CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[17.13266] - Bijlage 8 Beleidsplan Groen Loont 2017-2033

Raadsvergadering 20 april 2021, gemeente EerselBij agendapunt: Uitvoeringsprogramma duurzaamheidsbeleid 2021-2025 (inclusief plan van aanpak energiereductie & zon-op-dak)32.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

35

\»ĩkŕl.

Figuur 2. Streefbeeld van oude cultuurgronden.

Figuur 3. Streefbeeld van een beekdallandschap.

Figuur 4. Streefbeeld van een heideontginningslandschap.

36

»

»

»

»

»

»

»

»

Agrariërs en ondernemers in het buitengebied worden gewezen op het belang van erfbeplantingen. Deze geven onder andere koelte in de zomer, hebben een isolerend effect in de winter, vangen fijnstof af. Bovendien wordt door een betere landschappelijke inpassing van de groot­ schalige bedrijfsgebouwen de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de biodiversiteit verbe­ terd. Dit is belangrijk om de huidige recreatie in het gebied in stand te houden en/of uit te brei­ den. Bij de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw of uitbreiding van een bedrijf, hanteert de ge­ meente het uitgangspunt van de aanplant van een (hak)houtsingel met een breedte van 10 m bij een landschappelijke inpassing rondom het gehele bedrijf. Daar waar geen concrete uitbrei­ dingsplannen zijn, stimuleert de gemeente de aanplant van een erfbeplanting met de erfplantdag. De dorpen grenzen vaak met hun achterkanten aan het landschap. Het gebruik van verschillen­ de schuttingen, of de afwezigheid daarvan, slecht onderhoud aan de schuttingen, de bouw van allerlei schuurtjes en hokken, het illegaal gebruik van naastliggende gronden geven de dorpsranden een rommelig en onaantrekkelijk karakter. Dit is niet bevorderlijk voor een goede land­ schappelijke kwaliteit en helpt niet om het recreatief gebruik van het buitengebied te stimuleren.

Daarom wil de gemeente bij wijkuitbreidingen, een dorpsrand in de vorm van een (hak)houtsingel met een breedte van bij voorkeur 10 m voor een landschappelijke inpassing. En in elk geval maakt het areaal groene dorpsranden onderdeel uit van de beleidsregel 20/ groen in de bebouwde kom (zie paragraaf 6.1.1). Daar waar geen afschermende beplanting aanwezig is of waar deze is verdwenen, herstelt de gemeente waar mogelijk de beplanting. De gemeente organiseert een jaarlijkse erfplantdag, waarbij plantmateriaal ter beschikking wordt gesteld en inwoners worden uitgenodigd mee te helpen een dorpsrand aan te planten (burgerparticipatie). In de loop van de jaren zijn veel landschappelijke elementen en solitaire bomen in het land­ schap verdwenen. Met de regeling Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten (Stika) wordt ge­ probeerd deze elementen op particuliere gronden terug te brengen. Daarom ligt bij een nieuw Stika-contract de nadruk op die maatregelen die structureel van aard zijn. Om dit te kunnen rea­ liseren is een nulmeting met de ecologische potenties van het Eersels grondgebied uitgevoerd. Deelgebieden met een hogere ecologische potentie krijgen voorrang bij de toekenning van Stika-projecten. Na realisatie wordt door steekproefsgewijze monitoring nagegaan of de ver­ wachtingen uitkomen of dat uitvoering/beheer aangepast moet worden.

Landschappelijke elementen en solitaire bomen op gemeentelijke grond verdwijnen eveneens, doordat een aantal inwoners deze geleidelijk aan in gebruik nemen als uitbreiding van hun (landbouw0areaal. Bij constatering van deze overtreding wordt de inwoner opgedragen de au­ thentieke elementen te herstellen. Wordt dit nagelaten dan worden de elementen door de ge­ meente op kosten van de veroorzaker, die in gebreke is gebleven, hersteld. De huidige monotone wegbeplanting (80 /o zomereik) wordt geleidelijk omgevormd naar andere soorten. Hierbij kan men denken aan beuk, linde, wintereik, esdoorn, berk, tamme kastanje. Dit wordt een langdurig proces, omdat uitgangspunt is dat de huidige boombeplanting bij omvor­ ming aan het eind van haar levensduur moet zijn om kapitaalvernietiging te voorkomen. Bij nieuwe wegen wordt de komende 25 jaar geen zomereik aangeplant. De biodiversiteit in het buitengebied is de laatste decennia sterk achteruit gegaan. Op de landbouwpercelen is deze zo goed als nul. Via diverse projecten, zoals de aanleg van (hak)houtwallen, poelen, bloemrijke randen, meer variatie in de wegbeplanting, vogelakkers, wordt de biodiversiteit in het buitengebied bevorderd. Hiervoor worden de Stika-regeling, even­ tuele andere subsidies en gemeentelijke projecten ingezet.

Een ander belangrijk onderdeel hierbij is de bewustwording bij agrariërs voor de gevolgen van een gekozen bedrijfsvoering. In het beleidsplan Openbare Verlichting wordt nu al de huidige lichtvervuiling grotendeels te­ gengegaan. Ook in de toekomst wordt uitgezocht hoe deze vervuiling verder verminderd kan worden zonder dat de verkeers- en sociale veiligheid in het gedrang komt. Door een nieuw op te stellen beheerplan landschappelijke elementen met een duidelijke plan­ ning voor de komende tien jaar, wordt het beheer landschappelijke elementen eenduidiger ge­ organiseerd. Jaarlijks wordt door middel van publicaties gecommuniceerd welke elementen worden uitgedund. Onderzocht wordt of dit beheer met de ANV Kempenland, de jachtverenigingen, IVN, B-team en/of vrijwilligers uitgevoerd kan worden. 37

» »

Een grote diversiteit in het landschap is belangrijk voor de ruimtelijke kwaliteit, de biodiversiteit en de recreatie. Daarom zal steeds onderzocht worden hoe deze verbeterd kan worden. Bij particuliere boseigenaren, vaak in het bezit van diverse grotere en kleinere bospercelen, is vaak sprake van onduidelijk beheer, verkeerd beheer of zelfs geen beheer. Dit geeft vaak een rommelig beeld in de bossen en illegaal gebruik. Deze boseigenaren zijn zich vaak niet bewust wat wel of niet mag. Een eerste stap om hierin verandering te brengen, is het opstellen van een communicatie- en informatieplan.

In hoofdstukken 7 en 8 worden aangegeven welke oplossingen wanneer uitgevoerd worden en hoe deze eventueel gefinancierd worden.

38

5. Natuur De natuur vormt de bron van al het leven op aarde. Zij levert schoon (drink)water, voedingstoffen, een schone bodem, grondstoffen en een zuivere lucht. De natuur heeft ook een sterk regulerende en buffe­ rende werking in allerlei processen. Ook de mens maakt onderdeel uit van de natuur. De natuur staat echter onder grote druk door de negatieve invloed die de mens in steeds sterkere mate uitoefent op de natuur. De natuur verliest al eeuwenlang terrein, zowel kwantitatief als kwalitatief. Kwantitatief door simpelweg areaalafname als gevolg van de toenemende verstedelijking, uitbreiding van het landbouw­ areaal en infrastructuren. Kwalitatief door het uitsterven van vele plant- en diersoorten, door nivellering van het landschap en door toenemende verdroging, verzuring, vervuiling en versnippering. Deze nega­ tieve invloeden leveren een bijdrage aan de klimaatverandering die sinds de 20e eeuw aan het versnel­ len is, met alle gevolgen van dien. Internationaal, nationaal en regionaal sijpelt dit besef steeds verder door. In de laatste decennia ondernemen overheden en organisaties acties en/of maken plannen en verordeningen om de natuur te beschermen en te versterken. Ook op gemeentelijk niveau heeft dit zijn uitwerking. 5.1.

