CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Commissie Omgeving 14 oktober 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug'28.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Plaatsgebonden overstromingskans > 200 cm | Norm 2050 (Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO), 2022 (Klimaateffectatlas))

In de volgende afbeelding wordt de overstromingsdiepte met een grote kans weergegeven.

56

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Overstromingsdiepte met een grote kans (LIWO / Richtlijn Overstromingsrisico's, 2021 (Klimaateffectatlas))

Het nieuwe ontwerp heeft geen negatieve gevolgen voor de overstromingskans. De Pater Sangersbrug wordt enkel verplaatst. Het brugontwerp (zie Hoofdstuk 2) toont aan dat het doorstroomprofiel van de Maas toeneemt. Er is namelijk één steunpilaar minder, hierdoor zou de overstromingskans (minimaal) kunnen afnemen. Er zijn geen maatregelen nodig op dit vlak. Het is wel belangrijk om alert te blijven op de grote kans op overstromingen in de nabije omgeving. Droogte De volgende afbeelding toont aan dat het risico op droogtestress en daarbij opbrengstderving laag is binnen het wijzigingsgebied.

57

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld) Risico droogtestress (KWR Water, 2017 (Klimaateffectatlas))

De volgende afbeelding toont aan dat er geen grondwaterafhankelijke natuur binnen het wijzigingsgebied ligt.

Droogtegevoeligheid Grondwaterafhankelijke Natuur (KWR & FWE, 2021 (Klimaateffectatlas))

Uit voorstaande blijkt dat het wijzigingsgebied niet droogtegevoelig is. Daarnaast zal het verplaatsen en herbouwen van de brug geen negatieve gevolgen hebben op het gebied van droogte. Op dit vlak zijn er geen maatregelen noodzakelijk. Hitte In deze paragraaf wordt hitte als aanvullend onderdeel opgenomen, zodat alle traditionele DPRA-thema's (wateroverlast, overstroming, droogte en hitte) behandeld worden. De volgende afbeelding toont een hittekaart met de gevoelstemperatuur binnen het wijzigingsgebied, hieruit volgt dat het wijzigingsgebied relatief koel is op een warme zomerdag. Dit is te verklaren door het open en groene karakter nabij de Maas. Daarnaast vallen de bomen in het midden van het wijzigingsgebied op, hier ligt de gevoelstemperatuur circa 8 graden lager. Deze bomen blijven in stand bij de aanleg van de nieuw brug dus dit zorgt niet voor negatieve gevolgen.

58

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hittekaart Gevoelstemperatuur | Huidig klimaat (Witteveen + Bos, 2021 (Klimaateffectatlas))

Het nieuwe ontwerp heeft geen negatieve gevolgen op het gebied van hitte. De nieuwe Pater Sangersbrug zal leiden tot andere verkeersstromen, daarbij zullen er ook recreatieve fiets- en voetvoorzieningen geoptimaliseerd worden. Het beperken van hittestress op deze routes is van belang. Het open en groene karakter van de omgeving zorgt er echter voor dat er geen extra maatregelen worden getroffen. Relatie met het omgevingsplan De nieuwe Pater Sangersbrug is getoetst op de vier DPRA-thema's. De gevolgen van wateroverlast en inpassing hiervan wordt beschreven in de weging van het waterbelang. Het wijzigingsgebied is overstromingsgevoelig, maar het ontwerp geeft geen nieuwe risico's op dit vlak, er is geen optimalisatie noodzakelijk. Het blijft wel een aandachtspunt in deze regio. Het wijzigingsgebied is niet droogtegevoelig, daarbij zorgt het nieuwe ontwerp ook niet voor een verslechtering. Op dit vlak is eveneens geen optimalisatie noodzakelijk. Het wijzigingsgebied is relatief koel door het open en groene karakter, het nieuwe ontwerp brengt geen negatieve gevolgen mee, waardoor geen optimalisatie noodzakelijk is. De toetsing toont aan dat het nieuwe ontwerp geen negatieve klimaateffecten met zich meebrengt.

6.5

Verkeer

In het belang van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving moet er sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Daarbij worden alle verkeerskundige aspecten afgewogen en verkeerseffecten in beeld gebracht in de vorm van een verkeerstoets (zie Bijlage 11). Netwerk De Pater Sangersbrug is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80km/u en is de verbinding tussen Maaseik en Roosteren (en de rest van Nederland). In het nieuwe ontwerp wordt vanaf de fietsoversteek ten oosten van de brug een maximumsnelheid van 60km/u ingesteld. Gezien het feit dat na de brug direct de bebouwde kom van Maaseik begint is dit een te verantwoorden keuze. De huidige Pater Sangersbrug maakt onderdeel uit van het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk en momenteel is de provincie bezig met het wijzigen van de status van deze route tot een fietssnelweg. Dit zorgt ervoor dat de nieuwe brug onderdeel uit gaat maken van het doorfietsnetwerk aan de Nederlandse kant en tevens onderdeel wordt van het toeristische netwerk van fietsknooppunten. Deze functie blijft

59

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

goed geborgd binnen het nieuwe ontwerp van de brug. Voor zowel de auto als de fiets heeft de Pater Sangersbrug dus een belangrijke functie als verbinding tussen België en Nederland. Doordat de bestaande brug opengesteld blijft gedurende de aanleg van de nieuwe brug blijft de verbinding in stand, ook tijdens de aanleg van de nieuwe brug. De verwachte hinder voor het overige verkeer is dan ook niet anders dan wanneer sprake zou zijn van reguliere bouwwerkzaamheden en daarmee acceptabel. Verkeersveiligheid Over het algemeen is het ontwerp voor de nieuwe Pater Sangersbrug een verbetering met betrekking tot de verkeersveiligheid. In de huidige situatie wordt de fietser matig beschermd tegen het gemotoriseerd verkeer. De beide modaliteiten worden alleen van elkaar gescheiden middels een trottoirband en minder dan een halve meter obstakelvrije ruimte. In het nieuwe ontwerp is meer ruimte voorzien tussen het gemotoriseerde verkeer en de fiets. Ook positief voor de verkeersveiligheid ter hoogte van de fietsoversteek is de uitbuiging van de rijbaan die voorzien is op deze locatie. Hiermee wordt een lagere snelheid afgedwongen ter hoogte van de fietsoversteek, wat de verkeersveiligheid verbetert. Op basis van het ontwerp is een aandachtspunt op het gebied van verkeersveiligheid gesignaleerd. Zo stopt het trottoir net aan de oostzijde van de nieuwe brug.

Het is echter niet wenselijk dat voetgangers hier oversteken om van het fietspad aan de noordzijde gebruik te maken of dat ze door de berm lopen tot ze het fietspad bereiken dat aan de zuidzijde van de N296 gelegen is. Geadviseerd wordt om de voorziene geleiderail tussen het voetpad en de rijbaan een stukje door te trekken om het fysiek lastiger te maken om ter plaatse over te steken of de weg te vervolgen door de berm. Voetgangers kunnen via een route onder de nieuwe brug door, de andere kant van de weg bereiken. Ontsluiting percelen Het nieuwe ontwerp borgt de ontsluiting van de verschillende percelen in de omgeving op een juiste wijze. De percelen die aan de N296 (Schansberg huisnummers 5 en 7), worden ontsloten via een toegangsweg, die het tracé van de huidige N296 voor het grootste deel volgt. De percelen van huisnummer 3 worden verworven ten behoeve van de aanleg van de nieuwe brug. De ontsluiting van deze percelen is dan ook niet meer van toepassing. Van belang is dat ook tijdens de bouwfase de percelen voor huisnummers 5 en 7 bereikbaar blijven. Dit aandachtspunt moet worden meegenomen in de fasering van de aanleg. Fietsverkeer Vanuit België komt een tweerichtingenfietspad van 4 meter breed op de brug te liggen, welke na de brug aan Nederlandse zijde naar 4,50 meter wordt verbreed.

