CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[17.13266] - Bijlage 8 Beleidsplan Groen Loont 2017-2033

Raadsvergadering 20 april 2021, gemeente EerselBij agendapunt: Uitvoeringsprogramma duurzaamheidsbeleid 2021-2025 (inclusief plan van aanpak energiereductie & zon-op-dak)32.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Groen Loont! Integraal beleidsplan Landschap, Natuur ä Groen - Gemeente Eersel 2017-2033

In opdracht van

Gemeente Eersel

Opgesteld door

Team Uitvoering à Beheer

Auteurs

Wilco van den Berg Monique Claassens

In samenwerking met

Bas Joosten (team Ruimtelijke Ontwikkeling)

Datum

7 augustus 2017

Status

Eindconcept

2

Groen loont Waar denkt u aan, als men het over groen heeft? Wat betekent groen voor u? Misschien heeft u de neiging te denken dat groen ons geld kost? Maar... weet u ook dat groen water opvangt, de luchtkwali­ teit verbetert en ons voedsel geeft? We weten dat groen sport en beweging stimuleert, huizen in een groene omgeving meer waard zijn en dat het onze creativiteit prikkelt. Groen werkt daardoor kostenbe­ sparend, levert zelfs economische winst op. Belangrijker nog: groen levert maatschappelijke winst op. Groen loont! Voorliggend beleidsplan verbindt de thema’s landschap, natuur en groen met elkaar in één integraal beleidsplan. Het plan geeft richting aan landschap, natuur en groen in een snel veranderende samenle­ ving. Een samenleving in Nederland die steeds vaker participeert en initieert in het openbaar domein. in het groen. Een samenleving waarin gemeenten en inwoners elkaar steeds vaker weten te vinden in het groen. Een samenleving waarin we in Eersel samen kunnen werken aan duurzaam groen, want groen verbindt. Groen loont! De titel “Groen Loont!” is rechtstreeks afgeleid van de publicatie Groen Loont! , in 2011 uitgegeven door De Groene Stad. De Groene Stad is een soort denktank en stimulator tegelijk, het wordt ondersteund door de vakgroep Groen vanuit het bedrijfsleven en het ministerie van EZ.

Groen Loont! is onderdeel van de filosofie van de Groene Stad, een groene filosofie dat ook wordt ondersteund door groene nonprofitorganisaties. In de inhoudelijke teksten van dit beleidsplan is Groen Loont zonder “!” aangegeven om de leesbaarheid van de tekst te verbeteren.

1 Bron: Groen Loont! - Over maatschappelijke en economische baten van stedelijk groen

3

Samenvatting In onze maatschappij is sprake van een toenemende (her)waardering voor de waarde van groen in een brede opvatting van dit begrip. Dan gaat het om de samenhangende waarde(ontwikkeling) van land­ schap, natuur en groen (hierna wordt het begrip “groen” gebruikt voor al deze drie thema’s). Waarom deze waardering? Groen heeft een positieve betekenis voor gezondheid, welbevinden, economie en klimaat. Groen komt voor in de publieke en private omgeving. Groen stoort zich niet aan eigendoms- of gemeentegrenzen. Het hebben van een visie op en een gerichte ontwikkeling van groenwaarden leidt tot synergie op veel terreinen. Daardoor ontstaan aantrekkelijke baten voor onze Eerselse samenleving. De basiskwaliteit van onze gemeente is groen. Daarmee hebben wij in Eersel groen goud in onze han­ den. Een zorgvuldige ontwikkeling van de onderliggende waarden vergroot deze “goudvoorraad”. Dit komt ten goede aan de huidige generatie mensen die in Eersel wonen, mensen die Eersel bezoeken en bedrijven die hier gevestigd zijn. Maar misschien nog belangrijker zijn de komende generaties. Juist zij zullen nog meer hechten aan groene waarden als basis voor een door hen gewenst maatschappelijk leven en een sterke economische positie. De rol van de gemeente is veelzijdig. Soms autonoom, soms als uitvoerder van tal van wetten en re­ gels. Ook als het om groen gaat.

Dit beleidsplan spreekt over de samenhang en de verschillende rollen en verantwoordelijkheden in het groen. Dit plan is mede tot stand gekomen door samenwerking met verschillende Eerselse inwoners en hun organisaties. Beleidsplan Groen Loont stelt richtlijnen vast voor de inrichting, het beheer en de bescherming van landschap, natuur en groen in Eersel. Deze richtlijnen vinden hun vertaling in de verschillende specifie­ ke besluiten over projecten, regelgeving en reacties op maatschappelijke ontwikkelingen. Daarbij zijn twee verschillende invalshoeken: 1. Maatregelen die de gemeente als eigenaar en beheerder van gronden zelf kan uitvoeren en maat­ regelen die de gemeente in de uitvoering van wetten en regels kan vragen/opleggen aan derden. 2. Maatregelen ter ondersteuning, stimulering, begeleiding of facilitering van burgers en bedrijven ge­ richt op de versterking van waarden van groen in onze gemeente. Dit beleidsplan is een toetsingskader binnen de benoemde uitgangspunten en opvattingen. Het is lei­ dend voor te nemen maatregelen en uit te voeren projecten (hoofdstuk 1). Met de vaststelling van dit beleidsplan stelt de gemeenteraad voor de komende jaren een uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 7) vast met concrete uitvoeringsmaatregelen voor landschap, natuur en groen. Uw gemeenteraad heeft in het verleden diverse bestuurlijke kaders vastgesteld in relatie tot groen.

Die kaders hebben de basis gevormd voor dit beleidsplan. Die kaders zijn belangrijke ijkpunten en van grote waarde voor een goede sturing. Deze kaders zijn: 1. Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeleid gemeente Eersel (2004) 2. Countdown 2010 3. Structuurvisie Eersel (2011) 4. Bosnota gemeente Eersel (2011) 5. Beeldkwaliteitsplan Eersel (2012) 6. Kwaliteitsplan Groen (2012) 7. Toekomstvisie 2030- Kempisch wonen in een wereldregio (2013) 8. Bomenbeleidsplan gemeente Eersel (2013) 9. Duurzaamheidsbeleid gemeente Eersel (2017) De afspraken in deze beleidsplannen zijn uitgangspunten geweest in voorliggend beleidsplan. In sa­ menhang wordt nu zichtbaar wat de betekenis daarvan is. Beleidsplan Groen Loont bouwt daarop voort. Beleid wordt ook voorgeschreven door landelijke en provinciale regels. In dit beleidsplan worden deze benoemd en de belangrijkste kaders worden besproken. In beleidsplan Groen Loont is geprobeerd zo­ veel mogelijk een praktische invulling te geven aan hoe dit in onze gemeente is en wordt uitgewerkt. Beleid gaat pas leven als het een zichtbare invulling krijgt. Conclusie is dat de laatste decennia een groot aantal maatregelen is genomen die nu al van grote waarde blijken voor de kwaliteit van Eersel als 4

