Toelichting bestemmingsplan Oorgat 3 2023_05_08.pdf
Tekst van het document
Oorgat 3 Gemeente Edam-Volendam
Datum: 8 mei 2023
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
5
2
De omgeving van het plangebied en het plan Huidige situatie Het plan
9
9 16
3
Beleidskader
19
4
Milieu- en omgevingsaspecten
43
5
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
67
6
Juridische regeling
69
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
2.1 2.2
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
4.1 4.2 4.3
5.1 5.2
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Aanleiding Coördinatie Het plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer
Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Inleiding Milieu-aspecten Omgevingsaspecten
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inleiding De verbeelding De regels Opbouw regeling per bestemming De bestemmingen
Bijlagen 1. Risicobeoordeling PAKverontreiniging weiland Oorgat 3, Grondslag, 12 november 2014
5 5 5 6 8
19 19 21 30 35
43 43 54
67 67
69 69 69 70 72
2. Mailcorrespondentie provincie Noord-Holland provinciaal monument, 7 november 2022 3. Bijlage 3, Participatie Oorgat 3 Edam, K. Pronk, 26 oktober 2022 4. BUS melding Oorgat 3, Landview BV, 30 november 2022 5. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oorgat 3 te Edam, Adviesbureau Mertens, november 2022
4
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Het perceel Oorgat 3 in Edam betreft een voormalig bedrijfsperceel, er was hier voorheen een aannemers- en molenmakersbedrijf gevestigd. Zowel de bedrijfswoning als het bedrijfsgebouw staan nog op het perceel. De bedrijfswoning is na de bedrijfsbeeindiging als particuliere woning in gebruik genomen; de bedrijfshal wordt gebruikt dienst als bijgebouw. De wens van de eigenaren is om de bestemming, momenteel nog Bedrijf, om te zetten naar Wonen, waarbij de bedrijfswoning een reguliere woonbestemming krijgt en op de plek van het bedrijfsgebouw na sloop een 2e zelfstandige woning mogelijk wordt. Een reeds aanwezige botenhuis blijft behouden. Het perceel is zodanig groot en het bedrijfsgebouw is zodanig gepositioneerd, dat dit stedenbouwkundig en ruimtelijk gezien mogelijk is. Het gebouw staat immers als afzonderlijke eenheid op het terrein met een oriëntatie op zowel de straat als het water. Er wordt hiermee een zinvolle nieuwe invulling gegeven aan het perceel. Bovendien verdwijnt een bedrijf aan het Oorgat, een (in potentie) geluidsoverlast veroorzakende functie. Dit is gezien de omgeving die gedomineerd wordt door de woonfunctie, een positieve ontwikkeling. De stedenbouwkundige configuratie blijft intact omdat de 2e woning op dezelfde plek als het bedrijfsgebouw komt.
Het bebouwd oppervlak neemt iets af, waardoor meer licht en lucht op het perceel ontstaat en een duidelijkere doorkijk naar het water van het Oorgat. Om deze redenen gaat het om een ruimtelijk gewenst initiatief. In het geldende bestemmingsplan is een bestemming Bedrijf toegekend aan de gronden, welke niet voorziet in de ingebruikname voor woondoeleinden. Met dit bestemmingsplan wordt de bestemming herzien naar Wonen, voor twee separate woningen. Tegelijk wordt voor de nieuwe woning een omgevingsvergunning aangevraagd.
1.2
Coördinatie Door de gemeenteraad is bij besluit van 20 september 2018 (nr. 94-2018) de coördinatieregeling vastgesteld. De coördinatieverordening gem. Edam-Volendam is op 27 september 2018 in werking getreden. Op basis van deze besluiten kunnen de Wabo omgevingsvergunning en het bestemmingsplan gecoördineerd de procedure doorlopen. Hiervan wordt bij de ontwikkeling Oorgat 3 gebruik gemaakt. Dat wil zeggen dat de ontwerp vergunning samen met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Tegen de gecoördineerde besluiten staat in één rechtsgang beroep open bij de Raad van State.
1.3
Het plangebied Het plangebied ligt in Edam aan het Oorgat, nabij de sluis, het Markermeer en tegenover het fort Edam. De navolgende afbeeldingen geven inzicht in de globale ligging en
5
begrenzing van het plangebied. Met een rode arcering is het gehele complex weergegeven.
Ligging plangebied (globaal, links, bij ster, rechts, rood omkaderd (bestaande woning geel omkaderd, plek nieuwe woning (thans bedrijfsloods blauw omkaderd)
1.4
Geldend bestemmingsplan Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Oorgat e.o.’, dat is vastgesteld d.d. 19 januari 2012. De geldende bestemming is hier ‘Bedrijf’ met een nadere aanduiding specifieke vorm van bedrijf – aannemingsbedrijf en molenmakersbedrijf. De gronden zijn ingevolge deze bestemming bestemd voor bedrijven tot en met categorie B uit de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging, met uitzondering van risicovolle inrichtingen evenals een aannemings en molenmakersbedrijf. De beide gebouwen zijn met een bouwvlak aangeduid, een maximale goot- en bouwhoogte is tevens opgenomen; voor de bedrijfswoning is dit 3 m. resp. 7 m en voor het bedrijfsgebouw is het 2.4 m resp. 5.7 m. Particuliere woningen zijn niet toegestaan; een bedrijfswoning (maximaal één per bedrijf) wel.
6
Voor het gehele terrein geldt tevens een dubbelbestemming Waarde - Archeologie en voor een deel de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. Het botenhuis heeft de aanduiding botenhuis gekregen, waarmee het botenhuis is toegestaan (binnen de bestemming Water). Een aanduiding provinciaal monument is tot slot ook opgenomen; deze aanduiding slaat op het provinciaal monument het Oorgat, maar levert verder geen strijdigheden op; het perceel maakt geen onderdeel uit van een provinciaal monument (zie hoofdstuk 4); de aanduiding is dus abusievelijk opgenomen. De dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering levert ook geen beperkingen op. De dubbelbestemming Waarde – Archeologie regelt dat niet mag worden gebouwd met uitzondering van uitbreiding en verbouw van een hoofdgebouw overeenkomstig de medebestemming, waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 50 m² mag worden vergroot en niet dieper dan 35 cm beneden maaiveld of de bouw van een bijbehorend bouwwerk mogelijk is overeenkomstig de medebestemming met een oppervlakte van ten hoogste 50 m² en niet dieper dan 35 cm beneden maaiveld. Van het verbod kan worden afgeweken indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
De nieuwe woning overschrijdt deze grenzen, doch er wordt gebouwd op de bestaande fundering, zodat geen archeologisch onderzoek nodig is (zie verder hoofdstuk 4).