Ter hoogte van de fietsoversteek sluit de nieuwe fietsstructuur aan op de bestaande structuur, die bestaat uit een eenrichtingsfietspad aan weerszijden van de N296. Deze fietspaden zijn 2 meter breed. De nieuw aan te leggen fietsvoorzieningen voldoen aan de inrichtingskenmerken van doorfietsroutes. De fietspaden ten oosten van het wijzigingsgebied dienen echter wel verbreed te worden om ze 'doorfietsroute-waardig' te maken. De fietsoversteek aan de Nederlandse zijde van de brug is veilig vormgegeven door de bajonetconstructie, waardoor fietsers tijdens het oversteken beter zicht hebben op het tegemoetkomende gemotoriseerd verkeer. Openbaar vervoer Buslijn 35 tussen Maaseik – Roosteren en Nieuwstadt maakt gebruik van de N296 en de Pater Sangersbrug. Deze buslijn rijdt overdag 1x per uur. De realisatie van de nieuwe brug heeft geen effect op de busdienst, gezien het feit dat de bestaande brug openblijft gedurende de bouw van de nieuwe brug. Relatie met het omgevingsplan

60

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Over het algemeen is het ontwerp van de nieuwe brug een verbetering ten opzichte van de huidige inrichting van de Pater Sangersbrug. Het betreft voornamelijk een verbetering voor de verkeersveiligheid van de fietser. Het belangrijkste advies voor het verbeteren van de verkeersveiligheid in het nieuwe ontwerp is dat de geleiderail aan de zuidzijde van de weg een stuk wordt doorgetrokken. Dit om te voorkomen dat voetgangers hier gaan oversteken of door de berm van de weg gaan lopen. Het gegeven dat de bestaande brug open blijft ten tijde van de aanleg van de nieuwe brug betekent dat de overlast voor het verkeer, zowel gemotoriseerd verkeer, de fietsers als het openbaar vervoer, gering zal zijn en niet anders dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

6.6

Externe veiligheid

Als onderdeel van onderhavig plan zijn de effecten van de nieuwbouw van de Pater Sangersbrug op externe veiligheid beoordeeld (zie Bijlage 12). Onderzoek Conform de artikelsgewijze toelichting op de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten (Beleidsregels EV) wordt aan gemeenten en provincies verzocht om bij wijziging van gemeentelijke of provinciale wegen paragraaf 2.2 van de Beleidsregels EV toe te passen. De N296 is geen basisnetroute. Over de N296 worden niet structureel gevaarlijke stoffen vervoerd. Over de N296 worden wel incidenteel gevaarlijke stoffen vervoerd. Beoordeling plaatsgebonden risico (PR) Conform artikel 1, lid 1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) wordt onder PR verstaan: risico op een plaats langs, op of boven een transportroute, uitgedrukt in een waarde voor de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die transportroute waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. De omvang van het PR is afhankelijk van: de ligging van de referentiepunten van de weg (Conform artikel 14, lid 4 van de Wvgs zijn de referentiepunten van de weg op de middenberm van de weg gelegen); de aard en omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; de ongevalsfrequentie van de weg.

Omdat er over de N296 niet structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd, heeft de weg geen PR 10-6 contour in de huidige situatie. Ook na de vervanging van de Pater Sangersbrug worden over de N296 niet structureel gevaarlijke stoffen vervoerd. Door het vervangen van de Pater Sangersbrug verandert de aard en omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen niet. De ongevalsfrequentie verandert niet, omdat het wegtype niet verandert. In de situatie na de vervanging van de Pater Sangersbrug heeft de N296 ook geen PR 10-6 contour. Het antwoord op de vraag of de ligging van de referentiepunten van de N296 verandert, is hierdoor niet meer relevant. Beoordeling groepsrisico (GR) Voor de N296 wordt onder GR verstaan: cumulatieve kansen per jaar per kilometer transportroute dat tien of meer personen in het invloedsgebied van een transportroute overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die transportroute waarbij één of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken. De omvang van het GR is afhankelijk van: de ligging van het midden van de weg; de aard en omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; de ongevalsfrequentie van de weg; de omvang en locatie van de bevolking.

61

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Omdat er over de N296 niet structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is er geen sprake van GR in de huidige situatie. Ook na de vervanging van de Pater Sangersbrug over de N296 niet structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Door het vervangen van de Pater Sangersbrug verandert de aard en omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen niet. De ongevalsfrequentie verandert niet, omdat het wegtype niet verandert. Ook de omvang en locatie van de bevolking verandert niet. In de situatie na de vervanging van de Pater Sangersbrug is er ook geen sprake van GR. Relatie met het omgevingsplan De nieuwbouw van de Pater Sangersbrug heeft geen effecten op externe veiligheid. Zowel in de huidige situatie als in de situatie na nieuwbouw van de Pater Sangersbrug heeft de weg geen PR 10-6 contour en is er geen sprake van groepsrisico.

6.7

Bodem

6.7.1

Milieuhygiënisch waterbodemonderzoek

Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend milieuhygiënisch waterbodemonderzoek inclusief vooronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 13). Het doel van het uitvoeren van het milieuhygiënisch waterbodemonderzoek is meerledig, te weten: het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit en hergebruiksmogelijkheden van de (vrijkomende) waterbodem; bepalen of het aannemelijk kan worden geacht of er risico's voor de volksgezondheid en/of milieu aanwezig zijn; bepalen of de milieuhygiënische kwaliteit een belemmering zou kunnen vormen voor de voorgenomen werkzaamheden; het verkrijgen van een geldig bewijsmiddel voor het afvoeren en toepassen van de vrijkomende waterbodem elders. Met de onderzoeksresultaten kan beoordeeld worden of er een wettelijke grondslag bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Het waterbodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5720. Het vooronderzoek waterbodem is uitgevoerd conform de NEN 5717. De interpretatie van de onderzoeksresultaten heeft plaatsgevonden aan de hand van het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling. Onderzoek Voor het verkennend waterbodemonderzoek zijn op basis van het vooronderzoek en het ontwerp verschillende deellocaties te onderscheiden. Per deellocatie is bepaald welke onderzoekshypotheses, -strategieën en inspanningen als meest doelmatig worden geacht.

Indien geconstateerd wordt dat sprake is van asbestverdachte bijmengingen is opgeschaald met een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 of NEN 5897.

