CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Heerweg 40-42

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan Heerweg 40-42 Echt22.944 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De provincie Limburg heeft dit gedaan in het Natuurbeheerplan 2020 (nieuw ontwerp in 2022). Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor ontwikkeling en beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Daarnaast staan in het beheerplan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Als door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied De projectlocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'Grensmaas', bevindt zich op ruime afstand (meer dan 3 kilometer) ten westen van het plangebied.

37/386

Afbeelding 4.2: overzicht ligging Natura 2000-gebied 'Grensmaas' ten opzichte van het plangebied aangeduid met rode stip (bron: Rho viewer) Het plangebied ligt niet binnen de invloedsfeer van het Natura 2000-gebied 'Grensmaas'. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. De Wet natuurbescherming vereist dat er bij mogelijke milieueffecten een voortoets (met stikstofdepositieberekening) wordt uitgevoerd om te bepalen of de beoogde ontwikkeling een negatieve invloed kan hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. De provincie Limburg is het bevoegd gezag om te bepalen of een voortoets naar de milieueffecten daadwerkelijk noodzakelijk is Uit het "voortoets" onderzoek zal moeten blijken welke van de onderstaande situaties aan de orde zijn: Er is zeker geen negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Er is wel een mogelijk negatief effect, maar dit is zeker geen significant negatief effect.

Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat het effect zeker niet significant is, vol- staat daarvoor de

38/386

zogenoemde verslechteringstoets. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist. Stikstofdepositie tijdens gebruiksfase De uitstoot van stikstof veroorzaakt mogelijk negatief effect. Er is een AERIUS berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofuitstoot ten behoeve van de gebruiksfase in 2023 (woningen gasloos uitgevoerd en verkeersbewegingen van bewoners van de toekomstige wooneenheden van het woon-zorgcomplex en de dagelijkse bevoorrading). Voor de vervoersbewegingen is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 19 mvt/etmaal met personenwagens op een gemiddelde werkdag en 2x klein vrachtverkeer (zie hiervoor tevens de beschreven verkeersgeneratie in paragraaf 4.4). De rijbeweging gaat op in het heersende verkeersbeeld via de Heerweg in de Bosstraat. Conclusie Uit de berekening volgt dat er geen sprake is van depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr De berekening is opgenomen in een separate Bijlage 1 bij de toelichting van het plan. Stikstofdepositie tijdens aanlegfase Voor de aanlegfase (bouwrijpfase en bouwfase met mobiele werktuigen op de planlocatie en verkeersbewegingen van werk- en bouwverkeer) zijn geen berekeningen uitgevoerd.

Het uitvoeren van een dergelijke berekening is op dit moment niet doelmatig en effectief en zal indien noodzakelijk later plaatsvinden. Daarbij zijn de volgende overwegingen van toepassing: op dit moment is nog niet bekend wanneer de bouwactiviteiten gaan plaatsvinden (welke periode, alsmede de spreiding over meerdere jaren); het is op dit moment nog niet bekend aan welke aannemer de bouwrijp activiteiten en bouwactiviteiten gegund gaan worden en met welke voertuigen en materialen deze activiteiten uitgevoerd zullen gaan worden; inmiddels heeft de tweede kamer (17 december 2020) en de eerste kamer (9 maart 2021) de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Bsn) aangenomen, waarvan de inwerkingtreding heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021. Dus eerder dan de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan c.q. de besluitvorming op de omgevingsvergunningaanvraag ter inzake onderhavige planontwikkeling. Wsn en Bsn De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7, lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (hierna: Bsn) met aanwijzing in het nieuwe artikel 2.5 van het Bnb.

Deze partiële vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. Wat valt onder de vrijstelling: het bouwen en slopen van een bouwwerk;

39/386

het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein; de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden (o.a. het aan- en afvoeren van bouwmaterialen en emissies van werktuigen op de bouwplaats). “Deze partiële vrijstelling kan ook helpen bij het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenten. Als het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, zal voor dit onderdeel van het plan kunnen worden verwezen naar het feit dat al een beoordeling door de wetgever heeft plaatsgevonden die een partiële vrijstelling voor de bouwfase van het project heeft vastgesteld. Als gevolg daarvan kan bij de beschouwing van de stikstofemissies wat betreft de bouwfase gebruik worden gemaakt van de onderbouwing in de toelichting van het besluit.” (citaat uit paragraaf 5.4 Nota van Toelichting Bsn). Gemotiveerd wordt dat de partiële vrijstelling, gelet op tijdelijkheid van emissies van activiteiten van de bouwsector (bouwfase), in het licht van de effectiviteit van de structurele aanpak het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in de weg staat. Bij de vormgeving van de partiële vrijstelling is rekening gehouden met het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State.