Natuur in Eersel Gemeente Eersel is bij wet verplicht om de natuur te ontwikkelen en te beschermen, dit is onder andere uitgewerkt in de Wet ruimtelijke ordening en de Wet natuurbescherming14. Eersel heeft een wettelijke verantwoordelijkheid in het Programma Aanpak Stikstof (PAS) om samen met andere overheden en maatschappelijke partners de stikstofuitstoot te verminderen, het overschot aan stikstof in Natura 2000gebieden te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Gemeente Eersel heeft natuurontwikkeling en -bescherming in haar eigen beleid verankerd, zoals in de Bosnota. Als het om het thema Natuur gaat, speelt gemeente Eersel vooral een rol in de Natura 2000-gebieden, de ecologische hoofdstructuren en de ecologische verbindingszones. De ligging van deze drie typen natuurgebieden zijn te vinden op de natuurstructuurkaart van Eersel (bijlage B). In deze gebieden vormt de natuur een belangrijk doel en kan de natuur (gedeeltelijk) haar gang gaan. 5.1.1. Natuurgebieden De officiële, wettelijk beschermde natuurgebieden in Eersel zijn de Natura2000-gebieden (N2000) Groot- en Kleinmeer, de Kleine Beerze en De Run. De gebieden vallen onder het Natura2000beheerplan Kempenland West. Dit beheerplan omvat een groot regionaal gebied en is een plan op hoofdlijnen.

De gemeente heeft als eigenaar van het Groot- en Kleinmeer zelf een beheerplan voor dit gebied laten opstellen waarin het praktische beheer voor dit kwetsbare gebied is benoemd. De Run en een gedeelte van de Kleine Beerze worden nog als zodanig ingericht. Dit vindt in de ko­ mende jaren (2017-2021) plaats. De beken zelf zijn in eigendom en beheer van waterschap De Dommel. Het omliggende beekdal is in eigendom van verschillende partijen. De gemeente heeft in de ontwikkeling van deze natuurgebieden vooral de rol van medeontwikkelaar en begeleider. Behalve de N2000 heeft Eersel nog enkele natuurgebieden, zoals het Rouwven, Lijsterven, de omgeving van de Gender, de Kleine Beerze en de Bruggenrijt. Bij de WILG Wintelre Oerle zijn eveneens enkele gebieden ingericht als natuurterrein. Deze gebieden zijn meestal onderdeel van de NNN of vormen een EVZ. Veel van deze gebieden zijn eigendom van het waterschap en/of de gemeente. Het beheer wordt in een aantal van deze gebieden uitgevoerd door derden, zoals de Landcoöperatie Dal van de Kleine Beerze die een deel van het onderhoud van gemeentelijke land­ schapselementen in het beekdal verzorgt. 5.1.2. Natuur buiten de natuurgebieden De hierboven genoemde natuurgebieden zijn door de mens begrensde gebieden, terwijl de natuur niet ophoudt bij deze grenzen.

Door de almaar toenemende schaalvergroting en intensivering van de landbouw valt tegenwoordig voor veel plant- en diersoorten vrijwel niets te halen in het buiten­ gebied. Veel soorten zijn verdwenen of “gevlucht” naar andere uitwijkplaatsen. Deze uitwijkplaat­ sen kunnen bossen, natuurgebieden en de sterk versnipperde landschapselementen zijn, maar ook de bebouwde omgeving. Soorten die zich enigszins kunnen aanpassen, weten steeds vaker

14 Naar verwachting worden in 2019 alle wetten betreffende het fysieke domein samengevoegd in de alles overkoepelende Omgevingswet.

39

Voorbeelden van ecosysteemdiensten in Nederland Hout, vezels, genetische bronnen PRODUCTIEDIENSTEN Voedsel

CULTURELE Groene recreatie

Water voor overig gebruik

DIENSTEN

Symbolische waarde

Natuurlijk erfgoed

Drinkwater

Wetenschap en educatie

Biomassa voor energie

Kustbescherming

Verkoeling in de stad Bodemvrucht baarheid

Reinigend vermogen bodem, water, lucht

Koolstofvastlegging Bodemerosie

Plaagonderdrukking Bron: PBL, WUR, CICES 2014

Bestuiving

Absorptie geluid wind en visuele verstoring

REGULERENDE DIENSTEN

Waterberging www.pbl.nl

Figuur 4. Voorbeelden van ecosystemen in Nederland. Met deze weergave toont het Planbureau voor de Leefomgeving de talrijke functies van landschap, natuur en groen.

40

de weg te vinden naar dorpen en steden. Onder andere sommige roofvogels, verschillende soorten zoogdieren en recent ook bijen vinden een beter leef- of voedselgebied in de bebouwde omgeving dan op het platteland. Maar vaak zijn de omstandigheden voor de populaties van deze soorten in de bebouwde omgeving niet ideaal, waardoor de dichtheden laag blijven. Soorten die zich niet aan de huidige bedrijfsvoering op het platteland kunnen aanpassen, dreigen definitief te verdwijnen of staan op zijn minst onder grote druk. Denk hierbij aan de weide- en de akkervogels, kleine zoog­ dieren en graslandvlinders. Juist in het agrarisch en het stedelijk gebied kan de gemeente Eersel nog extra accenten leggen voor de bevordering van natuur. Het begrip biodiversiteit vormt hiervoor zowel een goede graadmeter als een apart te benoemen beleidsthema. 5.2. Biodiversiteit Biodiversiteit is een breed begrip. Soms wordt biodiversiteit in één adem met natuur genoemd. Dit is onterecht. Paragraaf 2.3.2 omschrijft biodiversiteit als de graad van verscheidenheid aan levensvormen binnen een gegeven ecosysteem of land15. Als we het begrip biodiversiteit kort definiëren, is het als volgt samen te vatten:

Biodiversiteit is de variatie tussen en de verscheidenheid aan micro-organismen, dieren- en planten­ soorten, de relatie die soorten met elkaar en hun abiotische leefomgeving16 hebben.

Het gaat niet goed met de biodiversiteit in de wereld. Uit diverse onderzoeken blijkt dat duizenden soor­ ten uitsterven of met uitsterven bedreigd zijn, ook in Nederland. De wereldwijde achteruitgang van bio­ diversiteit is verontrustend. Biodiversiteit is de pijler van het leven op aarde en is belangrijk voor ver­ schillende ecosysteemfuncties. Figuur 4 geeft een impressie welke functies dat zijn. Biodiversiteit heeft ook een belangrijke maatschappelijke en economische waarde. Dit is één van de redenen waarom ge­ meente Eersel zich duidelijk als een groene gemeente profileert. Deze waarden van biodiversiteit zijn als volgt te onderbouwen (Voets & Van den Berg, 2009): » Biodiversiteit bevordert gezondheid en kwaliteit van het leven. Dankzij biodiversiteit ontstaat een aantrekkelijke, gezonde leefomgeving waar mensen graag wonen en werken. Dit is de belang­ rijkste waarde; » Recreatie en toerisme worden aangetrokken door gebieden met een hoge biodiversiteit; » Biodiversiteit leidt tot (duurzame) productie uit landbouw en veehouderij; » Biodiversiteit zorgt voor een bufferende werking, bijvoorbeeld om vervuiling in lucht, bodem en water op te vangen; » Biodiversiteit is het natuurlijk kapitaal van de maatschappij. Om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen, heeft gemeente Eersel als eerste Brabantse ge­ meente de internationale Countdown 2010 verklaring ondertekend.

Countdown 2010 heeft als doel om de teruggang van de wereldwijde biodiversiteit te stoppen. Het Biodiversiteitsplan van gemeente Eersel dateert van 2009 en richt zich vooral op het buitengebied en kleinschalige acties. Veel acties zijn inmid­ dels uitgevoerd of in uitvoering. Het actieplan heeft een concreet gezicht gekregen in de vorm van een voor iedereen herkenbare ambassadeursoort. Inwoners hebben in 2007 de steenuil tot ambassadeursoort verkozen. Ook is het Biodiversiteitsteam, B-team Eersel, opgericht. Dit is een burgerinitiatief waar­ in inwoners van gemeente Eersel gevraagd en ongevraagd advies geven aan de gemeente om de bio­ diversiteit in de gemeente te stimuleren. Daarnaast voert het B-team soms zelf acties uit. Een voorbeeld hiervan is de herinrichting van het Lijsterven in 2016, waar een gebied van een hectare geschikter ge­ maakt is voor amfibieën, akker- en struweelvogels. Het B-team bestaat momenteel uit leden van dorps­ raden, terreinbeheerders, natuur(werk)groepen, raadscommissies en andere inwoners met een groen hart. Het logo van het B-team is de ambassadeursoort: de steenuil.

15 Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Biodiversiteit 16 Betekenis “abiotische leefomgeving”: wordt ook wel levenloze natuur genoemd. Denk hierbij aan bodem, water en lucht.