groene gemeente. Wat we zien, is dat maatregelen die op het moment dat zij zijn genomen, nog leidden tot discussie over belangen. Mogelijke toekomstige waarden vormen de basis van onze sterke groene uitgangspositie. Belangrijke kaders (en soms ook subsidiebronnen) zijn: 1. Natura 2000 2. Natuurnetwerk Nederland 3. Beleid Ecologische Verbindingszones (EVZ) 4. Structuurvisie Noord-Brabant (2014) en daarvan afgeleid beleid 5. Natuurvisie (2014) en Natuurakkoord 6. Wet natuurbescherming (2017) 7. VN verdrag voor rechten van mensen met een beperking 8. Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten 9. Programmatische Aanpak Stikstof Bestuurlijk zijn rijk, provincie, waterschap en buurgemeenten belangrijke partners bij dit beleid. Toepas­ sing van beleid op grond van al deze regels is geen statisch geheel. Waar onze samenleving verandert, wordt hier ook op ingespeeld. Groen houdt ook niet op bij onze gemeentegrenzen. Veel van wat wij beogen zullen we dan ook in samenhang en door goede bestuurlijke samenwerking realiseren. In dat opzicht is het voorliggend beleidsplan niet de eindbestemming van een te programmeren route, maar de start van een trektocht in de groene richting die u kiest. Zo neemt beleidsplan Groen Loont u mee naar onze natuurhistorie en cultuurhistorie (hoofdstuk 2).

De groenwaarde wordt vanuit dit perspectief benoemd en het belang om historische waarden in nieuwe tijden te blijven onderkennen en in te vullen met nieuwe maatregelen. Landschap, natuur en groen zijn niet meer te scheiden als het gaat om samenhang (hoofdstuk 3). Wel te onderscheiden als het gaat om concrete maatregelen en activiteiten. Integraliteit betekent niet dat een eenheidsworst aan maatregelen ontstaat. Het effect van alle afzonderlijke activiteiten en maatregelen is vaak aanvullend en elkaar ver­ sterkend: of het nu gaat om waterbeheersing, hittebestrijding, gezondheid, welzijn, milieu recreatie, energie, ecologie of economie. In beleidsplan Groen Loont wordt per thema (landschap, natuur en groen) een concrete uitwerking aangegeven (hoofdstukken 4 tot en met 8). Een beleidsplan heeft pas zin als het een levend plan is. In de voorbereiding is actief in- en extern gesp­ roken met belanghebbenden. Nadat de gemeenteraad het beleidsplan heeft vastgesteld blijft dit een belangrijk onderdeel van de uitvoering. En natuurlijk is het van belang resultaten te meten en nieuwe ontwikkelingen te vertalen (hoofdstuk 9 gaat hierover). In het kort stelt u bij vaststelling van het beleidsplan de volgende richtinggevende beleidsdoelen (para­ grafen 4.4, 5.3 en 6.1): 1. Thema Landschap » Sturing geven aan het integraal ruimtelijk beleid van de gemeente Eersel.

Het vormt een ’’onder­ legger” voor integrale ruimtelijke plannen, zoals de structuurvisie en het bestemmingsplan. » Het herstel, het behoud en de versterking van landschappelijke kwaliteiten voor een aange­ naam woon- en leefklimaat. Dit wordt gerealiseerd door concrete richtlijnen over hoe de beeldkwaliteit van erven, agrarische bebouwing, recreatieterreinen en dorpsranden te verbete­ ren. Tevens wordt aandacht besteed aan de toegankelijkheid van het landschap vanuit de kernen. » Ruimte en vorm worden gegeven aan de dynamiek van het buitengebied van Eersel aan de hand van randvoorwaarden en richtlijnen voor een zorgvuldige inpassing van nieuwe ontwikke­ lingen, zoals: woningbouw in het buitengebied, nieuwe infrastructuur, natuurontwikkeling, recre­ atie en toerisme. » Het opstellen van een uitvoeringsplan dat kaders geeft voor de realisatie van ruimtelijke pro­ jecten en voor duurzaam landschapsbeheer. Waar mogelijk wordt dat gedaan in samenwerking met particulieren. Het uitvoeringsplan geeft tevens aanknopingspunten om prioriteiten te stellen, zoals de aanpak van bepaalde zoekgebieden en de keuze voor aanleg en herstel of het beheer van landschapselementen. » Realisatie van draagvlak door zorgvuldige communicatie.

De inzet van de klankbordgroep met vertegenwoordigers van diverse belanghebbenden (agrariërs, inwoners, natuurgroepen en cul­ tuurhistorie) bij de realisatie van dit beleidsplan, is al een concreet voorbeeld van creëren van 5

draagvlak. Hun inbreng is in het plan herkenbaar. Dit beleidsplan bevat tevens een aanpak voor het stimuleren van de aanleg van erfbeplantingen en landschappelijke beplantingen. 2. Thema Natuur » De voltooiing van de nog te ontwikkelen en/of af te ronden natuurgebieden met de diverse sa­ menwerkingspartners zoals provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel, buurgemeenten, terreinbeherende organisaties en de landbouwsector. » Het zorgvuldig en duurzaam onderhouden van natuurgebieden die in eigendom zijn van de ge­ meente op basis van vastgestelde beheerplannen. » Het proactief stimuleren en faciliteren van natuurbescherming in het algemeen en soortbescherming in het bijzonder door middel van advisering aan derden en het ondersteunen van na­ tuur- en biodiversiteit bevorderende initiatieven van derden. » Behoud van biodiversiteit in Eersel en de aandacht voor biodiversiteit stimuleren en faciliteren. » Acties ter bevordering van de biodiversiteit: a. waar mogelijk laten aansluiten op bestaande (natuur)plannen van de gemeente en andere organisaties en b. op basis van een duurzame gebiedsgerichte benadering. » Uitvoering van een concreet uitvoeringsprogramma, waarbij de steenuil de ambassadeur is voor andere kwetsbare dier- en plantsoorten in met name het landelijke, agrarische buitengebied en de bebouwde omgeving.

Voor de steenuil en de patrijs is het streven om in 2033 het aantal broedparen in gemeente Eersel te verdubbelen, met als peiljaar 2016. 3. Thema Groen » Het is belangrijk om in de zes kernen van Eersel voldoende ruimte te creëren voor de inrichting en het beheer van cultuurgroen om de ambities en taken te verwezenlijken. » Een goed ingerichte en onderhouden groene openbare ruimte dat voldoet aan de ambitie van de Toekomstvisie 2030 van gemeente Eersel. » Een aantrekkelijke, gevarieerde groene omgeving met meer kleur, geur en beleving, om het toonbeeld te vormen van hoe landelijk en groen wonen in De Kempen uit kan zien. » Investeren in een duurzame groene omgeving op het moment dat het groen versleten en aan vervanging toe is; en wanneer sprake is van nieuwe ruimtelijke projecten. » Investeren in het onderhoud van groen op voor een breed publiek zichtbare locaties door het kwaliteitsniveau op deze locaties naar kwaliteitsbeeld A (rapportcijfer 7-8) te verhogen.

