Bestemmingsplan dakpannenlocatie Cuijpers
Tekst van het document
Functietype
Hoeveelheid Kencijfer CROW
Wonen Wonen
Koop, huis, tussen/hoek Huur, appartement midden/goedkoop
20 44
Totaal Figuur 4.2.5
7,1 per woning 3,6 per woning
Verkeersgeneratie mtv/etmaal weekdag 142 158,4 301 mvt/etmaal
Verkeersgeneratie planvoornemen
De maximale verkeersgeneratie bedraagt 301 mvt/etmaal. Dit betreft de verkeersgeneratie van de volledige ontwikkeling van dit bestemmingsplan. Het plangebied is momenteel braakliggend en niet in gebruik. In de feitelijke situatie kent het plangebied dan ook geen gebruik met een verkeersgeneratie tot gevolg. Het plangebied ontsluit voor het grootste deel direct op de Kerkveldsweg Oost. Aan de noordzijde van het plangebied liggen 18 parkeerplaatsen die ontsluiten op de Tulpenstraat, de andere 82 parkeerplaatsen op de Kerkveldsweg Oost. 82% van de verkeersgeneratie ontsluit zodoende op de Kerkveldsweg Oost. Dit betreft 247 mvt/etmaal. De overige 54 mvt/etmaal ontsluiten op de Tulpenstraat. Het plangebied ontsluit direct op de Kerkveldsweg Oost. Het type weg betreft een gebiedsontsluitingsweg met een snelheidsregime van 30 km/u. De meest nabij gelegen hoofdontsluiting betreft de Rijksweg Noord. De Rijksweg Noord is vanaf de Kerkveldsweg Oost voor gemotoriseerd verkeer echter afgesloten. De huidige intensiteiten van de Kerkveldsweg Oost zijn zodoende relatief laag te noemen. De intensiteiten die het plan genereert, passen in het toekomstige wegbeeld waarbij geen onevenredige verkeersdruk zal ontstaan. De Kerkveldsweg Oost betreft een geasfalteerde weg met een breed wegprofiel, zie figuur 4.2.6.
De rijbaan heeft een breedte van circa 6 meter en daarnaast zijn aan beide zijden langsparkeerplaatsen gelegen. Tegenliggers kunnen elkaar hier makkelijk passeren zonder uit te wijken of af te remmen. Het profiel en de capaciteit van de Kerkveldsweg Oost is ruim voldoende om de toevoeging van de extra verkeersbewegingen makkelijk aan te kunnen en het verkeer in westelijke richting te leiden. Indien al het verkeer uiteindelijk op de Rijksweg Noord is afgewikkeld, bedraagt de toename circa 2,5% van het huidige verkeer op de Rijksweg Noord. Tijdens de spits leidt het planvoornemen tot circa 30 extra auto's (10% etmaalwaarde) op de omliggende wegen. Dat betreft elke twee minuten één auto extra in de spits. Ook tijdens de spits zal het grootste deel van deze auto's via de Kerkveldsweg Oost ontsluiten (circa 26) en een klein deel via de Tulpenstraat ontsluiten (circa 4). Mede gelet op de doelgroepen die in het plangebied zullen gaan wonen (vooral senioren) ligt dit aantal in werkelijkheid nog lager.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
34
Figuur 4.2.6 Aanzicht profiel Kerkveldsweg Oost Verkeersveiligheid De toename van het verkeer leidt niet direct tot een onveiligere verkeerssituatie. De veiligheid wordt met name bepaald door de inrichting en de verkeerssnelheid. Daarnaast verdeelt het verkeer afkomstig van het plangebied zich snel in meerdere richtingen, is het verkeer dat langs/richting de omliggende scholen rijdt laag en is het aantal motorvoertuigbewegingen tijdens de spits beperkt. In het inrichtingsplan is opgenomen dat het kruisingsvlak bij de nieuwe ontsluiting met een andere kleur wordt ingericht. Dit zal een signaalfunctie hebben en verkeersdeelnemers attenderen op het feit dat de snelheid omlaag moet. Ook de toegangsweg zelf zal zodanig worden ingericht dat het in‐ en uitrijden van het plangebied alleen met erg lage snelheid kan. De verkeersveiligheid is daarmee ter plaatse voldoende gewaarborgd. Voor de bouwfase worden met de ontwikkelaar harde afspraken gemaakt over een veilige bouwlogistiek door de wijk. In 2020 heeft de reconstructie van de Heerweg‐Dokter Poelsplein‐Burgemeester Meuwissenstraat plaatsgevonden. In dit project is tevens de Kerkveldsweg Oost afgewaardeerd van 50km/u naar 30km/u. De kruising Burgemeester Meuwissenstraat‐Kerkveldsweg Oost‐Seringenstraat is hierin meegenomen en heeft een duidelijke verbetering ondervonden ten behoeve van de verkeersveiligheid.