41

Het Duurzaamheidsbeleid Eersel zet onder andere in op het behoud en de verbetering van de biodiver­ siteit. Dit beleid richt zich vooral op het creëren van meer bewustzijn bij inwoners over wat biodiversiteit is en wat het belang van biodiversiteit is. Kleinschalige, stimulerende acties worden vooral in de be­ bouwde kom opgezet. Deze acties worden gekoppeld aan het aanpakken van de hemelwaterproblematiek en hittestress (Derijcke, 2017). Hoewel biodiversiteit al een onderdeel is van een aantal vigerende beleidsplannen in het fysieke do­ mein, is het als thema op zichzelf nog niet in beleid verankerd. Beleidsplan Groen Loont geeft hier invul­ ling aan. Gemeente Eersel levert graag inspanningen om binnen haar grenzen planten en dieren een goede toekomst te geven. Immers een goede toekomst voor de natuur, is een gezonde toekomst voor de mens. Gezien het toenemende belang van en aandacht voor de biodiversiteit is het noodzakelijk een extra impuls te geven aan dit thema. In beleidsplan Groen Loont krijgt vooral de biodiversiteit in het landelijke, agrarische buitengebied en de biodiversiteit binnen de bebouwde kom aandacht. 5.3.

Beleidsdoelen De doelen van het beleid voor Natuur en Biodiversiteit zijn: » De voltooiing van de nog te ontwikkelen en/of af te ronden natuurgebieden met de diverse sa­ menwerkingspartners zoals provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel, buurgemeenten, terreinbeherende organisaties en de landbouwsector. » Het zorgvuldig en duurzaam onderhouden van natuurgebieden die in eigendom zijn van de ge­ meente op basis van vastgestelde beheerplannen. » Het proactief stimuleren en faciliteren van natuurbescherming in het algemeen en soortenbe­ scherming in het bijzonder door middel van advisering aan derden en het ondersteunen van na­ tuur- en biodiversiteitsbevorderende initiatieven van derden. » Behoud van biodiversiteit in Eersel en de aandacht voor biodiversiteit stimuleren en faciliteren. » Acties ter bevordering van de biodiversiteit: a. waar mogelijk laten aansluiten op bestaande (natuur)plannen van de gemeente en an­ dere organisaties en b. op basis van een duurzame gebiedsgerichte benadering. » Uitvoering van een concreet uitvoeringsprogramma, waarbij de steenuil de ambassadeur is voor andere kwetsbare dier- en plantsoorten in met name het landelijke, agrarische buitengebied en de bebouwde omgeving. Voor de steenuil en de patrijs is het streven om in 2033 het aantal broedparen in gemeente Eersel te verdubbelen, met als peiljaar 2016.

Bovenstaande doelen zijn herleid vanuit de hoofddoelstelling van het beleidsplan (zie paragraaf 1.2). De beleidsdoelen zijn concreter te maken door doelsoorten aan te wijzen. In dit beleidsplan richten we ons met name op soorten in het agrarische buitengebied en binnen de bebouwde kom. Kansen voor deze soorten zijn aangegeven in de biodiversiteitkansenkaart (zie bijlage C). De volgende doelsoorten zijn daarbij kenmerkend voor Brabant, De Kempen of in een enkel geval zelfs voor Eersel alleen: » Steenuil: kenmerkend uiltje dat afhankelijk is van het kleinschalig agrarisch cultuurlandschap en gevarieerde boerenerven. Tevens ambassadeursoort van de biodiversiteit in Eersel. » Patrijs: het boegbeeld van de akkervogels is afhankelijk van het kleinschalig agrarisch cultuur­ landschap. Een soort die zwaar te lijden heeft van de intensiverende landbouw en in Nederland vooral nog in het zuiden en oosten van het land voorkomt. » Huismus en gierzwaluw: twee kenmerkende soorten van de bebouwde kom die graag nestelen in gebouwen onder dakpannen en in spouwen. Huismussen verblijven daarnaast graag in ha­ gen en struwelen in het buitengebied op boerenerven. Door de steeds betere isolering van hui­ zen en afname van voedselgelegenheid zijn gierzwaluwen en vooral huismussen de laatste ja­ ren in aantal achteruit gegaan.

» Kleine marterachtigen: de afgelopen decennia is veel aandacht geweest voor de das en boommarter. Vaak kennen mensen ook de steenmarter. Minder aandacht gaat uit naar de kleine mar­ terachtigen bunzing, hermelijn en wezel. Het verspreidingsbeeld van deze soorten is verre van compleet. Deze soorten zijn afhankelijk van het kleinschalig cultuurlandschap, veel meer nog dan van natuurgebieden. Het natuurbeleid is nog te weinig op deze drie soorten gericht. Pas in recente jaren neemt de aandacht voor het belang van deze soorten toe. Landschapselementen spelen waarschijnlijk een belangrijke rol in het leefgebied van deze soorten. » Levendbarende hagedis: een reptiel van de hogere zandgronden van oostelijk en zuidelijk Ne­ derland die sterk te lijden heeft van de verdwijning, verdroging en versnippering van heidege­ 42

»

»

»

»

bieden en heischrale graslanden en bermen. Hoewel het nog steeds de meest verspreid voor­ komende reptielensoort van Nederland is, gaat deze reptielensoort in aantal al jarenlang het hardst achteruit. In Eersel komt de soort nog op een paar plekken voor, namelijk op Cartierheide, Rouwven en een paar kleine, geïsoleerde populaties op Heieinden en Buikheide. Kamsalamander en vinpootsalamander: twee amfibieënsoorten die in verschillende habitats le­ ven en in Nederland schaars zijn. De kamsalamander is een soort van het kleinschalig cultuur­ landschap met kleine bospercelen, heggen, struwelen en matig voedselrijke poelen, vennen en vijvers met waterplanten, maar zonder vis en waar veel zonlicht bij kan komen. In Eersel komt deze soort waarschijnlijk alleen nog voor in buurtschap Kreiel. De vinpootsalamander komt lan­ delijk alleen in de relatief hogere delen van Brabant en Limburg voor en is daar afhankelijk van bos- en heidegebieden met relatief zure en voedselarme vennen en poelen. In Eersel komt de soort alleen voor op de grens met Bladel op Heieinden. Bont dikkopje en bruine eikenpage: twee vlindersoorten. Beide afhankelijk van open bos(rand)en, waarbij de bruine eikenpage gespecialiseerd is op jonge(re) eiken en in wat droge­ re gebieden voorkomt, terwijl bont dikkopje in meer vochtige bossen voorkomt en daarnaast ook afhankelijk is van vochtige graslanden.

In Eersel komen deze soorten voor op de grens met gemeente Oirschot. Veldkrekel: een (heel) schaarse soort die in Nederland kenmerkend is voor zonnige, droge en schrale heidegebieden en voedselarme graslanden en dan vooral in delen van Brabant en Lim­ burg. In Eersel is de soort bekend op de randen van Rouwven, Oostelbeersche en Oirschotse Heide en op de overgang van Buikheide naar Spekdonken. Grote Bremraap: zeer zeldzame plant die landelijk nog in drie regio’s op een (zeer) beperkt aan­ tal plaatsen voorkomt. Hierbij vormen de gemeenten Veldhoven, Bergeijk en vooral Eersel ge­ zamenlijk het laatste ‘bolwerk’ in Nederland. De plant groeit op zonnige, droge, voedselarme plekken. In Eersel zijn dat vooral de bermen en bosranden. Alle bekende locaties in Eersel zijn in eigendom en beheer van gemeente Eersel. De plant parasiteert op de algemeen voorkomen­ de soort brem.

Daarnaast verdienen nog een aantal kenmerkende en zeldzame soorten aandacht en bescherming, maar deze zijn direct of indirect opgenomen in reeds bestaande (natuur)beleids- en beschermingsplannen en nota, zowel provinciaal, regionaal als lokaal. Het gaat hierbij om de natuurgebieden die opge­ nomen zijn in de Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, de ecologische verbindingszones en de bossen en kleine natuurgebieden die opgenomen zijn in de Bosnota gemeente Eersel en het Staats­ bosbeheer Uitwerkingsplan. In deze gebieden gaat het om de volgende soortgroepen en soorten: » Zoogdieren: vleermuizen » Vogels: holen bewonende roofvogels, rietvogels en dodaars » Reptielen: gladde slang » Amfibieën: heikikker en poelkikker » Vissen: beekprik en kleine modderkruiper » Insecten: wilde bijen, gentiaanblauwtje, bruine winterjuffer, bosbeekjuffer, venwitsnuitlibel en zuidelijk beekoeverlibel. » Flora: heidekartelblad, klokjesgentiaan, pilvaren, teer guichelheil, moerashertshooi, oeverkruid, drijvende waterweegbree, duizendknoopfonteinkruid, gesteeld glaskroos, ongelijkbladig fontein­ kruid, veelstengelige waterbies, vlottende bies en witte waterranonkel. Diverse van deze soorten genieten wettelijke bescherming via de Wet natuurbescherming. Men dient ten alle tijden zorgvuldig rekening te houden met deze soorten, waar ze ook maar voorkomen. 5.4.