6

Inhoudsopgave Groen loont................................................................................................................................3 Samenvatting.............................................................................................................................4 Inhoudsopgave..........................................................................................................................7 1. Inleiding............................................................................................................................... 11 1.1. Invloedrijke ontwikkelingen 2017: klimaatverandering en duurzaamheid..................................... 11 1.2. Doelstelling en reikwijdte beleidsplan Groen Loont....................................................................... 12 1.3. Status beleidsplan Groen Loont.................................................................................................... 12 1.4. Rol van de gemeente.....................................................................................................................12 1.5. Klankbordgroep en geraadpleegde organisaties........................................................................... 13 1.6. Leeswijzer.......................................................................................................................................13

2. Historie, beleidskaders enthema’s.................................................................................... 14 2.1. Historie van gemeente Eersel.........................................................................................................14 2.1.1. Natuurhistorie Kempenlandschap............................................................................................................14 2.1.2. Cultuurhistorie Kempenlandschap.......................................................................................................... 14 2.1.3. Kempen 2000 ..........................................................................................................................................15

2.2. De beleidskaders............................................................................................................................15 2.2.1. Landelijke kaders.....................................................................................................................................15 2.2.2. Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld (2004) en Structuurvisie Eersel (2011)......................................... 17 2.2.3. Beleidstukken bossen en natuurgebieden Eersel................................................................................... 17 2.2.4. Beeldkwaliteitsplan gemeente Eersel (2012).......................................................................................... 19 2.2.5. Kwaliteitsplan Groen (2012).....................................................................................................................19 2.2.6. Toekomstvisie 2030 - Kempisch wonen in een wereldregio (2013)....................................................... 19 2.2.7. Bomenbeleidsplan gemeente Eersel (2013)........................................................................................... 19 2.2.8. Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant (2014).................................................................... 19 2.2.9.

Duurzaamheidsbeleid Eersel (2017)....................................................................................................... 19

2.3. De drie thema’s.............................................................................................................................. 20 2.3.1. Thema Landschap.................................................................................................................................. 20 2.3.2. Thema Natuur......................................................................................................................................... 20 2.3.3. Thema Groen.......................................................................................................................................... 21

3. Groen Loont: de integrale benadering........................................................................... 23 3.1. Het belang van integraliteit...........................................................................................................23 3.2. Belangen bij een integrale benadering.........................................................................................23 3.2.1. Groen 3.2.2. Groen 3.2.3. Groen 3.2.4. Groen 3.2.5. Groen 3.2.6. Groen 3.2.7. Groen 3.2.8. Groen

en water..................................................................................................................................... 23 en hittebestrijding....................................................................................................................... 24 en gezondheid........................................................................................................................... 24 en welzijn................................................................................................................................... 25 en milieu.................................................................................................................................... 25 en recreatie................................................................................................................................ 27 en economie.............................................................................................................................. 27 en energie.................................................................................................................................. 28

3.3. Voordelen bij een integrale benadering........................................................................................ 28

7

4. Landschap

30

4.1. De landschappelijke deelgebieden................................................................................................ 30 4.1.1. Oude cultuurgronden (essen-kampenlandschap)................................................................................... 30 4.1.2. Beekdallandschap.................................................................................................................................. 30 4.1.3. Heideontginningslandschap.................................................................................................................... 31 4.1.4. Bossen en natuurterreinen...................................................................................................................... 31

4.2. Overige groene elementen........................................................................................................... 31 4.2.1. Bosjes......................................................................................................................................................31 4.2.2. Houtwallen en singels............................................................................................................................. 31 4.2.3. Wegbeplantingen.................................................................................................................................... 32 4.2.4. Solitaire bomen........................................................................................................................................32 4.2.5. Erfbeplantingen........................................................................................................................................32 4.2.6. Bermen en sloten.................................................................................................................................... 32 4.2.7. Landbouwgebieden................................................................................................................................ 33 4.2.8.

Water.......................................................................................................................................................33 4.2.9. Landgoederen..........................................................................................................................................33

4.3. Vraagpunten beeldkwaliteit van het landschap............................................................................. 33 4.4. Beleidsdoelen .................................................................................................................................34 4.5. Uitvoering landschappelijke ontwikkelingen in de verschillende deelgebieden............................ 34 4.5.1. Oude cultuurgronden.............................................................................................................................. 34 4.5.2. Beekdallandschap.................................................................................................................................. 34 4.5.3. Heideontginningslandschao.................................................................................................................... 35 4.5.4. Bossen en natuurgebieden..................................................................................................................... 35

4.6. Uitvoering recreatieve ontwikkelingen........................................................................................... 35 4.7. Uitvoering ecologische ontwikkelingen.......................................................................................... 35 4.8. Oplossingsrichtingen voor de geconstateerde knelpunten........................................................... 35

5. Natuur..................................................................................................................................39 5.1. Natuur in Eersel ............................................................................................................................ 39 5.1.1. Natuurgebieden...................................................................................................................................... 39 5.1.2. Natuur buiten de natuurgebieden........................................................................................................... 39

5.2. Biodiversiteit.................................................................................................................................. 41 5.3. Beleidsdoelen .................................................................................................................................42 5.4. Projecten en acties Natuur en Biodiversiteit................................................................................... 43 5.5. Monitoring doelsoorten.................................................................................................................. 45 5.6. Toekomstige natuurontwikkelingen 2017- 2020............................................................................ 45

6. Groen.................................................................................................................................. 47 6.1. Beleidsdoelen .................................................................................................................................47 6.1.1. Specifieke beleidsrichtlijnen.................................................................................................................... 47 6.1.2. Groenbeleid en andere beleidstaken...................................................................................................... 48

6.2. Groenstructuren............................................................................................................................. 50 6.2.1. Beleidsmaatregelen groenstructuren...................................................................................................... 50 6.2.2. Groenstructuren versus bestemmingsplannen....................................................................................... 51 6.2.3. Groen en handhaving............................................................................................................................. 52

8

6.3. Beheer

52

7. Uitvoeringsprogramma...................................................................................................... 55 7.1. Rood met Groen............................................................................................................................ 55 7.2. Landschap..................................................................................................................................... 56 7.3. Natuur............................................................................................................................................ 56 7.3.1. Stimuleringskader Groen Blauwe Diensten (Stika)................................................................................. 57 7.3.2. Beleef- en eetnatuur in de wijken............................................................................................................ 57 7.3.3. Operatie Steenbreek............................................................................................................................... 59 7.3.4. Ondersteuning initiatieven samenleving................................................................................................. 59 7.3.5. Verbetering leefgebied doelsoort - Grote bremraap............................................................................... 59 7.3.6.

