogste 50 are groot, waarbij het waterbiotoop (water + taluds) minimaal 70% van de oppervlakte inneemt. Maximaal 30% van de oppervlakte van de poel mag bestaan uit landbiotoop zonder regulier landbouwkundig gebruik (bloemrijk grasland/ruigte); Afstand tot bebouwing of opgaande bomen bedraagt minimaal 100 meter; Het element heeft zeer flauwe oevers met een talud van minimaal 1:10; De waterdiepte is in de diepste delen in de periode van 1 oktober tot 1 april tenminste 0,5 meter; incidenteel mag de poel in de zomerperiode droogvallen; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan; Op de oever komt geen begroeiing van inheemse bomen en/of struiken voor; Geen water onttrekken aan het element anders dan voor het drenken van vee; De oever van de poel is begroeid met inheemse plantensoorten, niet zijnde bomen of struiken, met een bedekking van minimaal 75%. Schoningswerkzaamheden verrichten in de periode tussen 1 september en 15 oktober.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe weidevogelpoel Oppervlakte poel gemeten vanaf insteek talud met maaiveld minimaal 500 m2; Diepte poel maximaal 1,50 meter; Taluds minimaal 1:10; Grondwaterstand locatie waar poel wordt aangelegd in september niet dieper dan 1,30 cm onder het maaiveld; Afstand van hoge beplanting en bebouwing minimaal 100 meter; Indien de zone rond de poel wordt ingezaaid met een mengsel, dient het mengsel uitstluitend inheemse plantensoorten te bevatten; Afstand tussen nieuwe poelen tenminste 100 meter. Inrichtings- en beheerskosten weidevogelpoel ontgraven poel/natuuroever en verwerken vrijkomende grond beheer weidevogelpoel, opp. 500-1.000 m2 beheer weidevogelpoel, opp. >1.000 m2
5,51/m3 83,60/poel/jaar 136,17/poel/jaar
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Natuuroever riet
Een aaneengesloten natuurvriendelijk ingerichte oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm, waarvan de vegetatie voor tenminste 50% uit riet en/of lisdodde bestaat.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De oever heeft een gemiddelde breedte van tenminste 3 en ten hoogste 6 meter en een lengte van tenminste 25 meter; voor een oever langs een ecologische verbindingszone geldt een gemiddelde breedte van ten hoogste 25 meter; De oever wordt minimaal éénmaal per 4 jaar en maximaal éénmaal per 2 jaar gemaaid en bij elke maaibeurt mag maximaal 50% van de oppervlakte gemaaid worden (gefaseerd maaibeheer); De oever wordt niet beweid. Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt; De oever wordt niet bemest en er wordt geen bagger opgebracht; Contracthouder zorgt ervoor dat slootmaaisel binnen 4 werkdagen wordt afgevoerd Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop op het droge deel van het talud; Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 1 oktober en 1 maart. Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe natuuroever riet Een natuuroever riet wordt aangelegd in de vorm van een plasberm of een drasberm, hierbij gelden de volgende inrichtingseisen; De plasberm wordt uitgegraven tot 50 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil .
50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of De drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde. Natte gedeelte van berm wordt aangeplant met rietstekken. Inrichtings- en beheerskosten natuuroever riet ontgraven poel/natuuroever en verwerken vrijkomende grond beheer natuuroever riet
5,51/m3 8,45/are/jaar
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Natuuroever nat grasland Een aaneengesloten natuurvriendelijk ingerichte oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een drasberm of flauwe oever, waarvan de vegetatie bestaat uit inheemse plantensoorten van natte graslanden en ruigten.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De oever heeft een gemiddelde breedte van tenminste 3 en ten hoogste 6 meter en een lengte van tenminste 25 meter; voor een oever langs een ecologische verbindingszone geldt een gemiddelde breedte van ten hoogste 25 meter; De flauwe oever heeft een talud van minimaal 1:3; De oever wordt niet beweiden bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt; De oever wordt niet bemest en er wordt geen slootveegsel en/of – bagger opgebracht; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse Duizendknoop op het droge deel van het talud; De oever wordt 1 maal per jaar na 16 juni gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe natuuroever nat grasland Een natuuroever nat grasland wordt aangelegd in de vorm van een drasberm of een flauw talud, waarbij de volgende inrichtingseisen gelden; De drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of; Er wordt een flauw talud aangelegd waarbij de taludschuinte minimaal 1:3 of flauwer is.