De nieuwe weg richting het plangebied wordt niet ingericht als in‐/uitrit. Ook dit wordt, net zoals de overige kruisingen in de Kerkveldweg Oost, een gelijkwaardig en goed ingerichte kruising. Zo ontstaat een eenduidig wegbeeld in de Kerkveldsweg Oost die zowel voor de automobilist als de fietsers herkenbaar is. Worst‐case berekening verkeersgeneratie Hoewel het plangebied momenteel braakliggend is en geen verkeersgeneratie heeft, zijn heeft het plangebied planologisch gezien wel een verkeersgeneratie. Het plangebied was voorheen in gebruik als dakpannenfabriek en buurtcentrum. De verkeersbewegingen van de fabriek bestonden voornamelijk uit woon‐werkverkeer van personeel en zwaar vrachtverkeer. De verkeersbewegingen van het buurtcentrum bestond voornamelijk uit bezoekers. Met het sluiten (en sloop) van de gebouwen zijn deze verkeerbewegingen (tijdelijk) komen te vervallen. Volgens de planologische situatie zijn hier weer diverse functies rechtstreeks toegestaan. Ten opzichte van het planologisch toegestane gebruik is met het beoogde planvoornemen sprake van een afname van de verkeersgeneratie.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
35
In het nu geldende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied' zijn binnen de bestemming 'Bedrijf' bedrijven van milieucategorie 1 en 2 toegestaan, hieronder vallen bijvoorbeeld arbeidsextensieve bedrijfsactiviteiten zoals een loods. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen met een omvang van 8.675 m2 dat voor maximaal 90% bebouwd mag worden. Zodoende zijn hier bedrijfsgebouwen met een omvang van ruim 7.800 m2 toegestaan. In het nu geldende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied' zijn binnen de bestemming 'Maatschappelijk' educatieve, (para)medische, sociaal‐culturele, levensbeschouwelijke, onderwijs, kinderopvang, religieuze voorzieningen, algemene nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening toegestaan, hieronder valt bijvoorbeeld een bibliotheek. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen met een omvang van 280 m2 dat voor maximaal 100% bebouwd mag worden. In de volgende tabel zijn de planologisch toegestane functies afgezet tegen de kencijfers van de CROW. Functie benaming
Functietype
Bedrijf
Bedrijf arbeidsextensief/ 7.800 m2 bezoekersextensief (loods, opslag, transport) Bibliotheek 280 m2
Maatschappelijk
Omvang
Totaal * Inclusief vrachtverkeer Figuur 4.2.7 Verkeersgeneratie planologische mogelijkheden
Kencijfer CROW
Verkeersgeneratie mvt/etmaal weekdag 2 4,8 per 100 m BVO 375*
10,0 per 100 m2 BVO
30 405 mvt/etmaal
In de huidig planologische situatie zijn 405 mvt/etmaal te verwachten, zie figuur 4.2.7, waarvan een groot deel vrachtverkeer. Met de vaststelling van de woonbestemmingen en daarmee het wegbestemmen van de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Maatschappelijk' wordt een lagere verkeersgeneratie van 301 mvt/etmaal geborgd, zie figuur 4.2.5. Daarnaast is sprake van een aanzienlijke afname van het zware vrachtverkeer. Conclusie Ten aanzien van de verkeersaspecten zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Archeologie
Beleid en normstelling In 2007 is het Verdrag van Malta vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988). Door archeologie tijdig in de planvorming te betrekken, kunnen de archeologische waarden hierin eventueel worden ingepast. Het uitgangspunt ten aanzien van de aanwezige archeologische waarden in de planvorming is, volgens Rijks‐ en provinciaal beleid, behoud in situ (ter plekke of binnen de context van de vindplaats). De raad van de gemeente Echt‐Susteren heeft op 24 februari 2011 een archeologische verwachtingskaart vastgesteld voor het gehele gemeentelijk grondgebied. Op deze kaart is te zien aan welke gebieden archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden (hoog, middelhoog en laag) zijn toegekend. Ook is hierop het provinciaal aandachtsgebied aangegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
36
Onderzoek Uit de archeologische verwachtings‐ en beleidsadvieskaart blijkt dat sprake is van een lage verwachting voor droge en natte landschappen, zie figuur 4.3.1. De archeologische verwachtingen zijn vertaald in de diverse bestemmingsplannen, zo ook in het voor het plangebied geldende bestemmingsplan 'Stedelijk Gebied'. Hierin is voor het plangebied de geen dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie' opgenomen, zie paragraaf 1.3. Op basis van het bestemmingsplan 'Stedelijk Gebied' geldt dan ook geen beperking voor de maximale oppervlakte en diepte bij bodemingrepen. Een archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Figuur 4.3.1 Archeologische verwachtings‐ en beleidsadvieskaart, plangebied rood omlijnd Conclusie De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor het aspect archeologie. Te allen tijde geldt dat mochten tijdens de grondwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen hiervan direct melding dient te worden gemaakt conform artikel 53 van de monumentenwet.
