Bestemmingsplan
Tekst van het document
30
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
49% reductie van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990 met de huidige snelheid niet gerealiseerd. Ook met betrekking tot de duurzame opwekdoelen loopt de gemeente Echt-Susteren, net als alle andere gemeenten in Nederland, flink achter. In 2020 dient Nederland 14% van de energievraag duurzaam op te wekken en in 2023 is dat 16% (dat is 0,57 PJ respectievelijk 0,65 PJ). De cijfers van 2016 geven aan dat de gemeente Echt-Susteren 4% (0,16 PJ) hernieuwbare energie gebruikt (2,2% vervoer, 5,7% warmte en 6,2% elektriciteit). Om te versnellen zijn concrete initiatieven en projecten benoemd en geprioriteerd (zie bovenstaande tabel). Dit geldt tevens voor grootschalige ZonPV installaties. De realisatie van grootschalige ZonPV is noodzakelijk, naast het stimuleren van de opwekking van duurzame energie bij gebouwen (zoals ZonPV op dak). De gemeente is immers geen eigenaar van de meeste gebouwen en kan het plaatsen van de zonnepanelen dus niet afdwingen. Hiermee ontstaat er een afhankelijkheidspositie om de duurzaamheidsdoelen te kunnen halen. Om deze reden zet de gemeente ook in op de nu beproefde technieken zon op land en wind. Ook in de Concept-RES Noord- en Midden Limburg is geconcludeerd dat grootschalige windparken en zonneparken noodzakelijk zijn, naast het stimuleren van zonnepanelen op daken, energiebesparing etc. (dit is ook berekend in de Concept-RES).
Hier beneden wordt nader op de doelen vanuit de Concept-RES ingegaan. Waar kunnen zonneparken in Echt-Susteren gerealiseerd worden? Bij het opstellen van het beleid voor de realisatie van zonne- en windparken is het een bewuste keuze geweest om geen zoekgebieden aan te wijzen en enkel Natura 2000 en goudgroene gebieden uit te sluiten van zonneparken en windparken. In principe kunnen dus overal in de gemeente initiatieven ontwikkeld worden, mits het plan voldoet aan de drie beleidspijlers landschappelijke kwaliteit, draagvlak en (financiële) participatie. Op deze wijze kan er maatwerk geleverd worden, waardoor er sprake is van een realistische werkwijze om zonneparken ook daadwerkelijk te kunnen realiseren en hiermee de doelstelling om in 2040 energieneutraal te zijn. Voor de realisatie van de zonneparken heeft de gemeente in december 2019 een collectieve uitvraag aan de markt gedaan voor de realisatie van zonneparken. Het betreft een pilot waarmee de gemeente ervaring wil opdoen met de voorbereiding en realisatie van zonneparken. De gemeente heeft 17 initiatieven voor zonneparken ontvangen. Deze initiatieven zijn door een panel van deskundigen beoordeeld aan de hand van de drie voornoemde beleidspijlers:
vastgesteld
31
De plannen van de volgende 5 locaties (waaronder het voorliggende plan aan de Putbroekerbosweg) hebben het beste gescoord op deze criteria en konden nader worden uitgewerkt: Bosserheide (Donnerskamp nabij Koningsbosch): 4,9 ha Dominicusweg (nabij Peij): 6,3 ha Groensebos (Heerdstraat nabij Sint Joost): 8,0 ha Maasbrachterweg nabij Berkelaar: 3,8 ha Maria Hoop - Putbroekerbosweg (nabij Putbroek): 18,3 ha Dit maakt in totaal 41,3 hectare. Het aantal hectares betreft de oppervlakte aan zonnepanelen inclusief de tussenruimte, maar exclusief de ruimte voor de landschappelijke inpassing. Hoe verhouden de gemeentelijke doelen zich tot de opgave vanuit de Regionale Energie Strategie (RES) regio Noord- en Midden Limburg? In de Regionale Energie Strategie werkt de gemeente Echt-Susteren samen met alle 14 gemeenten in Noord- en Midden-Limburg, Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Enexis. De belangrijkste opgave van de RES is om afspraken te maken over hoeveel de regio kan bijdragen aan de landelijke doelstellingen (klimaattafel elektriciteit) van het klimaatakkoord. Deze ambitie is om in 2030 70% van de elektriciteit duurzaam op te wekken. Het bod dat de RES Noord- en Midden Limburg het rijk heeft gedaan is 1 200 GWh in 2030. In de onderstaande figuren staan de doelen van de RES schematisch weergegeven.
32
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
Het behalen van de RES doelen tot 2030 betekent op basis van het voorgaande dat er per RES-gemeente 4-6 windturbines van 5-6 MW of 8-11 windturbines van 3 MW of 94 – 120 ha aan zonnepanelen gerealiseerd moeten worden. Met de realisatie van afgerond 41 ha aan zonnepanelen (ZonPV) én de realisatie van 5 windturbines van 5 – 6 MW, waarvoor momenteel het haalbaarheidsonderzoek wordt uitgevoerd, draagt de gemeente Echt – Susteren bij aan de doelstellingen van de RES regio Noord- en Midden Limburg tot 2030. De plannen van de 5 zonneparken, waaronder het voorliggende, zijn bij de deelnemende partijen in de RES bekend. Formele afstemming (hoe en wanneer er afgestemd moet worden) van initiatieven in RES verband is nog niet geregeld. Hier moeten nog concrete afspraken over gemaakt worden. Relatie ontwikkeling met Limburgse zonneladder De voornoemde 5 zonneparken, waaronder de voorliggende ontwikkeling, worden op landbouwgronden in Echt-Susteren gerealiseerd. Dit neemt niet weg, zoals hiervoor nader onderbouwd, dat de gemeente geen aandacht heeft of de mogelijkheden heeft bekeken voor het realiseren van zonne-installaties in de overige gebieden in de Limburgse zonneladder zijnde zonne-installaties op daken en gevels (trede 1), in bebouwd gebied (trede 2) en in landelijk gebied (trede 3).