Het talud wordt uitgegraven vanaf het gemiddelde waterpeil. Inrichtings- en beheerskosten natuuroever grasland ontgraven poel/natuuroever en verwerken vrijkomende grond beheer natuuroever grasland
5,51/m3 12,90/are/jaar
(bron: Bijlage F bij de Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant (versie 26 januari 2016))
Bloemrijke rand Een bloemrijke rand is een aaneengesloten rand langs een perceelrand of landschapspakket met een gevarieerde kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die jaarlijks gemaaid wordt.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De rand heeft een minimale breedte van 6 meter (bij voorkeur 9 meter) en een lengte van minimaal 25 meter; De rand wordt ingezaaid met een mengsel met inheemse grassen en kruiden of er worden éénmalig gunstige randvoorwaarden gecreëerd voor een spontane ontwikkeling van de vegetatie, tenzij de aanvrager verklaard dat er reeds 10 plantensoorten in de rand aanwezig zijn. De rand wordt maximaal 2 en minimaal 1 maal per jaar gemaaid en het maaisel wordt binnen 15 dagen na het maaien afgevoerd; tussen 1 april en 1 juli is maaien niet toegestaan. De periode tussen twee maaibeurten is minimaal 3 maanden; De rand wordt niet bemest en er wordt geen slootveegsel en/of – bagger opgebracht; De rand wordt niet beweid en bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop; De rand wordt niet gebruikt als pad behoudens het incidentele gebruik als onderhoudspad voor het schouwen van de aanliggende sloot of het uitvoeren van onderhoud aan het element zelf.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe bloemrijke rand Indien in de rand waarvoor een bijdrage wordt gevraagd minder dan 10 inheemse grassen en/of kruiden voorkomen wordt de rand ingezaaid met een samengesteld mengsel of er worden maatregelen genomen voor de ontwikkeling van een soortenrijke vegetatie. Deze maatregel kanbestaan uit het bovenploegen van de voedselarme ondergrond of door het afplaggen van de graszode (10 cm dik); De afstand tussen twee parallel lopende bloemrijke randen bedraagt minimaal 20 meter; Een bloemrijke rand mag grenzen aan bouw- en/of grasland. Gewenste bloemenmengsels Beekdal: mengsel van Bosvergeet-mij-nietje, echte koekoeksbloem, echte valeriaan, gele lis, gevleugeld hertshooi, gewone brunel, gewone dotterbloem, gewone engelwortel, gewone veldbies, grote kattenstaart, kale jonker, kleine ratelaar, kruipende boterbloem, moerasrolklaver, pinksterbloem, rode klaver, st. janskruid, wilde bertram; Komgronden/heideontginning: dagkoekoeksbloem, duizendblad, glad walstro, gewone brunel, gewone margriet, gewone veldbies, gewoon biggenkruid, groot kaasjeskruid, groot streepzaad, hazenpootje, korenbloem, kleine ratelaar, knoopkruid, middelste teunisbloem, paarse morgenster, peen, st. janskruid, smalle weegbree, scherpe boterbloem, vertakte leeuwentand. (Nb: alleen zaad wat niet is voorbewerkt/gecoat met bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt)
Inrichtings- en beheerskosten grasland- en faunarand aankoop zaadmengsel bewerking beheer bloemrijke rand aanplant + beheer bloemrijke rand (10 jaar): 54,50 + (10 x 9,20) (bron: diverse websites zadenleveranciers)
49,50/are 5,00/are 9,20/are/jaar 146,50/are
Kruidenrijke zoom Een kruidenrijke zoom is een aaneengesloten rand met extensief onbemest hooiland/ruigte bestaande uit een gevarieerde kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden (inclusief braam) met een minimale bedekking van 80% langs een landschapspakket.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De rand heeft een minimale breedte van 6 meter (bij voorkeur 9 meter) en een lengte van minimaal 25 meter; De rand wordt ingezaaid met een mengsel met inheemse grassen en kruiden of er worden éénmalig gunstige randvoorwaarden gecreëerd voor een spontane ontwikkeling van de vegetatie, tenzij de aanvrager verklaard dat er reeds 10 plantensoorten in de rand aanwezig zijn. De rand wordt minimaal 1 maal per 5 jaar en maximaal 1 maal per 2 jaar gemaaid waarbij niet meer dan de helft van de oppervlakte wordt gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Maaien is niet toegestaan tussen 1 april en 1 september; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v.
pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse Duizendknoop; De rand wordt niet bemest en er wordt geen slootveegsel en/of – bagger opgebracht; De rand wordt niet beweid en bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt; De rand wordt niet gebruikt als pad behoudens het incidentele gebruik als onderhoudspad voor het schouwen van de aanliggende sloot of het uitvoeren van onderhoud aan het element zelf Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe kruidenrijke zoom Indien in de rand waarvoor een bijdrage wordt gevraagd minder dan 10 inheemse grassen en/of kruiden voorkomen wordt de rand ingezaaid met een samengesteld mengsel of er worden maatregelen genomen voor de ontwikkeling van een soortenrijke vegetatie, Deze maatregel kan bestaan uit het bovenploegen van de voedselarme ondergrond of door het afplaggen van de graszode (10 cm dik); Een kruidenrijke zoom mag grenzen aan bouw- en/of grasland.