Verbetering leefgebied doelsoorten -insecten........................................................................................ 59 7.3.7. Verbetering leefgebied doelsoorten -reptielen en amfibieën.................................................................. 60 7.3.8. Verbetering leefgebied - vogels............................................................................................................. 60 7.3.9. Verbetering leefgebied - kleine marters................................................................................................. 61 7.3.10. Monitoring doelsoorten......................................................................................................................... 61

7.4. Groen............................................................................................................................................. 61 7.5. Organisatie.................................................................................................................................... 62

8. Financiën.............................................................................................................................63 8.1. Rood met Groen .............................................................................................................................63 8.2. Landschap ......................................................................................................................................64 8.3. Natuur............................................................................................................................................ 65 8.4. Groen ..............................................................................................................................................65 8.5. Samenvatting kosten paragrafen 8.1 tot en met 8.4..................................................................... 66 8.6. Dekkingsmiddelen......................................................................................................................... 66

9. Communicatie & evaluatie................................................................................................. 67 9.1. Interne communicatie.................................................................................................................... 67 9.2. Externe communicatie................................................................................................................... 67 9.3. Evaluatie........................................................................................................................................ 68

Literatuurlijst...........................................................................................................................69 Bronnen .................................................................................................................................. 69 Colofon.................................................................................................................................... 69 Bijlagen....................................................................................................................................70

9

Naar een duurzaam Nederland

Gemeenten, provincies 8í waterschappen presenteren:

Investe ringsagenda voor Kabinetsformatie 2017

Om Nederland toekomstbestendig te houden gaat onze leefomgeving ingrijpend veranderen. Gemeenten, provincies en waterschappen slaan de handen ineen om Nederland energieneutraal, khmaatbestendig en circulair te maken. We nodigen het Rijk, bedrijven, organisaties en burgers uit om mee te doen Samen investeren we in de realisatie van de energietransitīe, klimaatadaptatie en circulaire economie.

van Ut» energieneutraal en kfimaatbestendig maarschappelnk vasigoed Daar lOOt in 2010 A

In 7000 7,5 tot 5.5 \ meer roeislag opvangen

Van 6* hernieuwbare energie nu naar 100* in 2050

naar

/į\

^

Figuur 1. Ook de VNG, Unie van Waterschappen en het IPO spelen tijdens de kabinetsformatie 2017 in op het Klimaatakkoord Parijs 2015, zoals dit pamflet laat zien.

10

1. Inleiding De Nederlandse samenleving is volop in beweging. Een reeks van snel opeenvolgende veranderingen in de 21e eeuw op het vlak van maatschappij, economie, digitalisering en klimatologische omstandighe­ den heeft grote invloed op een adequate dienstverlening voor alle overheden, zoals de gemeente Eersel. Op regionale en lokale schaal oefenen deze ontwikkelingen ook grote druk uit op de fysieke leef­ omgeving en de openbare ruimte. In deze hectiek hebben landschap, natuur en groen een steeds belangrijkere rol op onder andere de rust, gezondheid en leefbaarheid van en voor mensen. Anderzijds is de druk op landschap, natuur en groen fors toegenomen door de groeiende vraag om fysieke ruimte voor woningbouw, landbouw, economische bedrijvigheid en ontspanning. Ook bezuinigingen en de afname van subsidies oefenen druk uit op het groen en de natuur. Ontwikkelingen die ten koste gaan van de kwaliteit en het areaal van landschap, natuur en groen. Groen vormt letterlijk en figuurlijk een essentiële buffer en een baken van rust tussen al deze ruimtelijke ontwikkelingen. Het huidige Groenstructuurplan Eersel dateert van 1998. Dit plan richt zich vooral op de bebouwde kom en is opgesteld met de destijds beschikbare kennis en ambities. Het plan past onvoldoende in de huidi­ ge ontwikkelingen en is daardoor verouderd.

Het Landschapsontwikkelingsplan is opgesteld in 2007 en is gericht op het buitengebied. Op basis van de huidige ontwikkelingen en situaties in gemeente Eersel, is het nodig om het plan te actualiseren. Het Biodiversiteitsplan van gemeente Eersel dateert van 2009 en richt zich vooral op het buitengebied en kleinschalige acties. De meeste acties zijn inmiddels uitge­ voerd. Gezien het toenemende belang van en aandacht voor de biodiversiteit is het noodzakelijk een extra impuls te geven aan dit thema.2 3 Bovenstaande situatie vormt voor gemeente Eersel aanleiding om de thema’s landschap, natuur en groen met elkaar te verbinden in één integraal beleidsplan en het een eigentijdse plaats te geven in een snel veranderende samenleving. 1.1. Invloedrijke ontwikkelingen 2017: klimaatverandering en duurzaamheid Tegelijkertijd met de opstelling en de besluitvorming van het beleidsplan Groen Loont vinden de formatiebesprekingen voor een nieuwe landelijke regering plaats. Tijdens deze besprekingen hebben alle partijen, die meedoen aan de formatie, nadrukkelijk uitgesproken dat de afspraken van het klimaatakkoord van Parijs 2015 gehaald moeten worden. De hoofdpunten van dit akkoord zijn: » Het verdrag treedt in werking als het door minstens 55 staten geratificeerd is die verantwoorde­ lijk zijn voor minimaal 55 procent van de CO2-uitstoot.

» Er komt zo snel mogelijk een eind aan de stijging van de uitstoot van broeikasgassen. Halver­ wege de 21e eeuw moet een evenwicht zijn tussen alle uitstoot van broeikasgassen en het ver­ mogen van de natuur om ze te absorberen. » De opwarming van de aarde moet worden beperkt. De wereldwijde stijging van de temperatuur moet in 2100 beperkt zijn tot 2X vergeleken met het niveau van vóór de opkomst van de indu­ strie. Er wordt gestreefd om die stijging van 2X, te verlagen tot 1,5^. » Elke vijf jaar wordt het klimaatbeleid van alle landen geëvalueerd. De eerste controle vindt plaats in 2023. » Rijke, ontwikkelde landen moeten ontwikkelingslanden met geld helpen hun uitstoot te vermin­ deren. Elk jaar moet er 91 miljard euro beschikbaar worden gesteld. Het eerste punt is gehaald: 195 landen, waaronder Nederland, hebben het akkoord ondertekend. Bij het klimaatakkoord wordt een grote nadruk gelegd op de CO2-uitstoot en het terugdringen van de tempera­ tuurstijging op aarde. Dat is niet voor niets, want deze twee factoren zijn met elkaar verbonden. CO2 is een reuk- en kleurloos gas in de natuur. Planten gebruiken zelf de CO2 en produceren zuurstof. CO2 komt vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen, zoals olie en aardgas.

Vanaf de industrialisatie is door de grootschalige verbranding, de toename van transport en verkeer en de wereldwijde ontbossing de CO2-uitstoot fors toegenomen. Wordt deze uitstoot niet aangepakt, dan kan dit leiden tot een slech­ ter en versterkt broeikaseffect, met als gevolg flinke milieuproblemen zoals sterkere klimaatverandering en aantasting van de natuur. Dit is de afgelopen decennia helaas praktijk gebleken en dat is nu goed te

2 Bron: Projectplan Integraal beleidsplan Groen, Natuur & Landschap 3 Bron: Klimaatakkoord Parijs 2015

11

merken. Het klimaatakkoord heeft ook alles te maken met duurzaamheid. Duurzaamheid is de ontwik­ keling die aansluit op de behoeften van heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Dit komt in het kort op neer dat in een duurzame wereld mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Wij moeten de aarde zo gebruiken dat toekomstige generaties ook plezier van hebben en dat op lange termijn de aarde het totaal van onze consumptie kan dragen. Tijdens de formatiebesprekingen heeft het kabinet-in-oprichting oproepen tot een krachtig duurzaamheidsbeleid van diverse bedrijven gekregen, zoals ING, Schiphol, Gasunie, NS, RoyalHaskoningDHV, Bavaria, BAM, Auping en anderen (zie ook figuur 1). Zij stellen voor om bedrijven die schade berokke­ nen aan klimaat, natuur en milieu, de kosten van die schade door laten te berekenen in de verkoopprij­ zen van hun producten. Ook stellen zij voor om bedrijven (niet alleen, zoals nu, de grootste bedrijven) controleerbare duurzaamheidsverslagen te laten opstellen. Bevoordeel de duurzaamste bedrijven bij gunning van overheidsopdrachten. Samengevat betekent dit het ontmoedigen van de effecten die je wilt verkleinen en het belonen van de effecten die je wilt vergroten.

