CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Commissie Omgeving 14 oktober 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug'28.570 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het gaat om de volgende activiteiten: lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie) activiteiten in of nabij het oppervlaktewater activiteiten in, op of nabij waterkeringen het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem activiteiten aan, op of nabij wegen in het beheer van het waterschap. Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de lozing uit een gebied niet toe mag nemen. Een ontwikkeling waar bestaande verharding wordt vervangen voor nieuwe verharding wordt ook gezien als een toename aan verharding. Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. Waterschap Limburg hanteert geen ondergrens. Dynamische bergings- en infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op met een inhoud van 80 mm in het (noordelijk) beheergebied van Waterschap Limburg. Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/ infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Limburg maximaal 2 l/s/ha geloosd worden.

Relatie met het voorliggend plan In paragraaf 6.2 van deze motivering wordt ingegaan op de weging van het waterbelang.

30

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Structuurvisie Echt-Susteren 2025

De 'Structuurvisie Echt-Susteren 2025 Ontwikkelen met kwaliteit' is opgesteld met het doel een duidelijke en actuele visie te formuleren op het gehele gemeentelijke grondgebied. De structuurvisie heeft een globaal karakter. De structuurvisie geeft richtingen aan op hoofdlijnen en laat daarbij ruimte voor de 'onbekende' toekomst. In de structuurvisie staan de volgende kwaliteitscriteria centraal: meer aandacht voor de duurzame ondergrond (lagenbenadering); zorgvuldig ruimtegebruik met aandacht voor (beeld)kwaliteit; grensoverschrijdend denken en handelen; tegengaan van verstening in het buitengebied; kwaliteit belangrijker dan kwantiteit; bereikbaarheid is belangrijker dan aanwezigheid/nabijheid. De structuurvisie besteedt op basis van trends en ontwikkelingen uitgebreid aandacht aan het buitengebied. In de structuurvisie staat vermeld dat het buitengebied veel verschillende functies kent zoals natuur, water, land- en tuinbouw, recreatie, toerisme en kleinschalige bedrijfsfuncties. Voor het buitengebied heeft de gemeente een aantal ambities geformuleerd. Het realiseren van deze ambities draagt bij aan het halen van de algemene doelstelling van de gemeente om ook in 2025 en lang daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is.

Het betreft de volgende ambities: de rust en ruimte in het buitengebied behouden en waar mogelijk versterken; verdere verstening tegengaan; vergroting van de contrasten tussen de aanwezige landschappen; komen tot een groen-blauwe ecologische ladder; behoud van een economisch gezonde, duurzame agrarische sector met het juiste bedrijf op de juiste plek; ruimte bieden aan een breed georiënteerde plattelandseconomie; het zijn van een toeristisch-recreatieve schakel in de Euregio. In de structuurvisie is de gemeente opgedeeld in een aantal landschapstypen. Insteek van deze landschapstypen is dat een nieuwe ontwikkeling te allen tijde bijdraagt aan de versterking van de 'kwaliteit' ofwel de kenmerken van het landschap waarin de locatie is gelegen. Het wijzigingsgebied ligt in het landschapstype 'Maasdal'. Voor dit gebied geldt dat dat ontwikkelingen bij moeten dragen aan het vergroten van de herkenbaarheid van het rivierenlandschap, zoals ruimte geven aan de natuurlijke dynamiek van de Maas of de openheid van de rivier bevorderen. Er wordt in de visie echter niet gesproken over de aanleg en/of verplaatsing van kunstwerken.

31

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Landschapstype van het wijzigingsgebied. Het wijzgingsgebied is rood omlijnd.

Relatie met het voorliggend plan De nieuwbouw van de Pater Sangersbrug is niet in strijd met de gemeentelijke structuurvisie, aangezien er geen afbreuk gedaan wordt op de herkenbaarheid van het rivierenlandschap. Daarnaast is de nieuwbouw van de Pater Sangersbrug van (regionaal en internationaal) maatschappelijk belang.

32

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 4

4.1

Beperkingengebieden

Beperkingengebieden waterstaatswerken in beheer bij het Rijk

In artikel 2.13 van de Omgevingsregeling is de aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebieden oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, niet zijnde kanalen, opgenomen. Voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan rijksregels in hoofdstuk 6 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor alle beperkingengebied-activiteiten in een waterstaatswerk in beheer bij het Rijk geldt een specifieke zorgplicht. Een overzicht van wat deze zorgplicht minstens inhoudt is in de artikelen 6.6 en 7.6 van het Bal terug te vinden. Het gaat dan om zaken als: ervoor zorgen dat de stabiliteit van oeverconstructies niet in gevaar wordt gebracht; nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het water voorkomen; ruimte laten voor een eventuele vergroting van de afvoercapaciteit van het water; het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan beperken; bij vaarwegen mag de veilige en vlotte doorvaart niet worden belemmerd en er mag geen hinder zijn voor de navigatieapparatuur. Naast de specifieke zorgplicht gelden regels voor ongewone voorvallen. Bij een ongewoon voorval is snel optreden nodig. De uitvoerder van de activiteit waar het ongewoon voorval ontstaat, is daar als eerste verantwoordelijk voor. Een gebeurtenis is een ongewoon voorval als de volgende criteria allemaal gelden: 1.

Bij een activiteit gebeurt iets dat afwijkt van het normale verloop. 2. De gebeurtenis heeft (mogelijk) nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. 3. De gevolgen van de gebeurtenis zijn significant. De algemene regels voor bouwwerken in en bij oppervlaktewateren gelden altijd. Deze regels zijn bedoeld om verontreiniging van het oppervlaktewater te voorkomen. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 6.2.1 van het Bal. Er is een verplichting om een werkinstructie te hebben bij het bouwen en slopen van bouwwerken. Verder heeft de initiatiefnemer in het beperkingengebied voor bepaalde werken en werkzaamheden een vergunning wateractiviteit nodig van Rijkswaterstaat.

33

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 5 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden Voor de beoogde ontwikkeling is een bureauonderzoek Landschap, Cultuurhistorie en Archeologie uitgevoerd (zie Bijlage 1). Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden die zich in het wijzigingsgebied kunnen bevinden. Het onderzoek dient tevens om een specifieke verwachting voor archeologie op te stellen.

5.1

Landschap

Het wijzigingsgebied ligt in de Maasvallei op het laagterras dat het huidige overstromingsvlak is van de Maas. In het wijzigingsgebied heeft de Maas sinds het Weichselien een laag van zandig fijn tot grof grind afgezet dat deel uitmaakt van het Laagpakket van Oost-Maarland. Gedurende het Holoceen veranderde de Maas in een meanderende rivier die klei en leem afzet op haar overstromingsvlaktes. Door dit fluviatiele proces is een relatief laaggelegen rivierdalbodem ontstaan binnen het deelgebied. Naast deze landschapsvorm zijn er ook afgravingen/egaliseringen geweest met als resultaat een laagte in het zuidwesten van het wijzigingsgebied en een vlakte in het zuidoosten. Op de vlakte en de rivierdalbodem zijn ooivaaggronden te vinden. Deze bodem heeft een lagere grondwaterstand dan de poldervaaggrond in de laagte die is ontstaan door afgraving. De verschillende processen leveren een dynamisch landschap van hoogtes en laagtes op, waarbij de N296 en de bewoning bij de brug met hun hoogte uitsteken boven het landschap.

