Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 20 -
Toelichting
3 Randvoorwaarden
d
3.1 M.e.r.- beoordeling Wet milieubeheer Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Besluit m.e.r. In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de Dlijst moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Onder de drempelwaarden van de D-lijst kan volstaan worden met een zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. In het voorliggende plan worden gerealiseerd: maximaal negen woningen, waarvan zeven woningen in bestaande voormalige agrarische bebouwing. Dit project kan worden ondergebracht in categorie 11.2 van de D-lijst: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De (relevante) drempelwaarde van categorie D11.2 ziet toe op gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende plan ziet toe op negen woningen en overschrijdt daarmee geen van de aangegeven drempelwaarden. Aangezien de activiteit onder de drempelwaarden van D11.2 van de D-lijst blijft moet voor de voorgenomen activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Initiatiefnemer moet een m.e.r.-beoordelingsnotitie (ook wel aanmeldnotitie genoemd) opstellen. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Echt-Susteren, moet vervolgens beoordelen of bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden waarvoor een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
Het besluit op de vormvrije m.e.r-beoordeling maakt onderdeel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Onderhavige vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie bevat alle wettelijk voorgeschreven informatie, voor zover relevant voor deze specifieke activiteit. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 21 -
Toelichting
beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: d - belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; - belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r. (beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2014/52/EU) een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Bij de beslissing of voor het project wel of geen m.e.r. nodig is houdt het bevoegd gezag rekening met deze criteria: - kenmerken van het project; - locatie van het project; - soort en kenmerken van het potentiële effect.
Deze criteria zijn uitgewerkt in onderstaande tabel: Criteria m.e.r.-beoordeling Kenmerken van het project - omvang van het project - cumulatie met andere projecten - gebruik van natuurlijke grondstoffen - productie van afvalstoffen - verontreiniging en hinder - risico van ongevallen, mede gelet op de gebuikte stoffen en technologieën Locatie van het project - bestaand grondgebruik - de relatieve rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied - het opnameniveau van het natuurlijke milieu, met aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, bergen bosgebieden, reservaten en natuurparken, Natura2000-gebieden, gebieden waarbij vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Soort en kenmerken van het potentiële effect bereik van het effect (geografische zone en grootte van de betrokken bevolking) grensoverschrijdende karakter van het effect waarschijnlijkheid van het effect duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het ontwikkelingsgerichte deel van dit bestemmingsplan omvat de sanering van een intensieve veehouderij en een reguliere veehouderij en de herstructurering van de daarbij vrijkomende agrarische bebouwing, waarbij maximaal zeven nieuwe woningen worden gerealiseerd in bestaande bebouwing en één woning als nieuwbouwwoning wordt gebouwd. Daarnaast is een ontwikkelingsmogelijkheid opgenomen voor één extra woning aan Oud Roosteren 12 bij beëindiging van het akkerbouwbedrijf.
Cumulatie met andere projecten
Niet van toepassing.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Er wordt geen permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen, derhalve niet van toepassing Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 22 -
Toelichting
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake d zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in de buurtschap Oud Roosteren. Tijdens de (ver)bouwfase is mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en -werkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Risico van ongevallen
Er is sprake van realisatie van een nieuwe risicobron.
Locatie van het project Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de te herbestemmen gronden bestemd tot ‘Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden’, waarbinnen voor één agrarisch bedrijf tevens intensieve veehouderij is toegestaan.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Niet van toepassing.
Het opnameniveau van het natuurlijke milieu, met aandacht voor: - gevoelige gebieden* (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, habitat- en Vogelrichtlijngebieden)|
In dit geval zijn uitsluitend N2000-gebieden relevant. In de omgeving van het plan bevinden zich de volgende Natura 2000-gebieden: - Grensmaas op circa 1,4 km afstand; - Abdij Lilbosch & voormalig klooster Maria Hoop op circa 5,8 km afstand.
- gebieden waarbij vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Niet van toepassing.
- gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Het betreft een buurtschap in het buitengebied waar sprake is van een lage bevolkingsdichtheid. De bestaande agrarische functies worden ter plaatse van de ontwikkelingen vervangen door woonfuncties.
Uit de stikstofdepositieberekening voor de locaties Oud Roosteren 15 en 24 komt naar voren dat er geen stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jr. plaatsvindt op een der N2000-gebieden. Er is derhalve geen noodzaak tot een passende beoordeling en derhalve ook geen natuurvergunningplicht op basis van de Wnb.
* Gevoelige gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het besluit m.e.r. wordt onder een gevoelig gebied verstaan: - een gebied dat krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is aangewezen als Natura 2000gebied; - een kerngebied, begrensd natuurontwikkelingsgebied of begrensde verbindingszone, dat deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur, zoals die structuur is vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening, of, bij het ontbreken daarvan, zoals die structuur voorkomt op de kaart Ecologische Hoofdstructuur, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte (LNV-kenmerk GRR-95194); - een gebied met behoud en herstel van de bestaande landschapskwaliteit, zoals dat gebied is vastgelegd in een geldend bestemmingsplan of, bij het ontbreken daarvan, in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening, of, bij het ontbreken daarvan, zoals dat gebied voorkomt op de kaart Landschap, behorend bij deel 4 van het Structuurschema Groene Ruimte; - een krachtens artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de wet bij provinciale verordening aangewezen gebied met uitzondering van de zones waar het met het oog op de bescherming van het diepe grondwater is verboden te boren; - een gebied dat krachtens artikel 3.1
van de Erfgoedwet is aangewezen als rijksmonument; - een Belvédère-gebied als bedoeld in de bijlage ‘Gebieden’ bij de Nota Belvédère, beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting’ voor zover dat is vastgelegd in een geldende structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening of geldend bestemmingsplan. Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 23 -
Toelichting
Kenmerken van het effect
potentiële d
Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Er is sprake van positieve effecten als gevolg van dit project. Het saneren van de (intensieve) veehouderij zorgt voor een sterke verbetering van het woon- en leefklimaat in de directe (woon)omgeving. Het project kan voorts voldoen aan de eisen met betrekking tot bodemkwaliteit, geluid, ecologie, luchtkwaliteit, externe veiligheid en stikstofdepositie. Dit betekent dat het woon- en leefklimaat van omwonenden niet negatief wordt beïnvloed.