4.4
Cultuurhistorie
Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads‐ en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000‐gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
37
Onderzoek De cultuurhistorische waarden van de gemeente Echt‐Susteren zijn vertaald in het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt‐Susteren', vastgesteld op 22 september 2016. Hierin is voor het plangebied geen dubbelbestemming of aanduiding met een bepaalde cultuurhistorische waarde opgenomen, zie paragraaf 1.3. Op basis van het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt‐Susteren' geldt dan ook geen beperking voor het plangebied. Uit de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg blijkt dat binnen het plangebied geen bebouwing van cultuurhistorische of (rijks‐) monumentale waarde is gelegen. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich aan de historische oude linten enkele monumentale gebouwen. De ontwikkeling vindt plaats op een braakliggend perceel, buiten percelen met monumentale panden en grenst niet direct aan historische oude linten. De ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor de aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden binnen het stedelijk gebied van Echt.
Figuur 4.4.1 Cultuurhistorie Provincie Limburg, plangebied rood omlijnd Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Bodemkwaliteit
Beleid en normstelling Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
38
Onderzoek Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van een functiewijziging van bedrijven naar wonen. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de kwaliteit naar de bodem vast te stellen, dit onderzoek is in bijlage 1 te vinden. Uit het onderzoek blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met kobalt, cadmium en PAK, waardoor de te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor deze bovengrond “AW” en de bovengrond met de PAK verontreiniging “Wonen” betreft. De ondergrond is licht verontreinigd met kobalt, cadmium, nikkel en minerale olie, waardoord e te verwachten bodemkwaliteitsklasse voor de ondergrond met cadmium, kobalt en nikkelverontreiniging “Wonen” betreft en de kobalt, nikkel en minerale olie verontreiniging “Niet Toepasbaar” betreft. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er echter, voor wat betreft de parameters van het standaardpakket, géén reden voor een nader onderzoek. Tijdens de veldwerkzaamheden is in de puinlaag zintuiglijk in de fractie >20 mm asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het materiaal betreft hechtgebonden chrysotiel asbest (10‐15%). Analytisch is er 41 mg/kg d.s. asbest vastgesteld in de kleine fractie (<20 mm). Het asbestgehalte is op basis van een indicatieve berekening vastgesteld op 105,2 mg/kg d.s. Het berekende asbestgehalte van 105,2 mg/kg d.s.
overschrijdt de interventiewaarde en daarmee het criterium voor nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt derhalve gesteld dat er aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. Dit nader onderzoek is bijgevoegd in bijlage 2 van deze toelichting. Voor de positionering van de bebouwing is rekening gehouden met de aanwezige vervuiling. De bebouwing wordt buiten de vervuiling gerealiseerd, waardoor de vervuilde grond onaangetast blijft. Dat geldt niet voor de landschappelijke inrichting. De verontreiniging wordt afgedekt. Dit wordt uitgevoerd door op de verontreiniging een leeflaag van één meter aan te brengen. De 'ophoging' wordt landschappelijk en ruimtelijk ingepast met zogenoemde schanskorven. De landschapsarchitect werkt dit in een later stadium uit. Initiatiefnemer heeft met bovenstaande oplossing op 7 juni 2021 een BUS‐melding ingediend, zie bijlage 3. Na goedkeuring wordt een evaluatierapport opgemaakt. Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. De te realiseren bebouwing wordt buiten de aanwezige vervuiling gerealiseerd. Voor de landschappelijke inrichting worden maatregelen getroffen ten aanzien van deze vervuiling.
4.6
Niet gesprongen explosieven
Beleid en normstelling In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). In het kader van de aanleg van de woningen zal de bodem namelijk worden geroerd. Onderzoek Om het risico op het aantreffen van CE voorafgaande aan de werkzaamheden in te kunnen schatten, is een vooronderzoek naar niet gesprongen explosieven uitgevoerd, zie bijlage 4.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
39
In de voor dit vooronderzoek geraadpleegde bronnen zijn feitelijke indicaties voor de aanwezigheid van CE binnen het plangebied aangetroffen. Op basis van deze indicaties is binnen het plangebied verdacht gebied afgebakend. Het gaat hierbij om de volgende verdachte gebieden: geschutmunitie (diverse kalibers, minimaal 20mm, maximaal 5.5 inch, verschoten); klein‐kalibermunitie; hand‐ en geweergranaten; munitie voor granaatwerpers. Voorafgaande aan het uitvoeren van de geplande werkzaamheden in verdacht gebied wordt geadviseerd om voor het plangebied een risicoanalyse uit te voeren dan wel een opsporingsproces uit te voeren. Een risicoanalyse ongesprongen oorlogsresten (hierna: OO) in de vorm van een second opinion is uitgevoerd, zie bijlage 5. Hieruit wordt geconstateerd dat de bodemroeringen die naoorlogs hebben plaatsgevonden (tot ten minste 1 meter) zorgen voor een beperkt mogelijke aanwezigheid van OO. Er bestaat dan ook geen tot minimaal risico bij het uitvoeren van grondwerkzaamheden om met OO in aanraking te komen. Geadviseerd wordt de grondwerkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren, met in achtneming van het Protocol Toevalsvondst. Alternatief om de risico's met OO zo veel als mogelijk te beperken is mogelijk. Dit heeft betrekking op de te ontgraven vlakken ten behoeve van bouwputten, rioleringen en kabels en leidingen: 1.