5.2

Cultuurhistorie

De cultuurhistorische waarden van gemeente Echt-Susteren zijn beschermd via de (paraplu)bestemmingsplannen. De aangewezen gronden zijn, naast de andere bestemmingen, bestemd voor het in stand houden en versterken van de aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen, patronen en gebieden. Hieronder vallen ook verkavelingen, wegenpatronen en stedenbouwkundig beeld. Cultuurhistorischewaarden Op basis van de archeologische vindplaatsen in het gebied kan aangenomen worden dat er tijdens de Romeinse tijd een brug aanwezig is geweest. Het eerste visuele bewijs van een brug rondom deze locatie stamt echter uit 1672, wanneer op een grondplan een brug met bastion zichtbaar is richting een schans omringt met water van de Maas. De brug is vermoedelijk verdwenen tussen de 17e en 19e eeuw; een nieuwe brug is pas weer aanwezig in 1889. Deze 19e eeuwse brug is vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog. De schans is nog gedeeltelijk zichtbaar in het landschap, maar is ook deels verdwenen door de ophoging rondom de weg en de aanwezige bebouwing. De bebouwing betreft drie gebouwen, waarvan twee woonhuizen die in goede staat verkeren, het derde gebouw is in slechte staat. De huizen hebben geen monumentale status.

Andere historische elementen binnen en rondom het wijzigingsgebied betreffen een voormalige steenbakkerij (1850) in het zuidwesten van het wijzigingsgebied, waaraan de vergraven vlakte in dit gebied gerelateerd kon worden, een spoorlijn (1930-1950) en deel van de huidige N296 (1842) en de Schansberg (< 1842). De nieuwe brug en aaneensluitende weg komen op de locatie van de historische weg (Schansberg) en (deel van) de voormalige spoorlijn te staan. Andere cultuurhistorische elementen zijn niet aanwezig op deze locatie. Gezien de ligging op de overstromingsvlakte van de Maas was het gebied niet heel aantrekkelijk voor bewoning, echter werd dit land vanaf de Middeleeuwen wel in gebruik genomen als wei- en hooilanden. Het wijzigingsgebied heeft onregelmatige verkaveling langs de oever van de Maas en overwegend geen verkaveling in de rest van het wijzigingsgebied.

34

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Conclusie en advies cultuurhistorie Voor de cultuurhistorische en landschappelijke elementen in het wijzigingsgebied zijn drie opties mogelijk (behouden, beperken en compenseren): De eerste optie is behoud door het aanpassen van het ontwerp. De locatie van de huidige brug wordt aangehouden voor de nieuwe brug. Hierdoor wordt het ensemble van de locatie van de brug, de Schansberg weg en de houtopstand van verdwenen historische weg gespaard. Een tweede optie is het beperken van het verlies van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden door kleinschalige ontwerpaanpassingen. Beperking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden is mogelijk door de ligging van de weg richting de nieuwe brug over de historische Schansberg weg te leggen. Door alleen het hoognodige te kappen wordt de historische houtopstand zo min mogelijk aangetast. Een derde optie is compensatie. In dit geval wordt een cultuurhistorisch element hersteld of opnieuw beleefbaar gemaakt. Een deel van de Schansbergweg en de houtopstand daarnaast wordt bij de toekomstige ingrepen aangetast en de historische brug wordt gesloopt. Deze ingrepen zouden gecompenseerd kunnen worden. Het aanhouden van de locatie van de huidige brug is niet mogelijk, omdat er ten alle tijde een verbinding over de Maas aanwezig dient te zijn.

Naast de beperking op het verstoren van cultuurhistorische elementen wordt geadviseerd om te kijken naar compensatiemogelijkheden en de daar uitkomende plannen voor de ontwikkeling en de zichtbaarheid van zowel de verdwenen als (nog) aanwezige cultuurhistorische elementen. Door de verdwenen cultuurhistorische elementen op een nieuwe manier te reconstrueren of in te zetten op herstel van andere cultuurhistorische elementen, blijft het verhaal van deze locatie toch beleefbaar. Daarnaast wordt ook geadviseerd om de kansen in de toekomstige ontwikkelingen mee te nemen om zo een goede omgang binnen het wijzigingsgebied met cultuurhistorie te creëren. Deze kansen zijn: Versterken van de zichtbaarheid van de schans. In de huidige situatie staat op een klein gedeelte van de rand enkele bomen. De contour van de schans kan door middel van beplanting worden versterkt. Hierdoor wordt de contour en ligging van de schans zichtbaarder. De nieuwe brug wordt op een andere locatie gebouwd waardoor een deel van de historische waarde van deze plek verdwijnt. Ter herinnering aan de oude brug kunnen objecten of markeringspunten aan zowel de Belgische als Nederlandse kant geplaatst worden. Hierdoor blijft de oude ligging van de brug zichtbaar in het landschap.

Een optie is twee paar bomen aan beide kanten van de Maas waarbij de breedte tussen de twee bomen overeenkomt met de oude breedte van de brug. De bomen vormen dan ook een klein eerbetoon aan de typerende lantaarns in de vorm van kandelaars van de ijzeren brug van 1894. Dit voegt een oude tijdslaag toe aan het landschap in een nieuw jasje. Dezelfde methode kan gebruikt worden voor de Schansberg weg en de houtopstand. Doorwerking in het omgevingsplan De aanwezige cultuurhistorische waarden zijn beschermd door het opnemen van een toegesneden regeling in het omgevingsplan (zie Artikel 15).

5.3

Archeologie

De archeologische verwachtingskaart van de gemeente Echt-Susteren is opgesteld door archeologisch adviesbureau RAAP in 2011 en omvat de archeologische verwachting en de bijbehorende vrijstellingsgrenzen. Voor alle waarden geldt dat de vrijstellingsdiepte 40 cm -Mv bedraagt. Het vrijstellingsoppervlak is voornamelijk 500 m2. Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan heeft het onderzoeksgebied twee dubbelbestemmingen archeologie, namelijk 'Waarde – Archeologie 3' en 'Waarde – Archeologie 5'. Hiervoor gelden een vrijstellingsdiepte van 40 cm -mv en de vrijstellingsoppervlakte van 500 m2 (WA-3) of 1000 m2 (WA-5). De geplande ingreep gaat over de vergunningsvrije grens heen en is hiermee onderzoeksplichtig.

35

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Archeologische verwachting Rondom het wijzigingsgebied zijn twee Romeinse vindplaatsen bekend. De vondsten betreffen in beide gevallen eikenhouten palen en ijzeren paalschoenen. De vondsten worden geïnterpreteerd als oeverbeschoeiing en een brugcomplex. Bij een van de vindplaatsen werden ook bouwstenen aangetroffen, echter zijn deze waarschijnlijk recent. Er zijn verder geen vindplaatsen bekend. Op basis van de landschappelijke context (rivierdalbodem, overstromingsvlakte) en de archeologische verwachtingskaarten kunnen archeologische resten vanaf de Romeinse Tijd voorkomen. Voor de Romeinse Tijd geldt een middelhoge archeologische verwachting. Voor de vroege en volle Middeleeuwen geldt vanaf maaiveld een middelhoge verwachting op sporen, structuren en losse vondsten gerelateerd aan agrarisch landgebruik, rituelen en economische activiteiten. Het wijzigingsgebied heeft verder een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog, aangezien het gebied rondom Maaseik en de brug een rol in beide oorlogen hebben gespeeld. Resten van de bruggen uit deze perioden en van militaire activiteiten kunnen dan ook aanwezig zijn. Conclusie en advies archeologie Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart en de verwachtingskaart van het Maasdal worden archeologische resten vanaf de Romeinse Tijd verwacht.

