CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE_Bufferwoningen Kwadijk 2022 vastgesteld (19-4-2024)

Raadsvergadering 13 juni 2024, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Bufferwoningen Kwadijk.27.636 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 1999); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden, hotels, restaurants, kantoren en winkels voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren en bedrijfsgebouwen en vergelijkbare objecten. Kwetsbare objecten zijn onder andere woningen (met uitzondering van de beperkt kwetsbare objecten) en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of een deel van de dag kwetsbare groepen mensen bevinden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk getroffen wordt door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag en gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting.

De grenswaarde voor het PR is voor nieuwe kwetsbare objecten (op enkele uitzonderingssituaties na) gesteld op een niveau van 10-6 per jaar op het object. Voor beperkt kwetsbare objecten is deze waarde een richtwaarde, wat wil zeggen dat hiervan alleen om gewichtige redenen van afgeweken kan worden. De norm 10-6 per jaar

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld betekent dat de kans op een dodelijke situatie door een ongeval met gevaarlijke stoffen op een te bebouwen plek maximaal één op de miljoen per jaar mag zijn. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de cumulatieve kans per jaar uit dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Dit wordt vertaald in een dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van de inrichting. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde.

5.4.2

Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de rode kaders) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.2: Uitsnede Risicokaart Nederland(Bron: Risicokaart Nederland)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het buitengebied betreft een met een ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. In de tabel wordt het vorenstaande inzichtelijk gemaakt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Gebiedstypering plangebied en omgeving

Feitelijk kan het plangebied opgedeeld worden in twee gebiedstypes. Het deel rond de kerk en school kan aangemerkt worden als een gemengd gebiedstype. Dit gebied maakt straks ruimtelijk-functioneel onderdeel uit van het dorpshart, waar gestreefd wordt naar functiemenging om zodoende levendigheid te creëren. Het overige deel van het plangebied is niet gericht op functiemenging en kan worden aangemerkt als een rustig gebiedstype.

5.5.4

Situatie plangebied

5.5.4.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.4.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval worden in totaal 44 nieuwe woningen in het plangebied gerealiseerd. De woonfunctie betreft een niet milieubelastende functie voor de omgeving. Er is daarom geen sprake van een aantasting van het woonen leefklimaat van omwonenden. 5.5.4.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Grenzend aan het plangebied komen burgerwoningen en maatschappelijke functies voor. Zoals eerder aangegeven wordt een functie als ‘wonen’ niet gezien als een milieubelastende functie. Dit behoeft derhalve geen nadere toetsing. Op grotere afstand bevinden zich functies zoals een manege, kleinschalige bedrijvigheid en horeca. Hierna wordt getoetst of de ontwikkeling belemmeringen oplevert voor deze functies.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld Maatschappelijke functies (Kwadijk 87, 91 en 92) Kwadijk 87 en 92 Op deze twee locaties zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan, vallend in milieucategorie 2. Het gaat hierbij om een kerk (Kwadijk 87) en een onderwijsvoorziening (Kwadijk 92). Een kerk wordt in de VNG-uitgave genoemd als ‘Kerkgebouwen e.d., SBI 2008: 9491). Een basisschool wordt onderscheiden als ‘Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs, SBI 2008: 852, 8531). Voor functies in milieucategorie 2 in een gemengd gebiedstype geldt een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Kwadijk 91 Op deze locatie is een begraafplaats (SBI 2008: 96031) aanwezig. Dit betreft een categorie 1 functie, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt in het geval van een rustig gebiedstype. Hier wordt aan voldaan. Manege De Paardenhof (Kwadijk 126) Manege de Paardenhof aan de Kwadijk 126 wordt op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering aangemerkt als ‘Manege’ (SBI 2008: 931), waarvoor op basis van een rustig gebiedstype een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect ‘geur’ geldt. Voor de aspecten ‘geluid’ en ‘stof’ gelden richtafstanden van 30 meter. De grens van de manege bevindt zich op 170 meter afstand uit de uiterste grens van het plangebied van dit bestemmingsplan.

Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden richtafstand van 50 meter. Horeca (Kwadijk 94) Op de locatie Kwadijk 94 is planologisch horeca tot en met categorie 3 toegestaan. Uitgaande van de maximale planologische invullingsmogelijkheden (de locatie staat op dit moment te koop en staat leeg) zou zich hier een horecavoorziening in milieucategorie 2 kunnen vestigen. Voor een dergelijke voorziening geldt een richtafstand van 30 meter bij een rustig gebiedstype en 10 meter in geval van een gemengd gebiedstype. De kortste afstand bedraagt circa 65 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de aan te houden richtafstand. Bedrijfsbestemming (Kwadijk 95) Deze locatie is op basis van het bestemmingsplan “Dorpskernen 2011” voorzien van de enkelbestemming ‘Bedrijf’. Hier zijn bedrijfsfuncties toegestaan die zijn genoemd in de bij de regels behorende bijlage B, “Staat van Bedrijfsactiviteiten”, mits het geen bedrijven betreft welke omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van artikel 2.1 Besluit omgevingsrecht. Op de locatie bevindt zich een transformatorhuisje, die geen belemmering voor de woningen met zich meebrengt.

5.5.5

Conclusie

Ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen kan in het kader van milieuzonering een aanvaardbaar woonen leefklimaat worden gerealiseerd. Omliggende functies worden door deze ontwikkeling niet extra belemmerd. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.6

Geurhinder

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een nietconcentratiegebied (de voormalige gemeente Zeevang is gelegen binnen een niet-concentratiegebied), de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

5.6.2

Situatie plangebied

Kwadijk 128 Op de locatie Kwadijk 130 is planologisch een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. De afstand tot het bedrijf bedraagt 250 meter. Het plangebied bevindt zich niet binnen de afstandseisen die gelden op basis van de Wgv. Het agrarisch bedrijf ter plekke wordt niet belemmerd als gevolg van de ontwikkeling enerzijds. Anderzijds wordt ter plaatse van de woningbouwlocatie een goed woon- en leefklimaat verwacht. Manege De Paardenhof De manege kan op basis van artikel 1.1 van de Wgv en jurisprudentie (zie onder andere uitspraak 201103534/1/A4) worden aangemerkt als een ‘veehouderij’: veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren2. Afgezien van de vraag of de locatie binnen of buiten de bebouwde kom ligt, wordt in alle gevallen voldaan aan de vast afstandseisen uit de Wgv. De afstand van de uiterste grens van het plangebied tot aan de grens van de manege bedraagt 170 meter. De afstand tot aan de locaties waar de dierenverblijven c.q. paardenboxen zich bevinden is nog groter. Geconcludeerd kan worden dat de woningbouwontwikkeling hiermee geen belemmering vormt voor de manege en dat ter plaatse van de woningen geen hinder wordt ondervonden van de manege.

5.6.3 Conclusie De Wet geurhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

2

Het houden van paarden valt hier ook onder.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Door Natuurbank Overijssel is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor voorliggend plan. Hierin is ook onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en conclusies weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting Aan de noordzijde van Kwadijk, op een afstand van circa 30 meter uit de meest nabijgelegen grens van het plangebied, ligt het Natura 2000-gebied ‘Polder Zeevang’. De ligging van het plangebied ten opzichte van dit Natura 2000-gebied wordt weergegeven in afbeelding 5.3.

Afbeelding 5.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied “Zeevang” (Bron: provincie Noord-Holland)

Het plangebied behoort niet tot het Bijzonder Provinciaal Landschap, Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Bijzonder Provinciaal Landschap en Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het BPL en NNN (geen externe werking). Als gevolg van de bouwwerkzaamheden, is enig geluid mogelijk waarneembaar tijdens de bouwwerkzaamheden. Dit effect is kortstondig en vindt alleen plaats gedurende de bouwperiode van enkele weken. Gelet op de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied en het feit dat de bouwactiviteiten plaatsvinden op een nog grotere afstand van het Natura 2000-gebied kan ook verstoring door licht worden uitgesloten. Tevens staan er ook nog enkele woningen en ligt de verharde weg Kwadijk tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied. Het is niet aannemelijk dat uitvoering van de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld voorgenomen activiteiten leidt tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000gebied. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Ten behoeve van het voornemen zijn daarom door BJZ.nu stikstofberekeningen voor zowel de aanleg- en gebruiksfase als de referentiesituatie (worst-case scenario) uitgevoerd met de AERIUS calculator 2022 (bijlage 6). Hierna worden de resultaten toegelicht. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat zowel in de aanlegfase alsook in de gebruiksfase er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr zijn berekend. Voor beide fases geldt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 5.7.2.3 Natuur Netwerk Nederland (NNN) Binnen het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Er is van directe aantasting van het NNN dan ook geen sprake. Ook heeft de planontwikkeling geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland buiten het plangebied.