Deze oproepen tonen aan dat de nood­ zaak voor een duurzaamheidsbeleid om de klimaatverandering te beperken, steeds beter wordt aange­ voeld. Tegen deze achtergrond van (inter)nationale politieke ontwikkelingen is het beleidsplan Groen Loont geschreven. De geschetste ontwikkelingen drukken mede hun stempel op de doelstellingen van voor­ liggend beleidsplan. De ontwikkelingen hebben in Eersel ook geleid tot het Duurzaamheidsbeleid Eersel. Beleidsplan Groen Loont en Duurzaamheidsbeleid Eersel hebben op een aantal belangrijke onder­ werpen een nauwe verwantschap. 1.2. Doelstelling en reikwijdte beleidsplan Groen Loont

Het beleidsplan Groen Loont geeft richtlijnen voor de inrichting, het beheer en de bescherming van landschap, natuur en groen in Eersel. Daarbij wordt samenhang gezocht met actuele thema’s zoals klimaatverandering, duurzaamheid, leefbaarheid en biodiversiteit. Het beleidsplan haakt ook aan op bestaande aan groen gerelateerde plannen in Eersel die actueel zijn. De hieruit af te leiden nevendoelen zijn: het informeren over en benadrukken van de maatschappelijke en economische waarden van groen; informeren over en benadrukken van waarden van groen voor de duurzaamheid, de klimaatverandering, de waterhuishouding en de biodiversiteit; en samenwerken met de samenleving voor de realisatie van een integraal beleidsplan dat draagvlak heeft en oog heeft voor beleving en veiligheid. Het beleidsplan Groen Loont richt zich in beginsel primair op maatregelen die de gemeente als eigenaar en beheerder van gronden zelf kan uitvoeren. Niettemin wil gemeente Eersel met dit beleidsplan bena­ drukken dat zij proactief haar verantwoordelijkheid neemt door bij diverse projecten en maatregelen een stimulerende, begeleidende en/of faciliterende rol op te pakken en zo sturing geven binnen de regelge­ ving.

1.3. Status beleidsplan Groen Loont Het beleidsplan Groen Loont is een door de gemeenteraad vastgesteld beleid waarvan de status bin­ dend is, vanaf het moment dat het is vastgesteld. Het beleid is vastgesteld voor de periode tot en met 2033, waarbij het aanhaakt op de periode van het huidige Bomenbeleidsplan. In 2033 kan het beleid rondom bomen ook worden geïntegreerd in mogelijk één op te stellen of te actualiseren nieuw beleids­ plan landschap, natuur en groen. Tot die tijd wordt het beleidsplan om de vier jaar geëvalueerd, geactu­ aliseerd en aan de raad voorgelegd. Dit zal ook nodig zijn in verband met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 in werking zal treden. 1.4. Rol van de gemeente Het is belangrijk om bewust te zijn van welke verschillende verantwoordelijkheden en rollen de gemeen­ te heeft in de thema’s landschap, natuur en groen. De gemeente heeft een: » Bestuurlijke verantwoordelijkheid: bijvoorbeeld door inspanningen te leveren voor de realisatie van de Natuurnetwerk Nederland (voorheen heette dit de Ecologische Hoofdstructuur). 12

» » »

»

»

»

Privaatrechtelijke verantwoordelijkheid: bijvoorbeeld door op eigen gronden ecologisch bermbe­ heer toe te passen ter bevordering van de biodiversiteit. Rol als hoeder van de ruimtelijke kwaliteit: bijvoorbeeld bij (her)inrichting van woonwijken wordt rekening gehouden met voldoende areaal groen voor elke bewoner in de bebouwde kom. Rol als grondeigenaar en beheerder: bijvoorbeeld de gemeentelijke bossen hebben een multi­ disciplinair beheer. Dit betekent dat altijd aandacht moet zijn voor houtproductie, natuur en re­ creatie, de aandacht kan nooit helemaal alleen naar één functie gaan. Rol als medeontwikkelaar: bijvoorbeeld door op projectmatige basis met een samenwerkings­ partner zoals het Waterschap zorgen voor een efficiënte waterberging, waarbij groen een bij­ drage levert en dit groen tegelijkertijd ontsloten kan worden voor extensieve recreatie. Rol als begeleider bij projecten: zodat groen en natuur voldoende ruimte krijgen om zich opti­ maal te ontwikkelen, bijvoorbeeld door bomen binnen de bebouwde kom voldoende groeiruimte te geven. Rol als stimulerende en faciliterende dienstverlenende overheid: bijvoorbeeld door groene buurtinitiatieven te faciliteren in een soepele vergunningverlening of door actief informatie in te winnen bij lokale IVN-afdelingen en het Biodiversiteits-team Eersel.

Of door het actief stimuleren van bewoners in het buitengebied om gebruik te maken van de subsidieregeling Groen Blauwe Stimuleringskader.

1.5. Klankbordgroep en geraadpleegde organisaties Een belangrijke rol in de totstandkoming van beleidsplan Groen Loont was weggelegd voor de klank­ bordgroep Groen Loont. In deze klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van elf Eerselse belangen­ groepen die actief hebben nagedacht welke koers te volgen in het beleidsplan. Diverse adviezen van de klankbordgroep zijn rechtstreeks opgenomen of vertaald in beleidsplan Groen Loont. De klankbord­ groep bestond uit vertegenwoordigers van de Dorpsraden Knegsel, Steensel, Vessem, Wintelre; de Leefbaarheidsgroepen Duizel, Eersel; de IVN afdelingen Bergeijk - Eersel, Veldhoven Eindhoven Ves­ sem; Biodiversiteitsteam Eersel, ZLTO afdeling Eersel; en Heemkundevereniging Hooge Dorpen. Bij sommige onderwerpen zijn ook andere gemeenten zoals Bergeijk, Bladel, Reusel - De Mierden, Hilvarenbeek en Oirschot geraadpleegd. Tot slot hebben twee externe adviesbureaus tekeningen, be­ rekeningen en aanvullende adviezen gegeven. 1.6. Leeswijzer Het beleidsplan bevat negen hoofdstukken. Hoofdstuk 2 schetst de historie van de fysieke omgeving van Eersel, de beleidskaders die medebepalend zijn en een omschrijving van de drie beleidsthema’s die in dit beleidsplan integraal zijn opgenomen.

