[17.13266] - Bijlage 8 Beleidsplan Groen Loont 2017-2033
Tekst van het document
Deze scenario’s zijn als keuzemogelijkheden aan de raad voorgelegd, waar uit zij vervolgens een keuze heeft gemaakt. 2.2.6. Toekomstvisie 2030 - Kempisch wonen in een wereldregio (2013) De gemeente Eersel spreekt in de Toekomstvisie 2030 haar ambitie uit door in 2030 bekend te staan als één van de aantrekkelijkste woongemeenten van de regio, waarbij de kernen het toon beeld vormen van hoe landelijk en groen wonen in de Kempen er uit kan zien. De gemeente wil op weg naar 2030 mensen blijven aantrekken door het versterken van het Kempische beeld van rust, ruimte, sociaal vitale kernen, recreatiemogelijkheden, cultuurhistorische kernen en Kempisch coulissenlandschap. De gemeente Eersel wil daarin complementair zijn aan de nabijgelegen stedelijke omgeving en wil zich profileren als de groene contramal van de regio. Eén van haar grootste kwali teiten is het cultuurhistorische landschap. Het groene karakter van de dorpen blijft zoveel mogelijk behouden door prioriteit te geven aan herbestemming boven nieuwbouw.7 2.2.7. Bomenbeleidsplan gemeente Eersel (2013) In 2013 heeft de gemeenteraad het Bomenbeleidsplan vastgesteld. Dit plan geeft kaders voor een goed ontwerp, inrichting, onderhoud en beheer van de gemeentelijke bomen en de monumentale (zowel gemeentelijke als particuliere) bomen. Ook worden richtlijnen gegeven hoe de huidige bo menstructuur te versterken of aan te vullen.
Het beleid moet leiden tot een goede bescherming en instandhouding van het huidige bomenbestand. Een belangrijk onderdeel van het beleid zijn de re gelmatige boominspecties om veiligheid en conditie van de bomen te controleren (Claassens, 2013). 2.2.8. Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant (2014) De structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant gaat uit van zorgvuldig ruimtegebruik, waar bij de provincie een zogenaamde “lagenbenadering” hanteert. Interessant is daarbij dat vooral de laag “water, bodem, natuur, landschap en cultuurhistorie” als meer sturend worden gezien voor de ruimtelijk-functionele ontwikkeling “daarbovenop”. Dus landschap, natuur en groen zijn sturend voor de laag “wonen, werken, landbouw en vrijetijdseconomie” en niet andersom. Hierbij streeft de provincie onder andere naar het goed inspelen op het water- en bodemsysteem en wil het water meer ruimte geven. Ook dient de ecologische kwaliteit en de belevingswaarde van de natuur wor den verhoogd. 2.2.9. Duurzaamheidsbeleid Eersel (2017) Gemeente Eersel heeft samen met de Kempengemeenten de ambitie om in 2025 energieneutraal te zijn. In de Toekomstvisie 2030 heeft Eersel nog eens vastgelegd dat Eersel energieneutraal wil zijn.
Een ingrijpende verandering in zeer korte tijd in het energiesysteem is daarvoor noodzakelijk, alsmede het extra aandacht geven aan andere duurzaamheidsthema’s zoals circulaire economie (onder andere recycling afval en materialen), klimaatadaptatie, biodiversiteit en eerlijke productie.
Bron: Toekomstvisie 2030 - Kempisch wonen in een wereldregio
19
Dit is nodig aangezien zij allemaal samenhangen met de uit te voeren energietransitie. De ambities van het Duurzaamheidsbeleid zijn: » een energieneutrale Kempen in 2025; » slechts 50Zo huishoudelijk restafval en 9507o hergebruik in 2020; » het tot stand brengen van een circulaire economie in 2050; » Eersel klimaatbestendig inrichten; » biodiversiteit in Eersel behouden en waar mogelijk verbeteren; » eerlijkheid in eigen land en in het buitenland laten meewegen en waar mogelijk verbeteren (Derijcke, 2017).
2.3. De drie thema’s Dit beleidsplan behandelt de drie thema’s Landschap, Natuur en Groen. Zij zijn nauw met elkaar verwe ven, overlappen elkaar deels, versterken elkaar en vullen elkaar ook regelmatig aan. Om toch enige grip te krijgen op de drie thema’s, wordt in deze paragraaf een omschrijving van elk thema gegeven. Daarnaast loopt in dit beleidsplan eigenlijk ook een vierde thema als een soort rode draad door deze drie thema’s heen: de biodiversiteit. De omschrijving van de biodiversiteit wordt kort uiteengezet binnen de omschrijving van natuur (zie paragraaf 2.3.2), omdat deze twee thema’s sterk verwant zijn. 2.3.1. Thema Landschap Wikipedia omschrijft het begrip “landschap” onder andere als een uitgestrekt stuk land in een be paald gebied dat als een zelfstandig geheel van geologische, ecologische en cultuurhistorische elementen met elkaar een geheel vormt en door mensen zo ook waargenomen wordt8. Een land schap wat zich door de eeuwen heen heeft gevormd en zich blijft vormen. Het landschap is de fy sieke en historische ondergrond van het natuurlandschap en het cultuurlandschap. Of om het uit te drukken in termen van dit beleidsplan: het landschap bepaalt mede de invulling van de natuur en het cultuurgroen. Hiermee wordt de verwevenheid van de drie thema’s benadrukt.
In De Kempen komen een aantal kenmerkende landschapstypen voor die in paragraaf 2.1 worden beschreven. Diverse cultuurhistorische landschapstypen hadden tot ver in de 19e eeuw een halfnatuurlijk ka rakter en kenden ofwel een hoge biodiversiteit ofwel huisvestten in de soortenarme landschapsty pen vaak bijzondere, karakteristieke soorten. In dit beleidsplan worden bij “landschap” vaak de ver schillende cultuurhistorische landschapstypen van de 19e eeuw als referentiebeeld aangehouden, tenzij anders vermeld. Elk cultuurhistorische landschapstype heeft haar eigen kenmerkende en in het land zichtbare bouwstenen, zogenaamde landschapselementen. De landschapselementen die in dit beleidsplan worden bedoeld, betreffen: geriefbosjes, houtwallen, houtsingels, houtkanten, so litaire bomen in een weiland, bolakkers (essen), overhoekjes, (drink)poelen, hagen, heggen, plaat sen, grafheuvels. En soms ook: beemden (hooilanden), greppels, sloten, bermen, dijk(licham)en, zandwegen en de historische dorpsruimten en wegen in de dorpen en buurtschappen zoals be noemd in het Beeldkwaliteitsplan van gemeente Eersel. 2.3.2. Thema Natuur Natuur is een toestand die niet of minimaal beïnvloed is door menselijke activiteit. Anders gezegd: alles wat zichzelf spontaan ordent en handhaaft, al of niet beïnvloed door menselijk handelen, maar niet volgens menselijke doelstellingen.
Natuur omvat de levende (onder andere dieren, plan ten) en de niet-levende natuur (onder andere bodem, water)9. Soms wordt biodiversiteit in één adem natuur genoemd, hetgeen onterecht is. Biodiversiteit is een begrip voor de graad van verscheidenheid aan levensvormen binnen een gegeven ecosysteem of land. Biodiversiteit wordt vaak gebruikt als een indicator voor de gezondheid van een ecosysteem, waarbij de aanwezige biodiversiteit wordt vergeleken met historische gegevens of met gegevens uit vergelijkbare gebieden10. Een hoge biodiversiteit is niet automatisch natuur(lijk). Hoewel dit vaak wel het geval is, duidt een lage biodiversiteit niet altijd op een slechte situatie in de natuur. De na tuur van Antarctica bijvoorbeeld verkeert in relatief redelijk goede conditie, maar heeft een relatief lage biodiversiteit.
