Bijlage 4 bij de toelichting bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
37
Oorgat 6/6a
Afbeelding: het plangebied (rood omkaderd) en de huidige bebouwing op de een moderne topografische kaart. Het deel van het plangebied waarvoor een vervolgonderzoek is geadviseerd is blauw omkaderd (bron: Archis3).
Het doel zal zijn eventuele (sub)recente verstoringen in kaart te brengen, de geomorfologie van de bodem te bepalen en de ondergrond te controleren op de aanwezigheid van archeologische resten en ophogingslagen. De beslissing om bovenstaand advies al dan niet over te nemen (een selectiebesluit) dient door de bevoegde overheid, de gemeente Edam-Volendam, te worden genomen. Deze beoordeling heeft plaatsgevonden (zie Bijlage 7). Het selectieadvies om voor de bouw een verkennend booronderzoek uit te voeren rondom de geplande locatie van de vrijstaande woning (conform afbeelding 13 van het onderzoek) wordt overgenomen. Een vervolgonderzoek op het achterterrein, ter plaatse van het parkeerterrein en ter plaatse van de bestaande loods is gelet op de te verwachten archeologische waarden en de geplande ophoging niet nodig. Na het opstellen van een Plan van Aanpak (zie Bijlage 8) is het verkennend booronderzoek is inmiddels verricht, de rapportage is opgenomen als Bijlage 9. Bij het onderzoek zijn, conform het Plan van Aanpak, acht boringen gezet. Uit het onderzoek is gebleken dat binnen het plangebied archeologische lagen aanwezig zijn waarin ook archeologische sporen en/of artefacten kunnen voorkomen. De eerste laag waarin archeologische overblijfselen kunnen worden verwacht is de ophogingslaag die zich direct onder de recente laag bevindt. Gezien de stratigrafische positie is
38
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
het waarschijnlijk dat de datering in de Nieuwe Tijd ligt. Eronder is een dijk aangeboord die waarschijnlijk twee fases kent. De eerste fase bestaat uit twee veenlagen. Vervolgens zijn later twee kleipakketten aan het dijklichaam toegevoegd. Onder een recente puinlaag van minimaal 0,35 m dikte bevinden zich verschillende archeologisch relevante lagen waarin behoudenswaardige archeologische overblijfselen aanwezig kunnen zijn die verstoord kunnen raken door de geplande werkzaamheden. Geadviseerd wordt vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een opgraving - variant archeologische begeleiding – om eventuele sporen, vondsten en monsters veilig te stellen om daarmee informatie, ex-situ, te behouden die van belang zijn voor kennisvorming over het verleden. De beslissing om bovenstaand advies al dan niet over te nemen (een selectiebesluit) dient door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Edam-Volendam, te worden genomen. De beslissing is genomen en evenals het eerdere selectiebesluit aan deze toelichting gevoegd als Bijlage 7. Tot slot dient te worden vermeld dat, ongeacht dit advies en het selectiebesluit, er een wettelijke meldingsplicht bestaat (Erfgoedwet 2016) mochten er onverhoopt toch archeologische overblijfselen worden aangetroffen.
3.3.5 Omgevingsbeleidsplan 2016-2020 Op 16 februari 2017 heeft de gemeenteraad het Omgevingsbeleidsplan 2016-2020 vastgesteld. Het Omgevingsbeleidsplan omvat de visie op het voor de gemeente te voeren omgevingsbeleid op de thema's bouw, milieu en ruimtelijke ordening. In het eerste deel is het beleid weergegeven dat de gemeente op de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving inzet: 1. Klimaat en duurzaamheid: Omgevingskwaliteit gaat hand in hand met klimaat en duurzaamheid. De gemeente wil deze verbinding leggen, niet alleen om een bijdrage te leveren aan de eigen leefomgeving, maar eveneens om een bijdrage te leveren aan een duurzame wereld. De gemeente zet zich in om schadelijke activiteiten tegen te gaan en positieve activiteiten te stimuleren. 2. Landschap, groen en natuur: De gemeente is trots op haar natuur. Het behoud en de uitbreiding van het landschap, natuur en biodiversiteit is belangrijk. Dit vraagt veel onderhoud en daarom een goed beleid. Het voeren van een integraal beleid gefocust op het behoud en de uitbreiding van het landschap, natuur en biodiversiteit wordt voorgestaan. 3. Water: De kwaliteit en kwantiteit van het water, de verbinding van het watersysteem met andere systemen en de veiligheid dienen op orde te zijn.
Met dit op het oog wordt een integraal waterbeleid gevoerd, waarin het Waterplan, het vGRP en het baggerplan met elkaar verbonden zijn. 4. Luchtkwaliteit en geur: De luchtkwaliteit in Edam-Volendam voldoet aan alle wettelijke waarden. Het doel is dit te behouden, echter daarmee zijn we er nog niet. In de aankomende jaren gaat de gemeente zich inzetten voor een hoog niveau van luchtkwaliteit en een zo groot mogelijke beperking van geurhinder. 5. Geluid, trillingen en straling: Geluid is bij uitstek een lokale aangelegenheid. Inwoners moeten zo min mogelijk geluidhinder ondervinden, maar de regelgeving moet ook niet te beperkend worden. De gemiddelde geluidhinder mag niet boven de streefwaarden uit komen. Geluidhinder mag per saldo niet toenemen en op plaatsen met een hoge verkeersintensiteit moet het afnemen. 6. Bodem en ondergrond: De aanwezige schone bodem moet schoon blijven, verontreinigde grond dient goed beheerd te worden en er mag geen nieuwe verontreinigde grond ontstaan. 7. Externe veiligheid: De gemeente is een veilige plek om te wonen en te werken. De gemeente zet zich in om dit zo houden door de risico's laag te houden en de veiligheid te
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
39
Oorgat 6/6a
waarborgen. 8. Afval: Voor het behoud van de leefomgeving is het belangrijk afval op een efficiënte manier in te zamelen en te recyclen. Daarnaast wil de gemeente een integraal afvalbeleid voeren die recht doet aan zowel het stedelijk als het landelijk gebied. De gemeente zet zich in voor een hoogwaardige inzameling en scheiding van afval. In 2020 willen we 75% van het afval scheiden. 9. Welstand, beeldkwaliteit en monumenten: De gemeente zet zich in om de verschillende karakteristieken waarden te behouden zoals de oude stadsgezichten, monumenten en archeologische locaties. Daarnaast zet de gemeente zich in om het buitengebied open te houden en nieuwbouw te laten passen in de omgeving. Het tweede deel van het plan gaat over het actualiseren van de problemen, risico's en processen omtrent vergunningverlening, handhaving en toezicht (VTH). Voor deze bestemmingsplantoelichting is een beschrijving daarvan niet relevant.
