MO3a. bijlage - Publicatie-Sporen-van-Slavernijverleden-in-Gelderland-2022-2.pdf
Tekst van het document
mengen met 10 pond geel koper; ook in Suriname werkt Jacob Hendricus uit Aalten als koperslager.
Slavenhouder en koperslager in Suriname Ruim een half jaar later wordt wederom een brief uit Suriname bij de koperslagerij te Aalten bezorgd. Het is tevens het laatste bericht van Jacobus Hendricus uit Suriname. Hij zal niet terugkomen. Hij heeft het niet breed en moet de schulden van zijn vader zien af te lossen, schrijft hij, maar als hij dan toch moet werken doet hij het liever in Suriname. Hij wil niet meer op de mestvaalt staan, zijn toelichting is veelzeggend:
en betrokken.(13)
Van Herwaarden biedt zijn diensten aan als koperslager aan de eigenaren en administrateuren van plantages in Suriname. Zij kunnen bij hem onder meer suikerketels bestellen, bodems voor de dramketels (ketel waar het schuim van kokend suikerrietsap gedistilleerd wordt tot de sterke drank ‘dram’) en zwanenhalzen voor distilleerketels.(11) Volgens het wijkregister van Paramaribo van 1846 woont hij aan de Jodenbreestraat 43B (nieuw nummer), is hij 27 jaar, koperslager, en op zijn erf wonen een zwarte vrouw en een zwarte jongen, beiden in slavernij.(12) Het kan zijn dat hij dit huis toen of later verhuurde, zoals hij aan zijn grootvader schreef, terwijl hij zelf op zijn buiten verbleef. Daarmee bedoelde hij waarschijnlijk houtplantage Nieuw Weergevonden in district Para aan het Pad van Wanica, die hij in 1849 had verworven
“Want mij negers hebben het beter als die geen die zich half dood moet laaten vriessen en in hagel en sneeuw. Knollen en spurrie moet pluken en raap te planten, O Als ik daar weer aan denk. Zoo veel tegenspoed als ik hier met ciekte gehad heb dan is het to hier nog heilig”.(10)
JODENBREESTRAAT IN PARAMARIBO ROND 1900 (BRON ONBEKEND). AAN DEZE STRAAT WOONDE HENDRICUS JACOBUS VAN HERWAARDEN
Slaafgemaakten in bezit Na de dood van zijn vader beschikte Jacob Hendricus van Herwaarden ook volgens de Surinaamse archieven over negen of tien slaafgemaakten van zijn vader, van wie hij Bergere, Eduard en Maria op de publieke veiling kocht.(14) Zijn vader had meer slaafgemaakten, in totaal stonden er zeventien op zijn naam. Een aantal van hen had hij in de jaren voor zijn overlijden al verkocht.
Ofwel, zelfs een relatief arme man zoals hijzelf, kan het in Suriname goed hebben; hier is hij in staat anderen in slavernij te houden. Hendricus presenteert in de brief aan zijn grootvader zijn rol als slavenhouder als een vanzelfsprekend gegeven. Onderwerp is slechts of zij, de slaafgemaakten, het nu beter of slechter hebben dan zijn familie in Aalten. Hij beschikt, zo valt in de brief te lezen, over negen slaafgemaakten en een buiten met twintig stuks hoornvee. Het huis in de stad heeft hij verhuurd. Als hij de brief al heeft ondertekend en schrijft dat de boot klaar ligt om hem naar zijn grond te vervoeren, vraagt hij nog hoeveel piauter (samensmelting van lood en tin) men moet
In een slavenregister van 1852 van de weduwe Martha Maria Jacobs, geboren Scholte, komen we Jacobus Henricus van Herwaarden wederom tegen: hij blijkt met haar gehuwd te zijn.(15) Ze koopt Jauw, diens zuster Bebé, drie van haar kinderen en haar twee
29
kleinkinderen. Zij worden later tot het eigendom van Van Herwaarden gerekend, uiteindelijk staan 28 personen op zijn naam.(16) De reden hiervoor kan zijn het overlijden van zijn vrouw in 1857.(17) Steeds gaat het om zogenoemde “privé-slaven” die dus niet behoren tot de plantage, hoewel allen op de plantage Nieuw Weergevonden woonden en werkten.
Mariaantje ooit geïnformeerd over de dood en het testament van Jacobus Henricus van Herwaarden van Herwaarden? Maar net als de naam Evert Uithoorn, mogelijk zijn zoon, lijkt ook Jacobus Henricus van Herwaarden na dit testament van de aardbodem verdwenen. Geen enkel document is gevonden waarin zijn naam nog voorkomt. Wellicht heeft de Gereformeerde Kerk van Aalten ooit wel de driehonderd gulden ontvangen ten behoeve van de armen aldaar.