Trede 1 Allereerst heeft de gemeente Echt-Susteren niet voldoende geschikte daken om te voorzien in de huidige en toekomstige energiebehoefte. In de Energievisie van de gemeente Echt-Susteren (vastgesteld februari 2019) is het totale energieverbruik in de gemeente Echt-Susteren opgenomen van 4,08 PJ per jaar. Hiervoor is een totale oppervlakte van 14 km2 aan zonnepanelen noodzakelijk. Dit verbruik is voor 50% te koppelen aan mobiliteit, voor 35% aan gas (voor verwarming, warm tapwater en deels productieprocessen) en voor 15% aan elektriciteit (0,6 PJ). Om die 15% aan elektriciteit duurzaam op te wekken is dus een oppervlakte van 2,1 km2 noodzakelijk. Dit is 2% van de oppervlakte van de gemeente Echt – Susteren.
vastgesteld
33
Echt-Susteren heeft 14.556 woningen. In de praktijk heeft niet elk huishouden een woning met een geschikt dak en is ook niet elk huishouden in staat om zonnepanelen op zijn/haar dak te plaatsen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van complexwoningen, appartementen, flats en hebben veel woonadressen geen eigen dak. Ook zijn veel daken van woningen niet geschikt door schaduwvorming en/of obstakels. Bij een aanname dat 40% van de woningen een geschikt dak heeft om 10 zonnepanelen te plaatsen, dan zouden op deze daken 58.224 panelen geplaatst kunnen worden. Dit komt overeen met circa 20.000.0000 kWh oftewel 0,07 PJ. Aangezien in totaal 0,6 PJ nodig is, zal dus voor de overige 0,53 PJ dakoppervlak nodig zijn op geschikte en beschikbare grote(re) gebouwen in Echt-Susteren. Dit komt overeen met ruim 1,8 km2. In de praktijk is slechts een klein deel van de grote(re) daken geschikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Ook zal een groot deel van de eigenaren niet meewerken en kan nu ook niet gedwongen worden om mee te werken. Met de aanname dat 20% van al deze daken geschikt is en 25% van de eigenaren meewerkt dan is 36 km2 aan dakoppervlakte nodig. Deze oppervlakte is er niet, want dat zou betekenen dat 34% van de oppervlakte van de gemeente Echt-Susteren (104,5 km2) uit grote(re) daken zou bestaan. Om het voorgaande in perspectief te zetten.
De geplande 5 zonneparken in de gemeente Echt – Susteren hebben in totaal afgerond een oppervlakte van 40 ha. Dit is 400.000 m2 of te wel 0,4 km2. Dit komt neer op 0,4 % van de totale oppervlakte van de gemeente. Er wordt verder wel aandacht besteed aan de invulling van trede 1. Dit blijkt ook uit de RES brede aanpak voor het stimuleren van de aanleg van zonnepanelen op daken. Dit plan richt zich naast de particuliere daken ook op daken van bedrijven en commercieel vastgoed. MKB-bedrijven die willen verduurzamen worden hier van uit de gemeente in ondersteund. Door het feit dat de gemeente van de meeste gebouwen geen eigenaar is, is stimuleren de enige mogelijkheid. Afdwingen is niet mogelijk. Daarmee ontstaat er voor de gemeente een afhankelijkheidspositie, waardoor de gemeente niet de regie heeft op het behalen van de duurzaamheidsdoelen. Ten slotte geldt dat wat niet aan energie verbruikt wordt, ook niet opgewekt hoeft te worden. Binnen dat kader wordt vanuit de gemeente het besparen van energie gestimuleerd met bijvoorbeeld isolatiemaatregelen. Treden 2 en 3 Wat betreft de treden 2 en 3 moet in het oog worden gehouden dat de mogelijkheden ook beschikbaar moeten zijn. De gemeente Echt – Susteren beschikt bijvoorbeeld niet over een voormalige stortplaats (trede 3) en restruimten op bijvoorbeeld een bedrijventerrein (trede 2). Hiermee vallen deze gebieden dus zo goed als af.
Op basis van het voorgaande is de conclusie dat bij het invullen van trede 1 kleine stappen worden gezet en het tijd vergt om particulieren/bedrijven te overtuigen om daadwerkelijk duurzaamheidsmaatregelen te treffen. Daarnaast is ook de inzet van alle in potentie geschikte daken voor zonne-installaties in de gemeente niet voldoende om de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren. Vanuit realistisch oogpunt moeten in Echt – Susteren dus ook landbouwgronden ingezet worden voor zonne-installaties. Dit mede omdat er in de gemeente nauwelijks locaties voor handen zijn om treden 2 en 3 te kunnen invullen. Aanvullend dient opgemerkt te worden dat met de opzet die nu gekozen is om de zonneparken, waaronder de voorliggende, te realiseren, er geen sprake is van een totale onttrekking van de gronden aan de landbouw. De gronden, die de betreffende agrarische grondeigenaren vrijwillig inzetten, kunnen gecombineerd voor zowel landbouwactiviteiten als voor de opwekking van zonne-energie gebruikt worden. De landbouwmogelijkheden zijn uiteraard beperkter, maar niet geheel onmogelijk. Verder geldt voor alle parken een tijdelijkheid, waardoor de gronden op termijn weer volledig voor de landbouw ingezet kunnen worden. Daarnaast heeft het tijdelijk beperken van de landbouwkundige mogelijkheden ook
34
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
voordelen. De gronden krijgen rust, omdat er bijvoorbeeld geen bestrijdingsmiddelen meer op de gronden gebruikt worden waardoor ook de biodiversiteit zich kan ontwikkelen. Conclusie De gemeente Echt-Susteren zet voor de realisatie van haar duurzaamheidsdoelstellingen voornamelijk in op de invulling van de treden 1 en 4 van de Limburgse zonneladder. Er is dus sprake van zon op dak, zon op land en wind tegelijkertijd. De gemeente haalt anders de duurzaamheidsdoelen niet. Om de locatiekeuze van het voorliggende zonnepark op landbouwgrond nader te motiveren, is het plan door een deskundigenpanel getoetst aan de drie beleidspijlers landschappelijke kwaliteit, draagvlak en (financiële) participatie. Uit deze afweging is gebleken dat er bij de voorliggende ontwikkeling sprake is van: een goede ruimtelijke integrale afweging; de instandhouding van landschapsstructuren en de bijbehorende kenmerken; aandacht voor lokaal draagvlak en participatie; het doorlopen van zorgvuldige procedures. Door deze werkwijze toe te passen, kan er maatwerk geleverd worden. Hierdoor is er sprake van een realistische werkwijze om de vijf zonneparken, waaronder het voorliggende, ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Tevens is hiermee invulling gegeven aan het 'nee, tenzij' principe van de provincie Limburg.