Projecten en acties Natuur en Biodiversiteit Een goede selectie van projecten en acties vraagt inzicht in kansrijke gebieden en maatregelen. Op basis van opgedane ervaringen in lopende projecten en aan de hand van adviezen van een ecologisch adviesbureau is een duurzame, gebiedsgerichte selectie aan projecten en acties gemaakt. Het ecolo­ gisch adviesbureau heeft hiervoor een biodiversiteit kansenkaart (bijlage C) gemaakt.

43

SR

Foto 5. Steenuil, ambassadeur en één van de doelsoorten in Eersel.

ìfíļĘM

"ľî';'v I t

Foto 6. Patrijs, ook een doelsoort in Eersel en karakteristiek voor het kleinschalig cultuurlandschap.

44

Voor de voltooiing van Natura2000, Natuurnetwerk Nederland en de ecologische verbindingszones zijn diverse natuurgebieden in Eersel inmiddels geheel of gedeeltelijk gerealiseerd. De volgende gebieden worden tot 2033 (her)ingericht en/of voltooid: » Beekdal van De Run » Beekdal van Kleine Beerze » Beekdal van Kleine Aa » Beekdal van Poelenloop » Diverse ecologische verbindingszones, zoals in buurtschap Lantie, in het dal van de Kleine Beerze en de (noordelijke) Oostelbeerschedijk. » Het Groene Lint van Eersel naar Eindhoven Voor de bevordering van de biodiversiteit wordt ingezet op de onderstaande acties: » Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten (Stika) » Beleef- en eetnatuur in de wijken » Operatie Steenbreek » Ondersteuning initiatieven samenleving » Verbetering leefgebied doelsoort - Grote bremraap » Verbetering leefgebied doelsoorten - soortgroep insecten » Verbetering leefgebied doelsoorten - soortgroep reptielen en amfibieën » Verbetering leefgebied doelsoorten - vogels » Verbetering leefgebied doelsoorten - kleine marters De uitvoering van bovenstaande natuurprojecten en biodiversiteit bevorderende acties is uitgewerkt in hoofdstuk 7. 5.5. Monitoring doelsoorten Steekproefsgewijze monitoring van de doelsoorten is belangrijk om de vinger aan de pols te houden of de projecten en acties ook een positief effect hebben op de populaties van de doelsoorten.

Monitoring kan leiden tot bijsturing van projecten en acties als ze niet leiden tot het gewenste resultaat. Monitoring wordt bij voorkeur altijd vooraf gegaan door een nulmeting. Een nulmeting van een bepaalde soort(groep) wordt uitgevoerd vóór de start van een project of een actie om een zuiver ijkpunt te heb­ ben. Monitoring van de biodiversiteit is behalve voor het thema Natuur, ook een bruikbaar instrument voor het thema Landschap (zie paragraaf 4.8). Afhankelijk van de soort(groep) en de aanwezige kennis bij natuurvrijwilligers, kunnen lokale vrijwilligers in sommige natuurprojecten en biodiversiteit bevorderende acties de monitoring (gedeeltelijk) onder­ steunen. Dit heeft twee voordelen: het beperkt de kosten van monitoring en het vergroot het draagvlak bij belangengroepen voor natuurontwikkeling. De analyse van de monitoringgegevens vindt normaliter plaats door ecologen. 5.6. Toekomstige natuurontwikkelingen 2017 - 2020 Behalve de voltooiing van een aantal natuurgebieden en het uitzetten van diverse biodiversiteit bevor­ derende acties, vindt in de nabije toekomst nog een aantal ontwikkelingen plaats waarmee rekening wordt gehouden bij het thema Natuur. Eind 2017 of in de loop van 2018 wordt in gemeente Eersel een nieuwe Grondnota vastgesteld. De Grondnota is een belangrijk instrument om de doelstellingen van beleidsplan Groen Loont te verwezenlijken.

Denk hierbij aan het beschikbaar krijgen van grond en voorwaarden die gesteld kunnen worden bij pacht, koop, huur of ingebruikneming. In de herziende Grondnota zal hier aandacht voor zijn. Artikel 1.7 en 1.12 van de Wet natuurbescherming stellen dat gemeenten de natuur niet alleen passief, maar voortaan ook actief moet beschermen. Wat dit concreet inhoudt, is nog onbekend. Provincie Noord-Brabant is bevoegd gezag om samen met de gemeenten hieraan invulling te geven. Omgeving Zuid Oost Brabant (ODZOB) is ingeschakeld om voor de gemeenten in de regio bij de provincie duide­ lijkheid te krijgen over de implementatie van de Wet natuurbescherming. Dit richt zich in eerste instantie op het passieve deel van de wetgeving, maar ODZOB en de gemeenten willen met de provincie in ge­ sprek over actieve natuurbescherming. Vooral bij soortenbescherming is het belangrijk te weten waar beschermde en rode lijstsoorten in de gemeenten voorkomen. ODZOB heeft voor de regio een offerte opgevraagd voor een regionaal abonnement op de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor­ 45

liggend beleidsplan zet in op proactieve natuurbescherming, het sluiten van een abonnement op de NDFF is in lijn met deze doelstelling. Uiteindelijk wordt de Wet natuurbescherming opgenomen in de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 in werking treedt. Dat is een ontwikkeling die waarschijnlijk van grote invloed is op de natuurbescherming en het natuurbeleid. Het is voor de overheden opnieuw een ijkmoment om te toetsen wat de staat van de natuur is en wie welke verantwoordelijkheden op zich neemt om de natuur te beschermen.

46

6. Groen De gemeente Eersel wil op weg naar 2030 mensen blijven aantrekken door het versterken van het Kempische beeld van rust, ruimte, sociaal vitale kernen, recreatiemogelijkheden, cultuurhistorische kernen en Kempisch coulissenlandschap. De gemeente Eersel wil daarin complementair zijn aan de nabijgelegen stedelijke omgeving en wil zich profileren als de groene contramal van de regio. De com­ plementariteit van dorpen ten opzichte van het stedelijk leven rond Eindhoven, de rust, het groen, de horeca en het kleinschalige karakter maken de gemeente aantrekkelijk voor inwoners en recreanten (Toekomstvisie 2030). Vanuit de wetgeving heeft de gemeente ook een taak te vervullen. Als voorbeeld geldt dat volgens de Grondwet de overheid heeft te zorgen voor een bewoonbaar land en dient zij het leefmilieu te bescher­ men en te verbeteren. Het Burgerlijk Wetboek zegt dat de gemeente de wettelijke zorgplicht heeft voor het garanderen van de veiligheid van haar bewoners. Om deze reden moet de gemeente haar bomen aantoonbaar goed onderhouden en maatregelen treffen voor de veiligheid. Verder zijn vanuit andere wetten invloeden om rekening mee te houden in de inrichting en het beheer van het cultuurgroen, denk bijvoorbeeld aan de Wet natuurbescherming. 6.1.

Beleidsdoelen Het is belangrijk om in de zes kernen van Eersel voldoende ruimte te creëren voor de inrichting en het beheer van cultuurgroen om de ambities en taken te verwezenlijken. Op deze wijze kan de gemeente een (be)leefbare en gezonde woon- en werkomgeving garanderen. Voldoende ruimte voor cultuurgroen omvat niet alleen de fysieke omgeving, maar ook de bereidheid om hier financieel in te blijven investe­ ren met daarbij de gedachte dat dit zich terugverdient via leges, gemeentelijke belastingen en het kos­ ten reducerend effect van groen op andere beleidsdisciplines. Zo kan een qua omvang voldoende grote groene ruimte meer water opvangen en bufferen bij wateroverlast, die ontstaat bij neerslagextremen. Dit kan waterschade aan particulier én openbaar domein aanzienlijk beperken alsmede de daaruit vloeien­ de (hoge) kosten. Dit zijn de economische baten van groen. Deze economische baten zijn samen met de maatschappelijke baten van groen in hoofdstuk 3 uitgewerkt. Het is belangrijk om bewust te zijn en te blijven van de talrijke functies van het groen, ook van het in dit hoofdstuk behandelde cultuurgroen. Dit doet ons beseffen dat groen behalve nuttig vooral ook noodzakelijk is.