Uitsnede bestemmingsplan Oorgat e.o. 7
1.5
Leeswijzer Voorliggende toelichting is als volgt opgebouwd; na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk relevant beleid. In hoofdstuk 4 wordt beoordeeld of het plan haalbaar is wat betreft milieu, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. In hoofdstuk 5 volgt de financiële uitvoerbaarheid, de resultaten van het art. 3.1.1 Bro overleg en een beschrijving waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken. De toelichting sluit af met een beschrijving van de juridische regeling.
8
2
De omgeving van het plangebied en het plan
2.1
Huidige situatie
2.1.1
Beschouwing in ruimer verband Edam is een stad met een lange historie en tegenwoordig tegen Volendam aan gelegen. Binnen deze gemeente hebben Edam en Volendam ieder hun eigen karakteristiek en hun cultuurhistorische waarden en ze zijn beide belangrijke toeristische trekpleisters. Verder zijn de karakteristieke ligging aan het water en het omliggende historische landschap van droogmakerijen en veenweidepolders mede bepalend voor de cultuurhistorische waarde binnen de gemeente. De historische kern van Edam en een deel van het agrarisch gebied is bovendien aangewezen als “beschermd stadsgezicht” (het Aanwijzingsbesluit is als bijlage opgenomen bij het bestemmingsplan Oorgat e.o, raadpleegbaar op ruimtelijkeplannen.nl). Edam kent meerdere bijzondere cultuurhistorische waarden. Deze waarden zijn in de loop der eeuwen ontstaan. Het beleid van de gemeente is er op gericht deze cultuurhistorische waarde te beschermen, waarbij nieuwe ontwikkelingen alleen kunnen worden ingevoegd wanneer deze waarde niet wordt aangetast. Dit beleid heeft onder meer gestalte gekregen met de aanwijzing van gemeentelijk erfgoed als gemeentelijk monument. Tevens is van belang dat enerzijds afzonderlijke panden en bouwwerken als rijksmonument zijn aangewezen en dat anderzijds in groter verband het stadscentrum en het schootsveld tot beschermd stadsgezicht is aangewezen.
Als overweging tot het aanwijzen van dit gebied als beschermd stadsgezicht geldt dat dit gebied van algemeen belang wordt geacht vanwege de schoonheid, de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, de wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en de inrichting van de openbare ruimte en de beplanting. Het wallenstelsel als grens tussen stad en ommeland is nog steeds herkenbaar; zowel als landschappelijk element als (op enkele plekken) een harde grens. Het patroon van straten, pleinen en grachten is kenmerkend voor de ontwikkeling van vroege havensteden.
2.1.2
Historie omgeving plangebied Edam ligt in een deel van Nederland dat vroeger een moerasgebied was, dat door de beschermende werking van de strandwallen tot veen verwerd. De vorming van het veengebied begon tijdens de laatste IJstijden, die ongeveer 10.000 jaar geleden geëindigd zijn. Het smeltwater uit de Alpen werd naar zee afgevoerd, waarbij grind en zand werd meegevoerd en afgezet. Daarbij werd het grof zand door de wind uitgestoven en weer afgezet in hoge, overwegend oost- west gerichte, zandruggen. Zo zijn vanaf 8.000 voor Christus tot 20 meter hoge rivierduinen ontstaan. Omstreeks 2000 voor Christus sloot de kustlijn zich waardoor de rivieren niet meer materiaal konden afvoeren naar zee. Het westelijk deel van Nederland, tussen de oostelijke zandgronden en de duinkust, veranderde in een uitgestrekt moerasgebied waar op grote schaal veenvorming plaatsvond. De ontginning van het veenland van West-Nederland, vanaf 800 à 1000 AD, ging gepaard met ontwatering, inklinking en oxidatie van de veenbodem. Hierdoor trad een maaiveldsdaling op van (uiteindelijk) enkele meters en kwam het land beneden zeeniveau te liggen. In het veenland van Noord-Holland boven het IJ ontstond een aantal zich snel uitbreidende meren,
9
waarvan er drie in open verbinding met elkaar en met de Zuiderzee stonden, te weten de Schermer, de Beemster en de Purmer. Veel binnenmeren in Noord-Holland stonden lange tijd in contact met de zee (zie navolgende afbeelding). Daardoor was het gebied erg gevoelig voor wateroverlast.
Uitsnede kaart Chr. Sgrooten, 1573 In het drassige Waterland is Edam waarschijnlijk ontstaan als nederzetting rond een gebouwde dam in de natuurlijke waterloop de IJe: de IJe-dam. Deze dam is aangelegd voor de bescherming van het achterland tegen overstromingen. Door zeespiegelstijgingen en daarmee gepaard waterstandverhogingen ontstond in de 13e eeuw de Zuiderzee. Om deze reden is het gebied rond Edam in de loop van de 13e eeuw omdijkt. Edam kreeg in 1357 stadsrechten. Bij deze stadsrechten werd toestemming gegeven een open verbinding te graven met de zee. Met deze doorgang werd een nieuwe kunstmatige toegang tot het binnenwater gerealiseerd. Dit bracht de stad in een nieuwe zeer bijzondere positie: het werd de enige tolvrije haven met onversperde toegang van heel Holland. Er ontwikkelde zich een gunstige havensituatie waardoor steeds meer agrariërs zich ook gingen richten op de scheepsbouw. Er werd een nieuwe haven gegraven: de Voorhaven en de Nieuwe Haven waardoor meer handelschepen de stad aan konden doen. Langs het Oorgat bevonden zich lange tijd meerdere scheepswerven. Geleidelijk verrezen langs het Oorgat steeds meer woningen. Naast de florerende scheepsbouw verkreeg Edam een vergunning tot het houden van drie jaarmarkten.
Ruim twee eeuwen daarna, in 1573, was het Prins Willem van Oranje die Edam voor haar goede en trouwe diensten tijdens het beleg van Alkmaar het eeuwigdurend recht tot het houden van de Kaaswaag verleende. Voor wat betreft de handel in kaas resteert er op dit moment nog maar 1 groothandel. De kaasmarkt vindt op dit moment alleen als toeristische attractie in de zomermaanden plaats. Sluizen Door de toenemende getijdenbeweging op de Zuiderzee werden de zeearmen steeds verder uitgeschuurd en werden de meren zoals de Beemster, Schermer, Wormer en de Purmer door oeverslag steeds groter. De wateroverlast begon in het begin van de
10
16e eeuw zorgwekkende vormen aan te nemen. Overstromingen en stormvloeden teisterden het Noorderkwartier. De open-water verbinding bij Edam werd als één van de veroorzakers gezien. Een sluizencomplex zou een oplossing bieden. Edam was evenwel lange tijd tegen het aanleggen van een sluizencomplex, daar de getijdewerking als noodzakelijk werd gezien om de haven op diepte te houden, en Edam voor haar economische status afhankelijk was van de scheepsbouw met aanverwante industrie. In 1569 werden echter onder de regering van Koning Philips II de deuren toch in de damsluis geplaatst.