Gewenste bloemenmengsels, keuze uit: Beemdkroon, blaassilene, boerenwormkruid, duizendblad, echte guldenroede, gele kamille, gewone margriet, gewone rolklaver, grote centaurie, grote klaproos, hartgespan, hopklaver, kleine pimpernel, knoopkruid, korenbloem, luzerne, middelste teunisbloem, muskuskaasjeskruid, peen, rode klaver, st.janskruid, slangenkruid, stalkaars, veldsalie, wilde cichorei, wilde reseda, witte klaver, wondklaver, wouw; Boerenwormkruid, duizendblad, echte kamille, fluitenkruid, geel walstro, gele kamille, gele morgenster, glad walstro, gewone margriet, gewoon barbarakruid, groot streepzaad, klaproos, kleine pimpernel, knoopkruid, korenbloem, muskuskaasjeskruid, pastinaak, peen, rode klaver, rolklaver, scherpe boterbloem, smalle weegbree, steenanjer, vergeet-mij-nietje, veldsalie, vlas, wikken, wilde cichorei, wilde marjolein, witte klaver, zeepkruid; Als het een beschaduwde strook is, dan is het volgende mengsel beter: 30% Grassen, Look-zonder-look, Fluitenkruid, Ruig klokje, Stinkende gouwe, Vingerhoedskruid, Koninginngekruid, Geel nagelkruid, Robertskruid, Akkerkool, Bosvergeet-mij-nietje, Gewone brunel, Dagkoekoeksbloem, Bosandoorn, Valse salie, Vogelwikke. (Nb: alleen zaad wat niet is voorbewerkt/gecoat met bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt)
Inrichtings- en beheerskosten grasland- en faunarand aankoop zaadmengsel bewerking beheer bloemrijke rand aanplant + beheer bloemrijke rand (10 jaar): 33,50 + (10 x 9,20) (bron: diverse websites zadenleveranciers)
28,50/are 5,00/are 9,20/are/jaar 125,50/are
Graslandflora- en faunarand Een graslandflora- en faunarand is aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of inheemse struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De rand heeft een minimale breedte van 6 meter (bij voorkeur 9 meter) en een lengte van minimaal 25 meter; De rand wordt ingezaaid met een mengsel met inheemse grassen en kruiden of er worden éénmalig gunstige randvoorwaarden gecreëerd voor een spontane ontwikkeling van de vegetatie, tenzij de aanvrager verklaard dat er reeds 10 plantensoorten in de rand aanwezig zijn. De rand wordt minimaal 1 keer per 5 jaar en maximaal 1 maal per jaar gemaaid waarbij niet meer dan 80% van de oppervlakte gemaaid wordt en het maaisel wordt afgevoerd; de overige 20% van de rand wordt nooit gemaaid. Maaien is niet toegestaan tussen 1 april en 1 september. De rand wordt niet bemest en er wordt geen slootveegsel en/of – bagger opgebracht; De rand wordt niet beweid en bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop; De rand wordt niet gebruikt als pad behoudens het incidentele gebruik als onderhoudspad voor het schouwen van de aanliggende sloot of het uitvoeren van onderhoud aan het element zelf.
Inrichtingseisen bij aanleg nieuwe grasland- en faunarand Indien in de rand waarvoor een bijdrage wordt gevraagd minder dan 10 inheemse grassen en/of kruiden voorkomen wordt de rand ingezaaid met een samengesteld mengsel of er worden maatregelen genomen voor de ontwikkeling van een soortenrijke vegetatie, Deze maatregel kan bestaan uit het bovenploegen van de voedselarme ondergrond of door het afplaggen van de graszode (10 cm dik); Een graslandflora- en faunarand mag grenzen aan gras- en/of bouwland. Gewenste bloemenmengsels, keuze uit: Beemdkroon, blaassilene, boerenwormkruid, duizendblad, echte guldenroede, gele kamille, gewone margriet, gewone rolklaver, grote centaurie, grote klaproos, hartgespan, hopklaver, kleine pimpernel, knoopkruid, korenbloem, luzerne, middelste teunisbloem, muskuskaasjeskruid, peen, rode klaver, st.janskruid, slangenkruid, stalkaars, veldsalie, wilde cichorei, wilde reseda, witte klaver, wondklaver, wouw; Boerenwormkruid, duizendblad, echte kamille, fluitenkruid, geel walstro, gele kamille, gele morgenster, glad walstro, gewone margriet, gewoon barbarakruid, groot streepzaad, klaproos, kleine pimpernel, knoopkruid, korenbloem, muskuskaasjeskruid, pastinaak, peen, rode klaver, rolklaver, scherpe boterbloem, smalle weegbree, steenanjer, vergeet-mij-nietje, veldsalie, vlas, wikken, wilde cichorei, wilde marjolein, witte klaver, zeepkruid.
