Toelichting bestemmingsplan Oorgat 3 2023_05_08.pdf
Tekst van het document
In de MRA zijn afspraken gemaakt over hoe er op de woningbehoefte in de regio en lokaal kan worden ingespeeld. Zo is er de Woondeal tussen de MRA en het Ministerie van BZK, de Strategische notitie sleutelgebieden, Samen bouwen aan bereikbaarheid, Bereikbare steden en de Verstedelijkingsstrategie. De MRA-gemeenten zetten in op de realisatie van 250.000 woningen tot 2040 en de productie van 175.000 woningen in de periode 2020 tot 2030. Dit is een gemiddelde van 17.500 woningen per jaar. Opgave 1 De gemeenten in Zaanstreek-Waterland spraken in de woonagenda 2017 de ambitie uit om tot 2035, 1.500 woningen per jaar te bouwen. Vanwege de sterke druk op de regionale woningmarkt wordt op dit moment de verstedelijkingsdiscussie gevoerd. In dit kader zal ook de regionale bouwambitie worden herijkt. De regiogemeenten willen bijdragen aan de Woondeal door te bouwen voor de eigen woningbehoefte en voor een deel voor de MRA-woning-behoefte. Deze woningen bouwen de gemeenten in verschillende woonmilieus, die passen bij de verscheidenheid, en in verschillende prijsklassen en woningtypen. Hierbij zorgen de regiogemeenten ervoor dat er in de woonwijken ruimte is voor werken in/bij de woning en waarborgen we voldoende ruimte voor voorzieningen in de woonwijken.
Los van de vraag of de hogere of lagere doelstelling met BZK wordt afgesproken in de verstedelijkingsstrategie, is het duidelijk dat er een opgave ligt om tot 2030 zoveel mogelijk woningen te realiseren om het woningtekort in te lopen en middels de bouw van woningen bij te dragen aan de ontwikkeling van de regionale economie. Per november 2020 hebben de regiogemeenten voor de bouw van ruim 6.200 woningen (6.208) harde plannen en voor de bouw van ruim 36.000 (36.156) woningen zachte plannen
33
Om de ambitie te realiseren heeft de regio momenteel een plancapaciteit beschikbaar van ca. 16.700 woningen t/m 2024 en bijna 14.000 woningen in de periode 2025 t/m 2029. De focus ligt hierbij op een maximale uitvoering Opgave 2 luidt zoveel als mogelijk binnenstedelijk bouwen, met ruimte voor uitzonderingen; opgave 3 luidt zoveel als mogelijk bouwen in de nabijheid van OVknooppunten in de stadsharten; opgave 4 luidt versnellen van de woningbouwproductie en opgave 5 luidt werken aan stedelijke vernieuwing en leefbaarheid De monitoring van de kwantitatieve afspraken uit het woonakkoord krijgt een plaats in de Monitor Woningbouw van de provincie. De uitkomsten van de monitoring zullen in de ambtelijke en bestuurlijke overleggen besproken worden. De plancapaciteit in Zaansteek-Waterland bestaat uit ca. 16.700 woningen t/m 2024 en bijna 14.000 woningen in de periode 2025 t/m 2029. In navolgende afbeelding is overzicht van de plancapaciteit in Zaanstreek-Waterland opgenomen. Hierbij aangetekend dat natuurlijk altijd nieuwe locaties toegevoegd kunnen worden.
Beoordeling en conclusie Dit plan draagt bij aan de leniging van de woningbehoefte en is daarmee in overeenstemming met het regionale Woonakkoord. Bovendien is er voldoende ‘restcapaciteit’, afgezet tegen de behoefte (gemiddeld 17.500/jaar), wanneer sec naar de harde plancapaciteit wordt gekeken.
34
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Omgevingsbeleidsplan 2016-2020 Het Omgevingsbeleidsplan bevat het beleid omtrent de taken van de gemeente met betrekking tot het omgevingsrecht: wat is onze visie op de omgeving, hoe wordt er getoetst, hoe vindt het toezicht plaats en hoe wordt er gehandhaafd? Dit omgevingsbeleidsplan is nog geldig, i.v.m. de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2023 is het Omgevingsbeleidsplan in 2019 verlengd. Het eerste deel gaat over de kwaliteit van de leefomgeving; het tweede deel over het proces omtrent vergunningverlening, handhaving en toezicht. Omgevingskwaliteit gaat hand in hand met klimaat en duurzaamheid. De gemeente wil deze verbinding leggen, niet alleen om een bijdrage te leveren aan de eigen leefomgeving, maar eveneens om een bijdrage te leveren aan een duurzame wereld. De gemeente zet zich in om schadelijke activiteiten tegen te gaan en positieve activiteiten te stimuleren. Duurzaamheid is een belangrijk item. Het zestal speerpunten dat in het huidige programma is opgenomen, zal worden doorgezet, namelijk: 1. Duurzame ruimtelijke ontwikkelingen; 2. Duurzame bouw (nieuwbouw en bestaande bouw); 3. Energiebesparing; 4. Eigen organisatie; 5. Duurzame mobiliteit, en 6. Duurzaam ondernemen. Op bovenstaande thema's wil de gemeente een actief beleid voeren.
Bij het onderwerp duurzame bouw wil de gemeente (deels) voorlopend zijn, en in de eigen organisatie eveneens (deels) voorlopend en innovatief. Zie navolgende paragraaf voor de beoordeling en conclusie.