3.3.6 Parkeerbeleid Het gemeentelijk parkeerbeleid van de voormalige gemeente Edam-Volendam is vastgelegd in de Parkeernota Edam-Volendam van 23 mei 2011. De parkeernota beschrijft het kader waarbinnen het parkeerbeleid van Edam-Volendam uitgevoerd dient te worden. Dit bekent dat deze nota ingaat op de hoofdlijnen van het beleid en niet op details van de uitvoering. De Parkeernota bevat zelf geen parkeernormen, maar hanteert de parkeerkencijfers van het CROW als uitgangspunt. De gemiddelde parkeerkencijfers voor 'matig stedelijke gebieden' worden daarbij als norm toegepast. In praktijk blijkt veelal dat het realiseren van voldoende parkeerplaatsen niet mogelijk is. In dat geval zijn er grofweg drie mogelijkheden: 1. de ontwikkeling wordt afgewezen, aangezien niet aan de gestelde eisen wordt voldaan. 2. voor de ontwikkeling wordt goedkeuring verleend, de gemeente verleent vrijstelling voor de verplichting tot het creëren van voldoende parkeerplaatsen. Dit betekent dat de parkeervraag afgewenteld wordt op de reeds beschikbare (openbare) parkeerplaatsen, waardoor de parkeersituatie verder onder druk komt te staan; 3. voor de ontwikkeling wordt goedkeuring verleend, de gemeente verleent weliswaar vrijstelling voor de verplichting tot het creëren van voldoende parkeerplaatsen, maar de ontwikkelaar moet deze verplichting afkopen.
Met deze afkoop neemt de gemeente de verplichting op zich om deze parkeerplaatsen alsnog te realiseren. Op deze manier blijft de parkeercapaciteit op peil. Daarnaast wordt een ontwikkelaar door de financiële consequentie gestimuleerd een plan te ontwikkelen waarin voldoende parkeerplaatsen zijn opgenomen. Om deze laatste mogelijkheid toe te kunnen passen, heeft de gemeente Edam-Volendam een parkeerfonds opgericht. Ontwikkelaars kunnen op deze manier bouwprojecten realiseren, waarbij onvoldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden, maar waarbij de gemeente door middel van het afkoopbedrag financieel in staat gesteld wordt deze parkeerplaatsen aan te leggen. Op deze manier zijn de mogelijkheden aanwezig om de parkeersituatie in balans te houden. Deze mogelijkheid zal niet in alle gevallen uitkomst bieden. De gemeente moet namelijk wel in staat zijn om de benodigde parkeerplaatsen ook daadwerkelijk (binnen tien jaar) te realiseren. In de vastgestelde 'Nota parkeerfonds Gemeente Edam-Volendam' is aangegeven welke mogelijkheden er zijn tot benutting/uitbreiding van de parkeercapaciteit voor bezoekers aan de randen van de kernen.
40
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
Voor het berekenen van de benodigde parkeervoorzieningen wordt uitgegaan van de CROW-publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie.
3.3.7 Verkeersplan Edam Volendam 2018-2023 Het Verkeersplan is een beleidsplan op hoofdlijnen voor de periode 2018-2023. Het is een actualisatie van het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) en dient als toetsingskader om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Het benoemt de algemene richtlijnen die de gemeente hanteert. Daarnaast wordt een aantal projecten benoemd waarmee de gemeente aan de slag kan. Het Verkeersplan is een leidraad in vraagstukken rond mobiliteit in de gemeente. De gemeente handelt volgens de richtlijnen die hierin zijn opgesteld en voert in beginsel de projecten uit het Verkeersplan uit. Voor onderhavig plangebied zijn geen richtlijnen opgenomen.
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
41
Oorgat 6/6a
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Bedrijven en milieuzonering
Voor bedrijven en milieuzonering is geen wettelijk kader vastgelegd door de overheid. Wel wordt de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG als richtlijn gebruikt. Als uitgangspunt geldt dat milieubelastende en hindergevoelige functies ruimtelijk van elkaar worden gescheiden. Het bestemmingsplan leidt tot het wegnemen van een potentieel overlastgevend gebruik van het perceel. Voor de woningen in de omgeving leidt het daardoor tot een verbetering van het woon- en leefklimaat. Aan de overzijde van de weg, op het perceel tussen Oorgat 1 en 3, bevond zich tot 2020 bedrijvigheid in de vorm van een Aannemings- en molenmakersbedrijf. Dat bedrijfsperceel is na het faillissement in 2020 niet meer in gebruik. De nieuwe woning en het woonzorgcomplex ligt binnen de invloedssfeer van dat bedrijfsperceel. Voor toekomstige bedrijfsvoering op dat perceel is de aanwezigheid van reeds bestaande woningen op vergelijkbare afstand (zoals Oorgat 8) al maatgevend. De nieuwbouw leidt daarom niet tot een nieuwe beperkingen van de toekomstige bedrijfsvoering en andersom leidt de toekomstige bedrijfsvoering niet tot onaanvaardbare hinder voor de nieuwbouw. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.
4.2
Cultuurhistorie
In paragraaf 3.2.2.1 is al ingegaan op de ligging van de locatie binnen de beschermingszone rond de Stelling van Amsterdam (Fort bij Edam) als onderdeel van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. Bij de voorgenomen herontwikkeling van de projectlocatie is met de cultuurhistorische waarde rekening gehouden doordat het bebouwd oppervlak afneemt ten opzichte van bestaand en het bouwvolume van de twee te realiseren hoofdgebouwen niet groter is dan bestaand. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de culturele waarden.
4.3
Externe veiligheid
De wet- en regelgeving betreffende externe veiligheid is in een aantal regelingen vastgelegd. Hieronder zijn de regelingen en onderwerpen kort weergegeven. Besluit risico's zware ongevallen 1999 In het Besluit Risico's Zware ongevallen worden een aantal bedrijfsmatige activiteiten aangewezen die grote gevolgen voor de omgeving kunnen hebben in het geval van een calamiteit. Het betreft bijvoorbeeld raffinaderijen, zeer grote opslagplaatsen van benzine, grote producenten van, en opslagplaatsen voor chemicaliën. In het plangebied, noch aansluitend op of in de gemeente als geheel zijn bedrijven aanwezig die onder de werking van het besluit vallen. Risicovolle inrichtingen
42
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan de normen uit het Bevi worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Gelet op de Openbare Risicokaart zijn in en direct nabij het plangebied geen inrichtingen aanwezig waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de wet "Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen" is vastgelegd wat de maximale risico´s zijn die veroorzaakt mogen worden door het transport van gevaarlijke stoffen over weg-, spoor- en watertrajecten. Het doel van de wet is om de veiligheid van bewoners langs de routes te vergroten. Ook zorgt de wet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden, nu en in de toekomst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de routes met de minste risico´s. Verder is met de wet helder gemaakt waar ruimtelijke ontwikkelingen kunnen blijven plaatsvinden en waar niet.