Die stelt dat een partiële vrijstelling voor tijdelijke deposities door de bouwsector verdedigbaar kan zijn in het licht van een geloofwaardig en effectief pakket van maatregelen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen van de desbetreffende Natura 2000-gebieden en om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats van soorten in het desbetreffende gebied niet verslechtert. Daaraan wordt invulling gegeven met het pakket aan natuur- en bronmaatregelen en met de waarborgen die in de Wsn zijn opgenomen, waaronder een resultaatsverplichting en de monitorings- en bijsturingssystematiek. Conclusie Een vergunning in het kader van de Wnb (gebiedsbescherming) is gelet op het voorgaande in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. 4.3.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het NNN (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden. Het netwerk laat natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het NNN bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; grotere wateren: meren, rivieren, de kustlijn van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden; De verantwoordelijkheid van het natuurnetwerk ligt bij de provincies. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europese Ecologische Netwerk (Peen) vormen. Het Nationaal Natuurnetwerk van het Rijk (geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ 1990) is op provinciaal niveau vastgelegd. In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. Deze zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.

40/386

De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone worden wel ondersteund. De bronsgroene natuurzone omvat de land- schappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. De zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk.

Afbeelding 4.3: situering Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (rode punt) - (bron: planviewer provincie Limburg) Beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN, in de wet EHS). Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het NNN (een goudgroene natuurzone) bevindt zich op zeer ruime afstand (circa 1,7 kilometer) ten oosten het plangebied. Conclusie De ontwikkeling op de planlocatie heeft géén negatieve gevolgen voor het NNN. 4.3.2.3 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wnb heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. De Wnb beschermt bos (alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal 10 are) en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Beoordeling Er bevindt zich in het plangebied slechts 1 boom die niet onder de definitie van houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wnb valt.

41/386

Afbeelding 4.4: foto van plangebied met de daarop aanwezige boom (bron: google.com) Conclusie De ontwikkeling op de planlocatie vormt geen belemmering voor het aspect houtopstanden uit de Wmb. 4.3.2.4 Soortenbescherming Het hoofdstuk "Soorten" heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden boven op de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: vogels met een jaarrond beschermde nestplaats; overige inheemse broedvogels; soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling; nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.

Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de

42/386

broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Beoordeling De projectlocatie betreft een onbebouwd stuk grond met 1 boom voorzien van gras en plukjes doorgeschoten groen en kent géén natuurwaarden. De projectlocatie is daardoor potentieel niet geschikt voor streng beschermde flora en fauna (geen geschikte biotoop). In het gebied kunnen mogelijk enkele grondgebonden zoogdieren voorkomen waarvoor bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen voor deze soorten het niet noodzakelijk is een ontheffing aan te vragen. Mogelijk in het gebied voorkomende vogelsoorten zijn feitelijk ontheffingsplichtig. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het projectlocatie aanwezig zijn kunnen verstorende werkzaamheden als een eventuele verwijdering van beplanting of bouwwerkzaamheden niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken.

Er zijn echter geen belemmering of nadelige effecten te verwachten wanneer conform onderstaande zorgvuldigheidsaspecten wordt gehandeld: er worden gedurende de broedperiode van vogels geen bouwwerkzaamheden in de nabijheid (straal van 15 meter) van het nest uitgevoerd; aanbevolen wordt de werktijden zoveel mogelijk tussen zonsopgang en zonsondergang te laten plaatsvinden; aanbevolen wordt de werkzaamheden die lawaai produceren zoveel mogelijk te beperken en te bundelen. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen half augustus en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht op vogels. Er zijn in het projectgebied geen beschermde soorten planten te verwachten. Wel dient eenieder voortdurend alert te zijn op bedreigingen van de door de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Het aanwezige personeel op de bouwplaats zal geïnstrueerd moeten worden ten aanzien van de zorgplicht voor broedende vogels en de overige zorgverplichtingen conform de Wnb.

Conclusie De planontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten en vormt géén belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie en het omliggende gebied.