Uitgaande van de specifieke archeologische verwachting die uit het bureauonderzoek is gekomen, worden met name losse vondsten en resten van eerdere bouwwerken verwacht. Booronderzoek is daarvoor geen goede onderzoeksmethode derhalve zal op die locaties afgeweken worden van de AMZ-cyclus. Het eerste advies geldt voor de locatie van de bouwputten voor de fundering van het landhoofd en de pijler. Gezien de verwachting op het aantreffen van restanten van een Romeinse brug op deze locatie wordt geadviseerd deze locatie in de planontwikkeling te ontzien. Indien dit niet mogelijk is adviseren wij om op de locatie van de bekende vindsplaatsen een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om zo eventueel aanwezige resten van de Romeinse brug in beeld te brengen. Voor het uitvoeren van dit onderzoek dient een PvE opgesteld te worden. Daarnaast wordt geadviseerd om bij de sloopwerkzaamheden bij de huidige brug en mogelijke vergraving van de schans en gedempte gracht een intensieve archeologische begeleiding uit te voeren om zo eventuele oudere bouwfasen van de brug en de restanten van de schans te kunnen documenteren. Ook hiervoor dient een PvE opgesteld te worden waarin het onderzoek zich specifiek richt op de bouwresten. Voor de locaties waar teelaarde wordt afgegraven, wordt vrijgave van het gebied geadviseerd.

De ingrepen blijven beperkt tot 20 cm-mv, waardoor de kans op het aantasten van de eventueel aanwezig archeologische resten laag is. De geplande diepte blijft ook binnen de vrijstellingsgrenzen, waardoor archeologische vervolgonderzoek niet verplicht is. Voor het gedeelte van het wijzigingsgebied dat is afgegraven voor kleiwinning geldt geen verwachting meer op archeologische resten, ook hiervoor adviseren we dit gedeelte vrij te geven. Voor de vrijgegeven gebieden geldt wel dat niet kan worden uitgesloten dat er nog archeologische vondsten bij toeval worden aangetroffen. In dat geval dienen deze bij de gemeente Echt-Susteren te worden gemeld. Doorwerking in het omgevingsplan De aanwezige archeologische waarden zijn beschermd door het opnemen van een toegesneden regeling in het omgevingsplan (zie Artikel 13 en Artikel 14).

36

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Hoofdstuk 6

Aspecten van de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

6.1

Natuur

6.1.1

Quickscan natuurwetgeving

Om de nieuwe brug te realiseren, wordt een deel van het natuurgebied De Rug tijdelijk als werkterrein ingezet. De Rug maakt onderdeel uit van Natuur Netwerk Nederland (hierna NNN) en de Pater Sangersbrug zelf gaat over de Grensmaas, een Natura-2000 gebied, heen. Hierdoor kan de voorgenomen ingreep negatieve effecten hebben in het kader van de natuurwetgeving. In de quickscan natuurwetgeving (zie Bijlage 2) is middels een bureaustudie en een veldbezoek bepaald of mogelijk beschermde soorten in het Nederlandse deel van het wijzigingsgebied voorkomen die negatieve effecten kunnen ondervinden van de geplande ingreep. Tevens is bepaald in hoeverre effecten zijn te verwachten op NNN en Natura 2000. Op basis hiervan is een advies gegeven ten aanzien van noodzakelijke vervolgstappen in het kader van de natuurwetgeving en de NNN, waaronder noodzakelijk vervolgonderzoek en mogelijke mitigerende maatregelen. Natura 2000-gebieden Het wijzigingsgebied ligt binnen het Natura 2000-gebied: “Grensmaas”. Andere Natura 2000-gebieden die in de buurt liggen betreffen de gebieden “Abdij Lilbosch” (8 km hemelsbreed) en “Roerdal” (17 km hemelsbreed). Dit zijn enkel de Natura 2000-gebieden gelegen in Nederland. De ligging van het wijzigingsgebied t.o.v. Natura-2000 gebieden is weergegeven in de volgende afbeelding.

Hierin zijn enkel de Nederlandse Natura 2000-gebieden opgenomen (effecten op Vlaamse gebieden zijn onderdeel van de Belgische natuurtoets voor dit project). Natura 2000-gebieden in Duitsland liggen op meer dan 25 kilometer van het wijzigingsgebied en zijn niet meegenomen.

37

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Locatie van het wijzigingsgebied (rode cirkel) en de Natura 2000-gebieden in Nederlands Limburg (groen aangegeven gebieden).

Door de ligging (afstand tot gevoelige habitattypen van de Natura 2000-gebieden) en de voorgenomen ingreep zijn effecten als gevolg van emissies van stikstof, met als gevolg verzuring en vermesting, op voorhand niet uitgesloten. De effecten ontstaan als gevolg van sloop- en bouwactiviteiten en de transportbewegingen van materieel tijdens de aanlegfase en de extra bewegingen zoals verkeer in de gebruiksfase. Om deze effecten te kunnen beoordelen zijn Aerius-berekeningen uitgevoerd (zie paragraaf 6.1.3). Directe effecten op aangewezen habitattypen en habitatrichtlijnsoorten zijn op voorhand niet uit te sluiten. Het wijzigingsgebied ligt binnen het Natura 2000-gebied Grensmaas. Binnen het wijzigingsgebied ligt zoekgebied van het habitattype "H3260B - Beken en rivieren met waterplanten Grote fonteinkruiden". Daarnaast zijn voor dit Natura 2000-gebied de soorten rivierprik, zalm, rivierdonderpad en bever aangewezen als Habitatrichtlijnsoorten. Het is noodzakelijk om de effecten van de werkzaamheden te toetsen op aangewezen habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten. Hierbij kan worden opgemerkt dat alle habitattypen in Natura2000-gebied Grensmaas niet tot weinig gevoelig zijn voor stikstof. Natuurnetwerk Limburg

38

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Binnen de Provincie Limburg mogen nieuwe ruimtelijke plannen niet leiden tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg. Het wijzigingsgebied ligt binnen het Natuurnetwerk Limburg. Hierin zijn twee beheertypen aangewezen op basis van de beheerplannen van 2023: 1. N01.03: Rivier- en moeraslandschap (de uiterwaarden binnen het wijzigingsgebied); 2. N02.01: Rivier (de Grensmaas). Een nadere beoordeling (NNN-toetsing) is noodzakelijk om te bepalen of de werkzaamheden leiden tot wijziging van de wezenlijke kenmerken en waarden van de beheertypen binnen het wijzigingsgebied. Soortenbescherming Binnen het wijzigingsgebied komen de volgende beschermde soorten voor: Algemeen beschermde broedvogels Verblijfplaatsen van broedvogels met jaarrond beschermde nesten van boerenzwaluw, boomvalk, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, ringmus, sperwer, spotvogel, steenuil en torenvalk. Andere broedvogels met jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten binnen het wijzigingsgebied. Beschermde grondgebonden zoogdieren komen in het wijzigingsgebied voor. Verblijfplaatsen van das, steenmarter en andere soorten met een vrijstelling zijn hier niet uit te sluiten. Functies van andere beschermde soorten zijn uitgesloten. Beschermde vleermuissoorten komen mogelijk voor in het wijzigingsgebied. Alle verblijfplaatstypen (m.u.v.

massawinterverblijfplaatsen) van soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis in gebouwen zijn niet uit te sluiten. Verblijfplaatsen van overige soorten (hoofdzakelijk boombewonende soorten) zijn uitgesloten binnen het wijzigingsgebied. Vliegroutes op het land zijn uitgesloten. De Maas dient als vliegroute voor verschillende soorten vleermuizen. Binnen het wijzigingsgebied ontbreekt essentieel foerageergebied. Algemene soorten amfibieën met een vrijstelling zijn niet uit te sluiten. Beschermde soorten zonder vrijstelling zijn uitgesloten binnen het wijzigingsgebied. Van de overige soorten is binnen het wijzigingsgebied enkel de grote vos niet uit te sluiten in de fruitboomgaard rondom de kersenboom. Andere beschermde soorten zijn uitgesloten door het ontbreken van juiste biotoop en/of waardplanten. In de onderstaande tabel is een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen.