(Nb: alleen zaad wat niet is voorbewerkt/gecoat met bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt)
Inrichtings- en beheerskosten grasland- en faunarand aankoop zaadmengsel bewerking beheer bloemrijke rand aanplant + beheer bloemrijke rand (10 jaar): 33,50 + (10 x 9,20) (bron: diverse websites zadenleveranciers)
28,50/are 5,00/are 9,20/are/jaar 125,50/are
Weiderand
Een weiderand is een aaneengesloten onbemeste weidestrook langs een opgaand lijnvormig houtig landschapselement.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De rand heeft een minimale breedte van 6 meter (bij voorkeur 9 meter) en een lengte van minimaal 25 meter; De rand mag worden toegepast in combinatie met de pakketten L1, L2 en L7; De rand mag niet bemest worden en er mogen geen chemische bestrijdingsmiddelen worden gebruikt; Mechanische en chemische pleksgewijze bestrijding van probleemonkruiden (akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop) is toegestaan; De rand mag worden beweid en/of 1 keer per jaar gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd; De rand mag niet worden gescheurd en (her)ingezaaid, tenzij wordt ingezaaid met graskruiden mengsel. Inrichtings- en beheerskosten weiderand aanleg, inclusief aankoop zaadmengsel beheer akkerflora- en faunarand aanplant + beheer weiderand (10 jaar): 0,1860 + (10 x 0,00) (bron: diverse websites zadenleveranciers)
18,60/are 0,00/are/jaar 0,1860/m2
Wandelpad over boerenland Een wandelpad over een bierenland is een toegankelijk pad voor wandelaars dat over agrarische gronden loopt.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het wandelpad heeft een breedte van tenminste 1 en ten hoogste 3 meter; Het wandelpad vormt een onderdeel van een doorgaande en/of openbare wandelstructuur; het wandelpad moet opengesteld zijn van zonsopgang tot zonsondergang; Het wandelpad wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid gewaarborgd is; Naast (parallel aan) het wandelpad kan een van de randenpakketten worden ontwikkeld. Inrichtings- en beheerskosten weiderand Een en afhankelijk van omstandigheden ter plekke en uitvoering.
Onverharde weg met bloemrijke bermen Een onverharde weg met bloemrijke bermen is een zandweg of weg met halfverharding met aan een of beide zijden een berm met een gevarieerde kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die jaarlijks gemaaid wordt. Verspreid kunnen struiken of bomen aanwezig zijn maar niet voldoende om aan de eisen van het zandwegpakket “Onverharde weg met bomen” te voldoen.
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De onverharde weg heeft inclusief de bermen een breedte van tenminste 3 en ten hoogste 12 meter en een lengte van tenminste 25 meter; De berm wordt maximaal 2 en minimaal 1 maal per jaar gemaaid en het maaisel wordt binnen 15 dagen na het maaien afgevoerd; de eerste maaibeurt vindt plaats na 1 juli. De periode tussen maaibeurten is minimaal 3 maanden; De berm wordt niet bemest en er wordt geen slootveegsel en/of -bagger opgebracht; De berm wordt niet beweid en bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in de berm is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring en Jacobskruiskruid. Inrichtings- en beheerskosten weiderand Een en afhankelijk van omstandigheden ter plekke en uitvoering.
Onverharde weg met bomen Een onverharde weg met bomen is een zandweg of weg met halfverharding met aan een of beide zijden een berm met een berm met een rij inheemse bomen. Per 25 meter zandweg zijn er minimaal 3 inheemse bomen met een stamdoorsnede van minimaal 20 cm aanwezig. .