62

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Deellocaties verkennend onderzoek

Waterbodem Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er ter plaatse van een aantal locaties sprake is van verontreinigingen waardoor de bodem niet meer toegepast kan worden. Dit betreft de volgende locaties: Deellocatie C - Weerdverlaging uiterwaard hoog gelegen deel (zink > interventiewaarde tot 1,5 m-mv). Deellocatie D.1 - Weerdverlaging ter plaatse van voormalige onverharde weg (interventiewaarde overschrijding met zink). Deellocatie D.2 - Verlaging in verband met nieuwe wegkoffer onverharde weg (interventiewaardeoverschrijding met zink). Deellocatie F - Afgraving teelaarde uiterwaard (tot 1,0 m-mv verontreinigd met zink. Naast zink zijn ook andere zware metalen, PCB, PAK en minerale olie in verhoogde gehalten gemeten). Deellocatie G1 - Afgraving deel wegbermen (interventiewaarde overschrijding met zink). Deellocatie G2 - Afgraving deel bestaande weg (bij 1 boring is in de baksteenhoudende laag onder de wegfundering een gehalte aan PAK boven de interventiewaarde gemeten). Deellocatie H - Deel van Schansberg 3 waar grondverzet voorzien is (de PFAS parameter PFPeA is gemeten in een gehalte dat de maximale hergebruiksnorm overschrijdt (uitschieter)). Overige locaties (geen sprake van niet toepasbare grond). PFAS Naast de verhoogde PFAS-waarden ter plaatse van deellocatie F en G, voldoet de waterbodem overwegend aan de klasse landbouw/natuur.

Lokaal voldoet de waterbodem aan de klasse wonen/industrie. De waarden aan GenX voldoen overal aan de klasse 'landbouw/natuur'. Het indicatieve niveau voor ernstige verontreiniging (hierna: INEV) voor PFOS en PFOA worden niet overschreden. Aangezien in veel gevallen meerdere PFAS- verbindingen zijn gemeten is aanvullend rekening gehouden met de combinatietoxiciteit door het berekenen van een Risico-index-waarde. In

63

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

geen van de (meng)monsters wordt de Risico-index-waarde overschreden (de risico-index is < 1). Aangezien nog geen risicogrens voor overige PFAS is vastgesteld is bij de toetsing voor overige PFAS uitgegaan van de risicogrens van PFOS van 59 ìg/kg d.s. (worst case). Secundaire bouwstoffen Het asfalt en de wegfundatie van de provinciale weg, de fietspaden en de Schansberg zijn onderzocht om de indicatieve hergebruiksmogelijkheden te bepalen op basis van de toetsing aan de maximale emissie- en samenstellingswaarden zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. Asfalt Uit de resultaten blijkt dat een deel van de wegvakken als teerhoudend kunnen worden beschouwd. Dit betreft de slijtlaag of het emulsieasfaltbeton van meerdere wegvakken. In totaal komt er naar verwachting 98 m3 (ca. 244 ton) als teerhoudend beoordeeld asfalt vrij. Hiernaast komt in totaal circa 437 m3 (ca. 1092 ton) als teervrij (gehalte PAK <50 mg/kg) beoordeeld asfalt vrij. Fundering Uit de indicatieve toetsing blijkt dat de fundering van voornamelijk grind en keien, op basis van de toetsing aan de maximale emissie- en samenstellingswaarden, grotendeels in aanmerking komt voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof.

Enkel ter plaatse van het zuidelijke gedeelte van de Schansberg tot aan de aansluiting met de N296 is niet geschikt voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof op basis van de gehalten aan minerale olie en PAK. Hierbij komt naar verwachting circa 280 m3 niet herbruikbaar fundatiemateriaal vrij. Relatie met het omgevingsplan Geadviseerd wordt de vrijkomende waterbodem die niet hergebruikt kan worden vanwege de overschrijding van 'klasse B' dan wel vanwege verhoogde gehalten aan PFAS af te voeren naar een erkend verwerker. Voor de waterbodem die voldoet aan 'klasse B' wordt aanbevolen om te onderzoeken of er binnen het projectgebied een geschikte locatie is om deze baggerspecie toe te passen. Indien geen geschikte locatie kan worden gevonden wordt aanbevolen in overleg met de waterkwaliteitsbeheerder op zoek te gaan naar een alternatieve locatie binnen het beheergebied. Indien geen alternatieve locatie beschikbaar is als nuttige toepassing kan in overleg met de waterkwaliteitsbeheerder worden besloten of deze waterbodem alsnog naar een erkend verwerker kan. Meldingen en werkplan De waterbodem is deels sterk verontreinigd met zware metalen (voornamelijk de bovenste lagen van zand of klei (tot maximaal 1,5 m-mv). Bij ingrepen in de waterbodem (> 1.000 m3) dient rekening gehouden te worden met het volgende: 1.

Voorafgaand de werkzaamheden dient een melding in het kader van het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) te worden uitgevoerd en een werkplan worden opgesteld. In het werkplan staan maatregelen beschreven om het lozen zo veel mogelijk te beperken. Aanvullend onderzoek kan noodzakelijk zijn. Aanbevolen wordt dit voorafgaand de baggerwerkzaamheden af te stemmen met het bevoegd gezag (waterbeheerder). 2. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd onder milieukundige begeleiding (BRL6000, protocol 6003) en conform BRL7000, protocol 7003 (uitvoering (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem); 3. Na uitvoering van de werkzaamheden dient een evaluatieverslag te worden opgesteld conform de BRL 6000, protocol 6003 (Beoordelingsrichtlijn voor milieukundige begeleiding). Dit evaluatieverslag dient na afloop van de werkzaamheden ter beoordeling te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

64

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Opgemerkt wordt dat baggerwerkzaamheden meldingsplichtig kunnen zijn. Er is geen meldingsplicht als de baggerwerkzaamheden door de waterbeheerder worden uitgevoerd of worden uitgevoerd door iemand in het kader van een onderhoudsverplichting volgens een waterschapsverordening (artikel 78 van de Waterschapswet). Daarnaast kan bij beschermde plant- of diersoorten een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.

6.7.2

Oplegnotitie bodem

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingetreden die onder andere gepaard gaat met een nieuw bodembeleid en een verandering in terminologie ten opzichte van bijvoorbeeld de voormalige waterbodemclassificaties. De oplegnotite bodem (zie Bijlage 14) geeft een overzicht van de relevante veranderingen sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet en een handreiking naar het gebruik van het rapport "Verkennend milieuhygiënisch waterbodemonderzoek inclusief vooronderzoek" (zie paragraaf 6.7.1) binnen de huidige wetgeving. Ondanks het feit dat de terminologie is veranderd ten opzichte van de situatie voor de Omgevingswet, blijft de conclusie die is opgesteld in het verkennend milieuhygiënisch onderzoek wel relevant. De locaties waar sprake is van een sterke verontreiniging waardoor de waterbodem niet toegepast kan worden, blijven sterk verontreinigd.

6.8

Geluid

6.8.1

Akoestischonderzoek

Binnen de wettelijke geluidzone van de te wijzigen N296 liggen twee geluidsgevoelige bestemmingen op Nederlands grondgebied. Om de fysieke wijziging van de N296 mogelijk te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd conform de Wet geluidhinder (zie Bijlage 15). In artikel 3.5 Aanvullingswet geluid Omgevingswet is namelijk geregeld dat de Wet geluidhinder van toepassing blijft totdat de geluidproductieplafonds (GPP's) voor provinciale wegen zijn vastgesteld door de provinciale staten. De provincie Limburg streeft erna om de GPP's per 1 januari 2025 vast te stellen. Dit betekent dat de Wet geluidhinder, zoals de wet gold tot 1 januari 2024, van toepassing is op dit onderzoek. De Wet geluidhinder kent normen voor de situatie waarbij een bestaande weg fysiek wordt gewijzigd (reconstructie) en voor de situatie waarbij een nieuwe weg wordt aangelegd. In dit onderhavige geval ligt één woning (Schansberg 5) in de geluidzone van de N296. De woning Schansberg 5 ligt tussen de oude en nieuwe locatie van de N296. Dit betekent dat de verschuiving van de weg als aanleg van een nieuwe weg wordt beoordeeld. De woning Schansberg 3 zal worden geamoveerd vanwege de aanleg van de nieuwe Pater Sangersbrug. Het doel van het akoestisch onderzoek is het toetsen of de geluidbelasting van de N296 voldoet aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder die gelden voor de aanleg van een nieuwe weg.