Het Basisnet heeft spelregels vastgesteld voor nieuwe bestemmingsplannen in de directe omgeving van de hoofdinfrastructuur. Deze regels zijn opgenomen in het "Besluit transportroutes externe veiligheid" (Btev). Hierdoor mag op grond van een nieuw bestemmingsplan geen kwetsbaar object (bijvoorbeeld een woning) in de veiligheidszone worden gebouwd. Daarnaast bevat de Btev ook de spelregels voor de verantwoording over de hoogte van het groepsrisico. Het Btev is ook van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van provinciale en gemeentelijke infrastructuur. Doordat het plangebied niet is gelegen in de nabijheid van een rijksweg of provinciale weg en de betreffende gemeentelijke wegen niet zijn aangewezen voor transport van gevaarlijke stoffen zijn er geen te toetsen aspecten als gevolg van de eerder genoemde wet en regelgeving. Er zijn geen wegen, spoor of water aanwezig waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht. In dit Besluit is het transport van bijvoorbeeld aardgas door ondergrondse hoge druk leidingen geregeld. Er zijn er geen leidingen aanwezig waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
4.4
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan de geluidsbelasting veroorzaakt door het verkeer op een weg waarlangs een 'zone vanwege de weg' van toepassing is, onderzocht dient te worden. Artikel 74, lid 1 Wgh stelt dat een weg, bestaande uit één of twee rijstroken in stedelijk gebied een zone heeft van 200 meter en in buitenstedelijk gebied van 250 meter. Op grond van artikel 82 Wgh wordt binnen deze zone de voorkeursgrenswaarde van de geluidsbelasting op de gevel van een woning en andere geluidgevoelige bestemmingen op 48 dB gesteld. Artikel 74, lid 2 bepaalt dat deze zone niet van toepassing is op wegen die zijn gelegen binnen een woonerf en op wegen waar een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. Door Cauberg Huygen is een onderzoek uitgevoerd van het omgevingsgeluid ten behoeve van de
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
43
Oorgat 6/6a
nieuwe ontwikkeling (zie Bijlage 10). De geplande geluidgevoelige bestemmingen (woning/zorgwoningen) betreffen een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. De planlocatie bevindt zich volgens de Wet geluidhinder echter niet binnen een geluidzone langs een gezoneerde (spoor)weg of een gezoneerd industrieterrein. De wegen rondom de planlocatie zijn uitgevoerd als 30 km/uur wegen, welke volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone hebben. Daartoe is voor de planlocatie een (wettelijk) onderzoek naar het wegverkeerslawaai in het kader van de Wet geluidhinder niet nodig. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidinvloed van de nabijgelegen 30 km/uur wegen inzichtelijk gemaakt (Oorgat en Keetzijde). De geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn berekend conform de Standaardrekenmethode 2 uit bijlage III van het ‘Reken- en meetvoorschrift geluid 2012’. Naast het wegverkeerslawaai is in dit onderzoek tevens het bedrijfsgeluid in de omgeving beschouwd. Aan de overzijde van de projectlocatie is een bedrijfsbestemming geprojecteerd, waar een aannemers- en molenmakersbedrijf was gevestigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bedrijfsgeluid nader beschouwd. Uit het onderzoek blijkt dat: Ten gevolge van wegverkeer op de Oorgat is sprake van een verhoogde geluidbelasting (> 53 dB), ten hoogste 59 dB zonder aftrek.
Hierdoor is extra aandacht noodzakelijk voor de geluidwering van de gevel. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting meegenomen in de cumulatie van het omgevingsgeluid. Ten gevolge van wegverkeer op de Keetzijde is geen sprake van een verhoogde geluidbelasting. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai Lvl,cum bedraagt ten hoogste 59 dB zonder aftrek. De nieuwe (zorg)woningen vormen geen belemmering voor de bedrijfsvoering van een eventueel nieuw bedrijf op het bedrijfsperceel aan de overzijde van de Oorgat. Geconcludeerd wordt dat het bedrijfsgeluid niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidniveaus ter plaatse van de nieuwe (zorg)woningen.
4.5
Water
4.5.1 Europese Kaderrichtlijn Water Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) moeten lidstaten ervoor zorgen dat uiterlijk in het jaar 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon (chemisch op orde) en gezond (ecologisch in evenwicht) is. Om deze doelen te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Zowel om de kwaliteit van de ‘eigen’ wateren op peil te brengen, als om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. Door middel van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW omgezet in Nederlandse wetgeving. Deze wet regelt aanpassing van de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet op de waterhuishouding (Wwh). De milieudoelstellingen als bedoeld in artikel 4 van de KRW zullen worden geïmplementeerd door vaststelling van milieukwaliteitseisen in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) of provinciale verordeningen op grond van artikel 5.2b Wm. Deze regelgeving zal ook moeten gaan bepalen hoe de normen doorwerken in besluiten op de verschillende terreinen van het omgevingsrecht, zoals ruimtelijke plannen op grond van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en in de nieuwe Omgevingswet.
44
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
Tot het moment waarop de implementatie van de KRW gereed is, moeten lidstaten voorkomen dat besluiten worden genomen die leiden tot een achteruitgang van de waterkwaliteit. Om hieraan te voldoen heeft het ministerie van Verkeer en Waterstaat een stappenplan opgesteld waarmee overheden kunnen beoordelen of de KRW een belemmering vormt voor de uitvoering van een project, zoals een bestemmingsplan. Uitgangspunt van dit stappenplan is in een vroeg stadium van de planvorming moet worden beoordeeld of het project een risico vormt voor de chemische of ecologische waterkwaliteit.
4.5.2 Waterbeheerplan In het waterbeheerplan legt het waterschap vast hoe het invulling geeft aan de zorg voor deze taken voor de periode tot en met 2021. Het waterschap zet in de komende periode met hernieuwde kracht in op een hoger waterbewustzijn. Veiligheid gaat niet vanzelf, en hetzelfde geldt voor de beschikbaarheid van voldoende en schoon water. Ook het behoud van cultuurhistorische waarden en de natuur gebeurt niet automatisch. Daarnaast is de ambitie van het waterschap om water robuust te zijn en te blijven. Met de huidige klimaatverandering zijn de uitdagingen aanzienlijk. Het waterschap is de waterautoriteit, maar het bestuur gaat graag de dialoog aan over de eisen die je aan schoon water mag stellen, over het beperken van het zoetwatergebruik, over innovaties in de waterketen, over de mogelijkheden van en de grenzen aan waterrecreatie. Dit waterbeheerplan is dan ook ontstaan met input van andere overheden, burgers, verenigingen en bedrijven. Naast de invulling voor de komende zes jaar, staat er in het plan ook wat het waterschap op de lange termijn wil bereiken. Zo is het de ambitie van het waterschap om in 2030 de integrale uitvoerder in het beheergebied te zijn voor alle watertaken. In de komende planperiode wil het waterschap nagaan of het wenselijk en haalbaar is om vaarwegbeheer en nautisch beheer tot zelfstandige taken van het waterschap te maken.
Het waterschap wil meer bijdragen aan kennisontwikkeling en innovatie, om zo te kunnen zorgen voor meer veiligheid, betere waterkwaliteit, doelmatigheid en duurzaamheid, en betere dienstverlening. Het waterschap blijft investeren in de unieke samenwerking tussen Waternet en het Afval Energie Bedrijf, gericht op de verduurzaming van de water-, energie- en grondstoffencyclus. Het waterschap werkt samen met gemeenten aan een geïntegreerde wateropgave in het stedelijk gebied. Bij het vinden van oplossingen is er ook aandacht voor duurzame innovatieve waterbergingssystemen, zoals polderdaken. Met het vastleggen van de doelen in het Waterbeheerplan voor de komende zes jaar, voldoet het waterschap aan de taken op grond van de Waterwet en de Europese Kaderrichtlijn Water.
4.5.3 Waterwet en de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier De keur is een algemene verordening van het waterschap. Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken, zoals de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Naast de Waterschapswet, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen. Hoofdstuk 3 van de keur bevat verbodsbepalingen. Hierin is bepaald voor welke handelingen of
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
45
Oorgat 6/6a
activiteiten een vergunning nodig is. Het dagelijks bestuur is bevoegd deze watervergunning te verlenen. De verbodsbepalingen zijn vrij algemeen geformuleerd, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij de verbodsbepalingen uit het Waterbesluit. Op deze manier zijn de verbodsbepalingen bij regionale wateren, waar de waterschappen beheerder zijn, vergelijkbaar met de verbodsbepalingen bij rijkswateren, waar Rijkswaterstaat de beheerder is. Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het stellen van algemene en nadere regels. Deze regels kunnen een vrijstelling van de watervergunningplicht inhouden of een algeheel verbod op het verrichten van bepaalde handelingen. Daarnaast kan het dagelijks bestuur beleidsregels stellen ten aanzien van zijn watervergunningverlenende bevoegdheid. Bij waterstaatswerken zijn drie verschillende zones te onderscheiden, namelijk het waterstaatswerk zelf, de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte. De beschermingszone heeft als doel de bescherming van het waterstaatswerk en het profiel van vrije ruimte tevens de toekomstige verbetering van het waterstaatswerk. Het profiel van vrije ruimte kan bij alle waterstaatswerken worden vastgelegd, en niet alleen bij waterkeringen. Vóór vastlegging van dit profiel moet de noodzaak ervan goed onderzocht en onderbouwd worden. De drie zones worden vastgelegd op de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.