8 Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Landschap 9 Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Wildernis (natuur) 10 Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Biodiversiteit
20
Als we in Nederland streven naar ruimte voor natuur, dan wordt bedoeld dat inheemse dier- en plantensoorten daadwerkelijk gebieden toebedeeld krijgen, waar menselijke invloeden zoveel mo gelijk worden beperkt en natuurlijke processen zoveel mogelijk hun eigen gang mogen gaan. In Nederland betekent dat vaak toch dat de mens dit zoveel mogelijk stuurt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ruimte die wordt gegeven aan de natuur in het rivierengebied, waar het wassende water ruimte krijgt in de uiterwaarden als buffer tegen overstromingen. Echter de winterdijken halen we in dit gebied niet weg, waardoor de ruimte voor natuur wordt begrensd. Dergelijke landschappen noemt men halfnatuurlijke landschappen. Andersom geldt dat diverse levensvormen zicht spontaan vestigen en handhaven in volledig door mens ingerichte gebieden (het zogenaamde cultuurland schap), zoals het stedelijk gebied. Een bekend voorbeeld is de merel. Was dit tot ver in de 19e eeuw nog een schuwe bosvogel, tegenwoordig is het ook een echte cultuurvolger en leeft deze al gemeen voorkomende zangvogel in tuinen.11 Dit kan men gerust een voorbeeld van “natuur in de stad” noemen. In dit beleidsplan wordt met de term “natuur” vooral de aangewezen gebieden be doeld waar de natuur een doel vormt in betreffende gebieden en (gedeeltelijk) haar gang mag gaan.
In gemeente Eersel zijn dat de Natura 2000-gebieden, de natuurnetwerkgebieden, de ecolo gische verbindingszones en de bossen. 2.3.3. Thema Groen Het woord “groen” is een containerbegrip en kan meerdere definities hebben. Denk bijvoorbeeld aan “groene” stroom, hier wordt het begrip “groen” gekoppeld aan duurzaamheid en schone ener gie. “Groen” wordt als term ook gebruikt als verzamelnaam voor bijvoorbeeld landschap, natuur en cultuurgroen. In dit beleidsplan wordt “groen” vooral als verzamelnaam gebruikt voor landschap, natuur en cultuurgroen, tenzij anders vermeld. In hoofdstuk 6 daarentegen wordt met “groen” al leen het cultuurgroen bedoeld. Cultuurgroen is een volledig door de mens bedachte ruimte waarin groen wordt ingericht en beheerd, denk bijvoorbeeld aan particuliere tuinen en gemeentelijke plantsoenen. Het cultuurgroen in dit beleidsplan beslaat het openbaar domein dat in eigendom en/of in beheer is van gemeente Eersel. Het cultuurgroen in Eersel bestaat uit: parken, plantsoe nen, hagen, gazons, bloemweiden, speeltuinen, evenemententerreinen, vijvers, wadi’s, sloten, greppels, bermen en (laan)bomen. Afhankelijk hoe het cultuurgroen is ingericht, ziet men vaak dat vooral de fauna profiteert van het aanwezige cultuurgroen. Daarmee kan cultuurgroen een wezen lijke positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit.
In cultuurgroen worden materialen en midde len ingezet die hun ontstaansgeschiedenis hebben in de natuur, maar in feite volledig in dienst van de mens worden ingezet.
11 Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Merel
21
Wat hebben natuur en economie met elkaar te maken?
Natuur voor Economie
Economie voor Natuur
De Natuur 4-* in ÖjO c CD -Q Cl 0
Creëert meerwaarde Produceert
1 CU CU
hout
1
f-
w
gewassen
overstromingen klimaatverandering
LÉ-É
' 1—
03 Cl i/i CU -Q c CU
vis
riet
L
Voorkomt ŬO c
Grotere maatschappelijke en economische waardering geeft groter draagvlak voor behoud en bescherming
__________________
Doet het werk .
waterzuivering bestuiving
Draagt bij aan Gezondheid, Kennis b Geluk
Bron: PBL
Waardering en economisch voordeel bieden kansen voor financiële ondersteuning natuurontwikkeling pbl.nl
Indirect
1/1 o
www.pbl.nl
Figuur 2. De relaties tussen natuur en economie. Deze relatief eenvoudige weergave van het Planbureau voor de Leefomgeving laat in één oogopslag de onderlinge, onscheidbare relatie tussen natuur en economie zien.
22
3. Groen Loont: de integrale benadering Groen in een leefomgeving is meer dan een decoratieve aankleding van de ruimte. Dit hoofdstuk ver duidelijkt deze meerwaarde en de diverse functies die groen kan hebben. Bij het zoeken naar oplossin gen van diverse problemen kan gebruik worden gemaakt van de meerwaarde van groen.12 Beleidsplan Groen Loont wil door deze integrale benadering inzicht geven van de vele aspecten van groen, zodat daarvan gebruik gemaakt kan worden. 3.1. Het belang van integraliteit Het groen heeft vaak een ondergeschikte plaats in een woonomgeving en het landschap. Bij de plan vorming van een nieuw woongebied is weinig ruimte gereserveerd voor groen. Groen heeft meestal uitsluitend een decoratieve functie. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat groen geen geld opbrengt, omdat de gronden met een groenbestemming niet verkocht kunnen worden. Integendeel, het groen wordt gezien als een kostenpost vanwege het benodigde steeds terugkerende beheer. Hierdoor is op veel plaatsen niet meer ruimte gereserveerd dan voor een smal haagje, kleine groenstrookjes of een boom in een boomspiegel van vaak slechts één vierkante meter. Als in een dergelijk woongebied op termijn vervolgens problemen ontstaan, bijvoorbeeld onveilige verkeersituaties of een tekort aan parkeerplaatsen, gaat de oplossing van deze problemen meestal ten koste van de hoeveelheid groen.
Zo wordt een al verharde woonomgeving nog meer verhard. Groen wordt niet als een autonome waarde gezien. In het landschap is eenzelfde houding te zien. Bij de aan leg van bijvoorbeeld nieuwe woongebieden richting het landschap, bedrijventerreinen en uitbreiding van agrarische bedrijven, gaat deze altijd ten koste van (landschappelijk) groen. Natuurlijk bestaan allerlei regelingen om dit verlies te compenseren, maar dat neemt niet weg dat veel landschappelijk groen en (potentiële) natuurterreinen in de loop der tijd zijn verdwenen. Tegenwoordig wordt de waarde en de noodzaak van goede groenvoorzieningen steeds meer onder kend en ook statistisch en wetenschappelijk onderbouwd (zie figuur 2). Voor een deel is deze noodzaak ook voor de burger voelbaar. Oorzaak is vooral de steeds duidelijker klimaatverandering. De laatste jaren zijn vaker hevige regenbuien waarbij in zeer korte tijd een grote hoeveelheid water op het aardop pervlak komt. Daarnaast zijn vaker hittegolven waarbij de temperatuur boven de 30^ komt met als gevolg hittestress en droogte. Steeds meer wordt ingezien dat het groen ook een economische waarde heeft. Leefgebieden met veel aantrekkelijk en functioneel groen zijn prettige gebieden om te wonen, te werken en te recreëren. Het groen zorgt in zulke gebieden voor een aangenaam leefklimaat en dat maakt dat het ook een economische en financiële waarde heeft.
Met groen kan een gemeente zich onderscheiden ten opzichte van omliggende gemeenten. 3.2. Belangen bij een integrale benadering Groen heeft raakvlakken met veel andere vakgebieden. Het groen heeft vaak een direct effect op het desbetreffende belang. De belangrijkste belangen worden in deze paragraaf aangegeven. 3.2.1. Groen en water Door de klimaatverandering ontstaan vaker hevige, intensieve regenbuien. De verwachting is dat het aantal intensieve regenbuien in de nabije toekomst toeneemt. Dit regenwater wordt in Neder land grotendeels via verhard oppervlak naar de riolering afgevoerd. Het huidig rioleringsstelsel is hier niet op berekend en zal dat in de toekomst steeds minder zijn. Dit wordt verergerd door het feit dat in de bestaande woongebieden en op bedrijfsterreinen veel verhard oppervlak aanwezig is zo als daken, wegen en parkeerplaatsen. Ook particuliere tuinen hebben tegenwoordig veel verhar ding in de vorm van terrassen, paden en opritten. Een open bodem heeft een grote sponswerking en kan relatief veel regen opvangen. Terwijl water op verharding en daken niet weg kan. Tijdens een hevige regenbui moet al het water dat op ver hard terrein komt via de riolering afgevoerd worden. Omdat de riolering dit niet allemaal kan ver werken, komt water op de straat te staan en ontstaat uiteindelijk wateroverlast. Het aantal van deze piekbuien neemt in de toekomst toe.