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer De onverharde weg heeft inclusief de bermen een breedte van tenminste 3 en ten hoogste 12 meter en een lengte van tenminste 25 meter; De bomen worden periodiek gesnoeid, waarbjj de kroon (onderste tak tot de top) na het snoeien altijd langer is dan de lengte van het takvrij stamstuk; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 augustus en 15 maart; Bij het versnipperen van het takhout mogen de snippers niet in de berm worden verwerkt; Bij verbranden van takhout (indien dit mogelijk is in kader van APV) mag er geen vuur gemaakt worden in of binnen 5 meter vanaf het element; De berm wordt maximaal 1 maal per jaar gemaaid en het maaisel wordt binnen 15 dagen na het maaien afgevoerd; de eerste maaibeurt vindt plaats na 1 juli; De berm wordt niet bemest en er wordt geen slootveegsel en/of -bagger opgebracht; De berm wordt niet beweid en bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in de berm is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en robinia) middels een stobbenbehandeling.
Inrichtings- en beheerskosten weiderand Een en afhankelijk van omstandigheden ter plekke en uitvoering.
BIJLAGEN
Bijlage 1:
Overzicht inheemse boom- en struiksoorten (te gebruiken soorten voor aanleg nieuwe landschapspakketten)
Abeel, grauwe Appel, wilde Berk, ruwe Berk, zachte Bes, aalBes, zwarte Beuk Bosroos Eglantier Eik, zomerEik, winterEls, zwarte Esdoorn, gewone Es, gewone Gagel Gelderse roos Haagbeuk Hazelaar Heggeroos Hondsroos Hulst Iep, div .klonen Iep, steelKardinaalsmuts Kastanje,tamme Kers, zoete Kornoelje, rode Kornoelje, gele Kraagroos Krenteboompje Liguster, wilde Linde, kleinbladige Linde, grootbladige Linde, zilverLinde, Hollandse Lijsterbes Meidoorn, Meidoorn, Mispel Noot Paardekastanje Peer, wilde Populier, zwarte Populier, CanadaSleedoorn Veldesdoorn Vlier, gewone Vlier, berg Vogelkers, inheemse Vuilboom Wegedoorn Wilg, amandelWilg, bittere Wilg, bosWilg, grauwe
Populus canescens Malus sylvestris Betula pendula Betula pubescens (alleen in beekdalen) Ribes rubrum Ribes nigrum Fagus sylvatica Rosa arvensis Rosa rubiginosa Quercus robur Quercus petrea Alnus glutinosa (alleen in beekdalen) Acer pseudoplatanus Fraxinus excelsior (alleen in beekdalen) Miryca gale (alleen in beekdalen) Viburnum opulus Carpinus betulus Corylus avellana Rosa corymbifera Rosa canina Ilex aquifolium Ulmus Ulmus laevis Euonymus europaeus Castanea sativa Prunus avium Cornus sanguinea Cornus mas Rosa agrestis Amelanchier lamarckii (niet inheems, wel toegestaan) Ligustrum vulgare Tilia cordata Tilia platyphyllos Tilia tomentosa (niet inheems, wel teogestaan) Tilia vulgaris Sorbus aucuparia eenstijlige Crataegus monogyna tweestijlige Crataegus laevigata Mespilus germanica Juglans regia Aesculus hippocastanea Pyrus pyraster Populus nigra (alleen in beekdalen) Populus x canadensis (alleen in beekdalen) Prunus spinosa Acer campestre Sambucus nigra Sambucus racemosa Prunus padus Rhamnus frangula Rhamnus catharticus Salix triandra (alleen in beekdalen) Salix purpurea (alleen in beekdalen) Salix caprea Salix cinerea (alleen in beekdalen)
Wilg, katWilg, geoorde Wilg, kraakWilg, kruipWilg, laurierWilg, schietHoogstamfruitbomen
Salix viminalis (alleen in beekdalen) Salix aurita (alleen in beekdalen) Salix fragilis (alleen in beekdalen) Salix repens (alleen in beekdalen) Salix pentandra (alleen in beekdalen) Salix alba (alleen in beekdalen) Diverse soorten
Bijlage 2: Kaart landschapstypes
Bijlage 2 •
ebiedsvisie G bebouwingsconcentraties
36
Visie bebouwingsconcentraties Gemeente Eersel opdrachtgever: Gemeente Eersel datum: 15 juni 2021 documentnaam: 2030_R001_Visie bebouwingsconcentraties contactpersoon gemeente: Daan Liebregts en Anouk Meulenbroeks auteur: Marianne Verhoeven en Maud Lansu marianne@verhoevenderuijter.nl verhoeven de ruijter ideeën voor stad en land Hoogstraat 301 5654 NB Eindhoven +31 (0)40 293 95 90 www.verhoevenderuijter.nl
2
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding 4 1.1 Status en doelstelling Visie bouwingsconcentraties 4 1.2 Herijking 5 1.3 Overzicht bebouwingsconcentraties 6 1.4 Leeswijzer document 6 z Begrippenkader 8 2.1 Bebouwingslinten en bebouwingsclusters 8 2.2 Buurtschappen 8 2.3 Ligging in verschillende landschapstypes 10
