Bestemmingsplan Heerweg 40-42
Tekst van het document
bestemmingsplan
Heerweg 40-42 Echt-Susteren
DATUM IMRO IDN
2022-07-14 NL.IMRO.1711.BPHeerweg4042-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
mr. A.J.C.A. van Zitteren
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Stichting Nester 20201627
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting
6
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging en plangrenzen
7
1.3
Geldend bestemmingsplan
8
1.4
Leeswijzer
9
Gebieds- en projectprofiel
11
2.1
Gebiedsprofiel
11
2.2
Projectprofiel
12
Hoofdstuk 3
Beleidskader
16
3.1
Rijksbeleid
16
3.2
Provinciaal beleid
21
3.3
Regionaal beleid
25
3.4
Gemeentelijk beleid
26
Planologische aspecten
29
4.1
Archeologie en cultuurhistorie
29
4.2
Water
32
4.3
Natuur en ecologie (flora en fauna)
34
4.4
Verkeer en parkeren
44
4.5
Kabels, leidingen en straalpaden
46
Hoofdstuk 5
Milieuaspecten
47
5.1
M.e.r.-beoordeling
47
5.2
Bodemkwaliteit
47
5.3
Geluid
50
5.4
Luchtkwaliteit
53
5.5
Bedrijven en milieuzonering
56
5.6
Externe veiligheid
60
Hoofdstuk 6
Juridische regeling
65
Artikelsgewijze toelichting regels
67
Uitvoerbaarheid
72
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
6.1
Hoofdstuk 7
3/386
7.1
Handhaving
72
7.2
Economische uitvoerbaarheid
73
7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
73
Bijlagen bij toelichting
75
Bijlage 1
Stikstofberekening gebruiksfase
77
Bijlage 2
Bodemonderzoeken 2013 Heerweg 40-42
83
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek 2021
149
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek omgevingslawaai
195
Bijlage 5
Briefrapport onderzoek industrielawaai
297
Bijlage 6
Verslag omgevingsdialoog
329
Regels Hoofdstuk 1
332 Inleidende regels
333
Artikel 1
Begrippen
333
Artikel 2
Wijze van meten
339
Bestemmingsregels
341
Artikel 3
Groen
341
Artikel 4
Wonen
343
Hoofdstuk 3
Algemene regels
346
Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
346
Artikel 6
Algemene bouwregels
347
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
349
Artikel 8
Algemene aanduidingsregels
350
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
351
Artikel 10
Algemene wijzigingsregels
353
Artikel 11
Algemene procedureregels
354
Artikel 12
Overige regels
355
Overgangs- en slotregels
356
Artikel 13
Overgangsrecht
356
Artikel 14
Slotregel
357
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Bijlagen bij regels Bijlage 1
4/386
359 Parkeerkencijfers Echt-Susteren
361
5/386
Toelichting
6/386
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren heeft besloten om medewerking te verlenen aan het ingediende verzoek door initiatiefnemer voor de realisatie van een nieuw woonzorggebouw op het perceel plaatselijk bekend Heerweg 40-42 te Echt, kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie K, nummer 70255. Dit met toepassing van artikel 3.1. van de Wet ruimtelijke ordening (bestemmingsplan). Het betreft de uitbreiding van een bestaand woon-zorgcomplex dat in een eerdere fase in 2014 is gerealiseerd, bestaande uit drie eenheden.
Afbeelding 1.1: het bestaande woon-zorgcomplex aan de Heerweg (bron: google.com)
1.2
Ligging en plangrenzen
Het plangebied is gelegen aan de Heerstraat in de kern Echt binnen de gemeente Echt-Susteren. Het project ziet op de uitbreiding van een bestaand woonzorggebouw op het perceel plaatselijk bekend Heerweg 40-42 te Echt. Het plangebied ligt in het zuidoosten van de kern Echt op korte afstand van de spoorlijn Weert-Maastricht. Het gebied grenst in het oosten aan de Heerweg. Ten zuiden van het plangebied ligt de Bosstraat. Een diep bedrijfsperceel aan de Bosstraat grenst aan de achterzijde aan het plangebied. In figuur 1.2 is de ligging van het plangebied aangegeven.
7/386
Afbeelding 1.2: situering van de planlocatie (rode arcering) op de luchtfoto (bron: viewer Rho) Het te realiseren woonzorggebouw komt te liggen in een binnengebied aan de bestaande openbare ruimte dat aanhaakt aan de Heerweg in de nabijheid van de spoorlijn Weert-Maastricht.
1.3
Geldend bestemmingsplan
Binnen het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied' dat op d.d. 26 mei 2018 door de raad van de gemeente Echt-Susteren is vastgesteld.