Deze legger (Waterwet) wordt in de praktijk vaak gecombineerd met de onderhoudslegger (Waterschapswet). De legger op grond van de Water wet geeft de reikwijdte weer van de verbodsbepalingen uit hoofdstuk 3 van de keur. Voor de in het plangebied aanwezige primaire waterkering is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van het behoud, instandhouding en versterking van de waterkering.
4.5.4 Regionale Deltavisie Naar aanleiding van het rapport Samen werken met water heeft Hollands Noorderkwartier een Deltavisie gemaakt, die in 2012 is vastgesteld. De visie is samen met een groot aantal belangrijke belanghebbenden opgesteld en spitst zich toe op waterveiligheid, wateroverlastbestrijding en voldoende schoon zoet water. Aan de basis van de Deltavisie lagen analyses van de klimaattrends en -scenario's, en van de huidige toestand van de waterveiligheid en het watersysteem in ons gebied. Het gesprek met de belanghebbende partijen is gevoerd op basis van een aantal dilemma's.
4.5.5 Waterplan Edam - Volendam Bij besluit van 19 december 2002 heeft de raad het "Waterplan Edam-Volendam" vastgesteld. Het Waterplan uit 2002 is ondanks een geldigheidsduur van 10 jaar nog niet herzien en derhalve het geldende beleidsdocument. Doelstelling van het waterplan is primair het herstel van de kwaliteit van het oppervlaktewatersysteem (voldoen aan de normeringen) en de waarborging van de daarvoor benodigde ruimte. In de huidige situatie van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De plannen voor de locatie betreffen geen dempingen of ontgravingen van oppervlaktewater.
46
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
4.5.6 Riolering en waterkwaliteit Uit het 'Waterplan' blijkt dat wateroverlast door extreme peilstijgingen nooit helemaal kan worden voorkomen. Daarom zijn er in het "Waterplan" normen opgesteld voor de geaccepteerde mate van overlast. In deze normering waren ook de benodigde drempelhoogtes van de overstortdrempels voor de riolering opgenomen. Daar inmiddels landelijk voor woonwijken is overgegaan van verbeterd gescheiden rioolstelsel naar gescheiden rioolstelsel is dit principe niet meer van toepassing. Regenwater van verharde oppervlakten (verhardingen en dakvlakken) van woonwijken wordt nu rechtstreeks geloosd op het oppervlaktewater. Om te voldoen aan de eis van "voorkomen van wateroverlast" door extreme buien is de capaciteit van het regenwaterriool hierop gedimensioneerd, alsmede wordt voldoende oppervlaktewater en afvoercapaciteit gerealiseerd. Ten behoeve van waterkwaliteitverbetering hebben de gemeente Edam-Volendam en het HHNK in 2008 een "afvalwaterakkoord" gesloten. De belangrijkste doelen van deze samenwerking zijn: voorkomen van vervuiling van het oppervlaktewater uit de afvalwaterketen; goede dienstverlening tegen de laagst maatschappelijke kosten; doelmatige en transparante bedrijfsvoering.
Methoden om deze doelen te bereiken zijn onder andere het afkoppelen van hemelwaterafvoer om overstortende riolen tegen te gaan en het doorspoelen van watergangen met riooloverstorten. Mocht afvoer via vrij verval naar het gemeentelijk rioolstelsel niet mogelijk zijn (ter beoordeling gemeente), dan moet er op eigen terrein een pomp put geplaatst worden met een persleiding die aangesloten wordt op een persleidingenstelsel of op het vrij verval riool van de gemeente.
4.5.7 Watertoets Watercompensatie Op het terrein bevindt zich momenteel 993 m2 bebouwing en het erf, bij de inrit en naast het woonhuis, bestaat deels uit half verharding met een oppervlak van 589 m2. De totale verharding van de bestaande situatie is 1.582,6 m2. De herontwikkeling leidt tot een afname van bebouwing van naar 824 m2, dus 165 m2. Er wordt 613 m2 gesloten verharding aangebracht en 483 m2 halfverharding. De totale verharding van de nieuwe situatie is 1.924,4 m2. Halfverharding telt niet mee als verharding als de ondergrond bestaat uit zandgrond, of wanneer kunstmatig een diepe laag infiltrerend materiaal onder de parkeerplaats aangelegd wordt. Alleen dan is er sprake van substantiële infiltratie. De ondergrond bestaat hier uit veen/klei, daarom telt halfverharding wel mee. Dat neemt niet weg dat halfverharding altijd te verkiezen is boven verharding. De toename van de verharding is daarom 341,8 m2. Dat is minder dan 800 m2, waardoor er geen extra waterberging gerealiseerd hoeft te worden. Het Hoogheemraadschap heeft dit bevestigd in haar email van 1 februari 2022. Waterkering Hieronder een uitsnede van de Legger van het Hoogheemraadschap Noorder Kwartier (HHNK) weergegeven, met de planlocatie omcirkeld. De planlocatie ligt binnen de beschermingszones van de waterkering.
De locatie ligt deels binnen beschermingszone A (kernzone) en grotendeels binnen Beschermingszone B.
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
47
Oorgat 6/6a
Voor nieuwbouw of zodanige verbouwing dat de voetafdruk van de woning verandert geldt de regel dat er niet voorbij de bestaande rooilijn gebouwd mag worden. Dat houdt in dat de woning niet dichter op de dijk gebouwd mag worden dan de huidige woning. In dit geval staat de woning al vrijwel tegen de weg aan. Bij gebouwen op of in de waterkering wordt er gekeken of dit buiten het profiel van vrije ruimte valt. Dit is een profiel vanuit de waterkeringslijn met een kruin van 3 meter en een talud van 1:3 (zie afbeelding hieronder). De waterkeringslijn ligt in het midden van Oorgat. Het gebouw moet buiten dit profiel blijven.