Ten slotte geldt dat met de realisatie van deze vijf zonneparken, de vijf geplande windmolens en de overige benoemde zaken, Echt – Susteren een bijdrage levert aan de doelstellingen van de RES opgave tot 2030 voor de regio Noord- en Midden-Limburg. Deze doelen zijn uitsluitend haalbaar op het moment dat ook landbouwgronden voor de duurzaamheidsdoelstellingen worden ingezet.
3.3.4 Natuurbeheerplan provincie Limburg 2020 Aan het plangebied zijn via het Natuurbeheerplan (2020) inrichtingsmaatregelen en beheertypes verbonden, welke zijn weergegeven in afbeelding 14. Voor het plangebied geldt 'droog mozaïek van struwelen en ruigten en droge dooradering'. Hier is met het opgestelde inrichtingsplan (zie Bijlage 1 van de regels) rekening mee gehouden, door o.a. de bosrand te versterken met mantel-zoom vegetatie en nieuwe (permanente) houtwallen te realiseren.
vastgesteld
35
Afbeelding 14: Natuurbeheerplan 2020 (Provincie Limburg)
3.3.5 Conclusie provinciaal beleid Voorliggend plan past binnen het beleid op het gebied van duurzaamheid en het overige van toepassing zijnde beleid en regelgeving van de provincie Limburg.
3.4
Regionaal beleid
3.4.1 Concept-RES Noord- en Midden Limburg De vijftien gemeenten in Noord- en Midden Limburg vormen met Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Enexis de RES-regio Noord- en Midden Limburg. Samen met inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden maakt men een RES (Regionale Energie Strategie). Onderzocht wordt: Hoe energie kan worden bespaard zodat minder opgewekt hoeft te worden. Waar en hoeveel duurzame elektriciteit in deze regio opgewekt kan worden. Hoe stap voor stap van het aardgas af kan. Hoe energie kan worden opgeslaan en getransporteerd. De partijen willen in totaal 1.200 GWh duurzame energie opwekken in 2030. Projecten die hiervoor nodig zijn, moeten in 2025 vergund zijn. Ook daarna zal de behoefte aan duurzaam opgewekte energie blijven groeien. Daar wordt nu alvast rekening mee gehouden. Het ontwikkelen van energieprojecten en voldoende netwerkcapaciteit kost namelijk veel tijd. Onderzocht wordt daarom wat nu al wat nodig is voor deze opgave na 2025, zodat betrokken partijen en partners in de regio hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Bij de 1.200 GWh is het voorliggende project meegenomen, net als vier andere projecten voor zonneparken in de gemeente Echt-Susteren. Daarnaast wordt gestreefd naar minimaal 50% lokaal eigendom bij grootschalige zon- en windprojecten.
Dit kan bijvoorbeeld via een Energiecoöperatie, zoals in het voorliggende plan wordt nagestreefd.
36
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025 Deze visie geeft koers en richting aan de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Echt-Susteren. De gemeente Echt-Susteren wil een veilige leef- en werkomgeving bieden, en streeft ook duurzame ontwikkeling na. Als duurzaamheidsinitiatieven ruimtelijk-landschappelijk aanvaardbaar zijn, juicht de gemeente deze toe en zal ze waar mogelijk faciliteren. Alle initiatieven voor duurzame energiewinning moeten goed landschappelijk worden ingepast, zoals met het voorliggende initiatief het geval is. Daarnaast is in de structuurvisie aangegeven dat aanvullend een financiële bijdrage is vereist, wat bij de vaststelling van het beleidskader is komen te vervallen. De relevante beleid voor zonneparken is nader uitgewerkt in het gemeentelijke 'Beleidskader zonneparken en windparken gemeente Echt-Susteren' (zie paragraaf 3.5.2 van de toelichting van dit bestemmingsplan). Specifieke onderwerpen van toepassing op het plangebied zijn: Kwaliteitsverbeterend project 12: Bosranden 't Sweeltje en Munnichsbosch. Het openkappen van de aan de zon geexponeerde bosranden levert een veelheid aan flora aan fauna op met een relatief eenvoudige ingreep; Cultuurhistorie: Landschappelijke waarde hoog gemiddeld; Het plangebied ligt in stiltegebied en aan de rand van natuurgebied.
Afbeelding 15: Uitsnede kaart Structuurvisie met stiltegebieden (arcering) en natuurgebieden (groen)
In het voorliggende gebied wordt hier op ingespeeld. Zo wordt het plangebied landschappelijk en natuurlijk ingericht, in aansluiting op het natuurgebied. Ook wordt de
vastgesteld
37
bosrand aan de noordzijde versterkt met mantel-zoom vegetatie, waarmee de biodiversiteit wordt versterkt. Door het behoud (en de versterking) van bestaande houtwallen en de realisatie van nieuwe houtwallen, blijft de landschappelijke structuur behouden en deze wordt permanent versterkt. Het zonnepark zorgt niet voor een significante geluidstoename.