Na de oorlog geroerde bovengrond ontgraven en opzij zetten, (geschatte diepte 0,70 m1). 2. Vervolgens deze vlakken onderzoeken op OO door middel van oppervlaktedetectie met gelijktijdig benaderen, identificeren en zo mogelijk verwijderen van gemeten objecten. Conclusie De beoogde bodemwerkzaamheden kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd, met inachtneming van het Protocol Toevalsvondst.
4.7
Wegverkeerslawaai
Beleid en normstelling Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/uur‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen‐ of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning).
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
40
Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek Met het planvoornemen worden geluidgevoelige functies, namelijk woningen, gerealiseerd. Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van wegen. Vanwege de ligging van deze geluidgevoelige functies is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 6.
Uit dit onderzoek blijkt dat voor alle nieuwe woningen de geluidbelasting op geen enkel rekenpunt de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt. De geluidbelasting is maximaal 47 dB voor de meest noordelijk gelegen woningen. Er is geen verdere actie vereist. Voor het zuidelijk gelegen appartementencomplex geldt dat de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De geluidsbelasting is maximaal 48 dB. Voor het noordelijk gelegen appartementencomplex geldt dat de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De geluidsbelasting is maximaal 48 dB. Er is geen verdere actie vereist. Van cumulatie met andere relevante geluidbronnen is geen sprake. Daarnaast is de geluidsbelasting ten gevolge van de nieuwe infrastructuur berekend. Voor alle nieuwe en bestaande woningen geldt dat de geluidbelasting op geen enkel rekenpunt de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt. De geluidbelasting is zonder aftrek maximaal 48 dB op diverse rekenpunten. De akoestische kwaliteit kan daarmee als goed worden beoordeeld. Er is geen verdere actie vereist. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai staat de bouw van deze woningen niet in de weg.
4.8
Milieuhinder en bedrijven
Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
41
Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven". Onderzoek In de beoogde situatie worden maximaal 64 woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. Het plangebied is gelegen in een bestaande woonomgeving in de wijk Schilberg, Echt. In het gebied zijn voornamelijk woningen en bedrijven gevestigd maar is ook sprake van detailhandelsvestigingen. Deze functies zijn ook als dusdanig bestemd. De omgeving kan getypeerd worden als 'gemengd gebied'.
Figuur 4.8.1 Bedrijfsfuncties op basis van het geldende bestemmingsplan rond het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Rijksweg Noord 3 Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich, aan de Rijksweg Noord 3, een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg en een garagebedrijf. Volgens het geldende bestemmingsplan is hier een garagebedrijf toegestaan. Volgens de VNG‐brochure Bedrijven en milieuzonering valt dit in milieucategorie 2. De bijhorende richtafstand bedraagt 30 meter in een rustige woonwijk. Deze richtafstand kan in 'gemengd gebied' teruggebracht worden tot 10 meter. Met een afstand van minimaal 12,5 m tussen het plangebied en de bedrijfsbestemming wordt hier aan voldaan. Tussen het garagebedrijf en de beoogde appartementen wordt bovendien een groene ruimte gerealiseerd. De gevels van de beoogde appartementen zijn daarmee op een nog ruimere afstand gelegen. De braakliggende gronden ten westen van het garagebedrijf aan de Rijksweg Noord 3 en ten noorden van de woning Kerkveldsweg Oost 31 vallen binnen perceel 3946, maar maken fysiek geen onderdeel uit van het garagebedrijf. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn hier uitsluitend bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Op deze gronden is echter geen bouwvlak gelegen.
De gronden zijn uitsluitend te gebruiken voor open opslag en stalling van voertuigen. De maximale richtafstand in 'gemengd gebied' bedraagt 10 meter. De afstand tussen de inrichting en de beoogde appartementen bedraagt ruim 14 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
42
Rijksweg Noord 9‐11 Ten oosten van het plangebied bevindt zich, aan de Rijksweg Noord 11, een autobedrijf. Rijksweg Noord 9‐9a staat momenteel leeg. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn binnen beide locaties uitsluitend bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan. De maximale richtafstand in 'gemengd gebied' bedraagt 10 meter. De afstand tussen de meest nabij gelegen gevels van de beoogde appartementen en de bedrijfsbestemming bedraagt 9,5 meter. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstanden. Deze korte afstand is enkel van toepassing op Rijksweg Noord 9‐9a. Rijksweg Noord 11 ligt ten noorden van Rijksweg Noord 9‐9a en voldoet wel aan de richtafstand van 10 meter. Rijksweg Noord 9‐9a is momenteel niet in gebruik als bedrijfslocatie. De gronden binnen 10 meter vanaf de beoogde nieuwbouw zijn bovendien in gebruik als tuin bij de bedrijfswoning/bebouwing van Rijksweg Noord 9‐9a. De perceelgrens is voorzien in een groene erfafscheiding bestaande uit een haag en een bomenrij. De buitenruimte van het bedrijf/parkeerterrein is voorzien aan de zuidzijde, perceel 7496, en zijde van de Rijksweg Noord. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat de gronden in gebruik als tuin in de toekomst gebruikt gaan worden ten behoeve van bedrijfsactiviteiten.