Vanuit de hoofddoelstelling van het beleidsplan (zie paragraaf 1.2) zijn voor het thema Groen een aan­ tal doelen te herleiden, namelijk: » Een goed ingerichte en onderhouden groene openbare ruimte die voldoet aan de ambitie van de Toekomstvisie 2030 van gemeente Eersel. » Een aantrekkelijke, gevarieerde groene omgeving met meer kleur, geur en beleving, om het toonbeeld te vormen van hoe landelijk en groen wonen in De Kempen uit kan zien. » Investeren in een duurzame groene omgeving op het moment dat het groen versleten en aan vervanging toe is; en wanneer sprake is van nieuwe ruimtelijke projecten. » Investeren in het onderhoud van groen op voor een breed publiek zichtbare locaties door het kwaliteitsniveau op deze locaties naar kwaliteitsbeeld A (rapportcijfer 7-8) te verhogen. Om groen op peil te houden, wordt in het beleid en beheer van het cultuurgroen gerekend met twee waarden: de vervangingswaarde en de onderhoudswaarde van het groen. Deze twee waarden zijn in­ houdelijk en financieel uitgewerkt in respectievelijk de paragrafen 6.3, 7.4 en 8.4. 6.1.1. Specifieke beleidsrichtlijnen Een aantal specifieke richtlijnen helpen de doelen voor het groen te verwezenlijken.

Deze richtlij­ nen zijn: » Na de opgedane ervaringen met de pilots in het project Datagedreven Kempengemeenten, wil de gemeente maatschappelijke kosten- en batenanalyses (mkba) uitvoeren vóórdat con­ cept (her)inrichtingsplannen, definitief worden gemaakt. Dit uitgangspunt is van toepassing op: o Alle nieuwbouwplannen, zowel bij wijkuitbreidingen als bij grootschalige wijkreconstructies. o Ruimtelijke projecten, zoals bij landschaps(her)inrichtingsplannen. 47

»

Diversiteit in cultuurgroen toepassen. Momenteel worden veelal de soorten eik in bomenla­ nen en beuk in hagen toegepast. Daarnaast bestaat 700Zo van het areaal groen in de be­ bouwde kommen uit monotone gazons. Het beleidsplan zet in op meer kleur, geur en varia­ tie in de plantsoenen, gazons en hagen. Het Beeldkwaliteitsplan zet in op de herkenbare beukenhagen in de oude centra van dorpen en buurtschappen. Ook pleit zij op deze locaties voor toepassing van inheemse boomsoorten. Dit laatste aspect komt de biodiversiteit zeker ten goede. Het beleidsplan Groen Loont is niet voornemens het sortimentskeuze van het Beeldkwaliteitsplan voor deze delen van de bebouwde kom te wijzigen. Wel stuurt het in woonwijken en op industrieterreinen aan op de toepassing van een veel breder assortiment aan plantensoorten. Hierbij wordt concreet gedacht aan: o Toepassen van vaste planten, prairieplanten, kruidengraslanden en bloemweiden als alternatieven voor gazons. o Toepassen van heesters waarbij kleur, geur en drachtwaarde de bepalende factoren zijn. o Toepassen van gemengde en groenblijvende hagen. o Bomen zijn in principe inheems, maar uitheemse bomen zijn ook mogelijk als ze pas­ sen in de omgeving in relatie tot de bestrating en toegankelijkheid, ze klimaatbestendig zijn, ze toegevoegde waarde aan het straatbeeld en/of drachtwaarde hebben.

Verder sluit beleidsplan Groen Loont aan op het vigerende Bomenbeleidsplan, wat betreft de bomen. De komende 25 jaar worden geen beukhagen in de bebouwde kom en geen ei­ ken in laanstructuren aangeplant om de monotonie te doorbreken. o Vergroenen en diversiteit vergroten op strategische plekken zoals: " Biodiversiteit op de rotonden verhogen door toepassing van vaste planten, prai­ rieplanten of andere kleur- en soortenrijke plantcombinaties. " Vergroening (school)pleinen. Dit is gericht op afname van verhard oppervlakte door een groene aanplant. De aanplant benadrukt accenten zoals kleur en geur en de beleving van de seizoenen. » Op peil houden van het areaal duurzaam groen in de bebouwde kernen door normen als uit­ gangspunt te hanteren. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft beslisbevoegd­ heid om, gemotiveerd, van deze normen af te wijken: o Minimaal 200Zo (exclusief boomspiegels in verharding) van de oppervlakte in nieuwbouwplannen en bij inbreidingen is groen. Van deze norm kan worden afgeweken als bij de uitkomst van een mkba blijkt dat een zorgvuldige afweging is gemaakt van de maatschappelijke kosten en baten bij een plan en hieruit zou blijken dat het plan ook met een kleiner oppervlakte groen de gewenste ruimtelijke, groene kwaliteit kan bieden.

o Het areaal gazon in de bebouwde kernen bedraagt maximaal 500Zo van de totale opper­ vlakte cultuurgroen dat in beheer en eigendom van de gemeente is. » Beschermen van belangrijke groenwaarden door: o Groen- en landschapsstructuren in bestemmingsplannen opnemen. o Boomkroonprojectie van monumentale bomen in bestemmingsplannen opnemen. o Aanpakken van ongeregistreerd grondgebruik en het tegengaan van illegale handelin­ gen in het groen. » Stimuleren en faciliteren van groene burgerinitiatieven. 6.1.2. Groenbeleid en andere beleidstaken Bij de (her)inrichting van de openbare ruimte spelen vaak andere belangen mee. In de openbare ruimte zijn meerdere functies aanwezig en is tussen deze functies een nauwe relatie. In een woonwijk bijvoorbeeld is in het fysieke domein ruimte nodig voor riolering, kabels en leidingen, we­ gen, verlichting, waterberging en groen. In principe zijn deze functies in de openbare ruimte tech­ nisch goed te combineren. Idealiter zou in een nieuwbouwwijk van perceelgrens tot perceelgrens ruimte in de openbare ruimte moeten zijn voor een trottoir aan weerszijden van de weg, een parkeerstrook en een groenstrook met voldoende groeiruimte voor een rij 1e orde bomen. De totale benodigde ruimte is dan circa 20 tot 22 meter breed. Hierdoor is ook voldoende ruimte aanwezig voor verlichting en ondergronds voor kabels, leidingen en twee rioolbuizen.

De praktijk leert echter dat de ruimte voor deze functies beperkter is. De afgelopen jaren zijn alle functies meestal in de beperkt overgebleven openbare ruimte inge­ deeld, terwijl deze ruimte al snel onvoldoende blijkt. Na oplevering van een nieuwbouwlocatie gaat dit letterlijk wringen. Voorbeelden: parkeerplaatsen zijn onvoldoende aanwezig, bomen veroorza­ 48

ken worteldruk in de verharding of ruimte voor bomen ontbreekt vanwege kabels en leidingen en/of trottoirs zijn te smal voor voetgangers met kinderwagens. Hierdoor wordt al snel vooral in het groen ingegrepen, waardoor de structurele groenbeheerkosten door versnippering, hoger zijn dan in een openbare ruimte met voldoende ruimte voor de verschillende functies. Dan zijn de nadelen van de beperkte ruimte voor groen op het maatschappelijk-economische vlak nog buiten beschouwing ge­ laten. In de grondexploitatie en in het ontwerp van een nieuwbouwlocatie werd tot 2016 bij een winstge­ vende exploitatie financieel rekening gehouden met een rood voor groen bijdrage van C 7,50 per verkocht m2, welke gestort werd in de bestemmingsreserve “Rood met Groen”. Op grond van wij­ zigingen met betrekking tot het Besluit Begroting en Verantwoording en de Vennootschapsbelas­ ting is het niet meer mogelijk om kosten op te nemen in een grondexploitatie als fondsstorting. Bij aanvang van een nieuwe exploitatieopzet kunnen alleen nog alle kosten voor het bouw- en woonrijp maken, inclusief groenbeleid, van het desbetreffende plan worden opgevoerd.