3.5.2 Beleidskader zonneparken en windparken gemeente Echt-Susteren De gemeente Echt-Susteren zet in op het opwekken van duurzame energie en wil in 2040 energieneutraal zijn. Hiertoe is specifiek beleid voor de realisatie van zonneparken en windparken opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente wil regie voeren op waar deze ontwikkelingen plaatsvinden, dit beleidskader benoemt hiervoor de uitgangspunten. De uitgangspunten beschrijven de voorwaarden waaronder initiatiefnemers van duurzame energieopwekking binnen de gemeente aan de slag kunnen. 1: Landschappelijke inrichting De zonne- en windparken moeten op een goede manier landschappelijk worden ingericht en moeten passen binnen een goede ruimtelijke ordening. De initiatiefnemer stelt hiervoor een landschapsinrichtingsplan op. Hierin wordt ook gekeken naar de samenhang met andere projecten in het gebied, zodat een samenhangend landschappelijke beeld ontstaat. Ook dienen de karakteristieken van het landschap, de landschapstypen, zoals vastgelegd in de Structuurvisie te worden gehanteerd. Voor het voorliggende plan is een landschapsinrichtingsplan (zie Bijlage 1 van de regels van dit bestemmingsplan) opgesteld. Hierbij is onder andere rekening gehouden met de karakteristieken van het landschap.
De technische constructies worden aan het zicht onttrokken door landschapselementen die aan de buitenzijde van het hekwerk worden gerealiseerd. Aan de zuidoostzijde van het plangebied zijn enkele woningen gesitueerd, die in de directe omgeving van het plangebied liggen. Met deze direct omwonenden (en met andere belanghebbenden) zijn gesprekken gevoerd, om hun wensen m.b.t. de landschappelijke inpassing in te passen in het inrichtingsplan (zie ook het bijgevoegde verslag van het omgevingsproces, zoals opgenomen in Bijlage 2 van de toelichting van dit bestemmingsplan). Het plan is in samenwerking met omwonenden en andere belanghebbenden uitgewerkt, waarbij waar mogelijk wensen m.b.t. de landschappelijke inrichting zijn verwerkt in het plan. 2: Natura 2000 en de Goudgroene landschapszone Natura 2000-gebieden en de Goudgroene landschapszone (POL2014) zijn uitgesloten voor de ontwikkeling van zonne- en windparken. Het plangebied ligt in het aangeduide 'Buitengebied', buiten 'Natura 2000-gebied' en buiten de 'Goudgroene landschapszone'. Wel ligt het plangebied aansluitend aan de 'Goudgroene natuurzone'. De realisatie van een zonnepark, waarbij intensief gebruikte agrarische grond uit productie wordt genomen en welke landschappelijk en natuurlijk wordt ingericht, versterkt de landschaps- en natuurwaarden in en om het plangebied.
3: Maximaal multifunctioneel ruimtegebruik Bij de ontwikkeling van zonne- en windparken wordt ingezet op multifunctioneel ruimtegebruik. Het voorliggende plan zet, naast de opwekking van duurzame energie, o.a. in op het permanent versterken van de landschaps- en natuurwaarden, aansluitend aan de Goudgroene landschapszone. Maar ook op recreatie en educatie. Zie hiervoor paragraaf 2.3.5 uit de voorliggende toelichting.
38
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
4: Terugvloeien van opbrengsten naar de gemeenschap De opbrengsten (€ en kWh) van de zonne- en windparken dienen maximaal terug te vloeien naar de lokale gemeenschap en ten minste in het projectgebied. Hierbij wordt aangesloten bij de afspraken uit het Klimaatakkoord (van het Rijk) waarin gestreefd wordt naar 50% eigendom van de productie van de lokale omgeving. LC Energy geeft omwonenden en andere inwoners van de gemeente de mogelijkheid te participeren en te profiteren. Zie hiertoe het bijgevoegde Profijtplan (Bijlage 1 van de toelichting van dit bestemmingsplan). Zo is er sprake van gedeeltelijk lokaal eigendom. Energie coöperatie Echt-Susteren zal 50% van de aandelen van het zonnepark in bezit krijgen. Via een STAK (Stichting Administratie Kantoor) geeft de energiecöoperatie de aandelen (of eigenlijk de certificaten van aandelen) weer door aan hun leden investeerders. Ook is er sprake van een bijdrage in het gemeentelijk Kwaliteitsfonds-zonneparken. De exploitant van het zonnepark dient jaarlijks gedurende het zonnepark in bedrijf is, een afdracht te doen op basis van het aantal geproduceerde MWh uit de exploitatie van het zonnepark die gestort dient te worden in dit fonds. De afdrachten die binnenkomen, worden door de gemeente ingezet ten behoeve van lokale gemeenschappen, wonende in de nabijheid van gerealiseerde zonneparken.
De afdracht bedraagt € 0,40 per jaarlijks geproduceerde MWh door het zonnepark. Uitgaande van de te verwachten opbrengst zal de bijdrage ingeschat jaarlijks € 9.600,- (24.000 MWh) bedragen. 5: Actief omgevingsmanagement Betrokkenen in het plangebied participeren actief bij de ontwikkeling en exploitatie van het park. De initiatiefnemer draagt, in overleg met de gemeente, zorg voor een actief omgevingsmanagement. Omwonenden en andere belanghebbenden hebben een actieve rol in het omgevingsproces gekregen, waarbij men daadwerkelijk invloed kon uitoefenen op de vormgeving en ontwikkeling van het project. Zie hiertoe o.a. het bijgevoegde verslag van het omgevingsproces, zoals opgenomen in Bijlage 2 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Ook in de realisatie- en uitvoeringsfase blijft het communcatie en participatie een grote rol in het proces spelen (zie hiertoe het bijgevoegde 'Communicatie-, participatie- en procesplan', zoals opgenomen in Bijlage 2 van de toelichting van dit bestemmingsplan). 6: Haalbaar- en uitvoerbaarheid De initiatiefnemer dient een plan in dat technisch, maatschappelijk en financieel haalbaar en uitvoerbaar is. Dit betreft het voorliggende bestemmingsplan, inclusief bijlagen, waaruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
7: De gemeente neemt een regisserende rol aan (en waar nodig een voorbeeldfunctie) om de realisatie van het duurzame opwekken van elektriciteit te versnellen De gemeente heeft een rol gespeeld in het omgevingsproces, en zal dit ook blijven spelen. 8: Het plan dient te zijn voorzien van een zichtlijnenstudie en een 3D-visualisatie die goed inzicht geeft in de visueel ruimtelijke aspecten. In het inrichtingsplan is een zichtlijnenstudie opgenomen, evenals enkele visualisaties, die samen een goed beeld geven van de visueel ruimtelijke aspecten.
vastgesteld
39
Conclusie Het voorliggende plan voldoet hiermee aan het gemeentelijke beleidskader.