3.5.2
Programmaplan 2019-2022 Het leven in de karakteristieke wijken en kernen wordt gekoesterd door de inwoners die wonen in de kern waarmee zij zich verbonden voelen. Ruimtelijke ordening en ontwikkeling, inclusief diverse herontwikkelingen, en volkshuisvesting staan daarbij centraal. In de gemeente worden ondernemers gestimuleerd om te investeren waardoor de werkgelegenheid wordt vergroot. In het sociale domein wordt ingezet op de omslag van decentralisatie en transitie naar transformatie. Zorg, participatie, jeugd, sport en kunst en cultuur zijn speerpunten binnen samenleving. De agrarische sector vraagt om het faciliteren van innovatieve ideeën om de marktpositie te verbeteren. Om dit toekomstbeeld in de nieuwe gemeente een plaats te geven, moet de bedrijfsvoering hierop afgestemd worden.
35
Duurzaamheid is een belangrijke prioriteit en dit zal centraal worden gesteld in te actualiseren milieubeleid en de duurzaamheidsagenda. De motie om te investeren in duurzaamheid, met aandacht voor een realistische terugverdientijd, zal worden uitgevoerd. Verder zullen particuliere initiatieven worden gestimuleerd en gaat de gemeente haar voorbeeldrol invulling geven, bijvoorbeeld door openbare verlichting te verduurzamen. Voor windmolens is hierbij geen plaats. Het belang van een open horizon en toerisme wegen in dit verband zwaarder. Door duurzaamheid structureel op te nemen in de Meerjaren Onderhoudsplanning (MOP) van gemeentelijk vastgoed kan de gemeente Edam-Volendam kansen benutten om duurzaamheid op een kostendekkende manier mee te nemen bij het reguliere onderhoud. Verbinden is één van de kernwaarden. Verbinden is het sleutelwoord voor de komende jaren. Niet over elkaar, maar met elkaar. Waarbij de relatie zeker zo belangrijk is als de inhoud: dat maakt dat iets ook echt met en van elkaar wordt. Door bewust te zijn van onze omgeving en nog meer van buiten naar binnen te denken zal onderlinge saamhorigheid ontstaan. Dit vereist participatie, gastvrijheid en interactief werken. Beoordeling en conclusie Voldaan zal worden aan de wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit en het BENG.
In concreet is het ontwerp duurzaam vormgegeven op basis van de uitgangspunten van de Trias Energetica. De woning is voorzien van een zeer hoogwaardige gebouwschil van isolatie. De isolatiewaarden zijn ruim boven de minimale nieuwbouw eisen vormgegeven, isolatiewaarden van de wanden Rc 6,0 (norm 4,7) en voor het dak Rc 8,0 (norm 6,3) er wordt gebruikgemaakt van een warmtepompsysteem (uiteraard gasloos) met lage temperatuurverwarming waardoor zeer weinig energie nodig is. De benodigde energie wordt op eigen dak opgewekt door middel van zonnepanelen welke de gebouwgebonden alsmede de gebruiksgebonden energie opwekken. De woning is dan ook meer dan energieneutraal en Nul Op de Meter ontworpen. Er heeft inmiddels participatie met omwonenden plaatsgevonden (zie verder hoofdstuk 5). In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt de participatie verder vorm gegeven door het bestemmingsplan ter inzage te leggen (als ontwerp). 3.5.3
Structuurvisie Edam-Volendam (2009) Bij besluit van 26 februari 2009 heeft de gemeenteraad een Structuurvisie vastgesteld. Deze Structuurvisie geeft een beschrijving van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot 2020 met een doorkijk naar de lange termijn (2040). De geformuleerde speerpunten van beleid zijn: − voldoende woningbouw ter voldoening aan de vraag van de eigen ingezetenen; − de ontwikkeling van een aantal zogenaamde inbreidingslocaties; − een woningbouwprogramma met uitgangspunten voor benoemde doelgroepen; − de aanleg van een 3e ontsluitingsweg; − een bescheiden groei in het aanbod van eigen bedrijventerrein; − een uitvoeringsprogramma met een aantal afzonderlijke ontwikkelingen; − een kader voor kostenverhaal.
36
Het plangebied is gelegen in Edam. In de Structuurvisie wordt gesteld dat het van groot belang is dat zorgvuldig wordt omgegaan met de cultuurhistorische waarden, karakteristieken en kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen worden zorgvuldig getoetst op beeldkwaliteit die past bij het historische karakter. De behoefte aan betaalbare woningen voor starters wordt als aandachtspunt genoemd in de structuurvisie. Starters zijn door het gebrek aan goedkope koopwoningen aangewezen op de huurmarkt. De huurwoningvoorraad kent echter een beperkt aantal woningen voor startende huishoudens. Dit uit zich in de massale reacties op vrijkomende huurwoningen. Ook typen huishoudens als jonge éénpersoonshuishoudens en huishoudens na echtscheiding zouden aanspraak moeten kunnen maken op woningen in de sociale huursector. In die zin verdient het aanbeveling om het aandeel huur in de voorraad niet terug te laten lopen en zo mogelijk zelfs toe te laten nemen. Een algemeen gegeven is dat starters uit Edam-Volendam zich bij het zoeken naar een woning vooral richten op de woningmarkt in de eigen gemeente. De regio ziet men veelal niet als een optie. Dit heeft te maken met de sterke sociale binding aan de gemeente.