43/386

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1

Verkeer

Gemotoriseerd verkeer De locatie wordt ontsloten via de Heerweg in de kern Echt. De Heerweg is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Richting het zuiden sluit de Heerweg aan op de Bosstraat. De Bosstraat is een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/uur en vormt samen met de Zuiderpoort en Peijerstraat een belangrijke route binnen de bebouwde kom van Echt. De route verbindt de autosnelweg A2 (Eindhoven- Maastricht) via het centrum van Echt met de N276 (Sittard-Maasbracht). Richting het noorden geeft de Heerweg toegang tot de Kerkveldsweg Oost. Via deze weg is eveneens het centrum van Echt bereikbaar. Langzaam verkeer De Heerweg kent conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig een gemengde verkeersafwikkeling. Op de Bosstraat heeft de fietser wel een eigen plaats op de weg door middel van fietsstroken. Verder zijn overal trottoirs aanwezig voor voetgangers. Het plangebied is daardoor goed en veilig bereikbaar voor langzaam verkeer. Openbaar vervoer In de directe nabijheid van het plangebied ligt het trein station Echt. Daarnaast is er een bushalte langs de Bosstraat. Het plangebied is daardoor in voldoende mate ontsloten per openbaar vervoer. Verkeersgeneratie en -afwikkeling De verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkeling kan berekend worden aan de hand van landelijke kencijfers.

Deze kencijfers zijn vastgelegd in publicatie 381 (CROW december 2018). Er zijn geen specifieke kencijfers voor huisvesting voor mensen met een handicap Wel zijn er kencijfers voor een verpleeg- en verzorgingstehuis). Aangenomen wordt dat het mobiliteitsprofiel van de beoogde bewoners overeenkomt met dat van bewoners van een verpleeg- en verzorgingstehuis. In de praktijk zullen de bewoners (nagenoeg) niet beschikken over een eigen auto en worden de verkeersbewegingen en de daarmee samenhangende parkeerbehoefte hoofdzakelijk veroorzaakt door personeel en bezoekers. Voor deze functie geldt een parkeerkencijfer van 0,5-0,7 parkeerplaatsen per wooneenheid met 60% aandeel bezoekers/personeel (weinig stedelijk - schil centrum). Het plan voorziet in 9 wooneenheden. Voor de verkeersgeneratie worden geen kencijfers gegeven, maar vanuit de aanname dat elke parkeerplaats maximaal 3 keer per dag wordt gebruikt, bedraagt de verkeersgeneratie circa 14-19 motorvoertuigen (mvt) per etmaal. daarnast wordt rekening gehouden met twee maal per dag bevoorrading van het complex met licht vrachtverkeer. Deze verkeersintensiteit is dermate laag dat dit op de Heerweg zonder problemen kan worden opgevangen. Beoordeling De ontsluiting van het plangebied voor alle vervoersmodaliteiten is goed. De verkeers- generatie van de nieuwe

44/386

ontwikkeling leidt niet tot een dusdanige toename van verkeer op de Heerweg op basis waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat dit problemen zou opleveren ten aanzien van de verkeersbelasting/verkeersafwikkeling. Conclusie Het aspect verkeer staat de planontwikkeling niet in de weg. 4.4.2 Parkeren Zoals gesteld bedraagt het parkeerkencijfer 0,5-0,7 parkeerplaatsen per wooneenheid. Uitgaande van 9 wooneenheden bedraagt de minimale parkeerbehoefte 4,5 (afgerond: 5) en maximaal 6,3 (afgerond: 7) parkeerplaatsen.

Afbeelding 4.5: projectlocatie met parkeervoorzieningen op eigen terrein (bron: Rho viewer- luchtfoto) Conclusie Op eigen terrein is voorzien in ruim 15 parkeerplaatsen, waardoor aan de theoretische parkeerbehoefte kan worden voldaan. In de praktijk blijkt dat de huidige parkeerbelasting vanuit de bestaande woonzorggebouwen minder bedraagt dan theoretisch qua behoefte bepaald. Er zullen dan ook geen parkeerproblemen optreden. Conclusie Het aspect parkeren staat de planontwikkeling niet in de weg.

45/386

4.5

Kabels, leidingen en straalpaden

Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen en straalpaden. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. De planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Beoordeling Er zijn geen kabels en leidingen gesitueerd in of in de directe nabijheid van het plangebied die een mogelijke belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect kabels. leidingen en straalpaden staat de planontwikkeling niet in de weg.

46/386

Hoofdstuk 5 5.1

Milieuaspecten

M.e.r.-beoordeling

In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2) Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. Uit de toelichting op het Besluit m.e.r. en jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang, locatie en de milieugevolgen van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt nader ingegaan op deze aspecten. De planontwikkeling in het plangebied past goed in het aanwezige stedelijke milieu en blijft ruim onder de drempelwaarde. De planlocatie is bovendien ontsloten op de bestaande infrastructuur en is goed bereikbaar. De bestaande infrastructuur kan de huidige en de toekomstige verkeerscapaciteit en parkeerbehoefte in voldoende mate opvangen.