Grensoverschrijdend karakter van het effect
Niet van toepassing.
Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten op de omgeving is geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
Er is sprake van het saneren van agrarische bedrijven en het realiseren van nieuwe woningen, grotendeels binnen de vrijkomende bebouwing. De effecten van het project zijn permanent maar zijn niet onevenredig van aard en omvang.
Conclusie Gelet op het voorgaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met de criteria uit de Bijlage III van de EEG-richtlijn, sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die aanzienlijk kleinschaliger van aard is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maken.
3.2 Milieuaspecten 3.2.1 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Plangebied Het voorliggende plan voorziet deels in de bestemmingswijziging van agrarische bedrijfsgronden naar de woonfunctie. Gelet op deze bestemmingswijziging naar een gevoelige functie dient inzicht te worden verkregen in de milieuhygiënische bodemkwaliteit van deze gronden om te bepalen of deze geschikt zijn voor de woonfunctie. Voor de gronden waar geen functionele wijzigingen zijn voorzien hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Door Geonius Milieu B.V. is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd voor de ontwikkelingslocaties Oud Roosteren 15 en 24. Voor deze locaties is een stedenbouwkundig plan ontwikkeld waarbij hergebruik van bestaande gebouwen en (beperkt) nieuwbouw aan de orde is en waarvoor het wenselijk is te bepalen of hier een grote kans bestaat op ernstige bodemverontreinigingen op basis van het gebruik in het verleden.
Omdat de herontwikkeling van deze locaties tevens een maatschappelijk belang betref (oplossen van de geurhinderproblematiek ter verbetering van het woon- en leefklimaat in een groot deel van de kern) is het belangrijk dat de locatie op korte termijn wordt herontwikkeld. Om de haalbaarheid van het stedenbouwkundig plan Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 24 -
Toelichting
op het gebied van de bodemkwaliteit in te schatten is dit historisch onderzoek uitgevoerd. Beide locaties zijn overigens voorzien van een wijzigingsbevoegdheid respectievelijk uitwerkingsplicht d met als doel hier de woonbestemming te realiseren waarbij het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek één van de voorwaarden vormt. De wijzigingsbevoegdheid voor Oud Roosteren 12 betreft een mogelijkheid tot het realiseren van één extra woning (de omzetting van de bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning niet meegerekend) indien het ter plekke aanwezige agrarisch bedrijf (akkerbouwbedrijf) wordt beëindigd. Deze wijzigingsbevoegdheid omvat eveneens de plicht tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. Het perceel bevat de mogelijkheid om bij een mogelijk geval van ernstige bodemverontreiniging de woning te realiseren door verbouwing van de hier aanwezige loods. Gelet op het beperktere risico is ervoor gekozen nu geen historisch onderzoek uit te voeren. Geonius Milieu BV, ‘Vooronderzoek Oud Roosteren 15 en 24 in Roosteren, rapportnummer MA190777.R01.V1.0, d.d. 24.07.2020 (separate bijlage 1) Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Op de locaties zijn boerderijen gevestigd en is een asfalt/betonverharding aanwezig.
Vanwege de bedrijfsmatige activiteiten (boerderij), lekkage/spills vanuit motorvoertuigen (tractoren/vrachtwagens) en/of uitloging vanuit fundatiemateriaal is het mogelijk dat de bodem verontreinigd is geraakt. Een in het verleden uitgevoerd onderzoek heeft als conclusie lichte verontreinigingen in de bovengrond en geen verontreiniging in de ondergrond opgeleverd. Ten aanzien van de bovengrond wordt uitgegaan van de strategie ‘heterogeen verdacht niet lijnvormig’. Ten aanzien van de ondergrond wordt uitgegaan van de strategie ‘onverdacht niet lijnvormig’. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van een puinhoudende fundatielaag onder de asfalt, beton‐ en klinkerverharding is ten behoeve van asbest in bodem de hypothese ‘verdacht’ van toepassing. Het verkennend- en asbestonderzoek dient bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid te worden uitgevoerd.
3.2.2 Geluid Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder maar daarnaast ook in de Wet ruimtelijke ordening wanneer het gaat om de beoordeling of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid kent voor een aantal bestemmingen in combinatie met een aantal typen geluidbronnen een wettelijk kader dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidgevoelige bestemmingen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Voor andere geluidbronnen bestaan geen wettelijke kaders. Andere geluidbronnen kunnen wel noodzaken tot een aanvullende beoordeling van het aspect geluid in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Plangebied De navolgende aspecten zijn ten aanzien van dit plangebied aan de orde. Wegverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs wegen geluidzones. Deze zijn geregeld in artikel 74 van de wet geluidhinder.
In buitenstedelijk gebied geldt voor wegen, bestaande uit vijf of meer rijstroken een onderzoekszone van 600 meter, voor drie of vier rijstroken een onderzoekszone van 400 meter en voor wegen bestaande uit één of twee rijstroken een onderzoekszone van 250 meter, gemeten vanuit de as van de weg. Binnen de zone moet in het geval van een nieuwe situatie met een geluidgevoelige bestemming onderzoek worden verricht naar de optredende geluidsbelasting. Een aantal wegen heeft geen zone, te weten: Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 25 -
Toelichting
-
wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarvoor een maximum snelheid d van 30 km per uur geldt.
Binnen het plangebied van bestemmingsplan ‘Oud Roosteren’ zijn de onderzoekszones van de volgende wegen gelegen: - autosnelweg A2 (Maastricht-Eindhoven, zone 600 meter); - provinciale weg N296 (Susteren-Belgische grens bij Maaseik, zone 250 meter); - overige wegen buiten de bebouwde kom: geluidzone van 250 meter. Nieuwe situaties (geluidgevoelige functies) binnen de zones van deze wegen moeten in beginsel voldoen aan de voorkeursgrenswaarde 48 dB. Daarboven kan in een beperkt aantal gevallen, onder voorwaarden, ontheffing worden verleend via het vaststellen van een hogere grenswaarde. Dit aspect is meegenomen in het akoestisch onderzoek (zie verderop in deze paragraaf). Spoorweglawaai In het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen spoorwegen gelegen. Spoorweglawaai is hier niet aan de orde. Industrielawaai In het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen industrieën gelegen waarvan de geluidcontour reikt tot in het plangebied. Industrielawaai is hier niet aan de orde. Bedrijven en milieuzonering Naast de aan de Wet geluidhinder is het bij ruimtelijke ontwikkelingen van belang dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een ‘goede ruimtelijke ordening’. Een algemeen geaccepteerd instrument waarmee dit beoordeeld kan worden is de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009).