Visiekaart Structuurvisie Beoordeling en conclusie Het initiatief sluit aan bij de Structuurvisie Edam-Volendam en bij de woningbehoefte inhoudende het realiseren van woningen. Daarmee wordt een zinvolle bijdrage geleverd aan de woningbehoefte van de gemeente. Gezien de sterke lokale binding zoals ook omschreven in de structuurvisie, is de verwachting dat de woningen door inwo-
37
ners van de gemeente betrokken zullen worden. Er wordt daarbij rekening gehouden met de aanwezige waarden in het gebied. 3.5.4
Woonvisie 2022-2025 Edam-Volendam De gemeente vindt het belangrijk om tot een evenwichtige opbouw van bevolking en woningvoorraad te komen. Hierbij gaat kwaliteit boven kwantiteit. Het streven is een hoogwaardig en veilig leef-, woon- en werkmilieu, dat duurzaam van kwaliteit is. Dit betekent investeren in de ruimtelijke kwaliteit, aandacht voor de bestaande wijken, uitgaande van een levensloopbestendige, veilige, schone en duurzame leefomgeving. Inwoners en nieuwe bewoners van onze gemeente moeten hun woonwensen en wooncarrière kunnen invullen, waarbij rekening wordt gehouden met hun financiële mogelijkheden, gezinssamenstelling en zorgbehoefte. De woonvisie is uitgewerkt aan de hand van vier centrale thema’s: 1. Woningbouwopgave: de gemeente vindt het belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd om te voorzien in de behoefte aan woningen. Daarbij gaat het met name om de lokale vraag naar woningen. Maar men moet ook rekening houden met een extra opgave gezien het aantal vestigers in onze gemeente. Niet of minder bouwen betekent dat de prijzen van bestaande woningen verder zullen stijgen. We bouwen voor elke doelgroep, maar hebben extra aandacht voor starters en senioren. Voor deze groepen is er op dit moment onvoldoende woningaanbod in onze gemeente, het zij qua betaalbaarheid (starters), hetzij qua levensloopgeschiktheid (senioren). 2.
Betaalbaar huren: Zowel voor mensen met een kleine als grote portemonnee moeten er voldoende mogelijkheden op onze woningmarkt zijn. Voor wie daar - gezien zijn financiële mogelijkheden- behoefte aan heeft, bieden we sociale huurwoningen in een betaalbare prijsklasse (< €752, prijspeil 2021). Om te voorzien in de lokale vraag, worden er de komende jaren sociale huurwoningen bijgebouwd. Deze opgave richt zich op de drie grote kernen, omdat huurders zich vooral daarop oriënteren. Zowel in bestaande als nieuwe wijken streven we naar een mix van huur- en koopwoningen, zodat we komen tot gevarieerde wijken, zowel qua woningaanbod als bevolkingssamenstelling. 3. Kwaliteit bestaande woningen: Nieuwbouw vormt maar een fractie van onze woningvoorraad. Willen we een aantrekkelijke woongemeente blijven, dan is continue aandacht voor de kwaliteit van bestaande woningen belangrijk. Speerpunt daarin is voor ons de aandacht voor het toenemend aantal oudere woningeigenaren. In de eerste plaats zetten we in op passende nieuwbouw (zie thema 1), maar daarnaast zal ook een deel van de bestaande voorraad levensloopgeschikt gemaakt moeten worden omdat niet iedereen kan of wil verhuizen. Als gemeente geven we informatie en creëren we bewustwording, maar de woningeigenaar is zelf aan zet om de woning aan te passen.
Daarnaast willen we stap voor stap naar een meer duurzame woningvoorraad, maar alleen door gebruik van bewezen technieken en door draagvlak te creeren bij bewoners. 4. Wonen met zorg: Voor deel van de ouderen en andere zorgvragers is een levensloopgeschikte woning niet voldoende. Zij hebben meer zorg en/of ondersteuning nodig om prettig te kunnen wonen. We willen daarom investeren in goede woonzorgvormen (passend bij de zorgvraag van woningzoekenden) in-
38
clusief een woonomgeving die daar zowel fysiek als sociaal op afgestemd is. Dat betekent dat ook dat wijken voldoende draagkracht moeten houden voor het aantal zorgvragers dat er woont. Kortom; een goede balans tussen mensen met en zonder zorgvraag op wijkniveau. De grootste woningbouwopgave voor de gemeente zal zich de eerstkomende tien jaar manifesteren (+1.165 woningen). Maar ook in de periode 2030-2040 blijft er nog een forse opgave bestaan (+570 woningen). Voor de komende woonvisieperiode (20222025) moet de gemeente daarom over voldoende plannen beschikken om deze woningbehoefte in te vullen. De praktijk wijst uit dat bij een deel van de plannen vertraging kan ontstaan of dat plannen zelfs helemaal komen te vervallen. Daarom houden we een plancapaciteit van 130% de behoefte aan om eventuele tegenvallers (zoals planvertraging) op te vangen. Dit houdt in dat we de komende vier jaar een plancapaciteit van 600 woningen hanteren. Dit is voldoende om de behoefte (ongeveer 465 woningen) te realiseren. Voor het invullen van de woningbouwopgave wil de gemeente zo zorgvuldig mogelijk omgaan met de beschikbare ruimte. Dit betekent dat de gemeente primair inzet op het bouwen op inbreidingslocaties (‘inbreiden waar het kan’). Zo blijft het buitengebied zoveel mogelijk gespaard.