In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN weergegeven.

Afbeelding 5.3: Ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN (Bron: Provincie Noord-Holland)

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal, waardoor de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland heeft. 5.7.2.4 Overige beschermingsregimes Zoals hiervoor reeds aangegeven blijkt uit het Natuurwaardenonderzoek van Natuurbank Overijssel (bijlage 6) dat het plangebied niet behoort tot het Bijzonder Provinciaal Landschap. Vanwege de ligging buiten het Bijzonder Provinciaal Landschap hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het BPL (geen externe werking). Als gevolg van de bouwwerkzaamheden,

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld is enig geluid mogelijk waarneembaar tijdens de bouwwerkzaamheden. Dit effect is kortstondig en vindt alleen plaats gedurende de bouwperiode van enkele weken.

5.7.3

Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Natuurwaardenonderzoek In het kader van soortenbescherming is door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor voorliggend plan. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en conclusies weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting. Het plangebied is op 1 september 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats.

Vleermuizen bezetten geen vaste rustof verblijfplaats in het plangebied, maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt functioneel leefgebied van kleine modderkruiper, bittervoorn en blankvoorn. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het verstoren, beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien het plangebied bouwrijp gemaakt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermdgrondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een kleine modderkruiper, bittervoorn en blankvoorn gedood. Voor deze vissoorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `doden’. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: • •

Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden.

De omgevingsdienst heeft het natuurwaardenonderzoek beoordeeld. Aanvullend op de rapportage wordt opgemerkt dat Rugstreeppadden afstanden tot wel circa 5 kilometer kunnen afleggen opzoek naar geschikt leefgebied. Bouwgrond is een aantrekkelijke habitat waar deze soort zich graag een meter ingraaft.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld Mogelijk vestigen rugstreeppadden zich in het plangebied tijdens de bouwfase. Om te voorkomen dat de soort zich gaat vestigen in het plangebied en vanwege de beschermde status voor problemen kan zorgen, wordt geadviseerd tijdig maatregelen te treffen die voorkomen dat de soort zich gaat vestigen in het plangebied. Dat kan bijvoorbeeld door het plaatsen van amfibieënschermen. Dit geldt overigens voor alle beschermde dieren die zich kunnen vestigen op bouwterreinen. Daarnaast merkt de omgevingsdienst op dat niet mag worden gewerkt in het vogel broedseizoen. De quickscan natuurwaarden is op dit punt aangevuld.

5.7.4

Conclusie

Met inachtneming van het genoemde in de quickscan met bijbehorende aanvullende maatregel zoals geadviseerd door de omgevingsdienst vormt het aspect ‘ecologie’ geen belemmering voor de in dit plan beschreven ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is door Hamaland Advies een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De aanleiding voor het onderzoek is de geplande ontwikkeling van het gebied als woningbouwlocatie. In 2015 is door Hamaland Advies reeds een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is geactualiseerd. Het plangebied van het bureauonderzoek uit 2015 heeft een omvang van ca. 7,6 ha (ca. 76.400 m2). De nieuwe uitbreiding van het plangebied heeft een omvang van ca. 2,0 ha (ca. 20.200 m2) en overlapt deels met het noordoostelijke deel van het plangebied uit 2015. De verstoringsdiepte van de graafwerkzaamheden voor de aanleg van funderingen was ten tijde van het onderzoek niet bekend, in het onderzoek is uitgegaan van ca. 1,00 m-mv. Omdat het plangebied wordt opgehoogd met ca. 50 cm zal de verstoringsdiepte circa 50 cm bedragen. Daarnaast zijn er heiwerkzaamheden voor de bouw van de woningen noodzakelijk, zodat de werkelijke verstoringsdiepte door de heipalen groter zal zijn. Een palenplan is ten tijde van het onderzoek nog niet beschikbaar. Het plangebied is gelegen ten zuiden van het dorpscentrum van Kwadijk en heeft een agrarische functie. Op de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Zeevang (2010) ligt het plangebied in een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

