CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Goyergracht Zuid 3a, Eemnes Toelichting SK30112023

Commissie WenR 8 april 2024, gemeente eemnesBij agendapunt: Ontwerp wijzigingsbestemmingsplan Goyergracht zuid 3A17.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De bebouwing dient georiënteerd te zijn op de verkavelingsrichting. Opgave 1. 480 m2 (footprint) aan uitbreiding t.b.v. zorgbegeleiding en natuur- en milieueducatie. 2. Verplaatsen van huidige paardenbak. Erfafscheidingen Het perceel moet over het algemeen een open karakter hebben, waarbij rondom de bebouwing extra groen wordt aangeplant voor afscherming. Bijdrage landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Van de zes initiatieven wordt verwacht dat zij bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de kernrandzone in brede zin. Dit betekent dat er sprake is van compenserende maatregelen zowel op kavelniveau als ook buiten het kavel. Ter kwaliteitsverbetering wordt, behalve bovengenoemde ontwikkeling, door Het Spookbos een (half verhard) pad van 350 m1 gerealiseerd vanaf de Goyergracht direct naar het bos. Het bos wordt recreatief aantrekkelijker gemaakt. Het pad legt ook een verbinding met het achterliggend landschap en de achtergelegen Rijksweg. Er is een informatiebord gerealiseerd dat informatie geeft over het buitengebied Goyergracht. In de Kernrandvisie staat opgenomen dat er een grenspaal en picknickplaats gerealiseerd wordt als onderdeel van de compenserende maatregelen. De gemeente heeft op een later moment de voorkeur gegeven aan een informatiebord i.p.v. picknickplaats en grenspaal. Dit informatiebord is in najaar 2023 geplaatst.

Het Spookbos vergoedt de kosten voor dit informatiebord als onderdeel van de compenserende maatregelen. Tevens zal er 80 m1 boomaanplant plaatsvinden in het landschappelijk raamwerk. Op deze wijze zullen de te verwijderen bomen, t.b.v. de nieuwe ontwikkeling, worden herplant. De nieuw te realiseren paardenbak zal zorgvuldig worden

28

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes ingepast in het omliggende landschap. Bijvoorbeeld door toepassing van 'open' hekwerken met een natuurlijke uitstraling. Wat betreft de verlichting van de nieuwe paardenbak is het van belang de lichthinder zo veel mogelijk te beperken. Dit gebeurt conform uitgangspunten in de kernrandvisie, zoals terug te lezen is in paragraaf 5.11 Daarnaast zal Het Spookbos als extra compenserende maatregel de bestemming maatschappelijk, zoals op perceel L17 aanwezig omzetten in bestemming Agrarisch 3. Op deze wijze wordt een samenhangend geheel gecreëerd binnen het plangebied. Kortom, als compenserende maatregelen voor de planontwikkeling wordt gerealiseerd: 1. 80m1 boomaanplant op het landschappelijk raamwerk (conform Kernrandvisie Eemnes) 2. 350m1 (half)verhard pad om het gebied te ontsluiten (conform Kernrandvisie Eemnes) 3. Informatiebord (i.p.v. grenspaal en picknickplaats conform Kernrandvisie Eemnes) 4. Teruggave van agrarische bestemming ten koste van maatschappelijke bestemming op perceel L17 (aanvullende compenserende maatregel op initiatief van Het Spookbos) om meer samenhang in het gebied te creeeren Hierna wordt door middel van een impressie de plannen weergegeven.

Afbeelding 16: Impressietekening

4.3.5 Conclusie De voorgenomen plannen zijn niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

(voorontwerp)

29

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

Hoofdstuk 5 5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.

5.2

Archeologie

5.2.1 Algemeen De toenemende bedreiging van het archeologische erfgoed in heel Europa, niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, gaf aanleiding voor het in 1992 door de Europese lidstaten ondertekende Verdrag van Valletta of ook wel Verdrag van Malta genoemd. Doel van het archeologisch (voor)onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologisch (voor)onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen.

5.2.2 Onderzoek In april 2018 heeft Salisbury Archeologie b.v. een bureau- en inventariserend veldonderzoek verkennende fase (IVO-O) uitgevoerd met betrekking tot het plangebied. Doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden in en in de omgeving (onderzoeksgebied) van het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor het plangebied opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Het doel van het inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O) is om het verwachtingsmodel te toetsen en door middel van boringen vast te stellen in welke mate de bodemopbouw intact is. Aangezien de bodem in het plangebied gedeeltelijk een intacte podzolbodem bevat afgedekt door een dikke bouwvoor, kunnen eventuele nederzettingsresten met fragmenten vuursteen en/of aardewerk, haardkuilen, paalgaten, greppels, afvalkuilen en begravingsresten in het plangebied verwacht worden. Indien aanwezig, dan zullen deze archeologische resten goed geconserveerd zijn.