39

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Voor broedvogels zonder en met jaarrond beschermd nest, vleermuizen, das, steenmarter en grote vos is mogelijk sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Er geldt binnen de provincie Limburg een vrijstelling voor de binnen het wijzigingsgebied algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Door het uitvoeren van mitigerende maatregelen zijn effecten te beperken. In de volgende tabel staan de mitigerende maatregelen die per soort(groep) genomen kunnen worden om overtredingen van verbodsartikelen van de natuurwetgeving te voorkomen.

40

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

In de volgende tavvel zijn de soort(groep)en opgenomen waarvoor soortgericht onderzoek noodzakelijk is, indien de mitigerende maatregelen niet toepasbaar zijn.

41

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Relatie met het omgevingsplan Gebiedsbescherming Natura 2000 De kwalificerende natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden zijn niet tot gevoelig voor stikstofdepositie. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten op deze kwalificerende natuurwaarden op voorhand niet uit te sluiten. Derhalve dienen Aerius-berekeningen te worden uitgevoerd om te berekenen of sprake is van een stikstoftoename in de Natura 2000-gebieden in de omgeving (zie paragraaf 6.1.3). Daarnaast is mogelijk sprake van directe effecten op aangewezen habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten binnen het Natura 2000-gebied Grensmaas. Om mogelijke negatieve effecten van de activiteiten op beschermde gebieden in het kader van de natuurwetgeving te toetsen, is het opstellen van een passende beoordeling noodzakelijk (zie paragraaf 6.1.4). Natuurnetwerk Limburg Het wijzigingsgebied ligt binnen het Natuurnetwerk Limburg met aangewezen beheertypen. Voor de effectbeoordeling is het noodzakelijk om te toetsen of de werkzaamheden leiden tot wijziging van de wezenlijke kenmerken en waarden van de beheertypen binnen het wijzigingsgebied. Hiervoor dient aanvullend een NNN-toetsing te worden uitgevoerd (zie paragraaf 6.1.5). Soortbescherming Op basis van de quickscan is te concluderen dat beschermde soorten mogelijk essentiële functies hebben in het wijzigingsgebied.

Indien de voorgestelde mitigerende en zorgplichtmaatregelen volledig worden uitgevoerd, is overtreding van de natuurwetgeving voor een aantal soorten uitgesloten. Indien dit niet mogelijk is, dient soortgericht onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten en functies in het wijzigingsgebied te worden uitgevoerd. Uit de resultaten van het soortgericht onderzoek volgt een definitieve conclusie of een ontheffing soortbescherming noodzakelijk is om de activiteiten uit

42

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

te kunnen voeren (zie paragraaf 6.1.6).

6.1.2

Oplegnotitie quicksan natuurwetgeving

Gedurende 2023 zijn er enkele scopewijzigingen geweest. De definitieve quickscan (zie paragraaf 6.1.1) is hierop niet aangepast, maar de definitieve scope wordt wel toegepast bij de benodigde vervolgstappen. Met name de scopewijzingen in het Nederlandse deel van het wijzigingsgebied zijn van belang voor de ecologische beoordeling stikstof, Natura 2000, NNN-toetsing en soortgericht onderzoek beschermde soorten inclusief activiteitenplan, waarin deze scopewijziging is meegenomen. In de quickscan is evenwel uitgegaan van een worstcase-benadering, waarbij alle aanwezige panden zouden worden gesloopt, terwijl dit in de definitieve scope niet zo is. Voor het soortgerichte onderzoek beschermde soorten heeft de scopewijziging derhalve geen consequenties. In de quickscan is geen planning opgenomen, aangezien deze bij het opstellen van de quickscan nog niet bekend was. Inmiddels is er meer duidelijkheid. De uitvoering start in 2025 met voorbereidende werkzaamheden, waarbij geen fysieke ingrepen in het terrein aan de orde zijn. De bouw van de nieuwe brug en aanleg van nieuwe wegen start in 2026. In 2027 is sprake van de afwerking van de bouw en de sloop van de huidige brug (en indien aan de orde woningen). In 2027 is de openstelling van de weg gepland. Meer concreet is de planning nog niet bekend.

Voorstaande is opgenomen in een oplegnotitie (zie Bijlage 3) waarin tevens de vragen zijn beantwoord zoals gesteld door de gemeente.

6.1.3

Aeriusberekeningen

Voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase van het project Pater Sangersbrug is een Aeriusberekening uitgevoerd (zie Bijlage 4). De belasting van de Natura 2000-gebieden rondom de emissiebronnen is berekend met behulp van een verspreidingsmodel. De verspreidingsberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de online-applicatie Aerius- Calculator (versie 2023). Uitgangspunten In de realisatiefase wordt stikstofdepositie veroorzaakt vanwege het gebruik van dieselmaterieel tijdens de werkzaamheden en de uitstoot van het bouwverkeer. In de gebruiksfase van dit project wordt NOx en NH3 uitgestoten vanwege het verkeer dat over de brug rijdt. Resultaten De maximale berekende waarde in de realisatiefase is 0,03 mol/ha. Dit gaat over de totale projectbijdrage in de realisatiefase. In de verschilberekening voor de gebruiksfase zijn geen verschillen boven de 0,00 mol/ha/jaar berekend. Daarnaast zijn rekenpunten toegevoegd op Natura 2000-gebieden in het buitenland. De maximale berekende waarde in de realisatiefase is 1,76 mol/ha. De maximale berekende waarde in de verschilberekening voor de gebruiksfase is 0,27 mol/ha/jaar. Relatie met het omgevingsplan Op basis van de resultaten van de aeriusberekeningen is een nadere ecologische beoordeling noodzakelijk. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.1.4.

43

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

6.1.4

Passende beoordeling

De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000 ten aanzien van plannen en projecten, die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van deze gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die er van kracht zijn. De Omgevingswet maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen en anderzijds projecten. In dit geval is er sprake van een plan (omgevingsplan). Voor de vaststelling van plannen geeft de Omgevingswet een toetsingsplicht. De Omgevingswet stelt dat een bestuursorgaan een plan, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend mag vaststellen indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast niet is verkregen in de passende beoordeling, kan een plan alleen worden vastgesteld c.q. vergunning alleen worden verleend wanneer aan de ADC-criteria wordt voldaan.