Hiervoor is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m² en waarbij de bodem dieper dan 40 cm–mv wordt verstoord. Het archeologiebeleid van gemeente Edam-Volendam is tevens opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen. Het plangebied ligt in het bestemmingsplan “Buitengebied 2015 (vastgesteld 2017)”. Binnen dit bestemmingsplan is voor het plangebied geen dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld opgenomen. Wel is het plangebied gelegen in een zone met de dubbelbestemming “Waarde - Landschap Stelling van Amsterdam”. Hiervoor geldt dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen ten aanzien van de situering en omvang van bouwwerken, voor zover dit noodzakelijk is ter voorkoming van een onevenredige aantasting van het UNESCO-werelderfgoed Stelling van Amsterdam. In dit kader dient de gemeente voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen advies in te winnen bij de Provincie Noord Holland. De beoogde bodemingrepen zullen de vrijstellingsgrenzen zoals vastgesteld in de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Zeevang overschrijden. Het door Hamaland Advies uitgevoerde onderzoek bestaat uit een actualisatie van het onderzoeksrapport uit 2015 conform de KNA 4.1, SIKB BRL protocol 4002, waarbij een archeologisch verwachtingsmodel is opgesteld en een selectieadvies is geformuleerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen en conclusies van het onderzoek. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7.

Bevindingen en conclusies Op grond van de bestudeerde bronnen en de bekende archeologische waarnemingen in de omgeving van het plangebied, kan geconcludeerd worden dat het plangebied een middelhoge trefkans heeft op archeologische resten uit de periode van de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Er kunnen in het gebied restanten van veenterpen met bewoning, daliebulten of daliegaten en bolken aangetroffen worden. Daarnaast kunnen ontginningssporen, met name greppels en (afval)kuilen verwacht worden uit de periode tussen 1100 en 1400 na Chr. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd worden onder de in of ondiep onder bouwvoor verwacht in de top van het veen. In de diepere ondergrond is mogelijk een kreekrug aanwezig, waarop in principe bewoning mogelijk is in het (Midden-Laat) Neolithicum voorafgaand aan de vorming van het veenmoeras. De trefkans op vindplaatsen uit het Neolithicum wordt echter vanwege de verwachte diepteligging van de zandige getijdengeulafzettingen (ca. 7,5 m-mv) laag ingeschat. In de periode tussen het Neolithicum en de Vroege Middeleeuwen is het gebied door veenvorming niet of minder geschikt geweest voor bewoning.

Gemeentelijk beleid is om in geval van planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening voor bodemingrepen vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een inventariserend archeologisch veldonderzoek uit te voeren. Dit om de archeologische waarden van de gronden vast te stellen en in voldoende mate aan te geven op welke wijze de archeologische waarden kunnen worden bewaard en/of gedocumenteerd. Door latere bebouwing, ontginning, herverkaveling en agrarische activiteiten is er een grote kans dat de natuurlijke bodemopbouw voor een deel is verstoord. Dit zal met het inventariserend veldonderzoek moeten worden bevestigd. Selectieadvies Om de bodemintactheid en de bodemsamenstelling te toetsen en antropogene ophogingslagen vast te stellen, wordt archeologisch onderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek en een veldkartering noodzakelijk geacht. Uitgaande van 6 boringen per ha dienen in relatie tot de omvang van het plangebied van het onderzoek uit 2022 (2,0 ha) minstens 12 verkennende boringen te worden gezet. Om de getandheid/gelaagdheid van de bodem goed vast te stellen, wordt aanbevolen om de boringen met een steekguts te zetten tot minstens 25 cm in de top van het kleidek van het laagpakket van Wormer, op een diepte van ca. 2,0 à 3,0 m-mv.

Indien er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een veenterp in de ondergrond, dan dienen extra boringen in een kruisraai te worden gezet over de terp/terpzool, zodat op tenminste vier punten de begrenzingen van de opduiking kunnen worden vastgesteld. Bij een onderzoek op een gedeelte van een veenterp, dienen de boringen richting het hart van de terp te lopen. Daarnaast dient in aanvulling van het booronderzoek ook een veldkartering plaats te vinden waarbij de slootkanten en inritten op aanwezigheid van afvaldumps (bolken) gecontroleerd worden. Indien in het deel van het plangebied waarvoor in 2015 bureauonderzoek is uitgevoerd bodemingrepen dieper dan 40 cm (gemeentelijke vrijstellingsgrens) worden gepland, dient op dat deel van het plangebied (ca. 6,2 ha) eveneens een verkennend booronderzoek en veldkartering te worden uitgevoerd. Uitgaand van 6 boringen per ha. dienen in totaal 37 verkennende boringen te worden gezet.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld Voorafgaand aan een verkennend booronderzoek dient conform de BRL 4003 een Plan van Aanpak te worden opgesteld dat ter toetsing zal worden aangeboden aan het bevoegd gezag. Beoordeling archeologisch onderzoek Het onderzoek is beoordeeld door het bevoegd gezag. Het selectieadvies van Hamaland Advies om een vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek en een veldkartering uit te voeren wordt overgenomen. Ook het advies om door middel van een veldkartering de slootkanten en inritten te controleren op de aanwezigheid van afvaldumps (bolken) wordt overgenomen. Voor het booronderzoek moet een plan van aanpak worden opgesteld. De gemeente stelt hierbij als eis dat zij het plan van aanpak wil goedkeuren voordat de archeologische werkzaamheden worden uitgevoerd. Het plan van aanpak is reeds opgesteld, het verkennend booronderzoek en veldkartering wordt voorafgaand aan het bouwrijp maken van het plangebied uitgevoerd.