De geplande ingrepen in de bodem zullen eventueel aanwezige archeologische resten vernietigen. Aanbeveling Op basis van de resultaten van het zowel het bureau- als verkennend booronderzoek, wordt aanbevolen een vervolgonderzoek uit te voeren door middel van een karterend booronderzoek ter hoogte van de boringen 4 tot en met 7 (de geplande paardenbak). Het doel van een karterend onderzoek is het vaststellen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Indien tijdens het karterend booronderzoek geen archeologische indicatoren worden aangetroffen kan het plangebied vrijgegeven worden met betrekking tot de archeologie. Indien wel archeologische vondsten worden aangetroffen dan is vervolgonderzoek nodig in de vorm van proefsleuven. Met betrekking tot de aanbevelingen/bevindingen uit onderhavig onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Eemnes.

30

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

5.2.3 Conclusie Volgens de conclusie uit het rapport dient er een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd ter plaatse van de toekomstige paardenbak om vast te stellen of er al dan niet archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Echter wordt ten behoeve van de paardenbak niet dieper gegraven dan 30 cm. Een vervolgonderzoek is dus niet noodzakelijk. De gemeente heeft aangegeven dat op basis van het rapport ook nader onderzoek noodzakelijk is ter plaatse van de schuilstal voor paarden. Deze schuilstal bevat alleen op de draagpunten een funderingspoer. De bodem wordt dus nagenoeg niet geroerd, waardoor dit onderzoek achterwege kan blijven. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 1 Archeologisch onderzoek toegevoegd aan dit plan.

5.3

Ecologie

5.3.1 Algemeen Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk ‘soortbescherming’: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde ‘andere soorten’ (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd.

(voorontwerp)

31

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een ‘Nee, tenzij’toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. Voor onderhavig project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’- toets niet nodig omdat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt.

5.3.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkelingen op de Goyergracht-Zuid 3a te Eemnes, heeft Bureau Natuurlijk een QuickScan uitgevoerd om inzicht te krijgen of de uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet Natuurbescherming. Op 15 december 2021 is er een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Hieruit voortvloeiend kwam een vervolg met een marter- en vleermuisonderzoek. Deze onderzoeken zijn afgerond op respectievelijk 19 september 2022 (marter) en 5 december 2022 (vleermuis) Uit het onderzoek is gebleken dat: Gebiedsbescherming Natura 2000 Binnen een straal van 3 kilometer van de planlocatie ligt er geen Natura2000 gebied. Gezien de aard en de omvang van de ingreep en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied zal dit geen negatieve invloed hebben. Natuur Netwerk Nederland Omdat het NNN in Utrecht geen externe werking kent, is een verdere toetsing niet aan de orde. Soortbescherming Flora Op de planlocatie zijn tijdens het veldbezoek geen, volgens de wet Natuurbescherming, beschermde flora aantroffen. Zoogdieren Om de voorgenomen ontwikkelingen op de planlocatie uit te kunnen voeren dienen er enkel bomen gerooid te worden. De overige bebouwing blijft intact. Tijdens het veldbezoek zijn er geen holten aangetroffen in de bomen welke als rust- / verblijfplaats kunnen dienen voor de vleermuis. Ook zijn er geen (sporen van) zoogdieren aangetroffen. N.a.v.

het onderzoekt diende er wel te worden vastgesteld of de weide aan de noordzijde een essentieel foerageer gebied voor de vleermuis is, omdat deze mogelijk door de paardenbak verlicht gaat worden. Hiervoor is een vervolgonderzoek uitgevoerd (zie ‘Marter- en vleermuisonderzoek’). Vogels De te vellen bomen zijn onderdeel van een groter geheel. Deze bomen worden als leefgebied gebruikt door vogels. Zoals eerder gemeld zijn er geen holten aangetroffen. Ook zijn er geen beschermde nesten waargenomen. Geadviseerd wordt buiten de broed- / netstelperiode de bomen te rooien. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van amfibieën aangetroffen. Het plangebied ligt dan ook buiten het bereik van beschermde reptielen en amfibieën door het ontbreken van water(gangen). Overige soortgroepen Op basis van de inrichting van de planlocatie, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens wordt in het projectgebied geen voortplanting of vaste verblijfplaatsen verwacht van overige beschermde soorten (reptielen, vissen en ongewervelden) uit de Wet natuurbescherming. Wel zijn er op de planlocatie veel zogenaamde takkenrillen aanwezig. Geadviseerd wordt deze bij de inrichting van de locatie weer een plek te geven.

32

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes Broedvogels Opgemerkt wordt dat de omgeving van de onderzoekslocatie in het broedseizoen tevens geschikt is als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten. Alle in gebruik zijnde nesten zijn beschermd. Indien er geen kapwerkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen wordt er geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht wat betreft nestlocaties voor vogels. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog. Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Zorgplicht Ten alle tijde blijft de zorgplicht gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend.