Op het moment dat sprake is van verloren gegane natuur- en groenwaarden bij de ontwikkeling van een nieuw plangebied door woningbouw, is het mogelijk om kosten in de grondexploitatie in te brengen voor compensatie van deze verloren gegane natuur- en groenwaarden. De compensatie kan dan elders plaats vinden. Op het moment dat sprake is van de ontwikkeling van een nieuw plangebied wordt bij de opzet van een nieuwe grondexploitatie door medewerkers van planeconomie, steden­ bouwkunde/landschapsarchitectuur, ruimtelijke ordening, civieltechniek en groen integraal naar dit plan gekeken waarbij ook de juiste aandacht is voor groen. Hierdoor ontstaat de komende jaren ruimte om het voorliggend beleidsplan in praktijk te brengen en kan weer geïnvesteerd worden in de leefbaarheid en veiligheid van een nieuwbouwlocatie. Ook onderwerpen in het sociale domein die van invloed zijn op het groen, spelen een rol. Vaak is er spanning tussen de diverse belangen. De belangrijkste factor hierin is het Inclusief Beleid. De Rijksoverheid heeft in 2016 het VN verdrag voor de rechten van mensen met een beperking onder­ tekent. Mensen met een beperking willen mee kunnen doen in de samenleving, maar ondervinden vaak obstakels in de eigen leef- en woonomgeving.

In het fysieke domein valt daarbij te denken aan kuilen in de weg, te smalle stoepen voor rolstoelgebruikers en worteldruk van bomen in de verharding dat voor voetgangers, die slecht ter been zijn, letterlijk een hindernis vormt. Het Inclu­ sief Beleid verplicht lokale overheden om in haar beleid rekening te houden met het obstakelvrij houden van de openbare ruimte. Een ander belangrijke beleidstaak is het voorzien in voldoende en veilige speel- en beleefterreinen voor kinderen. Hierin vervult groen een belangrijke rol. Speelter­ reinen en groen zijn meestal gecombineerd en versterken elkaar. Tegenwoordig worden op speel­ terreinen vaak speelaanleidingen in plaats van speeltoestellen gebruikt. Hiervoor worden meestal natuurlijke materialen ingezet. Maar ook op dergelijke plaatsen komt het aan op voldoende ruimte voor zowel het groen als de nodige bewegingsruimte voor spelende kinderen. Vanuit het sociale domein blijkt eens te meer het belang van een zorgvuldige, duurzame inrichting met voldoende ruimte voor alle functies en met name voor het groen. De relaties tussen de diverse belangen en de verschillende functies in de openbare ruimte zijn te­ genwoordig technisch steeds beter te combineren, ook in meer beperkte ruimten. Een goed voor­ beeld is het toepassen van ondergrondse boomvoorzieningen. Dit kan variëren van grove lavakorrels tot complete krattenconstructies.

Boomwortels hebben in dergelijke constructies voldoende ruimte om water en voeding te vinden, zonder dat ze worteldruk in de verharding veroorzaken. Ka­ bels en leidingen worden beter beschermd. Bovendien wordt overtollig hemelwater beter afge­ voerd. De constructies dienen dus meerdere functies. Bomen die hoog worden, kunnen hierdoor toch op verharde pleinen of in smallere straten worden aangeplant. Dit voorbeeld is behalve op nieuwbouwlocaties, ook goed toe te passen bij de herinrichting van straten. Belangrijk is te besef­ fen dat dergelijke technische oplossingen weliswaar hogere investeringskosten hebben, maar dat dit zich terugverdient. Dat komt doordat groen langer meegaat en geen beroep gedaan hoeft te worden op extra onderhoudsmaatregelen bovenop het regulier onderhoud De relaties die de diverse belangen en de verschillende functies in de openbare ruimte met elkaar hebben, onderstrepen het belang van uitvoeren van mkba’s. Het beleidsplan streeft naar een multi­ functionele openbare ruimte waar de waarde van groen nadrukkelijk een rol van belang speelt. Dit 49

betekent dat de vakgroep groen van gemeente Eersel bij de ontwikkeling van nieuwe plannen van­ af het begin actief in het proces wordt betrokken 6.2. Groenstructuren Groenstructuren zijn (grote) lint- of vlakvormige beplantingen die door hun omvang, hun ruimtelijke lig­ ging en hun belang voor de leefomgeving het waard zijn om te beschermen en waar nodig te verster­ ken. De groenstructuren van beleidsplan Groen Loont sluiten aan op de structuren van het Bomenbe­ leidsplan en het Beeldkwaliteitsplan van gemeente Eersel. Een aantal groene ruimten die niet zijn op­ genomen in respectievelijk de bomenstructuren en cultuurhistorische structuren van beide plannen, zijn in beleidsplan Groen Loont alsnog opgenomen. Er zijn immers groene locaties zonder (beschermwaar­ dige) bomen en die geen onderdeel uitmaken van de cultuurhistorische waardevolle locaties, maar toch belangrijk zijn. Bovendien zijn ook nieuwbouwwijken met openbaar groen ontstaan. Dergelijke groene ruimten zijn door hun omvang, hun ruimtelijke ligging en hun belang voor de leefomgeving belangrijk genoeg om als te behouden groenstructuur opgenomen te worden in beleidsplannen. Voorbeelden van deze groene ruimten zijn bosplantsoenen aan de rand van de bebouwde kom, parken, bosachtige park­ jes in woonwijken, wadi’s voor hemelwateropvang of groen langs wijkontsluitingswegen in nieuwbouw­ wijken. 6.2.1.

Beleidsmaatregelen groenstructuren De groenstructuren van het cultuurgroen in de bebouwde kommen zijn opgenomen in de groenstructuurkaart (zie bijlage D). De groenstructuren van het cultuurgroen in het buitengebied zijn op­ genomen in de landschapsstructuurkaart (zie bijlage A). Cultuurgroen in het buitengebied betreft overigens alleen de laanbomen. Verder staan op de landschapsstructuurkaart vooral de land­ schappelijke structuren. In de groenstructuurkaart wordt voor het cultuurgroen onderscheid ge­ maakt tussen vier typen structuren, namelijk: » Hoofdstructuur en belangrijke groenelementen: dit zijn de qua oppervlakte en/of breedte vaak grote groenelementen in de bebouwde kom. Ze liggen langs de hoofdontsluitingswegen, vormen het groen in de historische oude centra van de kernen en vormen de grotere parken en evenemententerreinen. Deze elementen zijn bepalend voor het beeld in de omge­ ving. Zij vormen regelmatig het “visitekaartje” van een kern. Groen dat onder de noemer hoofdstructuur en belangrijke groenelementen valt, komt niet in aanmerking voor verkoop of verhuur en wordt ontzien bij ruimtelijke en/of infrastructurele ontwikkelingen. In zeer specifie­ ke situaties kan dit type groen onder voorwaarden eventueel tijdelijk in gebruik worden ge­ geven. Denk bijvoorbeeld voor kermissen op evenemententerreinen.

Voor groen onder de noemer hoofdstructuur en belangrijke groenelementen is het beleid: het groen behouden en waar mogelijk versterken. Mocht dit type groen om zwaarwegende, algemene belangen ver­ loren gaan, dan dient het verloren gegane areaal groen elders in de kern fysiek of financieel te worden gecompenseerd. In beginsel wordt hierbij uitgegaan van een qua areaal fysieke compensatie, waarbij het elders gecompenseerde groen minimaal dezelfde oppervlakte heeft en ook dezelfde status van hoofdstructuur en/of belangrijke groenelement krijgt. Blijkt fysieke compensatie echt niet mogelijk, dan wordt het groen financieel gecompenseerd voor de geldende grondprijs. » Groene dorpsranden: heeft dezelfde status als groen in hoofdstructuur en belangrijke groen­ elementen, maar zijn vaak smaller en vormen heel specifiek de visuele en fysieke groene scheiding of buffer van sommige woonwijken en industrieterreinen met het buitengebied. Op deze locaties is een groene afscheiding of buffer vaak bepaald door de ligging in een be­ paalde kenmerkende (cultuur)landschap (zie ook paragraaf 4.8) of is sprake van een maat­ schappelijk belang, zoals het afschermen van een industrieterrein voor omwonenden of re­ creatievoorzieningen. Voor dit type groen is het beleid: het groen behouden en waar moge­ lijk versterken.