Dit laatste betekent dat voor het project geen Alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, het project Dwingende redenen van groot openbaar belang dient en Compensatie van de schade aan de natuurlijke kenmerken van het gebied plaatsvindt De passende beoordeling (zie Bijlage 5) betreft een toetsing van de effecten op Natura 2000, net name de effecten van stikstofdepositie als gevolg van de inzet van materieel en machines bij de werkzaamheden die stikstof emitteren. Daarnaast is mogelijk sprake van directe effecten op aangewezen habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten binnen het Natura 2000-gebied Grensmaas. Het doel van het rapport is de effecten op Natura 2000 te beschrijven en waar nodig te toetsen aan de vigerende wet- en regelgeving, om inzichtelijk te krijgen in hoeverre een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist. Onderzoek In de passende beoordeling is onderzocht of de sloop en nieuwbouw van de Pater Sangersbrug over de Grensmaas tussen Maaseik en Roosteren significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Grensmaas en omliggende Natura 2000-gebieden.

Op grond van de reikwijdte van de mogelijke effecten van het project zijn effecten mogelijk in de Natura 2000-gebieden Grensmaas, Roerdal, Meinweg, Leudal, Swalmdal, Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, Bunderen Elslooërbos, Geuldal, Geleenbeekdal, Brunsummerheide en Sarsven & De Banen. Deze Natura 2000-gebieden vormen het onderzoeksgebied voor de passende beoordeling. Aantasting natuurlijke kenmerken door effecten van werkzaamheden op de Grensmaas Als gevolg van de sloop en nieuwbouw van de Pater Sangersbrug zijn er directe effecten mogelijk op het habitattype H3270 Slikkige rivieroevers en de Habitatrichtlijnsoort H1163 Rivierdonderpad als gevolg van oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid en trilling, optische verstoring en verandering in populatiedynamiek. Het is onduidelijk in hoeverre actueel sprake is van aanwezigheid van het habitattype Slikkige rivieroevers in het projectgebied aan de Nederlandse zijde van de Maas. Blijkens de begrenzingskaart valt de Nederlandse oever ter plaatse van het projectgebied niet binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Grensmaas. Op basis daarvan is er geen sprake van een (negatief) effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype Slikkige rivieroevers.

Desalniettemin kan ter plaatse sprake zijn van potentiële groeiplaatsen van het habitattype buiten de Natura 2000-begrenzing, waarop een tijdelijk en permanent effect plaatsvindt als gevolg van de werkzaamheden. Een permanent effect van de nieuwe brug is evenwel uitgesloten, gezien de geringe oppervlakte van het ruimtebeslag ten opzichte van het voorkomen (8,5 ha) en het feit dat na het verwijderen van de oude brug wederom potentiële groeiplaatsen ontstaan. Ter plaatse van het wijzigingsgebied is thans geen geschikt leefgebied van de rivierdonderpad aanwezig

44

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

en de soort komt er ook niet actueel voor. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de bouw van de nieuwe brug en de sloop van de oude brug geen effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de rivierdonderpad. Aantasting natuurlijke kenmerken door effecten van stikstof In de realisatiefase treedt emissie van stikstof op. Deze emissie leidt tot een stikstofdepositie in de omgeving. Voor de tien Natura 2000-gebieden waar sprake is van projectdepositie gaat het om een maximale toename van stikstofdepositie van 0,03 mol/ha/jaar in de realisatiefase van het project op overbelaste habitattypen en leefgebieden. De gebruiksfase is niet behandeld in de passende beoordeling, omdat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase. Het gaat immers om de omlegging van een bestaande weg. Op basis van een generieke beoordeling blijkt dat de tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van het project gering is en niet leidt tot een verandering van het ecologische systeem. Vervolgens is een specifieke beoordeling gemaakt van de tijdelijke toename op de onderhavige habitattypen in de tien Natura 2000-gebieden. Het effect van de toename van de stikstofdepositie in de tien Natura 2000-gebieden is in de passende beoordeling onderzocht per habitattype en leefgebied. Dit is gedaan op basis van literatuurgegevens.

Op basis van deze gegevens is vastgesteld dat ondanks de overbelaste situatie niet overal sprake is van een slechte kwaliteit. Naast stikstofdepositie spelen daarnaast verschillende andere knelpunten een – meer bepalende - rol bij het halen van de instandhoudingsdoelstelling. De tijdelijke toename van stikstofdepositie op alle tien Natura 2000-gebieden is beperkt. De zeer geringe en tijdelijke verandering van de stikstofdepositie leidt in géén van de tien Natura 2000-gebieden tot significante gevolgen in de Natura 2000-gebieden. Cumulatieve effecten Cumulatie van effecten van andere projecten is niet aan de orde, omdat er alleen sprake is van tijdelijke stikstofdepositie in de realisatiefase. Relatie met het omgevingsplan De sloop en nieuwbouw van de Pater Sangersbrug kan gerealiseerd worden zonder significante gevolgen op de voor het Natura 2000-gebied Grensmaas aangewezen habitattypen en Habitatrichtlijnsoorten. Daarnaast is ook géén sprake van significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van overige Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissie die vrijkomt bij de werkzaamheden voor de sloop en nieuwbouw van de Pater Sangersbrug. Het project kan daarmee zonder meer uitgevoerd worden in overeenstemming met de bepalingen van de Omgevingswet, onderdeel gebiedsbescherming. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is derhalve niet vereist.

6.1.5

Toetsing Natuurnetwerk Limburg (NNL) en Groenblauwe mantel

In navolging van de Quicscan natuurwetgeving heeft een nadere toetsing plaatsgevonden van effecten als gevolg van dit voornemen aan de in de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Limburg beschermde waarden in het wijzigingsgebied van de Pater Sangersbrug vallende onder het Natuurnetwerk Limburg (NNL) en de Groenblauwe mantel (zie Bijlage 6). De doelstelling van deze toetsing is vast te stellen in hoeverre deze effecten optreden en zo ja, welke consequenties dat heeft voor het project (in hoeverre compenserende maatregelen nodig zijn). Onderzoek Als gevolg van de ingreep is er sprake van fysiek ruimtebeslag op het Natuurnetwerk Limburg. Daarnaast vindt er een toename in verstoring (lichtverstoring) plaats en vindt er een versnipperend effect

45

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

plaats. Het gaat daarbij op basis van de Omgevingsverordening uitsluitend om permanente effecten, tijdelijke effecten hoeven niet te worden getoetst. Tot slot is er sprake van fysiek ruimtebeslag op de Groenblauwe mantel. Ruimtebeslag NNL Door de ingreep wordt de brug circa 70 meter naar het zuidwesten verplaatst. Ook wordt de nieuwe brug circa twee keer zo breed als de huidige brug. Omdat de huidige weg naar de nieuwe bruglocatie te smal is, dient deze verbreed te worden. De gebiedsdelen waar dit gebeurt veranderen hierdoor van bestemming natuur naar de functie 'Verkeer' en kunnen fysiek geen onderdeel meer zijn van het Natuurnetwerk Limburg. De aanpassingen in infrastructuur betekenen dat er 6.324 m2 Natuurnetwerk Limburg begrensd als N01.03 verloren gaat door de aanleg van de nieuwe brug. De huidige brug wordt na aanleg van de nieuwe brug verwijderd. Hierdoor komt er 465 m2 ruimte vrij, vallende binnen de begrenzing van N01.03. Er is daarnaast sprake van enig ruimtebeslag op N02.01 Rivier, maar dit is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Limburg. Onderstaande tabel geeft de weergave van het totale ruimtebeslag op het Natuurnetwerk Limburg als gevolg van de werkzaamheden.