Edam in de late Middeleeuwen, kaart van Van Deventer (1560) Edam beleefde haar grote bloei in de zeventiende eeuw, toen zij een belangrijke zeehandel had via het Texelse gat, onder andere op Oost-Indië. Sectoren als zuivel- en scheepsbouw en zouthandel waren belangrijk. In de Staten van Holland behoorde Edam, net als Monnickendam en Purmerend, tot de zogeheten stemhebbende steden. Dit gaf de Edammers in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden invloed op gewestelijk en daarmee ook op landelijk niveau. Dit heeft er toe geleid dat in Edam diverse statige herenhuizen zijn te vinden, woonpanden van de voorname handelslieden zoals we die ook in Amsterdam aantreffen, zij het van bescheidener formaat. Aan het eind van de 17e eeuw begon de groei echter te stagneren, mede door het verzanden van de haven als gevolg van de aanleg van het sluizencomplex (Oostersluis en Damsluis). Met de aanleg van de Sassluis aan het Oorgat probeerde men de stromingen al vóór de haven te keren waardoor deze niet zou verzanden. Het huidige complex is nog steeds in gebruik en werd in 1828 gebouwd. Deze ‘zeesluis’ verving de oorspronkelijke Sassluis en is als Rijksmonument aangewezen.
Fort bij Edam en de Stelling van Amsterdam De Stelling van Amsterdam is UNESCO Werelderfgoed was een verdedigingslinie, bedoeld om middels gecontroleerde onderwaterzettingen (inundaties) de vijand te kunnen stoppen. De linies als geheel zijn gecompliceerde werken met inundatievelden, sluizen, inundatiekanalen, stuwen, forten, kazematten en andere werken. Het idee achter de waterlinies was dat het land aan de aanvalszijde van de linie onder water werd gezet (inunderen), waardoor een waterplas kon ontstaan, niet diep genoeg voor schepen en te diep voor man en paard. Hierdoor was een aanvaller gedwongen om over de aanwezige smalle landwegen en dijken, de accessen, aan te vallen. De verdediger legde op deze accessen verdedigingswerken aan, zodat er een groot stra-
11
tegisch voordeel ontstond. Fort bij Edam was zo’n verdedigingswerk, waarmee werd gestart in 1885. De polder Zeevang zou dan in tijden van oorlog(sdreiging) onder water worden gezet. Voor de werking van de linie was een vrij uitzicht op de omgeving cruciaal. In 1853 werd de Kringenwet vastgesteld. Als gevolg van deze wet golden er in “verboden kringen” beperkingen ten aanzien van bebouwing en beplanting rond de forten, om een vrij schootsveld te creëren en om te voorkomen dat forten onopgemerkt konden worden benaderd. De Kringenwet is in 1951 opgeschort en in 1963 ingetrokken. Het gebied rond de verdedigingswerken was ingedeeld in zones van 300, 600 en 1.000 meter. Voor deze gebieden golden verschillende bouw- en beplantingsvoorschriften. Binnen een kring van 300 meter mocht alleen in hout worden gebouwd. In de middelste kring (300 tot 600 meter) mocht tot 50 centimeter boven de grond in steen worden gebouwd. Ook mochten hier schoorstenen in steen worden opgericht. Verder moest alles bestaan uit materialen, die makkelijk in brand gestoken of omver geschoten konden worden. In de buitenste kring (600 m tot 1.000 m) waren in principe alle bouwmaterialen geoorloofd, maar in geval van “afkondiging van den staat van oorlog” en ook bij mobilisatie konden op last van de militaire bevelhebber alle gebouwen, bomen en andere obstakels zonder enig vorm van proces worden geruimd. 2.1.3
Stedenbouwkundige structuur Edam De structuur van de oude nederzetting Edam is aanvankelijk in noord-zuidrichting langs de IJe gelegd. Dit veranderde met het graven van een nieuwe haven in oostwestrichting. Edam kwam te liggen aan een open verbinding tussen de Purmer en de Zuiderzee. De stad ontwikkelde zich aan de oostzijde rond de havens en de werven. De Voor-IJe kreeg hierdoor steeds minder betekenis en werd overbodig. De bestaande dam werd geheel gedicht en volgestort.
Grondtekening der stad Edam (1743)
12
2.1.4
Oorgat Het plangebied ligt aan het Oorgat. Op de kadastrale minuutkaart uit 1870 is er al bebouwing zichtbaar. Het Oorgat is lange tijd alleen ten noorden van de weg in hoofdzaak bebouwd. Ten zuiden is lange tijd slechts sporadisch bebouwing aanwezig. Pas vanaf 2006 raakt ook deze zijde nagenoeg geheel bebouwd met woningen.
Historische atlas, 1870, 1983, 2005 Het straat-en bebouwingsbeeld aan het Oorgat is zeer divers en deels cultuurhistorisch van aard. De voor dit deel van Noord-Holland kenmerkende bouwstijl, waarbij de kappen loodrecht op de straat staan en van hout zijn gebouwd, komt in enkele woningen terug, maar ook andere kapvormen en bouwwijzen komen voor. De woningen staan ook in een wisselende rooilijn. Hoewel de woonfunctie domineert, is er dus een gevarieerd, doch kleinschalig beeld aanwezig. Ten westen van het plangebied is een serie moderne, gelijkvormige woningen gebouwd. De straat wordt over nagenoeg de gehele lengte, deels aan weerszijden begeleid door bomen. Op enkele plaatsen ontvouwt zich zicht op het open, er achtergelegen landelijk gebied. Zie navolgende impressies.
13
Blik op het sluizencomplex (linksboven), gevarieerd straat- en bebouwingsbeeld met bomen (rechtsboven), blik op open landelijk gebied (linksonder) en afwisseling moderne woningen zuidkant en historische bebouwing noordkant Het plangebied bestaat uit een bedrijfswoning, een bedrijfsgebouw en een botenhuis. De bedrijfswoning heeft een oppervlakte van ca. 245 m2 en het bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van ca. 260 m2. Beide gebouwen bestaan uit één bouwlaag met kap. De bedrijfswoning bestaat uit drie ‘geledingen’, drie houten kappen met makelaar en windveer, loodrecht op de straat. Aan weerszijden verandert de kaprichting in een dwarskap. Ook de gevel van de bedrijfswoning is van hout. Het plangebied ligt binnen de eerste ‘verboden kring’, rondom fort Edam. Van de kenmerkende openheid, die vaak nog wel is terug te vinden in de aanvalszijde/open polders, is echter aan het Oorgat nauwelijks sprake meer. Ook zijn in de Verboden Kringen nog veel voorbeelden van houten woningen en boerderijen, gebouwd toen de Kringenwet nog gold. Aan het Oorgat, waaronder in het plangebied, komt dit her en der voor.