Indien er kelders geplaatst worden kan dit niet worden toegestaan, behoudens uitzonderlijke gevallen. Dan dienen constructies geplaatst te worden om de waterkering te vervangen, dit gaat dan bijvoorbeeld om damwanden met een levensduur van 100 jaar. De woning wordt in de kernzone van het dijkprofiel gebouwd. De kelder komt ca. 1,5 meter onder de kruin van de weg, buiten het profiel. Voorbedoelde constructies zijn daarom niet nodig. Voor het bouwen moet wel een watervergunning bij HHNK worden aangevraagd omdat de woning in het waterstaatswerk wordt gebouwd. Het Hoogheemraadschap heeft in haar email
48
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
van 1 februari 2022 in principe ingestemd met het ontwerp, zodat het aannemelijk is dat de watervergunning verkregen kan worden. Het maaiveld loopt nu vanaf de dijk geleidelijk af, het hoogteverschil bedraagt ongeveer 1,20 meter. Het maaiveldpeil wordt gewijzigd: in plaats van geleidelijk aflopend wordt het afgegraven langs het profiel van de dijk en daarna vlak (geëgaliseerd) op 1,5 meter onder de dijk. Dit betreft graafwerkzaamheden buiten de kernzone van de dijk maar in de beschermingszone. Onder het kleinschalig woonzorgcomplex komt geen kruipruimte. Onderhoud watergang De helft van de watergang en de oever moet worden onderhouden door de aanliggend eigenaar. Aan de andere zijde is dit Staatsbosbeheer aan deze zijde is dat de eigenaar van het Oorgat 6/6a. Bij plaatsing van een hekwerk is het niet meer mogelijk om de watergang over de breedte van circa. 3,5 meter en de oever te onderhouden. Om aan de onderhoudsverplichting te voldoen zal dus een andere afscheiding moeten worden gekozen, wellicht kan het hekwerk verder naar achteren worden geplaatst zodat een onderhoudspad van circa 5 meter ontstaat of kan er een demontabel hekwerk worden geplaatst. Om die reden wordt aan de waterzijde een demontabel hekwerk geplaatst zodat onderhoud uitgevoerd kan worden. Het Hoogheemraadschap heeft hiermee in haar email van 5 januari 2022 ingestemd.
4.6
Verkeer en parkeren
Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van de percelen Oorgat 6/6a. Deze ontwikkeling heeft gevolgen voor het verkeer en parkeren. Voor de onderdelen verkeer en parkeren dient op basis van de Wet ruimtelijke ordening sprake te zijn van goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat het project niet mag leiden tot onevenredig nadelige gevolgen voor een goede en verkeersveilige afwikkeling van het verkeer en de parkeergelegenheid. 4.6.1 Verkeer De locatie is jarenlang is gebruik geweest als sloop- en transportbedrijf van puin en ander sloopmateriaal en een handelsbedrijf in sloopmateriaal, zand, grind en grond, dat wordt hierna beschouwd als referentiesituatie. Het geldende bestemmingsplan 'Oorgat e.o.' staat ter plaatse van de locatie ook lichte bedrijvigheid toe, waaronder kantoor en fitnesscentrum. Dat wordt hierna beschouwd als planologisch alternatieve situatie. Daarna wordt de toekomstige situatie beschouwd en vergeleken met de referentie en alternatieve situatie. Referentiesituatie In de historische (referentie) situatie veroorzaakt het sloop- en transportbedrijf verkeer. Gelet op de bouwregels van het geldende bestemmingsplan is er circa 1.535 m² bedrijfsbebouwing bij recht toegestaan (1.035 m² grondoppervlak, 500 m² verdiepingsvloer). Daarvan mag 128 m² worden gebruikt als bedrijfswoning.
In de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' zijn landelijke kengetallen voor verkeersgeneratie van verschillende functies aangegeven. Voor een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf als een sloop- en transportbedrijf bedraagt het kengetal 3,9 tot 5,7 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m² bvo binnen de rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied. Voor een vrijstaande (bedrijfs)woning geldt een kengetal van 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Gelet op de kengetallen bedraagt de verkeersgeneratie in de huidige (planologische toegestane) situatie 55 tot 121 verkeersbewegingen per etmaal vanwege het bedrijf (uitgaande van 1.407 m² bvo bedrijfsbebouwing) en 8 tot 9 verkeersbewegingen per etmaal vanwege de (bedrijfs)woning. Het totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal komt daarmee in de huidige
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
49
Oorgat 6/6a
(planologische toegestane) situatie uit op 63 tot 130 verkeersbewegingen per etmaal. Planologisch alternatieve situatie In de Planologisch alternatieve situatie wordt de verkeersgeneratie veroorzaakt door een kantoor of een fitnesscentrum. Gelet op de bouwregels van het geldende bestemmingsplan is er circa 1.535 m² bedrijfsbebouwing bij recht toegestaan (1.035 m² grondoppervlak, 500 m² verdiepingsvloer). Daarvan mag 128 m² worden gebruikt als bedrijfswoning. In de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' zijn landelijke kengetallen voor verkeersgeneratie van verschillende functies aangegeven. Voor een kantoor bedraagt het kengetal 6,3 tot 8,1 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo binnen de rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied. Voor een fitnesscentrum bedraagt het kengetal 30,8 tot 37,9 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo binnen de rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied. Voor een vrijstaande (bedrijfs)woning geldt een kengetal van 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen per etmaal per woning. De verkeersgeneratie van een mogelijke vestiging van een fitnesscentrum is dus veruit het hoogst. Gelet op de kengetallen kan dat leiden tot circa 430 tot 530 verkeersbewegingen per etmaal en 8 tot 9 verkeersbewegingen per etmaal vanwege de (bedrijfs)woning.
Toekomstige situatie Het project voorziet in de relatie van een woonzorgvoorziening met 26 zorgeenheden voor ouderen met een kwetsbare gezondheid. Van de 26 zorgeenheden krijgen circa 5 eenheden een functie als hospice/zorghotelkamer, de overige zorgeenheden worden gebruikt als zorgappartement. In de woonzorgvoorziening komen enkele gemeenschappelijke voorzieningen die uitsluitend zijn bedoeld voor bewoners van de woonzorgvoorziening, zoals een eetkamer met keuken, een centrale woonkamer met bibliotheek, kantoren en vergaderruimtes. Naast de woonzorgvoorziening wordt er in het plangebied ook een vrijstaande woning gerealiseerd. Zoals hiervoor bij de huidige situatie is weergegeven is in de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' voor vrijstaande koop binnen de rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied een kengetal aangegeven van 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Voor wooneenheden in een verpleeg- of verzorgingstehuis worden in de CROW uitgave geen kengetallen voor verkeersgeneratie gegeven, alleen parkeerkencijfers (0,5 tot 0,7 parkeerplaats per wooneenheid). Het kengetal is inclusief parkeren door personeel en bezoekers. Voor parkeren wordt binnen de gemeente een gemiddelde parkeernorm gehanteerd.
Aan de hand van het gemeentelijke parkeerkengetal voor een verpleeg- of verzorgingstehuis (0,6 parkeerplaats per wooneenheid) en de daaruit volgende parkeerbehoefte kan worden afgeleid welke verkeersgeneratie aan de orde kan zijn. Uitgaande van een parkeerbehoefte van 17 parkeerplaatsen kan worden verondersteld dat 34 verkeersbewegingen aan de orde zijn bij enkelvoudige bezetting van een parkeerplaats. Bij drievoudige bezetting van een parkeerplaats is er sprake van 102 verkeersbewegingen. Alhoewel een drievoudige bezetting van een parkeerplaats in de praktijk naar verwachting niet aan de orde zal zijn is hier in het vervolg van deze paragraaf wel van uitgegaan (worst-case benadering). Samen met de nieuwe vrijstaande woning (8 tot 9 verkeersbewegingen) komt de verkeersgeneratie dan uit op 110 tot 111 verkeersbewegingen per etmaal. Daarnaast zal er dagelijks sprake zijn van expeditieverkeer voor
50
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
de woonzorgvoorziening (wasgoed, voedsel, etc.). Ingeschat wordt dat er maximaal 5 expeditievoertuigen per dag zullen komen waardoor er nog 10 verkeersbewegingen per etmaal met dergelijke voertuigen plaatsvinden. Het totaal aantal verkeersbewegingen komt daarmee uit op 120-121 verkeersbewegingen per etmaal. Vergelijking huidige en toekomstige situatie Uit de toepassing van landelijke kengetallen uit de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' blijkt dat er in de referentiesituatie sprake is van 63-130 verkeersbewegingen per etmaal, in de planologisch alternatieve situatie 448-539 verkeersbewegingen per etmaal en in de toekomstige situatie van 120-121 verkeersbewegingen per etmaal. De planologische verandering leidt dan ook tot een verbetering ten aanzien van de potentiële verkeersgeneratie. Verkeersafwikkeling Volgens het gemeentelijk verkeersmodel kent het Oorgat momenteel een verkeersintensiteit van circa 1.400 motorvoertuigen per etmaal. Verondersteld wordt dat daarin geen bijdrage van het perceel Oorgat 6/6a is, omdat ter plaatsen momenteel nauwelijks bedrijvigheid is. De verkeersbewegingen als gevolg van het project zullen vanwege de functie van de woonzorgvoorziening verspreid over de dag plaatsvinden waarbij er rondom de wisseling van diensten van het personeel wat meer verkeersbewegingen zullen plaatsvinden dan op andere momenten.