Hoofdstuk 3 benadrukt het belang van de integraliteit van groen, niet alleen de integraliteit tussen de drie thema’s landschap, natuur en groen onderling, maar juist ook de samenhang die deze drie thema’s hebben met veel andere beleidsthema’s. Het derde hoofdstuk vormt het hart van beleidsplan Groen Loont. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 zijn voor respectie­ velijk de beleidsthema’s landschap, natuur en groen de thema specifieke beleidsdoelen, knelpunten en maatregelen aangegeven. In hoofdstuk 7 zijn de maatregelen voor de thema’s landschap, natuur en groen nader uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. In hoofdstuk 8 zijn de financiële aspecten aange­ geven. Hoofdstuk 9 gaat in op de communicatie en evaluatie die tijdens en na het tot stand komen van beleidsplan Groen Loont plaats vond en plaats zal vinden.

13

2. Historie, beleidskaders en thema’s De historie van Eersel, de vigerende beleidskaders en een goed begrip van de thema’s landschap, na­ tuur en groen zijn bepalend of invloedrijk voor de inhoud van beleidsplan Groen Loont. Gezamenlijk vormen historie, beleidskaders en thema’s het raamwerk dat richting geeft aan de invulling van het be­ leidsplan. 2.1. Historie van gemeente Eersel De gemeente Eersel is door haar ligging geheel verweven met de natuurhistorische en cultuurhistori­ sche ontwikkelingen van het Nederlandse deel van De Kempen. Deze historie is bepalend geweest voor het Eersel zoals we dat vandaag kennen. 2.1.1. Natuurhistorie Kempenlandschap Gemeente Eersel ligt geheel in het Belgisch - Nederlandse landschap De Kempen. De Kempen bestaan uit een licht glooiend dekzandplateau. Deze zandlandschappen zijn ontstaan onder in­ vloed van de wind in de laatste ijstijd (Voets & Van den Berg, 2009). Het dekzandlandschap be­ staat variërend uit een (licht) lemige, fijn zandige tot (grof) zandige en over het algemeen voedselarme bodem. De geologische ondergrond is gevarieerd door de doorsnijding van verschillende aardbreuken en steilranden die eveneens in de ijstijd zijn ontstaan. Gevolg hiervan is dat de waterdoorlatendheid in de bodem sterk verschilt en dat werkt sturend in het ontstaan van inzijgingsgebieden (Hendriks et al, 2012).

Na de laatste ijstijd zijn de beekdalen ontstaan door neerslag op het Kempisch plateau, waarbij het water via de oppervlakte en infiltratie en kwel in de dalen van het zandlandschap meanderde naar de Maas. Alle beken in het Nederlandse deel van De Kempen stromen in noordelijke richting. In gemeente Eersel zijn de laaglandbeken de Kleine Beerze, de Run, de Gender en de Bruggenrijt onderdeel van het beekdalensysteem de Dommel. Aan de west­ zijde van de beekdalen groeiden relatief veeleisende bomen als beuk, linde en iep, omdat de gron­ den door de hier aanwezige meer lemige bodems vaak vruchtbaarder waren dan aan de oostzijde. Aan de oostzijde van de beekdalen overheerste de berk, terwijl in het beekdal zelf de broekbossen uit els, wilg en es bestonden. Op de hogere dekzandruggen groeide ook eik. In de bovenloop van de beken groeide veen als gevolg van de slechte afwatering. Bij veel regenval traden de beken vaak buiten hun oevers. Het water bevatte veel vruchtbare beekslib dat neersloeg op de over­ stroomde gronden (Verdonk, 2016). 2.1.2. Cultuurhistorie Kempenlandschap De natuurhistorie van De Kempen is van grote invloed geweest op hoe de mens het landschap in gebruik heeft genomen. De menselijke ontginningen van dit gebied zijn begonnen door de toene­ mende bevolkingsgroei vanaf circa 1000 na Chr. en oefende invloed uit op het Kempische Land­ schap (Verdonk, 2016).

In de Middeleeuwen ontstond in Noord-Brabant een landschap vol gehuch­ ten met zeer kleinschalige ontginningen. Door eeuwenlange veranderende machtsstructuren en (zeer) geleidelijke technologische ontwikkelingen veranderde ook heel geleidelijk de concentraties van kleine nederzettingen in het Kempische landschap. De vroegmiddeleeuwse nederzettingen la­ gen vooral langs de relatief vruchtbaardere westzijde van de beekdalen (Verdonk, 2016). De huidi­ ge dorpen in Eersel vallen van oorsprong onder het dorpstype ‘akkerdorpen’. Akkerdorpen ont­ stonden altijd dichtbij bouwlanden (akkers), graslanden (beemden) en woeste gronden (heide en bossen). Deze dorpen konden afhankelijk van het ontwikkelingsproces de vorm aannemen van lintbebouwing en/of radiale verkaveling waarbij kerken of driehoekige restruimtes tussen de akkers (een zogenaamde plaatse) kenmerkende elementen waren en het herkenbare middelpunt van de nederzettingen vormden (Hendriks et al, 2012). De interactie tussen het Kempisch landschap en de mens resulteerde in een aantal landschapsontginningstypen: » Het essen-kampenlandschap: kleinschalige percelen met kleine buurtschappen met opbol­ lende essen. Heidevelden en bossen werden begraasd door het vee en het vee zorgde voor mest die nodig was voor de kleine akkers.

Door het jarenlange uitrijden van met mest verza­ digde plaggen, kwamen de akkertjes wat hoger in het landschap te liggen (essen). Deze es­ sen werden omringd door houtsingels, houtwallen of hagen om het vee uit de akkers te we­ ren (Caspers et al, 2005). De nederzettingen ontstonden op de overgang van de relatief la­ gere beekdalen naar de relatief hogere wilde gronden (heide en bossen). » Het beekdallandschap: de beekdalen voorzagen de bewoners van water en weide- en hooigronden. De lange, smalle percelen in het beekdal met zijn natte ondergrond werden als erf14

grens omringd door kavelsloten en greppels, al dan niet met beplanting. Qua biodiversiteit was de soortenrijkdom op de woeste gronden relatief arm, terwijl de beekdalen juist erg soortenrijk waren (Caspers et al, 2005; Hendriks et al, 2012; Verdonk, 2016). » Het stuifduinlandschap: op de woeste gronden ontstonden lokaal door de overbegrazing van de heide en het te intensieve plaggen van de heide, kale open landschappen waarbij de wind vrij spel had en de zandige ondergrond begon te verstuiven. Deze zandverstuivingen veroorzaakten problemen bij de aangrenzende akkers en naburige dorpen, omdat deze on­ derstoven (Voets & Van den Berg, 2009). Dit landschapstype komt nagenoeg niet voor in gemeente Eersel. » Het heideontginningslandschap: door verbeterde landbouwtechnieken en vooral door de in­ trede van kunstmest veranderde het landschap in grote delen van De Kempen. De woeste gronden en de beekdalen werden vanaf eind 19e eeuw op grote schaal ontgonnen. Landbouwpercelen werden grootschaliger en beken werden recht getrokken. Op de hoger gele­ gen gronden verdwenen de heidevelden op grote schaal voor landbouw en de slechtste (heide)gronden voor bossen (Hendriks et al, 2012). Door deze ontginningen begon de biodi­ versiteit af te nemen. 2.1.3.