8/386
Afbeelding 1.3: uitsnede van verbeelding bestemmingsplan stedelijk gebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Op basis van het geldende bestemmingsplan, kent het plangebied de bestemming 'Groen' en kan het beoogde woonzorggebouw ter plaatse niet worden gerealiseerd wegens strijd met het geldende bestemmingsplan. De bestemming 'Groen' is in hoofdzaak bedoeld voor de realisatie van groenvoorzieningen en voorziet niet in de mogelijkheid om een woongebouw te bouwen. Daarnaast zijn de volgende bestemmingsplannen op de planlocatie van toepassing: - bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren') vastgesteld d.d. 2016-09-22; - facetbestemmingsplan 'Deregulering' vastgesteld d.d. 2019-11-06. Om de realisatie van het woonzorggebouw op de planlocatie toch te kunnen realiseren is een partiële herziening van het (de) bestemmingsplan(nen) vereist.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bij het bestemmingsplan bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 het plangebied, de omgeving en het projectprofiel beschreven. Het planvoornemen wordt daarin beknopt beschreven. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord dat het plan past binnen de geldende beleidskaders. Hoofdstuk 4 beschrijft de verschillende planologische aspecten waaraan het plan moet voldoen, zoals archeologie, cultuurhistorie, water en parkeren. In hoofdstuk 5 wordt hetzelfde gedaan ten aanzien van de milieuaspecten, zoals geluid, externe veiligheid en bodemkwaliteit. In hoofdstuk 6 volgt een juridische planbeschrijving, waarbij wordt ingegaan op de verschillende onderdelen waaruit het bestemmingsplan bestaat en wordt ingezoomd op de verbeelding en de planregels. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 onderbouwd dat het plan zowel economisch als maatschappelijk uitvoerbaar is.
9/386
10/386
Hoofdstuk 2 2.1
Gebieds- en projectprofiel
Gebiedsprofiel
Het plangebied betreft in de huidige staat een onbebouwd deel van het perceel kadastraal bekend sectie K. (deels) nummer 70255 ingericht met een grasbodem met één boom.
Afbeelding 2.1: het onbebouwde deel van het perceel waar de bebouwing is voorzien (bron: google.com) De Heerweg kenmerkt zich door verschillende typen grondgebonden woningen. De woningen aan de westzijde van de Heerweg hebben diepe percelen die soms tot aan de spoorlijn lopen. Op deze diepe achter terreinen is in het verleden een caleidoscoop aan bebouwing ontstaan. Ter plaatse van de locatie Heerweg 40-42 stond, op enige afstand van de rooilijn van de bestaande woningen, het schoolgebouw Schilberg dat in 2013 is gesloopt en waar voor in de plaats 3 gekoppelde woonzorggebouwen zijn gebouwd in 2014.
11/386
Afbeelding 2.2: situatie in 2013 met de aanwezigheid van het schoolcomplex (bron: het onbebouwde deel van het perceel waar de bebouwing is voorzien (bron: topotijdreis.nl) De resterende ruimte is als openbaar gebied ingericht deels met een interne ontsluitingsweg met parkeervoorzieningen en deels als groenvoorzieningen.
Afbeelding 2.3: de parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen ter plaatse (bron: google.com)
2.2
Projectprofiel
Initiatiefnemer Stichting Nester (voorheen Woongoed 2000) wil ter plaatse een nieuw woonzorggebouw bouwen dat gekoppeld wordt aan de 3 bestaande woonzorggebouwen. De stichting Pedagogisch Sociaal Werk Midden- en Noord-Limburg zal hier straks haar cliënten onder brengen, die hier zelfstandig gaan wonen onder begeleiding.
12/386
Afbeelding 2.4 : ontwikkeling van fase 1 met 3 woongebouwen + geplande toekomstige 2e fase (rode ovaal) Het plan voorziet in de realisatie van woongebouw (2e fase) dat gekoppeld wordt aan de drie bestaande woonzorggebouwen die in een 1e fase zijn gerealiseerd. Het gebouw zal qua verschijningsvorm en materialisering aansluiten op de al bestaande woongebouwen.
Afbeelding 2.5 : impressie van de gekoppelde woonzorggebouwen (bron: architecten Frencken/Scholl) Het woongebouw zal bestaan uit twee verdiepingen en is ruimtelijk zodanig ingedeeld dat er plaats is voor
13/386
maximaal 9 appartementen/woonzorgeenheden. Het woongebouw wordt in een groene setting gerealiseerd. Op afbeeldingen 2.5 en 2.6 is een impressie weergegeven van de beoogde bebouwing.
Afbeelding 2.5 : impressie 3D aanzicht van het gekoppelde woonzorggebouw (bron: architecten Frencken/Scholl) Het woongebouw wordt net zoals de drie bestaande woongebouwen ontsloten vanaf een eigen toegangsweg die op de Heerweg aansluit. Centraal in het gebied zijn een 15-tal parkeervoorzieningen in het groen aangebracht.
14/386
Afbeelding 2.6 : gevel impressies van de bebouwing (bron: architecten Frencken/Scholl)
15/386
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), september 2020 De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De NOVI is op 9 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Dit betekent een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is.
Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Hierdoor ontstaat het volgende beeld: het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:
16/386
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie duurzaam economisch groeipotentieel sterke en gezonde steden en regio’s toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. Beoordeling Wonen is voor onderhavig project relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.
Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Voor dit project zijn de relevante nationale belangen: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De belangrijkste keuzes zijn: duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; ruimte voor overgang naar een circulaire economie; woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Er is sprake van een zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij onderhavig ruimtelijk plan en er is sprake is van een lokale binnenstedelijke ontwikkeling met het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het plan voldoet daarmee aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de NOVI. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Algemeen Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) vloeit voort uit de SVIR. Om de nationale belangen uit de SVIR door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de SVIR het Barro in werking getreden. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken van
17/386
provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het gaat daarbij om het beschermen van de nationale belangen. Deze algemene regels, vastgelegd in het Barro, werken zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Als directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Defensie - radarverstoringsgebied Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer.
Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen 15 nautische mijl (= 27,8 kilometer) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient door TNO een radarhinderonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek beoordeelt Defensie de aanvaardbaarheid van de verstoring.
18/386
Afbeelding 3.1: Radarverstoringsgebied Volkel Beoordeling Het projectvoornemen is niet gesitueerd in het beperkingengebied behorende bij het radarstation Volkel. Bovendien heeft het projectvoornemen géén betrekking op het oprichten van een windturbine. Het projectvoornemen is gesitueerd in de nabijheid van de spoorlijn Roermond-Sittard. Met de effecten geluid en externe veiligheid vanwege deze spoorlijn is in het bestemmingsplan rekening gehouden. Zie hiervoor paragraaf 5.3 respectievelijk paragraaf 5.6. Conclusie Uit het Barro vloeien geen bepalingen voort die rechtstreeks doorwerken in onderhavig bestemmingsplan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, naast het Barro, tevens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waarmee dit mogelijk is. Het Bro stelt vanuit de rijks verantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden.
19/386
Nationaal belang 13 uit de SVIR vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit nationale belang is wettelijk verankerd in het Bro. In artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro is gesteld dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient te voldoen aan twee stappen: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Beoordeling De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. In het plangebied is er sprake van een toevoeging van maximaal 9 appartementen/ wooneenheden in een woongebouw. Gezien dit aantal en de ontwikkelde jurisprudentie op het gebied van 'stedelijke ontwikkeling' behoeft de in het plan voorziene ontwikkeling derhalve niet ‘beladderd’ te worden. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde. 3.1.4
Waterbeleid
Kaderrichtlijn water Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een
20/386
belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, wordt een waterparagraaf opgenomen. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat tevens de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie. De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt ‘meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten’. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier. Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld. Beoordeling In deze toelichting wordt op het aspect waterhuishouding nader ingegaan in paragraaf 4.2.
3.1.5 Wet milieubeheer Op de grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), moet bij de initiatieven voor bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. Beoordeling In deze toelichting wordt op het aspect m.e.r.-beoordeling nader ingegaan in paragraaf 5.1.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Geconsolideerde versie Omgevingsvisie POL2014
Algemeen Op 13 augustus 2019 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie POL2014 vastgesteld. De provincie Limburg wil bijdragen aan een gevarieerde en optimale kwaliteit van de leefomgeving in steden, dorpen en op het platteland, rekening houdend met de diversiteit van de inwoners van Limburg: oud en jong,
21/386
allochtoon en autochtoon, valide en minder valide. Belangrijke elementen daarin zijn woningen van goede kwaliteit en op de juiste plaats, herstructurering van de woningvoorraad en passende en bereikbare voorzieningen. Dit alles stelt ook hoge eisen aan de milieukwaliteit, de ruimtelijke inrichting en de zorg voor sociale en culturele voorzieningen. Dynamisch voorraadbeheer Om bovenstaande uitdaging aan te kunnen is dynamisch voorraadbeheer benodigd om de omslag naar gewenste kwaliteit te maken. Door het creëren van schaarste, in onder andere de woningmarkt, krijgt de markt prikkels om de benodigde kwaliteit te realiseren. Essentie hiervan is dat in regionaal verband door gemeenten niet-vrijblijvende afspraken worden gemaakt over noodzakelijke interventies. De precieze aanpak kan per onderwerp en regio uiteenlopen. Centraal in het dynamisch voorraadbeheer staan drie typen interventies: Werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad (bijvoorbeeld renovatie, herstructureren, energiemaatregelen, duurzaamheid). Onderdeel hiervan vormt de aanpak van de bestaande leegstand. Waar mogelijk schrappen (verkleuren of van functie veranderen) van harde plannen die niet de beoogde toevoeging van kwaliteit opleveren. Het kan ook gaan om tijdelijke andere functies.
Onder voorwaarden (bijvoorbeeld echte toevoeging kwaliteit, principes duurzame verstedelijking) ruimte bieden voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad. Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is overgedragen aan de gemeenten, zodat gemeenten zelf invulling gegeven aan het kwaliteitsbeleid (Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM)). Hierdoor wordt voorkomen dat er stapeling ontstaat met andere compensatieregelingen of regelingen met een vergelijkbaar karakter. Desalniettemin dienen er minimale drempelbedragen te worden gehanteerd. In paragraaf 3.4 gemeentelijk beleid wordt hierop nader ingegaan met een vertaling naar het voorliggend planvoornemen. Beoordeling In het POL is het plangebied op themakaart 1 (Zonering Limburg) ter plaatse van de planlocatie aangeduid als "overig bebouwd gebied".
Afbeelding 3.2: Uitsnede van themakaart 'zonering Limburg' (bron: Omgevingsvisie Limburg 2014) Het realiseren van een woonzorggebouw past binnen het gebiedstype "overig bebouwd gebied". Deze gebieden zijn bestemd voor gemengde woon-/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter.