3.6
Conclusie
Uit de voorgaande beleidstoets is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid.
40
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
Hoofdstuk 4 W aardentoets 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de waardentoets beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.
4.2
Natuurwaarden
De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden.
4.2.1 Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de Wet Natuurbescherming. Hiertoe is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, welke is bijgevoegd in Bijlage 4 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Hierna volgen de belangrijkste conclusies. Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De voorgenomen ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als ree, vos, haas, konijn en diverse algemene muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Men dient dan alert te zijn op eventueel aanwezige broedende vogels. Dit geldt ook voor broedende buizerds in de bomen in de houtwallen en (weide)vogels op percelen in en rondom het plangebied. De werkzaamheden mogen er niet toe leiden dat deze broedende vogels worden verstoord en hun nest (broedsel/ jongen) verlaten. De zorgplicht is te allen tijde van kracht.
vastgesteld
41
Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen 'voldoende zorg' in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
4.2.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, inmiddels Wet Natuurbescherming) beschermd. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS)/ Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Natura 2000-gebieden: niet stikstof-gerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 2 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop'. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven.
Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een nadere toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Natura 2000-gebieden: stikstof-gerelateerde effecten Activiteiten die in het kader van de aanleg van het zonneveld worden uitgevoerd, kunnen door de uitstoot van stikstof, wel negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden (aanlegfase). Als het zonnepark is gebouwd is er ook nog zeer beperkt sprake van uitstoot van stikstof (gebruiksfase). Om te bepalen of met de nieuwe ontwikkeling/inrichting negatieve effecten op een Natura 2000-gebied plaatsvindt door de uitstoot van stikstof tijdens de aanlegfase, is een berekening uitgevoerd met Aerius calculator. De berekening is uitgevoerd aan de hand van de op de werklocatie in te zetten voer- en werktuigen met benodigde draaiuren en het wegverkeer van en naar het terrein (hierbij is ook de aanleg van de landschappelijke inpassing meegerekend). Aanlegfase De werkzaamheden die worden uitgevoerd leiden tot een depositie van 0,03 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Roerdal.
Daarnaast leidt de aanlegfase tevens tot een depositie van 0,01 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Meinweg. Deze stikstofdepositie heeft, aangezien deze boven de 0,00 mol/ha/jaar bedraagt, een mogelijk negatief effect op de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. BIJ12 – de uitvoeringsorganisatie van de twaalf provincie - stelt dat projecten met alléén kleine tijdelijke depositie in de
42
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstof. De Raad van State heeft tevens op 13 mei 2020 een dergelijke uitspraak (uitspraak: ECLI:NL:RVS:2020:1230) gedaan, waaruit blijkt dat de tijdelijke depositie van stikstof niet leidt tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied. Doordat de stikstofdepositie, veroorzaakt door de aanleg van het zonnepark, maximaal 0,03 mol/ha/jaar bedraagt én binnen een periode van maximaal 2 jaar wordt uitgevoerd is een vergunning Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof, niet aan de orde. De Aerius-berekening is opgenomen in het rapport 'Stikstofberekening Zonneveld Maria Hoop' (zie Bijlage 5 van de toelichting van dit bestemmingsplan). Gebruiksfase Voor de gebruiksfase geldt dat de stikstofdepositie uitkomt op 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof, niet aan de orde. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op ongeveer 5 meter van begrensd NNN-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.
Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een nadere toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
4.2.3 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
4.3
Archeologische waarden
Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn.
vastgesteld
43
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het voorgenomen plan. Hierna volgt een korte samenvatting van dit onderzoek, met de conclusies. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het plangebied ligt op de overgang tussen twee landschapstypen. Het centrale deel van het plangebied ligt relatief laag en heeft in het verleden onderdeel uitgemaakt van een moerasgebied. Ten noorden en zuiden daarvan liggen de hogere zandgronden. Op basis van de landschappelijke eenheden en de bekende archeologische vindplaatsen binnen het plangebied en de directe omgeving is aan de hogere zandgronden in het noordelijke en zuidelijke deel een hoge verwachting toegekend voor zowel vuurvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Voor het centraal gelegen moerasgebied geldt een lage verwachting, maar is wel aangemerkt als aandachtsgebied voor losse vondsten die zijn achtergelaten door de bewoners in dit gebied. Het plangebied ligt in de Middeleeuwen buiten het woon-akkergebied van Maria Hoop ter plaatse van de woeste gronden die bestaan uit moerassen, natte en droge heide en bossen.
Het plangebied is pas in de 19e eeuw ontgonnen en in gebruik genomen als landbouwgrond. Op basis hiervan worden in het plangebied geen bewoningssporen verwacht uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Volgens de historische informatie heeft het plangebied in de Tweede Wereldoorlog onderdeel uitgemaakt van een slagveld. Op basis hiervan geldt voor het plangebied een hoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek kunnen binnen het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn uit de periode Laat-Paleolithicum – Romeinse tijd. In de lage verwachtingszone in het centrale deel van het plangebied is de kans op het aantreffen van archeologische vondsten klein. Voor bodemingrepen die in de lage verwachtingszone zijn gepland, wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. De lage verwachtingszone is wel aangemerkt als aandachtsgebied voor losse vondsten die zijn achtergelaten door de bewoners in dit gebied. Mocht tijdens de werkzaamheden in de lage verwachtingszone een vondst worden aangetroffen dan geldt de wettelijke meldingsplicht. Wanneer binnen de hoge verwachtingszone bodemingrepen zijn gepland dan is afhankelijk van de omvang (diepte en oppervlak) archeologisch vervolgonderzoek nodig.