Daarnaast voldoet het planvoornemen aan de wettelijke normen wat betreft ruimtelijk relevante milieuaspecten, zoals bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodem, natuur en waterhuishouding. Zie hiervoor de beschreven milieuaspecten in dit hoofdstuk van dit plan. Conclusie Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is er geen sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in het besluit MER en behoeft er geen m.e.r.-procedure of (vormvrije) m.e.r.-beoordelings- procedure doorlopen te worden.

5.2

Bodemkwaliteit

Algemeen De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie.

47/386

Regelgeving Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functie wijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht.

Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Beoordeling Voor locaties waar nieuwe (woning)bouwmogelijkheden zijn opgenomen, is een bodem- onderzoek (conform NEN 5740) nodig om eventuele bodem- en/of grondwater- verontreinigingen in kaart te brengen. Wanneer een ontwikkeling geen bestemmings- wijziging tot gevolg heeft, is geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan nodig; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevings- vergunning voor het bouwen. Onderzoek De planontwikkeling maakt een functiewijziging mogelijk die ervoor zorgt dat de (zorg)woningen gerealiseerd kunnen worden. Gelet op deze functiewijziging moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie en moet worden nagegaan of er sprake is van gevallen van ernstige verontreiniging waarvoor saneringsmaatregelen moeten worden getroffen. Door Tritium advies is voor de locatie Heerweg 40-42 in het verleden bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie had betrekking op de locatie waar inmiddels drie woonzorggebouwen zijn gerealiseerd maar ook op onderhavige planlocatie.

De onderzoeksresultaten zijn nog bruikbaar op onderhavig plangebied. Ofschoon de gronden nadien niet anders gebruik zijn dan overeenkomstig de huidige bestaande situatie (onbebouwd met grasland) is er vanwege de gedateerdheid van het onderzoek een nieuw bodemonderzoek uitgevoerd, waarmee de huidige bodemsituatie in beeld gebracht wordt. De onderzoeken uit 2013 zijn gebundeld als Bijlage 2 en het meest recente bodemonderzoek uit 2021 als Bijlage 3 bij de toelichting van het plan gevoegd.

48/386

Hieronder zijn de resultaten uit het onderzoek kort samengevat. Beoordeling Historisch vooronderzoek 2013 Voor de locatie Heerweg 40-42 is een historisch vooronderzoek uitgevoerd door Tritium Advies (kenmerk 1205/096/CH-01 d.d. 26 april 2013). Doel van het onderzoek was het vaststellen of in het verleden (potentieel) bodembedreigende activiteiten of calamiteiten hebben plaatsgevonden die van invloed kunnen zijn op de onderzoeksintensiteit van het verkennend bodemonderzoek. Op grond van het vooronderzoek zijn deellocaties vastgesteld waarvan aangenomen is dat de bodem verontreinigd is geraakt. Het gaat om de verhardingslaag van puingranulaat (circa 70 m2 - deellocatie A) en het gebouw/lokalen waar brand is geweest + directe omgeving (circa 250 -300 m2 -deellocatie B). Het overige deel van de onderzoekslocatie wordt als niet-verdacht beschouwd waardoor geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Op basis van het historisch vooronderzoek is geadviseerd om nader onderzoek te doen naar: diffuse verontreinigingen; voorkomen van asbest bodem en puingranulaat locatie A; mogelijke bodemverontreiniging onder verhardingslaag; grond en grondwater deellocatie B (conform strategie voor verdachte locatie).

Verkennend bodemonderzoek+ verkennend asbest onderzoek 2013 Op basis van de conclusies uit het historisch vooronderzoek is door Tritium Advies een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbest onderzoek uitgevoerd (kenmerk 1305/D66/H B-01 d.d. 1 juli 2013). Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of er sprake is van bodemverontreiniging. Bodem Uit de analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de grond op deellocatie A en B en niet verontreinigd is met de onderzochte stoffen. De resultaten zijn in tegenspraak met de vooraf gestelde hypothese dat de betreffende deel locaties verdacht zijn. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het voorgenomen gebruik van de locatie. Asbest Tijdens de maaiveldinspectie is op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. De bij de werkzaamheden vrijkomende grond en puin is in het veld organoleptisch (zintuiglijk) beoordeeld. Hierbij zijn geen afwijkingen waargenomen in de bodem die duiden op een mogelijke verontreiniging met asbest. Uit het verkennend asbestonderzoek op deellocatie A blijkt dat zowel de puinlaag als de onderliggende grond geen asbest bevat.