Verstoring NNL Als gevolg van het verplaatsen van de Pater Sangersbrug verandert de functionaliteit van de brug niet. De hoeveelheid verkeersbewegingen en de hoeveelheid verlichting op de brug nemen naar verwachting niet toe. Hierdoor zal er geen toename zijn van verstoring op het Natuurnetwerk Limburg als gevolg van de verplaatsing van de brug. Daarnaast zal de nieuwe verlichting langs het stuk nieuwe N269 niet tot verstoring leiden van het aanwezige beheertype en de daarbij horende karakteristieke eigenschappen (sedimentatie, erosie, overgangen in de vegetatie als gevolg van inundatie). Barrièrewerking NNL De N269 en de huidige Pater Sangersbrug dragen in de huidige situatie bij aan de versnippering van het Natuurnetwerk Limburg, omdat deze het natuurgebied 'De Rug' doorkruisen. De huidige N269 is niet voorzien van faunapassages of faunarasters (wel prikkeldraad voor grote grazers). De voorgenomen ingreep heeft geen negatieve werking hierop en vergroot de mate van versnippering niet. Zowel onder de huidige als de nieuwe brug is sprake van een onderdoorgang die functioneel is als faunapassage voor (onder andere) de aanwezige grote grazers om tussen de twee gebiedsdelen te migreren. Hierdoor blijft de begrazingsdruk in het noordelijk en zuidelijk deel na de werkzaamheden gelijk. Dit resulteert niet in een afname van de kwaliteit van de beheertypen in het wijzigingsgebied.

Effectbeschrijving Groenblauwe mantel De delen van de Groenblauwe mantel die als gevolg van de werkzaamheden aangetast worden en dus effecten ondervinden betreffen onder andere Dalenlandschap. Aan de hand van het landschapskader is vastgesteld dat de veranderingen als gevolg van de ingreep geen effect hebben op de kernkwaliteiten van het Dalenlandschap, omdat deze ook bebouwde gebieden omvat en daarmee infrastructuur. Het deel van het wijzigingsgebied dat door Bos- en Mozaïeklandschap gaat maakt onderdeel uit van de locaties waar de ingreep permanent is. Hierdoor is er sprake van ruimtebeslag op de Groenblauwe mantel. Een van de kernkwaliteiten van het Bos- en Mozaïeklandschap is volgens het landschapskader dat het variatie in het gebied creëert, waardoor het een breed scala aan soorten kan herbergen. Deze variatie

46

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

wordt beïnvloed, omdat de houtopstand dusdanig in afmetingen afneemt, dat er negatieve effecten zijn op de essentiële functies van soorten. Het deel van de houtopstand dat gekapt dient te worden heeft een dichte ondergroei en is uniek binnen de 250 meter straal die gehanteerd wordt in het landschapskader Noord- en Midden-Limburg. De delen die na de ingreep over blijven, bestaat voornamelijk uit bomen die in rijen aangeplant zijn zonder ondergroei. Hierdoor gaat er een duidelijk landschapselement verloren waardoor het verlies van delen van de Groenblauwe mantel getoetst dient te worden. De aanpassing in infrastructuur betekent dat er 195 m2 Groenblauwe mantel begrensd als Bos- en Mozaïeklandschap verloren gaat door de aanleg van de nieuwe brug. Er komt geen ruimte vrij binnen de Groenblauwe mantel met de kernkwaliteit 'bos' als gevolg van het verwijderen van de huidige infrastructuur.

Toetsing NNL en Groenblauwe mantel Voor netto ruimtebeslag en verstoring geldt dat artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening Limburg van toepassing is: “Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Limburg, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.” Van belang is dat wordt aangetoond dat de verstoring waar mogelijk is beperkt en dat voor overblijvende effecten wordt gecompenseerd volgens artikel 4 van de Beleidsregel natuurcompensatie 2018 (Provincie Limburg, 2018). De volgende stap is dat wordt gecompenseerd volgens de regels van artikel 4 van de Beleidsegel natuurcompensatie 2018. In artikel 3. Aanpak compensatie zijn hiervoor de volgende stappen gedefinieerd: 1. Een activiteit in één of meerdere van de in artikel 2, onder 1 genoemde gebieden dient in beginsel financieel gecompenseerd te worden op de wijze als beschreven in deel 2 van deze beleidsregel. 2. Indien financiële compensatie als bedoeld in het eerste lid niet mogelijk is of om andere redenen niet de voorkeur heeft, vindt compensatie in natura plaats op de wijze als beschreven in deel 3 van deze beleidsregel. 3.

Voor zover sprake is van een activiteit in de gebieden zoals bedoeld in artikel 2, onder 2 vindt compensatie in natura plaats op de wijze als beschreven in deel 3 van deze beleidsregel. De geplande werkzaamheden voor het plaatsen van de nieuwe brug over de Maas tussen Maaseik en Roosteren leidt tot een afname van totaal 5.859 m2 Natuurnetwerk Limburg en 195 m2 Groenblauwe mantel ten opzichte van de huidige situatie. Dit wordt verwacht op basis van de huidige ontwerpen en het areaal wat hierin betrokken wordt. Het wordt verwacht dat de verbreding van de nieuwe N269 en het aanbrengen van halfverharding de natuurwaarde van het NNN op het nieuw betrokken areaal dusdanig verlaagt, dat deze de voorschriften van de kwaliteitsbepaling niet meer zal behalen en waardoor deze niet meer tot het geambieerde beheertype gerekend kunnen worden. Daarnaast zal het areaal ambitiegebied ongeschikt worden om een beheertype toegewezen te krijgen. Ook wordt verwacht dat de kernkwaliteiten van 'Bos- en Mozaïeklandschap niet meer behaald kunnen worden binnen de Groenblauwe mantel. Compensatie opgave Omdat er een afname van natuur binnen het Natuurnetwerk Limburg en de Groenblauwe mantel optreedt, dient er compensatie uitgevoerd te worden in de directe omgeving van het wijzigingsgebied en dient deze zo veel mogelijk in verbinding te staan met bestaande en vergelijkbare natuurwaarden.

In de Beleidsregel natuurcompensatie 2018 (artikel 4) wordt beschreven op welke wijze het compenseren oppervlak berekend dient te worden. Hierbij wordt natuur in het Natuurnetwerk Limburg in vier categorieën ingedeeld op basis van de vervangbaarheid. Op basis hiervan geldt er een toeslag percentage boven op het verloren oppervlak, wat leidt tot het totaal oppervlak dat gecompenseerd dient te worden. De minimale voorziene compensatie opgave voor het ruimtebeslag van de verplaatsing van de Pater Sangersbrug bedraagt 7.988 m2. Voor de Groenblauwe mantel geldt hierin een 1 op 1

47

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

compensatie, waarvoor het aantal verdwenen meters gecompenseerd dient te worden in natura, terwijl ruimtebeslag op het Natuurnetwerk Limburg (ook) financieel kan worden gecompenseerd. Door GS van Limburg zijn op 21 maart 2023 de nieuwe normbedragen per hectare vastgesteld voor de financiële natuurcompensatie in 2023 (GS van Limburg, 2023). Het wijzigingsgebied ligt in de gemeente Echt-Susteren en daarmee in regio 2 (Roermond, Roerdalen, Echt-Susteren). Het normbedrag voor regio 2 is in 2023 € 105.487,-- per hectare. Doorwerking in het omgevingsplan De financiële compensatieverplichting wordt vastgelegd in een overeenkomst. De conceptovereenkomst is gekoppeld aan het ruimtelijk plan en dient aan de Provincie Limburg te worden voorgelegd. Voor de compensatie dient een compensatieplan te worden opgesteld. De compensatie dient geborgd te worden in het omgevingsplan. De compensatie voor Groenblauwe mantel, steenmarter en vleermuizen wordt gecombineerd uitgevoerd. In het compensatieplan (zie Bijlage 7) zijn de uitgangspunten, invulling en randvoorwaarden voor deze compensatie opgenomen. Het compensatiegebied heeft de functie 'Natuur' gekregen in deze wijziging van het omgevingsplan. Bij de provincie Limburg dient een aanvraag te worden ingediend voor herbegrenzing van het NNL.