Deze publicatie geeft richtlijnen over de aan te houden afstanden van (bedrijfs)bestemmingen ten opzichte van geluidgevoelige bestemmingen. Hiermee kan worden bepaald of de beoogde bestemming in lijn is met een goede ruimtelijke ordening. Bedrijfsactiviteiten die hinder kunnen vormen voor omliggende woningen zijn opgenomen in de bedrijvenlijst van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Per bedrijfsactiviteit wordt de milieucategorie aangegeven. Deze milieucategorie verwijst naar de afstand die aangehouden moet worden tot woningen in een rustige woonwijk. Deze afstand verschilt van 10 m tot 400 m. Algemeen worden bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en categorie 2 (lichte bedrijvigheid) goed inpasbaar geacht in een woonwijk. Onderzoek Spider Monkey Consultancy ‘Akoestisch onderzoek drie locaties in Oud-Roosteren’, rapportnummer 20191002, d.d. 11.09.2020 (separate bijlage 2). Voor de drie locaties waarop ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt (Oud Roosteren, 12, 15 en 24) is onderzocht wat de mogelijke geluidbelasting kan zijn bij realisering van de woonbestemming aldaar. De drie locaties zijn gelegen binnen de 600 meter brede geluidzone van de autosnelweg A2 (voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 53 dB) en de 250 meter brede geluidzone van de Maaseikerweg/N296 (voorkeursgrenswaarde 48 dB, maximale ontheffingswaarde 63 dB).
Het onderzoek is gericht op de beoordeling of ter plaatse van de locaties kan worden voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB vanwege de autosnelweg en 63 dB vanwege de N296. De ligging van de geluidcontouren van de twee bovengenoemde geluidbronnen varieert per locatie en per rekenhoogte. Ten aanzien van de autosnelweg A2 kan worden geconcludeerd dat op hoofdlijnen voor de drie locaties, voor de begane grond en het eerste verdiepingsniveau (1,5 en 5 meter) er nauwelijks tot geen belemmering is. Op tweede verdiepingsniveau (8 meter) geldt voor de locatie Oud Roosteren 12 dat voor een klein deel van het plangebied de geluidbelasting vanwege de autosnelweg hoger is Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 26 -
Toelichting
dan de maximale ontheffingswaarde en dus een belemmering vormt. Voor Oud-Roosteren 15 en 24 geldt dit voor het volledige respectievelijk d grotendeels het plangebied. Dit houdt in dat op aangeven verdiepingshoogten geen geluidgevoelige vertrekken (in het Bouwbesluit ‘verblijfsgebieden’ genoemd) dienen te worden gerealiseerd. Ten aanzien van de Maaseikerweg/N296: voor de drie locaties geldt dat de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB en dat deze dus geen belemmering vormt. Opgemerkt wordt wel dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB in de meeste situaties wordt overschreden, zodat wel een hogere waarde procedure noodzakelijk is. Voor de locatie Oud Roosteren 24 kan de geluidbelasting vanwege de autosnelweg A2 in werkelijkheid lager zijn (gunstiger), omdat voor een correcte berekening van de geluidcontour de bestaande gebouwen op de beschouwde drie locaties niet zijn gemodelleerd, maar de overige gebouwen in de omgeving wel. Resumerend kan worden aangegeven dat het binnen de kaders van de Wet geluidhinder mogelijk is om nieuwe wooneenheden te realiseren op de drie beschouwde locaties. De mogelijkheden variëren per locatie, geluidbron en bouwlaag. Wel mag worden aangenomen dat meestal een hogere waarde procedure dient te worden gevolgd. Dat hoeft echter geen belemmering te vormen.
3.2.4 Geur In ruimtelijke plannen dient bij het realiseren van geurgevoelige functies te worden bepaald of eventuele geurhinder vanwege bestaande bedrijfsactiviteiten geen belemmering vormen voor de geurgevoelige functie(s); ook andersom geredeneerd mogen de nieuwe geurhindergevoelige functies geen belemmering vormen voor de reeds gevestigde bedrijvigheid met geurbron(nen). Plangebied In het plangebied zijn vier agrarische bedrijven gelegen, waarvan één een intensieve veehouderij betreft (gelegen op het adres Oud Roosteren 15). Deze intensieve veehouderij is in het geldende bestemmingsplan ook planologisch geregeld. Het bedrijf levert een bepaalde geurhinder op voor de omgeving, maar heeft een rechtsgeldige milieuvergunning. In het voorliggende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om (onder meer) de intensieve veehouderij te saneren, waardoor de geurhinder hiervan komt te vervallen. Deze bedrijfslocatie kan met toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid worden herbestemd ten behoeve van een woonfunctie. De overige agrarische bedrijven zijn akkerbouwbedrijven die geen geurhinder opleveren voor de omgeving. 3.2.5 Kabels en leidingen Zowel ondergronds als bovengronds kunnen leidingen en/of verbindingen aanwezig zijn die een bepaalde bescherming genieten.
Het betreft uitsluitend leidingen van dien aard en omvang dat deze een ruimtebeslag nodig hebben en derhalve planologisch dienen te worden geregeld in het bestemmingsplan. Plangebied In het plangebied zijn geen verbindingen (zoals hoogspanningslijnen of straalverbindingen) aanwezig. Wél zijn ondergronds de navolgende relevante leidingen met bijbehorende beschermingszones gelegen: - een hogedruk gasleiding van Gasunie (beschermingszone 2 x 4 meter); - een brandstofleiding van Petrochemical Pipeline Services BV (beschermingszone 2 x 5 meter).
Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 27 -
Toelichting
Deze leidingen zijn op de verbeelding opgenomen en zijn voorzien van de aangegeven beschermingszones (geldend aan weerszijden d vanuit het hart van de leiding). In de regels is door middel van de dubbelbestemming ‘Leiding – Ondergronds’ een beschermende juridische regeling opgenomen, waarbij binnen de beschermingszone een bouwverbod geldt voor bouwwerken die niet gerelateerd zijn aan het beheer en het onderhoud van de leidingen. Hiermee is het beheer en onderhoud van deze leidingen juridisch zeker gesteld. 3.2.6 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven.
Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van 10¯6/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Die veiligheidsafstanden bestaan meestal uit een bebouwingsvrije zone plaatsgebonden risico) en een zone waarin de bevolkingsdichtheid rond de risicovolle activiteit moet worden onderzocht (groepsrisico). Door deze afstandseisen vast te leggen in het bestemmingsplan, kunnen nieuwe risicovolle ontwikkelingen worden voorkomen. Wet- en regelgeving Transport van gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater geldt de Wet basisnet. Deze bestaat uit drie onderdelen: spoor, weg en water.
Het doel van het Basisnet is een duurzaam evenwicht tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, het gebruik van de ruimte langs het Basisnet en een maatschappelijk aanvaardbaar veiligheidsniveau in de nabijheid van het Basisnet. Daarnaast is de Regeling basisnet van kracht, waarin risicoplafonds voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten nu voldoen aan het Besluit externe veiligheid transport (Bevt). Tevens zijn bouwkundige voorschriften ingevoerd voor nieuwbouw in zogeheten PlasbrandAandachtsgebieden (PAG). Externe veiligheid buisleidingen Ten aanzien van buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). In dit besluit met bijbehorende regeling worden in lijn met het Bevi normen gesteld aan het PR en het GR voor buisleidingen. Externe veiligheid risicovolle bedrijven/inrichtingen Bij de beoordeling van de risico's voor de externe veiligheid worden de normen voor het PR en GR gehanteerd, zoals vastgelegd in het Besluit externe veiligheid voor inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). Bij de besluitvorming dient het bevoegd gezag een verandering van het GR te verantwoorden.
Het gebied waarbinnen de verantwoordingsplicht van toepassing is voor categoriale inrichtingen is wettelijk vastgelegd in het Revi. In de nabijheid van het onderhavige plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die op het gebied van externe veiligheid een risico vormen. Dit aspect blijft bij het vervolg van deze paragraaf derhalve buiten beschouwing. Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 28 -
Toelichting
Beleidsvisie Externe Veiligheid gemeente Echt-Susteren In december 2012 is de Beleidsvisie Externe Veiligheid Echt-Susteren, verder Beleidsvisie, d vastgesteld. Er zijn daarbij vijf zones aangegeven die planologisch-juridisch van belang zijn: 1. De veiligheidszone De zone waarbinnen het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6. Daarbinnen is het wettelijk verboden om kwetsbare objecten te vestigen. Beperkt kwetsbare objecten vergen een voor beroep vatbare afweging. 2. Het plasbrandaandachtsgebied Dit gebied geldt langs aangewezen routes (weg, spoor, eventueel water). Binnen het plasbrandaandachtsgebied kunnen door middel van een omgevingsvergunning eisen worden gesteld aan constructie en gevels. Nieuwbouw in het plasbrandaandachtsgebied vergt een voor beroep vatbare verantwoording. 3. De 100%-letaliteitszone Het gebied waar ook mensen die in gebouwen verblijven slachtoffer kunnen worden van een ongeval. De aanwezigheidsdichtheid in dit gebied bepaalt in de regel volledig de hoogte van het groepsrisico. 4. De 200 meter-zone De zone waarbinnen ruimtelijke beperkingen gesteld kunnen worden uit oogpunt van externe veiligheid. Daarbuiten is dat juridisch niet meer mogelijk. Ontwikkelingen buiten de 200 m zone hebben in de regel geen of een zeer kleine invloed op het groepsrisico. 5.
Het invloedsgebied De zone waarbinnen mensen nog kunnen overlijden door een ongeval met een gevaarlijke stof. Wanneer een plangebied overlapt met een invloedsgebied dient het bevoegd gezag het groepsrisico te verantwoorden. In deze Beleidsvisie is voorts een aantal richtsnoeren vastgelegd dat een wezenlijke invulling vormt van de beleidsruimte voor de verantwoording groepsrisico. Door toepassing van de richtsnoeren wordt het groepsrisico zo beperkt mogelijk gehouden en wordt rekening gehouden met het te verantwoorden aspect zelfredzaamheid. Wanneer de richtsnoeren van de beleidsvisie vertaald worden naar onderhavige ontwikkeling dan betekent dat het volgende: 1. Hoge dichtheden zo ver mogelijk van de buisleiding af projecteren, of vanaf minimaal op 200 meter afstand hiervan. 2. Bouwobjecten bedoeld voor minder zelfredzame personen buiten het invloedsgebied, op 560 meter afstand van de buisleidingen, projecteren; 3. Bouwobjecten bedoeld voor minder zelfredzame personen vanaf minimaal 200 meter projecteren; 4. Goede verkeerskundige ontsluiting voor de hulpdiensten en aandacht voor vluchtroutes van de risicobron af, in ieder geval binnen 200 meter afstand van de buisleiding; 5. Bluswatervoorzieningen geborgd in het plan. De richtsnoeren worden bij een nieuwe ontwikkeling in oplopende volgorde afgewogen.
Indien richtsnoer 1 niet mogelijk is kan men gemotiveerd afwijken naar richtsnoer 2 en zo verder. Bij een calamiteit met een buisleiding wordt de hittestraling zo groot dat mensen, ook in gebouwen, tot op een afstand van 200 meter hieraan kunnen overlijden. Onderzoek Lievense WSP, ‘beoordeling externe veiligheid Oud Roosteren SLM010951.NOT002.RL_v1, d.d. 21.08.2020 (separate bijlage 3a).
Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 29 -
15,
rapportnummer
Toelichting
Op de locatie bevindt zich in de huidige situatie een intensieve veehouderijbedrijf en een bedrijfswoning. In de toekomstige situatie kunnen er op de locatie maximaal vijf burgerwoningen d aanwezig zijn waarbij het intensieve veehouderijbedrijf komt te vervallen. Op basis van 2,4 personen per woning betekent dit een toevoeging van ca. 10 personen. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele werknemers van het veehouderijbedrijf die in de toekomst niet meer op de locatie aanwezig zijn. Dit leidt niet tot een significante toename van de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de omliggende risicobronnen. De burgerwoningen zijn niet specifiek bedoeld voor bewoning door beperkt zelfredzame personen. Plangebied Ten aanzien van de genoemde onderdelen op het gebied van externe veiligheid zijn voor het plangebied de volgende risicobronnen relevant: 1. Basisnetroute A2 Afrit 45 (Echt) - Afrit 47 (Born); 2. Provinciale weg N296 Susteren - Maaseik België; 3. Basisnetroute Maascorridor Julianakanaal; 4. Hogedruk aardgastransportleiding Gasunie Z-540-01; 5. K1 leiding Petrochemical Pipeline Services B.V. PRB Leiding. Onderstaand zijn de minimale afstanden van genoemde bronnen tot de plangrens weergegeven. Tevens is per bron de breedte van de vijf genoemde zones uit de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente vermeld.
Bron: Lievense
Geen van de plaatsgebonden risicocontouren PR-10-6 (zone 1) van de genoemde bronnen overlapt de locatie. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het realiseren van een kwetsbaar object op deze locatie. Een aantal veiligheidszones overlapt het plangebied wél (rood gemarkeerd). In het geval dat zone 3 (100%-letaliteit) het plangebied overlapt, dient er bijzondere aandacht geschonken te worden aan een goede verkeerskundige ontsluiting, vluchtroutes van deze bronnen af en borging van bluswatervoorzieningen. De 200 meter-zones van alle genoemde bronnen overlappen het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling geeft geen aanleiding om binnen deze zone ruimtelijke beperkingen te stellen. Zone 5 (invloedsgebied) van alle genoemde bronnen overlapt het plangebied. Het bevoegd gezag dient voor deze bronnen het groepsrisico te verantwoorden. Bij de bestuurlijke afweging is het groepsrisico een instrument dat gebruikt wordt om te verantwoorden of de ruimtelijke ontwikkeling gewenst is, ongeacht de kans op een ramp als gevolg van de risicobronnen in de omgeving. Het gaat hier niet om de bescherming van de individuele burger, doch om het tolereren van een ramprisico op grond van afwegingen over het belang van ruimtelijke activiteiten naast andere afwegingen. De ruimtelijke activiteiten introduceren de mogelijkheid van een ramp of veranderen de omvang en of kans van de ramp.
Het groepsrisico wordt bepaald door het aantal dodelijke slachtoffers te berekenen dat in één keer kan vallen door een ongeluk met een gevaarlijke stof. Uit de rapportage van project 122180 van Adviesgroep AVIV Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 30 -
Toelichting
BV1 blijkt dat voor alle in deze paragraaf genoemde risicobronnen het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriënterende waarde. Gezien de toename van maximaal 10 personen wordt het huidige d groepsrisico nauwelijks of niet beïnvloed. Richtsnoeren Er is binnen het plangebied in de toekomstige situatie geen sprake van hoge concentraties van personen en evenmin van beperkt zelfredzame personen. Hiermee wordt voldaan aan de richtsnoeren 1, 2 en 3. De richtsnoeren 4 en 5 krijgen extra nadruk bij de ligging van het plangebied binnen zone 2 en 3. In Tabel 4-1 is af te lezen dat zone 3 van de A2 en van de aardgasleiding het plangebied overlappen. Verantwoording groepsrisico Met betrekking tot de transportroutes A2, N296 en het Julianakanaal geldt dat het plangebied is gelegen binnen 200 meter van deze routes. Tevens is de locatie gelegen binnen het invloedsgebied van deze routes. Op grond van Artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op deze routes. Daarnaast dient ingegaan te worden op de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen. Op grond van Artikel 8 is verdere verantwoording voor deze routes niet aan de orde aangezien het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (lid 2 onder a).
In hoofdstuk 5 van de onderzoekrapport is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Verwezen wordt naar de rapportage. Op grond van het wettelijk kader en de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente EchtSusteren vormt externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Lievense WSP, ‘beoordeling externe veiligheid Oud Roosteren SLM010951.NOT002.RL_v1, d.d. 02.09.2020 (separate bijlage 3b);
24,
rapportnummer
Voor de locatie Oud Roosteren 24 wordt de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. De bestaande bedrijfswoning wordt een burgerwoning. Ter plekke van het grootste bedrijfsgebouw op dit erf wordt tevens een aparte uitwerkingsplicht opgenomen die ruimte biedt om maximaal vier woningen toe te voegen. Daarmee kunnen op deze locatie dus in totaal maximaal vijf burgerwoningen aanwezig zijn. Plangebied Ten aanzien van de genoemde onderdelen op het gebied van externe veiligheid zijn voor het plangebied de volgende risicobronnen relevant: 1. Basisnetroute A2 Afrit 45 (Echt) - Afrit 47 (Born); 2. Provinciale weg N296 Susteren - Maaseik België; 3. Basisnetroute Maascorridor Julianakanaal; 4. Hogedruk aardgastransportleiding Gasunie Z-540-01; 5. K1 leiding Petrochemical Pipeline Services B.V. PRB Leiding. Onderstaand zijn de minimale afstanden van genoemde bronnen tot de plangrens weergegeven. Tevens is per bron de breedte van de vijf genoemde zones uit de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente vermeld:
Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 31 -
Toelichting
d
Bron: Lievense
Geen van de plaatsgebonden risicocontouren PR-10-6 (zone 1) van de genoemde bronnen overlapt de locatie. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het realiseren van een kwetsbaar object op deze locatie. Een aantal veiligheidszones overlapt het plangebied (rood gemarkeerd). In het geval dat zone 3 (100%-letaliteit) het plangebied overlapt, dient er bijzondere aandacht geschonken te worden aan een goede verkeerskundige ontsluiting, vluchtroutes van deze bronnen af en borging van bluswatervoorzieningen. De 200 meter-zone van nagenoeg alle genoemde bronnen overlappen het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling geeft geen aanleiding om binnen deze zone ruimtelijke beperkingen te stellen. Zone 5 (invloedsgebied) van nagenoeg alle genoemde bronnen overlappen het plangebied. Het bevoegd gezag dient voor deze bronnen het groepsrisico te verantwoorden. Bij de bestuurlijke afweging is het groepsrisico een instrument dat gebruikt wordt om te verantwoorden of de ruimtelijke ontwikkeling gewenst is, ongeacht de kans op een ramp als gevolg van de risicobronnen in de omgeving. Het gaat hier niet om de bescherming van de individuele burger, doch om het tolereren van een ramprisico op grond van afwegingen over het belang van ruimtelijke activiteiten naast andere afwegingen.