Vrije mensen met de achternaam Waarden Beschikte Van Herwaarden in 1859 nog over achttien zogeheten privéslaven,(18) ten tijde van de afschaffing van de slavernij in 1863 heeft hij nog zestien personen in eigendom, die allen op de plantage Nieuw Weer gevonden wonen.(19) Als vrije mensen krijgen ze een achternaam,. Vier van hen heten voortaan Waarden –v een naam die duidelijk te herleiden is tot Van Herwaarden. Het gaat hier om Elisabeth, geregistreerd als huisbediende, haar broer William van zestien of zeventien jaar, grondwerker, en twee kinderen van
Bronnen en verder lezen: (1) Noord-Hollands Archief, arch.nr. 1972, inv.nr. 131, reeksen 1972 Nieuw Notarieel Archief Haarlem, 1867, akte 3748. (2) Via Delpher, 27 september 2021, zoektermen: Evert, Herwaarden, Vossenburg. (3) NHA, archiefnr. 39, invnr. 378, akte 6 1817. (4) Smilda, E.M. 1964. Twee eeuwen tussen Es en Slinge. De geschiedenis van de koperslagers in de Peperstraat te Aalten. Aalten: N.V. Uitgeversmaatschappij de Graafschap, i.s.m. de oudheidkundige werkgemeenschap:65-71. (5) Erfgoed Achterhoek en Liemers, Gemeentebestuur Aalten 1809, 1811-1942. (6) Surinaamsche Courant 18 augustus 1837. (7) Smilda, E.M. 1964. Twee eeuwen tussen Es en Slinge. De geschiedenis van de koperslagers in de Peperstraat te Aalten. Aalten: N.V. Uitgeversmaatschappij de Graafschap, i.s.m. de oudheidkundige werkgemeenschap:68. A.D.W.:68. Hij zou met zijn gezin zijn vertrokken, maar daar vond ik zelf geen aanwijzingen voor. (8) https://www.pinasroots.nl/cms/bronnen/diverse-bronnen/ 241-persoonsgegevens-snebeling-j-g-opzichter-topibo-1827-1832, geraadpleegd 20 september 2021. (9) Nieuwe Surinaamsche Courant, 17 oktober 1838. (10) Transcriptie letterlijk overgenomen van Smilda E.M. 1964, zie boven: 73. Brief is in zijn geheel opgenomen: 73-75. (11) Zie: Surinaamsche Courant en Gouvernements Advertentie Blad, 24 oktober 1850.
(12) Wijkregisters Paramaribo 1846, digitaal beschikbaar door Philip Dikland, geraadpleegd 21 september 2021. (13) Surinaamsche Courant en Gouvernements Advertentie Blad, 25 december 1849: 2. (14) Nationaal Archief Suriname, Suriname Slavenregisters/ Particulieren, folio 807a en 807b. https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/ NadereToegangen/invnr/NT00461.7/file/Slavenregister_InvNr_07_ FolioNr_0807b (15) NL-HaNA, Slavenregisters Suriname, NTO 00461, inv.nr. 25, folio 557. https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/NadereToegangen/ invnr/NT00461.25/file/Slavenregister_InvNr_25_FolioNr_0557 (16) NL-HaNA, Slavenregisters Suriname, NTO 00461, inv.nr.40, folio 2729. https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/NadereToegangen/ invnr/NT00461.40/file/Slavenregister_InvNr_40_FolioNr_2729 (17) Surinaamsch Weekblad, 1 juni 1862. (18) Almanak voor de Nederlandsche West-Indische bezittingen, en de kunst van Guinea. Jaargang 1860 (1859). Digitaal. (19) NL-HaNA_archiefnr. 2.02.09.08 inv.nr.231_0859. (20) Surinaamsche Courant en Gouvernements advertentieblad, 18 februari 1865.