14
Impressies plangebied
15
Ligging plangebied in 1e verboden Kring Het plan kent volgens het bestemmingsplan de aanduiding provinciaal monument. Uit overleg met de provincie blijkt echter dat het plan niet is gelegen binnen een provinciaal monument. Zie meer in detail hoofdstuk 4. De aanduiding provinciaal monument is dus abusievelijk opgenomen en in dit bestemmingsplan daarom verwijderd.
2.2
Het plan Het plan van de eigenaren bestaat er, zoals aangegeven, uit de bedrijfswoning als particuliere woning in gebruik te nemen, hetgeen in feitelijk opzicht al jarenlang het geval is; het is alleen niet planologisch geregeld. De bestemming dient hiervoor van Bedrijf te worden omgezet in Wonen. Tevens bestaat het plan er uit de bedrijfsloods te slopen en hier een woning te realiseren. De ligging aan het water, nabij de sluis en het open landelijk gebied van de gemeente maakt dat het naar verwachting om een gewilde woonlocatie zal gaan. De grote ruimte die aanwezig is op het perceel en de positionering van het bedrijfsgebouw naast de bedrijfswoning (in plaats van erachter) en bijgevolg de oriëntatie op en de ligging grenzend aan de straat, maken dat het stedenbouwkundig mogelijk is een tweede zelfstandige woonbestemming toe te kennen. Er wordt met dit plan een zinvolle nieuwe invulling gegeven aan een voormalig bedrijfsperceel. De nieuwe woning meet ca 10 bij 17m, ofwel 170 m2, en zal bestaan uit één bouwlaag met kap, qua schaal en aard passend bij de kleinschalige, dorpse straat- en bebouwingsbeeld ter plaatse. De ligging nabij het centrum, met haar voorzieningen en cultuurhistorische waarden, alsook nabij het landelijk gebied en aan het water, maakt dat het een gewilde plek zal zijn om te wonen.
De woonfunctie voegt zich ook goed in de omgeving, dat reeds uit de woonfunctie bestaat. De mogelijkheid om ter plaatse een bedrijf te exploiteren vervalt, hetgeen gunstig is omdat een bedrijf gelegen in een woongebied (in potentie) geluidoverlast kan geven en zwaar verkeer aantrekt, waar het smalle profiel van het Oorgat niet geschikt voor is.
16
De bestaande bebouwing wordt niet groter (cq neemt dus iets af) en ook niet significant hoger. De beide doorkijkjes aan weerszijden van de nieuwe woning naar het water van het Oorgat blijven dus intact. Ook word het vrije zicht op het fort Edam en het schootsveld niet aangetast. De nieuwe bestemming levert een planologische basis op dat het mogelijk maakt te investeren in behoud en onderhoud van de woning aan het Oorgat 3 hetgeen in cultuurhistorisch opzicht van belang is, daar de bestaande woning deels in hout is uitgevoerd, hetgeen een referentie is naar de ligging binnen de 1e Verboden Kring rondom fort Edam waar alleen met hout mocht worden gebouwd, en daarnaast ook over tal van voor de regio kenmerkende elementen beschikt. Voor de nieuwe woning is sprake van zorgvuldig, traditioneel metselwerk en zijn enige houten potdekseldelen in een donkere gedekte kleur in de gevel voorzien, hiermee sluit het aan bij de historie van de plek.
Impressie nieuwe situatie, architectenbureau Ruben Wennekers Tot slot wordt een bescheiden bijdrage geleverd aan de woningbehoefte naar dorps wonen in de gemeente Edam-Volendam, waar grote vraag naar is in de gemeente en te weinig aanbod. Het gaat met andere woorden om een ruimtelijk en stedenbouwkundig gewenst initiatief. Zie navolgende impressie, gevelaanzichten en situatieschetsen. In navolgend hoofdstuk volgt een toets aan het ruimtelijk relevant beleid van de diverse overheden.
17
Impressie, situatieschets en gevelaanzichten, architectenbureau Ruben Wennekers
18
3 3.1
Beleidskader Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of onderhavig herontwikkelingproject naar woningen daadwerkelijk in het plangebied kunnen worden gerealiseerd. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijk beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf, milieu-aspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, flora en fauna, archeologie, verkeerskundige aspecten en economische haalbaarheid.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 1 januari 2021 in werking getreden. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna.
19
Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding. De ontwikkeling vindt plaats binnen bebouwd gebied. Er is sprake van goed/nauwkeurig ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied. Er is daarom geen strijd met de Nationale Omgevingsvisie 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.
3.2.3
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) + Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
20
Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4201501297/1/R4. Beoordeling en conclusie Onderhavig plan gaat om de (planologische) toevoeging van twee woningen (waarvan één al aanwezig is als bedrijfswoning en in gebruik is als burgerwoning). Het gaat in deze context dus niet om een stedelijke ontwikkeling. Gezien de huidige bestemming Bedrijf- en jurisprudentie hieromtrent ligt de locatie bovendien binnen Bestaand Stedelijk Gebied (BSG).
Het plan hoeft daarom niet verder getoetst te worden aan de Ladder.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. In de Omgevingsvisie NH2050 staat een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving centraal. De leefomgeving is de basis, met een samenleving die wensen en behoeften heeft en de leefomgeving gebruikt voor ruimtelijk- economische ontwikkelingen. De hoofdambitie is gericht op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste ambities zijn: 1. Klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving; de ambitie is een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland; 2. Verbetering van bodem, water- en luchtkwaliteit; de ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving; 3. Biodiversiteit en natuur; de ambitie luidt deze te vergroten; 4. Economische transitie; ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor; 5. Energietransitie; de ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie; 6. Mobiliteit: de ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden;
21
7. Wonen en Werken: de ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn; 8. Landschap: de ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. De kernkwaliteiten van de Noord-Hollandse landschappen staan beschreven in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018. De provincie staat voor een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving, maar sluit een verhoging van deze ambitie in de toekomst niet uit. Het plangebied ligt binnen een aantal werkingsgebieden:
Uitsnede omgevingsvisie NH2050, werkingsgebieden Dynamisch schiereiland – hier is het benutten van de unieke ligging leidend waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling – hierin beschrijven we hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem vergroten we de agglomeratiekracht. Sterke kernen, sterke regio’s – deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie – in deze beweging gaat het over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie.