Het tevens in het plangebied gelegen pand Schansberg 7 is geen geluidgevoelige bestemming. De geluidbelasting bij dit pand hoeft daarom niet getoetst te worden aan normen voor geluid. Echter, omdat het pand gebruikt kan worden als nachtverblijf, waarbij personen gedurende langere tijd kunnen verblijven, is de geluidbelasting wel berekend ter plaatse van dit pand. Onderzoek Het akoestisch onderzoek richt zich op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen die zijn gelegen in de geluidzone van een weg. Het onderzoek start met het afbakenen van het onderzoeksgebied aan de hand van de zonebreedte van de weg en de werkgrenzen van de ingreep. Het akoestisch onderzoek richt zich op woningen en andere geluidsgevoelige objecten die zijn gelegen in het onderzoeksgebied. Om een betrouwbare geluidbelasting te kunnen berekenen aan de randen van

65

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

het onderzoeksgebied, is de weg en de omgeving ook buiten het onderzoeksgebied ingevoerd in het rekenmodel. Binnen het onderzoeksgebied ligt één woning (Schansberg 5). Het nieuwe tracé van de N296 komt bij deze woning in de toekomstige situatie aan de andere zijde van de woning te liggen. De verkeersgegevens zijn aangeleverd voor de toekomstige situatie 2037 (10 jaar na openstelling van de nieuwe weg). De geluidbelasting vanwege de N296 is voor de toekomstige situatie 2037 berekend ter plaatse van de woning Schansberg 5. De berekende geluidbelasting is weergegeven in de volgende tabel, na aftrek conform artikel 110g Wgh. De aftrek bedraagt 2 dB voor het wegvak met een maximumsnelheid van 80 km/h en 5 dB voor het wegvak met eenmaximumsnelheid van 60 km/h.

Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting afkomstig van de N296 maximaal 55 dB bedraagt. De geluidsbelasting overschrijdt daarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar niet de maximaal toelaatbare waarde van 58 dB. Ter plaatse van de begane grond wordt wel voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Voor het pand Schansberg 7 geldt dat de geluidbelasting vanwege de N296 voor de toekomstige situatie 2037 met de bronmaatregel is weergegeven in de navolgende, na aftrek conform artikel 110g Wgh. De aftrek bedraagt 2 dB voor het wegvak met een maximumsnelheid van 80 km/h en 5 dB voor het wegvak met een maximumsnelheid van 60 km/h.

66

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting maximaal 48 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. Maatregelen Omdat de geluidbelasting van de N296 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevel van de woning Schansberg 5 overschrijdt moeten geluidmaatregelen worden beschouwd. Bij het toepassen van maatregelen gaat de voorkeur uit naar bronmaatregelen, gevolgd door maatregelen in de overdracht. Bij bronmaatregelen kan gedacht worden aan het toepassen van een geluidreducerend wegdektype of een snelheidsverlaging. Aangezien de maximumsnelheid op dit wegvak reeds 60 km/h wordt, is een verdere snelheidsverlaging geen realistische optie. Met een geluidreducerend wegdektype kan enkele dB's reductie worden gehaald. Een reductie van 7 dB is niet haalbaar met een bronmaatregel. Er zijn verschillende typen geluidreducerende wegdektypen beschikbaar. De provincie heeft aangegeven het geluidreducerende wegdektype SMA-NL 8G+ toe te willen passen. Dit wegdektype geeft een reductie van circa 2 dB.

Ligging van het wegvak met geluidreducerend wegdektype SMA-NL 8G+ (licht blauw)

67

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

In de volgende tabel is de geluidbelasting weergegeven na het toepassen van SMA-NL 8G+ over een lengte van circa 455 meter. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting dan maximaal 52 dB bedraagt. De geluidbelasting overschrijdt dan alleen nog voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de 3de bouwlaag. Ter plaatse van de onderste 2 bouwlagen wordt dan voldaan aan de voorkeursgrenswaarde.

Doelmatigheidsafweging Het budget voor een woning met een geluidbelasting van 55 dB is € 15.097,6 euro. De meerkosten van de bronmaatregel SMA-NL 8G+ ten opzichte van DAB zijn € 8,375 per m2. Met een wegbreedte van 7 m kan voor het beschikbare budget de bronmaatregel SMA-NL 8G+ worden toegepast over een lengte 260 m. De zichthoek van de woning is 275 m. Een bronmaatregel over een lengte van 260 m kan als doelmatig worden beschouwd, omdat het nagenoeg de hele zichthoek bestrijkt. Naast een bronmaatregel kan ook een geluidscherm worden overwogen. Om de geluidbelasting voldoende te kunnen reduceren op de 3e bouwlaag, is een scherm nodig van 3 m hoog. De kosten van een 3 m hoog scherm bedragen 1.500 per m1. Een 3 m hoog scherm met een lengte van 275 m kost ruim € 400.000. Dit is beduidend meer dan het beschikbare budget. Dat betekent dat een scherm van 3 m hoog over de lengte van de zichthoek van de woning niet bekostigd kan worden. Een schermmaatregel is daarom niet doelmatig. Uit de doelmatigheidsafweging volgt dat een bronmaatregel over een lengte van 260 m doelmatig is. Bij het toepassen van de bronmaatregel is, vanwege beheerstechnische redenen, ervoor gekozen om logische overgangen te hanteren ten aanzien van de wegdekverhardingen.

Om deze reden wordt het wegdek SMA-NL-8G+ toegepast over de volledige lengte van de te reconstrueren provinciale weg, inclusief het gedeelte op de nieuwe brug tot aan de voeg van de boogbrug op Belgisch grondgebied. De totale lengte van het toe te passen wegdek SMA-NL-8G+ bedraagt circa 455 m.

Relatie met het omgevingsplan Na het toepassen van het doelmatige geluidreducerende wegdektype SM-NL 8G+ bedraagt de geluidbelasting maximaal 52 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee overschreden. Omdat verdere maatregelen niet doelmatig zijn moet een hogere waarde worden vastgesteld van 52 dB vanwege de N296 voor de woning Schansberg 5. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag voor het vaststellen van hogere waarden vanwege de aanleg of reconstructie van een weg in beheer bij de provincie. Uit nader onderzoek aan de gevel moet blijken of maatregelen nodig zijn om de normen voor het binnenniveau niet te overschrijden (zie paragraaf 6.8.2). De norm voor de binnenwaarde bedraagt 33 dB voor wegverkeerslawaai. Planologisch dient te worden geborgd dat het onderzoek geluidwering gevel wordt uitgevoerd en eventuele geluidwerende maatregelen worden getroffen aan deze woning. In de regeling van dit TAM-omgevingsplan is een verplichting opgenomen dat hoofdrijbanen worden voorzien van geluidreducerend in de vorm van wegdektype SMA NL 8 G+ of een ander akoestisch minimaal gelijkwaardig stil wegdek. Het asfaltmengsel SMA-NL 8G+ wordt toegepast over de volledige lengte van de te reconstrueren provinciale weg, inclusief het gedeelte op de nieuwe brug tot aan de brugvoeg van de boogbrug op

68

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Belgisch grondgebied.