3
Bouwmogelijkheden 12 3.1 Toetsing van een initiatief 12 3.2 Mogelijke functies in aanvulling op Visie buitengebied 14 3.3 Als maatwerk niet voldoende is: integraal gebiedsperspectief 16
4
Overzicht van relevant beleid en ambities 18 4.1 Provincie Noord-Brabant - Interim omgevingsvisie 18 4.2 Gemeente Eersel 20
5
Beeldkwaliteit en erfinrichting 5.1 Karakteristiek van ‘het erf’ 5.2 Stedelijke randvoorwaarden en erfinrichting 5.3 Architectonische criteria, koppeling met het welstandsbeleid 5.4 Erfinrichting en landschappelijke kwaliteitsverbetering
6
Inspiratiekader meerwaarde 34 6.1 Bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving 34
22 22 24 26 30
3
1 Inleiding 1.1
Status en doelstelling Visie bebouwingsconcentraties
Deze rapportage biedt een actualisatie van de ‘Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties’ uit 2011 en vormt een onderdeel van de ‘Visie buitengebied’ van de gemeente Eersel. Het buitengebied verandert, enerzijds doordat agrarisch ondernemers zullen stoppen en anderzijds door de vele doelen en ambities die er op de gemeente af komen. Zoals klimaatadaptatie, herstel van het natuurlijk ecosysteem, duurzame energieproductie, landschappelijke kwaliteitsverbetering en het versterken van de leefomgeving van bewoners. Het buitengebied is daarmee niet meer het exclusieve domein van één gebruiker. Het landschap is van oudsher de drager van vele activiteiten. De kunst is om ook de toekomstige activiteiten te koppelen aan het landschap. Daarvoor is er een stip op de horizon nodig. De Visie buitengebied van de gemeente Eersel biedt die stip en geeft sturing aan de ontwikkelingsrichting voor het buitengebied. Daarbij doet zij uitspraken hoe de gemeente om wil gaan met de verschillende functies die mogelijk zijn of juist ook gewenst of ongewenst zijn. Deze Visie bebouwingsconcentraties is daarop aanvullend en richt zich specifiek op de bestaande bebouwingsclusters, bebouwingslinten en buurtschappen in relatie tot hun directe omgeving. Zij bouwt voort op de voorgaande gebiedsvisie bebouwingsconcentraties uit 2011, maar doet ook uitspraken over het aanliggende landschap.
Dit geeft richting om tegelijk met een initiatief ook aan de gewenste landschappelijke kwaliteiten te bouwen: De gemeente Eersel wil maatwerk bieden aan goede initiatieven, die niet precies passen binnen de lijntjes maar die een kwaliteitsimpuls leveren aan een gebied. Met kwalitatief goede plannen is dan soms meer mogelijk dan in eerste instantie volgens de regels gedacht. De gemeente wil in zo’n geval met initiatiefnemers in gesprek gaan over de verbrede, kwalitatieve meerwaarde van een plan. Dit document heeft dan ook twee doelen: 1. Het biedt een toetsingskader voor gebouwde ontwikkelingen door op kaarten duidelijk aan te geven waar een ontwikkeling mogelijk is en waar niet. 2. Het vormt een handreiking en inspiratiekader op basis waarvan de gemeente in gesprek kan gaan met de initiatiefnemer over maatwerk en meerwaarde van een plan. Daartoe biedt het document een visie en een landschappelijk streefbeeld per bebouwingsconcentratie en een set randvoorwaarden en aanbevelingen.
4
1.2
Herijking
De visie is een actualisatie van de voorgaande visie uit 2011. De volgende aspecten zijn opnieuw beoordeeld: • De visie is herijkt ten aanzien van relevant nieuw beleid, zoals visie buitengebied, het beeldkwaliteitsplan (2014), de Omgevingsvisie 1.0 (2019) en de nieuwe Interim Omgevingsverordening Provincie Brabant (de nieuwe Verordening is bij het verschijnen van dit document in de maak); • Alle relevante bestemmingsplanwijzigingen en ontwikkelingen van de afgelopen 10 jaar zijn opgenomen; • Per bebouwingsconcentratie is de situatie opnieuw beoordeeld op ruimtelijke kwaliteiten en kansen tot verbetering daarvan; • Per bebouwingsconcentratie is het omliggende landschap beoordeeld op kwaliteiten en mogelijke ontwikkelrichtingen; • Er heeft een beoordeling plaatsgevonden waar ontwikkelingen met maatschappelijke meerwaarde kansrijk zijn (maatwerk). Dit is gedaan tegen het licht van de nieuwe uitdagingen in het buitengebied. • Op basis van bovenstaande aspecten is ook de begrenzing van het bebouwingscluster herijkt. Dit betekent dat er percelen nu buiten kunnen vallen die er eerder nog binnen vielen en vice versa.