22/386
Afbeelding 3.2: Uitsnede van themakaart 'ondergrond' (bron: Omgevingsvisie Limburg 2014) Op themakaart 12 (Ondergrond) van het POL is voor de planlocatie, de aanduiding 'boringsvrije zone' opgenomen. Deze leidt niet tot belemmeringen voor het project en is op de verbeelding en in de planregels van dit plan verwerkt. Op de overige themakaarten zijn geen specifieke zaken opgenomen die nader aandacht behoeven in deze toelichting. Conclusie Het planvoornemen past binnen de beleidskaders van de Omgevingsvisie POL2014. 3.2.2
Geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014
Algemeen In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL 2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Nu is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL 2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 en de Verordening Wonen Zuid-Limburg vrijwel ongewijzigd opgenomen. Hierdoor zijn alle doorwerkingsinstrumenten van het omgevingsbeleid nu ondergebracht in één document. Voor onderhavig planvoornemen is artikel 2.2 (Duurzame verstedelijking) van toepassing. De laatste versie (geconsolideerde versie) van de Omgevingsverordening Limburg is vastgesteld op 22 november 2019. Beoordeling Op kaart 2 ('Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014') van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is de planlocatie van het woonzorggebouw aan de Heerweg 40-42 aangeduid als "bebouwd gebied".
23/386
Afbeelding 3.2: Uitsnede van de kaart 2 'duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014' (bron: Omgevingsverordening Limburg 2014) Onderzocht is of er regels van het hoofdstuk Ruimte van toepassing zijn op het plangebied. Het thema "Duurzame verstedelijking" is van toepassing, dit volgt tevens uit het Besluit ruimtelijke ordening. Aangezien het planvoornemen niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig. Zie hiervoor paragraaf 3.1.3. In artikel 2.4 wordt verwezen naar de bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014. In paragraaf 3.4 gemeentelijk beleid wordt daar nader op ingegaan.
Afbeelding 3.2: Uitsnede van kaart 11 'grondwateronttrekking' (bron: Omgevingsverordening Limburg 2014) Op kaart 11 (Grondwateronttrekking) van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is voor de planlocatie, de aanduiding 'Roeldalslenk' opgenomen. Deze leidt niet tot belemmeringen voor het project en is op de verbeelding en in de regels van het plan verwerkt. Op de overige themakaarten zijn geen specifieke zaken opgenomen die nader aandacht behoeven in deze toelichting. Conclusie Het planvoornemen past binnen de regels van de Omgevingsverordening Limburg 2014.
24/386
3.2.3 Waterbeleid Provincie Limburg Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Het Provinciaal Waterplan vormt de strategische basis voor het Limburgse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Limburg. In paragraaf 4.2 wordt daar nader op ingegaan op het aspect waterhuishouding.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Structuurvisie Wonen Midden-Limburg
Algemeen De Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 is bij besluit van 9 juli 2019 door de gemeenteraad van de gemeente Echt- Susteren vastgesteld. In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het beleidsveld 'Wonen' voor de korte termijn (2018 tot en met 2021) en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte behoefte tot 2030. De regio heeft ervoor gekozen de structuurvisie vorm te geven via een praktische en concrete aanpak. Op basis van analyse-uitkomsten is samen met belanghouders een regionale visie geformuleerd en op basis van ervaring zijn beleidsmatige uitgangspunten opnieuw uitgewerkt in afwegingskaders. Lokale afwegingen die richting geven voor de opgaven op het gebied van wonen zijn mogelijk. De gewenste kwalitatieve afstemming van woningbouwplannen in de regio wordt daarnaast ook concreet gemaakt. De speerpunten zijn opnieuw verankerd in opgaven en de bijbehorende afwegingskaders en instrumentaria zijn geactualiseerd. Na de structuurvisie wonen voor de periode 2014 t/m 2017 is in kwantitatieve zin overcapaciteit voor een deel blijven bestaan, maar heeft er wel een kwalitatieve opschoning van de plannen plaatsgevonden. Deze Structuurvisie biedt een toetsings- en afwegingskader voor het invullen van de resterende opgave met nieuwbouw en transformatie.
De afzonderlijke gemeenten worden in staat gesteld de meest passende onderdelen uit het beschikbaar instrumentarium in te zetten om daadwerkelijk sturing te geven. In de structuurvisie 2014 waren voor 10 jaar aantallen te bouwen woningen per gemeente vastgelegd. Daarbij is de totale groei van de regio verdeeld over de gemeente naar rato van het aantal huishoudens. In de huidige structuurvisie is vastgelegd dat elke gemeente kan uitgaan van minimaal de afspraak uit 2014 en alleen indien de prognose Etil 2017 hoger uitpakt, van deze nieuw prognose. Voor de gemeente Echt-Susteren geldt een maximaal aan te houden groei vanaf 1 januari 2014 van 590 woningen. Netto zijn er in de periode 2014 t/m 2017 132 woningen gerealiseerd. De planvoorraad is per 1 januari 2018 bijgesteld naar 575 waarbij rekening is gehouden met een overcapaciteit van 117 woningen. In de periode 2018 t/m 2021 zal deze overcapaciteit met 40% verminderd moeten worden. Dit houdt in dat er in die periode 47 woningen minder gebouwd mogen worden. De planvoorraad komt dan neer op 528 woningen.