De beplanting van groene dorpsranden hebben vaak hun eigen kenmerkende sortiment beplanting, meestal bestaande uit inheemse soorten. » Nevenstructuur en wijkparkenZ-plantsoenen: dit zijn de groenelementen langs wijkontslui­ tingswegen, de wijkparken en de grotere plantsoenen in de wijk. Meestal is dit het relatief nieuwere groen, dat wil zeggen na de Tweede Wereldoorlog aangelegd. Groen dat onder de noemer nevenstructuur en wijkparkenZ-plantsoenen valt, komt niet in aanmerking voor ver­ koop en worden waar mogelijk ontzien bij ruimtelijke en/of infrastructurele ontwikkelingen. Het verhuren of het in gebruik geven van dit type groen is onder voorwaarden eventueel mogelijk. Voor dit type groen is het beleid: het groen behouden. Mocht dit type groen door ruimtelijke en/of infrastructurele ontwikkelingen verloren raken, dan dient verloren gegane 50

areaal groen elders in de kern fysiek of financieel te worden gecompenseerd. Bij financiële compensatie van dit type groen is van toepassing: de geldende grondprijs » Overig groen (niet in de groenstructuurkaart opgenomen): dit zijn diverse soorten, vaak klei­ nere) groenelementen in de kernen. Ze liggen vaak langs (zij)straten in de wijk, langs ach­ terpaden en in resthoeken van de infrastructuur in de wijken. Het verkopen of verhuren van dit type groen is al dan niet onder voorwaarden mogelijk. Om misverstanden te voorkomen, is het noodzakelijk te vermelden dat dit type groen niet onbelangrijk is. Het groen vervult wel­ iswaar geen grote ruimtelijke rol in de kern en de wijk, maar is wel degelijk van belang voor de leefbaarheid en beleving van de betreffende straat zelf. Verkoop, verhuur, in gebruik ge­ ven of het afstoten van groen vanwege ruimtelijke/infrastructurele ontwikkelingen van overig groen is daarom expliciet geen vanzelfsprekendheid, maar wordt per locatie en situatie nauwkeurig tegen verschillende factoren afgewogen. Die rol ligt bij de beleidsmedewerker groen en uiteindelijk heeft het college van Burgemeester en Wethouders beslisbevoegdheid. De opbrengsten van het verkochte cultuurgroen wordt gebruikt ten behoeve van uitbreiding en versterking van het groenareaal.

Samenvattend en aanvullend stelt dit beleidsplan de volgende regels voor het al dan niet verkopen, verhuren of in gebruik geven van openbaar groen in de bebouwde kommen:

>

>

Niet verkopen en verhuren: o Groene hoofd- en nevenstructuren en groene dorpsranden die zijn opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan, bomenbeleidsplan en/of beleidsplan Groen Loont. o Groenstroken waarin kabels en leidingen liggen. Eventueel verkopen en verhuren onder marktconforme prijzen of in gebruik geven van groen, al dan niet onder voorwaarden: o Overig groen dat fysiek en visueel rechtstreeks aan perceel van koper/pachter grenst.

6.2.2. Groenstructuren versus bestemmingsplannen In de bestemmingsplannen van de bebouwde kom van gemeente Eersel zijn alle plantsoenen be­ stemd als “groen”. Hierdoor geniet in feite al het groen juridische bescherming. Dit houdt in dat bij elke ruimtelijke ontwikkeling ten koste van het groen of bij de verkoop van groen, een bestemmingsplanwijziging nodig is. Verder blijkt hierdoor dat voor de kap van vrijwel elke boom een aanlegvergunning nodig is. Als een boom vanuit het bomenbeleidsplan dan ook nog eens aangemerkt is als monumentaal of als beschermwaardig, is ook vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening een (kap)vergunning nodig. In feite is de boom (onnodig) dubbel beschermd en gelden dubbele le­ ges bij verlening van twee vergunningen. Om deze werkwijze iets meer te stroomlijnen en de las­ ten te verlichten, is het beleid van beleidsplan Groen Loont in relatie tot bestemmingsplannen:

> >

Bomen in bestemmingsplannen bebouwde kom uit te zonderen van de aanlegvergunningplicht in plantsoenen met bestemming “groen”. Plantvakken kleiner dan 2 m2 die in beleidsplan Groen Loont onder de noemer overig groen val­ len, de bestemming “verkeer” te geven. Plantvakken van een dergelijk klein formaat betreffen vaak bomen met hun boomspiegels in verharding en soms kleine blokhagen.

Bomen met de status monumentaal of beschermwaardig blijven in de toekomst een kapvergunning nodig hebben vanuit de Algemene Plaatselijke Verordening, indien men een dergelijke boom wil verwijderden. De werkwijze van beleidsplan Groen Loont bij verkoop van groen is als volgt: aanvragen worden door team Vastgoed verzameld en per half jaar samen met de beleidsmedewerkers ruimtelijke ontwikkeling en groen afgehandeld inclusief eventuele bestemmingsplanwijziging. Hiervoor is het beleid van Groen Loont om wijzigingsbevoegdheid op te nemen voor het omzetten van openbaar gebied naar een tuin- of woonbestemming. Bij ruimtelijke ontwikkelingen ten koste van het groen, wordt de aanvraag per ontwikkeling afgehandeld. 51

6.2.3. Groen en handhaving Een veel voorkomend verschijnsel in Nederland is het al dan niet bewust in gebruik nemen van gemeentelijk groen door particulieren zonder dat de gemeente hiermee heeft ingestemd. Dergelijk ongeregistreerd gebruik van gemeentegronden komt zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied voor. Eersel vormt hierop geen uitzondering. De vraag is hoe dergelijke situaties aan te pakken. Tot nu toe blijkt soms dat door verjaring grond van rechtswege in eigendom komt van een particulier. Dit is ongewenst en gemeente Eersel wil beleid opzetten om dit te voorkomen door het vastleggen van het ongeregistreerd grondgebruik waarbij de aandacht moet uitgaan van hoge naar lage prioriteit: » Groen in hoofdstructuren en belangrijke groenelementen, » Groen in groene dorpsranden, » Groen in nevenstructuren en wijkparkenAplantsoenen, » Overig groen. De prioritering is uiteraard bepaald door het belang van het type groen, maar ook door de eventu­ eel inzetbare personele capaciteit. Bij beperkte capaciteit kan in elk geval worden begonnen met groen in de hoofdstructuren, bij voldoende capaciteit kan de rest worden opgepakt. Om te achter­ halen in welke omvang ongeregistreerd grondgebruik in Eersel voorkomt en hoe dit verschijnsel aangepakt kan worden, is een plan van aanpak met een gebiedsscan nodig.

Landelijk is een aantal adviesbureaus gespecialiseerd in deze materie. Zij kunnen gemeenten hierin ontzorgen. Beleids­ plan Groen Loont pleit voor het opzetten van een dergelijke (plan van) aanpak. Een andere ontwikkeling die wordt gevolgd, is de inzet van groene handhavers. Gemeente Oirschot heeft een groene handhaver in dienst en gemeente Bladel heeft een groene handhaver op de proef voor een half jaar. Beide gemeenten verkennen samen met Vergunning, Toezicht en Handhaving De Kempen (VTH) of andere Kempengemeenten ook groene handhavers wil inzetten. Behalve deze gemeenten onderzoekt ook Staatsbosbeheer de mogelijkheden om samen op te trekken met de Kempengemeenten in de groene handhaving. Gemeente Eersel wil in elk geval deelnemen aan deze verkenning en wil op basis hiervan de mogelijkheden in beeld brengen. 6.3. Beheer Voor het duurzaam in stand houden van het groen is regelmatig onderhoud van de plantvakken en tijdi­ ge vervanging van beplanting noodzakelijk. Elk type groen heeft haar eigen gemiddelde levensduur en vraagt haar eigen specifieke onderhoudsinspanning. Een gazon bijvoorbeeld heeft een langere levens­ duur en vraagt een andere soort onderhoud dan een plantsoen met bodembedekkers. Een plantsoen met bodembedekkers buffert daarentegen weer veel beter overvloedig regenwater dan een gazon (zie figuur 6).

De focus van het beheer ligt in dit beleidsplan op het realiseren van een aantrekkelijke en gevarieerde groene omgeving. Door de vervanging van groen op peil te houden, hebben we de mogelijkheid om een duurzame, groene omgeving te realiseren en in stand te houden. Door tijdens de vervanging in te zetten op variatie in het sortiment zijn verschillende voordelen te behalen. Het groen krijgt een hogere bele­ vingswaarde, maakt de gemeente aantrekkelijker voor toeristen, creëert een hogere biodiversiteit, is beter bestand tegen (plaag)ziekten en biedt mogelijkheden om een nog meer gerichte bijdrage te leve­ ren aan duurzaamheid en gezondheid. Groen voldoet door de toepassing van meer variatie, veel beter aan haar veelzijdigheid in tal van maatschappelijke en economische nuttige functies. Variatie in het sortiment maakt het groen zelf ook vitaal sterk en de levensduur van groen wordt verlengd. Dit past ook in de duurzaamheidsgedachte. Hiermee voldoet groen aan de ambities van de gemeente Eersel. Zij geeft het voorbeeld hoe landelijk en groen wonen in de Kempen uit kan zien en hoe zij meer kleur, geur en beleving kan realiseren. Een ander belangrijk speerpunt voor het beheer vanuit beleidsplan Groen Loont is om de mogelijkheid te bieden aan inwoners, bedrijven of organisaties om onderhoud in het groen te laten plegen.