Vanwege het kleine oppervlak, de ondiepe ligging en lage aantal of afwezigheid grondsporen, is een vuursteenvindplaats kwetsbaar voor bodemingrepen. Daarom wordt bij de inrichting van het zonnepark rekening gehouden met de bekende vuursteenvindplaats in het noordelijke deel van het plangebied. De kans is groot dat ook binnen het plangebied resten van dit nederzettingsterrein aanwezig zijn. Omdat deze vindplaats een groot oppervlak beslaat en naast vondstmateriaal ook uit grondsporen bestaat, is de vindplaats minder kwetsbaar voor bodemingrepen. Omdat voor de realisatie van het zonnepark relatief kleine bodemingrepen nodig zijn verspreid over een groot gebied, wordt de aantasting van deze vindplaats als gering beoordeeld. Hieronder volgt een overzicht van de geplande ingrepen met bijbehorende afwegingen en adviezen: De aantasting van het archeologische bodemarchief door de fundering van zonnepanelen op palen is als gering beoordeeld. Voor de plaatsing van de zonnepanelen wordt daarom geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Vanwege het kleine oppervlak van de transformatoren is de kans klein dat een vindplaats wordt geraakt en is de aantasting van een mogelijke vindplaats gering. Op basis hiervan wordt voor de plaatsing van de transformatoren geen vervolgonderzoek geadviseerd.
De twee onderstations zijn in de lage verwachtingszone gepland, waardoor geen vervolgonderzoek nodig is. De zonnevelden worden via elektriciteitskabels met de transformatoren en de onderstations verbonden. Kabelsleuven vormen langgerekte, smalle
44
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
ontgravingen (0,4 m breed) waardoor de kans op het aantreffen van een vindplaats en de aantasting van een eventuele vindplaats gering is. De gemeentelijke vrijstellingsgrens voor de hoge verwachtingszone van 500 m2 zal met een totale oppervlakte aan kabels van 400 m2, waarvan slechts een deel binnen de hoge verwachtingszone wordt aangelegd, niet worden overschreden. Bij het kabelontwerp wordt rekening gehouden met de bekende vuursteenvindplaats in het noordelijke deel van het plangebied (inclusief buffer van 50 m), zodat hier geen kabelsleuven worden aangelegd. Vanwege de geringe verstoringsdiepte van de aanplant van het struweel van maximaal 40 cm wordt voor deze ingreep geen vervolgonderzoek geadviseerd. Hiermee is het voorliggende plan uitvoerbaar m.b.t. het aspect archeologie, en is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.
4.4
Cultuurhistorische waarden
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten (gebouwen). In het gemeentelijke beleid (in de Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025) en in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' is opgenomen dat het plangebied landschappelijk waardevol is. Zo is de houtwal welke door het plangebied loopt (middenin het plangebied tot aan de westzijde) beschermd als 'landschapselement' in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'. Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt ook een strook met deze gebiedsaanduiding 'overige zone - landschapselement' (in het geldende bestemmingsplan). Op deze plek ligt echter geen houtwal in de huidige situatie. Het plangebied heeft geen dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' in het Facetbestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren'. Dit geldt wel voor een gebied aan de oostzijde van het plangebied (buiten het plangebied), die met het voorliggende plan niet wordt aangetast. Binnen de van toepassing zijnde agrarische bestemming is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen, waarin o.a. is opgenomen dat cultuurhistorische waarden niet aangetast mogen worden.
Op de Cultuurhistorische waardenkaart (RAAP-rapport 2943), welke onderdeel uitmaakt van het Facetbestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren', is het plangebied aangeduid als 'natte kampontginning met rationele structuur'. Aan de noordoostzijde en in het midden en westen van het plangebied zijn houtwallen/landschapselementen aangeduid. De bestaande houtwallen (in het midden van het plangebied en aan de westzijde) blijven met het voorliggende plan behouden. Aan de noordoostzijde ligt in de huidige situatie geen houtwal/landschapselement.
vastgesteld
45
Afbeelding 16: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart, ter hoogte van het plangebied (RAAP-rapport 2943, zoals opgenomen in Facetbestemmingsplan Cultuurhistorie Echt-Susteren).
Met het voorliggende plan blijft de rationele structuur behouden. Ook wordt er rekening gehouden met bestaande kavelgrenzen, omliggende beplanting en cultuurhistorische lijnen in het landschap. De nieuwe landschapselementen dragen enerzijds bij aan de strokenverkaveling als cultuurhistorisch waardevolle perceelsrandbeplanting. Anderzijds sluit de landschappelijke inrichting aan bij de groenstructuur in de omgeving. Er worden, met de realisatie van het zonnepark, geen cultuurhistorische waarden in het geding gebracht. Wel wordt aan de noordoostzijde van het plangebied de strook met de gebiedsaanduiding 'overige zone - landschapselement' met dit voorliggende bestemmingsplan verwijderd van de verbeelding (plankaart). Dit omdat op deze plek in de huidige situatie geen landschapselement aanwezig is. Met het voorliggende plan worden de bestaande houtwallen wel permanent versterkt, en nieuwe (permanente) houtwallen gerealiseerd. Er is advies gevraagd aan de LKM-commissie (Kwaliteitscommissie Limburg), betreffende de landschappelijke inrichting en inpassing. De LKM-commissie heeft positief geadviseerd en hiermee ook geconcludeerd dat cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.
4.5
Water
De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het plangebied beoordeeld.
46
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit was 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 weer, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en een toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Provincie De provincie Limburg werkt nauw samen met waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.
Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap Limburg de doelstellingen voor de periode van 2016 tot 2021 en de benodigde handelingen om te komen tot deze doelstellingen. Met het opstellen van een Waterbeheerplan voldoet het waterschap aan de wettelijke eisen van de Waterwet. Waterschap Limburg borduurt voert op de doelen uit het voorgaande vastgesteld beleid: veilige dijken; droge voeten; voldoende water; schoon water. De doelstellingen en handelingen zijn verder uitgewerkt in het Waterbeheerplan. Deze doelstellingen vinden onder andere een concretere doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: de Keur en de Legger.
vastgesteld
47
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Afstemming plan met Waterschap Het voorliggende plan is afgestemd met het Waterschap Limburg. Hierna volgen enkele belangrijke uitgangspunten en conclusies. Infiltratie- en bergingsnorm Het waterschap hanteert in dit gebied een infiltratie- en bergingsnorm van 100 mm/dag. Door de technische en landschappelijke inrichting van het zonnepark voldoet het park aan deze norm van het waterschap. De ondergrond heeft een diepe grondwaterstand (VII) en bestaat uit (leemarm en zwak lemig) fijn zand die een goede waterdoorlatend heeft. Het hoogteverschil in het plangebied is gering. Er is enkel microreliëf aanwezig in de ondergrond en het hoogteverschil is maximaal 1 meter tussen de Putbroekerbosweg (hoogste deel) en de Verlengde Spikweg (laagste deel).
Het risico op erosie en oppervlakkige afstroming is daarmee klein c.q. afwezig. Rondom het zonnepark komt daarnaast een brede zone van 15 meter met nieuwe en bestaande landschapselementen. Door deze groenzone is het niet mogelijk dat er oppervlakkige afstroming van water en erosie naar de omgeving is. Hemelwater kan in bijna het gehele plangebied infiltreren, behalve onder de 6 transformatoren en het inkoopstation. Ook onder de panelen kan het water infiltreren vanwege het feit dat er 2 centimeter ruimte is rondom de individuele panelen op stellages. Het water stroomt zo niet alleen aan de onderkant van de stellages maar ook aan de bovenkant en in de middelste delen van stellages. Het beheerpad naar de transformatoren bestaat uit een waterdoorlatende verharding (grasbeton) waardoor hemelwater ook hier kan infiltreren. Door de ondergrond uit productie te nemen en de grond niet meer te roeren is het mogelijk voor de bodemstructuur om zich te herstellen. Hierdoor zal de sponswerking van de bodem vergroten waardoor infiltratie en buffering van hemelwater beter mogelijk is dan in de huidige situatie. Plan mag geen negatieve gevolgen hebben voor de overige aspecten van de waterhuishouding In het plangebied is geen sprake van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied, en het plan leidt ook andersom niet tot overlast en erosie.
De panelen en de constructie wordt uitgevoerd met niet-uitloogbare materialen. Er komt geen afvalwater vrij. Het plan heeft dan ook geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Er lopen geen beschermde watergangen door het plangebied. Uitvoerbaar Het voorliggende plan heeft geen significant negatief effect op de waterhuishouding en is daarmee uitvoerbaar m.b.t. dit aspect.
48
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
4.6
Conclusie
In dit hoofdstuk zijn alle relevante aspecten uit de waardentoets beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat voorliggend plan geen belemmeringen met zich meebrengt.
vastgesteld
49
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten 5.1
Inleiding
Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: bodem; geluid; luchtkwaliteit; lichtreflectie; elektromagnetische straling; externe veiligheid; brandveiligheid; leidingen; bedrijven en milieuzonering; warmteontwikkeling; vormvrije m.e.r.-beoordeling; Verkeer en parkeren.
5.2
Bodem
Met betrekking tot het aspect bodem zijn de Wet bodembescherming, de Wet milieubeheer en het Besluit Bodemkwaliteit van belang. Bepaald moet worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het zonnepark wordt gevormd door bouwwerken, waar geen personen verblijven. Daarnaast zijn er geen grootschalige bodemingrepen aan de orde en wordt er geen grond afgevoerd. De realisatie van een zonnepark brengt niet direct risico's m.b.t. bodemvervuiling met zich mee. Hemelwater kan in bijna het gehele plangebied infiltreren, behalve onder de 6 transformatoren en het inkoopstation. Er is gekozen voor een zuidopstelling, waarbij ook onder de panelen het water kan infiltreren, vanwege het feit dat er 1,5 tot 2 centimeter ruimte wordt aangehouden rondom de individuele panelen op stellages. Het water stroomt zo niet alleen aan de onderkant van de stellages, maar ook aan de bovenkant en in de middelste delen van stellages. Tussen de rijen panelen wordt een ruimte vrijgehouden van 2 meter breed voor voldoende zonlicht-toetreding. Het beheerpad naar de transformatoren bestaat uit een waterdoorlatende verharding (grasbeton) waardoor hemelwater ook hier kan infiltreren. De panelen en de constructie wordt uitgevoerd met niet-uitloogbare materialen. Er komt geen afvalwater vrij.
De grond binnen het plangebied wordt nu gebruikt als vrij intensief gebruikte
50
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
landbouwgrond. Het bodemleven zal hierdoor minimaal zijn. Na het uitvoeren van de werkzaamheden ter oprichting van het project zal de bodem verder niet worden aangetast. Realisatie van een zonnepark met kruidenrijk grasland als vaste onderbegroeiing kan op deze plek voor de komende decennia een stabiele situatie bieden waar geen chemicaliën (kunstmest of gewasbeschermingsmiddelen) worden toegepast. Dit biedt kansen voor verbetering van het bodemleven, de bodemstructuur, verbetering van het zelfreinigend vermogen en extra habitat voor bestuivers en plaagbestrijders. De sponswerking van de bodem zal vergroten waardoor infiltratie en buffering van hemelwater beter mogelijk is dan in de huidige situatie. Er is een historisch vooronderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken is relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat voldoende inzicht is verkregen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. De locatie is niet verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging.
Het rapport is opgenomen in Bijlage 6 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Voor aanvang van de werkzaamheden wordt een bodemonderzoek uitgevoerd om de nul-situatie vast te stellen. Na de beëindiging van de activiteiten wordt weer een bodemonderzoek uitgevoerd om te controleren of geen nieuwe bodemverontreinigingen hebben plaatsgevonden. Gelet op voorgaande bevindingen wordt gesteld dat het aspect bodemkwaliteit geen probleem zal opleveren voor de ontwikkeling van een zonnepark. Met betrekking tot het aspect bodem wordt de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar geacht.