22
Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving – deze beweging gaat over het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector. Beoordeling Het plan doet geen afbreuk aan de geformuleerde ambities voor de voornoemde werkgebieden. Voor specifiek het thema sterke kernen, sterke regio’s draagt het initiatief bij door het toevoegen van een woning binnen bestaand stedelijk gebied, passend bij de identiteit van het gebied (zie hoofdstuk 2). Dat geldt ook voor het thema nieuwe energie: voldaan zal worden aan de wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit en het BENG. In concreet is het ontwerp duurzaam vormgegeven op basis van de uitgangspunten van de Trias Energetica. De woning is voorzien van een zeer hoogwaardige gebouwschil van isolatie. De isolatiewaarden zijn ruim boven de minimale nieuwbouw eisen vormgegeven, isolatiewaarden van de wanden Rc 6,0 (norm 4,7) en voor het dak Rc 8,0 (norm 6,3) er wordt gebruikgemaakt van een warmtepompsysteem (uiteraard gasloos) met lage temperatuurverwarming waardoor zeer weinig energie nodig is. De benodigde energie wordt op eigen dak opgewekt door middel van zonnepanelen welke de gebouwgebonden alsmede de gebruiksgebonden energie opwekken. De woning is dan ook meer dan energieneutraal en Nul Op de Meter ontworpen.
Ten aanzien van natuur(inclusief bouwen) onderzoekt men de mogelijkheden voor hergebruik regenwater en aanwezige bomen blijven staan (met name is dit relevant in het weiland en het aansluitende plas en dras gebied achter het boothuis). Ensemble Waterland Het plangebied ligt volgens de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 in het ensemble Waterland. Het ensemble wordt grotendeels bepaald door een waterrijk veenpolderlandschap, bestaande uit overgraven veen met een onregelmatig, vaak historisch verkavelingspatroon. Het is dooraderd met grillige veenwaterlopen (dieën, ook Ae of Ee genoemd), die karakteristiek zijn voor Waterland. Het veenpolderlandschap is in gebruik als grasland (veenweide). Het veenpolderlandschap heeft een open karakter, met incidenteel een onderbreking in de vorm van een klein lint of erf. De beleving van een doorlopende ruimte overheerst. Deze openheid is vanaf de (zee)dijken erg goed te ervaren. In het gebied is nauwelijks sprake van opgaand groen, met uitzondering van de begroeiing rond de verspreid liggende agrarische erven. Beplanting langs wegen komt nauwelijks voor. Dit versterkt de openheid aanzienlijk. De openheid in Waterland is zeer kwetsbaar omdat bijna elke ruimtelijke ingreep zichtbaar is in het vlakke land.
Door de onregelmatige verkaveling, het ontbreken van opgaande begroeiing in combinatie met de open vlakken van de dieën is het landschap uitermate afwisselend en aantrekkelijk maar tegelijk zeer open en ruimtelijk, als een oneindig landschap. De meest prominente ruimtelijke dragers zijn de randen zoals de lange structuur van de Waterlandse Zeedijk (Uitdammerdijk en de Zeedijk langs de Gouwzee).
23
Ook de Stelling van Amsterdam is een ruimtelijke drager en loopt ten noorden van Edam. Het fort bij Edam en enkele kleinere kustbatterijen bij Durgerdam, Uitdam en Monnickendam bewaakten de Zuiderzeedijk. Deze structuur bestaat uit twee militaire verdedigingsgordels uit de laat-19e, vroeg-20e eeuw. De verdediging werd uniek vormgegeven, met gebruikmaking van de karakteristieken van het omringende landschap en door het onder water zetten (inundatie) van land, ter bescherming van Amsterdam. De verdedigingslinie was 135 kilometer lang en bestond uit 46 forten en een groot aantal batterijen, dijken en sluizen. Het systeem van de stelling ging uit van onderwaterzetting (inundatie) van een gebied rondom Amsterdam. Een stelsel van inundatiesluizen en -dammen verdeelde het water op ingenieuze wijze. Hierdoor ontstond een nat gebied waar het water te diep was voor de vijand om door heen te waden, maar te ondiep om te varen. Bij de doorsnijdingen (accessen) van de linie en op zichtafstand van elkaar werden forten gebouwd, van waar ook de geïnundeerde vlakte onder vuur genomen kon worden. Naastgelegen forten konden elkaar flankerend vuur geven. In de schootsvelden van de forten golden dan ook ‘verboden kringen’ (300, 600, 1000 m) als zones met beperkingen ten aanzien van bebouwing en beplanting.
Woningen die er toch gebouwd mochten worden, staan bekend als Kringenwetwoningen en moesten van hout zijn en snel af te breken. De waterlinies zijn van groter belang dan enkel als krijgskundig monument. Ze brengen ook op markante wijze landschappelijke samenhang tot expressie en zijn daarmee een verrijking van het cultuurlandschap. De kernkwaliteiten zijn de openheid, de militaire werken (hoofdverdedigingswerken, forten en liniedijken) en het strategisch landschap (schootsvelden, accessen, verboden Kringen en Kringenwetwoningen) en het watermanagementsysteem (inundatievelden, dijken, inlaatsluizen en dammen). De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: − bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek − bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en − helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Ruimtelijke kwaliteit is onder meer gebaat bij: het aansluiten bij het landelijke karakter van de linten en kernen. − Situeer nieuwe bebouwing binnen of aan de rand van bestaande kernen of bebouwingslinten. − Ontsluit kavels individueel en laat ze direct aansluiten op het lint; dus geen nieuwe woonbuurten aan de linten. − het vrijhouden van het zicht op de Markermeerdijk vanuit het ensemble.
− situeer geen nieuwe bebouwing of opgaande beplanting direct aan de dijk, houd de dijk vrij in het zicht. Voor de Stelling van Amsterdam geldt dat Ruimtelijke kwaliteit gebaat is bij: − het versterken van de waterlinies als structuurlijnen en als landschappen. − behoud en herstel van de doorgaande lijn van de hoofdverdedigingslijn. − het versterken van de onderlinge samenhang van de onderdelen en het landschap van de linies.
24
−
−
− − − −
het versterken van de Stelling van Amsterdam als landschappelijke ring, die de verschillende agrarische landschappen, natuurgebieden en recreatiegebieden aaneenrijgt (kans) de continuïteit van de hoofdverdedigingslijn (liniedijk), die zich vormt naar het landschap: een rechte lijn door droogmakerijen en een kronkelige lijn door veenpolder en veenrivierenlandschap. behoud en versterk de karakteristieken van de liniedijk. een herkenbare binnen- en buitenzijde van de verdedigingslinie. houd de schootscirkels open en geef deze passende functies zoals landbouw, natte, laagopgaande natuur of waterberging. het versterken van de continuïteit van de hoofdverdedigingslijn en de beleving daarvan als doorgaande recreatieve route.