Over een heel etmaal gezien is een maximale toename van circa 120 verkeersbewegingen (ten opzichte van geen bedrijvigheid) relatief beperkt doordat er gemiddeld sprake is van 6-7 extra verkeersbewegingen per uur in de periode tussen 06:00 tot 23:59. Een dergelijke verspreide toename van het verkeer heeft geen significante gevolgen voor de verkeersdruk op het Oorgat in westelijke of in oostelijke richting. De etmaalverkeersintensiteiten op het Oorgat zullen als gevolg van het project met circa 9% toenemen, waarvan een deel in westelijke en een deel in oostelijke richting. Bovendien zal er ten opzichte van de huidige (planologisch toegestane) situatie beduidend minder vrachtverkeer gaan plaatsvinden. De vermindering van het vrachtverkeer heeft positieve gevolgen voor de verkeersafwikkeling via het Oorgat, mede gelet op de smalle wegprofiel. Gelet op het voorgaande worden er als gevolg van het project geen knelpunten verwacht in de verkeersafwikkeling.
4.6.2 Parkeren Auto's Voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd. Voldoende betekent dat wordt voldaan aan de gemiddelde parkeerkencijfers voor matig stedelijke gebieden als bedoeld in de CROW-publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Er wordt één reguliere woning en een woonzorgvoorziening met 26 zorgeenheden voor ouderen met een kwetsbare gezondheid gerealiseerd. De parkeernorm voor een verpleeg- en verzorgingstehuis voor ouderen (dit wil zeggen mensen die geen eigen auto hebben) is 0,6 pp/wooneenheid. Verruiming van de CROW norm is niet aan de orde, ook niet in het kader van bijzondere concepten zoals elektrische deelauto’s. Parkeren door bewoners of gebruikers van complex op
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
51
Oorgat 6/6a
het Oorgat zelf is geen optie. Er is sprake van een te hoge parkeerdruk op het Oorgat. In het ontwerp van het bouwplan is op eigen terrein voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bij vergunningverlening voor de bouw wordt dit overeenkomstig artikel 9.1.1 van de planregels als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden. Fiets Naast parkeergelegenheid voor auto's moet ook ruimte worden gereserveerd voor fiets- en scooterparkeerplaatsen. De CROW geeft geen kencijfers voor de fietsparkeerbehoefte van een woonzorgcomplex. In het plan wordt voorzien in een fietsenstalling voor 10 tot 15 fietsparkeerplekken. Laden en lossen Bij het uitwerken van de plannen moet op het onbebouwde terrein dat bij de bebouwing hoort, voldoende ruimte gereserveerd worden voor laden en lossen.
4.7
Luchtkwaliteit
In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit, wat betreft een zestal stoffen. Voor de normen voor zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood geldt dat overschrijding daarvan in Nederland nauwelijks valt te verwachten. De norm voor stikstofdioxide wordt in Nederland met name in de directe omgeving van drukke (snel)wegen overschreden. De norm voor zwevende deeltjes wordt eveneens op diverse locaties overschreden. In de Wet milieubeheer is indirect een koppeling gelegd met ruimtelijke plannen. Deze koppeling houdt in dat ondermeer bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan moet worden getoetst aan de grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan dan wel de bestaande toestand. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
'Niet in betekende mate' is sinds de inwerkingtreding van het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term 'niet in betekende mate'. De bijlage geeft een harde omschrijving van een aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto, bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen. Voor de bouw van kantoren geldt bij één ontsluitingsweg een bedrijfsvloeroppervlak van 100.000 m2 en bij twee ontsluitingswegen geldt een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m2. Aan de hand van de NBM-tool is vastgesteld of het voorgenomen herontwikkeling, met gebruikmaking van de verkeercijfers uit paragraaf 4.6.1, leidt tot een bijdrage aan de luchtverontreiniging. Uit het hieronder weergegeven toetsresultaat blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt.
52
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
4.8
Bodem
Door BK Ingenieurs is een onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit van de locatie, met het oog op de nieuwe ontwikkeling (zie Bijlage 11). Met dit bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit op de locatie Oorgat 6 en 6a te Edam vastgelegd en zijn de hergebruiksmogelijkheden van de grond op indicatieve wijze bepaald. Ook zijn de aard, laagdikte en indicatieve hergebruiksmogelijkheden van het aanwezige puin vastgesteld. 4.8.1 Conclusies bodemonderzoek Bodem Opbouw en zintuiglijke waarnemingen De bodem bestaat tot een diepte van minimaal 0,5 tot 1,8 m -mv uit zand (ter plaatse van de tuin) en tot een diepte van minimaal 0,35 tot 1,5 m -mv uit puin/menggranulaat (ter plaatse van het bedrijfsterrein). Hieronder bestaat de bodem tot de maximale boordiepte van 2,0 m -mv uit veen. In de zuidwestelijke hoek van het bedrijfsterrein is van 0,8 tot 1,2 m -mv plaatselijk een zandlaag aanwezig. Ter plaatse van de tuin is aan de oostzijde van het woonhuis plaatselijk een laag van gebroken beton aanwezig tot 0,3 á 0,5 m -mv. In de bodem zijn plaatselijk bodemvreemde bijmengingen (sporen baksteen) aangetroffen. Grond Algemene kwaliteit Ter plaatse van het bedrijfsterrein is de grond direct onder de puinverharding licht tot sterk verontreinigd met PAK, matig verontreinigd met koper en lood en ten hoogste licht verontreinigd met overige parameters.
De verhogingen worden gerelateerd aan de bovenliggende laag puin/menggranulaat. Een sterk verhoogd gehalte PAK is aangetoond aan de westzijde van het terrein, direct ten oosten van de zuidelijke kant van de schuur, op een diepte van 0,5 – 1,0 m -mv. De omvang van de sterke verontreiniging is niet bekend. De sterke verontreiniging is verticaal afgeperkt op 1,0 m -mv. De verontreiniging is niet horizontaal afgeperkt. De diepere ondergrond (>1,0 m -mv) is ten hoogste licht verontreinigd met de onderzochte parameters. De bovengrond ter plaatse van de tuin is ten hoogste licht verontreinigd met de onderzochte paramaters. De puinhoudende ondergrond (0,3 – 1,0 m -mv) is maximaal matig verontreinigd met enkele zware metalen en PAK. Asbest Op de locatie is alleen op het maaiveld op het noordelijk deel van het terrein asbesthoudend materiaal aangetroffen.