Andersom bekeken betreft de overschrijding slechts een beperkt deel van de beoogde nieuwbouw. De beoogde nieuwbouw is niet parallel gelegen aan de bestaande bedrijven, maar met een hoek van de bebouwing gericht op de bedrijfslocatie. De overschrijding van de richtafstand met 0,5 m is dan ook enkel gelegen over hoek van het gebouw, zie met paars aangegeven in figuur 4.8.2. Dit betreft met name constructieve elementen van het gebouw en slechts een zeer beperkte oppervlakte aan leefruimte. Gezien de situatie op het perceel van Rijksweg Noord 9‐9a en de situering van de beoogde nieuwbouw vormt de beperkte overschrijding van de richtafstand geen belemmering voor het planvoornemen.
Figuur 4.8.2 Situatie beoogde nieuwbouw ten opzichte van Rijksweg Noord 9‐9a en 11
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
43
Kerkveldsweg Oost 25 Ten zuiden van het plangebied is op basis van het geldende bestemmingsplan, aan de Kerkveldsweg Oost 25, een slachterij toegestaan. Aan deze slachterij is in het bestemmingsplan geen milieucategorie toegekend. Op basis van de VNG‐brochure Bedrijven en milieuzonering en de Lijst met bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij het geldende bestemmingsplan is opgenomen bedraagt de maximale milieucategorie 3.2 met een maximale richtafstand van 50 meter in 'gemengd gebied'. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn op deze locatie naast de slachterij bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan. De maximale richtafstand in 'gemengd gebied' bedraagt voor categorie 1 en 2 bedrijven 10 meter. De afstand van de inrichting tot de meest nabij gelegen gevel van de beoogde appartementen bedraagt circa 4 meter. Daarmee zou niet aan de richtafstanden kunnen worden voldaan. De slachterij is sinds medio 2020 gesloten. De vergunning voor de slachterij is van rechtswege onder het Activiteitenbesluit komen te vallen. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat een nieuwe slachterij zich hier vestigt. Ook kan niet worden voldaan aan de richtafstand van 10 meter voor andere bedrijfsactiviteiten. Binnen de grenzen van deze inrichting is momenteel een initiatief in voorbereiding om een woonfunctie mogelijk te maken.
Het principeverzoek voor dit initiatief is ingediend en de gemeente is bereid hier medewerking aan te verlenen. De bedrijfsactiviteiten van de slachterij komen daarmee definitief te vervallen. Direct grenzend aan de voormalige slachterij zijn aan de oost‐ en westzijde bestaande woningen aanwezig. Deze woningen zijn daarmee maatgevend voor de bedrijfsvoering van de slachterij en mogelijke andere bedrijven op deze locatie. De beoogde nieuwe woningen zijn op ruimere afstand van de inrichting van de slachterij gelegen dan de bestaande woningen en daarmee niet beperkend. Gezien het feit dat de bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd, andere bedrijfsactiviteiten hier reeds dusdanig worden beperkt door reeds aanwezige woningen en het in voorbereiding zijnde initiatief tot functieverandering van de locatie leidt, vormt de bedrijfslocatie geen beperking voor de beoogde woningen. Ter plaatse van de beoogde woningen kan ten opzichte van de bedrijfslocatie Kerkveldsweg Oost 25 dan ook worden voldaan aan een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat, mits de bestemming van het perceel Kerkveldsweg Oost 25 wordt gewijzigd in “Wonen”. Deze wijziging wordt beschouwd als een zekerheid. Kerkveldsweg Oost 17 Ten zuidwesten van het plangebied, aan de Kerkveldsweg Oost 17, bevindt zich een detailhandels bestemming.
Voor detailhandel geldt een richtafstand van 10 meter in een 'rustige woonwijk' en 0 meter in 'gemengd gebied'. De afstand tussen de bestemming Detailhandel en het plangebied bedraagt 7 meter, tot aan de beoogde bebouwing bedraagt de afstand ruim 15 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De gevels van de beoogde woningen en appartementen zijn bovendien op een nog ruimere afstand gelegen. Conclusie Er wordt, behalve ten opzichte van de voormalige slachterij en Rijksweg Noord 9‐9a, voldaan aan de richtafstanden. Het ligt echter niet in lijn der verwachting dat een nieuwe slachterij zich hier vestigt waarmee de bedrijfslocatie geen beperking meer vormt. Daarnaast vormt de situatie aan de Rijksweg Noord 9‐9a geen beperking voor de beoogde nieuwbouw. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Er worden geen bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering.
