Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
25
Afbeelding 12. Uitsnede Structuurvisie Echt-Susteren 2012 - 2025 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Om het kleinschalige initiatief mogelijk te maken wordt aangesloten bij de randvoorwaarde om nieuwe grootschalige verblijfsrecreatie in het buitengebied toe te laten: alleen initiatieven die onderscheidend en vernieuwd zijn, maken kans op realisatie. Immers als het meerdere mogelijk is, is ook het mindere mogelijk. Zoals reeds omschreven in voorgaande paragrafen en hoofdstukken van deze toelichting is sprake van een onderscheidend en vernieuwend concept. Voor de volledigheid worden de belangrijkste aspecten nogmaals benoemd: 1. 2. 3.
Verblijfsrecreatie mét de natuur, waarbij kleinschaligheid, ruimte en rust centraal staan; Ligging in de directe nabijheid van het Pieterpad, waardoor een overnachtingsplek beschikbaar is passend bij de aard en voorkeuren van deze lange-afstands wandelroute; Ligging in een voedselbos, dat voor bezoekers vrij beschikbaar is.
3.4.2.
Gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM)
In de Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025 wordt een koppeling gelegd met het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM). De provincie Limburg verlangt van de Limburgse gemeenten om uitwerking te geven aan het Limburgse Kwaliteitsmenu (LKM). Het basisprincipe hiervan is dat bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit. Dit verlies dient gecompenseerd te worden. Allereerst dient elke ontwikkeling in het buitengebied daarom Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
26
landschappelijk te worden ingepast. Daarnaast moet, afhankelijk van de ontwikkeling, een kwaliteitsverbeterende maatregel en/of financiële bijdrage geleverd worden. De gemeente EchtSusteren heeft het LKM vertaald in een Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM). In de structuurvisie van de gemeente Echt-Susteren is als kwaliteitsverbeterende maatregel aangegeven dat voor gebiedseigen recreatie nieuw groen aangeplant moet worden. De omvang dient 5 maal de oppervlakte die aan verharde oppervlakte en/ of bebouwde oppervlakte toegevoegd wordt, te zijn. Omdat er sprake is van een natuurlijk kampeerterrein is de bebouwde en verharde oppervlakte zeer beperkt. Daarnaast is sprake van een zeer ruim opgezet terrein met significante groenstructuren. Ten behoeve van de ontwikkeling is een inpassingsplan opgesteld, waarmee de landschappelijke inpassing en de te leveren kwaliteitsverbeterende maatregel worden geborgd (zie ook paragraaf 2.2.2). In de planregels is een voorwaardelijke gebruiksbepaling opgenomen om te borgen dat het kampeerterrein uitsluitend gebruikt mag worden als het landschappelijk inpassingsplan wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. Tevens is met initiatiefnemers een privaatrechtelijke overeenkomst afgesloten waarin de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is geborgd. 3.4.3.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied’
Het plangebied is juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 14 december 2017). Voor de gronden gelden de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en Landschapswaarden’ en ‘Recreatie – Dagrecreatie’. Naast deze enkelbestemmingen zijn voor het plangebied van toepassing: • • •
Dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 3 (gedeeltelijk) Gebiedsaanduiding milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Gebiedsaanduiding milieuzone – roerdalslenk
Eerder (d.d. 22 september 2016) werd door de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren vastgesteld. In dit plan is aan de gronden van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ toegekend. Op grond van het bepaalde in artikel 5.1 zijn gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en Landschapswaarden’ primair, maar niet uitsluitend, bestemd voor: • • • •
Agrarisch grondgebruik; Behoud en ontwikkeling van ecologische waarden; Uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven; Behoud en ontwikkeling van recreatief medegebruik.
Artikel 13.1 bepaalt dat de gronden binnen de bestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie’ met name, maar niet uitsluitend, bestemd zijn voor: • •
Dagrecreatie in de vorm van een clublokaal; Parkeervoorzieningen;
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
27
•
Groenvoorzieningen.
Afbeelding 13. Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Kavinksbosch 10a en directe omgeving (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Daarbij wordt een clublokaal in de begripsbepalingen gedefinieerd als ‘een verenigingsgebouw om gezamenlijk een wetenschap of vrijetijdsbesteding te beoefenen’. Voor het gebruik van het clublokaal als recreatiewoning is in januari 2020 vergunning verleend. Voor het plangebied zijn dan ook dag-, verblijfs- en medegebruiksfuncties op recreatief vlak toegestaan, maar de beoogde ontwikkeling van een natuurlijk kampeerterrein met 5 recreatiewoningen, 10 kampeerplekken en één gemeenschappelijke ruimte past niet binnen het geldend bestemmingsplan. Op basis van de archeologische dubbelbestemming geldt voor een deel van het plangebied een verbod voor het roeren van de bodem zonder vooraf archeologisch onderzoek voor grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm en groter dan respectievelijk 500 m2. Voor de toetsing van het aspect archeologie wordt verwezen naar paragraaf 4.11. De aanduiding van het gehele plangebied als ‘grondwaterbeschermingsgebied’ maakt duidelijk dat de gronden mede bestemd zijn voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water.