Het probleem kan gedeeltelijk opgelost worden door af te koppelen. Dat betekent dat regenwater en afvalwater gescheiden worden opgevangen. Er is
12 Bron: Groen Loont! - Over maatschappelijke en economische baten van stedelijk groen
23
één buis voor het regenwater en één buis voor het afvalwater. Hierdoor hoeft regenwater ook niet meer naar de waterzuiveringsinstallaties. Een enorme kostenbesparing op termijn. Het afkoppelen in bestaande woongebieden en bedrijfsterreinen vraagt een grote investering. Het is de vraag of de gemeente voldoende budget heeft om optimaal af te koppelen. Voor een groot deel kan de oplos sing voor dit probleem gezocht worden in vermindering van verharding, vergroening van daken en de aanleg van wadi’s of andere waterbuffers, zoals grindkoffers onder parkeerplaatsen. Op termijn krijgen particulieren waarschijnlijk de verplichting om het hemelwater, dat op hun perceel valt, zelf op te vangen. Dit water mag dan niet meer afgevoerd worden naar de riolering. Een wadi is een verlaagd gebied ingericht als een grasstrook of een plantstrook met aangepaste beplanting, waar het overtollige water in wordt opgevangen en het geleidelijk in de bodem kan fil treren. Een wadi is beloopbaar en kan dus bijvoorbeeld prima gebruikt worden als speelvoorziening. Bij droog weer staat een wadi droog, bij een hevige regenbui komt water in te staan en zakt het water langzaam in de bodem. Wel moet voor gezorgd worden dat een wadi niet te zwaar belast wordt om verdichting van de grond te voorkomen, waardoor het water minder goed infiltreert en de functie van de wadi vermindert. 3.2.2.
Groen en hittebestrijding In de toekomst zal in de zomer de temperatuur vaker boven de 30^ komen. Niet iedereen kan daar even goed tegen. De één zal daardoor minder kunnen slapen, een ander loopt het risico door oververhitting een hitteberoerte te krijgen. Nu al is het sterftecijfer tijdens een hittegolf 12o0o hoger dan in meer normale periodes. Hierbij lopen vooral de zwakkeren onder ons, zoals ouderen, baby’s en zieken een groter risico. Binnen de bebouwde kom is dit effect sterker dan in het buitengebied. In een grote stad is dit probleem natuurlijk nog sterker voelbaar. De temperatuur binnen de be bouwde kom kan al snel 2X hoger liggen dan in het buitengebied, maar op heel warme dagen kan dit verschil oplopen naar 5 tot 10X. Versteende gebieden nemen overdag meer warmte op dan dat zij ’s nachts afgeven. Verharde en donkere oppervlakken worden warmer dan groene. Menselijke activiteiten zoals mobiliteit en be drijvigheid genereren ook nog eens extra warmte. Groen heeft een sterk verkoelend effect. Onder de kruin van een boom kan de temperatuur 15X lager zijn dan op een paar meter afstand daar van. Bomen en vegetaties koelen de lucht door het leveren van schaduw en door verdamping van water via de bladeren. Er bestaat een lineair verband tussen groenareaal en hittebestrijding. Een toename van 1o0o vegetatie geeft al een vermindering van 0,06o0o van de temperatuurstijging.
Naast groen op de begane grond zijn ook vegetaties op een groen dak zeer effectief om de omge vingstemperatuur te verlagen. Boven een groen dak kan de temperatuur 40^ (!) lager zijn dan bo ven een gewoon dak. Een neveneffect van een groenere omgeving is dat het energieverbruik in een gebouw, nodig voor koeling, sterk afneemt. 3.2.3. Groen en gezondheid Nederland urbaniseert in rap tempo. Het aantal Nederlanders dat in steden en dorpen woont, stijgt. Tegelijkertijd staat het groen meer onder druk door de toenemende behoefte aan ruimtegebruik. Dit terwijl aanwijzingen toenemen dat de aanwezigheid van groen een positieve invloed heeft op de gezondheid van de stads- en dorpsbewoners. Deze bevindingen worden ondersteund door gecon troleerd onderzoek in binnen- en buitenland. Het vitamine G(roen)-onderzoeksprogramma (uitge voerd door Alterra Wageningen kennisinstituut voor de groene leefomgeving en NIVEL, het Neder lands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) toont een relatie tussen de hoeveelheid groen in de buurt en hoe gezond mensen zich voelen en zijn. Hoe meer agrarisch groen, parken of natuurlijk groen in de vorm van heide of bos, des te gezonder voelen burgers zich. Bewoners uit een groene buurt brengen minder vaak een bezoek aan de huisarts.
Depressie, aan doeningen aan de luchtwegen, diabetes, hoge bloeddruk, hartklachten, rug- en nekklachten, ademhalingsproblemen, darmstoornissen, migraine en duizeligheid worden minder gerapporteerd in groene woonomgevingen. De gevonden relaties blijken het sterkst bij kinderen, jongeren, oude ren en mensen met een lage sociaaleconomische status. Hierbij is niet alleen de kwantiteit, maar ook de kwaliteit van het groen van belang. In buurten waar een hoge kwantiteit wordt gecombi neerd met een hoge kwaliteit van het groen, is de gezondheidswinst het grootst. 24
In groene wijken komt bij kinderen 1507o minder overgewicht voor. Deze positieve relatie tussen de aanwezigheid van openbaar groen en minder kinderen met obesitas is van groot belang, want overgewicht en obesitas brengen op termijn een verhoogd risico op sterfte en ziekten met zich mee. Bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, diabetes, klachten aan het bewegingsapparaat en psycho sociale problemen. Deze klachten nemen toe in Nederland en brengen hoge kosten met zich mee. Voor Nederland worden de directe kosten van overgewicht geschat op 3 tot 50Zo (0,5 tot 1 miljard euro per jaar) van het gezondheidsbudget. De indirecte kosten in de vorm van ziekteverzuim, ver loren arbeidsjaren, uitkeringen en dergelijke bedragen ongeveer 2 miljard euro per jaar. Aangetoond is dat patiënten in zieken- en verpleeghuizen in een groene omgeving zich beter voe len en sneller herstellen dan patiënten in een stedelijke omgeving. Een groene omgeving levert een flinke kostenbesparing op. 3.2.4. Groen en welzijn Welzijn is een gevoel van welbevinden, door sommigen ook beschreven als geluk. Met welzijn wordt bedoeld dat het zowel lichamelijk, als geestelijk, als sociaal goed gaat met een persoon. Welzijn staat daarbij los van welvaart. De overheid vraagt in toenemende mate aan haar burgers om te participeren in de samenleving.
Zij beschouwt burgerparticipatie als een manier van werken, waarbij de gemeente burgers en andere belanghebbenden betrekt om in een zo vroeg mogelijk stadium mee te denken en samen te werken bij de planvorming inzake projecten en beheer die di rect of indirect invloed hebben op de leefomgeving. Zo stimuleren gemeenten inwoners om op vrij willige basis een deel van het onderhoud in de groenvoorzieningen op zich te nemen. Inwoners worden zich daardoor meer bewust van hun omgeving en gaan zich daarvoor ook meer verant woordelijk voelen. Daarnaast zien zij beter hoe het gaat met hun buren, ouderen of mensen met een beperking in de omgeving. Met andere woorden: de sociale cohesie wordt groter. Met als re sultaat een groter welzijn. In een groene omgeving is veel gelegenheid voor kinderen om te spelen. Dit bevordert de sociale en motorische ontwikkeling, nog afgezien van het feit dat de kans op overgewicht daalt. Voor de oudere mens is een groene omgeving zelfs helend. Er gaat een therapeutische werking uit van zachte voelplanten en kruiden met verschillende geuren en kleuren. In Alzheimertuinen, waar een “oneindig” pad is aangelegd, blijkt dit ideaal te zijn voor inwoners met loopdwang. Het welbevinden van deze mensen wordt zo sterk vergroot.