4.9
Luchtkwaliteit
Beleid en normstelling De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
44
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.9.1. weergegeven. Tabel 4.9.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van ) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 64 woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het "Besluit niet in betekenende mate" onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.
De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Rijksweg Noord, aan de oostzijde van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 19,8 µg/m³ voor NO2, 18,6 µg/m³ voor PM10 en 11,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
45
Figuur 4.8.2 Uitsnede NSL tool met plangebied rood omlijnd Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefmilieu ter plaatse.
4.10
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden.
Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen:
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
46
Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Onderzoek
Figuur 4.10.1 Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw omlijnd Inrichtingen Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen met een externe werking, zie figuur 4.10.1. De meest nabij gelegen inrichting betreft een gasdrukregel‐ en meetstation van de Gasunie aan de Wilgstraat op ruim 610 meter van het plangebied. Met een PR‐contour 10‐6 van 15 meter vormt deze inrichting geen belemmering voor het planvoornemen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
47
Buisleidingen Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich aardgasleiding Z‐540‐27 op een afstand van circa 610 meter. De grootte van de buisleiding is 6 inch en de werkdruk is 40 bar, het bijbehorende invloedsgebied is 70 meter. Het plangebied valt niet in het invloedsgebied. Spoor Volgens de risicokaart zijn er rond het plangebied geen transportroutes over het water gelegen. Ten westen van het plangebied is het spoortraject Roermond‐Sittard gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico 10‐6 ligt op 1 meter gerekend van het hart van de doorgaande spoorbundel tussen Sittard en Venlo. De contour ligt daardoor binnen de lijnen van het spoor. Het plaatsgebonden risico levert derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Het groepsrisicoplafond 10‐8 bedraagt 195 meter. Het spoor is gelegen op ruim 310 meter. Omdat de afstand meer dan 200 meter bedraagt, hoeven volgens het Basisnet geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Vanwege de ligging in het invloedsgebied is desalniettemin een beknopte verantwoording nodig waarin nader wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Weg Volgens de risicokaart maken de N276 (Rijksweg Noord) en de N572 (Bosstraat/Houtstraat) onderdeel uit van het Basisnet. Over deze wegen vindt transport plaats van gevaarlijke stoffen.
De minimale afstand tussen de N276 en het plangebied bedraagt 30 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 150 meter van de N572. Beide wegen hebben geen PR‐contour. Het invloedsgebied van beide wegen wordt bepaald door stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen waarmee inzicht kan worden gegeven in de risicosituatie langs transportroutes zoals de N276 en N572. De beoogde realisatie betreft 64 woningen. In de Handleiding populatieservice wordt voor een woonfunctie groter dan 60 m2 het kental van 2,4 personen per woning gehanteerd. Dit geeft een populatie van 154 personen. Uit het bestemmingsplan blijkt dat beide wegen geen PR‐contour hebben en het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde is gelegen. Er hoeft daarom slechts getoetst te worden of er sprake is van een toename van meer dan 10% van de oriëntatiewaarde door de beoogde ontwikkeling. In de HART worden onderstaande vuistregels gehanteerd voor de toetsing van 10% van de oriëntatiewaarde voor een weg binnen de bebouwde kom (50 km/uur). Het aantal GF3‐transporten van de N276 bedraagt per jaar 281. Over de N572 vinden er 33 GF3‐transporten per jaar plaats.
Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1‐8 (een‐zijdige bebouwing) of in Tabel 1‐9 (2‐zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
48
Figuur 4.10.2 Drempelwaarden GF3‐vervoer voor overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde, weg binnen bebouwde kom, tweezijdige bebouwing Over de betreffende wegvakken wordt geen LT3, GT4 of GT5 vervoerd. Hierdoor kunnen de vuistregels toegepast worden. De afstand tot de N276 bedraagt circa 30 meter en het GF3‐vervoer bedraagt 281 per jaar. Uit de tabel blijkt dat bij deze afstand en hoeveelheid vervoer de 10% wordt overschreden bij een dichtheid van 200 personen per hectare. In de Handleiding Risicoberekeningen Bevt ‐ Bijlage, versie 1.2, 11 januari 2017 wordt geconcludeerd dat voor de uitkomst van de groepsrisicoberekening het voldoende is om de bevolkingsdichtheid te inventariseren tot 300 meter van de as van de weg. Op een afstand van 300 meter bevinden zich voornamelijk woonwijken. Volgens de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 1 (december 2003) is de bevolkingsdichtheid voor (rustige) woonwijken 25 personen per hectare. De bevolkingsdichtheid voor een drukke woonwijk is 70 personen per hectare. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico niet met meer dan 10% zal toenemen. De afstand is voldoende en het aantal personen laag. De afstand tot de N572 bedraagt 150 meter en het aantal GF3‐vervoer bedraagt 33 per jaar. Bij deze afstand en aantal GF3‐vervoer is er geen grenswaarde.