Het oprichten van bebouwing is uitsluitend toegestaan als dit plaatsvindt in verband met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water of als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water en daarvoor vergunning is afgegeven. In voorliggend bestemmingsplan blijft de aanduiding met daaraan verbonden regeling gehandhaafd, waardoor bij de omgevingsvergunningaanvraag (of aanvraag Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
28
Omgevingsplanactiviteit) een vergunning voor dit onderdeel nodig is. Tevens wordt het voorontwerp bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan WML Watermaatschappij Limburg. Tenslotte is het als gevolg van de aanduiding 'Milieuzone - roerdalslenk' voor het gehele plangebied is het niet toegestaan om: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30 meter beneden het maaiveld; b. de grond te roeren dieper dan 30 meter beneden het maaiveld of c. een bodemenergiesysteem op te richten, dat dieper reikt dan 30,00 meter beneden het maaiveld; d. boorputten op te richten wanneer de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0,00 tot 3,00 meter beneden het maaiveld, niet worden afgedicht met klei of bentoniet. Deze werkzaamheden zijn bij voorliggend initiatief geen van allen aan de orde.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
29
4.
Onderzoeksaspecten
4.1.
Inleiding
Bij de toekenning van een nieuwe functie aan een bepaald gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-)effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten zoals bedrijven en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, bodem en externe veiligheid wordt in de volgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar planologische aspecten, zoals kabels en leidingen, water, archeologie en cultuurhistorie, natuur, verkeer en parkeren. Ook de hieruit voortkomende bevindingen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
4.2.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties geldt dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uitgevoerd moet worden. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.beoordeling' wordt opgenomen.
Beoordeling In dit geval is voorliggende toelichting onderdeel van een bestemmingsplan, dat het mogelijk maakt dat een bestaande verblijfsrecreatieve voorziening beperkt wordt uitgebreid, in combinatie met aanleg, uitbreiding en instandhouding van een reeds vergund voedselbos. Er is geen sprake van een activiteit die genoemd wordt in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde en het opstellen van een aanmeldingsnotitie of plan-m.e.r. niet noodzakelijk.
4.3.
Bedrijven en milieuzonering
Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Binnen een deel van het plangebied wordt een onbebouwd agrarisch perceel herbestemd tot ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’. De agrarische activiteiten verdwijnen, maar vanuit de te realiseren Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
30
verblijfsrecreatieve functie dient afgewogen te worden of sprake is van milieu-invloed op de omgeving. Bij het nieuwe gebruik van het plangebied is sprake van gebouwen en bouwwerken waar gedurende langere tijd, meer dan enkele uren, mensen verblijven. Per aspect dient dan ook afgewogen te worden of sprake is van functies die gevoelig zijn voor negatieve milieu-invloed vanuit de omgeving. Om te bepalen of tussen de activiteiten in het plangebied en functies in de omgeving voldoende afstand in acht wordt genomen is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie zijn voor een scala aan typen bedrijvigheid richtafstanden opgenomen voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Bij het bepalen van de richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen. • De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’.
Wanneer sprake is van ‘gemengd gebied’ kan de richtafstand met één trede worden verlaagd; • De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. • Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. • De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Dit betekent dat gemotiveerd afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen.
De richtafstanden voor de te onderscheiden bedrijfstypen zijn afgeleid van: • in Nederland aanvaarde normen voor de emissies door milieubelastende activiteiten; • in Nederland voorgeschreven of aanvaarde grens- en richtwaarden voor de immissies bij woningen en andere milieugevoelige bestemmingen; • ervaringen en waarnemingen met betrekking tot de omvang en schadelijkheid van emissies door activiteiten. De grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar is bepalend voor de indeling in de milieucategorie. De volgende tabel geeft inzicht in het verband tussen de afstand en de milieucategorie.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
31
Tabel: Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden Milieucategorie Richtafstand 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij de functies in het plangebied weergegeven:
GELUID
GEVAAR
GROOTSTE AFSTAND
30
0
50
C
30
50
3.1
10
0
30
C
0
30
2
CATEGORIE
STOF
AFSTANDEN IN METERS
GEUR
OMSCHRIJVING
nummer
SBI-2008
-
553, 552 5221
1
Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) Autoparkeerterreinen, parkeergarages
De aanbevolen afstand voor een kampeerterrein of vakantiecentrum met keuken, uitgaande van de gebiedscategorie ‘rustige woonwijk’, bedraagt dan ook 50 meter. De beoogde ontwikkeling ziet op een kleinschalig natuurlijk kampeerterrein zonder gemeenschappelijke keuken. Gezien de doelstelling van het terrein en doelgroep wordt slechts voorzien in basisvoorzieningen. Deze zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, dat op minimaal 15 meter van de bestemmingsgrens is gelegen. De tussenzone wordt afgeschermd door een robuuste groenstructuur, die een dempende werking heeft op onder meer het aspect geluid. Voor de volledigheid wordt echter uitgegaan van de genoemde afstand van 50 meter. In onderstaande afbeelding is de afstand van 50 meter vanaf de nabijgelegen woningen (Kavinksbosch 1 -10) inzichtelijk gemaakt. Tevens is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
32
Afbeelding 14. Zone van 50 meter vanaf de meest nabijgelegen burgerwoningen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Afbeelding 15. Begrenzing plangebied ten opzichte van woningen Kavinksbosch Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
33
Zoals blijkt uit bovenstaande afbeeldingen is het plangebied op 50 meter van de woningen Kavinksbosch gelegen, en ligt het bouwvlak op 80 meter van deze woningen. De aanbevolen afstand wordt dan ook ruimschoots behaald. De bestaande recreatiewoning Kavinksbosch 10a binnen het plangebied vormt onderdeel van de inrichting en is logischerwijs niet milieugevoelig voor de activiteiten die binnen het eigen perceel plaatsvinden. Conform de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ bedraagt de verkeersgeneratie van een kampeerterrein 0,4 voertuigbewegingen per standplaats. Voor 10 kampeermiddelen komt dit overeen met 4 voertuigbewegingen per dag. Deze geringe verkeersaantrekkende werking zal geen geluidhinder opleveren bij woningen gelegen aan de wegen naar het kampeerterrein. In het plangebied worden 5 recreatiewoningen en 10 kampeerplekken toegestaan. Op grond van de Wet geluidhinder worden deze functies niet beschouwd als geluidgevoelig. Wel gelden de huisjes als geurgevoelig (Wet geurhinder en veehouderij). De invloed van omliggende functies op de ontwikkeling in het plangebied is beoordeeld. In onderstaande afbeelding zijn de bedrijfsfuncties in de omgeving aangeduid. In de navolgende tabel is de omschrijving van de bedrijvigheid en toetsing ten opzichte van het initiatief opgenomen.