6.8.2

Onderzoek geluidwering gevel Schansberg 5

Het onderzoek heeft als doel om vast te stellen of er in de situatie met de nieuwe brug/N296 aan de maximale binnenwaarde van 33 dB(A) voor de geluidgevoelige ruimtes van de woning te Schansberg 5 wordt voldaan (zie Bijlage 16). In onderhavige rapportage is het binnenniveau van de geluidgevoelige ruimten in de woning onderzocht. Er wordt geconcludeerd dat het toegestane binnenniveau van 33 dB(A) niet wordt overschreden met uitzondering van een ruimte op de 2e verdieping onder de kap. Voor deze ruimte zijn maatregelen onderzocht. Het blijkt dat 2 kozijnen met beglazing, te openen delen en ventilatieroosters vervangen dienen te worden. Na treffen van deze maatregelen wordt in alle geluidgevoelige ruimten van de woningen voldaan aan een maximale binnenwaarde van 33 dB(A). Relatie met het omgevingsplan In de regeling van dit TAM-omgevingsplan is voorgeschreven dat de maatregelen zoals ze in het onderhavige onderzoek naar geluidwering zijn opgenomen, dienen te worden getroffen en in stand gehouden. Na treffen van deze maatregelen wordt in alle geluidgevoelige ruimten van de woningen voldaan aan een maximale binnenwaarde van 33 dB(A).

6.9

Luchtkwaliteit

Ten behoeve van de aanleg van een nieuwe brug ter vervanging van de bestaande Pater Sangersbrug tussen Roosteren en Maaseik is het effect op de luchtkwaliteit beoordeeld. In deze paragraaf is het toetsingskader voor luchtkwaliteit nader toegelicht. Omgevingswaarden Artikel 2.15 van de Omgevingswet schrijft voor dat omgevingswaarden vastgesteld worden om de gezondheid en het milieu te beschermen, de veiligheid te waarborgen en natuurlijke hulpbronnen te beheren. Deze omgevingswaarden zijn vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is de AMvB waarin de omgevingswaarden van het Rijk vastgelegd zijn. Het gaat onder meer om omgevingswaarden voor de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2.5), lood, ozon en gevaarlijke stoffen. Deze omgevingswaarden zijn terug te vinden in met name artikelen 2.1 tot en en 2.8 van het Bkl en gelden als maximaal toelaatbare concentratie. De omgevingswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof zijn opgenomen in de volgende tabel.

69

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Aandachtsgebieden In enkele regio's in Nederland is de jaargemiddelde concentratie luchtverontreinigende stoffen nog hoog. In deze regio's worden omgevingswaarden soms overschreden, of liggen de concentraties dicht bij de omgevingswaarden waardoor nieuwe projecten kunnen leiden tot overschrijding van de omgevingswaarden. De overheid heeft deze regio's aangewezen als aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten projecten getoetst worden aan de omgevingswaarden en vindt monitoring van de luchtkwaliteit plaats. Er is onderscheid gemaakt in: Aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijn stof; en Aandachtsgebieden voor alleen fijn stof. Het wijzigingsgebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied. Schone Lucht Akkoord (SLA) Op 1 augustus 2009 werd het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. In het NSL werkten de Rijksoverheid en decentrale overheden samen om tijdig (binnen de verkregen derogatietermijn) te voldoen aan de Europese normen voor stikstofdioxide en fijn stof. Na afloop van de derogatietermijn, liep het NSL door om de luchtkwaliteit in Nederland verder te verbeteren. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het NSL vervallen en vervangen door het Schone Lucht Akkoord (SLA).

Het SLA ging al op 13 januari 2020 van start en is op 31 december 2023 reeds ondertekend door de Rijksoverheid (vertegenwoordigd door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat), alle twaalf Nederlandse provincies en 101 gemeenten. Het doel van het SLA is om de luchtkwaliteit in Nederland verder te verbeteren en gezondheidswinst te bereiken van minimaal 50% in 2030 ten opzichte van 2016. Sinds 1 januari 2023 is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit. Deze monitoring gebeurt sinds 1 januari 2024 in het kader van de Omgevingswet, als opvolging van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). CIMLK ondersteunt ook de monitoring voor het Schone Lucht Akkoord. Besluit Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Voor projecten of activiteiten die 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit nodig. Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging beperkt is. Concreet is sprake van een NIBM project/activiteit wanneer het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Wanneer een project of activiteit voldoet aan het besluit NIBM, is toetsing aan omgevingswaarden niet nodig.

70

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL2007) De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl 2007) bevat voorschriften voor het meten en berekenen van de concentratie en depositie van luchtverontreinigende stoffen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) maakt jaarlijks enkele generieke gegevens bekend, die bij een luchtkwaliteitsberekening moeten worden gebruikt. Het betreft onder meer de achtergrondconcentratiekaarten (GCN-kaarten) en enkele emissiefactoren voor verkeer en voor veehouderijen. Deze generieke gegevens worden vervolgens verwerkt in de nieuwste versies van rekenmodellen. Toepasbaarheidsbeginsel In de Omgevingswet is opgenomen dat de luchtkwaliteit niet getoetst hoeft te worden op plaatsen waar geen mensen kunnen komen. Dit houdt in: Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op plaatsen waar het publiek geen toegang heeft en waar geen permanente bewoning is. Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen (hier gelden de ARBO-regels). Dit omvat mede de (eigen) bedrijfswoning. Een uitzondering hierop is voor publiek toegankelijke plaatsen zoals tuincentra; deze worden wél beoordeeld (hierbij speelt het zogenaamde blootstellingscriterium een rol).

Bij de beoordeling van een inrichting in het kader van de Wet milieubeheer vindt toetsing plaats vanaf de grens van de inrichting of bedrijfsterrein. Geen beoordeling van de luchtkwaliteit op de rijbaan van wegen, en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang hebben tot de middenberm. Het toepasbaarheidsbeginsel komt in het Bkl voor in: Artikel 5.52 – toelaten activiteiten in omgevingsplan. Artikel 8.17 – beoordelingsregels milieubelastende activiteiten. Artikel 11.19 – monitoring omgevingswaarden luchtkwaliteit. Blootstellingcriterium De luchtkwaliteit moet alleen bepaald (gemeten of berekend) worden op plaatsen waar de blootstelling significant is. Bij toetsing van de gevolgen van een project aan de luchtkwaliteitseisen is dus van belang dat de plaatsen worden bepaald waar significante blootstelling plaatsvindt. Daarvoor moet eerst duidelijk zijn wat significant is of niet. In artikel 22 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Rbl) staat dat de luchtkwaliteit wordt bepaald op plaatsen waar de bevolking 'kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de betreffende luchtkwaliteitseis significant is'. Hieruit blijkt dat de duur van de periode dat iemand (1 individu) gemiddeld wordt blootgesteld bepalend is voor de vraag of de luchtkwaliteit dient te worden beoordeeld.

Er wordt daarbij verder geen onderscheid gemaakt naar de gevoeligheid van groepen of de aard van het verblijf. De grenswaarden zijn opgesteld ten behoeve van de gezondheid van de gehele bevolking. Hiermee wordt bedoeld dat bij de bepaling of een verblijfstijd significant is, de verblijfstijd vergeleken moet worden met een jaar, dag of uur, afhankelijk van de vraag of er sprake is van een jaargemiddelde, een daggemiddelde of een uurgemiddelde grenswaarde voor een stof. Onderzoek Voor dit project heeft een beschouwing plaatsgevonden van de resultaten luchtkwaliteit (NO2 en PM10) in (de nabijheid van) het wijzigingsgebied met behulp van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) en het CIMLK. Op basis van de gegevens uit de GCN en het CIMLK wordt in combinatie met het beoogde wegontwerp en actuele verkeersgegevens vastgesteld dat er geen knelpunten voor luchtkwaliteit ontstaan.