Er kan geconcludeerd worden dat beide wegen geen PR‐contour hebben, het groepsrisico niet boven de oriëntatiewaarde is gelegen en dat dit door de beoogde ontwikkeling niet met meer dan 10% zal toenemen. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Verantwoording groepsrisico Bij het vaststellen van een bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen moet op grond van artikel 7 van het Bevt en artikel 12 van het Bevb het groepsrisico worden beoordeeld. In veel gevallen kan dat beperkt blijven tot een beschrijving van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid, maar ook dan is het verplicht om het advies van de Veiligheidsregio te vragen. Te meer, omdat dit in de afzonderlijke bestemmingsplannen voor de kernen niet heeft plaatsgevonden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
49
Scenario's De hulpverlening moet rekening houden met de volgende ongevallen: Ongeval op het spoor met een ketelwagon met toxische stoffen; Ongeval op de N276 met een ketelwagen met toxische stoffen. Gezien de afschermende werking van bedrijfsbebouwing tussen het plangebied en de N276 is het scenario ongeval met brandbare stoffen niet meegenomen. Ongeval op de N572 met een ketelwagen met toxische stoffen. Gezien de afschermende werking van de bebouwing aan de Bosstraat en Kerkveldsweg Oost is het scenario ongeval met brandbare stoffen niet meegenomen. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Bestrijdbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied is te bereiken via de Kerkveldsweg Oost aan de zuidkant. Van het plangebied naar de Tulpenstraat aan de noordkant loopt een fietspad/calamiteitenpad.
Een brandweerauto kan ook over dit pad rijden. Dit betekent dat het plangebied minimaal vanuit twee onafhankelijke toegangswegen bereikbaar is en daarmee bij iedere windrichting bovenwinds benaderbaar voor hulpverleners. Primaire blusvoorzieningen met een capaciteit van 30 m3/uur kunnen als brandkraan op de waterleiding geplaatst worden. Deze voorgestelde oplossingen worden waar nodig uitgevoerd, dan wel wordt een alternatief met hetzelfde beoogde doel in overleg met de Veiligheidsregio uitgevoerd. Zelfredzaamheid De bewoners worden als zelfredzaam beschouwd. Kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzaam, maar daarbij mag ervan uit gegaan worden dat deze door ouders/verzorgers worden geholpen in geval van calamiteiten. Gezien het relevante incidentscenario is schuilen het advies bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen op het spoor of de weg. Om tijdens het schuilen voldoende beschermd te zijn tegen de toxische effecten van een gifwolk is het van groot belang om alle natuurlijke ventilatieopeningen (zoals ramen, deuren en ventilatieroosters) te sluiten. De aanwezige mechanische ventilatie kan handmatig door de gebruikers worden uitgeschakeld. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.
De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Roermond‐Sittard, de N276 en de N572. Vanwege de grote afstand tot het spoortraject, hoeven geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor de N276 en de N572 is vastgesteld dat deze wegen geen PR‐contour hebben, het groepsrisico niet boven de oriëntatiewaarde is gelegen en dat dit door de beoogde ontwikkeling niet met meer dan 10% zal toenemen. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
50
4.11
Ecologie
Beleid en normstelling Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura‐2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
51
De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De meest nabijgelegen gebieden Natuurnetwerk bevinden zich circa 1,2 kilometer ten zuiden en 1,3 kilometer ten oosten van het plangebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop bedraagt circa 2,8 kilometer en tot Natura 2000‐gebied Roerdal circa 8,8 kilometer, zie figuur 4.11.1. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten.
Figuur 4.11.1 Ligging plangebied (rood omrand) ten opzichte van Natura 2000‐gebieden De ontwikkeling zou kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000‐gebieden, wat tot verzuring/vermesting kan leiden. De bebouwing wordt volledig gasloos, waardoor de mogelijke toename van stikstofdepositie uitsluitend wordt veroorzaakt door de toenemende verkeersgeneratie. Met het rekenprogramma Aerius Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000‐gebieden in beeld te brengen. Voor de aanlegfase is gerekend met het jaar 2021. De verkeersbewegingen tijdens de aanlegfase ontstaan door de aanvoer van materiaal met vrachtwagens en van bouwvakkers die naar de locatie reizen om de woningen te realiseren. Voor de gebruiksfase is gerekend met het jaar 2022. De verkeersbewegingen in de gebruiksfase betreft de verkeersgeneratie van de woningen zoals berekend in paragraaf 4.2. Per fase zijn twee berekeningen
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
52
uitgevoerd omdat de locatie op meer dan 5 kilometer van stikstofgevoelig Natura 2000‐gebied is gelegen. In één berekening is het verkeer gewoon als verkeer ingevoerd, in dit geval rekent het programma het verkeer niet meer uit omdat het automatisch na 5 kilometer afgekapt wordt. In de andere berekening is dit probleem verholpen door de verkeersemissies in de categorie 'anders' in te voegen. Uit de berekeningen van zowel de aanleg‐ als de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr, zie bijlage 7 en 8. De uitgangspunten en rekenresultaten zijn opgenomen in de memo stikstofberekening, die is bijgevoegd in bijlage 9. Geconcludeerd wordt dat de mogelijke depositie van stikstof in het kader van dit bestemmingsplan geen belemmering vormt. Soortenbescherming De grond waarop de nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt is braakliggend en deels begroeid. Het is dan ook niet uitgesloten dat deze locatie ongeschikt als verblijfsplaats voor beschermde soorten is. Aan de hand van een quickscan flora en fauna wordt bepaald of de ontwikkeling mogelijk van invloed is op beschermde plant‐ en diersoorten. Uit de uitgevoerde quickscan, zie bijlage 10 blijkt dat voor uitvoering van de werkzaamheden duidelijkheid dient te worden verkregen over de aan‐ of afwezigheid van teunis‐bloempijlstaart op de onderzoekslocatie.