1
2
3
Afbeelding 16. Bedrijvigheid in de omgeving (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerkt)
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
34
Toegestane Milieucategorie Minimale bedrijvigheid o.g.v. VNG-lijst aanbevolen bestemmingsplan afstand VNGlijst in rustige woonwijk (meter) 1. Grondgebonden 3.2 100 agrarisch bedrijf 2. Grondgebonden 3.2 100 agrarisch bedrijf 3. Sport - sportterrein 3.1 50
Daadwerkelijke Voldoet afstand ja/ nee bestemmingsvlak inrichting plangebied (meter) 220 ja 100
ja
103
ja
Conclusie In het plangebied worden functies toegevoegd die potentieel milieu-invloed hebben op gevoelige bestemmingen in de omgeving. Uit de toets aan de richtafstanden uit de VNG-brochure blijkt dat voldaan wordt aan de aanbevolen afstanden. Daarnaast wordt voor alle omliggende inrichtingen voldaan aan de richtafstanden tot het plangebied. Op basis van deze analyse kan redelijkerwijs worden gesteld dat een goed verblijfsklimaat zal worden geboden in het plangebied. Aangezien aan de aanbevolen afstanden wordt voldaan, heeft de uitbreiding van de verblijfsrecreatie binnen het plangebied geen beperkende werking voor het functioneren en de mogelijkheden van de omliggende bedrijvigheid. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ zorgt dan ook niet voor beperkingen voor de beoogde ontwikkeling.
4.4.
Bodem
Bij een functiewijziging dient gemotiveerd te worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende is ten opzichte van de in het plan toegelaten bestemming/ functie. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Door BodemInzicht is een vooronderzoek bodem uitgevoerd in het plangebied, waarin de resultaten zijn vastgelegd in de rapportage ‘Vooronderzoek Kavinksbosch 10a te Susteren’ (14 februari 2023). De rapportage is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Uit het verrichte vooronderzoek blijkt dat geen sprake is van (voormalige) potentiële bronnen, die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. De onderzoekslocatie wordt dan ook als onverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. De bodem binnen de onderzoekslocatie wordt eveneens niet als asbestverdacht beschouwd. Op basis van de BKK (bodemkwaliteitskaart) en de Nota Bodembeheer Limburg Noord wordt verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
35
Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging en ontwikkeling van het kampeerterrein.
4.5.
Geluid
Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. In het kader van voorliggend ruimtelijk plan is de Wet geluidhinder relevant voor toetsing. Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zoneplichtige wegen. Kampeerterreinen en vakantiewoningen worden door de Wet geluidhinder niet beschouwd als geluidgevoelige functies. Een toets aan het aspect ‘wegverkeerslawaai’ is dan ook niet noodzakelijk. Railverkeerslawaai en lawaai van gezoneerde industrieterreinen Het plangebied ligt niet in de geluidzone van een geluidgezoneerd industrieterrein of spoorweg. Een nader akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid legt geen beperkingen op aan de beoogde herbestemming ten behoeve van het natuurlijk kampeerterrein aan de Kavinksbosch.
4.6.
Luchtkwaliteit
Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • • •
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Hierna wordt ingegaan op het feit dat het initiatief ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
36
‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: •
Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBMproject en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. De 3% is als volgt gekwantificeerd: •
•
Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor kantoren geldt dat de 1% grens is vastgesteld op 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Naast deze type ontwikkelingen waarvoor de grenswaarde is bepaald, is de zogeheten NIBM-tool beschikbaar. Met behulp van deze tool kan worden berekend of een initiatief in betekenende mate bijdraagt. Met voorliggend plan wordt de uitbreiding van een bestaand bedrijf mogelijk gemaakt. De ontwikkeling zorgt voor een beperkte verkeerstoename (zie ook paragraaf 4.12). De gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn berekend met de NIBM-tool.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
37
Zoals blijkt uit bovenstaande berekening draagt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie niet in betekenende mate bij. Het bovenstaande maakt duidelijk dat het project geldt als een NIBMproject. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling is niet nodig. Huidige achtergrondconcentratie Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in het plangebied zelf. Voor het kampeerterrein en de recreatiewoningen wordt gestreefd naar een goed verblijfsklimaat, hoewel de functies op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteiten niet zijn aangemerkt als gevoelig object. Het verblijfsklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie.
Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. Sinds een aantal jaren wordt de achtergrondconcentratie van de luchtkwaliteit gemonitord door de (landelijke) overheid. Zowel de totale situatie, als de invloed van verschillende stoffen en componenten, worden hierbij in de gaten gehouden. Woningen zijn gevoelige functies voor het aspect luchtkwaliteit. De situatie is dan ook getoetst aan de hand van de beschikbare gegevens uit de verspreidingskaarten (Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland, Rijksdienst voor Volksgezondheid en Milieu). Ter hoogte van het plangebied is sprake van de volgende waarden:
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
38
Waarde plangebied 3 (μg/m ) - 2025 (gegevens 2022) 14 8 10
PM10 PM2,5 NO2
Grenswaarde (μg/m3)
40 25 40
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt voor de belangrijkste luchtkwaliteitscomponenten binnen het plangebied voldaan aan de grenswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse legt dan ook geen belemmeringen op aan de beoogde ontwikkeling. Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ is, kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen herbestemming van het plangebied.
4.7.
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. Beoogde ontwikkeling voorziet niet in de oprichting van een nieuwe veehouderij. De (toekomstige) functies in het plangebied hebben dan ook geen (negatieve) invloed op hun omgeving voor het aspect geur. Binnen het plangebied is reeds één recreatiewoning toegestaan, dit wordt uitgebreid naar 5. Aangezien de recreatiewoningen gebouwen zijn, waar gedurende langere tijd mensen verblijven/ kunnen verblijven, is sprake van een geurgevoelige functie. Uit de toets in paragraaf 4.3 is reeds gebleken dat voldaan wordt aan de aanbevolen afstand tot omliggende agrarische bedrijven. De afstand van het plangebied tot omliggende bouwvlakken bedraagt ten minste 100 meter. Bij geen van de agrarische bedrijven is het houden van dieren waarvoor op grond van de Wgv emissiefactoren gelden, toegestaan (allen grondgebonden bedrijven).
Voor de diercategorieën waarvoor vaste afstanden gelden, bedraagt de wettelijke afstand buiten concentratiegebied 50 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij gelden er dan ook geen beperkingen voor de gewenste ontwikkeling en gezien de aanwezige afstand kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geconcludeerd worden dat sprake is van een goed leefklimaat voor het aspect ‘geur’ binnen het plangebied. Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
39
4.8.
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: • • • •
het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); het gebruik van luchthavens; het gebruik van windturbines.
Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
40
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan buiten de eigen inrichting. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Voor het plangebied is advies afgegeven door de RUD Limburg Noord (d.d. 24 april 2023, zie bijlage 8). Het plangebied is gesitueerd op circa 284 meter van een buisleidingenstrook met de hogedruk aardgastransportleidingen A-630, A-578, A521, A-520, A-665 en een defensieleiding DPO-208.
Afbeelding 17. Uitsnede Risicokaart, projectlocatie groen omcirkeld (bron: Risicokaart.nl)
In de volgende tabel zijn de invloedsgebieden van de verschillende leidingen opgenomen: Leiding 1. 2. 3. 4. 5. 6.
hogedruk aardgastransportleiding A-630 hogedruk aardgastransportleiding A-578 hogedruk aardgastransportleiding A-521 hogedruk aardgastransportleiding A- 520 hogedruk aardgastransportleiding A-665 defensieleiding DPO-208
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
Zone aan weerszijden van de leiding (meter) 545 485 430 320 585 0
41
Het plangebied valt binnen het invloedsgebied 1% letaalzone van de aardgasleiding A-630, A-578, A-521, A-520 en A-665. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied 100% letaalzone van de aardgasleiding A-630, A-578, A-521, A-520 en A-665. Op grond van artikel 12 lid Besluit externe veiligheid buisleidingen dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden en dient, tenzij anders is vastgelegd, advies gevraagd te worden aan het bestuur van de veiligheidsregio. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. • De grootste leiding van de leidingstrook met diverse ondergrondse leidingen ten zuiden van het plangebied is de A-665 van de Gasunie met een diameter van 48 inch en een druk van 80 bar. • Het plangebied ligt binnen de invloedsgebieden van de ondergrondse hogedruk aardgastransport leidingen. De afstand van de leiding tot het plangebied bedraagt 284 meter. Uit de rapportage “teksten t.b.v. paragraaf externe veiligheid, projectnummer:0122388 d.d. 24 januari 2013 status definitief, als onderdeel van het bestemmingsplan Buitengebied Echt blijkt dat het groepsrisico (ruim) kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde is. Door de ontwikkeling is in het plangebied sprake van een niet permanente en zeer beperkte toename van de bevolkingsdichtheid.