Marteronderzoek (vervolgonderzoek) Naar aanleiding van een eerder uitgevoerde quickscan flora en fauna is er een nader onderzoek aangevraagd inzake kleine marterachtigen. Aan de hand hiervan kan worden geconcludeerd of het initiatief in strijd is met de Wet Natuurbescherming. In september 2022 heeft het onderzoek plaatsgevonden doormiddel van het plaatsen van cameravallen met als lokaas sardientjes. Deze zijn op plekken geplaatst die in potentie geschikt zijn als routes voor kleine marterachtigen. Op de beelden zijn geen marterachtigen vastgelegd. Dit in combinatie met het ontbreken van andere aanwijzingen als krabsporen, prooiresten of uitwerpselen leidt tot de conclusie dat het initiatief de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Vleermuisonderzoek (vervolgonderzoek) Naast het marteronderzoek heeft er een nader onderzoek plaatsgevonden inzake de vleermuis (december 2022). Voor onderhavig onderzoek hebben er 5 observatieperioden plaatsgevonden. Er is gekeken naar uitvliegen/invliegende vleermuizen na zonsondergang. Wanneer een vleermuis rond zonsondergang wordt waargenomen kan worden geconcludeerd dat deze nog niet lang uitgevlogen zijn en dus de verblijfplaats in de nabije omgeving hebben. Tijdens de inventarisaties waren er voor of na zonsondergang/opkomst geen vleermuizen waargenomen nabij de planlocatie. Het initiatief zal dan ook geen soorten verstoren.

Hiermee is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming.

5.3.3 Conclusie Uit de Natuurtoets blijkt dat dit aspect Ecologie geen belemmering vormt voor de plannen. De uitgevoerde onderzoeken zijn in Bijlage 2 Natuurtoets toegevoegd aan dit plan.

5.4

Water

5.4.1 Algemeen In de loop van de tijd hebben ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland veel ruimte aan water en/of waterbergingslocaties onttrokken. Aan het begin van deze eeuw is geconstateerd dat ruimtelijke ontwikkelingen de ruimte voor water niet verder zouden mogen beperken. Juist meer ruimte voor water is nodig om klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing en bodemdaling op te vangen. Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is de watertoets.

(voorontwerp)

33

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes Het doel van deze watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en een uitbreiding van het vooroverleg met de waterschappen. De verplichting geldt formeel niet voor de structuurvisie. De ruimtelijke structuurvisie is een belangrijk instrument, omdat hierin de strategische ruimtelijke keuzen (locatiekeuzen) voor water en ruimtelijke ontwikkelingen worden gemaakt. Het instrument is vorm- en procedurevrij. Gezien het belang van het instrument is het wel noodzakelijk de waterbeheerder hier goed bij te betrekken.

5.4.2 Onderzoek Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. In april 2018 is door EDOK-RO de watertoets uitgevoerd. Beoordeling In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.

Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.

Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Tot slot Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoets procedure of via de Digitale Watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Een watervergunning van het waterschap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater.

34

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

5.4.3 Conclusie Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft een positief advies gegeven. De uitgevoerde toets is als Bijlage 3a Watertoets en Bijlage 3b Samenvatting watertoets toegevoegd aan dit plan.

(voorontwerp)

35

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

5.5

Geluid wegverkeerlawaai

5.5.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van het bestemmingsplan dan ook aandacht te worden geschonken aan het aspect "geluid". In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt niet indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten. Aangezien er een geluidgevoelig object in het plangebied wordt gerealiseerd, dient er akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone.

Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:  de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;  het aantal rijstroken. In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;  wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;  wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;  wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:  wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;  wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur.

5.5.2 Onderzoek In maart 2018 is door Windmill Milieu Management en Advies een akoestisch onderzoek naar de geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer uitgevoerd. Een onderdeel van deze plannen is het realiseren van een zorgafdeling, inclusief nachtverblijf. De zorgafdeling inclusief nachtverblijf maakt deel uit van het recreatieverblijf Spookbos. De zorgafdeling betreft een ondersteunende functie van het recreatieverblijf en het nachtverblijf is bedoeld voor kortdurende verblijf (logiefunctie). Op basis van deze functie is er geen sprake van een geluidgevoelig object volgens de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wel te worden aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In het kader hiervan is de geluidbelastingen inzichtelijk gemaakt vanwege de relevante zoneplichtige wegen in de nabijheid van het plan. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 De planlocatie is gelegen binnen de invloedssfeer en de geluidzone van de Rijksweg A27. Overige wegen hebben een lage verkeersintensiteiten en/of zijn verder weg gelegen waardoor geen relevante geluid bijdrage wordt verwacht vanwege deze wegen ter plaatse van het plan.