71

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Jaargemiddelde concentratie NO2 plangebied afkomstig uit de GCN

72

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld) Jaargemiddelde concentratie PM10 plangebied afkomstig uit de GCN

Uit voorstaande afbeeldingen is op te maken dat in de huidige situatie er ruimschoots voldaan wordt aan de grenswaarden geldend voor NO2 en PM10 in het wijzigingsgebied. Het wegvak N296 waar de Pater Sangersbrug onderdeel van is, is opgenomen in het CIMLK. In het CIMLK zijn toetspunten langs wegen opgenomen, zo ook langs de N296. Op onderstaande figuur is de ligging van de toetspunten weergegeven, voor de huidige situatie.

Ligging toetspunten CIMLK

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de concentraties NO2 en PM10 voor de jaren 2021 en 2030 uit het CIMLK voor het maatgevende punt langs de N296 ter hoogte van het wijzigingsgebied.

In 2021 en 2030 liggen de totale concentraties NO2 en PM10 ruim onder de grenswaarden. Uit de gegevens blijkt dat de wegbijdrage aan de totale concentratie maximaal 4,2 µg/m3 is voor NO2 en maximaal 0,2 µg/m3 is voor PM10. Verkeerseffect

73

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Uit de verkeersgegevens blijkt dat er geen verkeerstoename is in vergelijk tussen de situatie autonoom (brug huidige locatie) en de situatie inclusief plan (brug op nieuwe locatie). Dat betekent dat het ontwerp geen verkeersaantrekkende werking heeft. Om die reden treedt er vanwege het verschil in intensiteit geen effect op voor de luchtkwaliteit. Wel vindt er vanwege de nieuwe ligging uiteraard een verschuiving in uitstoot plaats. Gezien de gegevens uit de GCN en het CIMLK is de verwachting niet dat dit tot verslechtering van de luchtkwaliteit zal leiden. Ook in de toekomstige situatie met een nieuwe ligging van de Pater Sangersbrug zal er ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden. Relatie met het omgevingsplan Op basis van de gegevens uit het CIMLK blijkt dat in 2030 de maximale concentraties NO2 en PM10 respectievelijk 10,3 en 13,1 µg/m3 zijn. De bronbijdrage bedraagt in 2030 naar verwachting maximaal 2,5 µg/m3 en 0,2 µg/m3 voor respectievelijk NO2 en PM10. Op basis van de gegevens uit de GCN is de verwachting niet dat de nieuwe ligging van de brug in het plangebied tot een verslechtering van de luchtkwaliteit zal leiden. Op basis van bovenstaande kan gesteld worden dat de nieuwe ligging van de Pater Sangersbrug voor NO2 niet leidt tot overschrijdingen van de grenswaarden voor de jaargemiddelde en uurgemiddelde concentraties.

Ook voor PM10 wordt de maximaal toegestane jaargemiddelde concentratie van 40 ìg/m3 en de daggemiddelde grenswaarde niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de onderliggende planvorming.

6.10

Ontplofbare oorlogsresten

Als onderdeel van onderhavig document is er een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten (hierna: OO) uitgevoerd voor het project (zie Bijlage 17). Het onderzoek omvat zowel het Nederlandse als het Belgische deel van de brug. In onderhavig document wordt enkel ingegaan op de resultaten OO aan de Nederlandse zijde. In figuur 18 is het onderzoeksgebied weergegeven. Aangezien er oorlogshandelingen buiten het onderzoeksgebied van invloed kunnen zijn op het onderzoeksgebied, is er rondom het onderzoeksgebied een denkbeeldige contour van 250 meter getrokken. Indicaties van oorlogshandelingen binnen deze contour zijn in het bronnenonderzoek meegenomen. Onderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de eisen die in het certificatieschema (CS-VROO) aan het onderzoek zijn gesteld. Het onderzoek is conform de richtlijnen van het 'Certificatieschema vooronderzoek en risicoanalyse OO' uitgevoerd. Het vooronderzoek bestaat uit een inventarisatie, de beoordeling van de relevante informatie en de evaluatie. Tijdens de inventarisatie is alle relevante informatie (uit Nederland, België en het buitenland) verzameld doormiddel van het raadplegen van bronnen en historische (voor)onderzoeken over de locatie.

Op basis van de verzamelde informatie is vastgesteld of er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waarbij (mogelijk) OO zijn achtergebleven in/op de (water)bodem van het te onderzoeken gebied. Historisch feitenmateriaal, onder andere literatuurstudie, archiefonderzoek en luchtfoto interpretatie, afkomstig van de inventarisatiefase is gedetailleerd geanalyseerd.

74

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Onderzoeksgebied OO

Relatie met het omgevingsplan Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties en contra-indicaties is vastgesteld dat het onderzoeksgebied van de Pater Sangersbrug in de gelijknamige gemeenten niet getroffen is door oorlogshandelingen tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog, waardoor OO in/op de (water)bodem kunnen zijn achtergebleven. De kans op het aantreffen van OO wordt als 'matig' gedefinieerd. Dit betekent dat de voorgenomen werkzaamheden kunen plaatsvinden zonder dat vervolgstappen noodzakelijk zijn. (Grond)werkzaamheden kunnen regulier worden uitgevoerd.

Mochten er tijdens de grondroerende werkzaamheden toch oorlogsresten aangetroffen worden, dienen de volgende basisregels te worden nageleefd: de werken op de locatie van de vindplaats worden onmiddelijk stopgezet; de aannemer waarschuwt, zelfs wanneer het maar éénn exemplaar betreft, onmiddellijk de lokale politie, die op zijn beurt DOVO contacteert; het CTE mag noch worden gemanipuleerd, noch aangeraakt; de door DOVO geadviseerde veiligheidszone wordt afgebakend binnen de werfzone door de aannemer, buiten de werfzone door de lokale politie op advies van DOVO; de toegang tot de vindplaats wordt verboden en beveiligd; de leidende ambtenaar (of zijn plaatsvervanger) en de veiligheidscoördinatorverwezenlijking worden door de aannemer telefonisch geïnformeerd over de vondst, de genomen veiligheidsmaatregelen, en de impact van die vondst op de voortgang van de werf, van zodra de aannemer de meest urgente veiligheidsmaatregelen genomen heeft. Deze telefonische melding wordt binnen de 24 uur digitaal bevestigd.

75

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

6.11

Duurzaamheid

De aanbestedingen en uitvoering van de werken vinden op een zo duurzame manier plaats; dit wordt geborgd is in de subsidieverlening.