Bij nieuwbouw geeft de gemeente prioriteit aan de bouw van levensloopgeschikte woningen voor senioren, met name in de betaalbare koop, sociale huur en middeldure huur. We richten ons daarbij op de drie grote kernen, met prioriteit voor de kern Edam. De vergrijzing in de gemeente zal zich het sterkst in de kern Edam manifesteren. Er is daarom behoefte aan meer levensloopgeschikte appartementen voor senioren. De nadruk gaat daarbij sterk uit naar sociale huur. Er is ook enige vraag naar appartementen in de middeldure huur voor ouderen die niet in aanmerking komen voor sociale huur. De vraag in de koopsector richt zich -in verhouding tot de andere kernenwat meer op het middeldure segment. Deze vraag is deels afkomstig van jonge gezinnen uit de kern, deels van vestigers van buiten de gemeente. Niettemin is ook in Edam ruimte voor uitbreiding in de betaalbare koopsector, afkomstig van jonge huishoudens. Beoordeling en conclusie Het plan past om meerdere redenen in de Woonvisie. Het gaat om een beschikbare inbreidingslocatie, gelegen binnen Edam, en de locatie is geschikt voor zowel een eengezinswoning als een levensloopgeschikte woning. Er wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte. 3.5.5
Verkeersplan 2018-2023 en parapluplan parkeren Het Verkeersplan is een beleidsplan op hoofdlijnen voor de periode 2018-2023. Het plan dient als toetsingskader om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Aan de hand van zes thema’s worden doelen geformuleerd: 1. netwerk en verkeersveiligheid fiets; 2. verkeersveiligheid voetganger; 3. gedrag en handhaving; 4. wegencategorisering auto; 5. parkeren binnen Edam; 6. parkeren binnen Volendam.
39
Relevant voor dit plan is met name het thema parkeren binnen Volendam: Voor de korte termijn (5 jaar) zijn de doelen: beter benutten parkeerplaatsen voor iedereen in en rond het centrum zonder overlast voor aangrenzende gebieden: 1. bewoners een plaats dicht bij huis, vooral ’s avonds en het weekend 2. bezoekers loopafstand van de winkel, vooral overdag en het weekend alternatieven moeten aantrekkelijk zijn (fietsenstallingen) beter benutten parkeerplaatsen voor iedereen in en rond het centrum zonder overlast voor aangrenzende gebieden: 1. bewoners een plaats dicht bij huis, vooral ’s avonds en het weekend 2. bezoekers loopafstand van de winkel, vooral overdag en het weekend alternatieven moeten aantrekkelijk zijn (fietsenstallingen) minder overlast door parkeren toeristen Voor de lange termijn zijn de doelen: verminderen parkeerdruk waarbij ook naar bredere maatregelen wordt gezocht (meenemen technologische ontwikkelingen, deelsystemen e.d.) delen van het centrum zijn verblijfsgebied voor voetganger en fiets; geen parkeren in het centrum door toeristen. Onder meer wordt in het verkeersplan voorts geconstateerd dat de hoofdwegenstructuur van Edam-Volendam tegen haar grenzen aanloopt. Het verkeer is flink gegroeid en na enkele jaren van afvlakking wordt voor de toekomst weer een toename van de intensiteiten verwacht.
Het bestaande wegennet kan niet veel extra verkeer meer verwerken. Daardoor ontstaan problemen met de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. De gemeente Edam-Volendam kiest voor de realisatie van een nieuwe verbinding tussen de Dijkgraaf Poschlaan en de N247: de zogenaamde Derde Ontsluiting als structurele oplossing voor de geconstateerde verkeersproblemen. Met de aanleg van deze nieuwe verbinding kunnen de bestaande ontsluitingswegen Singelweg en Julianaweg worden ontlast, waardoor zowel de verkeersafwikkeling als de verkeersveiligheid op deze routes kan verbeteren. De meer algemene doelstellingen ten aanzien van parkeren en het voorkomen van parkeerdruk zijn in juridische zin vastgelegd in een paraplu bestemmingsplan parkeren, dat voor de gehele gemeente geldt. Beoordeling en conclusie Zie paragraaf 4.3.5, waarin in detail wordt ingegaan op verkeer en parkeer. Hieruit wordt duidelijk dat dit plan verwezenlijking van de beleidsdoestellingen van de gemeente niet in de weg staat. Het plan heeft geen groot effect op de bestaande en beoogde verkeerssituatie, waardoor negatieve gevolgen van dit plan niet worden verwacht. Het plan voldoet daarom aan het 'Verkeersplan 2018-2023’. 3.5.6
Welstandsnota (2017) Het welstandsbeleid van de gemeente Edam-Volendam is neergelegd in de Welstandsnota 2017, die in feite een samengevoegd welstandsbeleid van de gemeente Edam-Volendam en (voormalige) gemeente Zeevang behelst. Met welstandstoezicht
40
regisseert de gemeente het uiterlijk van de stad; het doel is om een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de ruimte. Cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische worden daarbij benoemd en kunnen zodoende een rol spelen bij ontwikkelingen. Er is sprake van zowel een gebiedsgerichte als een objectgericht aanpak met bijbehorende criteria. Beoordeling en conclusie Het plan zal moeten voldoen aan de welstandsnota; op voorhand zijn hier geen belemmeringen te verwachten (eerder is aangegeven dat een kunstrieten kap niet gewenst wordt geacht, maar daar wordt geen gebruik van gemaakt). 3.5.7
Erfgoedverordening gemeente Edam–Volendam 2018 Op 22 juni 2018 is “Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam in werking getreden. Onderhavige erfgoedverordening regelt de status van gemeentelijke monumenten via het bestemmingsplan. Naast een vergunning–procedure ingevolge de Wabo voor rijksmonumenten wordt het bestemmingsplan als instrument gebruikt om het gemeentelijk cultureel erfgoed te beschermen. Dit cultuurgoed krijgt via een dubbelbestemming “Waarde–Edams–Volendams erfgoed” (WR-EV) een vaste positie binnen het bestemmingsplan. Hierdoor worden de ruimtelijke kwaliteiten op het gebied van cultuur- en architectuurhistorie, alsmede landschap integraal bewaakt. Het nieuwe aan dit planologische erfgoedregime is, dat het systeem ontwikkelingsgericht is vanwege duidelijke richtlijnen voor toekomstig gebruik en dat er een koppeling wordt gemaakt met de Erfgoedverordening. Mede hierdoor wordt er als het ware een koppeling gelegd tussen de Wet ruimtelijke ordening, de wetgeving inzake erfgoed, de Woningwet en de Wabo, zodat een dekkend, meer integraal regime ontstaat. Het voordeel van een dergelijk systeem is, dat door de koppeling van het bestemmingsplan aan de Erfgoedverordening een integrale bescherming mogelijk is in tegenstelling tot de traditionele fragmentarische en objectgerichte aanpak.