Conclusie Onderhavig plan gaat uit van een flexibel gebruik van een reeds bebouwde binnenstedelijke locatie. Er is sprake van duurzaam ruimtegebruik. De planlocatie ligt binnen de Verboden Kring en het schootsveld van het fort Edam, doch binnen de verdedigingszijde, waar de openheid doorgaans reeds is aangetast. De bebouwing neemt daarbij niet significant toe, qua footprint blijft ze gelijk en qua goot- en bouwhoogte wordt het voormalige bedrijfsgebouw slechts een fractie hoger. De woningen worden verder allen direct ontsloten op het Oorgat. Het plan past binnen de provinciale omgevingsvisie. 3.3.2
Omgevingsverordening NH2020 (2020) Op 11 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de verordening staan de regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In de verordening zijn regels opgenomen over onderwerpen in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Een aanzienlijk deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied. Beoordeling en conclusie Het plan is zoals aangegeven niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. De provincie hanteert voor het begrip stedelijke ontwikkeling namelijk hetzelfde begrip als het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 3.1). Eerder is al onderbouwd dat de locatie binnen BSG is gelegen. Van belang voor dit plan is dat stedelijke ontwikkelingen mogelijk zijn als ze passen binnen regionaal gemaakte afspraken. Binnen de provincie Noord-Holland worden deze afspraken ten aanzien van woningbouw vastgelegd in de Woonakkoorden (zie navolgende paragrafen). Hoewel er voldoende plannen zijn, is er, wanneer sec de harde plancapaciteit wordt beschouwd, dus een tekort. Doorgaans moet immers om de vraag te bepalen gekeken worden naar de harde plan-capaciteit versus de behoefte ( in sommige gemeenten worden de buitenstedelijke plannen ook niet meegenomen).
Dit blijkt uit jurisprudentie, zie hiervoor 201506063/1/R6, alsook uit de meest recente Handreiking bij de Ladder voor Duurzame Verstedelijking van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu: “Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan)
25
verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit)”. Weliswaar staat deze Handreiking op een website van een semi-overheidsorgaan, infomil, doch expliciet staat aangegeven dat deze Handreiking afkomstig is van het Rijk.
Tot slot staat het in een ‘externe handreiking nut en noodzaak’ van de provincie Noord- Holland zelf ook aangegeven: “Lokaal is er vraag naar 300 woningen. Het harde aanbod is 175 woningen. Om te bepalen of er nog ruimte is voor dit plan, wordt de volgende berekening uitgevoerd: vraag – hard aanbod = resterende ruimte voor woningbouw. In dit geval betreft het 300-175 = 125 woningen. Het plan bedraagt 100 woningen, dus het past binnen de nog resterende lokale kwantitatieve behoefte”. Verder geven recente woningmarktgegevens aan dat de Metropoolregio Amsterdam, alsook kleinere gemeenten niet kunnen voorzien in hun woningbehoefte. Gelet op deze ontwikkelingen doen zich daarmee mogelijkheden voor om plannen toe te voegen aan de plancapaciteit. Van toepassing is voorts de ligging binnen Cultureel Erfgoed. Het gaat om de ligging binnen de Stelling van Amsterdam. Van toepassing is daarom artikel 6.49. Artikel 6.49 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Gemeenten dienen in hun ruimtelijke plannen regels op te nemen die ervoor zorgen dat de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen in stand blijven of versterkt worden. In bijlage 7 en 7A zijn deze kernkwaliteiten opgenomen. In dit artikel is vastgelegd hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in UNESCO-werelderfgoederen.
Een nieuw ruimtelijk plan mag alleen ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten niet aantasten. Hiervan kan afgeweken worden als gaat het om: een grootschalige stadsof dorpsontwikkellocatie, glastuinbouwlocatie of een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject. Hierbij moet er aan de volgende vereisten worden voldaan: • er is sprake van een groot openbaar belang • er zijn geen reële alternatieven en • er worden voldoende maatregelen genomen ten aanzien van mitigeren of compenseren. Hiervoor kunnen Gedeputeerde Staten nadere regels stellen. Plaatsing van windturbines is niet toegestaan binnen Werelderfgoed De Beemster. In hoofdstuk 2 is ingegaan op de Stelling van Amsterdam en de kernkwaliteiten. Hier wordt geen afbreuk aan gedaan. Het artikel levert dus geen strijdigheid op.
26
Uitsnede Omgevingsverordening NH2020, Cultureel Erfgoed Verder wordt alleen nog benoemd de ligging binnen gebiedswaarden wateroverlast. Van toepassing is gelet hierop artikel 5.6: Artikel 5.6 Normen voor waterkwantiteit 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium 0%; b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw met maaiveldcriterium 1%; c. 1/10 per jaar voor het overige gebied met maaiveldcriterium 5%. 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied buiten de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen met maaiveldcriterium van 0%; b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw met maaiveldcriterium 1%; c. 1/25 per jaar voor akkerbouw met maaiveldcriterium 1%; d. 1/10 per jaar voor grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober met maaiveldcriterium 5%. 3.
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a geldt binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland voor bebouwing gelegen buiten de bebouwde kom de norm van het omringend landgebruik genoemd in het tweede lid, aanhef, onder b, c of d. 4. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder d geldt binnen de beheersgebieden van Waterschap Amstel, Gooi en vecht en hoogheemraadschap Rijnland voor grasland de norm van 1/10 per jaar met maaiveldcriterium 10 %. 5. In afwijking van het eerste en tweede lid gelden ter plaatse van het werkingsgebied Gebiedswaarden Wateroverlast de ter plaatse van het werkingsgebied als normen en maaiveldcriteria vastgelegde gebiedswaarden. 6. Voor de toepassing van het tweede lid is wat betreft het landgebruik de situatie zoals vastgelegd in het ruimtelijk plan bepalend. Indien een ruimtelijk plan onvol-
27
doende duidelijkheid verschaft omtrent het type landgebruik dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het meest recente Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen University & Research. 7. Voor de bepaling van het landgebruik natuur mag gebruik worden gemaakt van de meest recente voortgangskaart realisatie Natuurnetwerk waarop gebieden zijn aangeduid als Natuurnetwerk gerealiseerd of van het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. 8. Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorschriften stellen over de toepassing van het eerste tot en met vierde lid. 9. Uiterlijk op 31 december 2027 voldoet de inrichting van de regionale wateren binnen de beheersgebieden van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, het hoogheemraadschap van Rijnland en het waterschap Amstel, Gooi en Vecht aan de in het eerste en krachtens het zevende lid opgenomen normen.