5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied In het plangebied komen geen gebouwde monumenten voor. In de direct omgeving van het plangebied bevindt zich de Hervormde Kerk, Kwadijk 87 (40328), die is aangemerkt als rijksmonument. Rijksmonument Kwadijk 87 (Hervormde Kerk) Omschrijving: Zaalkerk met spitsboogvensters en een houten torentje op de westgevel. Preekstoel, XVII. Doophek, XVIII A. Koperen doopboog met bekroning in Lodewijk XIV-stijl, 1741. Koperen lezenaar, XVIII. Tweeklaviers orgel, in 1866 gemaakt door P. Flaes. Mechanisch torenuurwerk van Eijsbouts, elektrisch opgewonden.

(bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) Dorpsstructuur Kwadijk In de verkenning ‘Bouwen voor Waterland’ 2020 is het landschap van de kern Kwadijk aangegeven als ‘Slotenland’, dat zowel lid is van de familie ‘Slotenlanddorpen’ als van de familie ‘Dijkdorpen’. Om tot een versterking te komen van de in ‘Bouwen voor Waterland 2020’ aangegeven ‘Dijkdorpen’ en ‘Slotenlanddorpen’ zijn de volgende criteria gesteld: • • • •

Aan de hoofdgraat (bedoeld wordt de weg Kwadijk) alleen bouwen aan de zuidzijde; Aan de dorpskern verder bouwen; Onbebouwde kavels aan de noordzijde van de hoofdgraat openhouden; Agrarisch openweide tussen Kwadijk en Purmerend behouden.

In 2013 zijn deze uitgangspunten met het ‘Beeldkwaliteitplan Zeevang’ op hoofdlijnen verder uitgewerkt, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in de planstudie Land van Kwadijk (LA4sale Amsterdam, februari 2017). Geconcludeerd kan worden dat hiermee voldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorisch waarde volle dorpsstructuur van Kwadijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld Stelling van Amsterdam Het Nationaal Landschap Stelling van Amsterdam is een uit de periode 1880-1920 daterende verdedigingsgordel rondom de stad Amsterdam, bestaande uit 42 forten, vele dijken, inlaatsluizen, inundatievelden enzovoorts. Het nationaal Landschap Stelling van Amsterdam is in totaal 135 kilometer lang. In breedte varieert dit landschap tussen de 250 meter en circa vijf kilometer. De Stelling van Amsterdam is sinds 1996 UNESCO-werelderfgoed vanwege de unieke wijze waarop, met gebruikmaking van de karakteristieken van het omringende landschap en door middel van inundatie (onder water zetten van land), de verdediging werd vormgegeven. Doel van het Nationaal Landschap en UNESCO-werelderfgoed Stelling van Amsterdam is het behouden, duurzaam behoren, versterken en ontwikkelen van de kernkwaliteiten van dit gebied. Deze kernkwaliteiten zijn: • • •

Een samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; Een groen en relatief stille ring rond Amsterdam; Relatief grote openheid.

Zoals reeds eerder aangetoond in hoofdstuk 3 en 4 van voorliggende plantoelichting wordt geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten van de als Stelling van Amsterdam aangewezen gebieden.

5.8.3

Conclusie

Aanvullend archeologisch onderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek en een veldkartering zijn noodzakelijk en worden in het najaar van 2022 uitgevoerd. De uitvoering hiervan dient in ieder geval voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunningen plaats te vinden. Via een archeologische dubbelbestemming in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan is de uitvoering hiervan juridisch gewaarborgd Het aspect cultuurhistorie vormt eveneens geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Uit de stikstofberekening (bijlage 5) is gebleken dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie of tot significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is geen sprake. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voldoet aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (2000 woningen of meer) kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van directe een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiervoor is een vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.