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
53
Oorgat 6/6a
Ter plaatse van de tuin is zowel in de bovengrond als in de grond direct onder de laag van gebroken beton visueel geen asbest aangetroffen of analytisch aangetoond. Ter plaatse van het bedrijfsterrein is in de bodemlaag direct onder de verhardingen van puin en menggranulaat analytisch asbest aangetoond in een gehalte van maximaal 16,0077 mg/kg ds (hechtgebonden, chrysotielasbest). Ter plaatse van het noordelijke deel van het terrein tussen het schuurtje en de sloot is in de toplaag een gehalte van 971,4243 mg/kg ds asbest aangetoond (wel- en niet-hechtgebonden, chrysotiel en crocidoliet asbest). De locatie bevindt zich direct onder een asbesthoudend dak in een drupzone. Het sterk verhoogde gehalte wordt hieraan gerelateerd. Hergebruik grond (indicatief) Zowel de bovengrond (0,0-0,5 m -mv) ter plaatse van de tuin als de grond tot een halve meter onder het gebroken beton, puin en menggranulaat ter plaatse van het overige deel van het terrein voldoen op basis van de onderzochte stoffen uit het NEN-pakket en PFAS (toetsing landelijk en lokaal beleid) ter plaatse van het grootste deel van het terrein aan de bodemfunctieklasse 'Industrie'. Er zijn echter enkele uitzonderingen: Zuidoostelijk van de schuur aan de westelijke zijde van het terrein is de bodemlaag tot een halve meter onder de puinverharding 'Niet toepasbaar'.
Oostelijk langs de noordelijke helft van de schuur aan de westelijke zijde van het terrein voldoet de bodemlaag tot een halve meter onder de puinverharding aan klasse 'Wonen'. Ter plaatse van het perceel van Oorgat 8 is de bovengrond op basis van lood 'Niet toepasbaar'. De toplaag onder het asbestverdachte dak aan de noordzijde van het terrein langs de sloot is op basis van asbest 'Niet toepasbaar'. Deze verontreiniging is niet afgeperkt. Aangezien de toplaag nabij de locatie voornamelijk bestaat uit puin waarin gehalten asbest hoger dan 100 mg/kg ds zijn aangetoond en de toplaag slechts zeer lokaal uit grond bestaat heeft het geen toegevoegde waarde om de sterke verontreiniging met asbest in grond af te perken. De volledige toplaag met grond nabij de schuur kan als niet toepasbaar worden beschouwd. De sterke verontreiniging met PAK is niet afgeperkt. Het totale volume van de niet toepasbare grond is niet bekend. De grond dieper dan een halve meter onder de puinverharding voldoet aan de klasse 'altijd toepasbaar'. Grondwater Algemene kwaliteit Het grondwater is niet verontreinigd met de parameters uit het standaardpakket. Ter plaatse van de voormalige lekbak/olieopslag in de loods zijn ook geen verhoogde gehalten met minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond.
Toetsing hypothese bodem De hypothese verdacht (diffuse belasting, heterogene verspreiding) voor de parameters zware metalen, PAK, PCB, minerale olie en asbest ter plaatse van de gedempte sloot (deellocatie 1) en het overige terrein (deellocatie 3) is correct gebleken. Bij de locatie van de voormalige olielekbak in de loods (deellocatie 2) zijn geen verontreinigingen met vluchtige aromaten en minerale olie aangetoond en is de hypothese verdacht niet correct gebleken. Puin Opbouw
54
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
Ter plaatse van het bedrijfsterrein is een puinverharding aanwezig van 0,35 á 1,5 meter dik. Ter plaatse van de loods is een laag menggranulaat aanwezig van 0,5 á 1,5 meter dik en ter plaatse van de gedempte sloot is ook een laag menggranulaat aanwezig van 1,2 á 1,3 meter dik. Ter plaatse van de tuin bevindt zich aan de oostelijke zijde van het woonhuis plaatselijk een laag van gebroken beton van 0,3 á 0,5 meter dik. Samenstelling en emissie, hergebruik De onderzochte verhardingen van zowel puin als menggranulaat ter plaatse van het bedrijfsterrein (buiten en ter plaatse van de loods) voldoen niet aan de samenstellingswaarden voor een niet-vormgegeven bouwstof en zijn niet geschikt voor hergebruik. Het menggranulaat ter plaatse van de loods voldoet tevens niet aan de emissiewaarden voor een niet-vormgegeven bouwstof. De verhardingen van puin en menggranulaat zijn niet geschikt voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof. De laag van gebroken beton ter plaatse van de tuin voldoet wat betreft samenstelling én emissie wel aan de eisen voor een niet-vormgegeven bouwstof en is geschikt voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof. Asbest In het puin is visueel geen asbest aangetroffen.
In de toplaag van het puin onder de asbestverdachte daken van de schuur in het noordwestelijke deel van het terrein is wel asbest aangetoond in een gewogen gehalte van 85,50 mg/kg ds (welen niet-hechtgebonden, chrysotiel met amosiet asbest). Op basis van voorgaand onderzoek door APS in 2011 is er in de verhardingen op de noordelijke helft voor het bedrijfsterrein (inclusief de loods) een gehalte asbest boven 100 mg/kg ds aanwezig. Dit deel van het terrein is, op de druppelzone na, niet nogmaals onderzocht. De puinlaag ter plaatse van het zuidelijke deel van het bedrijfsterrein en het menggranulaat ter plaatse van de gedempte sloot zijn wel analytisch onderzocht. Er is hierbij asbest aangetoond in gehalten boven de rapportagegrens, maar niet boven de grenswaarde voor nader onderzoek. In de laag van gebroken beton ter plaatse van de tuin is analytisch geen asbest aangetoond. 4.8.2 Aanbevelingen De omvang van de aangetoonde sterke verontreiniging met PAK dient nader te worden onderzocht om vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging conform de Wet bodembescherming. Indien in het nader onderzoek wordt vastgesteld dat dit het geval is, is er sprake van een saneringsnoodzaak. In het nader onderzoek dienen ook de humane, ecologische en verspreidingsrisico's dienen te worden bepaald en op basis daarvan de spoedeisendheid van de sanering.
Saneren Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest in de bovengrond onder het asbestdak van de schuur langs de sloot aan de noordzijde van het terrein. Daarnaast is mogelijk sprake van een geval met ernstige bodemverontreiniging met PAK in de ondergrond (0,5 -1,0 m -mv). Voor het begin van de werkzaamheden dient een goedgekeurde BUS-melding of (deel)saneringsplan beschikbaar te zijn. Het verwijderen van het asbesthoudende puin valt onder het Besluit asbestwegen. Hiervoor dient ook een plan van aanpak te worden opgesteld. De melding en/of het plan dient te worden ingediend bij en goedgekeurd door het bevoegde gezag omgevingsdienst IJmond. Er mag niet zonder toestemming van het bevoegd gezag in de sterk verontreinigde grond en/of asbesthoudende puin worden gegraven. De (sanerings)werkzaamheden dienen uitgevoerd te
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
55
Oorgat 6/6a
worden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerde aannemer, onder begeleiding van een BRL SIKB 6000 gecertificeerde milieukundige begeleider. Arbeidsomstandigheden en veiligheid Bij werkzaamheden in verontreinigde bodem kunnen arbeidsrisico's, waaronder mogelijke blootstelling aan gevaarlijke stoffen, optreden. CROW-publicatie 400 'werken in en met verontreinigde bodem' is hierbij als leidraad te gebruiken. De richtlijn is gericht op risicogestuurd werken met verontreinigd grond en grondwater, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen het werken met vluchtige en niet-vluchtige stoffen. Op basis van de resultaten van huidig en voorgaand onderzoek is de voorlopige beoordeling er ter plaatse van het noordelijk deel van het terrein (inclusief de loods) bij werkzaamheden in de laag puin/menggranulaat of de toplaag van zand onder de asbest verdachte daken gewerkt moet worden onder veiligheidsklasse 'zwart-niet vluchtig'. Voor werkzaamheden ter plaatse van de tuin en de zuidelijke helft van het bedrijfsterrein is de voorlopige beoordeling dat geen veiligheidsklasse van toepassing is en bij de voorgenomen werkzaamheden kan worden volstaan met het treffen van basishygiënische maatregelen. De definitieve veiligheidsklasse en de bijhorende beheersmaatregelen worden door een deskundige vastgesteld en zijn afgestemd op de locatiespecifieke omstandigheden. Dit betreft maatwerk.