Het groepsrisico dient enkel verantwoord te worden als de planlocatie binnen de invloedsgebieden 100% letaalzone van de aardgasleiding(en) valt. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied 1% letaalzone van de aardgasleiding A-630, A-578, A-521, A-520 en A-665 maar buiten de 100% letaalzone. • Het plangebied ligt op circa 540 meter van het spoortraject Sittard-Roermond. Over dit spoor worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën GF3, GT3, LT1 en LF2 (Bron: Kaarten | Atlas Leefomgeving). Gelet op de gevaarlijke stoffen die over dit spoortraject worden vervoerd ligt het plangebied in het invloedsgebied van het vrijkomen van een toxische wolk. • Uit de rapportage “teksten t.b.v paragraaf externe veiligheid, projectnummer:0122388 d.d. 24 januari 2013 status definitief, als onderdeel van het bestemmingsplan Buitengebied Echt blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van het risicobepalende scenario van het vrijkomen van een brandbaar gas (GF3) ligt, maar niet buiten het invloedsgebied van het risicobepalende scenario van het vrijkomen van een toxische wolk (GT3). • Nu het plangebied gelegen is binnen het invloedgebied van het spoortraject Sittard-Roermond dient er invulling gegeven te worden aan de verantwoording van het groepsrisico. Gelet op de afstand tussen de projectlocatie en voornoemde spoortraject kan worden volstaan met een beperkte verantwoording.
De plan locatie wordt uitsluitend blootgesteld aan de gevolgen van een toxisch scenario van een calamiteit met gevaarlijke stoffen over het spoortraject SittardRoermond. • De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft een standaardadvies opgesteld dat bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen gebruikt kan worden indien er alleen sprake is van een toxisch scenario. Het standaardadvies is uniform toepasbaar op alle situaties die binnen de criteria van het standaardadvies toxisch liggen. Door het advies als basis te gebruiken bij de wettelijk verplichte verantwoording van het groepsrisico, is de weging van de zelfredzaamheid van de aanwezige personen bij de ontwikkeling geborgd. Het doel van de te nemen maatregelen is het bieden van voldoende bescherming aan mensen binnenshuis. Bij dit project is alleen sprake van een toxisch scenario en daarmee valt het onder de criteria voor het
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
42
toepassen van het standaardadvies. Onderstaand zijn de punten uit het standaardadvies opgenomen: - Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. - Maak de gebruikers bewust van de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten. - Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. - Neem het toxisch scenario en handelwijze op in het bedrijfsnoodplan. - De gemeente wordt geadviseerd initiatiefnemers en gebruikers van het plan te informeren over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is De punten uit het standaardadvies, voor zover van toepassing op deze planontwikkeling, worden door initiatiefnemers geïntegreerd en geïmplementeerd bij de planuitwerking en -realisatie.
Vooroverleg met de Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft een standaardadvies opgesteld dat bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen gebruikt kan worden indien er alleen sprake is van een toxisch scenario. Het standaardadvies is uniform toepasbaar op alle situaties die binnen de criteria van het standaardadvies toxisch liggen. Door het advies als basis te gebruiken bij de wettelijk verplichte verantwoording van het groepsrisico, is de weging van de zelfredzaamheid van de aanwezige personen bij de ontwikkeling geborgd. Het doel van de te nemen maatregelen is het bieden van voldoende bescherming aan mensen binnenshuis. Bij dit project is alleen sprake van een toxisch scenario en daarmee valt het onder de criteria voor het toepassen van het standaardadvies. Dit standaardadvies is hierboven verwoord onder ‘Plangebied’. Er hoeft geen advies bij de veiligheidsregio opgevraagd te worden.
4.9.
Waterparagraaf
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater).
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
43
Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Hemelwater Onderdeel van het plan is een zeer beperkte toename van het bebouwd en verhard oppervlak. Deze verharde/ bebouwde terreindelen worden geheel afgekoppeld en middels voorzieningen terug in de bodem geleid of hergebruikt. Zo zal worden gewerkt met regentonnen, waar water kan worden gebufferd om op droge momenten de gewassen (struiken, groenten ed.) water te geven.
Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat het deel van het plangebied waar de recreatiewoningen en de gemeentelijke ruimte staan geheel afgekoppeld moet worden (ondanks de uitvoering met een ‘groen dak’) en de gronden direct rond de huisjes en de parkeerplaatsen voor 70%. De parkeerplaatsen en verharding rond de gebouwen zal zoveel mogelijk bestaan uit halfverharding (kiezels) waardoor hemelwaterinfiltratie ter plekke mogelijk blijft. De toename verhard oppervlak bedraagt op grond van het bovenstaande: Verharding Recreatiewoningen Gemeenschappelijke ruimte Parkeerplaatsen Verharding rond recreatiewoningen Verharding rond gemeenschappelijke ruimte
Oppervlakte 4 * 40 m2 1 * 100 m2 (50 x 5,5) m2 * 0,7 (4 * 24 m2) * 0,7 40 m2 * 0,7
Totaal
160,0 m2 100,0 m2 192,5 m2 67,2 m2 28,0 m2 547,7 m2
Het Waterschap Limburg heeft in haar Keur vastgelegd dat een te realiseren hemelwatervoorziening dient te worden gedimensioneerd op een extreme bui met een neerslaghoeveelheid van 100 millimeter in 24 uur, met een noodoverlaat. Voor de nieuwe bebouwing en verharding binnen het plangebied is dan ook een buffer- en infiltratiecapaciteit nodig van circa 55 m³ (547,7 m2 x 100 mm). Het hemelwater wordt deels opgevangen voor hergebruik en voor het overige wordt het op een natuurlijke manier, via de oppervlakte, op eigen terrein in de bodem geïnfiltreerd. Hierdoor wordt zowel de bodemstructuur als het bodemleven aanzienlijk verbeterd. Door het water op een natuurlijke manier te laten infiltreren, hetgeen nu reeds gebeurt bij het bestaande vakantiehuisje met bijbehorende verharde
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
44
gronden (oprit en parkeerplaatsen) worden de gronden bestendiger tegen warme en droge periodes. Afvalwater In de huidige situatie is binnen het plangebied reeds een rioolaansluiting aanwezig. De extra afvoeren van afvalwater worden hierop aangesloten. Via de bestaande rioolput wordt het afvalwater naar het gemeentelijk hoofdriool gepompt. Voor de volledigheid is een berekening gemaakt van het verwachte gebruik van water ten opzichte van de capaciteit van het rioolgemaal. Capaciteit van het rioolgemaal. Het rioolgemaal pompt, in de praktijk, ruim 30 kubieke meter afvalwater per uur weg. Dit blijkt uit onderstaande berekening: Het buffervat van het riool heeft een doorsnee van 100 cm en is 200 cm diep. De invoer van het riool is op 100 cm diepte. Als het buffervat vol loopt tot 80 cm dan begint het riool gemaal te lopen tot het afval water net onder de 50 cm staat. Het pompt dan 235620 kubieke cm (pie*straal*straal*hoogte) weg. Op 23-4-2023 zijn er 4 testen (het gemaal is meerdere malen met een waterslang gevuld) gedaan om te meten hoeveel tijd de pomp in de praktijk nodig heeft om dit 30cm hoogteverschil in het gemaal te bewerkstelligen. De tijd lag tussen de 23 en 24 seconden. Veiligheidshalve (meetafwijkingen) wordt dit naar boven afgerond tot 25 seconde. Dit betekent dat het gemaal in 25 seconden 235620 cm3 wegpompt. Per minuut is dit meer dan 0,5 kubieke meter.
Dit is 33,9 kubieke meter per uur. Gemakshalve ronden we dit af naar 30 kubieke meter per uur. Per dag kan het gemaal ruim 720 kubieke meter verwerken. Verwacht gebruik van water tijdens maximale bezetting Er wordt verwacht dat er 3000 liter (3 kubieke meter) per dag aan water wordt gebruikt. Zie onderstaande berekening: Wat het verbruik betreft van de 5 recreatiewoningen (1 bestaande en 4 nieuwe) mag men uit gaan van 100 liter per persoon per dag (zie onderstaande tabel). Er kunnen maximaal 10 personen (2 per recreatiewoning) verblijven bij volledige bezetting. Dit betekent 1000 liter per dag voor de 5 recreatiewoningen. Gemiddeld waterverbruik 2021 (per persoon)* Functie Verbruik per dag
Verbruik per keer**
Douche
46,2
56,9
Toilet
30,2
Wasmachine
16,9
48,9
Kleding wassen (hand)
0,6
32,3
Wastafel
8,7
4,6
Afwassen met de hand
1
5
Afwasmachine
2,9
11,7
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
45
Gemiddeld waterverbruik 2021 (per persoon)* Functie Verbruik per dag
Verbruik per keer**
In bad gaan
5,2
142,4
Kinderbad
0,1
20,2
Consumptie
2,6
Buitengebruik
0,9
Overig
12,8
Totaal
128,1 liter per dag
* Bron Vewin Kerngegevens drinkwater ** Niet iedereen doucht iedere dag of laat de vaatwasser dagelijks draaien. Naar het toilet gaan we wel zo'n 5x per dag. Vandaar dat het verbruik per dag, afwijkt van het verbruik per keer. Voor een recreatiewoning van maximaal 40m2 zonder wasmachine laten we het waterverbruik van de wasmachine en het overige verbruik erbuiten waardoor we op ongeveer 100 liter per persoon per dag komen Naast de 5 recreatiewoningen komt er nog een gemeenschappelijke ruimte met 2 douches en 2 wc’s en enkele spoelbakken. Een douche met waterbesparende sproeikop gebruikt 6 liter per minuut. Stel dat bij maximale bezetting (20 personen) men een keer per dag een douche neemt en 5 maal naar het toilet gaat. En nog een 10 liter per persoon voor het wassen van de handen en te koken. Dan is het waterverbruik: Douche: 20*10 min*6 liter = 1200 liter Wc: 5*20*6 liter = 600 liter Handen wassen en koken: 20*10 liter = 200 liter Het totale verbruik van water is 2000 liter per dag voor de gemeenschappelijke ruimte. Het totale verbruik is voor de gemeenschappelijke ruimte en de 5 recreatiewoningen is dan bij maximale bezetting 3000 liter op een dag. Dit is 3 kubieke meter per dag. Conclusie: De pomp hoeft bij maximale bezetting van het kampeerterrein minder dan 10 minuten per dag te werken.