25/386
Beoordeling Centrale thema’s in de woonvisie zijn dus de bouwambities voor de komende jaren en de nog steeds noodzakelijke sanering van plancapaciteit. Als grondslag voor het opstellen van de Structuurvisie is in 2018 een onderzoek uitgevoerd naar de behoefte aan woningen. Gebleken is dat de meeste behoefte bestaat aan grondgebonden seniorenwoningen of appartementen met lift in de prijsklassen laag tot midden. Voorliggend planvoornemen voorziet in het toevoegen van een woonzorgeenheid. Voor het realiseren van woonzorgeenheden wordt geen beslag gelegd op de aanwezige plancapaciteit. Het verzoek heeft daarmee geen gevolgen voor de gemeentelijke planvoorraad. Conclusie Er wordt voldaan aan de regionale afspraken.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Echt-Susteren 2025
Algemeen De Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025 'Ontwikkelen met kwaliteit' is door de raad van de gemeente Echt-Susteren vastgesteld op 12 december 2012. In de structuurvisie is het toekomstperspectief voor de gemeente geschetst en wordt op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting aangegeven voor de hele gemeente. De gemeenteraad moet zich aan deze visie houden en mag er slechts gemotiveerd van afwijken. Voor de inwoner geeft de visie inzicht in de ontwikkelingsmogelijkheden die er zijn in een bepaald gebied. De delen A en B van de structuurvisie geven de hoofdlijnen aan waarbinnen ruimte wordt gelaten aan voorziene, maar vooral ook aan nog niet te voorziene ontwikkelingen. Daarvan zijn de thema's wonen en recreatie & toerisme verder uitgewerkt. In de structuurvisie zijn de verschillende beleidslijnen samengebracht. Voor inwoners en ondernemers geeft de structuurvisie inzicht in de ontwikkelingsmogelijkheden die er zijn in een bepaald gebied. De structuurvisie wordt vertaald in bestemmingsplannen zodat het beleid verder kan worden uitgewerkt en vastgelegd.
Ambities en principes De volgende ambities zijn opgenomen voor het stedelijk gebied: realisatie van een woningvoorraad die kwantitatief en kwalitatief aansluit op de vraag; gericht ruimtegebruik voor en door alle typen bedrijven; concentratie van verstedelijking gericht op behoud van een onderscheidend detailhandelsaanbod; concentratie en combinatie van maatschappelijke voorzieningen; behoud van (be)leefbare kernen; optimale bereikbaarheid van stedelijke functies; het zijn van een veilige en duurzame gemeente. De volgende zes leidende principes worden toegepast bij elke ruimtelijke afweging:
26/386
1. 2. 3. 4. 5. 6.
meer aandacht voor de onderste lagen (bodem, wat er, landschap, natuur, cultuurhistorie en infrastructuur); zorgvuldig ruimtegebruik (met oog voor beeld kwaliteit én economie); grensoverschrijdend denken en handelen; tegengaan van verdere verstening van het buitengebied; kwaliteit belangrijk er dan kwantiteit; bereikbaarheid belangrijk er dan aanwezigheid of nabijheid.
Wonen In het stedelijk gebied ligt de nadruk op inbreiden, herstructureren en temporiseren met extra inzet op reductie van (onbenutte) particuliere bouwrechten. Het aantal woningen in Echt-Susteren bedraagt op dit moment ruim 14.000. Het merendeel hiervan ligt in het stedelijk gebied, de rest in het buitengebied. De gemeente neemt de regie om de kwaliteit van de woonomgeving, zowel in bestaande woongebieden alsook bij nieuwe projecten, te verbeteren c.q. garanderen. Op die manier blijft de gemeente aantrekkelijk als woongebied en als vestigingsgebied. Kwantitatief gezien dient in de kleine kernen alleen te worden gebouwd voor de natuurlijke behoefte, en in de grote kernen (Echt en Susteren) is er meer behoefte. Kwalitatief gezien dient er meer voor de huursector te worden gebouwd, en minder voor de koopsector. Met name in het segment duurdere eengezinswoningen moet gereduceerd worden om ruimte te maken voor zorg- en levensloopbestendige nultredenwoningen. Deel C Het te realiseren beleid wordt in deel C vertaald naar ruimtelijke ontwikkelingen, plannen en projecten. Ook wordt in deel C de vertaling van het Limburgs Kwaliteitsmenu naar gemeentelijk niveau behandeld. Bij niet-gebiedseigen ontwikkelingen is altijd een financiële bijdrage vereist. In deel C is tevens het (dynamische) uitvoeringsprogramma opgenomen.
Dit uitvoerings- programma betreft de zogenaamde speerpuntprojecten stedelijk gebied en de kwaliteits- verbeterende projecten. Het uitvoeringsprogramma kan frequent (ca. tweejaarlijks) geactualiseerd en vastgesteld worden binnen de kaders van de structuurvisie. Op 29 januari 2015 heeft de raad het geactualiseerde uitvoeringsprogramma vastgesteld. Beoordeling Plannen en projecten In de structuurvisie is het toekomstperspectief voor de gemeente geschetst. Dit initiatief is in de structuurvisie opgenomen onder een overzicht van plannen en projecten met speerpunten voor het stedelijk gebied. In de structuurvisie is een overzicht opgenomen van plannen en projecten (speerpunten stedelijk gebied). Als speerpunt 7 is de 'locatie voormalig schoolgebouw Heerweg' opgenomen. Dit project als volgt beschreven: Locatie voormalig schoolgebouw Heerweg Door het gesloten karakter van dit terrein is onderhavige locatie niet verweven in de ruimtelijke structuur van de
27/386
wijk Schilberg (kern Pey). Door hel marginale onderhoud heeft het complex een desolate uitstraling, die versterkt wordt door de gedateerde inrichting van de openbare ruimte. Door herontwikkeling van deze locatie met tegelijkertijd herinrichting van de aangrenzende infrastructuur, wordt het gebied verweven in de ruimtelijke structuur van de wijk Schilberg. Tevens kan inhoud worden gegeven aan de lokale behoefte aan levensloopbestendige huur- en zorgwoningen. “Door de in 2015 uitgevoerde herontwikkeling van deze locatie met tegelijkertijd herinrichting van de aangrenzende infrastructuur (fase 1), is het gebied verweven in de ruimtelijke structuur van de wijk Schilberg. De eigenaar Stichting Nester heroverweegt de herontwikkeling van fase 2." Op basis van bovenstaande is de conclusie dat de herontwikkeling van een vierde woonzorggebouw (in fase 2) voor mensen met een zorgbehoefte een invulling is van de ambitie zoals verwoord is in de structuurvisie. De ambitie voor ontwikkeling van zorgwoningen wordt met voorliggend plan inhoud gegeven. Het concrete project, zoals benoemd als speerpunt 7 in de structuurvisie, wordt ingevuld. Limburgs Kwaliteitsmenu / Gemeentelijke Kwaliteitsmenu Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is in de structuurvisie vertaald naar het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM).