4.9
Natuur en ecologie
Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de natuurwetgeving. De Wet natuurbeschermingswet vormt op dit moment het juridische kader voor natuurbescherming in Nederland. De verplichtingen voor de bescherming van Natura2000-gebieden en de bescherming van plant- en diersoorten is vastgelegd in deze wet. Er kan een tweedeling worden gemaakt in gebieds- en soortenbescherming. 4.9.1 Soortenbescherming Op basis van een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming werd is dat onderzoek noodzakelijk is naar de volgende functies en soorten: Nest- en verblijfplaatsen in het woonhuis van huismus en gierzwaluw Essentieel leefgebied van de huismus Vaste rust- en nestplaatsen van kerkuil en steenuil Verblijfplaatsen en leefgebied van marterachtigen Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. In opdracht van Oorgat Ontwikkeling BV heeft By Nature advies ecologisch het benodigde onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van vleermuizen, huismus, gierzwaluw, uilen en marterachtigen in het plangebied Oorgat 6a en 6b te Edam (zie Bijlage 12). Resultaten vleermuisonderzoek Op basis van het vleermuisonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Het plangebied en de directe omgeving wordt wel door meerdere vleermuissoorten gebruikt als foerageergebied.
Het plangebied zelf betreft geen (belangrijk) essentieel foerageergebied of vliegroute. Wel grenst het plangebied aan de noordzijde aan het gebied rondom Fort aan de Klop. Dit gebied maakt voor verschillende vleermuissoorten (gewone dwergvleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis en ruige
56
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
Oorgat 6/6a
dwergvleermuis) deel uit van een belangrijk leef- en foerageergebied. Resultaten gierzwaluwonderzoek Op basis van het gierzwaluwonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van gierzwaluw aanwezig zijn. Op 11 juni is een kleine groep gierzwaluwen hoog overvliegend boven het plangebied waargenomen. Overige waarnemingen van gierzwaluw in of in de omgeving van het gebied zijn niet gedaan. Resultaten huismusonderzoek Op basis van het huismusonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van huismus aanwezig zijn. In de directe omgeving van het plangebied is een kleine populatie huismussen aanwezig. Het betreft een populatie van drie tot vijf huismusparen in de woning Oorgat 1. Er zijn geen pendelbewegingen van huismussengemaakt tussen Oorgat 1 en Oorgat 6. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn geen huismussen waargenomen. Resultaten uilenonderzoek Op basis van het uilenonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied geen vaste rust en/of verblijfplaatsen van uilen aanwezig zijn. Op 3 juni is een dode kerkuil aangetroffen in de opstallen aan de westzijde van het plangebied. De doodsoorzaak van de uil is onbekend. De uil had geen zichtbare verwondingen en was niet geringd. Naast de dode kerkuil zijn geen braakballen, uitwerpselen of andere sporen van (kerk)uil aangetroffen.
Op 14 juli zijn ook de afgesloten opstallen van binnen geïnspecteerd op sporen van uilen. Deze zijn niet aangetroffen. Resultaten marteronderzoek Op basis van het onderzoek wordt aanwezigheid van marterachtigen in het plangebied uitgesloten. Op de vier wildcamera’s staan foto’s van onder andere verschillende huiskatten, egel, fazant, huis- en bosmuis en verschillende zangvogels. Tijdens de veldonderzoeken zijn geen sporen aangetroffen van marterachtigen. Er zijn meerdere opnamengemaakt van egel. De egel is tevens tijdens nachtelijke bezoeken meermaals waargenomen. Dit duidt erop dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van de egel en dat de egel in het plangebied een verblijfplaats heeft. Functionaliteit plangebied en effecten Het plangebied heeft geen (essentiële) functie voor vleermuizen, gierzwaluw, huismus, uilen of marterachtigen. De werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden. Voor het uitvoeren van de geplande werkzaamheden is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Het Fort aan de Klop en omliggend water en groen, aan de noordzijde van het plangebied, heeft wel een essentiële functie voor verschillende vleermuissoorten.
Dit groen gebied maakt tevens deel uit van het NNN (Natuurnetwerk Nederland) en betreft een nationale ecologische verbindingszone Bij de nieuwe inrichting van het plangebied mag er geen uitstraling van licht zijn naar het groen aan de noordzijde (overzijde) van de watergang en daarmee naar het NNN. Hierbij is het dus van belang dat de tegenliggende oever en het groen aan de overzijde van de watergang donker blijven. Aanbevelingen met betrekking tot egel Het plangebied maakt deel uit van het leefgebied van een egel. Verstoring van deze soort en beschadiging en vernietiging van leefgebied en verblijfplaatsen is niet ontheffingplichtig. De egel staat in Noord-Holland op de lijst Provinciale vrijstellingen. Dit houdt in dat voor verstoring van de soort en het beschadigen of vernietigen van verblijfplaatsen en leefgebied van egel geen ontheffing nodig is. Wel is er sprake van de zorgplicht. Aanbevolen wordt bij de inrichting van het plangebied rekening te houden met de egel door het egelvriendelijk inrichten van het groen.
bestemmingsplan Oorgat 6/6a
57
Oorgat 6/6a
Conclusie Voor het uitvoeren van de geplande werkzaamheden is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. 4.9.2 Gebiedsbescherming Natura2000 gebieden De planlocatie ligt dicht bij het Natura2000 gebied 'Markermeer & IJmeer' en het gebied 'Polder Zeevang'. Op grotere afstand bevindt zich het gebieden 'Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske'.
Afbeelding: Natura2000 gebieden (bron: Natura2000 Network Viewer)
Polder Zeevang De Polder Zeevang is een kenmerkend open veenweidegebied met veel open water, dat ligt tussen de plaatsen Purmerend, Oosthuizen en Edam. De polder is een vlak, open en waterrijk veenweidelandschap. Dit veengebied heeft een kenmerkende verkaveling in lange stroken, die loodrecht op de ontginningsassen staan. De percelen zijn door smalle sloten gescheiden. Stormvloeden waren aanleiding voor het opwerpen van de eerste dijken. Aan de Zuiderzeezijde brak de dijk soms door waaraan diverse doorbraakkolken (braken) herinneren. Afgezien van dijken en kaden is er geen reliëf aanwezig. De polder wordt gekenmerkt door een systeem van langwerpige open ruimten, met onderling zeer verschillende kavelrichtingen. De open ruimte wordt begrensd door de lintdorpen Warder, Middelie en Kwadijk. Het gebied bestaat verder overwegend uit open grasland op veengrond met sloten en weteringen. De status van het gebied is dat het een Vogelrichtlijngebied is. Er is geen sprake van overbelasting door / gevoeligheid voor stikstofdepositie.