Afgraven van grond Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot

49/386

het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Bij toepassing van grond binnen de gemeenten Leudal, Beesel, Roermond, Maasgouw of Echt-Susteren gelden voorwaarden. Indien meer dan de vastgestelde omvang verontreinigde grond wordt ontgraven, geldt hiervoor een meldingsplicht bij het bevoegde gezag inzake de Wet bodembescherming, i.c. de Provincie Limburg. Hierop zijn uitgezonderd de situaties zoals beschreven in het Besluit overige niet-meldingplichtige gevallen bodemsanering. Verkennend bodemonderzoek 2021 Op basis van het vooronderzoek is de planlocatie als “onverdacht” beschouwd. Er zijn geen aanwijzingen dat op de planlocatie en in de directe omgeving activiteiten hebben plaatsgevonden waardoor de bodem verontreinigd kan zijn geraakt. Zintuiglijk zijn tijdens de uitvoering van de boorwerkzaamheden heterogeen verdeeld over de locatie in de bovengrond bijmengingen aangetroffen met sporen baksteen, resten beton en zwakke kolengruis bijmenging. De bijmengingen zijn aangetroffen tot maximaal 1,0 m-mv. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond een lichte verontreiniging is aangetoond met kobalt, zink en cadmium. De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt.

De aangetoonde lichte verontreiniging is in tegenspraak met de hypothese dat de planlocatie niet-verdacht is. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie en aanbevelingen Uit de onderzoeksresultaten van het meest recente verkennend bodemonderzoek blijkt dat er geen beperkingen zijn ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik op de planlocatie en dat daarmee de bodem als geschikt beschouwd kan worden voor de nieuwe bestemming en de afgifte van een omgevingsvergunning voor bouwen.

5.3

Geluid

Algemeen De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte in een aantal gevallen mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.

50/386

Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachts- maatregelen. Onderzoek Voor de beoogde planontwikkeling is door Tritium Advies een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouw als gevolg van het omgevingslawaai (wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai). Het onderzoeksrapport is als Bijlage 4 integraal opgenomen bij de toelichting van dit plan. De resultaten uit dit onderzoek zijn hieronder verkort weergegeven. Beoordeling Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Bosstraat en de Peijerstraat. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur weg Heerweg. Voor railverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn Sittard Roermond. Voor de 30 km/uur weg Heerweg geldt dat de geluidbelastingen gevolge van het wegverkeer op deze weg de richtwaarde van 48 dB op géén enkele gevel van het nieuwe woonzorggebouw overschrijdt.

Bovendien kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de gezoneerde wegen Bosstraat en Peijerstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegende voorkeursgrenswaarde van 48 dB op géén enkele gevel van het nieuwe woonzorggebouw overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde. Railverkeerslawaai Voor de spoorlijn Sittard–Roermond geldt dat de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai van 55 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Hierdoor is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet. Wanneer de toepassing van ten minste één bezwaar kan worden aangetoond, wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Uit vooronderzoek is gebleken dat middels de realisatie van een geluidscherm tussen het spoor en het onderhavig planvoornemen een overschrijding van de voorkeursgrens- waarden ten gevolge van het spoorweglawaai op bijna alle toetspunten kan worden voorkomen door plaatsing van een geluidscherm.

Voor een beperkt aantal toetspunten (2 woningen met een overschrijding van 2 dB) op de verdieping dient een hogere grenswaarde aangevraagd te worden, in combinatie met het beoogde aan te leggen scherm (hoogte,

51/386

lengte en positie conform akoestisch onderzoek). Benodigd is een akoestisch reflecterende geluidscherm met een minimale massa van 20 kg/m2, een lengte van ca. 82 meter en een hoogte van 3,0 meter evenwijdig aan het spoor zoals in het akoestisch onderzoek gemodelleerd en als uitgangspunt opgenomen. Het geluidscherm valt volledig binnen het kadastraal perceel 5241, sectie K van de kadastrale gemeente Echt en wordt buiten de geldende vrijwaringszone langs het spoor gerealiseerd. Naast de akoestisch gunstige effecten van het geluidscherm worden tevens voordelen gehaald in het kader van externe veiligheid bij plaatsing van een geluidscherm. Met de juiste maatregelen (in het akoestisch onderzoek niet nader beschouwd) kan het geluidscherm een barrière vormen tussen het spoor en het woonzorggebouw. Het oprichten van een geluidscherm op kortere afstand tot het spoor roept bezwaren op (aangezien gronden niet in eigendom zijn van ontwikkelende partij en/of gemeente). Zonder instemming en medewerking van de grondeigenaar is de realisatie van het geluidscherm onmogelijk. Daarnaast kan een korte afstand overwegende bezwaren ontmoeten van verkeers- en/of vervoerskundige aard en moet het scherm aan extra eisen voldoen wat bezwaren van financiële aard met zich meebrengt. Het oprichten van een hoger en langer scherm roept overwegende bezwaren op van stedenbouwkundige en financiële aard.