5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.

6.1.3

Provinciaal beleid

De Watervisie 2021 bevat het waterbeleid van de provincie Noord-Holland. In de Watervisie 2021 worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Dit is gedaan op basis van de thema’s veilig en schoon & voldoende. In het waterveiligheidsbeleid wordt landelijk een overstap naar een risicobenadering, waarbij ook het effect van een overstroming op het achterland wordt meegewogen. Met de waterpartners zorgt de provincie voor veilige dijken en keringen en met het waterrobuust inrichten van de omgeving en goede evacuatiemogelijkheden wordt het effect van een eventuele overstroming beperkt. Schoon en voldoende water is onmisbaar voor een gezonde, productieve en aangename leefomgeving en een soortenrijke natuur. De provincie zorgt ervoor dat het grond- en oppervlaktewater duurzaam kan worden gebruikt en dat voorraden zorgvuldig worden beheerd, zonder uitputting of verontreiniging. Diepe, watervoerende lagen kunnen worden gebruikt voor energieopslag.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld 6.1.4

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft samen met haar partners haar waterbeleid geformuleerd in het Waterplan 2022-2027. Het bouwt daarmee voort op haar lange termijn visie (Deltavisie) en het Waterprogramma 2016-2021. Dit Waterplan geeft de koers op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het Waterplan is een wettelijke verplichting die volgt uit de Waterwet (die straks opgaat in de Omgevingswet) en het Bestuursakkoord Water. Als basis voor dit Waterplan heeft het Hoogheemraadschap het vorige plan (WBP5) tussentijds geëvalueerd (Tussentijdse evaluatie Waterprogramma 2016-2021) en een langetermijnverkenning gedaan naar wat er op het gebied af komt. Dit Waterplan houdt daarnaast rekening met het Nationaal Water Programma 2022-2027 en het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027. Met het waterbeheer zorgt het HHNK voor voldoende, gezond en schoon water voor mens, dier en natuur. De wereld staat niet stil. Integendeel, we leven in een dynamische tijd met meerdere wereldwijde transities en crises. Klimatologisch, ecologisch, technologisch en maatschappelijk verandert er veel. Het maatschappelijk belang van water neemt steeds verder toe door klimaatverandering, drukte in de fysieke leefomgeving en toenemend watergebruik. Daardoor is er ook steeds meer aandacht en belang bij het waterbeheer.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2

Watertoetsproces

6.2.2.1 Algemeen Het Hoogheemraadschap Hollands Noordkwartier is reeds in 2015 in relatie tot het eerste ontwerpbestemmingsplan geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets is toegepast. In bijlage 9 is het watertoetsresultaat bijgevoegd. In de verdere uitwerking is het Hoogheemraadschap aangehaakt. Onderstaande paragraaf is in samenspraak met het hoogheemraadschap vormgegeven. 6.2.2.2 Wateradvies en bijbehorende waterparagraaf Watersysteembeschrijving. Het peilgebied waar de ontwikkeling van de woningen in plaatsvindt heeft een streefpeil van NAP-1,75/-1,85 meter zomer/winter. De afwatering van dit peilgebied was tot kort geleden richting in Purmerend als onderdeel van polder De koog. Recentelijk is er net ten oosten van de Oude Gouw een nieuwe verbinding

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld gemaakt onder de Kwadijk waardoor de afwatering van dit peilgebied richting polder Zeevang zal plaats vinden. Waterkwaliteit De nieuwe woonwijk inrichten met een gescheiden rioolsysteem waarbij het afstromende hemelwater rechtstreeks op het oppervlaktewater geloosd kan worden. Bij de bouwmaterialen het gebruik van uitloogbare stoffen zoals koper lood en zink beperken. Het huishoudelijk afvalwater (DWA) dient op het gemeentelijk rioleringsstelsel worden aangesloten. Langs openbare oevers streven naar natuurlijke oeverinrichtingen zonder damwand of beschoeiing. Bij particuliere tuinen is het uitgangspunt om wel een beschoeiing toe te passen. Waterkwantiteit Door de ontwikkeling zal er een aanzienlijke verhardingstoename plaatsvinden die voor een versnelde afvoer van regenwater naar het watersysteem zorgt. Dit effect dient gecompenseerd te worden door het graven van extra waterberging (of het vertragen van het afstromend regenwater). Uitgangspunt is een compensatiepercentage van 15% voor de verhardingstoename. Daarnaast dient een eventuele demping van oppervlakte water 1 op 1 gecompenseerd te worden. Het principe om het extra water uit te voeren in natuurlijke vormen en inrichting is een goed vertrekpunt. Deze extra bergingscapaciteit zal ten zuiden van de ontwikkeling plaatsvinden, aansluitend bij de zuidelijke watergangen.