Dit Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is met name van toepassing op ontwikkelingen in het buitengebied (buiten de provinciale rode contour). Op onderdelen is het GKM doorgetrokken naar het stedelijk gebied (verkrijging particulier bouwrecht binnen contour en herstructurering woongebieden met per saldo toename aantal woningen en/of appartementen). Dit plan ligt binnen de (voormalige) provinciale rode contour en er is géén sprake van toevoeging van particuliere woningen maar van zorgwoningen. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is niet van toepassing. Conclusie Voorliggend plan draagt bij aan versterking van de kwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik waarbij de realisatie van de woningbouw aansluit op de vraag. Het plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.
28/386
Hoofdstuk 4
Planologische aspecten
4.1
Archeologie en cultuurhistorie
4.1.1
Archeologie
Algemeen In 2007 is het Verdrag van Malta vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988). Door archeologie tijdig in de planvorming te betrekken, kunnen de archeologische waarden hierin eventueel worden ingepast. Het uitgangspunt ten aanzien van de aanwezige archeologische waarden in de planvorming is, volgens Rijks- en provinciaal beleid, behoud in situ (ter plekke of binnen de context van de vindplaats). De raad van de gemeente Echt-Susteren heeft op 24 februari 2011 een archeologische verwachtingskaart vastgesteld voor het gehele gemeentelijk grondgebied. In het gemeentelijk 'Archeologiebeleid inclusief Waarden- en Verwachtingenkaart' is het beleid opgenomen om de archeologische waarden adequaat te beschermen Op deze kaart is te zien aan welke gebieden archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden (hoog, middelhoog en laag) zijn toegekend. Ook is hierop het provinciaal aandachtsgebied aangegeven. In het gemeentelijke archeologiebeleid wordt aan de hand van verschillende categorieën bepaald wanneer archeologisch onderzoek nodig is (en wanneer niet). Dit is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde, die is aangegeven op de bijbehorende kaart.
29/386
Afbeelding 4.1: uitsnede uit archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Echt-Susteren Beoordeling De gronden van het plangebied zijn op basis van de 'archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart' aangewezen met de waarde 'lage verwachting voor droge en natte landschappen'. In het onderzoekskader staat aangegeven dat voor deze verwachting geen restricties zijn met betrekking tot bodemingrepen.
30/386
Voor het plangebied is in het geldende bestemmingsplan ook geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' ter bescherming en het behoud van de op en/of in de gronden voorkomende archeologische waarden. Conclusie De ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk archeologisch beleid. 4.1.2
Cultuurhistorie
Algemeen Gemeenten moeten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening houden met cultuurhistorische waarden. Deze verplichting, die voorkomt uit het rijksbeleid voor modernisering van de monumentenzorg (MoMo), is vanaf 1 januari 2012 vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van deze verplichting is te bevorderen dat de cultuurhistorische waarden al bij de start van een planontwikkeling een rol spelen en worden meegewogen in de besluitvorming. Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische land- schappen en archeologische waarden van een gebied. Beschermde rijks- of gemeentelijke monumenten zijn objecten met een dermate hoge historische waarde of schoonheid dat naar behoud daarvan gestreefd moet worden, ongeacht de cultuurhistorische waarde van hun directe omgeving. Bij het streven naar behoud zullen wel de eisen van het gebruik van het object meegewogen worden. Het bezit van een nuttige en liefst ook rendabele functie, passend bij het monument, is een belangrijk doel. In het plangebied zijn zowel Rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten gelegen. Deze monumenten worden beschermd vanuit separate wetgeving en derhalve is het niet nodig om deze monumenten nog apart in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan op te nemen. De bescherming hiervan vindt dus op aparte wijze plaats.
Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische kwaliteiten zoveel mogelijk te handhaven en te versterken. Aan deze wettelijke eis geeft de gemeente Echt-Susteren invulling, doordat ze een gemeente brede Cultuurhistorische en Aardkundige Waardenkaart heeft opgesteld (oktober 2012). Hierin zijn – in nauw overleg met de gemeentelijke Heemkundekringen en Vereniging van Stadsgidsen- vele voor cultuurhistorie relevante thema's geïnventariseerd en gewaardeerd. Deze cultuur- historische en aardkundige waardenkaart is een dynamisch product dat te allen tijde door het college van B&W op onderdelen aangevuld of herijkt kan worden. Tevens geeft de 'Structuurvisie Echt-Susteren 2025 Ontwikkelen met kwaliteit' aan dat landschap en cultuurhistorie bij nieuwe ontwikkelingen als inspiratiebron gebruikt moeten worden. Landschappelijke kwaliteit, identiteit en contrastrijkheid vormen binnen Echt-Susteren het uitgangspunt bij ruimtelijke keuzes. De gemeente wil dat bij nieuwe ontwikkelingen geen onevenredige afbreuk plaatsvindt van aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden en liever nog dat de ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan deze waarden. 'Behoud door ontwikkeling' is zowel bij ingrepen in het buitengebied als in het stedelijk gebied het adagium.
Om dit te bereiken streeft de gemeente ernaar dat deze waarden zo vroeg mogelijk in het planproces in beeld
31/386
komen. Daarom dient bij elk nieuw initiatief dat niet past binnen het bestemmingsplan, bezien te worden of er cultuurhistorisch-landschappelijke waarden aanwezig zijn. Dit kan op basis van een onderzoek of als onderdeel van een ruimtelijke onderbouwing. In het onderzoek dienen inrichtingshandreikingen opgenomen te worden hoe de betreffende waarden zo goed mogelijk geïntegreerd kunnen worden in de planvorming. Beoordeling In en rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorische objecten en/of waarden aanwezig. Conclusie De ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid.
4.2
Water
4.2.1 Algemeen In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Hieronder wordt eerst ingegaan op het waterbeleid op verschillende overheidsniveaus en vervolgens wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en water gerelateerde aspecten wordt omgegaan. 4.2.2 Beleid Voor het nationaal waterbeleid en het beleid van de provincie ten aanzien van water wordt verwezen naar het bepaalde in paragraaf 3.1.4 en paragraaf 3.2.3. 4.2.2.1 Waterschap Limburg Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om de gemeente Echt-Susteren. Het Waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels, met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, staan in de 'Keur Waterschap Limburg 2019'. Hierin wordt tevens het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding.
Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemeen besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Dit plan was, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomst- bestendig waterbeheer in Limburg; hoe invulling gegeven wordt aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Gestimuleerd wordt via de Watertoets het afkoppelen van regenwater onderdeel van te maken van duurzaam waterbeheer in ruimtelijke plannen. Uitgegaan wordt van de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Door klimaat- verandering worden meer heftige buien en hitte verwacht. Daarnaast is er minder acceptatie van wateroverlast door grondgebruikers, inwoners en bedrijven. Meer ruimte voor water kan bijdragen aan:
32/386
meer waterveiligheid - minder wateroverlast bij heftige buien; betere ontwikkeling van natuur en landbouw - door overstroming en verdroging tegen te gaan; een betere woon- en leefomgeving - meer water(ruimte) in de stad, gecombineerd met groen en recreatie, biedt ruimte aan het opvangen, bergen, infiltreren en afvoeren van regenwater, zorgt voor verkoeling tijdens hittegolven en verhoogt de belevingswereld van water in de stad; minder overbelasting van onze beken - door water langer in de stad en in zijwateren vast te houden, wordt voorkomen dat benedenstroom meer water komt dan de beken kunnen verwerken. Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.
Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. 4.2.2.2 Gemeentelijk beleid Sinds 2008 zijn gemeenten binnen de bebouwde gebieden verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente Echt-Susteren neemt hierbij deel aan het convenant 'samenwerken in de afvalwaterketen Noord-Limburg'. Een uitvloeisel van dit convenant is dat de gemeente aansluit bij het samenwerkingsverband Limburgse Peel en een, overbruggende, gezamenlijk notitie GRP (Gemeentelijk Rioleringsplan) heeft opgesteld met de gemeente Roerdalen en Roermond. Het 'Gemeentelijke rioleringsplan Echt-Susteren 2017-2021' (hierna: GRP) verantwoordt aan de inwoners van de gemeente Echt-Susteren de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht en op het gebied van (grond)water. Het document bevat zowel de geplande activiteiten voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel als maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater.
Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen en geïnfiltreerd binnen het plangebied. Indien infiltratie niet of onvoldoende mogelijk is, kan alsnog vertraagd worden afgevoerd. Beoordeling Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zandgrond. Er is sprake van grondwater trap VIII. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grond- waterstand meer dan 1,2 meter onder maaiveld en de gemiddelde laagte grond- waterstand op meer dan 1,6 meter beneden maaiveld is gelegen. Het maaiveld ter plaatse ligt circa 32 meter boven NAP. Waterkwantiteit/-keringen
33/386
Conform de legger oppervlaktewateren van het Waterschap Limburg blijk dat in de nabije omgeving van het projectgebied géén oppervlaktewater aanwezig is. In (de directe) nabijheid van het projectgebied zijn tevens geen primaire of regionale waterkeringen gelegen en heeft derhalve geen invloed op de veiligheid. Toekomstige situatie De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 1 woongebouw. De huidige bestaande onbebouwde situatie wordt bebouwd. Ten gevolge van deze ontwikkeling wordt er circa 380 m2 extra verharding gerealiseerd. Uitgaande van een bui die eens in de 25 jaar voorkomt en voor een waterbelasting van 35 mm per 45 minuten zorgt levert dit circa 14 m3 water op. Dit water zal worden geïnfiltreerd in de directe nabijheid van het projectgebied dat bij de realisatie van de 1e fase met woonzorggebouwen daarvoor mede is ingericht. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van grond- en/of hemelwater in de bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Afvalwaterketen en riolering Voor nieuwbouw is het wenselijk een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.
Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Conclusie De ontwikkeling op de planlocatie heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoud- kundige systeem ter plaatse. Het hemelwater wordt gedimensioneerd vastgehouden en geborgen (100 mm per etmaal met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur) in de directe nabijheid van het plangebied.
4.3
Natuur en ecologie (flora en fauna)
4.3.1 Algemeen Het natuurbeschermingsbeleid en de wet- en regelgeving op het gebied van flora en fauna kennen twee sporen, namelijk een gebiedsgericht en een soortgericht spoor. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht alsmede in werking getreden het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb). Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Floraen Faunawet. De bescherming van de natuur is daarmee in Nederland dus wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (hierna: Wnb). De Wnb bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wnb voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
34/386
Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in juli 2022 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijk- heden bij de provincies te liggen. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot voormelde actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders.
De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingsprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuur- beschermingsbeleid. Gelijktijdig met de in werking treding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd. Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.
Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag. De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland (NNN), bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het Natuur Netwerk Nederland en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. De provincies kunnen voor de bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (hierna: NNN), de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen zorg dragen door die gebieden op te nemen in de provinciale ruimtelijke verordeningen door daarin te bepalen dat die in de door de gemeente vast te stellen bestemmingsplannen dienen te worden beschermd. Voor de Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden voorziet de Wnb zelf in verschillende beschermingsregimes, waaronder een
35/386
vergunningenregime, een toetsingsregime voor (bestemmings)plannen aan de zorgplicht, het programma en het beheerplan. Het aanwijzen van andere soorten natuurgebieden is op grond van deze Wnb niet uitgesloten. In Nederland waren 64 gebieden aangewezen tot 'beschermd natuurmonument' als bedoeld in de NBW1998. Die status is komen te vervallen door de inwerkingtreding van de Wnb per 1 januari 2016. Op grond van de Wnb is het ook niet meer mogelijk om gebieden aan te wijzen teneinde te voldoen aan internationale verplichtingen en komt de beschermde status ook van die gebieden te vervallen. In Nederland betreft dit 49 gebieden (wetlands) die tevens de status van Natura 2000-gebieden bezitten. Daarom blijft de wettelijke bescherming hiervan gewaarborgd. De bevoegdheid om gebieden aan te wijzen teneinde te voldoen aan internationale verplichtingen, mits die hun grondslag vinden in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn, blijft nog wel mogelijk. Artikel 1.12, lid 2 Wnb ziet op het tot stand brengen en het in stand houden van het NNN. Dit netwerk stond voorheen bekend onder de benaming 'Ecologische hoofdstructuur (EHS)'. Het NNN is zowel voor de soortenbescherming als voor de gebiedsbescherming van belang. In het Natuurpact zijn de afspraken vastgelegd tussen de rijksoverheid en de provincies over de omvang van het netwerk.
De gebieden die tot dit netwerk behoren zijn inmiddels door de provincies als zodanig aangewezen. Deze gebieden gelden op grond van het overgangsrecht, (artikel 9.11 Wnb) als gebieden die behoren tot het NNN. Zowel de Wnb als het Barro bevatten bepalingen die gericht zijn op de aanwijzing en de bescherming van het NNN. Opgemerkt moet worden dat deze regelingen niet eenduidig zijn als het gaat om het bestuursorgaan dat bevoegd is om tot aanwijzing te besluiten. Uitgangspunt voor bestemmingsplannen waarin gebieden zijn begrepen die behoren tot het NNN is dat deze geen mogelijkheden mogen bieden voor ruimtelijke ontwikkelingen die (per saldo) een significante aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en/of kenmerken en/of een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden en/of van de samenhang tussen die gebieden. Alleen als sprake is van een groot openbaar belang én er geen reële alternatieven zijn én mits de negatieve effecten worden gecompenseerd kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Provincies en gemeenten zijn voorts bevoegd om het beschermingsregime verder te laten reiken dan de gebieden die behoren tot dit netwerk. Het gaat dan om ingrepen die weliswaar buiten die gebieden plaatsvinden maar die wel gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke waarden en kenmerken ervan.
Ook al is een dergelijk aanvullend beschermingsregime niet van kracht dan nog dient een ruimtelijke ingreep die plaatsvindt buiten de begrenzing van het natuurnetwerk beoordeelt te worden of die zich al dan niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. In navolgende paragrafen zal de toetsing van het voornemen plaatsvinden aan enerzijds de gebiedsbescherming en anderzijds de soortenbescherming.
36/386
4.3.2
Gebiedsbescherming
4.3.2.1 Natura 2000 De Wnb heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Om negatieve effecten op de gebieden te voorkomen is in de wet een vergunningplicht opgenomen. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Het hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Hierbij wordt het ‘Nee, tenzij’ principe gebruikt. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Voor de Natura 2000-gebieden zijn vanuit het Rijk instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten. De provincie dient voor deze Natura 2000-gebieden een Natuurbeheerplan op te stellen.