5.3
Geluid
Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: de normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen; bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; op en rond het plangebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht er toe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Op deze locatie wordt geen geluidsgevoelige bestemming toegevoegd. Het zonnepark hoeft dan ook niet beschermd te worden tegen geluidsoverlast. Ook is er geen sprake van industrielawaai vanuit het nieuw te realiseren zonnepark. Binnen het plangebied worden zonnepanelen geplaatst. Deze zonnepanelen produceren geen geluid.
Daarnaast worden er ook geen installaties opgenomen die een wezenlijke geluidsemissie veroorzaken waardoor
vastgesteld
51
nader onderzoek noodzakelijk is. Het onderstation, de transformatoren en de omvormers worden op ruime afstand van de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemmingen gerealiseerd. Daarnaast is er, vanwege de hellende positie van de panelen, geen wezenlijke reflectie van omgevingsgeluid. Door de hellende positie kaatst geluid omhoog. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Bedrijven in de omgeving Binnen het projectgebied wordt geen nieuwe geluidgevoelige bestemming gerealiseerd. Bestaande bedrijven worden niet extra belemmerd. Woon- en leefklimaat Er worden een onderstation, transformatorstations en omvormers geplaatst binnen het plangebied. De inkoopstations en de transformatorstations hebben een bronvermogen van maximaal 10 MVA. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is dit gelijk te stellen aan de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven. Bij een bronvermogen tot maximaal 10 MVA geldt een richtafstand voor geluid van 30 meter tot geluidsgevoelige functies. Het onderstation, de transformatorstations en de omvormers worden op aanmerkelijk grotere afstand van de bestaande burgerwoningen gesitueerd. Met betrekking tot geluid blijft dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig.
5.4
Luchtkwaliteit
Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor ontwikkelingen die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling 'in betekende mate' bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een zonnepark. De verkeersbewegingen die de ontwikkeling van een zonnepark met zich mee brengt, zijn alleen tijdens de aanlegfase merkbaar. In deze fase zal er tijdelijk sprake zijn van een grotere toename van verkeersbewegingen.
Nadat de bouw van het park is afgerond daalt het aantal verkeersbewegingen weer naar de oude situatie. Zelfs tijdens de bouwperiode zal het aantal verkeersbewegingen ruimschoots onder de 800 per dag blijven. Daardoor leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling niet als 'niet in betekenende mate' worden gezien. Gelet op het voorgaande wordt gesteld dat nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
52
Zonnepark Putbroekerbosweg Maria Hoop
5.5
Lichtreflectie
QING Sustainable heeft een tool ontwikkelt om voor omwonenden van een zonnepark te bepalen of zij mogelijk last zullen krijgen van hinderlijke schittering (reflectie) vanuit een zonnepark. De tool kan aangeven hoeveel minuten, vanaf welke oriëntatie en op welk moment van het jaar er mogelijke reflectie optreedt. Hiermee kan rekening houden bij het inplannen van beplanting en de oriëntatie van de zonnemodules. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Dit onderzoek is ook uitgevoerd voor Zonnepark Maria Hoop (zie Bijlage 9 van de toelichting van dit bestemmingsplan). Het onderzoeksresultaat is dat er geen schittering optreedt op omliggende woningen. Daarnaast wordt het zonnepark ook nog eens omsloten door landschappelijke groenelementen, die de panelen afschermen. Ook wordt gekozen voor een type paneel welke lichtschittering zoveel mogelijk beperkt. Van schittering op woningen is daarmee geen sprake.
5.6
Elektromagnetische straling
Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (ìT). Dit voorzorgsprincipe dient daarmee ook gehanteerd te worden bij de ontwikkeling van een zonnepark, door de afstand van een zonnepark tot woningen en andere gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 ìT komt. In het RIVM 'Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen' (RIVM-rapport 609300011/2009) wordt aandacht besteed aan elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations. De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 ìT wordt bereikt op een afstand van maximaal 7 m van onderzochte transformatorstations. Gezien de relatief grote afstand van zowel omvormers als de transformatoren tot de dichtstbijzijnde woningen mag redelijkerwijs worden aangenomen dat elektromagnetische straling geen gezondheidsrisico vormt.
5.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen, gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving:
vastgesteld
53
Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB). Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om in beeld te brengen of er in het plangebied, of in de nabijheid daarvan, risicobronnen (productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen) aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd (zie afbeelding 17).
Afbeelding 17: Uitsnede provinciale risicokaart, waarbij met rode pijl het plangebied is aangeduid (bron: www.risicokaart.nl).
Uit de risicokaart blijkt dat in het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportassen (spoor, weg, water) of transportleidingen aanwezig zijn. Het plangebied ligt ook niet in het invloedgebied van inrichtingen, assen en leidingen. Bovendien neemt het aantal personen binnen het plangebied niet toe, waardoor er geen effecten op de externe veiligheidssituatie zijn. Met betrekking tot externe veiligheid zijn dan ook geen belemmeringen aan de orde en kan aanvullend onderzoek achterwege blijven. Een zonnepark is geen gevoelig object of inrichting dat formeel een veiligheidscontour kent. Wel betreft een zonnepark een inrichting dat energie in de vorm van elektriciteit opwekt en op het elektriciteitsnet levert. Om de veiligheid te waarborgen komt er een (transparant) hek rondom het zonnepark. Dit hekwerk is 2 meter hoog en staat op ruime afstand van de zonnepanelen waardoor personen niet bij de zonnepanelen kunnen. Daarnaast wordt het zonnepark niet openbaar toegankelijk. Het park kan enkel middels een afgesloten poort worden betreden ten behoeve van regulier beheer en onderhoud. Daarnaast wordt het zonnepark geaard en worden elektriciteitskabels ondergronds aangelegd.