Door groen in de woonomgeving worden inwoners ge stimuleerd om naar buiten te komen voor een ommetje, de hond uitlaten en te genieten van het mooie weer in het park. Hierbij ontmoeten zij weer andere mensen, waar zij eventueel een praatje mee kunnen maken. Hierdoor wordt de kans op eenzaamheid minder. 3.2.5. Groen en milieu CO2-uitstoot is de grootste veroorzaker van het huidige broeikaseffect. CO2 komt vrij door de grootschalige verbranding van fossiele brandstoffen. Groen zet CO2 om in zuurstof en kan op deze manier de CO2-uitstoot verkleinen. Het groenareaal, in de vorm van landschap, natuur maar ook groenstroken binnen de bebouwde kom, is echter afgenomen. Wereldwijd is dit eveneens gebeurd door grootschalige ontbossing. Mede hierdoor is het aandeel CO2 in de lucht toegenomen met als gevolg een toename van de temperatuur. Dit veroorzaakt op zijn beurt weer schade aan het milieu en de natuur. Door zuinig om te gaan met het huidige groen, in welke vorm dan ook, en een toe name van het groenareaal kan dit tegen worden gegaan. De luchtkwaliteit binnen de bebouwde kom en langs snelwegen laat zeer te wensen over. Naar schatting sterven in Nederland per jaar 2.300 tot 3.500 mensen door blootstelling aan piekconcentraties van fijnstof. Dit is exclusief de oversterfte door blootstelling gedurende een heel leven. Deze oversterfte wordt geschat op 12.000 tot 24.000 mensen per jaar.
Verbetering van de luchtkwaliteit wordt vergemakkelijkt als je bedenkt dat alle planten en vegetaties fijnstof en gasvormige veront reiniging uit de lucht verwijderen, ongeacht de groeiplaats. Bomen zijn het meest effectief in het vastleggen van schadelijke stoffen. In algemene zin neemt de effectiviteit af van bomen, via hees ters en kruidachtigen naar gras. Opmerkelijk daarbij is dat grote bomen veel meer (tot wel zeventig maal) meer fijnstof opnemen dan kleine bomen. Grotere bomen hebben meer blad en een grotere bedekkingsgraad (kroonprojectie). Het grote belang van de bedekkingsgraad is gebleken uit diver se onderzoeken. Dit houdt in dat het gemeentelijk beleid meer gericht moet zijn op de kwaliteit van
25
-.y
Foto 3. Ook in Eersel treedt verstening op. Dit leidt tot hittestress en wateroverlast.
ŜĄs? iţlík.
"mWF-.
-v
àrį-f
. «XX-: .-■-vasBIK
ŕSPgįįS
. ipĩŴtļi
'.įÿ.íş
a :vv‘*
,v.v?^v''
stíS!.\
ţSţS».: - :
‘■:V X
jġį.íĒ
-A-Cí® iŵŵř*-
'ļ?'-~1à»İŽWİÉť nr
v W
m. fli* - ô»^ I
W**Ä
Foto 4. Recreatie in de bossen van Eersel.
26
de bomen dan op het aantal. Verder geldt dat groenblijvende plantsoorten gedurende het jaar meer verontreinigingen verwijderen dan niet groenblijvende soorten. De economische waarde van de afvang van fijnstof geeft een besparing van luchtzuiveringskosten van C 40,00 per boom per jaar op een druk verkeerspunt binnen de bebouwde kom, de afvang van gasvormige verontreiniging wordt geschat op circa C 1,00 per boom per jaar. De waarde van vast legging van het broeikasgas wordt geraamd op C 0,18 per boom per jaar. De geschatte kosten zijn kosten van maatregelen die gemaakt moeten worden om een verontreiniging op vergelijkbare, kunstmatige wijze te verwijderen. Vergroening van de leefomgeving verbetert de luchtkwaliteit op een goedkope, duurzame en effectieve wijze. Bronbestrijding van fijnstof en vervuiling blijft natuur lijk het belangrijkst. Het treffen van groenmaatregelen is slechts een aanvulling om de luchtkwaliteit binnen de bebouwde kom en langs snelwegen te verbeteren. 3.2.6. Groen en recreatie Nederland verstedelijkt steeds meer. Dit gaat ten koste van groen in de vorm van bos, hei, land bouw, natuur en groenvoorzieningen binnen de bebouwde kom. Recreatie is nog altijd één van de snelst groeiende sectoren in Nederland. Goede groene recreatievoorzieningen kunnen vertaald worden in economische kansen.
Veel mensen hebben behoefte om rustig te kunnen wandelen, te fietsen en op een terras wat te drinken en te eten. Dit geldt vooral voor de inwoners van de grote steden. Veel inwoners van Eindhoven zijn daarvoor aangewezen op de groene randgemeenten, zoals Eersel. Onderzoek en enquêtes geven aan dat de meeste Nederlanders natuur en milieu nog steeds be langrijk vinden en dat ze dit zelfs steeds belangrijker vinden worden. Vooral de vraag naar bos in de buurt is groot. Het is daarom beleid van gemeente Eersel zorgvuldig met haar bossen om te gaan. Een groene, aantrekkelijke omgeving in de buurt van een grote stedelijke agglomeratie (Eindhoven en omgeving) waarin gerecreëerd kan worden, biedt veel kansen voor de vestiging van horeca, maneges, campings, boerencampings, bed en breakfasts, hotels, (boeren) golfterreinen, kinder-educatievoorzieningen, bezoekerscentra, outdoor sport en evenementen. Deze voorzienin gen genereren allemaal werkgelegenheid. Daarnaast worden belastingen ingehouden op een deel van de winst. Eersel verdient hieraan via de toeristenbelasting, de OZB (onroerende zaak belas ting) op de bedrijfspanden, leges en op vergunningen. Geconcludeerd kan worden dat voor Eersel het economisch en financieel belang van een aantrekkelijke, groene omgeving met recreatiemoge lijkheden groot is. 3.2.7.
Groen en economie Na de kredietcrisis, die vooral een vastgoedcrisis was, omdat al dat krediet gebaseerd was op vastgoed, zit de woningmarkt nu weer in de lift. De vraag naar woningen in een aantrekkelijke wijk met goede voorzieningen in een groene omgeving stijgt. Hierbij geldt vooral het adagium: locatie, locatie, locatie. In Nederland is met name de relatie tussen omgevingskenmerken, en dan vooral groen, en de woningprijs onderzocht. Deze onderzoeken concluderen dat woningen met groen in de buurt 40Zo tot 30oZo meer waard zijn in vergelijking tot hetzelfde woningtype in een niet groene omgeving. De hoogste waardetoevoeging wordt gerealiseerd door de nabijheid van toegankelijke, hoogwaardige natuur. Woningen met een hoge waarde hebben ook een hogere OZB-waarde, wat weer gunstig is voor de gemeente. Verder blijkt dat in wijken waar veel groen aanwezig is, de criminaliteit 420Zo lager is dan in wijken waar groen ontbreekt. Ook de veiligheid is hoger in een groene wijk, deze stijgt van 860Zo naar 89,30Zo. Iedere afname van het aantal woninginbraken levert een maatschappelijke jaarlijkse bespa ring op. De mate van deze besparing is afhankelijk van de mate van vergroening en de vorm waar in dit gebeurt. Groen heeft ook invloed op de sociale cohesie in de buurt. In combinatie met bank jes en parkjes nodigt groen mensen uit tot gesprekken en samenkomen.
Inwoners kennen elkaar, waardoor de sociale controle toeneemt en criminaliteit afneemt. De maatschappelijke participatie in deze wijken is bovendien hoger wanneer het gaat om het organiseren van buurtactiviteiten en on derhoud van wijken. Openbaar groen, vooral de parkjes, heeft een sociaaleconomische functie.
27
3.2.8. Groen en energie Eersel heeft in het duurzaamheidsbeleid aangegeven in 2025 energieneutraal te willen zijn. Groen kan hierbij een rol spelen. Groen heeft namelijk een isolerende werking, zowel qua temperatuur als geluid. Daarbij valt te denken aan een groen dak dat beter isoleert, maar ook aan beplanting naast gebouwen. Een goed geplaatste windsingel schermt gebouwen (woningen) af van de harde, koude wind. Hierdoor wordt de uitwisseling van warmte tussen woning en de omgeving verminderd. Een adequate aangelegde beplanting kan tot 100Zo energiewinst in de aangrenzende woningen leiden, zelfs als deze al optimaal geïsoleerd zijn. In de zomer treedt een besparing op de energiekosten voor de airco. De isolerende werking van een groen dak wordt steeds bekender. Een groen dak gaat ook goed samen met de energieproductie in de vorm van zonne-energie. Planten gebruiken wel 7007o van de instraling van de zon om water te verdampen en voor fotosynthese waardoor de temperatuur boven een dergelijk dak 40 ^ lager kan zijn dan bij een regulier dak. Daarnaast ver betert de demping van de temperatuurstijging door dakgroen de werking van de meeste zonnepa nelen. Deze werking neemt namelijk af met 0,50Zo voor elke graad Celsius boven de optimale werktemperatuur van 25X.