De ruimtelijke activiteiten introduceren de mogelijkheid van een ramp of veranderen de omvang en of kans van de ramp. Het groepsrisico wordt bepaald door het aantal dodelijke slachtoffers te berekenen dat in één keer kan vallen door een ongeluk met een gevaarlijke stof. Richtsnoeren Er is binnen de locatie in de toekomstige situatie geen sprake van hoge concentraties van personen en evenmin van beperkt zelfredzame personen. Hiermee wordt voldaan aan de richtsnoeren 1, 2 en 3. De richtsnoeren 4 en 5 krijgen extra nadruk bij de ligging van het plangebied binnen zone 2 en 3. In Tabel 4-1 is af te lezen dat zone 3 van de provinciale weg N296 het plangebied overlapt. Uit de rapportage van project 122180 van Adviesgroep AVIV BV1 blijkt dat voor alle in deze paragraaf genoemde risicobronnen het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriënterende waarde. Gezien de toename van maximaal 10 personen wordt het huidige groepsrisico nauwelijks of niet beïnvloed. Verantwoording groepsrisico Met betrekking tot de transportroutes A2 en N296 geldt dat het plangebied is gelegen binnen 200 meter van deze routes. Tevens is de locatie gelegen binnen het invloedsgebied van deze routes en het Julianakanaal Op grond van Artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op deze routes.
Daarnaast dient ingegaan te worden op de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen. Op grond van Artikel 8 is verdere verantwoording voor deze routes niet aan de orde aangezien het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (lid 2 onder a). In hoofdstuk 5 van de onderzoekrapport is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Verwezen wordt naar de rapportage.
Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 32 -
Toelichting
Op grond van het wettelijk kader en de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente EchtSusteren vormt externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. d 3.2.7 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) is titel 2 Luchtkwaliteitseisen opgenomen (ook ‘Wet luchtkwaliteit’ genoemd). Gelijktijdig gelden de volgende besluiten en regelingen: Besluit gevoelige bestemmingen, Besluit ‘Niet in betekenende mate’ en Regeling ‘Niet in betekenende mate’. Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. Huidige jaargemiddelde concentraties: NSL-Monitoringstool Uit de monitoringstool van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, Atlas voor de Leefomgeving) volgt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied (veel) lager liggen dan de grenswaarden die voor deze stoffen zijn vastgesteld (voor beide 40 µg/m³). De NO2-concentratie bedraagt 20-25 µg/m³ voor het grootste deel van het plangebied, alleen aan de rand (zijde A2) bedraagt deze 25-30 µg/m³. De PM10-concentratie bedraagt 20-25 µg/m³. Deze concentraties liggen beneden de grenswaarden.
Hiermee kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor wat betreft de actuele luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied. Besluit gevoelige bestemmingen Conform artikel 5.16a van de ‘Wet luchtkwaliteit’ kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur nog nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarde(n) projecten doorgang vinden die er toe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. Dit Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde ‘gevoelige bestemmingen’. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. Omdat geen van deze functies wordt gerealiseerd met behulp van dit bestemmingsplan is dit besluit derhalve niet van toepassing. Niet in betekenende mate (NIBM) In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Concreet houdt dit in dat bijvoorbeeld ontwikkelingen kleiner dan of gelijk aan 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Plangebied In het plangebied wordt de herbestemming van drie agrarische bedrijven mogelijk gemaakt ten faveure van negen nieuwe woningen. Omdat dit aantal past binnen de bandbreedte van het Besluit NIBM (1.500 resp. 3.000 woningen) kan worden vastgesteld dat dit plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
3.3 Waterparagraaf De watertoets is een procesinstrument dat als doel heeft te komen tot een betere inbreng van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De kern bestaat uit een set van procedureBestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 33 -
Toelichting
afspraken, vormvereisten en inhoudelijke aandachtspunten en wordt toegepast binnen de bestaande procedures en regelgeving. Voordinitiatiefnemers van ruimtelijke plannen en besluiten, met name gemeenten en waterschappen, is het van belang om te weten dat de provincie toeziet of in ruimtelijke plannen en besluiten aan de watertoets gevolg wordt en is gegeven. De watertoets is van toepassing op bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen (grotere projecten). De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dient in principe de watertoets uit te voeren en de uitkomsten daarvan aan te geven in een waterparagraaf. De waterhuishoudkundige aspecten omvatten onder meer veiligheid voor water, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging. Waterbeheerplan Waterschap Limburg De gemeente Echt-Susteren valt in de zin van wateraangelegenheden binnen de Keur van het Waterschap Limburg. Het Waterschap is de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder en de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen. Met het Waterbeheerplan 2016-2021 zet het waterschap de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg en geeft zij aan hoe zij invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het plan is vastgelegd hoe men het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden.
Ook staat hierin welke bijdrage de waterschappen leveren aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor het voorliggende plangebied kent het Waterbeheerplan geen specifieke uitgangspunten. Legger en Keur Waterschap Limburg Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving (en de bijbehorende legger als kaart, bijgewerkt tot maart 2019). Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van deze Keur. De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Het waterschap levert deze gegevens aan de gemeente, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhoud- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen. Voor het voorliggende plangebied kent de Keur een beschermingszone voor de Geleenbeek.