5
1.3 Overzicht bebouwingsconcentraties Niet alle bestaande bebouwingsconcentraties zijn in deze Visie bebouwingsconcentratie uitgewerkt. Het betreft enkel degenen waarbij ontwikkelruimte c.q. ontwikkelperspectief is voorzien in relatie tot de genoemde ambities in de Visie Buitengebied (zie overzichtskaart op pagina hiernaast). De bebouwingsconcentraties die niet zijn opgenomen betreffen vooral concentraties waarbij alle nog open ruimten behouden dienen te blijven, zoals De Hees, De Pan, Pastoor Hoekdries en Sneidershoek. Ook kunnen er waarden spelen die beschermd dienen te worden, zoals het cluster van de Riethovenseweg dat in het bos ligt en Stevert dat tussen bos en beekdal in ligt. Voor de bebouwingsconcentraties die hier niet zijn opgenomen zijn er wel mogelijkheden voor functieveranderingen binnen de bestaande bebouwing of bouwblok. Bijvoorbeeld bij de sloop van bedrijfsbebouwing. Voor deze clusters gelden de uitgangspunten als opgenomen in de Visie Buitengebied als wel benoemd in de hoofdstukken 2 tot en met 4 in deze visie, deel A. De bebouwingsconcentraties die wel opgenomen zijn in deze visie, zijn uitgewerkt in Visie bebouwingsconcentraties deel B.
1.4 Leeswijzer document In deel A, dit document, zijn de hoofdstukken opgenomen die beschrijven hoe de gemeente wil werken aan initiatieven en de bebouwingsconcentraties. In hoofdstuk 2 zijn kort de beleidsstukken uiteengezet waar de visie bebouwingsconcentraties rekening mee heeft gehouden. Hoofdstuk 3 geeft een uitwerking op de bebouwingsmogelijkheden in een cluster. Hoofdstuk 4 gaat in op de geldende regelgeving rondom beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing en biedt inspiratie voor versterking van de ruimtelijke kwaliteit van bebouwingsconcentraties. In hoofdstuk 5 is aangegeven wat de gemeente verstaat onder maatwerk en meerwaarde. Hier wordt tevens de inspiratie gegeven voor de versterking van verschillende waarden en ambities in de bebouwingsconcentraties. Deel B geeft vervolgens een uitwerking per bebouwingsconcentratie. Dat is gedaan door opeenvolgend de karakteristiek te duiden, de specifieke beleidsambities weer te geven en vervolgens een visie op de ontwikkeling van de concentratie te geven met daarbij een streefbeeld voor zowel de concentratie zelf alswel het omliggende landschap.
6
Overzichtskaart bebouwingsconcentraties op de topografische kaart De dikgedrukte onderdelen zijn de bebouwingsconcentraties die opgenomen zijn in DEEL B, zie paragraaf 1.3 op bladzijde 6.