De afvoercapaciteit van het afvalwater is dan ook vele malen groter dan het waterverbruik bij maximale bezetting. Overleg waterbeheerder In het kader van het vooroverleg is door waterschap Limburg gewezen op een rekenfout voor de berekening van de infiltratiebehoefte. Dit is aangepast. De conclusie blijft ongewijzigd; op eigen terrein is voldoende ruimte voor het infiltreren van het hemelwater dat niet wordt hergebruikt. Daarnaast is in het tekstblok over ‘hemelwater’ ook aangegeven dat het water op eigen terrein wordt geïnfiltreerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief door de afkoppeling van het verhard oppervlak geen belemmeringen oplevert voor de waterhuishoudkundige situatie en dat de waterhuishoudkundige situatie ook geen belemmeringen oplevert voor de bestemmingswijziging. Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
46
4.10.
Wet natuurbescherming
Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet zijn opgegaan in deze overkoepelende wet. Uitgangspunt van de wet is dat beschermde gebieden en soorten niet aangetast mogen worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gebiedsbescherming Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Indien een project geen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000gebied, dan gelden geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming.
Natura 2000-gebieden en ook andere natuurgebieden kunnen schade ondervinden door diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Het plangebied is gelegen op ruim 3,6 kilometer van een deelgebied van het Natura 2000-gebied Abdij Lilbosch & voormalig klooster Mariahoop en op ruim 5 kilometer van het gebied Grensmaas.
Afbeelding 19. Plangebied en omliggende Natura2000-gebieden (bron: AERIUS.nl) Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
47
Gezien de grote afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden, de tussenliggende functies en de kleinschaligheid van het initiatief kunnen potentiële externe effecten, anders dan verzuring, worden uitgesloten. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een project geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het project een significant gevolg kan hebben. Ten behoeve van de verruiming van de mogelijkheden aan de Kavinksbosch 10a is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De rapportage met bijbehorende AERIUS-berekeningen zijn opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting.
Binnen het provinciaal beleid is een deel van het plangebied aangewezen als zilvergroene natuurzone. De aanduiding en doelstellingen voor het gebied wijzigen niet met dit bestemmingsplan. Voor de gronden geldt op dit moment een agrarische bestemming, die wordt vervangen door een (‘maatwerk’-) recreatie bestemming. Soortenbescherming In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en beschermde plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Het plangebied bestaat in de huidige situatie merendeels uit onbebouwde agrarische gronden, in gebruik als blijvend grasland. Op het terrein is sprake van één reeds langer bestaand gebouw (voormalige kantine, omgevormd tot recreatiewoning) en enkele bouwwerken waarvoor in 2021 tijdelijk vergunning is verleend. Het intensief agrarisch gebruik is afgelopen jaren beëindigd en omgevormd naar extensief beheer.
De intensiteit van onkruidbestrijding en bemesting is dan ook sterk gereduceerd. Ook worden delen van het terrein minder gemaaid. Paden en routes op het terrein worden wel structureel onderhouden. Van oudsher is in het plangebied dan ook sprake van een sterke regulatie van begroeiing door de mens en verstoring. Als monotoon agrarisch productieland was geen sprake van een geschikt permanent leefgebied voor diersoorten. De reeds in gang gezette omvorming naar natuurlijk beheer en aanplant van gebiedseigen soorten maakt het gebied meer geschikt voor planten- en diersoorten. Met de herbestemming kan deze Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
48
ontwikkeling verder worden versterkt. Bij de herbestemming is geen sprake van sloop, renovatie of verbouw van bebouwing en ook wordt geen beplanting (bomen of struiken) verwijderd. Het bestaande gebouw is reeds ingericht als recreatiewoning en de aanplant van het terrein ten behoeve van de nieuwe functies (kampeerterrein en voedselbos) is enkele jaren geleden reeds gestart. Uit de provinciale natuurgegevens blijkt dat het plangebied in 2019 voor het laatst is onderzocht op planten en in 2011 vlakdekkend op broedvogels. In de periode tot 2021 is nog een inventarisatie van broedvogels in de goud-groene zone uitgevoerd. Bij de flora-inventarisatie zijn er in en direct rond het plangebied geen beschermde soorten aangetroffen. Zo’n 125 meter ten zuiden van het plangebied zijn enkele schaarse soorten en soorten van de Limburgse lijst geïnventariseerd. Het plan heeft op deze afstand geen invloed. Het ontbreken van kwetsbare/ beschermde soorten in het plangebied is in lijn met het voormalig landbouwkundig gebruik. In de vlakdekkende vegetatiekartering is de kort geknipte haag direct ten westen van het plangebied opgenomen evenals de wegberm met alleen lage-kwaliteit-indicerende soorten. De haag is gelegen op het aangrenzend perceel, en vormt een onderdeel van Landschapspark Susteren.
De haag en berm blijven bij de ontwikkeling in stand, waardoor door de wijziging van het gebruik van de aangrenzende gronden mogelijk meer diversiteit en kwaliteit ontstaat. Bij de inventarisaties van broedvogels zijn in het plangebied geen soorten waargenomen. Op enige afstand, in het IJzerenbos en directe omgeving, komen wel diverse schaarse en Rode Lijst soorten voor. De ontwikkeling van het natuurlijk kampeerterrein met voedselbos levert een positieve impuls voor het leefgebied voor dier- (en planten-)soorten in het gebied. Mogelijk zullen soorten uit het IJzerenbos hun leefgebied verruimen. Door in te zetten op een natuurlijk kampeerterrein waar rust centraal staat, kunnen verschillende functies samengaan. Sloop of renovatie van bebouwing is binnen het plangebied niet aan de orde, waardoor er geen sprake is van bedreiging voor gebouw-bewonende soorten. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief geen negatieve effecten zal hebben op (beschermde) flora- en fauna. Uiteraard geldt in alle gevallen de algemene zorgplicht, indien tijdens werkzaamheden toch soorten worden aangetroffen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit de verschillende aspecten van de Wet natuurbescherming geen belemmeringen bestaan voor de herbestemming van Kavinksbosch 10a en de ontwikkeling van het kampeerterrein.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
49
4.11.