In de Erfgoedverordening zijn gradaties in beschermingsniveaus opgenomen, te weten: − karakteristiek waardevol bouwwerk; − beeldbepalend bouwwerk; − stolp; − waardevol cultuurhistorisch element; − cultuurhistorisch attentiegebied. Het gemeentelijk monumentenbeleid van Edam-Volendam wordt daarmee beheerst door: − de Monumentennota met een gemeentelijke Cultuurwaardenkaart; − de eerder genoemde Erfgoedverordening; − de uitwerking in het bestemmingsplan, zoals dat schematisch is weergegeven in paragraaf 4.3 van deze toelichting.
41
Beoordeling en conclusie Onderhavig plangebied beschikt niet over aangewezen monumentale waarden, alhoewel de voormalige bedrijfswoning over bouwkenmerken beschikt die in cultuurhistorisch op zich kenmerkend zijn voor de regio; het bedrijfsensemble als geheel is zelfs als zodanig aan te merken. Dit bebouwingsbeeld blijft met het plan gehandhaafd.
42
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder en de Wet luchtkwaliteit vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.
4.2
Milieu-aspecten
4.2.1
Besluit m.e.r Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Het besluit is aangepast en de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn nu indicatief. Dit betekent dat als een plan onder de richtwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Getoetst moet worden op: − de kenmerken van het project; − de plaats van het project; − de kenmerken van de mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; 2. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. en het plan is daarmee m.e.r.-plichtig.
Beoordeling plan Het plan biedt de mogelijkheid om 2 woningen te realiseren (waarvan één woning een omschakeling betreft van een bedrijfswoning naar reguliere woning). Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 1. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er spra1 ECLI:NL:RVS:2022:2394
43
ke is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In dit plan neemt het verhard oppervlak af ten opzichte van de bestaande situatie, waardoor meer licht en lucht op het perceel komt. Daarnaast verdwijnt een mogelijkheid een bedrijf te exploiteren temidden een omgeving die door de woonfunctie gedomineerd wordt. Er is daarmee sprake van een positieve invloed op de milieuhygienische situatie. Er is daarom geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk.
M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Beoordeling M.e.r.-plicht De beoordeling of er significante effecten zijn te verwachten vindt plaats in paragraaf 4.3.2. In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Beoordeling en conclusie Gelet op de geringe omvang van de toename, ruim onder de drempelwaarde, en de ligging van het plan, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in het kader van dit bestemmingsplan in voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is daarom niet noodzakelijk. 4.2.2
Milieuzonering Beleid en regelgeving Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 past de nieuwe functie in de omgeving? 2 laat de omgeving de nieuwe functie toe? Richtinggevend hierin zijn de indicatieve onderzoekszones zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”.