Niet van­ uit de gedachte om op onderhoud te bezuinigen, maar om de betrokkenheid van mensen in hun eigen leefomgeving te vergroten. Dergelijk groenonderhoud door inwoners kan worden geregeld via gebruiksovereenkomsten in perioden van drie jaar. Om te zorgen dat het groenonderhoud ook door inwoners goed wordt uitgevoerd, blijft toezicht en ondersteuning op dergelijke groene initiatieven nodig. Onder­ houd in het groen is dan zowel mogelijk in de bebouwde kom als in het buitengebied.

52

Het groen in de bebouwde kom wordt conform het Kwaliteitsplan Groen (Claassens, 2012) op een so­ bere kwaliteitsniveau beheerd. Verschillende groenelementen als bomen, gazons en plantsoenen wor­ den op kwaliteitsbeeld B (rapportcijfer 6-7) beheerd, de bermen en bosplantsoenen worden op kwaliteitsbeeld C (rapportcijfer 4-5) beheerd. Eén van de beleidsdoelen voor groen is om in te zetten op een hoger kwaliteitsniveau op, voor een breed publiek, zichtbare locaties. Verhoging van het onderhoudsniveau in de kernen creëert een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor inwoners en recreanten. Dit levert een bijdrage aan de ambitie van de Toekomstvisie om het toonbeeld te vormen van hoe landelijk en groen wonen in de Kempen uit kan zien. Als gevolg van de klimaatverandering wordt het groeiseizoen langer en daarnaast is het door veranderde wetgeving steeds moeilijker om medewerkers van de socia­ le werkvoorziening WVK voor het groenonderhoud in te zetten. Hierdoor staat het kwaliteitsniveau van groenonderhoud onder druk en is het nodig op deze ontwikkelingen te anticiperen. Het verhogen van het onderhoudsniveau draagt niet bij aan het realiseren van een groene omgeving met meer kleur, geur en beleving.

Daarom zet dit beleidsplan alleen in op het verhogen van het onderhoudsniveau in de cen­ tra van de zes kernen naar kwaliteitsbeeld A (rapportcijfer 7-8), aangezien zij meer specifiek het toeris­ tische visitekaartje vormen van de gemeente. Beleidsplan Groen Loont is geen beheerplan en het werkt daarom het beheer niet in detail uit. Wel vraagt beleidsplan Groen Loont aandacht voor een belangrijke beheermaatregel: de nazorg van een (her)ingerichte groenvak. Na oplevering van bijvoorbeeld de groeninrichting in een nieuwe woonwijk of de groenenovatie van een bestaande wijk, is specifiek nazorg voor de nieuwe beplanting nodig. Ge­ meente Eersel wil dat in de opdrachten richting opdrachtnemers minimaal 1 jaar en bij voorkeur 3 jaar nazorg plaats vindt. Nazorg bestaat vaak uit het tijdig water geven, schoffelen, knippen en blad- en zwerfvuilvrij maken van de nieuwe plantvakken. Bij de oplevering van de nazorgactiviteiten wordt beke­ ken of aan de afspraken voldaan is en het gewenste eindbeeld is behaald. Na de oplevering van de nazorg gaat het (her)ingerichte groenvak in het regime van het reguliere groenonderhoud. Voor de vervanging en het onderhoud van groen zijn landelijke richtlijnen en kengetallen opgesteld. Op basis hiervan heeft een extern adviesbureau de situatie van gemeente Eersel doorgerekend en de re­ sultaten in een rekenmatrix verwerkt (zie bijlage E).

Verder heeft het adviesbureau een steekproef ge­ nomen om de huidige, technische kwaliteit van de plantsoenen en de gazons in Eersel te toetsen. Op basis van deze steekproef zijn aanbevelingen gedaan over de vervanging van het groen. De rekenma­ trix en de steekproef komen in hoofdstuk 7 aan bod.

53

Type bedekking

Hoeveelheid afstromend regenwater

Onbegroeide daken en infrastructuur

1000Zo

Speeltuinen, sportvelden en gazons

250Zo

Voor en achtertuinen

150Zo

Grotere tuinen en plantsoenen

100Zo

Parken, bossen en natuurgebieden

0-507o

Figuur 6. Het bovenste figuur laat het effect zien van een groene en een verharde oppervlakte op moment dat hemelwater valt. Het onderste figuur toont de hoeveelheid afstromend hemelwater bij diverse groenvoorzieningen. Beide figuren doen een appèl op overheden, organisaties én particulieren om de leefomgeving te vergroenen.

54

7. Uitvoeringsprogramma en organisatie Beleidsplan Groen Loont wil investeren in de maatschappelijk - economische functies en de ruimtelijke kwaliteiten die landschap, natuur en groen hebben. Het nut, de noodzaak en de functies van groen zijn groot en levert direct en indirect winst op voor de samenleving. Het beleidsplan geeft concreet invulling aan haar doelen aan de hand van een uitvoeringsprogramma in voorliggend hoofdstuk. In het uitvoe­ ringsprogramma staat aangegeven waar en (indien van toepassing) wanneer welke maatregel wordt uitgevoerd. Voor elke uitvoeringsmaatregel wordt in hoofdstuk 8 voor zover mogelijk een kostenindicatie gegeven. In dit hoofdstuk worden eerst de projecten opgesomd die gekoppeld zijn aan huidige en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen richting het buitengebied, die schade veroorzaken aan landschap en natuur. De financiering van deze projecten is hoofdzakelijk geregeld door het Rood met Groenfonds en subsi­ dies. De oorspronkelijke regeling “Rood met Groen” is echter juridisch achterhaald en mag niet meer gebruikt worden. Hiervoor zijn alternatieven gekomen die in hoofdstuk 8 worden uitgelegd. Vervolgens worden de overige uit te voeren projecten en acties voor de thema’s Landschap en Natuur vermeld. Het uitvoeringsprogramma van het thema Groen is tamelijk uitgebreid en de maatregelen zelf zijn daarom in een bijlage opgenomen. 7.1.

Rood met Groen Projecten die in aanmerking komen om uitgevoerd te worden met budgetten van de niet-locatie gebon­ den aanpak (in hoofdstuk 8 wordt dit uitgelegd) zijn: Natuur en biodiversiteit: 1. Rouwven - Oostelbeersedijk. Dit gebied is een oude heideontginning en ligt tussen de Oirschotse bossen en de gemeentelijk bossen langs de Oostelbeersedijk. In dit gebied liggen mogelijkheden voor een ecologische verbindingszone. Doelsoorten zijn de levendbarende hagedis, de veldkrekel, amfibieën en veldvogels. 2. De Huufkes - Molenvelden bij Knegsel. In dit heideontginningsgebied liggen kansen voor de grote bremraap. Deze plant staat in Nederland op de rode lijst als zeer zeldzaam en is sterk in aantal afgenomen. 3. De Kleine Aa op de grens tussen Eersel en Bladel. De Kleine Aa komt uit op de Kleine Beerze. In dit gebied liggen mogelijkheden voor een EVZ. De doelsoorten zijn amfibieën, li­ bellen, beekvissen, natte vegetaties, stroomdalgraslanden, broekbossen, elzensingels. 4. De bosranden van de Buikheide. Doelsoorten zijn hier mantelzoomvegetaties, vlinders, wil­ de bijen en vleermuizen. 5. EVZ tussen de Kleine Beerze en de Buikheide via de Heikesestraat en Kuilenhurk. Doel­ soorten hier zijn de levendbarende hagedis, veldkrekel, libellen en vleermuizen. 6. EVZ Landschotse Heide en de Kleine Beerze. Doelsoorten hier zijn struweelvogels, dag­ vlinders en vleermuizen. 7. EVZ Hoolven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=d6f16a0f-710e-42d6-8d56-13bbf2fd0da8