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • •
De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Aan een deel van het plangebied is een archeologische verwachtingswaarde toegekend, die in het bestemmingsplan is vertaald in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’. Archeologisch onderzoek is op grond van deze verwachtingswaarden en dubbelbestemmingen noodzakelijk bij bodemverstoring groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm. In het plangebied worden 4 nieuwe recreatiewoningen en een gemeenschappelijke ruimte mogelijk gemaakt. De totale omvang van deze bebouwing bedraagt (maximaal) 260 m2. De recreatiewoningen zijn licht en worden op een beperkte fundering geplaatst. De bodem wordt hiervoor niet dieper dan 40 cm verstoord. Datzelfde geldt voor enkele plekken waar enige (half)verharding voor parkeren of terras gewenst is. Gezien de verstoringsomvang en -diepte is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De archeologische dubbelbestemming zoals reeds toegekend blijft behouden ter bescherming van potentiële waarden in de verdere toekomst. Cultuurhistorie Uit de kaartlaag ‘cultuurhistorie’ op de provinciale Atlas Limburg blijkt dat de woningen aan Kavinksbosch onderdeel zijn van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) en van belang worden geacht vanwege de bouwtraditie en oorsprong.
De ontwikkeling in het plangebied zorgt niet voor wijzigingen aan deze woningen behoudens een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en leefomgeving. Het doorgaand deel van Kavinksbosch is op de kaart ook aangeduid als weg/ lijn met cultuurhistorische waarde. Dit geldt niet voor het doodlopend deel tot het plangebied. Wel is het plangebied aangewezen als ‘verandering cultuurlandschap 1810 – 1981’ en cultuurhistorisch element. De ontwikkeling zorgt niet voor aantasting van deze cultuurhistorische waarden. Door de herontwikkeling met een voedselbos en kleinschaligheid wordt de oorspronkelijke situatie deels terug gebracht. Het initiatief heeft dan ook geen gevolgen voor cultuurhistorische waarden in het plangebied of de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de bestemmings- en gebruikswijziging in het plangebied.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting
50
4.12.
Verkeer en parkeren
Verkeer Het plangebied, gelegen rondom Kavinksbosch 10a, wordt aan de noordzijde ontsloten door de weg Kavinksbosch die ten noorden van het plangebied een lus vormt. De weg Kavinksbosch dient met name ter ontsluiting van het binnenin gelegen woonensemble. Het betreft een woonstraat met voorzieningen/ obstakels om de snelheid te beperken. Afwisselend zijn ten oosten en westen van de straat parkeerplaatsen aanwezig. Tevens kent het openbaar gebied een (smal) trottoir langs de woningen. Vanuit het doorgaande deel van de weg is er toegang tot het plangebied in de vorm van een onverhard pad. De openbare weg en het onverhard pad vormen de toegang tot het kampeerterrein. Het Kennisplatform CROW heeft kencijfers opgesteld voor de verkeersgeneratie van diverse functies. Deze kencijfers zijn opgenomen in publicatie 381, december 2018 ‘Toekomstbestendig parkeren – Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. De verkeersgeneratie betreft de som van de verkeersproductie en verkeersattractie, of wel het totaal aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal (zowel komend, als vertrekkend). In de CROW-publicatie wordt onderscheid gemaakt naar functies en naar verstedelijkingsgraad van het gebied (hoog schaalniveau) en type omgeving (laag schaalniveau). Susteren kan worden ingedeeld in de verstedelijkingsgraad ‘matig stedelijk’ en de locatie aan Kavinksbosch kan worden beschouwd als ‘buitengebied’.
Daarnaast zijn in de publicatie een aantal functie-categorieën onderscheiden, waarvan camping (kampeerterrein) en bungalowpark (huisjescomplex) van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van voornoemde CROW-publicatie is de verkeersgeneratie als volgt: Functie-categorie
Norm
Camping/ kampeerterrein Bungalowpark / huisjescomplex
0,4 per standplaats 2,7 per bungalow
Totaal
Aantal in Berekende plangebied verkeersgeneratie 10 4 5 13,5 17,5
De bestaande ontsluitingsstructuur krijgt verhoudingsgewijs een beperkt aantal extra motorvoertuigen per dag te verwerken. De bestaande ontsluitingsweg en aangrenzende wegen zijn tezamen met de verkeersruimte op eigen terrein voldoende gedimensioneerd voor de toevoeging van de verkeersbewegingen. Het verkeer zal op de aangrenzende wegen al snel worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Parkeren Voor het aspect ‘parkeren’ heeft de gemeente Echt-Susteren normen vastgelegd, gebaseerd op eerder genoemde CROW-publicatie en verankerd als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’.
Bestemmingsplan ‘Kampeerterrein Kavinksbosch, Susteren’ | toelichting