44
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5
Deze gaat uit van een “rustige woonwijk”. In zogenaamde “gemengde gebieden” echter kan gemotiveerd een kleinere afstand van milieugevoelige functies (wonen) tot overlast veroorzakende gebieden worden aangehouden. Het idee is dat een rustige woonwijk een hoger beschermingsniveau verdient dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In een gemengd gebied komt matige tot sterke functiemenging voor. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes voor gemengde gebieden is weergegeven in onderstaande tabel. Uitgangspunt is dat steeds één stapje lager kan worden aangehouden wat betreft afstand. Richtafstand 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 150 m 300 m
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5
Beoordeling en conclusie Dit deel van Edam is als rustig gebied te typeren. Nagenoeg alleen de woonfunctie komt voor. De nieuwe functie Wonen zal geen overlast genereren. Tegenover het perceel bevindt zich, op een kleinste afstand van 13 m van de gevel van de nieuwe woningen, een sloop-, transport- en handelsbedrijf. Afhankelijk van de aard en omvang van de bedrijfswerkzaamheden, zou een afstand van 30 of 50 m moeten worden aangehouden vanwege geluid. In de praktijk echter vindt ter plaatse opslag van caravans plaats; bedrijfsactiviteiten worden verder nauwelijks verricht. Gezien de bouwvallige staat van enkele van de gebouwen is dit ook niet te verwachten. Er gaat nauwelijks geluid uit van het bedrijf. Uitgaande van de representatieve bedrijfssituatie, kan in dit geval afgezien worden van geluidonderzoek. In de nabijheid zijn verder ook geen bedrijven aanwezig die overlast kunnen veroorzaken. Er zal dus sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
45
4.2.3
Geluid Inleiding De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor) wegverkeer het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Algemeen Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Spoorverkeer is ter plaatse niet relevant. De breedte van de zone bij wegverkeer is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Aantal rijstroken
Zones langs wegen Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 meter
250 meter
3 of 4 rijstroken
350 meter
400 meter
5 of meer rijstroken
350 meter
600 meter
Tabel 4-1. Overzicht van de zones langs wegen
Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig 2. Beoordeling en conclusie De voor geluid relevante wegen betreft het Oorgat, de Keetzijde en de Oosterkade. De Oosterkade en het Oorgat zijn 30 km/uur-wegen. De Keetzijde is een 30 km/uurweg. Vanwege de Keetzijde is dus geen akoestisch onderzoek verplicht. Vanuit de Wgh volgt er dus geen noodzaak tot het verrichten van akoestisch onderzoek. Dit zou er hooguit kunnen ontstaan vanwege goede ruimtelijke ordening. In dit verband staan er echter reeds vele woningen langs het Oorgat. In die zin voegt het 2
Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh is voor 30 km/uur-wegen geen onderzoeksplicht. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesproken (nr. 200203751/1: Abcoude) dat nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefklimaat, zoals opgenomen in het Bouwbesluit). Daarom wordt bij 30 km/uur-zones onderzocht of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of de hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel.
46
uitvoeren van akoestisch onderzoek dus niet zoveel toe. Uit recent verricht onderzoek op een andere locatie aan het Oorgat 3 ten behoeve van woningbouw is bovendien bekend dat de geluidwaarde vanwege de Keetzijde op vergelijkbare afstand ruim minder bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (in casu 45 dB). Uit dat onderzoek bleek overigens tevens dat de gecumuleerde geluidbelasting vooral wordt veroorzaakt door het Oorgat, namelijk 60 dB. Aanbevolen wordt daarom om een extra gevelwering toe te passen waarmee de binnenwaarde van 33 dB zoals opgenomen in het Bouwbesluit gewaarborgd is. Hoewel dit niet afdwingbaar is via Wgh/Bouwbesluit is dit wel gewenst teneinde een goed woon- en leefklimaat te realiseren. Initiatiefnemer zal hier rekening mee houden bij de uitwerking van de plannen. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar voor wat betreft geluid. 4.2.4
Bodem Algemeen De bodemkwaliteit is in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling van belang indien er sprake is van nieuwbouw of functieverandering. De bodem en het grondwater moeten worden onderzocht op geschiktheid voor de toekomstige bestemming en het toekomstige gebruik. Beoordeling en conclusie Reeds eerder is een bodemonderzoek verricht 4, gebaseerd op een bodemonderzoek van (Actualiserend bodemonderzoek op een deel van het perceel aan het Oorgat 3 te Edam, HB Adviesbureau, project 14HB0295, d.d. 25 april 2014). Met dat onderzoek is op het onverharde achterterrein (weiland) in een mengmonster van de bovengrond een sterke verhoging aan PAK aangetoond. In de ondergrond zijn hooguit lichte verhogingen met zware metalen, PAK en PCB aangetoond. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de oppervlakte van de sterke verontreiniging ter plaatse van het weiland en de groenstroken geraamd op circa 800 m². De laagdikte bedraagt circa 0,5 meter en de omvang circa 400 m³. Aangezien de omvang van de sterke verontreiniging in grond groter is dan 25 m3, is er sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. De verontreiniging is ontstaan voor 1987, waardoor er geen sprake is van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’. De zorgplicht is daarom van niet van toepassing.
De plek waar de verontreiniging is vastgesteld zal worden gesaneerd door middel van het toepassen van een leeflaag van 0,5m schone grond in combinatie met signaleringsdoek en afdekken doormiddel van terras/vlonder aan de waterzijde, zie navolgende afbeelding. Dit kan doormiddel van een BUS-melding welke is ingediend 5, welke de basis voor de sanering gaat dienen. De BUS melding zal als voorwaarde in de omgevingsvergunning worden opgenomen en deze zal ter controle aan het bevoegd gezag ODIJmond worden voorgelegd ter akkoord.
3 Akoestisch onderzoek verkeerslawaai Oorgat 21-23, Edam, SAB, 27 november 2017 4 Risicobeoordeling PAK-verontreiniging weiland Oorgat 3, Grondslag, 12 november 2014 5 BUS melding Oorgat 3, Landview BV, 30 november 2022
47
Ter plaatse van de twee woningen voldoet de bodemkwaliteit wel aan de daarvoor gestelde parameters. Hoewel het onderzoek formeel is verouderd, kan het toch actueel worden verklaard omdat er zich in de tussentijd geen wijzigingen in de bodem hebben voorgedaan, noch in de omgeving, die een zodanige verandering tot gevolg hebben dat de bodem nu wel ernstig verontreinigd zou zijn. De Omgevingsdienst IJmond heeft de conclusie onderschreven. Gelet op bovenstaande, vormt het aspect bodem geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.2.5
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen -uitzonderlijke situaties daargelaten- bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1 er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2 een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3 een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
48
4 een project is opgenomen in of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van NSL. Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL, in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a.
woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Voor woningen bedraagt de drempelwaarde 1.500 bij één ontsluitingsweg. Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan maakt (planologisch) twee woningen mogelijk. Dit is ruim onder de drempelwaarde. In het bestemmingsplan worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt zodat dit bestemmingsplan NIBM (niet in betekende mate) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek voor het aantonen van een goede luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Uit de Grootschalige Depositiekaarten is af te leiden dat de concentraties stikstofdioxide voor 2019 uitkomen op maximaal 15 µg/m3. Voor fijn stof PM10 bedraagt de concentratie voor 2019 minder dan 18 µg/m3 e, deels in de range 18-20 µg/m3. De wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 wordt daarmee niet overschreden. Uit de figuur met PM2,5 blijkt dat de concentraties voor zeer fijn stof in 2015 uitkomen onder de 12 µg/m3. Hiermee wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde (25 microgram per m3) voor zeer fijn stof in 2019.
49
50
Uitsneden Grootschalige Depositiekaarten Uit een verkeersberekening (zie paragraaf 4.3.5) blijkt dat de verkeersintensiteit afneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Het initiatief draagt daarom niet bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Er vinden geen overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen plaats; gelet hierop is de conclusie dat een goed woon- en leefklimaat aanwezig is. Bovendien worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt zodat dit bestemmingsplan NIBM (niet in betekende mate) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.2.6
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpgtankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepassing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas.
Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
51
Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. De Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn.
Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Op basis van art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan (lees: afwijkingsbesluit ex art. 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wabo waar in dit geval sprake van is) de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiekmaatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp.
Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is. Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk: 1 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 2 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers;
52
3 4
10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm).
Een verantwoording van het GR kan achterwege blijven indien: b het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of c 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. Beoordeling en conclusie Om te bepalen of er sprake is van veiligheidsrisico’s wordt per potentieel gevaar opleverende activiteit (Inrichtingen, buisleidingen, vervoer over de weg) gekeken naar de aanwezigheid daarvan in de buurt van het plangebied en daarna naar het eventuele plaatsgebonden- en groepsrisico. Inrichtingen en buisleidingen Aan de hand van de Risicokaart (www.risicokaart.nl), kan worden gesteld dat het plangebied - en de omgeving daarvan – niet valt binnen een Plaatsgebonden Risico contour (PR) of binnen het invloedsgebied van een inrichting of een buisleiding. Dit houdt tevens in dat het Groepsrisico (GR) van die activiteiten niet nader hoeft te worden beschouwd.
Vervoer over de weg De provincie Noord-Holland heeft geen veiligheidszones en/of plasbrandaandachtsgebieden aangewezen voor de provinciale weg N247. Wel is het bekend dat hier gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De kortste afstand van het plangebied naar de rand van de N247 bedraagt ca 1,6 kilometer, waardoor het plangebied niet valt binnen het invloedsgebied. Voor het overige zijn er geen risicobronnen in de nabijheid. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
53
4.3
Omgevingsaspecten
4.3.1
Water Europees beleid Europese Kaderrichtlijn De Europese Kaderrichtlijn is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2009 zijn de eerste (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen zij gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen Rijn-West is het Stroomgebied beheerplan Rijn 20162021 vastgesteld. Nota “Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw” Met de nota Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw wil het Rijk een ander waterbeleid realiseren. Er moet geanticipeerd worden op een stijgende zeespiegel, een stijgende rivierafvoer, bodemdaling en een toename van de neerslag. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten. Bij nieuwe ruimtelijke besluiten moeten de gevolgen voor veiligheid en wateroverlast expliciet in beeld worden gebracht. De nota geeft twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten. Voor waterkwantiteit bestaat die uit vasthouden, bergen en afvoeren. Voor waterkwaliteit is het schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water, relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied, vergroting van het waterbergend vermogen met name in de stadsranden, verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de belevingswaarde van water, en kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water Nationaal Water Programma 2022–2027 (NWP) Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur
54
Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven.
Er is geen sprake van strijd met het Rijksbeleid, zie verder ook onder de watertoets. Waterwet Voornoemd beleid is voor zover nodig juridisch verankerd in de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Provinciaal beleid In het provinciaal Waterplan Noord-Holland is het Europese en nationale beleid vertaald naar wat er binnen de provincie moet gebeuren om het water zo goed mogelijk te blijven. Het Provinciaal Waterplan staat niet op zichzelf. Water heeft met heel veel zaken te maken, variërend van landbouw tot recreatie en van stadsuitbreidingen tot gezond drinkwater.
Daarom is het Provinciaal Waterplan afgestemd met het beleid op het gebied van natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie, milieu, landbouw, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. In het Provinciaal Waterplan is het waterbeleid beschreven aan de hand van de thema’s veiligheid, wateroverlast en watertekort, waterkwaliteit en grond- en drinkwater. Het Provinciaal Waterplan fungeert hierbij als het kader voor de uitvoering: het is de basis voor allerlei te nemen maatregelen door de
55
Provincie, waterschappen en gemeenten gedurende de looptijd van het plan. Het is dus geen uitvoeringsprogramma. Er zal een apart uitvoeringsprogramma worden opgesteld dat jaarlijks wordt aangepast. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Waterplan 2022-2027 Dit Waterplan geeft de koers van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het maakt onderscheid in doelstellingen op het gebied van effecten, thema’s en gebieden.