6.12

Gezondheid

Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. In de omgevingsvisie Limburg wordt gestreefd naar een leefomgeving die de gezondheid beschermt en bevordert, en de inwoners de gelegenheid biedt eigen regie te voeren. De leefomgeving is gezonder als de invloed van belastende milieuaspecten op de gezondheid zo klein mogelijk is. Denk aan de luchtkwaliteit, geuroverlast en geluidhinder rondom industrie, wegen of veehouderijen. Een omgeving die voldoet aan de wettelijke normen is het startpunt, maar juist onder deze normen is er nog veel gezondheidswinst te behalen. Een omgeving die uitnodigt tot gezond gedrag die bewoners als veilig en prettig ervaren en stimuleert tot sociaal contact is een gezonde omgeving. Provincie Limburg ambieert een gezonde en veilige leefomgeving voor iedereen in Limburg. Voor luchtkwaliteit streven ze naar een luchtkwaliteit die voldoet aan de huidige wettelijke grenswaarden. Voor wat betreft geluid streven ze naar een acceptabel geluidsniveau langs provinciale wegen en nabij provinciale bedrijventerreinen. In samenhang wordt gebiedsgericht en per ontwikkeling gezocht naar kansen voor verbetering en een hoger kwaliteitsniveau. Dit kwaliteitsniveau is afhankelijk van de omgeving van het desbetreffende gebied.

Met de inrichting van de leefomgeving wil Limburg bijdragen aan een gezonde en veilige omgeving die onder andere bewegen, ontmoeten en een gezonde levensstijl stimuleert. De gemeente is medeverantwoordelijk voor de publieke gezondheid. Publieke gezondheid richt zich op het door preventie tegengaan van lichamelijke of psychische ziekte en het bevorderen van het lichamelijk, psychisch en mentaal welbevinden, maar ook op het vermogen om je eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven (ook bekend onder de noemer 'positieve gezondheid'). Zorg voor de publieke gezondheid is vastgelegd in de Wet publieke gezondheid (Wpg). Binnen de gemeente Echt-Susteren is gezondheidsbeleid opgenomen in de ontwerp Omgevingsvisie 2040 (vaststelling verwacht voor zomer 2024). De gemeente wil dat iedereen in de regio dezelfde mogelijkheden heeft om gezond te zijn of te worden. Dat betekent dat de leefomgeving voldoende en gevarieerde mogelijkheden biedt tot sporten, ontmoeten, bewegen en spelen. Met verbeterde fietsverbindingen kunnen de groene en natuurlijke gebieden beter beleefbaar worden gemaakt en worden steden en kernen beter en directer ontsloten. Ook wordt hiermee een belangrijke bijdrage geleverd aan het verduurzamen van de mobiliteit en het behoud van de gezondheid van de inwoners.

De gemeente zoekt aansluiting bij het 'Schone Lucht Akkoord' met als doel de luchtkwaliteit permanent te verbeteren. Positieve gezondheid gaat uit van het verbeteren van de leefstijl én de leefomgeving van inwoners, zodat zij zowel fysiek als mentaal gezonder worden. Vanuit 'zorg' gezien gaat het dus meer om voorkomen dan om genezen. Naast beleid op het gebied van welzijn, zorg, werk en inkomen en onderwijs, heeft dit ook een fysieke component. Veel groen en blauw, schone lucht, ruimte om te bewegen, ontspannen en ontmoeten in de directe leefomgeving en een goede toegang tot voorzieningen dragen aantoonbaar bij aan een positieve gezondheid. Dat vraagt inzet van de mensen zelf, maar ook om regie op ruimtelijke ontwikkelingen.

76

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Door de leefomgeving gezonder in te richten kan veel gezondheidswinst worden geboekt. Een gezonde inrichting van de leefomgeving beschermt tegen negatieve omgevingsinvloeden en bevordert de gezondheid. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving in dat kader zijn een goede milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, geur), lichthinder, omgevingsveiligheid en klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan van hitte- en wateroverlast). In het planvoornemen wordt ingezet op gezondheidsbevordering. De nieuwe Pater Sangersbrug wordt veilig en duurzaam ingericht, met veel aandacht voor goede (fiets-)verbindingen en duidelijke scheiding tussen de faciliteiten voor fiets-, voet- en autoverkeer ter bevordering van een veilige verkeerssituatie. Door in te zetten op duurzame mobiliteit wordt fietsen en lopen ook meer gestimuleerd. Het verbeteren van de (snel-)fietsverbinding en de toevoeging van een wandelroute langs de rivier versterkt dit nog. Relatie met het omgevingsplan In het kader van gezondheidsbescherming zijn voor dit project de aspecten luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, bodem en water onderzocht. Op basis van deze onderzoeken kan gesteld worden dat dit project niet leidt tot een verslechtering van de gezondheid van de inwoners.

6.13

Mer-beoordeling

Plan-merbeoordeling Op grond van afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) maakt het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een plan-mer of een plan-mer-beoordeling. Een omgevingsplan kwalificeert als een plan. In de Omgevingswet is bepaald dat een mer-plicht geldt als het plan kaderstellend is voor mer-(beoordelings)plichtige besluiten, of een passende beoordeling voor het plan is vereist. Van een uitzondering op de plan-mer-plicht is sprake als een plan alleen het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau. In dat geval is een plan-mer-beoordeling in eerste instantie voldoende. Wanneer uit de plan-mer-beoordeling volgt dat er sprake is van aanzienlijke milieueffecten, geldt alsnog een plan-mer-plicht. Het Omgevingsbesluit (Ob) geeft invulling aan de toepassing van de plan-mer-beoordeling bij kleine gebieden op lokaal niveau. Hieruit volgt dat het moet gaan om een plan op gemeentelijk niveau en de omvang van het betrokken gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de betreffende gemeente klein moet zijn. Voor onderhavig project is een passende beoordeling opgesteld (hzie paragraaf 6.1.4). Hierdoor geldt in beginsel een plan-mer-plicht. Nu het project ziet op het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau volstaat echter een plan-mer-beoordeling.

Gelet op het voorgaande geldt (op basis van artikel 16.36, lid 3, Ow in samenhang met artikel 11.1, lid 3, Ob) een plan-mer-beoordelingsplicht. Mer-beoordeling Naast de mer-beoordelingsplicht voor plannen, vereist de Omgevingswet dat voor bepaalde projecten een mer- (beoordelings)procedure wordt doorlopen. In de gevallen dat een project, of een voor het project benodigd besluit, is opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit moet worden bepaald welke procedure (een project-mer-procedure of project-mer-beoordelingsprocedure) moet worden doorlopen om de mogelijke milieueffecten te beoordelen.In bijlage V van het Omgevingsbesluit is onder J1 de aanleg, wijziging of uitbreiding van wegen aangewezen als mer-beoordelingsplichtig indien hiervoor een omgevingsplan wordt gewijzigd. Voor onderhavig project worden wegen (de N296 en Schansberg) verlegd en aangepast, zodat de N296 aansluit op de nieuwe Pater Sangersbrug. Ten behoeve hiervan wordt het omgevingsplan aangepast. Hierdoor valt het project onder J1 van bijlage V Ob en geldt een project-mer-beoordelingsplicht.

77

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Toetsingskader De mer-beoordeling geeft informatie op basis waarvan het bevoegd gezag kan bepalen of er al dan niet sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het voorgenomen project. In de Omgevingswet is vastgelegd welke criteria gelden voor de mer-beoordeling. Deze criteria zijn overgenomen uit bijlage II en III van de mer-richtlijn. Voor de mer-beoordeling van plannen en projecten gelden respectievelijk de criteria uit bijlage II en bijlage III van de mer-richtlijn. De criteria uit deze bijlagen zijn vergelijkbaar en komen neer op het volgende: de kenmerken van het project; de locatie van het project; en de kenmerken van het potentiële effect. Het wijzigen van het omgevingsplan is plan-mer-beoordelingsplichtig. Daarnaast is voor het project eveneens een mer-beoordeling vereist. Hierdoor is een gecombineerde plan/project-mer-beoordeling noodzakelijk. De plan-mer-beoordeling en de mer-beoordeling voor projecten zijn vergelijkbare instrumenten.De bijgevoegde aanmeldingsnotitie (zie Bijlage 18) geeft het bevoegd gezag de informatie om te oordelen of er aanleiding is om de plan- en project-mer-procedure te doorlopen.