Verder verdient de investering in een groen dak zich binnen een paar jaar terug, door de genoemde energiebesparing en doordat een groen dak langer meegaat dan een re guliere dak. 3.3. Voordelen bij een integrale benadering Onderzoeken naar de maatschappelijke kosten en baten van al deze aspecten zijn pas enkele decennia geleden gestart, toch wijzen alle onderzoeksresultaten in de richting dat bij een doordachte en zorgvul dige aanleg en beheer van natuur- en groenvoorzieningen veel winst is te behalen voor vele aspecten zoals gezondheid, welzijn, klimaatveranderingen, recreatie, energie en economie. Al deze aspecten ondervinden een positief effect als in de leefomgeving een hoge kwantiteit groen met een hoge kwaliteit aanwezig is. De komende jaren zullen de directe relaties tussen deze aspecten en groen steeds beter wetenschappelijk onderbouwd worden evenals de maatschappelijke baten en lasten. Het is daarom van belang de ontwikkelingen goed te volgen en daarop in te spelen. Tussen de verschillende aspecten bestaan eveneens relaties. Een voorbeeld hiervan is: een goede luchtkwaliteit heeft invloed op het welzijn van mensen, maar ook op de gezondheid met als direct ge volg een besparing op diverse financiële gezondheidskosten.
Dit laat de complexiteit van deze materie, de noodzaak van een interdisciplinaire aanpak en de communicatie tussen de verschillende vakgebie den zien. Het zal in toenemende mate nodig zijn dat een vakdiscipline over zijn eigen schaduw stapt. Gezien de complexiteit en de toename van de problemen door de klimaatverandering en de toename van het inwonersaantal in Nederland, is het belangrijk om deze interdisciplinaire aanpak te hanteren. Om de meerwaarde van groen meer naar voren te laten komen zijn verschillende rekenmethodes be dacht, zoals de TEEB-stad tool van het ministerie van Economische Zaken. Met deze methode, die online vrij toegankelijk is, is specialistische kennis over het berekenen van waarde van groen en water toegankelijk gemaakt voor een groot publiek. Zo kan duidelijk gemaakt worden hoe de verschillende baten (berekeningen) tot stand komen. Met deze mkba’s (Maatschappelijke Kosten en Baten Analyse) wordt inzicht verkregen die een eerste stap kunnen zijn naar een gezamenlijk verdienmodel. Het zet mensen aan tot denken over de waarde van groen en natuur. Op dit moment geven deze berekeningen elders in Nederland al aan dat aanzienlijke positieve maatschappelijke effecten te verwachten zijn. De ze waren in sommige gevallen 1,5 tot 2 maal hoger dan de kosten. Hieruit blijkt al dat groen loont.
Eersel wil in 2018-2019 een tweetal mkba’s uitvoeren, waarin de relatie groen met hemelwateropvang en de relatie tussen groen en onroerend goed wordt uitgewerkt. Hiervoor worden digitale open data als bron gebruikt. Gemeente Eersel heeft een maaiveldanalyse uitgevoerd om de effecten van extreme neerslag inzichtelijk te maken. Afwateringsrichtingen op maaiveldniveau zijn tijdens deze neerslagextremen op een kaart gevisualiseerd door stroombanen aan te geven (de zogenaamde WOLK-kaart). Het geeft een waardevol beeld over de problematiek van overtollig water op straat in relatie tot de ver wachte klimaatveranderingen. Ook geeft het een beeld op welke locaties het zinvol is om bovengrondse maatregelen te treffen. Het beleidsplan Groen Loont zet in op groene bovengrondse maatregelen. Een kaart wordt gemaakt waarop het groenareaal en de hemelwaterstroombanen bij extreme neerslag zijn samengevoegd. Het is de bedoeling om in beeld te brengen waar groen overtollig hemelwater in de toekomst kan opvangen of wellicht al opvangt. Deze informatie is vervolgens bruikbaar om een mkba uit te voeren om inzichtelijk te maken wat groen ruimtelijk en financieel kan betekenen in de hemelwaterproblematiek. 28
Een andere analyse is het in beeld brengen van het areaal groen in relatie tot de waarde van onroerend goed. Of concreet gezegd: welke invloed heeft het areaal groen op de waarde van huizen in de ene wijk ten opzichte van de andere wijk? Door letterlijk factoren zoals het areaal groen, de gemiddelde perceelsgrootte en de huiswaarde in kaart te brengen, is informatie beschikbaar om een mkba uit te voeren op de relatie tussen groen en onroerend goed. De uitkomsten van deze mkba’s zijn vervolgens uitgangspunt voor het treffen van maatregelen. Deze twee mkba’s dienen tegelijkertijd als pilot in het Kempische project Datagedreven Kempengemeenten.13 De wens is om groen steeds vaker in te zetten als deel van de oplossing bij diverse maatschappelijke vraagstukken, aangemoedigd door concrete voorbeelden vanuit het stedelijk gebied (Bade et al, 2011). De pilot met de twee uit te voeren mkba’s is bedoeld om ook in Eersel ervaring mee op te doen.
13 Bron: Startnotitie Datagedreven Kempengemeenten
29
4. Landschap We realiseren het ons vaak niet wanneer we gehaast van het ene dorp naar het andere dorp rijden of fietsen, maar als we ons wat meer tijd geven en om ons heen kijken, verzuchten we vaak “wat is het hier toch mooi en zo groen”. Maar wat betekent dat mooi en groen zijn en hoe kunnen we dat dan be houden en versterken? Hoe kunnen we dit “mooie” landschap ook voor de volgende generatie in stand houden? Met dit beleidsplan willen we daar een aantal handvaten voor geven. Eersel heeft een bijzon der mooi buitengebied met diverse bos- en natuurgebieden die het leefgenot van haar inwoners ver groot. Er zijn echter allerlei ontwikkelingen die dit leefgenot onder druk zetten. Zo zijn er agrarische bedrijven die willen uitbreiden, is er vraag naar bedrijfsterreinen en woningen. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op het landschap. De vraag hierbij is wat willen we behouden, wat en hoe willen we vernieuwen en versterken. Hierbij richt Eersel zich met name op kwaliteitsverbetering waarin de menselijke maat, verscheidenheid van landschap en een duurzaam gebruik van natuur en landschap centraal staan. 4.1. De landschappelijke deelgebieden In beleidsplan Groen Loont betreft het thema Landschap het landelijk gebied, het gebied buiten de be bouwde kom.
Dit landschap is opgebouwd uit verschillende bouwstenen: agrarisch gebied, kleine en grote bos- en natuurgebieden, open water, vennen, poelen, beken, singels, houtwallen en solitaire bo men. Ensembles van deze bouwstenen vormen een aantal landschapstypen die we in Eersel kunnen onderscheiden. Deze landschapstypen zijn al kort aangetipt in paragraaf 2.1 en worden in deze para graaf nader uitgelicht. De verdeling van deze landschapstypen is te vinden in de landschapsstructuurkaart (bijlage A). 4.1.1. Oude cultuurgronden (essen-kampenlandschap) Het essen-kampenlandschap is een coöperatief landschap. De ontginningen werden in de vroege middeleeuwen door enkele families gezamenlijk uitgevoerd op de rijkste gronden. De minder rijke gronden bleven bebost. Een ontgonnen blok werd verdeeld onder de families. Na een nieuwe ont bossing van een blok werd dit opnieuw verdeeld. Dit gaf als resultaat veel smalle (van 8 tot 20 m) en langgerekte (200 tot 400 m) kavels. Op de es zelf vindt men nooit een weg. De essen waren zo gesitueerd, dat ze minstens aan één kant aan de weg lagen. Ter afbakening van de akkers werden de percelen omheind met beplanting. Een omheind perceel werd kamp genoemd. Het landschap met zulke kampen wordt daarom ook kampenlandschap genoemd. De naam de “Kempen” is daar van afgeleid.