6.1.6

Activiteitenplan soortenbescherming

Op basis van de quickscan is een soortgericht onderzoek uitgevoerd. In het activiteitenplan (zie Bijlage 8) is aan de hand van het ontwerp voor alle relevante soorten een definitieve effectbeschrijving en toetsing uitgevoerd. De quickscan en het activiteitenplan vormen samen de onderbouwing voor het antwoord op de vraag of er wel of geen omgevingsvergunning voor en flora- en fauna-activiteit is vereist en welke mitigerende en compenserende maatregelen er van toepassing zijn. Onderzoek Als gevolg van de voorgenomen ingrepen zullen negatieve effecten ontstaan op soorten beschermd onder de Omgevingswet. Wanneer specifieke gevolgen op beschermde soorten niet te voorkomen zijn, is een omgevingsvergunning vereist. Het gaat hier om de soort zoals opgenomen in de volgende tabel.

In de volgende tabel is opgenomen of soorten binnen de reikwijdte van effecten voorkomen, of effecten mogelijk aan de orde zijn, of een ontheffing nodig is voor het nemen en na het nemen van maatregelen. Voor de sloop van de bestaande Pater Sangersbrug en de aanleg van de nieuwe brug is een ontheffing noodzakelijk voor huismus, huiszwaluw, torenvalk, steenmarter en vleermuizen.

48

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

In de volgende tabel is een overzicht van alle te nemen maatregelen opgenomen. Het gaat daarbij zowel om de maatregelen voortkomend uit dit activiteitenplan, alsook de maatregelen in het kader van de zorgplicht.

49

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Relatie met het omgevingsplan De uitvoering van de maatregelen moet nog worden aanbesteed. De ontheffing wordt aangevraagd voor de duur van de werkzaamheden aan de Nederlandse zijde van de Maas, d.w.z. 1 september 2025 t/m 31 december 2027. De aanvraag van een Omgevingsvergunning moet worden voldaan aan verschillende eisen. Deze eisen staan voor Vogelrichtlijnsoorten in artikel 8.74j, Habitatrichtlijnsoorten in artikel 8.74k en Andere soorten in artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

50

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

6.2

Water

Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. De gemeente en/of de initiatiefnemer moet de opvattingen van de waterbeheerders betrekken bij het (wijzigen van het) omgevingsplan. Onderzoek Het doel van dit onderzoek is om de inpassing van de bergingsopgave te toetsen en een principe ontwerp te geven voor de berging van het afstromend hemelwater. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 9 bij deze motivering. Het plangebied bevindt zich in een boringsvrije zone, dit heeft geen invloed op de weging van het waterbelang. Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Hier gelden de regels uit de provinciale Omgevingsverordening. Voorts ligt het waterwingebied in de directe omgeving van het plangebied, maar niet binnen het plangebied zelf. Bodemopbouw Voor de bodemopbouw is gebruikt gemaakt van de gegevens uit DINOloket (dinoloket.nl). Hieruit blijkt dat de ondiepe ondergrond voornamelijk uit zand bestaat. De gegevens tonen een zandige bovengrond tot circa 32 m beneden maaiveld met een doorlatendheid tussen 5 tot 10 m/dag tot 32 m beneden maaiveld.

Op basis van de bodemopbouw en doorlatendheid kan geconcludeerd worden dat de ondergrond geschikt is voor infiltratie. Grondwater In het DINOloket zijn er geen recente peilbuizen in de directe omgeving van het wijzigingsgebied beschikbaar. Om inzicht te krijgen in de grondwaterstanden binnen het wijzigingsgebied is gebruik gemaakt van de Klimaateffectatlas, die ook een indicatie van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) in de huidige situatie geeft. Hieruit volgt een GHG van dieper dan 2 m beneden maaiveld. De grondwatertrappen binnen dit zijn grotendeels VII en deels bVI. Dit houdt in dat de GHG dieper dan 1,40 m beneden maaiveld zit (VII) en ten westen van het wijzigingsgebied tussen de 40 en 80 cm beneden het maaiveld. Deze bronnen tonen aan dat de grondwaterstand geen beperking vormt voor oppervlakkige infiltratie. Voor meer inzicht in de grondwaterstanden kan er een peilbuis geplaatst worden waarmee de grondwaterstand binnen het wijzigingsgebied kan worden gemonitord. Oppervlaktewater In de legger van Waterschap Limburg zijn de hoofdwatergangen weergegeven. Een deel van het wijzigingsgebied is gelegen over de rivier de Maas. Ten zuidoosten van het wijzigingsgebied bevindt zich een beschermingszone en waterkering kernzone. Deze vallen echter buiten het wijzigingsgebied.

Toename verharding In de toekomstige situatie wordt de Pater Sangersbrug circa 50 tot 60 meter ten zuiden van de huidige brug geplaatst en aangesloten op de Schansberg. De huidige brug zal gedurende de bouw van de nieuwe brug beschikbaar blijven. Na opening van de nieuwe brug wordt de oude brug verwijderd. Voor de toename in verharding wordt daarom enkel gekeken naar de nieuwe brug; de situatie zodra de oude brug verwijderd is. Kijkend naar de toename van verharding neemt het aandeel verharding ten opzichte van de huidige situatie af door de efficiëntere verbinding met de Schansberg. Bergingsopgave

51

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Wanneer een lozing vanuit een inrichting of activiteit zowel plaatsvindt op rijkswater als op waterschapswater, dan is het hoogste bevoegd gezag, in dit geval Rijkswaterstaat, het bevoegde gezag. Dit betekent dat Rijkswaterstaat in dit wijzigingsgebied het bevoegd gezag is. Voor de omgang met hemelwater wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Omdat het een verplaatsing en geen extra verharding betreft, is er geen versnelde afvoer naar oppervlaktewater. Hierdoor is geen extra waterberging noodzakelijk. Voor dit plan bestaat daarom geen bergingsopgave. Afwatering zal via bermen richting het naastgelegen groen plaatsvinden. Aandachtspunt hierbij is dat afstromend water geen overlast veroorzaakt voor de aanwezige woningen aan de Schansberg (nummer 3 en 5). Verwachting is dat door het huidige verschil in hoogteligging en de hoge infiltratiecapaciteit van de bodem geen wateroverlast ontstaat. Het plan heeft geen negatieve of aanvullende negatieve impact ten opzichte van de huidige situatie op de waterkwaliteit en het Natura 2000-gebied in relatie tot verdroging. Waterkwaliteit De verkeersbelasting blijft ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor zal het (negatieve) effect op de waterkwaliteit van afstromend hemelwater ongewijzigd blijven.