Conform de Wet geluidhinder dient overeenkomstig het gestelde in artikel 1 van deze Wet met betrekking tot de geluidbelasting van een weg de Europese dosismaat L dayevening-night (Lden) in dB te worden bepaald bij geluidgevoelige objecten. Binnen het plangebied zijn geen geluid gevoelige objecten aanwezig. Dit betekent dat toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet aan de orde is.

36

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes Op basis van vaste jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het akoestisch woon- en leefklimaat als gevolg van de relevante omliggende wegen van het plan is onderzocht. Voor de beoordeling van de geluidbelasting wordt gebruik gemaakt van de classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens de methode Miedema. Hierin wordt de geluidbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Omdat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, wordt bij de berekening van de geluidbelasting geen correctie ex artikel 110g van de Wet geluidhinder toegepast. Lden classificering volgens de methode Miedema Geluidklasse

Beoordeling

Lden < 50 dB

Goed

Lden 50 - 55 dB

Redelijk

Lden 55 - 60 dB

Matig

Lden 60 - 65 dB

Tamelijk slecht

Lden 65 - 70 dB

Slecht

Lden > 70 dB

Zeer slecht

Indien de milieukwaliteit als goed of redelijk wordt beoordeeld, is sowieso sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Bij de beoordeling matig, tamelijk slecht en slecht dient bezien te worden of met maatregelen de geluidbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen. Verder is het aan te bevelen dat zodanige gevelmaatregelen worden genomen dat de maximaal aanvaarde binnenwaarde op grond van het Bouwbesluit wordt gerespecteerd. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting ter plaatse van het plangebied vanwege de Rijksweg A27 overeenkomstig “methode Miedema” is te classificeren als ‘matig’. Mogelijke maatregelen zijn onderzocht. Geconcludeerd wordt dat het niet mogelijk of wenselijk is om bron- of overdrachtsmaatregelen te treffen die de geluidbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh. De maatregelen die kunnen worden genomen bij de ontvanger (zorgverblijf met logiefuncties) zijn erop gericht om te voldoen aan de aanvaardbaar binnenniveau. Hiermee kan een goed akoestisch woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. De toetsing van het binnenniveau en de dimensionering van de benodigde gevelmaatregelen vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. Opgemerkt wordt dat er vanuit het Bouwbesluit geen eisen worden gesteld aan het binnenniveau voor logiefuncties.

Het bevoegd gezag, de gemeente Eemnes, maakt de uiteindelijke afweging of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Aangezien nieuwe bebouwing aan de eisen van deze tijd moet voldoen zal het geluidniveau van de binnenwaarde afnemen ten opzichte van de huidige situatie.

5.5.3 Conclusie Uit het onderzoeksrapport blijkt dat het aspect geluid geen belemmering is voor de realisatie van de plannen. Ten opzichte van de huidige situatie zal het nieuwe gebouw, door de juiste maatregelen, er voor zorgen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 4 Akoestisch onderzoek toegevoegd aan dit plan. De gevolgen van het plan op de omliggende functies wordt uiteengezet in paragraaf 5.7 ‘Milieuhinder’.

5.6

Geur

5.6.1 Algemeen Voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen gelden de volgende kaders:  Wet geurhinder en veehouderij (voor vergunningplichtige bedrijven).  Activiteitenbesluit milieubeheer (voor meldingsplichtige bedrijven),

(voorontwerp)

37

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes Bij besluitvorming over ruimtelijke besluitvorming gaat het erom voor geurhinder van veehouderijen aan de volgende voorwaarden te voldoen: 1. het kunnen garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 2. het niet onevenredig schaden van iemands belangen. Hiervoor is het nodig om voldoende afstand aan te houden tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten (gebouwen bestemd en geschikt voor menselijk verblijf, zoals woningen, kantoren en scholen).

5.6.2 Onderzoek Momenteel zijn er op de locatie aanwezig: 1 paard, 8 pony's, 10 kippen, 6 schapen, 3 geiten en 2 konijnen. Afhankelijk van specifieke omstandigheden kan dit aantal fluctueren. Hierbij kan gedacht worden aan lammerperiode, verkoop van dieren, overlijden van dieren etc. De afstand van een mestopslag tot aan de bebouwde kom dient minimaal 100 meter te zijn. De locatie van de opslag van vaste mest is nu buiten deze afstand gelegen. In de toekomstige situatie zal een aanvullende mestopslag worden toegevoegd op perceelnummer 1282. Deze mestopslag komt op een afstand van ca. 140 meter te liggen tot omliggende woningen. Dus wordt er voldaan aan de minimale afstand van 100 meter.