Hiervoor dienen drie aanvullende veldbezoeken uitgevoerd te worden in het rupsstadium van de soort (juni – september). Tevens is op basis van de huidige onderzoeksinspanning onduidelijk wat de eventuele functie van de onderzoekslocatie voor steenmarter is. Voor de steenmarter geldt in de provincie Limburg een provinciale vrijstelling voor een bepaalde periode in het jaar, namelijk van 15 augustus tot en met februari. Door verstorende werkzaamheden zoals het verwijderen van struwelen of takkenhopen in deze periode worden uit te voeren, vindt geen overtreding van de Wet natuurbescherming plaats. Door er voor te zorgen dat het perceel niet opnieuw geschikt wordt voor steenmarter, is het dan geen probleem om andere werkzaamheden in een andere periode van het jaar uit te voeren. Voor overige soorten geldt dat overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is vanwege het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Wel dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels, grondgebonden zoogdieren, reptielen en amfibieën. Dit betekent: Nestgelegenheden (en snoeiafval) verwijderen buiten het broedseizoen, Verstorende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd in de vrijstellingsperiode van de steenmarter (van 15 augustus t/m februari).
Aandacht voor de zorgplicht ten aanzien van algemene soorten zoals gewone pad en bruine kikker. Het aanvullend onderzoek om meer duidelijkheid te worden verkregen over de aanwezigheid van vaste rust‐ en / of verblijfplaatsen van teunisbloempijlstaart wordt uitgevoerd voorafgaand aan het bouwrijp maken van het plangebied. Voor het onderzoek naar teunisbloempijlstaart worden in de periode juni tot en met augustus 2021 drie veldbezoeken uitgevoerd. Tijdens deze veldbezoeken zal op en in de buurt van de waardplanten (teunisbloem) van de teunisbloempijlstaart gezocht worden naar rupsen. Dit onderzoek is medio augustus 2021 is uitgevoegd, zie bijlage 11. Binnen de voor de teunisbloempijlstaart optimale periode om onderzoek uit te voeren, zijn in totaal drie veldbezoeken uitgevoerd. Tijdens deze veldbezoeken is de aanwezigheid van de rupsen van teunisbloempijlstaart op de onderzoekslocatie (inclusief de directe nabijheid) onderzocht. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat tijdens de veldbezoeken geen individuen van teunisbloempijlstaart zijn waargenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
53
Met betrekking tot de teunisbloempijlstaart dienen vanwege de afwezigheid van de soort geen verdere maatregelen getroffen te worden. Wel dient te allen tijde de algemene zorgplicht ten aanzien van broedvogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën nageleefd te worden. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan wordt om het verstoren, verwonden en/of doden van dieren te voorkomen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden. In het kader van beschermde soorten zijn geen verdere maatregelen noodzakelijk. Wel geldt dat rekening wordt gehouden met de zorgplicht voor beschermde en algemene soorten. Voor overige soorten geldt dat overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is.
4.12
Kabels en leidingen
Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink‐ en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie‐uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water‐, elektriciteit‐ en gasleidingen, telefoonlijnen en olie‐ en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Onderzoek en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante hoogspanningslijnen, buisleidingen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. De ontwikkeling vormt zodoende geen belemmering voor het aspect kabels en leidingen.
4.13
Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie
Beleid en normstelling Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Onderzoek en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw zal hieraan voldoen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20201327
54
4.14
Vormvrije m.e.r.‐beoordeling
Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer‐beoordeling. Toetsing en conclusie De ontwikkeling wordt gezien als een stedelijke ontwikkelingsproject (categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.).
De drempelwaarden van deze categorie worden overschreden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aangesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte omvat van 200.000 m2 of meer. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van maximaal 64 woningen. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die de genoemde drempelwaarden niet overschrijden toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling die is opgesteld voor dit plan (bijlage 12). Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen uitgebreide plan‐of project m.e.r.‐beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel dient door het bevoegd gezag voorafgaand op het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning een besluit genomen moeten worden op de m.e.r.‐beoordeling. Conclusie Dit besluit wordt tegelijk met de start van de procedure van dit bestemmingsplan genomen.