Uitsnede Omgevingsverordening NH2020, gebiedswaarden wateroverlast Het plan draagt niet bij een verhoging van de overstromingsrisico’s noch staat het de geformuleerde doelstellingen in de weg. Conclusie Het bestemmingsplan voorziet in extra woningen in een bestaand stedelijk gebied waar in het algemeen de provincie minder regels stelt (het plan ligt niet binnen Landelijk gebied of Bijzonder provinciaal landschap); het plan komt overeen met de Provinciale Omgevingsverordening. 3.3.3
Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie NoordHolland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet.
28
De provincie maakt via ’woonakkoorden’ afspraken met regio’s en gemeenten daarbinnen over woningbouw, programmering en fasering van woningbouwplannen. Uitgangspunt is de juiste balans tussen vraag en aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief. Er komen maatwerkafspraken om tot voldoende, bij de vraag passende woningen te komen en de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, natuur- en landschapsinclusief en circulair te kunnen realiseren. De woonakkoorden vervangen daarmee de Regionale Actieprogramma’s Wonen (RAP’s). De provincie in op meer flexibiliteit en adaptiviteit in de woningprogrammering. Om te zorgen voor voldoende woningbouwproductie én zorgvuldig ruimtegebruik, is het van belang dat de woningprogrammering niet in beton is gegoten, maar realistisch, flexibel en ruimte biedt om te anticiperen op veranderingen in de vraag of goede kansen die zich voordoen. Om te zorgen dat er voldoende woningen worden gebouwd, is het belangrijk dat er voor de korte termijn (5 jaar) voldoende harde plannen zijn. Als vuistregel richten we ons op minimaal 130% ten opzichte van de behoefte voor 5 jaar. Bij het hard maken van plannen ligt de focus daarom op plannen die snel gerealiseerd kunnen worden. Het is belangrijk om regionale ’Ladder-ruimte’ vrij te houden voor kansrijke, snel te realiseren nieuwe initiatieven.
Dit kan door ervoor te zorgen dat de harde planvoorraad kleiner is dan de woningbehoefte op de middellange termijn (5 10 jaar). Deze ’Ladder-ruimte’ zorgt voor meer flexibiliteit en adaptiviteit in de programmering. In de woonakkoorden kunnen afspraken worden gemaakt over hoeveel ruimte hiervoor wordt gereserveerd De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen. Ruimtelijke uitgangspunten 1. Wonen is onderdeel van een integrale verstedelijkingsopgave. 2. We geven ruimte voor woningbouw, uitgaande van zorgvuldig ruimtegebruik. 3. We versterken de rol van de kernen en steden in het regionale netwerk, leidend tot keuzes voor woningbouw- en economische ontwikkeling en het voorzieningenniveau in de regio. 4. We geven invulling aan onze ambities door aan de hand van deze Woonagenda ruimte te bieden voor maatwerk en te sturen op regionale samenwerking. Speerpunten 1 Een woning voor iedereen: A Adaptief en vraaggestuurd programmeren. B Productie op peil: aanjagen woningbouwproductie. C Kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. 2 Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie. Richtinggevende principes 1. De vraag is leidend.
De regionale programmeringen worden bepaald op basis van gegronde onderbouwing van vraag, aanbod en het kwalitatieve en kwantitatieve verschil daartussen voor nu en in de toekomst. 2. Er zijn snel meer woningen nodig. De provincie zet in op het versnellen van de woningbouwproductie en helpt gemeenten hierbij door voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw.
29
3. De woningbouwprogrammering is regionaal en adaptief. De programmering houdt rekening met fasering en haalbaarheid, zodat de in het woonakkoord af te spreken regionale productiedoelstellingen kunnen worden gehaald. 4. De provincie geeft gemeenten ruimte om bij binnenstedelijke plannen nabij een OV-knooppunt en/of in een groeiregio hogere aantallen woningen te realiseren dan de prognose, om het woningtekort versneld in te lopen. 5. De woningmarkt heeft structureel meer flexibiliteit en betaalbare opties voor alle verschillende doelgroepen van woningzoekenden nodig. 6. Betaalbaar en divers woningaanbod voor alle doelgroepen vraagt regionale afstemming en samenwerking. 7. Vanuit het oogpunt van leefbaarheid en gezondheid bewaakt de provincie de goede balans tussen economie, wonen, mobiliteit, natuur en landschap. 8. Woningbouw heeft een grote impact op het landschap, de natuur en de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. In de woonakkoorden maken we afspraken om woningbouw zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, actieve mobiliteit (gericht op fietsen en lopen) stimulerend, circulair en natuur- en landschapsinclusief te ontwikkelen en dit vroegtijdig bij de locatiekeuze en planontwikkeling mee te nemen. Beoordeling en conclusie Het plan geeft uitvoering aan de provinciale woonvisie door het toevoegen van twee woningen.
Het betreft bovendien een voorbeeld van kleinschalig, snel te realiseren plan. Voldaan zal worden aan de wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit en het BENG. In concreet is het ontwerp duurzaam vormgegeven op basis van de uitgangspunten van de Trias Energetica. De woning is voorzien van een zeer hoogwaardige gebouwschil van isolatie. De isolatiewaarden zijn ruim boven de minimale nieuwbouw eisen vormgegeven, isolatiewaarden van de wanden Rc 6,0 (norm 4,7) en voor het dak Rc 8,0 (norm 6,3) er wordt gebruikgemaakt van een warmtepompsysteem (uiteraard gasloos) met lage temperatuurverwarming waardoor zeer weinig energie nodig is. De benodigde energie wordt op eigen dak opgewekt door middel van zonnepanelen welke de gebouwgebonden alsmede de gebruiksgebonden energie opwekken. De woning is dan ook meer dan energieneutraal en Nul Op de Meter ontworpen. Ten aanzien van natuur(inclusief bouwen) onderzoekt men de mogelijkheden voor hergebruik regenwater en aanwezige bomen blijven staan (met name is dit relevant in het weiland en het aansluitende plas en dras gebied achter het boothuis).