5.6.3 Conclusie In de toekomstige situatie zal de mestplaat nog verder vanaf gevoelige objecten komen te liggen. In de nieuwe situatie kan er nog steeds ruimschoots aan de 100 meter grens worden voldaan. Een geuronderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

5.7

Milieu(hinder)

5.7.1 Algemeen Nieuwe functies kunnen milieuhinderlijk zijn voor omringende woningen dan wel bedrijven. Er dient een beoordeling plaats te vinden of de nieuwe functie wel milieuhygiënisch inpasbaar is. Er dient daarom beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door onderhavig project of waarvan het project juist hinder ondervindt. De (indicatieve) lijst “Bedrijven en Milieuzonering 2009”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

Bij het bepalen van de richtafstanden wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:  het betreft gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;  de richtafstanden hebben vanwege de ligging aan een doorgaande weg (Goyergracht Zuid en in mindere mate aan de A27) is er sprake van een gemengd gebied;  de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;  bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten kunnen deze activiteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij de ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

38

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

5.7.2 Onderzoek Tevens dient onderzocht te worden of met het realiseren van het plan omliggende woonfuncties en/of de bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende (agrarische) bedrijven worden aangetast. Middels milieuzonering kan hierover een uitspraak worden gedaan. Voor het aspect zonering tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies wordt de VNG brochure “Bedrijven en milieuzonering” editie 2009 gebruikt. De brochure is bedoeld als hulpmiddel. Als gevolg van jurisprudentie heeft de publicatie bijna de status van “pseudowetgeving” gekregen waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken. Het uitgangspunt in de nieuwe versie is gemotiveerd toepassen, met als doel te komen tot maatwerk op lokaal niveau. De brochure is toe te passen voor plannen en voor het toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Onderhavig plangebied valt o.a. onder ‘Verpleeghuizen’. Deze categorie omvat huizen en dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrische cliënten. Ook valt onder deze categorie jeugdzorg en maatschappelijke opvang met overnachting. Hierbij is de grootst te hanteren afstand 30 meter ten opzichte van omliggende (agrarische) bedrijfsfuncties. Echter worden op het perceel ook dieren gehouden. Derhalve is tevens een milieucategorie 3.1 van toepassing op het plangebied.

Hierbij is de grootst te hanteren afstand 50 meter ten opzichte van omliggende gevoelige functies. SBI-2008 86 87 01 0143, 0145 0145 2

Omschrijving Categorie GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG Verpleeghuizen 2 LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V DE LANDBOUW Fokken en houden van overige graasdieren -Overige graasdieren 3.1

Richtafstanden Geur Stof Geluid

Gevaar

10

0

30

0

50

30

30

0

Deze afstanden gelden ten opzichte van rustige woonwijken. Echter kan onderhavig gebied worden aangemerkt als gemengd gebied. Dit wordt getypeerd door functiemenging. Om omstreken van het plangebied is er sprake van verschillende functies, namelijk ‘Wonen’, ‘Maatschappelijk’, ‘Agrarisch’ en ‘Bedrijf’. Daarbij grenst het plangebied aan de A27. Derhalve kan de grootst te hanteren afstand met één trede worden verlaagd. Hierdoor komt de grootst te hanteren afstand op 30 meter. Aan deze afstand kan worden voldaan, zowel ten opzichte van omliggende gevoelige functies als die van omliggende (agrarische) bedrijven.

5.7.3 Conclusie De planlocatie is gelegen buiten de milieuzones van bedrijven en de nabij gelegen bedrijven worden niet belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden. Aangezien er geen sprake is van uitbreiding, maar van investeren in een op de toekomstgericht bedrijf is er ter plaatse van de omliggende woningen nog steeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.8

Luchtkwaliteit

5.8.1 Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

(voorontwerp)

39

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes 

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.8.1.1

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:  woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;  kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.8.1.2

Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen / klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.8.2 Situatie projectgebied Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde voorbeelden, kan worden aangenomen dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. In onderstaande worst-case berekening is uitgegaan van 50 extra auto's, bij bijvoorbeeld een open dag of iets vergelijkbaars. Hieruit blijkt dat de grens voor "Niet In Betekende Mate" niet wordt overschreden.

5.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt in de huidige situatie geen belemmering en zal doordat er geen sprake is van toename van activiteiten dus geen belemmering zijn voor de uitvoerbaarheid van dit project.

40

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

5.9

Bodem

5.9.1 Algemeen De bodem wordt op vele manieren gebruikt, voor bijvoorbeeld woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit nu en in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Doordat mensen al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft zij overal sporen achtergelaten. Deze sporen zijn terug te zien in het landschap en te vinden op en in de bodem. Door bodemsanering worden de ernstige chemische verontreiniging van de bodem aangepakt. Bescherming van de bodem betekent bovendien het voorkomen dat schone grond verontreinigd raakt en het rekening houden met de eigenschappen van de bodem. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. In artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan.