De doelstellingen ten aanzien van de effecten zijn als volgt gevisualiseerd: Ten aanzien van de thema’s zijn de volgende onderscheidden:
56
Keur en algemene regels In 2016 heeft het hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4.2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: "Artikel 3.3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen." In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: "Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3.9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3.3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: 1. de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m² bedraagt en; 2. de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; 3. het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken." Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de waterhuishouding voldoende aandacht is besteed.
Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Navolgende tekst dient als watertoets (de opbouw en inhoud van de watertoets is vormvrij). Beoordeling en conclusie Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Edam. Het bebouwde/verharde oppervlak neemt ten opzichte van de bestaande situatie niet toe. De bestaande situatie is namelijk het terrein deels verhard en in de nieuwe situatie zal het erf deels ingericht worden als tuin zonder verharding, waarmee de situatie voor wat betreft het waterinfiltrerend vermogen dus verbetert. Ook de rioleringssituatie verandert niet; er wordt aangesloten op het bestaande gemengd rioleringssysteem. Er
57
wordt niet gewerkt met niet-uitloogbare materialen, zoals zink en wordt geen water gedempt. Wel wordt gebouwd binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Er zal daarom advies van het Hoogheemraadschap worden gevraagd. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht, immers langs het Oorgat staan reeds vele woningen binnen de beschermingszone. Wel zijn er mogelijk restricties, bijvoorbeeld als het gaat om ondergronds bouwen. 4.3.2
Ecologie Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het projectgebied. De bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Beide onderwerpen zijn geregeld in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in of in de directe omgeving van een gebied dat is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming en/of de Vogel- en/of Habitatrichtlijn. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Polder Zeevang en het Markermeer & IJmeer. Als enig extern effect kan worden beschouwd stikstofuitstoot. Verstoring als gevolg van verlichting of trilling (tijdens werkzaamheden) wordt niet verwacht. In de polder Zeevang is onder meer grutto en kievit beschermd. Omdat de leefgebieden van de grutto en kievit gevoelig zijn voor een te hoge stikstofdepositie, zijn hiernaar diverse analyse uitgevoerd, die in het rekenprogramma Aerius zijn te raadplegen. Hier blijkt uit dat er in deze gebieden geen voor stikstof gevoelige habitatten zijn in een reeds qua stikstof overbelaste situatie. Er zijn dan ook geen beperkingen voor wat betreft stikstofuitstoot voor de leefgebieden in Polder Zeevang. In het Markermeer & IJmeer zijn geen voor stikstof gevoelige habitattypen aangewezen.
Het plangebied ligt ook niet in het Natuurnetwerk Nederland, dit ligt op 45 m (kleinste afstand). Bij de beleidsdoelstellingen die zijn geformuleerd rondom het NNN bestaat er niets zoals externe werking. De voorngenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescherming van het NNN staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Ook ligt het plangebied niet in een weidevogelleefgebied of een ganzenfoerageergebied; dit ligt tevens op ca. 45 m. Doordat deze gebieden van het plangebied worden afgeschermd door aanwezige bebouwing, is verstoring van deze gebieden ook niet te verwachten.
58
Ligging nabij NNN, uitsnede Omgevingsverordening NH2020
Soortbescherming Wat betreft soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Veel dieren plantensoorten hebben een beschermde status. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of sprake is van negatieve effecten op de beschermde soorten. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Gelet op het feit dat er een pand gesloopt wordt, is een quick scan planten- en diersoorten uitgevoerd, als bijlage toegevoegd 6. Daarin wordt het volgende geconcludeerd: In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels aan de randen van het perceel is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Noord-Holland. Het voorkomen van en negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde soorten kan tevens worden uitgesloten.
Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de sloop van de loods en de bouw van een woning aan het Oorgat 3 te Edam is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en ge-
6 5. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oorgat 3 te Edam, Adviesbureau Mertens,
november 2022
59
durende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. Omdat er verder ook geen bomen worden gekapt of water wordt gedempt, kan met zekerheid worden uitgesloten dat er geen vaste rust- of verblijfplaats van strikt beschermde soorten wordt aangetast.
Foto’s bedrijfsgebouw Conclusie Het plan heeft geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Wat betreft de gebiedsbescherming zijn er daarom geen belemmeringen. Dit geldt ook de soortenbescherming, gezien de staat van het gebouw en het feit dat er geen bomen worden gekapt of water wordt gedempt. Het onderwerp natuur vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.3.3
Cultuurhistorie Algemeen
60
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het sinds 2012 verplicht om de cultuurhistorische waarden mee te laten wegen. Daartoe wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Beleid Erfgoedwet Met de Erfgoedwet is in één wet overzichtelijk vastgelegd hoe met ons cultureel erfgoed wordt omgegaan, wie waarvoor verantwoordelijk is en hoe het toezicht is geregeld. De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 volledig in werking getreden. Gemeentelijk monumentenbeleid nader beschouwd Het gemeentelijk monumentenbeleid van de gemeente Edam-Volendam is nog volop in beweging en ontwikkeling. Er zijn diverse rijks- en gemeentelijke monumenten aangewezen. Bovendien is een groot deel van Edam aangewezen als een zgn. ‘Beschermd Stads gezicht’ als bedoeld in artikel van de 35 van de Monumentenwet. Mede vanuit deze traditie is het denken over het cultureel erfgoed in de gemeente Edam-Volendam de laatste jaren gewijzigd.