Geluidbeleid gemeente De gemeente Echt-Susteren beschikt niet over een eigen geluidbeleid. Desondanks dient bij de realisatie van de woningen alsnog te worden gestreefd naar een goed akoestisch woon- en leefklimaat. In dat kader wordt geadviseerd dat iedere woning beschikt over een geluidluwe gevel en dat in iedere woning een te openen raam is voorzien in de geluidluwe gevel. Om ervoor te zorgen dat de woningen beschikken over een geluidluwe gevel dienen gebouw gebonden maatregelen te worden toegepast. Wanneer de realisatie van het geluidscherm niet mogelijk blijkt te zijn wordt geadviseerd om deze maatregelen in beschouwing te nemen. Aangezien voor de wooneenheden in het woonzorggebouw sprake is van een procedure hogere waarde is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Er dient een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de geluidgevoelige ruimten die grenzen aan de representatieve gevels gewaarborgd te worden, door het treffen van maatregelen om te voldoen aan de norm van 33 dB die geldt voor het binnen niveau. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen die tot geluidhinder leiden op het plangebied.

Het aspect industrielawaai hoeft niet nader beschouwd te worden. Inrichtingslawaai Wel is er sprake van een in de directe nabijheid gelegen bedrijvencentrum aan de Bosstraat. Bij het inzichtelijk maken van het omgevingslawaai op het beoogde woonzorggebouw is met het inrichtingslawaai van dit bedrijvencentrum aan de Bosstraat rekening gehouden in een uitgevoerd integraal onderzoek ten aanzien van het omgevingslawaai. Zie hiervoor paragraaf tevens 5.5 met betrekking tot het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' en de betreffende onderzoeksrapportage in Bijlage 4. Op basis van de resultaten van dit onderzoek, wordt gesteld dat ter plaatse van de geplande wooneenheden in

52/386

het woonzorggebouw na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is ten aanzien van het aspect inrichtingenlawaai en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Luchtvaartverkeerslawaai De Wet luchtvaart regelt het gebruik van luchtvaartuigen en luchtvaartterreinen in Nederland. De wet voorziet in regels over besluitvorming en normen voor alle luchthavens. De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen (art. 1 Besluit militaire luchthavens jo artikel 1.1 Bouwbesluit 2012) en voor standplaatsen en ligplaatsen. De ligging van de Ke contouren is opgenomen in een luchthavenbesluit. Binnen de 35 Ke contour zijn geen geluidsgevoelige objecten (woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen en ligplaatsen) toegestaan.

Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van een vliegveld met een belemmerende geluidzone voor woningbouw. Het aspect luchtvaartverkeerslawaai hoeft niet nader beschouwd te worden. Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect geluid (wegverkeers-, railverkeers-, inrichtingen-, industrie- en luchtvaartverkeerslawaai) er geen bezwaren bestaan om onderhavige ontwikkeling te realiseren. Voor wat betreft het railverkeerslawaai is er sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde echter niet overschreden. Door een ontheffing hogere grenswaarde kan voldaan worden aan de Wet geluidhinder. Dit betekent dat gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan een ontwerpbesluit hogere grenswaarde ter visie zal moeten worden gelegd danwel gelijktijdig met een aanvraag omgevingsvergunning de procedure voor een besluit hogere grenswaarde(n) zal worden opgestart. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluidkwaliteit geen belemmering hoeft te vormen voor de beoogde ontwikkeling met in achtneming van de te volgen hogere waarden procedure en de te nemen gevelmaatregelen ten behoeve van de realisatie van de wooneenheden in het woonzorggebouw.