5.9.2 Onderzoek In september 2017 is door APS - Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van het verkennend bodemonderzoek is:  Bepalen of er al dan niet van bodemverontreiniging sprake is, conform de Wet Bodembescherming.  Eventueel bepalen of er een nader onderzoek gewenst is naar de ernst van de bodemverontreiniging.  Eventueel verkrijgen van een eerste indicatie van de verspreiding van de verontreiniging, zonodig door heranalyse van afzonderlijke monsters. Voor het onderzoek zijn er 19 boringen genomen of het gehele plangebied (incl. de gronden waar de nieuwe bebouwing dient te worden gerealiseerd). De bovengrond (MM01, 0-0,5 m-mv) ter plaatse van het westelijk terreindeel, waar de toekomstige bouwlocatie onderdeel van uitmaakt, is licht verontreinigd met lood. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt:  De bovengrond (MM02, 0-0,6 m-mv) ter plaatse van het middendeel van het terrein niet is verontreinigd. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’.  De bovengrond (MM03, 0-0,5 m-mv) ter plaatse van het oostelijk terreindeel is licht verontreinigd met lood. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’.

 De ondergrond van het gehele terrein (MM04 en MM05, traject 0,8-1,7 m-mv) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘altijd toepasbaar’.  Het grondwater uit peilbuis 01 is licht verontreinigd met barium. Het grondwater uit peilbuis 02 is licht verontreinigd met zink en cadmium. De hypothese onverdacht wordt op basis van de aangetroffen lichte verontreinigingen verworpen. Geconcludeerd kan worden dat de locatie maximaal licht verontreinigd is. Omdat in de grond en grondwater slechts enkele lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, is er geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek.

5.9.3 Conclusie en aanbevelingen Op basis van onderhavig bodemonderzoek zijn er milieu hygiënisch geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 5 Bodemonderzoek toegevoegd aan dit plan.

(voorontwerp)

41

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

5.10 Externe veiligheid 5.10.1

Algemeen

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.

5.10.2

Onderzoek

In juni 2017 is door TAUW (projectnr. 1244055, zie Bijlage 8), in het kader van de herziening van het bestemmingsplan woongebied Zuidpolder in de gemeente Eemnes een onderzoek gedaan met betrekking tot de externe veiligheid, op basis van verschillende besluiten op het gebied van externe veiligheid. Ook voor onderhavig bestemmingsplan zijn met name de besluiten over transportroutes (besluit externe veiligheid transportroutes) en inrichtingen (besluit externe veiligheid inrichtingen) van toepassing. In samenhang met de bijbehorende regelingen, respectievelijk het basisnet en regeling externe veiligheid inrichtingen, is de externe veiligheid in kaart gebracht. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich twee risicovolle bedrijven, namelijk een LPG tankstation en een gasopslag. Deze bevinden zich respectievelijk op 475 en 450 meter vanaf het plangebied. Uit het onderzoek van TAUW is gebleken dat het plaatsgebonden risico en het groepsrisico geen beperkingen opleveren voor de vaststelling van het bestemmingsplan; aan de gestelde grens- en richtwaarden uit het Bevi wordt voldaan.

42

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes Daarnaast is er een transportroute voor gevaarlijke stoffen in de buurt (A27) op 280 meter afstand van het plangebied. Uit het onderzoek van TAUW blijkt dat voor deze transportroute geldt, dat aan de wettelijke vereisten uit het Bevt voor wat betreft het plaatsgebonden risico en het groepsrisico wordt voldaan.

Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart

5.10.3

Conclusie

Voor het aspect externe veiligheid kan gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn voor het realiseren van het plan. Zie Bijlage 6.

5.11 Verlichting Bij de bestaande paardenbak op perceel L17 (WABO 2016-0048) zal verlichting aangebracht worden met lichtbronnen van maximaal vijf meter hoog. Hierbij wordt uitgegaan van de voorwaarde, zoals opgenomen in de kernrandvisie, dat de lichthinder zoveel mogelijk beperkt dient te worden. Om vooraf een inschatting te kunnen maken van de effecten van de verlichting op de omgeving, is door Lumosa LED B.V. onderzoek gedaan hiernaar. De algemene richtlijnen lichthinder gebruikt Zone E1 t/m E4.

(voorontwerp)

43

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

De planlocatie is gelegen in omgevingszone E2 landelijk gebied, waarbij een maximale lichtintensiteit van 2500 candela aanwezig mag zijn. Volgens de berekening van Lumosa LED B.V. zit de hoogste maximale lichtintensiteit (cd) op 50 bij het gebruik van lichtbronnen van vijf meter hoog. Dit is ruim onder de maximale lichtintensiteit van 2500 candela.