Relatie met het omgevingsplan Op basis van de effectbeoordeling zoals opgenomen in de aanmeldingsnotitie treden er geen belangrijke nadelige gevolgen op voor het milieu, mits de volgende maatregelen worden getroffen en werkwijzen worden gevolgd: 1. De afname van natuur binnen het NNL en de Groenblauwe mantel wordt gecompenseerd door: a. een bedrag van € 82.206,02 aan de provincie Limburg te voldoen op basis van een overeenkomst tussen de provincie Limburg en De Vlaamse Waterweg; b. en de kernkwaliteit van de Groenblauwe mantel te behouden door compensatie in natura. 2. Een geluidreducerende wegdektype SMA-NL 8G+ wordt toegepast in de zichthoek van de woning aan de Schansberg 5 over een lengte van ongeveer 275 m. 3. Daarnaast vinden de werkzaamheden plaats in lijn met de voorgestelde werkwijze in het bureauonderzoek archeologie en het verkennend milieuhygiënisch waterbodemonderzoek. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en de (plan)-mer-beoordeling wordt voorgesteld het planvoornemen in het omgevingsplan mogelijk te maken, rekening houdend met de voornoemde maatregelen en randvoorwaarden.

78

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

De gemeente hoeft onder de Omgevingswet niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie 'kan' komen. De gemeente moet wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

7.1

Economische uitvoerbaarheid

7.1.1

Kostenverhaal

Het verhalen van gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenplichtige activiteiten. Het bouwen van een nieuwe brug en het aanleggen van een nieuwe weg naar die brug zijn geen kostenverhaalsplichtige activiteiten, waardoor het verhalen van kosten niet aan de orde is. Regels voor kostenverhaal in deze wijziging van het omgevingsplan zijn niet nodig. Anterieure overeenkomst Omdat de nieuwe brug afspraken tussen verschillende bestuursorganen vergt, wordt een anterieure overeenkomst opgesteld. Deze overeenkomst regelt aspecten tussen verschillende bestuursorganen. In juli 2023 heeft een rondvraag plaatsgevonden bij de verschillende betrokken bestuursorganen naar de onderwerpen die behandeld dienen te worden. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld taakverdeling en verantwoordelijkheden van de verschillende deelnemende bestuursorganen, te hanteren normen en eisen voor de nieuwe brug, grondoverdrachten, financiële verplichtingen, natuurherstel- en andere maatregelen, communicatietraject, oplevering, toekomstig beheer van de brug, enz. Deze anterieure overeenkomst wordt via overlegmomenten met de verschillende betrokken bestuursorganen opgesteld.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1

Participatie

De Pater Sangersbrug over de Gemeenschappelijke Maas verbindt Maaseik (BE) en Echt-Susteren (NL). De huidige brug is verouderd en is in Belgische eigendom. Op basis van inspecties, conform de Vlaamse standaarden, door de Vlaamse Waterweg en het Agentschap Wegen en Verkeer, afdeling Expertise Beton en Staal, werd de brug in 2021 ingedeeld in categorie 4, wat betekent 'dringend aan te pakken'. Inzake mobiliteit, comfort en verkeersveiligheid voldoet de bestaande brug niet aan de huidige eisen m.b.t. de wegindeling voor de verschillende verkeersdeelnemers en gebruikstypologieën, zowel volgens de CROW in Nederland als volgens de van toepassing zijnde vademecums in Vlaanderen. Omwille van bovenstaande constatering enerzijds en een veelzijdige opwaardering anderzijds, is het noodzakelijk de bestaande brug te vervangen en een vernieuwde aansluiting (op het bestaande en nieuw aan te leggen wegennet) te voorzien zowel langs Belgische als langs Nederlandse zijde. Om tot een nieuwe locatie voor en ontwerp van de Pater Sangersbrug te komen werden en worden verschillende participatieve trajecten gevolgd. Deze trajecten hebben zowel betrekking op bestuursorganen enerzijds en burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties anderzijds. De participatie wordt hierna volgens deze onderverdeling behandeld.

Projectstuurgroep De Vlaamse Waterweg heeft de procedure van een projectstuurgroep (PSG) gehanteerd om te komen

79

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

tot een voorkeursalternatief wat betreft de ligging van de nieuwe Pater Sangersbrug. Aan deze projectstuurgroep hebben de betrokken Vlaamse en Nederlandse administraties deelgenomen. Voor Nederland hebben volgende administraties deelgenomen aan de projectstuurgroepvergaderingen: gemeente Echt-Susteren, provincie Limburg, Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg. Door het betrekken van de verschillende administraties zijn de eisen en wensen van de verschillende administraties in een vroeg stadium in beeld gebracht. De projectstuurgroepen hebben plaatsgevonden in de periode 31 05 2022 tot en 22 03 2023. Met het oog op een efficiënte aanpak van het ontwerpproces, werden voorafgaandelijk aan de eerste eigenlijke PSG overlegmomenten een aantal verkennende gesprekken gevoerd met het stadsbestuur van Maaseik enerzijds (dd. 28.03.2022) en een delegatie van Nederlandse vertegenwoordigers - meer bepaald de gemeente Echt-Susteren en de provincie Limburg (NL) - op dd. 31.05.2022, anderzijds. Tijdens beide overlegmomenten werden mogelijkheden inzake de inplanting/locatie van de nieuwe brug besproken, evenals het mogelijke dwarsprofiel op de brug. Op 04.07.2022 vond de eerste PSG plaats met zowel (ambtelijke) vertegenwoordigers van de Belgische als de Nederlandse zijde.

Tijdens dit overleg werden de diverse mogelijke locaties van de nieuwe brug besproken, maar deze keer gekoppeld aan de ruimtelijke, juridische en dientengevolge procedurele consequenties van de verschillende scenario's. Het overleg resulteerde in de schrapping van een aantal scenario's. Tijdens de tweede PSG dd. 06.09.2022 kon niet onmiddellijk een keuze worden gemaakt uit de resterende scenario's, daarvoor was het onderscheidend karkater van de scenario's (m.u.v. het financiële aspect) te gering. Op voorzet van De Vlaamse Waterweg nv konden alle actoren zich akkoord verklaren om scenario 2 (de huidige locatie van de nieuwe Pater Sangersbrug) als voorkeursscenario verder uit te werken. Tijdens de derde PSG dd. 11.10.2022 werd een eerste toelichting gegeven over het architecturale ontwerp van de brug en het gevoerde ontwerpend onderzoek. Gelet op het feit dat de fietsvoorziening op de brug toekomstig de status van fietssnelweg (B) en doorfietsroute (NL) zou krijgen, vereiste dit een andere invulling op de brug qua ruimte voor de actieve verkeersdeelnemer (fietser en voetganger). Om dit nader vast te leggen werd besloten om dit item in tussentijdse werkoverlegmomenten te bespreken. Voorts werden de actoren gevraagd hun klanteisenspecificaties over te maken aan De Vlaamse Waterweg. Tijdens een tussentijds werkoverleg dd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=963bfe16-2483-47d1-938c-ad0f1fddec5c