De mensen hielpen elkaar met de landbouwwerkzaamheden, zij waren zeer afhanke lijk van elkaar. In de 13e en 14e eeuw nam de bevolking zodanig toe dat intensivering van het ge bruik van de akkers nodig was. De grond was echter arm. Boeren brachten daarom heideplaggen vermengd met de mest van schapen, opgevangen in de stal (potstalbemesting), op de akkers. Eeuwenlange bemesting zorgden dat de akkers steeds hoger werden met een vrij steile rand. De ze bolle akkers zijn op enkele plaatsen rondom Vessem en Knegsel nog in het landschap te zien. Bolle akkers zijn vanuit cultuurhistorisch, archeologisch en landschappelijk oogpunt zeer waardevol. Om de gewassen te beschermen tegen wildvraat en wind, werden bolle akkers omgeven door een wildgraaf, een wal met aan weerszijden een greppel. De wal was begroeid met soorten zoals eik, meidoorn en braam. Het oude kampenlandschap is nog op slechts enkele plaatsen herkenbaar. De glooiingen van de akkers zijn soms nog wel zichtbaar, maar de openheid van de bolle akkers of de houtwal/ -singel is verdwenen. 4.1.2. Beekdallandschap De boeren hadden vroeger gemengde bedrijven, akkerbouw op de bolle akkers en vee langs de lager gelegen beken. Deze beken hadden een meanderende loop, de oeverzones bestonden uit grasland en werden begrensd door hogere terreindelen.
De oevers werden gebruikt als hooi- en weiland en waren veel natter dan de hoger gelegen akkers. De veelal kleine grasperceeltjes wer den begrensd door lijnvormige beplantingen, bestaande uit heesters en bomen loodrecht op de beek. Vanaf de 20e eeuw zijn veel beekdalen ingrijpend aangepast door het rechttrekken van meanders, het plaatsen van stuwen, ruilverkaveling en het in gebruik nemen van grond voor akkerbouw. De kavelgrensbeplantingen verdwenen en daarmee de karakteristieke kleinschaligheid en besloten 30
heid. Het oorspronkelijke beekdallandschap is nagenoeg geheel verdwenen in Eersel. De afgelo pen jaren zijn verschillende projecten gestart om het beekdallandschap op diverse plaatsen te her stellen. Bij de Gender, de Bruggenrijt en het Kleine Beerzegebied rondom Duizel en ten zuiden van Vessem zijn deze herstelwerkzaamheden afgerond. In 2017-2018 wordt de Kleine Beerze ten noorden van Vessem aangepakt. Het waterschap de Dommel is bezig met plannen voor een nieuw beekdallandschap rondom de Run. Het oorspronkelijke beekdallandschap wordt met deze pro jecten niet gerealiseerd, maar wel wordt rondom deze beken het oorspronkelijke karakter van dit landschapstype zichtbaar gemaakt. Dit is een grote aanvulling op het huidige landschap, het ver groot de diversiteit van de ruimtelijke kwaliteit en de biodiversiteit. Daarnaast heeft het beekdal landschap betekenis voor de recreatie en de opvang van water. 4.1.3. Heideontginningslandschap Rond 1900 werd door de opkomst van kunstmest en de mechanisatie van de landbouw het moge lijk om de woeste gronden, ofwel heide, te ontginnen. Deze gronden werden tot dan toe gebruikt voor de beweiding door schapen. Deze ontginningen en de latere ruilverkavelingen zijn in het land schap goed te zien als grootschalige gebieden met een rationeel-blokvormige verkaveling met ver spreide boerderijen. 4.1.4.
Bossen en natuurgebieden In de periode van de heideontginning werden de armste heidevelden en de lokaal aanwezige zandverstuivingen (de zogenaamde woeste gronden) bebost om zo te kunnen voldoen aan de vraag naar mijnhout. De boskernen bevatten ongeveer 250Zo van het buitengebied van Eersel en zijn grotendeels eigendom van de gemeente. Een gedeelte daarvan is in erfpacht gegeven bij Staatsbosbeheer. Daarnaast bezitten Staatsbosbeheer, gemeente Veldhoven, Natuurmonumenten en Brabant Landschap eveneens bospercelen. Al deze partijen, inclusief gemeente Eersel, hebben bosvisies, bosnota’s en/of beheerplannen opgesteld. Deze gebieden vallen daarom buiten dit be leidsplan. Een behoorlijk groot areaal bos is in handen van particulieren. Deze zijn niet georgani seerd en hebben geen visies of beheerplannen. Een regionale samenwerking tussen particulieren en overheidsorganen ontbreekt op dit moment. Sommige bossen zijn aangegeven als natuurge bied, maar ook buiten de bossen zijn diverse natuurgebieden in het hedendaagse landschap aan wezig. Het inrichten van een aantal gebieden in beekdallandschappen in Eersel als natuurgebied is hiervan een bekend voorbeeld. 4.2. Overige groene elementen In de landschapstypen, die hele gebieden omvatten zoals hierboven beschreven, bestaan vele land schappelijke elementen die eveneens groene dragers van het landschap zijn.
Hierbij moet gedacht worden aan bosjes, houtwallen, singels, wegbeplantingen, solitaire bomen, erfbeplantingen, bermen en sloten, landbouwgebieden en landgoederen. Deze elementen zijn voor een deel in eigendom van de gemeente, een groot deel is echter particulier eigendom. Verschillende groene elementen worden hier in het kort beschreven. 4.2.1. Bosjes De bosjes hebben in het algemeen een oppervlakte kleiner dan 5 ha en zijn voor het grootste deel jong (geschat 40 tot 70 jaar). De hoofdboomsoort is zomereik met daarnaast berk en/of grove den. De bosjes hebben een hoge potentiële ecologische waarde, doordat soms zowel een boomlaag (bestaande uit verschillende soorten) als een struik- en kruidlaag aanwezig zijn. Hierdoor is structuurvariatie aanwezig en dit creëert weer leefgebied voor diverse plant- en diersoorten. Deze po tentiële waarden moeten geoptimaliseerd worden door een aangepast beheer. Hierbij moet vooral aandacht komen voor de struiklaag. In slechts 1307o van de bosjes is een goede struiklaag ontwik keld. Het beheer van de bosjes is ondergebracht bij het bosbeheer in de Bosnota. 4.2.2. Houtwallen en singels Houtwallen zijn in het landschap herkenbaar als aarden wallen met daarop beplanting. Deze ko men alleen voor in de omgeving van Knegsel. Deze historische wallen zijn nog maar deels in tact.
De wallen zijn onderzocht en in kaart gebracht door de Heemkundevereniging “de Hooge Dorpen”. De aan de Antwerpse Baan gelegen wal is opgeworpen op een oude akker die vermoedelijk uit de Karolingische periode (750-900 na Christus) stamt. De wal zelf stamt waarschijnlijk uit de 13e eeuw, omdat in die tijd de perceelsafbakening met wallen verplicht was. De andere wallen marke ren verschillende ontginningsperiodes in de geschiedenis van Knegsel 31
Functies van houtwallen waren: » Eigendomsbewaking » Afscheiding tussen een zandweg en een perceel grond » Het buiten de akkertjes weren van wild » Het tegengaan van zandverstuivingen. Singels zijn houtwallen waarvan de aarden wal ontbreekt. De meeste singels in Eersel zijn slechts 40 tot 70 jaar oud, slechts een paar zijn ouder. De meest voorkomende boomsoort is zomereik met hier en daar wat berk. De meeste singels zijn aangeplant na een ruilverkaveling. Singels en hout wallen kunnen gezien worden als een vorm van bosranden met slechts een beperkte waarde voor echte bosplanten en -dieren. Wel hebben ze een belangrijke functie als verbindingsweg voor ver schillende andere dier- en plantensoorten die niet specifiek van bossen afhankelijk zijn. Deze soor ten maken normaliter ook gebruik van de gebruikelijke bosranden langs bossen. Dieren kunnen zich via de singels gemakkelijk verplaatsen. Hierdoor kunnen goed ontwikkelde houtwallen en sin gels een hoge ecologische waarde hebben. 4.2.3. Wegbeplantingen Langs vele verbindingswegen in Eersel zien we een wegbeplanting. Deze bestaat voornamelijk (meer dan 800Zo) uit zomereik. Op enkele plaatsen zien we ook beuk, linde of berk. Wegbeplantin gen hebben vooral een landschappelijke en cultuurhistorische betekenis, omdat zij het landschap maat en schaal geven. Zij benadrukken meestal historische lijnen zoals oude routes en grenzen.