In omgevingszone E2 landelijk gebied is een maximale lichtsterkte van 5 lux toegestaan, zoals in onderstaande tabel is af te lezen.

44

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

Volgens de berekening van Lumosa LED B.v. zit bij de bewoners op de Goyergracht 105 t/m 117 de hoogste maximale lichtsterkte op 0.42. Dit is ruim onder de 5. Geconcludeerd kan worden dat de grenswaarden voor lichthinder niet overschreden worden (zie Bijlage 7 Verlichting onderzoek voor het complete rapport). Op basis van het onderzoek kan daarmee gesteld worden dat er wat betreft lichthinder geen belemmeringen voor de realisatie van lichtbronnen bij de paardenbak zijn.

5.12 Verkeer en parkeren Parkeren Stichting Het Spookbos Huidige situatie Medewerkers en vrijwilligers komen op de fiets/scooter, te voet, met het openbaar vervoer of met de auto. De bewoners van de Gooiergracht parkeren in ieder geval 's avonds en 's nachts hun auto in de openbare ruimte. Een deel van de omwonenden zal overdag niet thuis zijn. Bij het gebruik van de auto vanuit betrokkenen bij Stichting Het Spookbos is wat betreft parkeren sprake van dubbelgebruik. Medewerkers zijn namelijk overwegend aanwezig vanaf 09.00 - 18.30 uur verdeeld over zeven dagen in de week. Er is sprake van parkeren op terrein van Stichting Het Spookbos en dubbelgebruik van bestaande parkeergelegenheid in de openbare ruimte. Het parkeren van bezoekers t.b.v. de verschillende functies bij Stichting Het Spookbos is als volgt ingericht:  Kinderboerderij: Bezoekers van de kinderboerderij komen voornamelijk uit de directe omgeving (BEL-gemeenten). De kinderboerderij is dinsdag tot en met zondag geopend van 10.00 - 16.30 uur. Bezoekers komen overwegend per fiets of lopend naar de kinderboerderij. Het bezoekersaantal is hoger op dagen met weinig neerslag. Bij droge en zonnige dag zullen bezoekers eerder geneigd zijn per fiets of voet te komen. Voor eventuele bezoekers per auto is sprake van dubbelgebruik van bestaande parkeergelegenheid in de openbare ruimte.

Er wordt geschat dat gemiddeld ongeveer tien bezoekers per dag de kinderboerderij bezoeken. De gemiddelde bezoekduur wordt geschat op anderhalf uur.  NME-centrum: Parkeerdruk welke gegenereerd wordt t.g.v. het NME-centrum komt voort uit de leerlingen van de basisscholen die bij Stichting Het Spookbos op bezoek komen om een natuurles te volgen. Deze lessen vinden hoofdzakelijk plaats in de maanden februari tot en met juni en september tot en met oktober

(voorontwerp)

45

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes tussen 09.30 uur en 14.30 uur op twee à drie dagen per week (schoolvakantie uitgezonderd; dan zijn er geen lessen). Er vindt één les per dagdeel plaats met een lesduur van maximaal twee uur. De maximaal dertig leerlingen komen lopend, per fiets, de schoolbus of met 5-6 auto's. Voor de leerlingen, die per auto worden vervoerd, is sprake van dubbelgebruik van bestaande parkeergelegenheid in de openbare ruimte.  Zorgbegeleiding: Kinderen van de zorgbegeleiding komen onder schooltijd (9.00 uur – 14.30 uur) of na schooltijd (14.30 uur - 18.30 uur) of in het weekend overdag per fiets, te voet of met de auto naar de locatie van Stichting Het Spookbos. Het grootste gedeelte van de kinderen wordt middels een van onderstaande principes per auto vervoerd: a. In groepjes of individueel door de 'zorgauto' van Stichting Het Spookbos. b. In groepjes of individueel via Kiss & Ride principe met Rollybus. c. Individueel via Kiss & Ride principe met ouders/verzorgers. De kortstondige parkeerdruk (Kiss & Ride) tot 18.30 uur wordt opgevangen door dubbelgebruik van bestaande parkeergelegenheid in de openbare ruimte.  Evenementen: Er vinden bij Stichting Het Spookbos ongeveer vier tot zes maal per jaar evenementen plaats. Hierbij kan gedacht worden aan o.a. Burendag, de Nacht van de Nacht en Lammetjesdag.