3.4
Regionaal beleid
3.4.1
Hoofdlijnennotitie Regiovisie ‘Op weg naar 2040’ / Regiovisie Waterland 2040 'Vitaal met Karakter' (2009) De gemeente Edam-Volendam maakt deel uit van het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Waterland (ISW), een samenwerkingsverband van 7 gemeenten in de regio Waterland. Op 10 december 2008 is door het algemeen bestuur van de regio Waterland de Regiovisie Waterland 2040 'Vitaal met Karakter' vastgesteld. Het ISW heeft, in zijn regiovisie, als uitgangspunt dat het bevolkingsaantal in de regio niet zal teruglopen. De regio maakt immers deel uit van de woningmarkt en arbeidsmarkt van de metropoolregio Amsterdam. In deze regio is er behoefte aan 150.000 extra wonin-
30
gen. Waterland draagt aan de realisatie van deze extra woningen haar steentje bij, maar kiest vanwege het waardevolle landschappelijke karakter en de mobiliteitsproblematiek niet voor grootschalige verstedelijkingsopties. In de ‘Bouwstenennotitie’ is berekend dat er in de toekomst een minimale behoefte is aan 2.200 woningen tot 2020. Hierbij zijn de kerneisen het behouden van de vitaliteit van de kernen en rekening houden met de landschappelijk waardevolle landschappen, goede verkeersafwikkeling en goede en hoogwaardige ruimtelijke ordening. In de gebiedsvisie zijn onder meer de volgende strategische beleidslijnen opgenomen: − Daar waar ruimtelijk verantwoord, mogelijk en gewenst het stedelijk gebied intensiveren binnen de contouren; − Aanvullende programma's voor wonen en werken in relatief kleinschalige uitleggebieden accommoderen, met expliciete aandacht voor vergroting van de diversiteit en vitaliteit van woon- en werkmilieus; − Nadrukkelijk ruimte houden en zonodig creëren voor stedelijk groen, vooral om stedelijke en dorpse woonmilieus concurrerend te houden in de toekomst en het authentieke karakter van de regio te versterken; − Opwaarderen en herstructureren van bestaande woon- en werkmilieus, waarbij gezocht wordt naar een nieuwe balans tussen intensivering en extensivering binnen bebouwd gebied; − Geleidelijke transformatie naar meer diversiteit in woon- en
werkmilieus.
Visiekaart strategische visie Waterland 2040 Beoordeling en conclusie Onderhavig plan voorziet in het (planologisch) toevoegen van 2 woningen en draagt daarmee bij aan de leniging van een regionale behoefte. Uit de visiekaart zoals-– hierboven opgenomen blijkt verder dat Edam is gelegen binnen het bestaande bebouwde gebied, waarvoor geldt dat daar waar ruimtelijk verantwoord, mogelijk en gewenst het stedelijk gebied geïntensiveerd moet worden. Het initiatief past binnen de toekomstvisie van de Strategische Visie Waterland 2040.
31
3.4.2
Woonakkoord regio Zaanstreek-Waterland en provincie Noord-Holland 20212025 Dit woonakkoord is de opvolger van het Regionaal Actieprogramma Wonen 20162020 (RAP). In het RAP maakten de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland jarenlang afspraken over het woonbeleid. In tegenstelling tot het RAP in de voorgaande periode zal de provincie partij zijn in de regionale woonafspraken. De kwaliteit van Zaanstreek-Waterland is de ruimte om te wonen en te werken in een van de mooiste, meest karakteristieke en authentieke delen van de metropoolregio. Wonen in een woning in de stad of het landelijk gebied, met scholen en voorzieningen in de buurt, altijd nabij water, groen en recreatiemogelijkheden, goed bereikbaar via OV of auto. Het is niet alleen de kwaliteit maar vooral ook de identiteit die Zaanstreek-Waterland onderscheidend maakt en zo belangrijk is. Het landschap van Zaanstreek-Waterland is Hollandser dan Hollands: prachtige veenweidegebieden en droogmakerijen met sloten, plassen, polders, dijken en molens, weilanden met koeien, historische lintdorpen en een indrukwekkend rijke historie. Dit alles bij elkaar is het fundament van deze regio als Noordflank van de MRA. De regiogemeenten werken verder in de geest van de gezamenlijke ambities zoals beschreven in de regionale woonagenda Samen optrekken uit 2017.
Identiteit door diversiteit versterken Zaanstreek-Waterland is als woongebied uniek in zijn verscheidenheid. Op een steenworp van Amsterdam gelegen, biedt Zaanstreek-Waterland een variëteit aan steden, stadjes, woonkernen en vrij liggende woningen in een prachtig landelijk gebied van veenweiden en droogmakerijen. Dicht bij elkaar zijn er zo sterk verschillende woonmilieus te vinden: van hoog stedelijk tot uitermate landelijk. De toenemende woningvraag biedt kansen om die verscheidenheid nog op een hoger plan te brengen. De regiogemeenten willen die vraag benutten om de contrasten en de dynamiek te vergroten, de kwaliteit van de steden en de vitaliteit van de kernen te verhogen en het draagvlak voor (regionale) voorzieningen te versterken. Met de genoemde verscheidenheid en de versterking daarvan, onderscheidt de regio zich van andere delen van de MRA en draagt zo bij aan een complete metropool. Ruimte bieden aan de eigen én regionale woningvraag De regiogemeenten beschouwen Zaanstreek-Waterland als onderdeel van de MRA. Daarom willen de regiogemeenten hun verantwoordelijkheid nemen en ook een aandeel nemen in het accommoderen van de regionale woningvraag. Met het tegemoet komen aan de regionale woningvraag draagt Zaanstreek-Waterland bij aan de economische ontwikkeling van de Amsterdamse regio.
Dit door voldoende huisvestingsmogelijkheden te bieden voor huishoudens die in de regio werken en door te voorkomen dat door schaarste het prijsniveau al te zeer oploopt. Elke gemeente zal haar bijdrage leveren aan het lenigen van de woningbehoefte door haar eigen kwaliteiten te versterken en aan te vullen, binnen de mogelijkheden die ze heeft. Zo kan de regio goede vervoersverbindingen met de werkgelegenheidscentra waarborgen en een open landschap voor de recreatie.
32
Verdere differentiatie van de woningvoorraad ten behoeve van alle doelgroepen De regiogemeenten streven naar gedifferentieerde woonmilieus en naar een gedifferentieerde woningvoorraad in Zaanstreek-Waterland, zodat alle inkomensgroepen (van rijk tot arm) en alle typen huishoudens (jong en alleenstaand, gezinnen, senioren) hier terecht kunnen en een woning kunnen vinden naar hun smaak en bereik. De regiogemeenten willen het goede van de woningmarkt behouden, waaronder de aanzienlijke betaalbare huur- en koop-woningvoorraad, en daarnaast de kansen benutten voor het toevoegen of uitbreiden van woonmilieus en woningtypen waarnaar meer vraag ontstaat. Naar een toekomstbestendige woningvoorraad De regiogemeenten streven naar een toekomstbestendige woningvoorraad in Zaanstreek-Waterland. Er liggen met name opgaven in het meer levensloopbestendig maken van de woningvoorraad. Op dit moment is de voorraad sterk op gezinnen gericht is en veel minder op ouderen, en ook in het verduurzamen van de woningvoorraad moet een slag gemaakt worden. Door in te zetten op doorstroming werkt de regio aan een optimaal gebruik van de sociale voorraad. Als onderdeel van de grotere metropoolregio Amsterdam heeft Zaanstreek-Waterland een overloopfunctie vanuit de stad Amsterdam en er is natuurlijk ook de lokale woningbehoefte.