De ecologische waarde van veel huidige wegbeplantingen is beperkt, doordat vaak geen onderbegroeiing aanwezig is en op vele plaatsen de bermen niet ecologisch beheerd worden, zodat een goede kruidlaag zich niet kan ontwikkelen. Voor vogels (zoals vinkachtigen, kraaiachtigen, roofvo gels en duiven) vormen de bomen broedplaatsen en zang- of uitkijkposten. In oude lanen met een rustige ligging komen holenbroedende vogels (zoals holenduif, mezen, spechten en vliegenvan gers) voor. Vleermuizen gebruiken lanen als vliegroute en jachtgebied en holten in oude bomen als verblijfplaats. 4.2.4. Solitaire bomen In het buitengebied van Eersel komen nog maar weinig solitaire bomen in het landschap voor. Op de oude cultuurgronden rondom Wintelre komen ze het meeste voor. Vaak zijn het restanten van oude singels of zijn het grensbomen. Verreweg de meeste solitaire bomen zijn zomereiken. Het blijkt dat de laatste jaren veel solitaire bomen verdwijnen door agrarische handelingen. De land schappelijke waarde van deze bomen is afhankelijk van de soort, het formaat en de leeftijd van de boom. Daarnaast hebben de bomen ook een ecologische waarde als zangpost of uitkijkpost voor vogels of als oriëntatiepunt voor vleermuizen. 4.2.5. Erfbeplantingen Erfbeplantingen zorgen dat woningen in het buitengebied en agrarische gebouwen worden opge nomen in het landschap.
Zij zorgen dat de veelal grootschalige agrarische gebouwen, die vaak een zakelijke, bedrijfsmatige vormgeving hebben, niet te dominant zichtbaar aanwezig zijn in het land schap. Door deze beplanting behoudt het landelijk gebied zijn aantrekkelijke landschappelijke uit straling. 4.2.6. Bermen en sloten Eersel heeft ongeveer 135 ha bermen en sloten in eigendom en beheer. De bermen en sloten vormen linten in het landschap. Zij bestaan uit onbemest grasland en plantsoorten van de arme zandgronden. Op relatief korte afstand van elkaar komen hier verschillende biotopen voor: be schaduwde bermen met laanbomen, zonnige droge wegkanten, vochtige slootoevers, afgeroofde bermen, bermen met opgebrachte grond, met bloemzaad ingezaaide bermen en kale bermen. Door deze biotopen met hun bijbehorende flora vormen de bermen en sloten ecologische verbindingszones voor flora en de kleinere diersoorten of kunnen als zodanig functioneren. Daarnaast is bekend dat de bermen belangrijk zijn voor de wilde bijen en vlinders. Bijen zijn belangrijk voor de bestuiving van vele planten en teeltgewassen.
32
4.2.7. Landbouwgebieden Het buitengebied bestaat grotendeels uit landbouwgebieden. Deze zijn voor het overgrote deel in particulier bezit. Eersel bezit slechts 250 ha die verpacht worden aan boeren die hiervoor belang stelling hebben. De landbouwgronden bestaan grotendeels uit akkers en grasland, daarnaast zijn op diverse plekken de laatste decennia ook boomkwekerijen gekomen. Door de intensieve bemes ting en bestrijding van ziekten en plagen hebben de landbouwgebieden geen betekenis voor de biodiversiteit. De boomkwekerijen hebben een grote invloed op het landschap. Ze onttrekken onder andere veel grondwater door de benodigde beregening van gekweekte bomen. Dit gaat ten koste van de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied. 4.2.8. Water Op het grondgebied van Eersel is op diverse locaties oppervlaktewater aanwezig zoals de verschil lende aanwezige beken. Deze beken hebben grote landschappelijke waarde en zijn belangrijk als ecologische verbindingszone. Het Groot- en Kleinmeer is een Natura2000 gebied. Verder zijn er in het buitengebied de vennen Hoaneven, Rouwven en Lijsterven en een tweetal recreatieplassen bij het E3 strand en Ter Spegelt aanwezig. Deze vennen en plassen zijn omgeven door bossen of houtsingels en niet zichtbaar vanaf de openbare weg. 4.2.9. Landgoederen De provincie stimuleert initiatieven voor nieuwe landgoederen in Brabant, ook in Eersel.
Onder een nieuw landgoed wordt verstaan: “Een functionele eenheid, bestaande uit bos of andere natuur al dan niet met agrarische gronden met een productiedoelstelling. Vormen van bos- en landbouw kunnen onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering. Het landgoed omvat minimaal tien hectaren grond en is voor 900Zo openbaar toegankelijk. Op het landgoed staat een woonhuis met tuin van al lure en uitstraling. Als ruimtelijk kenmerk geldt dat er een raamwerk van wegen, waterlopen, lanen en singels is, waarbinnen de verschillende ruimtegebruiksvormen zijn gerangschikt. Het geheel is een ecologische, economische en esthetische eenheid waarvan de invulling is geïnspireerd door het omringende landschap, de cultuurhistorie en de bestaande bebouwing.” Een nieuw landgoed heeft idealiter een meerwaarde voor natuur en ecologie, recreatie, cultuurhistorie en landschap, beeldkwaliteit en kent een goede inpassing van het nieuwe “rood”. In Eersel kennen we de volgen de nieuwe landgoederen: » Landgoed De Zandhoef » Landgoed Heijbroeck » Landgoed Duysels Hof » Landgoed De Roten » Landgoed De Panberg (nog in voorbereiding) 4.3. Knelpunten beeldkwaliteit van het landschap In het landschap zijn de volgende knelpunten te zien: » Veranderingen in het grondgebruik. Hierbij zien we op de nattere gedeeltes akkerbouw en op de drogere gedeeltes veeteelt.
De boer volgt niet meer de natuurlijke omstandigheden, maar richt zich op de meest zakelijke oplossing die hij/zij verwacht. Door de klimaatveranderingen kunnen daardoor in de toekomst grote problemen ontstaan. » Een aantal agrariërs gaat over naar de teelt van coniferen. Deze teelt komt van oudsher hier niet voor en tast het oorspronkelijke landschapsbeeld aan. » Het ontstaan van grootschalige (niet) agrarische bedrijven in kleinschalige gebieden. » De afwezigheid van erfbeplanting rondom agrarische bebouwing. » Rommelige dorpsranden. » Het verdwijnen van landschappelijke elementen en solitaire bomen. » Het geleidelijk illegaal in gebruik nemen van gemeentelijke landschappelijke beplantingen voor landbouwkundige doeleinden. » Monotone wegbeplantingen. » De sterke achteruitgang van de biodiversiteit in het buitengebied, met name op de landbouwpercelen. » Lichtvervuiling door wegverlichting en stallen. » Geen duidelijk beheer voor met name de landschappelijke elementen.
33
4.4. Beleidsdoelen De landschappelijke kwaliteiten in het buitengebied worden door de inwoners van Eersel bestempeld als hoog. Voor het thema Landschap wordt aangegeven hoe de landschappelijke kwaliteiten worden behouden en versterkt en hoe ruimtelijk beleid en ontwikkelingen daaraan kunnen bijdragen. In dit be leidsplan zijn de doelen voor het landschap: » Sturing geven aan het integraal ruimtelijk beleid van de gemeente Eersel. Het vormt een “on derlegger” voor integrale ruimtelijke plannen, zoals de structuurvisie en het bestemmingsplan. » Het herstel, het behoud en de versterking van landschappelijke kwaliteiten voor een aange naam woon- en leefklimaat. Dit wordt gerealiseerd door concrete richtlijnen over hoe de beeld kwaliteit van erven, agrarische bebouwing, recreatieterreinen en dorpsranden te verbeteren. Tevens wordt aandacht besteed aan de toegankelijkheid van het landschap vanuit de kernen. » Ruimte en vorm geven aan de dynamiek van het buitengebied van Eersel aan de hand van randvoorwaarden en richtlijnen voor een zorgvuldige inpassing van nieuwe ontwikkelingen, zo als: woningbouw in het buitengebied, nieuwe infrastructuur, natuurontwikkeling, recreatie en toerisme. » Het opstellen van een uitvoeringsplan dat kaders geeft voor de realisatie van ruimtelijke pro jecten en voor duurzaam landschapsbeheer.