Bezoekers komen uit de directe omgeving voornamelijk met de fiets of lopend. Het deel dat met de auto komt wordt opgevangen door dubbelgebruik van bestaande parkeergelegenheid in de openbare ruimte. Bij de jaarlijkse Nacht van de Nacht is dubbelgebruik direct aan de Gooiergracht minder goed mogelijk, omdat dit evenement in de avond plaatsvindt. Dubbelgebruik in de overige openbare ruimte in de buurt is wel mogelijk voor dit jaarlijks evenement. Het grootste deel van de bezoekers komt te voet of op de fiets. Uit de interne meting van Stichting Het Spookbos en metingen van de gemeente (zie Bijlage 10 Memo parkeren van 17 december 2017) is niet gebleken dat er in de huidige situatie een tekort bestaat t.a.v. parkeren. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal er worden toegezien op het volledig kunnen parkeren op eigen terrein. Om het benodigde aantal parkeerplaatsen vast te stellen, wordt gebruik gemaakt van de landelijke geldende en algemeen toegepaste parkeerkencijfers van het CROW, een onafhankelijk kenniscentrum voor onder meer verkeer en vervoer. Het CROW hanteert vaak een bandbreedte bij de parkeercijfers. De gemeente Eemnes gaat in die gevallen uit van minimaal het midden van de bandbreedte. De omschreven functies van het plangebied passen niet binnen een van de categorieën bedrijven die zijn gegeven in het CROW.

Degene welke dan toch het meest aansluit op ‘Stichting het Spookbos’ is ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. Het gaat hierbij om gemiddeld genomen relatief weinig werknemers en relatief weinig bezoekers. Hierbij geldt dat per 100m2 bedrijfsvloeroppervlakte (BVO) in een weinig stedelijk gebied minimaal 0,8 en maximaal 1,3 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Onderhavig plangebied heeft in de beoogde situatie 960 m2 BVO. Het midden van de bandbreedte parkeerplaatsen (0,8-1,3) is 1,05. Wanneer 1,05 wordt vermenigvuldigd met 960/100 dan komt dit uit op het realiseren van 10 parkeerplaatsen. De ontwikkelingen van Stichting Het Spookbos, zoals omschreven in de kernrandvisie Goyergracht 2017, zijn opgesteld om een duurzame oplossing te vinden voor het huidige ruimtegebrek t.a.v. de functies bij Stichting Het Spookbos. Momenteel wordt gebruik gemaakt van te kleine en ongeschikte ruimtes voor met name de zorgbegeleiding. De uitbreiding van de bebouwing heeft als doel om voldoende passende ruimte te creëren voor de bestaande zorgbegeleiding, de kantoorruimte en NMEcentrum. De organisatieomvang zal niet groeien. Stichting Het Spookbos wil de bestaande voorzieningen verbeteren en niet uitbreiden. Er zal om deze reden geen toename van parkeerbehoefte zijn als gevolg van het bouwplan.

Daarnaast wordt voor de zorgbegeleiding overwegend gebruik gemaakt van groepsvervoer en kiss&ride principe. Beide principes hebben nauwelijks tot geen impact op parkeerdruk. In de huidige situatie worden er praktisch nooit meer dan 8 parkeerplaatsen tegelijk gebruikt. Omdat de activiteiten niet zullen toenemen, is er dan ook geen groei te verwachten voor het aantal bezoekers.

46

(voorontwerp)

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes Derhalve is 8 parkeerplaatsen op eigen terrein aanvaardbaar. Bij evenementen zal er tijdelijk geparkeerd gaan worden in het weiland (zgn. ‘overloop-parkeren’), op de strook langs de Goyergracht Zuid. Er wordt maximaal 5 keer per jaar een evenement georganiseerd. Door in het weiland te parkeren ondervindt de omgeving geen overlast van parkeren door een dergelijk evenement. Parkeren fietsen Nabij het nieuwe gebouw worden voorzieningen getroffen zodat fietsers voldoende ruimte hebben om de fiets veilig en ordelijk te kunnen plaatsen. Conclusie De nieuwbouw zal niet leiden tot een significant hogere parkeerdruk. Als onderdeel van het plan zullen, in tegenstelling tot de huidige situatie, 8 parkeerplekken op eigen terrein worden gerealiseerd. Dit betekent dat conform de Kernrandvisie het parkeren volledig op eigen terrein zal plaatsvinden.

5.13 Besluit milieueffectrapportage (MER) 5.13.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen:  Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.  Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).  Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

5.13.2

Situatie plangebied

5.13.2.1

Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming

Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. In dit geval is er geen sprake van extra verkeersbewegingen. Wanneer er verwacht wordt dat er sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Hiervoor zal er dan een berekening naar de stikstofdepositie benodigd zijn. De gebruikersfase zal echter geen extra stikstofemissie veroorzaken en dus zal er ook geen toename van stikstofdepositie op Natura2000 optreden. Hierdoor is een berekening niet noodzakelijk. Voor de bouwfase zal met de bouwvergunning een AERIUS-berekening worden aangeleverd.

(voorontwerp)

47

bestemmingsplan Goyergracht Zuid 3a, Eemnes

5.13.2.2

Drempelwaarden Besluit m.e.r.

In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:  een oppervlakte van 100 hectare of meer,  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage.

Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 5 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14024524/1