Deze is op de verbeelding weergegeven en in de regels voorzien van een beschermende regeling. Daarnaast kent de waterkering ook een buitenbeschermingszone, die grenst aan de beschermingszone en een lichte bescherming biedt voor de waterkering volgens de keur, maar voldoende is om aanvullende eisen aan ontgrondingen te stellen. Deze buitenbeschermingszone wordt niet planologisch verankerd. Gemeentelijk Waterplan De gemeente Echt-Susteren wil, in samenwerking met Waterschap Limburg en het Waterschapsbedrijf Limburg, het watersysteem en de waterketen op orde hebben en houden. Hiervoor heeft de gemeente een waterplan opgesteld. Het doel van het waterplan is het vastleggen van de gemeenschappelijke lange termijnvisie van de gemeente Echt-Susteren, waterschap en overige waterpartners. De visie omvat alle wateraspecten binnen de gemeente en dient te worden uitgewerkt naar een concreet en pragmatisch uitvoeringsprogramma. Plangebied Conform het stroomschema van het Waterschap Limburg dienen ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen met een toename van 2.000 m² of meer aan bebouwing of verharding te worden ingediend bij het Watertoetsloket.
Ten aanzien van het voorliggende bestemmingsplan kan worden aangegeven dat er als gevolg van dit plan, voor zover het nieuwe ontwikkelingen betreft, qua bebouwing weinig toename van bebouwing en verharding plaatsvindt (in elk geval minder dan 2.000 m²) omdat de woningen hoofdzakelijk in bestaande gebouwen worden gerealiseerd. Het doorlopen van de watertoets is derhalve niet noodzakelijk. Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 34 -
Toelichting
Waterhuishouding De onderstaande onderwerpen hebben met name betrekking op de locaties waar nieuwe d ontwikkelingen plaatsvinden. De gebouwlijke ontwikkelingen zijn beperkt: er worden acht woningen gerealiseerd waarvan zeven in bestaande bebouwing. Voor één woning wordt nieuwbouw gepleegd. Grondwater Het plangebied ligt niet in een grondwaterwingebied. Wel ligt het plangebied binnen het freatisch grondwaterbeschermingsgebied ‘Roosteren’. Hierop wordt bij de bouwactiviteiten geen invloed uitgeoefend. Daarnaast ligt het plangebied binnen de Boringsvrije zone Roerdalslenk II. Ter plaatse zijn boringen (en het roeren van grond) dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden. Boringen dieper dan 30 meter dienen te worden gemeld (op basis van regelgeving in de Omgevingsverordening Limburg). Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de toekomst bestaat er ook geen intentie dit aan te leggen. In de directe omgeving zijn het Julianakanaal (ten westen van het plangebied, aan de overzijde van de A2) en de Geleenbeek (aan de oostzijde) gelegen. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Evenmin is het gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien.
Middels dit initiatief wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op watergerelateerde ecosystemen. Afvalwater Het afvalwater zal worden aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering in de directe omgeving. Hemelwater Het plangebied is altijd grotendeels verhard geweest als gevolg van de huidige agrarische bedrijfsvoering. De beoogde ontwikkeling zal naar verwachting tot een beperkte toename van de totale hoeveelheid verhard oppervlak leiden. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg dienen de nog nader te bepalen infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt. Daarnaast mag een bui die eens in de 100 jaar voorkomt geen overlast voor derden veroorzaken. De opvangcapaciteit dient volgens de meest recente richtlijnen 100 mm per 24 uur per m² verharding en bebouwing te zijn. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen.
3.4 Natuur Vanuit Europa is de bescherming van soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/33/EEG) hebben de bescherming van soorten en hun natuurlijke habitats tot doel. Elke lidstaat is verplicht speciale beschermingszones aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: ‘Natura 2000’. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet heeft drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Conform deze wet bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied en zorgen zij voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren. Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 35 -
Toelichting
Plangebied Soortenbescherming d Om te kunnen bepalen of er in een bepaald plangebied (habitats van) beschermde plant- en diersoorten aanwezig zijn wordt, voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Mocht uit deze quickscan blijken dat er geen (habitats van) beschermde floraen fauna aanwezig zijn dan is daarmee aan de onderzoeksplicht voldaan. Is er naar aanleiding van deze quickscan wel sprake van aanwezigheid of vermoeden van voorkomen van (habitats van) beschermde plan- en diersoorten dan dient in veel gevallen een vervolgonderzoek hierover meer duidelijkheid te verschaffen. Voor de drie (al dan niet op termijn) te ontwikkelen locaties (Oud Roosteren 12, 15 en 24) is een quickscan ecologische waarden uitgevoerd. Ecolybrium, ‘Quickscan Ecologische Waarden Oud Roosteren 12, 15 en 24 te Oud Roosteren, rappoortnummer 19-557, d.d. 29.05.2020 (separate bijlage 4). De conclusies van de quickscan natuurwaarden zijn als volgt: - ter plaatse van het plangebied komen (en kunnen) meerdere soorten broedvogels voor(komen) met jaarrond beschermde nesten. In elk geval is het aanwezig zijn van huismus en boerenzwaluw vastgesteld. Mogelijk dat ook steenuil en/of kerkuil en/of gierzwaluw en of huiszwaluw gebruik maken van de locatie als verblijfplaats (broedplek). Effecten zijn dan ook op voorhand niet uit te sluiten.