Kempen 2000 Vanaf de 2e helft van 20e eeuw tot vandaag de dag is het Kempisch landschap drastisch veranderd door de voortgaande schaalvergroting van de landbouw en de toenemende verstedelijking in de vorm van groter wordende dorpen, industrieterreinen en de verfijning en toename van de wegen­ structuren. De Kempen werden op grote schaal ontwaterd en bemest. Hierdoor krijgt dit landschap in toenemende mate last van overbemesting en verdroging. De biodiversiteit is in De Kempen fors afgenomen. Ontwikkelingen in het landschap om de natuur ruimte te geven en mogelijkheden te creëren voor recreatie, hebben eveneens geleid dat het landschap in een halve eeuw tijd is veran­ derd ten opzichte van het oude (cultuur)historische landschap. Niettemin lijken de laatste jaren dergelijke natuurherstelmaatregelen in elk geval de landelijke achteruitgang van de biodiversiteit af te remmen (Van Strien & Verweij, 2014), van specifiek De Kempen is dat nog niet bekend. Na de Tweede Wereldoorlog werden in de steden en in de dorpen groene ruimtes gecreëerd in de vorm van parken, plantsoenen, gazons en bomen om de stedelijke omgeving leefbaarder en gezonder te maken. Dergelijke groene ruimtes blijken in toenemende mate ook belangrijk te zijn voor met name de fauna van Nederland. 2.2.

De beleidskaders Een aantal vigerende beleidsplannen van gemeente Eersel zijn mede bepalend voor de thema’s land­ schap, natuur en groen in dit beleidsplan. Hieronder volgt een beknopte uiteenzetting, waarbij achter elk (beleids)plan het jaar van vaststelling staat vermeld. 2.2.1. Landelijke kaders De Rijksoverheid kent een aantal belangrijke wettelijke kaders op het gebied van natuurbescher­ ming en natuurbeleid die van invloed zijn op beleidsplan Groen Loont en andere gemeentelijke be­ leidsplannen. Doel van dit Rijksbeleid is om natuur en landschap beter te beschermen. Vaak liggen ook internationale afspraken hieraan ten grondslag. Ook andere landelijke beleidskaders oefenen invloed uit op voorliggend beleidsplan. Het betreffen de volgende beleidskaders. Natura 2000 (N2000)4 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992. Dit netwerk van N2000-gebieden vormt de hoeksteen van het Europese beleid voor behoud en herstel van de biodiversiteit. Het netwerk draagt daarom ook bij aan soortenbescherming. De aan­ wezigheid van een N2000-gebied heeft invloed op plannen op het gebied van ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. Het biedt ook kansen voor bijvoorbeeld recreatie.

In gemeente Eersel zijn de volgende drie gebieden aangewezen als Natura 2000: Groot en Klein Meer, de Run en Kleine Beerze.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Natura 2000

15

Natuurnetwerk Nederland (NNN)5 Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend Nederlands netwerk van bestaande en toe­ komstige natuurgebieden en vormt een belangrijk onderdeel van het nationale natuurbeleid. De NNN gebieden sluiten aan op de N2000-gebieden. Doel is om de biodiversiteit in Nederland te sta­ biliseren en verdere achteruitgang tegen te gaan. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor natuurbeleid. NNN gebieden bestaan uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. Kerngebieden zijn onder andere natuurterreinen, landgoederen en bossen. In Eersel zijn dat bijvoorbeeld Rouwven, Buikheide, Wolfshoeksche Heide, De Pan en Cartierheide. Na­ tuurontwikkelingsgebieden zijn gebieden met goede mogelijkheden voor het ontwikkelen van na­ tionaal en/of internationaal belangrijke natuurwaarden. In Eersel zijn dat bijvoorbeeld de beekdalen van Kleine Beerze en de Run. Ecologische Verbinding Zones (EVZ)6 Ecologische verbindingszones zijn gebieden die kern- en natuurontwikkelingsgebieden aan elkaar verbinden. De leefgebieden van kwetsbare en vaak ook zeldzame soorten in Nederland zijn door het intensieve landgebruik versnipperd geraakt. Door geïsoleerd geraakte populaties van flora en fauna met elkaar te verbinden, is genetische uitwisseling mogelijk en wordt behoed dat een soort kan uitsterven.

Er zijn allerlei verschillende vormen van EVZ’s die variëren van natuurlijke, land­ schappelijke elementen tot kunstmatige elementen. Voorbeelden van natuurlijke, landschappelijke elementen zijn natuurlijke oevers van waterlopen, poelen, brede bermen en houtsingels. In Eersel zijn dat onder andere het Boterpad en de bovenlopen van Bruggenrijt, de Run, de Gender en Klei­ ne Beerze. Voorbeelden van kunstmatige elementen zijn ecoducten, amfibieëntunnels en vis- en wildtrappen. In Eersel zijn onder andere amfibieëntunnels te vinden in de Merenweg en bij het Rouwven. Natuurvisie (2014) en Natuurakkoord Het Rijk heeft in 2014 het natuurbeleid tot 2024 vastgesteld in de Natuurvisie. Centraal hierin staat een andere benadering van het thema Natuur. De visie formuleert dat natuur midden in de samen­ leving thuishoort en niet alleen in beschermde natuurgebieden. Hierbij is ook sprake van gedeelde verantwoordelijkheid. Het Rijk is verantwoordelijk voor kaders en ambities en de provincies zien toe op invulling en uitvoering van het beleid. Deze afspraken zijn verankerd in het Natuurakkoord. Wet natuurbescherming (Wnb, 2017) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wet­ ten, namelijk de Boswet, de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. De Europese Unie eist van Nederland dat het een meer proactieve rol neemt in natuurbescherming.

Deze eis is in de Wnb verankerd in Artikelen 1.7 en 1.12. De artikelen geven aan dat de provincie zich actief moet inzetten op bescherming en/of herstel van leefgebieden van rode lijstsoorten, dus niet alleen de wettelijke beschermde soorten. Dit is een wettelijke taak voor alle overheden en organisaties. Pro­ vincie Noord-Brabant moet als verantwoordelijk bevoegd gezag voor naleving van de Wnb, een voorttrekkersrol vervullen om behalve passieve ook actieve natuurbescherming uit te voeren. Deze rol vertaalt zich onder andere in subsidiëring van natuurontwikkeling via het Groen Ontwikkelfonds Brabant en groene handhaving door Omgevingsdienst Brabant Noord. VN verdrag voor rechten van mensen met een beperking Op 14 juli 2016 is het VN verdrag voor rechten van mensen met een beperking in Nederland gerati­ ficeerd. Met deze wet heeft de gemeente de verplichting iedere voorziening voor iedereen met of zondering een beperking toegankelijk wordt gemaakt. De gemeente heeft de plicht om bij de (her)inrichting van de openbare ruimte hiermee rekening te houden. Programmatische Aanpak Stikstof (PAS, 2015) De PAS is een gezamenlijke, samenhangende en wettelijke aanpak van alle betrokken overheden op gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau.

De PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Door deze maatregelen kunnen in en rondom de Natura 2000-gebieden nieu­

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ecologische hoofdstructuur (Nederland) https://nl.wikipedia.org/wiki/Ecologische verbindingszone

16

we economische activiteiten, zoals bedrijfsuitbreidingen die stikstofdepositie veroorzaken, worden toegelaten. 2.2.2. Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld (2004) en Structuurvisie Eersel (2011) In het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld van gemeente Eersel 2004 (DRS) is een ruimtelijkfunctionele visie per kern opgesteld dat zorgvuldig ruimtegebruik en een kwaliteitsverbetering be­ oogt. In het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid is hierbij het credo “inbreiden vóór uitbreiden” van kracht. Eén van de doelen van het DRS is om in de kernen de groen- en waterstructuren te ver­ sterken. Het DRS geeft de belangrijke groen- en waterstructuren per kern aan. Waar de DRS zich alleen op de kernen richt, is de Structuurvisie Eersel (SVE) gericht op de verbe­ tering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De SVE is een integrale visie die bestaande ruimtelijke visies van het buitengebied in de gemeente aan elkaar koppelt en aanvult met een uitvoerings- en exploitatieparagraaf. De SVE legt de verbinding tussen: Bestemmingsplannen, Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties, Sloopstimuleringsregeling voor sloop van overtollige gebou­ wen, Landschapsontwikkelingsplan en de Agenda van de Kempen voor de uitvoering van reconstructieprojecten.

Doel van de SVE is om mogelijkheden te scheppen voor ruimtelijke ontwikkelin­ gen en tegelijk kwaliteitsimpulsen te geven aan het buitengebied om de stedelijke druk vanuit Eindhoven op te vangen en om te voldoen aan de wens om landschappelijke waarden te behou­ den. 2.2.3. Beleidstukken bossen en natuurgebieden Eersel De diverse bospercelen en/of natuurterreinen binnen de gemeentegrenzen van Eersel zijn in ei­ gendom van verschillende eigenaren. Dat varieert van: particulieren, Het Brabants Landschap, Na­ tuurmonumenten, waterschap De Dommel, Brabant Water, de gemeenten Eersel, Bergeijk, Bladel en Veldhoven, provincie Noord-Brabant tot De Staat. Binnen haar eigen gemeentegrenzen heeft gemeente Eersel circa 1.150 ha bos en natuur in eigendom. Van dit areaal beheert Staatsbosbe­ heer via een langdurige erfpachtconstructie circa 500 ha bos en natuur en wordt circa 650 ha door de gemeente zelf beheerd. Dit zelfstandige beheer is uitbesteed aan Bureau van Nierop. De ge­ meente heeft als grondeigenaar rechtstreeks zeggenschap over de door Staatsbosbeheer en Bu­ reau van Nierop beheerde bossen en natuurterreinen. Beide partijen zijn verplicht om circa elke 10 jaar een nieuw/vernieuwd beheerplan respectievelijk bosnota aan gemeente Eersel ter vaststelling voor te leggen. Vervolgens geeft het College hierop zijn akkoord.

In deze plannen worden afspra­ ken gemaakt hoe de bossen en natuurterreinen ingericht, beheerd en/of gebruikt worden. Buiten de Eerselse gemeentegrenzen liggen nog enkele bospercelen die in eigendom zijn van gemeente Eersel. Bosnota gemeente Eersel (2011) De hoofddoelstelling van de vastgestelde Bosnota is: het zo goed mogelijk laten samengaan van de functies natuur, recreatie, cultuurhistorie en houtteelt, door middel van het actief sturen in spon­ tane processen, waarbij het bosbedrijf onafhankelijk is van externe geldstromen. De hoofddoelstel­ ling van de Bosnota is per functie verder opgedeeld in nevendoelstellingen, die verder vertaald en op kaart uitgewerkt zijn in een viertal streeftypen voor bos en één streefbeeld voor (open) natuur­ terreinen (Pruijsten et al, 2011). De gebieden die genoemd worden in de Bosnota liggen groten­ deels ten noorden van de snelweg A67. Staatsbosbeheer Uitwerkingsplan Object Eersel (2014) Het Uitwerkingsplan is gebaseerd op de visie van Staatsbosbeheer om gebieden te benutten, te beleven en te beschermen. Voor wat betreft het benutten, komt het accent van het multifunctioneel bosbeheer deze beheerperiode op de productiefunctie te liggen. Bij beleven wil Staatsbosbeheer het recreatieverkeer meer in de randen van de beheergebieden opvangen.

In Eersel beschermt Staatsbosbeheer belangrijke natuurgebieden en landschappelijke en cultuurhistorische gebieden, vooral in de meer open terreinen, zoals de heideveldjes, vennen, broekbossen, graslanden en grafheuvels (Ziel & Wijdeven, 2014). De gebieden die genoemd worden in het Staatsbosbeheer Uitwerkingsplan liggen grotendeels ten zuiden van de snelweg A67.

17

Foto 1. Natura2000 in Eersel: Groot en Klein Meer nabij Vessem.

“V7

iį“Ŝgř

„ŵ*-rŕ;'

Sįŕt ' M SH

•I- . trļ

áŵS?* ííţm-' —: vq

. IU

X SìŴj »r

Foto 2. De bossen in Eersel beslaan 250â van het buitengebied.

18

2.2.4. Beeldkwaliteitsplan gemeente Eersel (2012) De aanleiding voor het opstellen van het Beeldkwaliteitsplan (BKP) is dat specifiek beleid nodig is om de karakteristieke historische kwaliteiten van de dorpen en buurtschappen in de gemeente Eersel te behouden en waar mogelijk te herstellen. De huidige beleidslijnen blijken vaak te alge­ meen of zijn opgesteld vanuit een eigen beleidsdiscipline waarbij het overzicht over de verschillen­ de disciplines ontbreekt. De historische kwaliteiten zijn nog duidelijk zichtbaar en bepalen voor een deel de identiteit van een dorp. Het doel van het BKP is om de ruimtelijke kwaliteit en de samen­ hang van de dorpen te borgen om daarmee de identiteit en de leefbaarheid van het dorp te ver­ sterken. Nevendoel van het BKP is een integraal beleid dat de verschillende beleidsvelden over­ stijgt en de dwarsverbanden legt. Het BKP geeft kaders en richtlijnen voor de belangrijkste histori­ sche wegen en dorpsruimten in de gemeente Eersel om te sturen op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Het integrale beeld is in het BKP leidend, dus gebouw + erf + straat (Hendriks et al, 2012). 2.2.5. Kwaliteitsplan Groen (2012) Het doel van het kwaliteitsplan Groen is om inzicht te geven wat de mogelijkheden zijn ten aanzien van het onderhoud van de groenvoorzieningen met een bepaald budget. In dit plan zijn diverse scenario’s uitgewerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=d6f16a0f-710e-42d6-8d56-13bbf2fd0da8