Hiervoor worden mogelijk gronden geruild met het hoogheemraadschap. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning en watervergunning zal initiatiefnemer ook een hydrologisch onderzoek en zettingsadvies gereed hebben waardoor het peil bepaald kan worden om vervolgens nauwkeuring een compensatieberekening kunnen maken. Drooglegging De drooglegging in het plangebied is gering en voldoet niet aan de nieuwe functie voor Wonen. Om voldoende drooglegging te creëren zal het terrein opgehoogd moeten worden. Belangrijk aandachtspunt daarbij is de overgang van het plangebied naar de omgeving. Onderhoud waterlopen Bij de uiteindelijke inrichting van het plangebied is het belangrijk dat de waterlopen (aan openbare oevers) goed bereikbaar zijn voor onderhoud. De brede (hoofd)waterloop aan de zuidzijde van het plangebied kan momenteel varend worden onderhouden. Binnen het plangebied bevinden zich hoofdzakelijk bestaande sloten en sloten die in particulier of gemeentelijk eigendom komen. Deze perceeleigenaren onderhouden de sloten. Het HHNK geeft aan dat de volgende greppels en watergangen bij de gemeente in onderhoud dienen te komen; • •

De greppel achter de Kwadijk 94-99b Die watergangen die grenzen aan toekomstig openbaar gebied.

Het HHNK geeft tevens aan dat de watergang midden in het plangebied, voorzien van één lange duiker, eruit gehaald moet worden. Ervaring leert dat dergelijke (smalle) watergangen die door perceeleigenaren onderhouden moeten worden een rommeltje worden. Dit wordt openbaar groen. Het onderhoud van de smallere sloten dient door de aangrenzende perceeleigenaren te worden uitgevoerd. Waterkeringen Dit plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een waterkering. Wegen Het hoogheemraadschap heeft in de nabijheid van het plangebied wegen in beheer (o.a de Durkweg, Oude Gouw en Nieuwe Gouw) maar schat in dat de ontwikkeling van maximaal 44 woningen geen noemenswaardige invloed zal hebben op deze wegen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld Afvalwatertransportleiding Vanuit het rioolgemaal aan de Reinoud van Brederodestraat loopt een afvalwatertransportleiding deels door het plangebied van dit bestemmingsplan richting de N244. Deze leiding brengt voor de ontwikkeling beperkingen met zich mee. Er worden momenteel nog twee opties onderzocht namelijk: 1. 2.

Buiten het plangebied de leiding verleggen De leiding laten liggen met een passende bestemming

Kadastraal eigendom HHNK De brede waterloop aan de zuidzijde van het plangebied (kadastraal perceelKDK01B506) is eigendom van het hoogheemraadschap. Eventuele kadastrale aanpassingen hieraan dienen met de gemeentelijke afdeling Grondzaken te worden afgestemd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

7.2.2

Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

“Bufferwoningen Kwadijk” Vastgesteld • • • •

7.2.4

Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, dakhelling, oppervlakte etc.); Afwijkingen van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: hierin is vastgelegd wat onder strijdig/toegestaan gebruik wordt verstaan. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden: in een dergelijke bepaling (vroeger aanlegvergunningstelsel genoemd) is vastgelegd in welke gevallen voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 12) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 13) In dit artikel zijn regels opgenomen inzake voldoende parkeergelegenheid en bestaande situaties.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 14) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Als strijdig gebruik is bijvoorbeeld aangemerkt het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen of onbebouwde gronden voor een seksinrichting en kamperen.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 15) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Algemene wijzigingsregels (Artikel 16) In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van bestemmingen en bouwgrenzen.

•

Overige regels (Artikel 17) Hierin is geregeld dat waar in de regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, geduid wordt op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van het terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=85530234-9319-42b8-946a-82cdef913761