Waar mogelijk wordt dat gedaan in samenwerking met particulieren. Het uitvoeringsplan geeft tevens aanknopingspunten om prioriteiten te stellen, zoals de aanpak van bepaalde zoekgebieden en de keuze voor aanleg en herstel of het beheer van landschapselementen. Een belangrijk beleidskader hiervoor is de subsidieregeling Groen Blauwe Stimuleringskader (Stika), zie ook hoofdstuk 7. » Realisatie van draagvlak door zorgvuldige communicatie. De inzet van de klankbordgroep met vertegenwoordigers van diverse belanghebbenden (agrariërs, inwoners, natuurgroepen en cul tuurhistorie) bij de realisatie van dit beleidsplan, is al een concreet voorbeeld van creëren van draagvlak. Hun inbreng is in het plan herkenbaar. Dit beleidsplan bevat tevens een aanpak voor het stimuleren van de aanleg van erfbeplantingen en landschappelijke beplantingen. 4.5. Uitvoering landschappelijke ontwikkelingen in de verschillende deelgebieden Bij ontwikkelingen in het buitengebied dient rekening gehouden te worden met de onderstaande streef beelden van de landschapstypen in Eersel (zie ook bijlage A). Op deze wijze worden de aanwezige landschapskwaliteiten gerespecteerd, versterkt en/of hersteld. 4.5.1. Oude Cultuurgronden Streefbeeld (zie figuur 2). In de gebieden van de oude cultuurgronden blijft de kenmerkende kleinschaligheid van het gebied in stand of wordt indien mogelijk hersteld.
De kleinschaligheid wordt bepaald door kleine percelen, gebogen lijnen en groene landschapselementen zoals singels, houtwallen, wegbeplantingen en kleine bosjes. De bolle akkers of essen blijven open. Met andere woorden: geen beplantingen op of over de es. Een enkele solitaire boom is wel op de es toege staan. Rondom de boerderijen of andere bebouwing is een erfbeplanting aanwezig in de vorm van een houtsingel met boomvormers. De boomsoorten die hier voorkomen zijn zomereik, beuk, es doorn, linde, haagbeuk en tamme kastanje. De es wordt van oudsher begrensd door een wildgraaf (hakhoutsingel met greppel). Deze vegetatie blijft laag, een enkele boomvormer kan aanwezig zijn. De soorten die hier voorkomen zijn onder andere meidoorn, sleedoorn, rimpelroos, vuilboom, braam. Op een aantal plaatsen zijn nog restanten van een dergelijke hakhoutsingel aanwezig. In dien mogelijk worden deze aangevuld. Nieuwe bebouwing op de es wordt voorkomen. Bij het her stel en de versterking van de oude cultuurgronden kan gebruik gemaakt worden van oude, histori sche kaarten. 4.5.2. Beekdallandschap Streefbeeld (zie figuur 3). Kenmerkend in dit landschap is de meanderende beek met een oever zone en vervolgens het daarnaast liggende grasland. Dit landschap wordt begrensd door de hoge re terreindelen.
Het beekdal bestaat uit grasland, kleine bosjes (broekbos) en lijnvormige beplan tingen loodrecht op de beken. De vegetatie bestaat uit elzen, essen, berken en meidoorn. Veel van deze beplantingen zijn verdwenen en worden waar mogelijk hersteld. Op enkele plaatsen is de ka rakteristieke beplanting door de situering van een solitaire boom of een enkele singel nog herken baar. De gemeente wil deze solitaire bomen behouden en waar dat mogelijk is de singel herstellen.
34
4.5.3. Heideontginningslandschap Streefbeeld (zie figuur 4). Kenmerkend voor de heideontginning is de grootschaligheid en de openheid. Hoe recenter de ontginning is, hoe grootschaliger en opener het landschap. De landbouwpercelen bestaan zowel uit akkerland als uit weiland, afhankelijk van de bodem en de grond waterstand. Deze geschiedenis in het landschap wil de gemeente indien mogelijk zichtbaar hou den. 4.5.4. Bossen en natuurgebieden Streefbeeld. Op de plekken waar de bodem te slecht voor ontginning was, zijn grote boskernen aangeplant en zijn de natuurterreinen in stand gebleven. Daar waar dat mogelijk is, wil de gemeen te meer natuurlijke bosranden aangeleggen. Deze randen verzachten de overgang van het land schap naar de bossen en bevorderen de biodiversiteit. De aanleg van deze bosranden mag niet te veel ten koste gaan van de houtproductie. Met de houtproductie wordt het bos- en natuurbeheer gefinancierd. 4.6. Uitvoering recreatieve ontwikkelingen In het landschap en rondom de verschillende dorpen zijn veel wandel-, fiets-, mountainbike- en ruiterroutes aanwezig. Veel van deze routes zijn onderdeel van het wandel- en fietsknooppuntennetwerk zoals dat beheerd wordt door Visitbrabant. Daarnaast is vanuit de dorpen een behoefte aan wandelpa den en zogenaamde ommetjes. Laatstgenoemde zijn kleine wandelingetjes direct vanuit het dorp.
De inwoner kan op ieder moment een klein wandelingetje maken of de hond op een aangename manier uitlaten. Dit is goed voor de conditie, de gezondheid en het leef- en woongenot. De maximale afstand van een dergelijk ommetje is ongeveer 5 km. Niet elk dorp heeft een goed netwerk van dergelijke om metjes. Daar waar hiaten zijn in de ommetjes- en knooppuntennetwerken worden deze indien mogelijk opgelost. Dit vraagt om een inventarisatie van de bestaande routes en de hiaten. In 2014 was Eersel wandelgemeente van Nederland. Op dat moment is een dergelijke inventarisatie opgesteld. Deze inven tarisatie is een goed uitgangspunt om eventuele hiaten op te sporen en op te lossen. 4.7. Uitvoering ecologische ontwikkelingen Op dit moment is de biodiversiteit binnen de bebouwde kom hoger dan in het agrarische gebied buiten de kom. Dit wordt veroorzaakt door de bestrijding van ziekten en plagen en zware bemestingen in de landbouw. Eersel heeft als één van de eerste gemeenten in Brabant de Countdown 2010 verklaring ondertekend en daarmee aangegeven dat zij bereid is om te zorgen dat vanaf 2010 de biodiversiteit niet verder zal afnemen en dat zij alles zal doen om waar dat mogelijk is de biodiversiteit te bevorderen. Dit is niet gemakkelijk om te realiseren. In hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan. 4.8.
Oplossingsrichtingen voor de geconstateerde knelpunten Voor de vastgestelde knelpunten zijn de volgende oplossingen mogelijk: » In samenwerking met de ZLTO, de veldcoördinator van de Stika en de ANV Kempenland een voorlichtingscampagne opstellen om de agrariërs meer bewust te maken van de voordelen en/of beperkingen van ieder landschapstype voor de individuele boer. Door een juist gebruik van de grond is de boer minder afhankelijk van de gevolgen van de klimaatverandering en het optreden van extreme weersomstandigheden. Tevens wordt voorlichting gegeven over de nieuwe Wet natuurbescherming, over toekomstige beperkingen voor bemesting en chemische bestrijdingsmiddelen. Op deze manier wordt aangegeven hoe een duurzame en toekomstbestendige landbouw mogelijk is. Tegelijk wordt verduidelijkt waar op sommige plekken wel of niet coniferenteelt wenselijk is. » Grootschalige bedrijven in een kleinschalig landschap is mogelijk als de oorspronkelijke struc tuur van het landschap gerespecteerd wordt. Dat betekent dat aanwezige houtsingels, land schappelijke elementen en solitaire bomen behouden moeten blijven. Waar deze elementen al verdwenen zijn, worden deze alsnog hersteld of versterkt en stimuleert de gemeente de aan plant van een erfbeplanting. De gemeente organiseert jaarlijkse een erfplantdag waarbij plantmateriaal ter beschikking wordt gesteld.