6.5 6.2
6.1
6.3
6.4
5.2 5.1
5.4 5.3
EERSEL 1.1 Boksheidsedijk 1.2 Heibloem en Voort
4.1
1.3 Stokkelen 1.4 Hoogstraat, Schadewijk en Molenveld 1.5 Boksheide
4.4
4.2
1.6 De Pan 1.7 De Hees
4.3
DUIZEL 2.1 Hoef en den Hoek
3.1
2.2 Hapertseweg
3.2
2.3 Dalemsedijk
2.1
STEENSEL 3.1 Bussereind 3.2 Koppelen
3.3 2.2
1.7
3.3 Riethovenseweg
3.4
3.4 Stevert KNEGSEL
2.3
1.4
4.1 Wolfshoek en de Wetering 4.2 Pastoor Hoekdries 4.3 Sneidershoek
1.3
4.4 Oeyenbos VESSEM 5.1 Rietven 5.2 Donk en Meerven
1.6
1.1
1.2
5.3 Driehuizen, Veneind en Maaskant 5.4 Lantie en Vondereind WINTELRE 6.1 Bijsterveld 6.2 Mostheuvel 6.3 Kreiel 6.4 Groenstraat en Biemeren 6.5 Oirschotsedijk
1.5
7
2 Begrippenkader 2.1
Bebouwingsconcentratie: bebouwingslinten en bebouwingsclusters
De Provincie Noord-Brabant gebruikt in de Interim Omgevingsverordening de term bebouwingsconcentratie. Daaronder verstaat ze begrensde plekken in het buitengebied, waar een clustering van woningen en erven is ontstaan en waarin nieuwe bebouwde ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, waaronder Ruimte voor Ruimte-woningen. Op basis van de vorm wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen bebouwingsclusters en bebouwingslinten. Bebouwingsclusters De bebouwingsclusters zijn vooral terug te vinden in de oudste delen van het landschap. Hun oorsprong ligt bij verspreide boerderijen en erven, vaak aan de randen van grotere akkercomplexen of op de overgangen van beekdalen en de heide. Op samenkomst van wegen en soms rondom een driehoekige ruimten ontstonden de kleinschalige clusters die ook nu nog vaak een kleinschalige woongemeenschap vormen met een mengeling van (oorspronkelijke) agrarische erven en burgerwoningen. Bebouwingslinten De bebouwingslinten zijn vooral terug te vinden in de jongere heideontginningen zoals die in de 19e eeuw voor het eerst ontstonden. Ze bestaan uit een verzameling losliggende (agrarische) erven aan een vaak doorgaande, rechte, landelijke weg. Vaak liggen de erven op enige afstand van elkaar, met doorzichten ertussen naar het landschap. Voorbeelden hiervan zijn de Boksheidsedijk en de Groenstraat.
Ook zijn er bebouwingslinten die in de loop der tijd sterk zijn verdicht, zoals Stokkelen en als een zelfstandig buurtschap functioneren.
2.2
Buurtschappen
In deze visie kijken we niet enkel naar bebouwingsconcentraties als een ruimtelijk verschijnsel. Ze hebben ook op andere manieren betekenis: vooral in sociologische zin bestaat er van oudsher sterke betrekkingen tussen de mensen in een buurtschap en is er een sterke gemeenschapszin. Maar zij hebben hedendaags ook betekenis in recreatieve en cultuurhistorische zin en als woonomgeving. Vaak hebben ze al een lange geschiedenis en een grote landschappelijke waarde. Soms liggen ze langs wegen zoals Stokkelen in Eersel, soms zijn ze wat groter zoals Boksheide of zijn ze gevormd rondom een Plaatse, een oude driehoekige sprong, zoals De Hoek in Duizel.
8
Buurtschap Stokkelen, Eersel: verdicht bebouwingslint
Groenstraat, Wintelre: bebouwinglint met verspreide erven.
Buurtschap Donk, Vessem: kleinschalig bebouwingscluster
Meerven, klein aaneengesloten bebouwingslint
Buurtschap Boksheide, Eersel: grootschalig bebouwingscluster
9
2.3
Ligging in verschillende landschapstypes
De verschijningsvorm van de bebouwingsconcentraties is van oorsprong nauw verbonden met het omliggende landschap. Het Eerselse landschap varieert qua verschijningsvorm en in grote lijnen is zij onder te verdelen in drie landschapstypen. Ieder met een eigen geomorfologische en cultuurhistorische basis. Het betreft het beekdallandschap, de oude cultuurgronden (oude akkers en kampenlandschap) en de heideontginningen. In het gemeentelijk beleidsdocument “Groen Loont!” zijn deze landschapstypen nader uitgewerkt. De kwaliteit van het Eerselse landschap is door de jaren heen achteruit gegaan. Veel beplantingselementen zijn weg, het landschap is opener en leger geworden en bodem, biodiversiteit en het watersysteem zijn steeds verder uit balans geraakt. Ze zijn niet veerkrachtig genoeg om de huidige extremen in klimaat op te vangen. Daarom is er in deze visie tevens een streefbeeld voor het aanliggende landschap opgenomen. De uitwerking in Groen Loont! biedt daarvoor de basis, zie het beeld hieronder voor een samenvatting van de karakteristiek en de visie op het betreffende landschapstype. De bijlage van de Visie Buitengebied, ‘landschappelijke inpassing initiatieven in het buitengebied’, werkt met dezelfde driedeling en heeft een uitwerking gemaakt op de landschappelijk bouwstenen per type. Zie hoofdstuk 5, bladzijde 32, voor een verdere uitwerking en toepassing van deze bouwstenen.
De ligging van de bebouwingsconcentraties in de drie landschapstypen is weergegeven op de kaart hiernaast. De kaart betreft een abstractere begrenzing per type, in het streefbeeld per bebouwingsconcentratie is de begrenzing nader uitgewerkt.