Om een gedegen toetsing te kunnen doen aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk dat er onderzocht wordt in hoeverre bovengenoemde soorten gebruik maken van het gebied en de bebouwing. - de bebouwing kan als vaste rust- en verblijfplaats dienstdoen voor vleermuizen. Nader onderzoek naar de functies van de gebouwen voor vleermuizen is dan ook noodzakelijk. - de drie percelen vormen voorts geen primair jachtgebied of een essentiële vliegroute (of een onderdeel ervan) voor vleermuizen. Effecten op deze functies treden daarmee dan ook niet op. - de locaties maken onderdeel uit van het verspreidingsgebied van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) en kan tevens leefgebied zijn voor steenmarters. Om erachter te komen of de voorgenomen ingrepen effecten hebben op deze soorten/soortgroep is nader onderzoek noodzakelijk. - er groeien op het terrein nergens beschermde en/of bijzondere planten. Er zijn geen optimaal groeiomstandigheden ontwikkeld. Effecten op beschermde soorten planten treden dan ook in het geheel niet op. Op de locatie kunnen diverse muurplanten groeien. Indien deze aanwezig zijn moet beoordeeld worden of de vernietiging ervan afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de populatie. Resumerend zijn de conclusies in de navolgende tabel opgenomen alsmede de noodzakelijke vervolgstappen in onderzoek:
Bron: Ecolybrium Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 36 -
Toelichting
Resumerend kan worden aangegeven dat in het kader van de Wet natuurbescherming er mogelijk knelpunten zijn in relatie tot het overtredendvan verbodsbepalingen. Nader soortgericht onderzoek op de locaties wordt noodzakelijk geacht voor broedvogels (jaarrond beschermde nesten, vleermuizen, kleine marterachtigen en een beeld op de aanwezigheid van muurplanten). Gebiedsbescherming NNN-gebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een gebied dat aangewezen is in het kader van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Voor het Limburgse grondgebied betekent dit dat het plangebied niet is gelegen in of nabij een goudgroene of zilvergroene natuurzone zoals aangegeven in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg. Vanuit het NNN-netwerk zijn er derhalve geen belemmeringen voor het plan. Natura2000-gebieden Op een afstand van circa 1.400 meter is het Natura2000-gebied ‘Grensmaas’ gelegen. De Grensmaas, die in Limburg tussen Wessem en Maastricht de grens met België vormt, heeft het karakter van een heuvellandrivier. Anders dan het weidse landschap met brede uiterwaarden van andere grote rivieren in Nederland wordt het landschap van de Grensmaas gekenmerkt door een smalle, diep ingesneden bedding, die als het ware bekneld ligt tussen hogere gronden van oudere oorsprong.
De sterk meanderende en betrekkelijk ondiepe rivierloop is mede door de aanwezigheid van zand- en grindbanken onbevaarbaar; voor de scheepvaart is ten oosten van de Grensmaas het Julianakanaal gegraven. Ten zuiden van Wessem, waar de Maas het laagland binnentreedt en uiterwaarden vormt, bevinden zich als resultante van vroegere ontgrondingen ten behoeve van klei- en grindwinning enkele moerasgebieden (waaronder Koningssteen) die deel uitmaken van het Natura2000-gebied. In het Grensmaasgebied vindt op grote schaal natuurontwikkeling plaats in het kader van het gelijknamige Grensmaasproject, dat naast de vorming van nieuwe natuur ook hoogwaterbestrijding en grindwinning beoogt. Na voltooiing van de werkzaamheden kan hier een gevarieerd landschap ontstaan met voedselrijke plassen, ruigten, graslanden en rivierbossen. Daarnaast is op 5,8 kilometer afstand het N2000-gebied ‘Abdij Lilbosch & voormalig klooster Maria Hoop’ gelegen. De Abdij Lilbosch is gelegen te midden van landbouwgronden en een broekbos, het Haeselaarsbroek. Het voormalig klooster Mariahoop ligt hemelsbreed ongeveer 4 km oostelijk van de Abdij Lilbosch. Rondom het gebouwencomplex liggen enkele boscomplexen en landbouwgronden. De zolders van de abdij en het gebouw herbergen kraamkolonies van de ingekorven vleermuis.
Stikstofdepositieonderzoek Het doel van een stikstofdepositie-onderzoek is het beoordelen of de toekomstige activiteiten die mogelijk worden gemaakt op basis van de planologische situatie mogelijk significante gevolgen hebben op kwalificerende natuurwaarden in de voornoemde, nabijgelegen Natura2000-gebieden én of het op basis van de stikstofdepositie noodzakelijk is een passende beoordeling op te stellen. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de programmatische aanpak stikstof (PAS). Het plan wordt getoetst conform de aanbevelingen in de “Handreiking passende beoordeling stikstofaspecten bestemmingsplannen”. Lievense WSP, ‘Onderzoek stikstofdepositieberekening’, NOT001.NG.NP, d.d. 13.08.2020 (separate bijlage 5).
rapportnummer
SLM010951.
Omdat de locaties Oud Roosteren 15 en 24 binnen afzienbare tijd kunnen worden herontwikkeld is het noodzakelijk een stikstofdepositieonderzoek uit te voeren. Het doel van voorliggend onderzoek is het beoordelen of de activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, significante gevolgen kunnen hebben op kwalificerende natuurwaarden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden én of het op basis van de stikstofdepositie noodzakelijk is een passende beoordeling op te stellen op basis van de Wet natuurbescherming. Bestemmingsplan Oud Roosteren Gemeente Echt-Susteren
- pagina 37 -
Toelichting
Voor de bouwfase is bepaald dat een emissie als gevolg van deze bouwfase van maximaal 288 kg NOx op jaarbasis niet leidt tot een toename d van de depositie op nabij gelegen Natura 2000gebieden of anders gezegd een emissie als gevolg van de bouwfase van maximaal 288 kg NOx op jaarbasis levert geen depositieresultaten op boven 0,00 mol/ha/jaar. Om tot deze maximale emissie te komen is in de berekeningen uitgegaan van bepaalde uitgangspunten omtrent bouwverkeer en machinegebruik (zie rapportage). Op basis van de ervaring van het bureau in soortgelijke projecten wordt geoordeeld dat de bouw van acht nieuwbouwwoningen, zelfs al zouden ze allemaal gelijktijdig en in hetzelfde jaar worden gebouwd, goed uitvoerbaar is binnen de hierboven genoemde maximale emissie en bijhorende uitgangspunten. Omdat het plangebied nabij de grens met België is gesitueerd, zijn aanvullende berekeningen uitgevoerd om na te gaan of er sprake is van significante effecten als gevolg van stikstofdepositie in de Belgische natuurgebieden. Meest nabijgelegen gebieden zijn Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek, Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof en Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schootsheide en Bergerven. Met betrekking tot de emissie is uitgegaan van de hierboven omschreven maximaal toegestane emissie voor de bouwfase (288 kg NOx op jaarbasis).