5.4

Luchtkwaliteit

Algemeen Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging

53/386

dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. Regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het beleid en normstelling voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. AMvB - "niet in betekenende mate"(nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ( = 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. De reden hiervoor is dat er in het NSL voldoende maatregelen zijn opgenomen om de bijdrage van deze projecten aan verslechtering van de luchtkwaliteit te compenseren. Projecten die wel “in betekende mate” (ibm) bijdragen zijn vaak al opgenomen in het NSL. Het NSL is er op gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daartoe is een pakket aan maatregelen opgenomen in het NSL, zowel (generieke) rijksmaatregelen als

54/386

locatie specifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Als een project ibm is en niet is opgenomen in het NSL, kan projectsaldering worden toegepast. Dit is uitgewerkt in de ministeriële regeling “projectsaldering luchtkwaliteit 2007”. Dit betekent dat bij het project zogenoemde 'onlosmakelijke maatregelen' worden genomen die de luchtkwaliteit verbeteren/niet verslechteren, of projectsaldering wordt toegepast. Saldering dient dan plaats te vinden in een gebied dat een functionele of geografische relatie heeft met het plangebied. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied worden 9 wooneenheden in een woonzorggebouw gerealiseerd. Een dergelijke separate projectontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de hierboven vrijgestelde situaties. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.

De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Rijksweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden liggen en onder maximaal toelaatbaar aantal overschrijdingsdagen PM10. Bij rekenpunt 63629 bedraagt de uitstoot voor NO2 (17,044), PM10 (18,056) en PM2,5 (11,377). Hierdoor is er ter plaatste van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar verblijf- en leefklimaat.

Afbeelding 4.6: bijdrage NO2 op Luikerweg ter hoogte van plangebied (bron: nsl-monitoring) NIBM tool De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is vanuit een worst-case benadering bepaald op 19 motorvoertuigen mvt/etmaal en maximaal 0,1% voor vrachtverkeer (bevoorrading met licht vrachtverkeer - 2 x

55/386

daags). Uit de berekeningen (NIBM-tool) met realisatiejaar 2023 blijkt dat de bijdrage NO2 0,01 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,00 µg/m³. Daarmee is aangetoond dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bij draagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Hieronder (afbeelding 4.7) is de berekening in de NIBM-tool weergegeven.

Afbeelding 4.7: bijdrage verkeer NIBM-tool (realisatiejaar 2023) Conclusie Op grond van deze overwegingen kan zonder luchtonderzoek worden vastgesteld dat het bestemmingsplan voldoet aan de in de Wet milieubeheer vastgelegde luchtkwaliteits- eisen. De wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg. 5.4.1 Luchtkwaliteit - gezondheid - veehouderijen Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. In het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en geitenhouderijen gelegen. Het bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen omtrent het aspect lucht in relatie tot gezondheid.

5.5

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Milieuzonering Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst

56/386

opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. Bij het afwijken van een bestemming moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening gemotiveerd worden of bij realisatie van het gewenste gebruik voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met de zogenaamde omgekeerde werking. Hierbij moet o.a. beoordeeld worden of ter plaatse van het voorgenomen plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de gevraagde ontwikkeling geen nadelige gevolgen oplevert voor de in de nabijheid gelegen bedrijven. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat het vigerend bouwvlak bestaand recht betreft waarbinnen toekomstige uitbreidingsplannen kunnen worden gerealiseerd, mits wordt voldaan aan de hiertoe geldende wet- en regelgeving. In de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.

Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: Categorie 1 grootste afstanden 0 en 10 meter; Categorie 2 grootste afstand 30 meter; Categorie 3 grootste afstanden 50 en 100 meter; Categorie 4 grootste afstanden 200 en 300 meter; Categorie 5 grootste afstanden 500, 700 en 1000 meter. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten bovendien als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. Omgevingstype In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk'/'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk'.

Voor woningen in een 'gemengd gebied' mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een matige of sterke functiemenging waarbij naast woningen andere functies voorkomen, zoals bedrijven. De directe omgeving van het plangebied kan gezien de ligging in de nabijheid van bedrijfspercelen en een

57/386

spoorlijn die tot geluidhinder leiden op het plangebied, getypeerd worden met het omgevingstype 'gemengd gebied'. Beoordeling Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering zijn zowel de op dit moment in het plangebied en omgeving aanwezige functies als de planologisch mogelijk gemaakte functies beschouwd. Geconstateerd is dat het plangebied niet is gelegen in geurcontouren van veehouderijen die op basis van de Wet geurhinder en veehouderij gelden en eveneens niet is gelegen binnen een 50 dB(A) contour die op basis van de Wet geluidhinder rondom gezoneerde bedrijventerreinen is gelegen.