Verder wordt geadviseerd gebruik te maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. De toe te passen bouwwijze en te gebruiken bouwmaterialen moeten voldoen aan de geldende voorschriften en regels ten aanzien van bouwen en het gebruik van bouwmaterialen ter bescherming van de bronnen voor drinkwatervoorziening. Een vaak gebruikte toepassing is het toepassen van een houten vangrail in plaats van zink. Relatie met het omgevingsplan De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve impact op de onderwerpen als waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlakte-, grondwater en de landschappelijke aspecten. Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.3

Rivierkunde

Voor de nieuwe Pater Sangersbrug is een rivierkundige effectstudie uitgevoerd (zie Bijlage 10). Voor het ontwerp van een nieuwe brug zijn diverse potentiële uitvoeringsstadia in beeld, die in het tijdbestek van 2024 tot na 2030 kunnen optreden. De rivierkundige effectstudie presenteert aan de hand van 10 scenario's een onderzoek naar de hydraulische effecten van diverse (potentiële) uitvoeringsstadia van de nieuwe Pater Sangersbrug en omliggende projecten ten opzichte van een tweetal referentiesituaties: één voor de korte termijn en één voor de middellange termijn. De scenario's bevatten geen ontwerp van de brug zelf, maar uitsluitend van het aangepaste rivierprofiel rondom de nieuwe brug. Hiertoe heeft een hydraulische modelstudie plaatsgevonden, waarbij 8 afvoerniveaus beschouwd zijn. Het doel van dit onderzoek is: het uitwerken van 10 scenario's voor diverse (potentiële) uitvoeringsstadia van de nieuwe Pater Sangersbrug en omliggende projecten. het bepalen van de hydraulische effecten bij 8 Maasdebieten over het gehele afvoerspectrum. Hierbij is gekeken naar waterstanden, stroomsnelheden, debietverdelingen van diverse afvoerroutes en de stabiliteit van de bodem en oeververdedigingen. Effectbeoordeling

52

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Effecten van ingrepen binnen de rivierbegrenzing worden met behulp van het beheer- en onderhoudsmodel van Rijkswaterstaat Zuid-Nederland vastgesteld. In het Baseline-gebiedsmodel kunnen ingrepen worden geschematiseerd. Met behulp van een hiervan afgeleid hydraulisch model kunnen de hydraulische effecten worden doorgerekend. Het Grensmaasmodel van Consortium Grensmaas is een hierop voortbouwend model, dat de hoogste mate van actualiteit heeft (Meijer, 2023). Recente opleveringen van het consortium, actuele veranderingen door het hoogwater van 2021 en hierop volgende herstelwerken zijn in dit model verwerkt. Evenals het basismodel van Rijkswaterstaat loopt dit model vooruit op de actuele geometrie door anticiperend rekening te houden met geplande en voorgenomen ingrepen, ongeacht of deze al uitgevoerd zijn. Het Grensmaasmodel representeert de geometrie van ca. 2030, echter volgens de kennis van vandaag. Reden hiervoor is dat de hydraulische toetsing in de geometrische context van de toekomst moet plaatsvinden, immers reeds geplande en voorgenomen ingrepen vormen hierbij het uitgangspunt en nieuwe projecten mogen hiermee niet conflicteren. Voor de Pater Sangersbrug is dit ook het geval. Realisatie van deze nieuwe brug wordt in 2025 verwacht. Een bijzondere situatie ontstaat echter wanneer een nieuw project toekomstige (geplande en voorgenomen) projecten gaat inhalen.

Om de chronologie van de ontwikkelingen geen geweld aan te doen is een aanvullende modellering noodzakelijk, waarin de effecten van de Pater Sangersbrug ook in de actuele geometrische context beoordeeld worden. In het uitgevoerde onderzoek zijn 7 scenario's voor de korte termijn en 3 scenario's voor de middellange termijn onderzocht. Voor de beoordeling van de rivierkundige effecten van de nieuwe Pater Sangersbrug geldt scenario 9. Hieruit blijkt dat de brug minder stromingsweerstand levert dan de bestaande brug. Er is hierdoor sprake van een waterstandsdaling van 20 resp. 21 mm bij de nieuwe brug. Wel is er over een lengte van 500 m aan de zijde van Maaseik (van de oude brug tot de nieuwe inlaat Heerenlaak) een benedenstrooms effect, variërend van 0 tot 50 mm, met een lokale piek van maximaal 100 mm ter plaatse van de oude brug (snelheidshoogte-effect door het verwijderen van de pijlers). Langs de noordelijke dijk van Roosteren is er over een lengte van ca. 1250 m een lokale waterstandsverhoging van minder dan 10 mm. Aan beide zijden is er cumulatief meer waterstandsdaling langs de waterkeringen. Effect op dwarsstroming In het Rivierkundig Beoordelingskader (Rijkswaterstaat, 2019) is het effect op dwarsstroming een beoordelingscriterium. Dit thema is voor de voorliggende ingreep om twee redenen niet relevant.

Ten eerste is er op dit traject van de Gemeenschappelijke Maas geen scheepvaart. De beroepsvaart vindt op de kanalen plaats en de recreatievaart begint pas vanaf rkm 56,6. Ten tweede is de aard van de ingreep, het vervangen van een brug, zodanig beperkt dat er van dwarsstromingseffecten geen sprake kan zijn. Rivierkundig beoordelingskader In de volgende tabel zijn de criteria van het Rivierkundig beoordelingskader (Rijkswaterstaat, 2019) en de beoordeling van de eindsituatie van de Pater Sangersbrug weergegeven.

53

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

54

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

Relatie met het omgevingsplan Op basis van de uitgevoerde effectstudie zijn er geen bezwaren van rivierkundige aard ten aanzien van het eindontwerp van de nieuwe Pater Sangersbrug en wordt positief geadviseerd ten aanzien van de uitvoering. In de bouwfase is de voorgenomen noodmaatregel (verwijderen verbindingsdam) bij hoogwater zinvol. Geadviseerd wordt hiervoor op basis van waterstandsvoorspellingen een criterium te bepalen, rekening houdend met de benodigde uitvoeringstijd van de noodmaatregel. Een vergelijkbare noodmaatregel wordt gadviseerd voor de sloopdam van de oude brug. Daarnaast wordt de aanbeveling gegeven om, indien mogelijk, de inlaat van Heerenlaak operationeel te hebben op het moment dat de bouwput voor de nieuwe Pater Sangersbrug aangelegd wordt. Tot slot wordt geadviseerd om de rechteroever (van de Schansberg tot de toekomstige inlaat van Heerenlaak) te verbreden, waardoor een nieuwe flessenhals wordt voorkomen.

55

bestemmingsplan TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Pater Sangersbrug (vastgesteld)

6.4

Klimaatadaptatie

In artikel 3.5 van de omgevingsverordening is de instructieregel opgenomen dat de motivering bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving moet bevatten over de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Wateroverlast De eventuele risico's op het gebied van wateroverlast worden toegelicht in de weging van het waterbelang (zie paragraaf 6.2). Overstromingen De volgende afbeelding toont dat de overstromingskans (voor een grote overstroming (> 200 cm)) binnen het wijzigingsgebied groot is. De Maas zorgt voor deze grote overstromingskans.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=963bfe16-2483-47d1-938c-ad0f1fddec5c