Afbeelding 4.8: situering bedrijfsverzamelgebouwen Bosstraat t.o.v. planlocatie (bron: Rho viewer) Bosstraat Aan de Bosstraat zijn bedrijfsverzamelgebouwen aanwezig. De bedrijven betreffen milieucategorie-1 en milieucategorie-2 bedrijven. Deze bedrijven hebben een richtafstand van 0 tot 10 meter uitgaande van het omgevingstype 'gemengd'. Het maatgevende aspect betreft hierbij geluid. De overige aspecten zijn niet van toepassing. De kleinste afstand tussen de terreingrens van de inrichting en het nieuw te realiseren woongebouw bedraagt circa 3 meter. Uitgegaan kan worden van uitsluitend inpandige werkzaamheden, welke voor de omgeving geen relevante geluiduitstraling veroorzaken. Er dient rekening te worden gehouden met verkeersbewegingen op het terrein

58/386

met personen- en bestelauto’s en incidenteel een vrachtwagen. Met betrekking tot de indirecte hinder kan gesteld worden dat de voertuigbewegingen van en naar de beschouwde inrichtingen via de Bosstraat voeren. Daarbij wordt het beoogde bouwplan niet gepasseerd. Van relevante indirecte hinder is dan ook geen sprake. Onderzoek industrielawaai - 6 augustus 2013 In het verleden is door Tritium onderzoek verricht of er sprake zal zijn van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat en dus van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect industrielawaai ten aanzien van de realisatie van de drie naastliggende woonzorggebouwen (ontwikkeling fase 1) mede vanwege de ligging ten opzichte van de bedrijfsverzamelgebouwen aan de Bosstraat. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. Voor het bepalen hiervan is daarbij aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (1998) en de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit.

Volgens voornoemde handreiking worden bij het vaststellen van grenswaarden een drietal elementen onderscheiden: de richtwaarden die afhankelijk zijn van de aard van de woonomgeving en het activiteitenniveau; de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde waarboven in het algemeen in toenemende mate hinder zal optreden; de ontheffingen van bovengenoemde waarden op grond van een bestuurlijk afwegingsproces. Uit de resultaten van dit onderzoek is toen gebleken dat er geen sprake is van inperking van de bedrijven, noch van een onvoldoende woon-, leefklimaat ten aanzien van de te realiseren woonzorggebouwen. De resultaten uit dit onderzoek zijn valide en bruikbaar ten aanzien van het voorliggende bestemmingsplan (realisatie van een naastliggend woonzorggebouw in fase 2). Geconcludeerd is toen dat voldaan wordt aan de geluidsvoorschriften uit het activiteitenbesluit en dat derhalve sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. In het onderzoek wordt er van uitgegaan dat op de zuidelijke en (zuid)westelijke grens van het plangebied een erfafscheiding (tuinscherm) wordt gerealiseerd met een hoogte van 2 meter boven maaiveld en een massa van tenminste 10 kg/m2 dat dienst doet als geluidsscherm.

Onderzoek industrielawaai - oktober 2021 Ten behoeve van de realisatie van een woonzorggebouw in fase 2 is gezien de ligging van het geplande en te realiseren woongebouw (fase 2) in de directe nabijheid van het bedrijvencentrum aan de Bosstraat onderzoek uitgevoerd ten aanzien van het aspect industrielawaai. Dit onderzoek met invoergegevens en resultaten is integraal als Bijlage 5 bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd. Uit de rekenresultaten van de geluidbelasting ten gevolge van bedrijvencentrum Bosstraat blijkt, dat de grenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden. Derhalve is een hogere grenswaarde ten gevolge van industrielawaai niet aan de orde. Conclusie Naast de ruimtelijke ordeningsaspecten is verder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim/Wm/Bor) van toepassing. In dit besluit zijn voorschriften opgenomen waaraan de bedrijven zich dienen te houden om schade, gevaar of hinder naar de omgeving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Op basis van bovenstaande constatering kan worden gesteld dat in de nabijheid van het plangebied geen sprake is

59/386

van bedrijvigheid welke een mogelijke belemmering vormt voor het initiatief. Daarnaast levert het initiatief ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven en woonfuncties. Bezien vanuit het oogpunt van 'inwaartse milieuzonering' komt er in de nabijheid van de planlocatie geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor de voorgestane planontwikkeling. Bovendien levert de planontwikkeling, vanuit het oogpunt van 'uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor onderhavige planontwikkeling er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is en er derhalve sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

5.6

Externe veiligheid

Algemeen In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Regelgeving Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar, dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit, dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR. Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking

60/386

getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=7a6693f1-7fd4-4a76-83cf-c2e03cb1bad3