Elisabeth, Evelina van twee of drie jaar en de kleine Louisa van een jaar oud. Als compensatie voor zijn zogenaamde “verlies aan slaven” ontvangt Van Herwaarden 4800 gulden uit de koloniale kas, omgerekend naar nu ruim € 50.000 (i.e. 2016). Twee jaar later, in 1865, verlaat hij Suriname en vestigt zich in Zandvoort.(20) En hiermee eindigt het verhaal over Jacobus Hendricus van Herwaarden, telg uit een koperslagersfamilie in Aalten, die met vader en broer naar Suriname ging, zijn kwaliteit als koperslager inzette voor de productie van suiker en zelf ook slavenhouder werd. Zijn verhaal begon met Evert van plantage Vossenburg, die hij opnam in zijn testament. Terug naar Evert van plantage Vossenburg Nergens is echter een verwijzing naar een relatie tussen kleine Evert, zoon van Mariaantje van plantage Vossenburg, die overigens nog meer kinderen had, en Jacob Hendricus van Herwaarden te vinden. Hij droeg Evert blijkbaar een warm hart toe. Mogelijk had hij een relatie met Mariaantje en had hij de naam Evert voorgesteld, de voornaam van de stamvader van de familie Van Herwaarden. Hebben zijn bewindvoerders
© Ineke Mok, CC-BY-NC
30
Leven op een kasteel: plantage-eigenaar en rentenier in Gendringen Joost baron Taets van Amerongen 1800-1900 | Achterhoek Zwanenburgseweg 2, Megchelen
Wie vanuit Paramaribo een blik werpt naar de andere kant van de Surinamerivier kijkt uit over een stuk land dat door een bocht van de rivier aan drie kanten door water wordt omringd. Hier ligt Meerzorg, een gebied waar lange tijd een suikerplantage met dezelfde naam lag. Deze plantage werd eind zeventiende eeuw opgericht door Paul Amsincq. Door vererving zou het aantal plantage-eigenaren
Ook niet in zijn familie of die van zijn vrouw. Daarnaast is er geen enkele aanwijzing dat Joost ooit in Suriname is geweest. Het lijkt erop dat hij zijn leven vooral op zijn kasteel heeft gespendeerd. Er is wel een connectie met de andere kolonie Nederlands-Indië: vier van zijn acht kinderen zijn hier actief als ambtenaar of tabaksplanter. Dit speelt zich echter lang nadat Joost overleden is af. Kort nadat zijn laatste
gedurende de jaren alsmaar groter worden. Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 kregen 64 aandeelhouders een vergoeding. Een van hen woonde in het Gelderse plaatsje Megchelen bij Gendringen.(1)
kind geboren is, verhuizen Joost en Hortense naar een pand in Deventer aan de Onder de Linden. Hier overlijdt Joost na enkele maanden op 30 juli 1871. Toegewezen namen Het leven en werk op de suikerplantage Meerzorg was zwaar. Dit zware werk eindigde niet in 1863: na de emancipatie blijft de plantage in bedrijf en de 325 vrijgelaten slaafgemaakten moeten nog tien jaar op de plantages blijven werken, onder toezicht van de overheid. Na deze tien jaar nemen Hindoestaanse en Javaanse contractarbeiders het werk over. Hun contractvoorwaarden, leef- en werkomstandigheden doen denken aan de slavernij. De tot slaafgemaakten krijgen in 1863 een familienaam toegewezen. Sommige van deze namen hebben betrekking op de plantage, zoals de namen Amzink (naar de oprichter), Zorg, Meerzorg en Minderzorg. De voornamen van de slaafgemaakten bestonden vaak al en waren ook door de eigenaar toegewezen. In de namenlijst van de plantage staan namen zoals Elisabeth, Jan en Emanuel. Tegelijkertijd komen er ook veel voornamen voor die ouders zelf niet zo snel aan hun kind zouden geven, zoals Chocolaad, Charmantje, Tevreden en Fornothing. Ook namen als Generaal, Korporaal en Luitenant kwamen voor. Dit doet vermoeden dat het de leidinggevenden op de plantages waren die deze namen toewezen en dat de slaafgemaakten ook hier niet zelf over konden beslissen.
Adellijke familie Deze aandeelhouder was Joost baron Taets van Amerongen, geboren op 22 februari 1832 in De Bilt in een vooraanstaande adellijke familie.(2) Leden van de familie Taets van Amerongen bekleden hoge functies in het leger en vinden veelal binnen de adel een huwelijkspartner. Zo trouwt Joost in 1855 in Utrecht met de in Amsterdam geboren burgemeestersdochter Hortense Catharina Maria van de Poll (1831-1915).(3) Een voorvader van Joost, Matthijs Straalman (1722-1808), was ook burgemeester van Amsterdam en een van de aandeelhouders van plantage Meerzorg. Via zijn moeder erft Joost daarvan een deel. Als hij hier in 1863 een vergoeding voor krijgt, woont hij met zijn gezin op kasteel Zwanenburg in Megchelen, waar hij tussen 1858 en 1871 verblijft.(4) Renteniersleven Over Joost is niet veel bekend. Dat hij tijdens zijn leven twee naamgenoten had, maakt het vinden van informatie over hem lastig. Het lijkt erop dat hij tijdens zijn verblijf op kasteel Zwanenburg als rentenier door het leven ging.(5) Een connectie met de slavernij in Suriname is, afgezien van de aandelen, niet te vinden.
31
De plantage ver weg Een plantage verwijst niet alleen naar een locatie. Meerzorg is niet alleen die plek aan de andere kant van de Surinamerivier. Vóór 1863 was de betekenis van het woord plantage verbonden aan de totale inboedel en de slaafgemaakten werden gezien als onderdeel hiervan.(6) Een van de weinige afbeeldingen van plantage Meerzorg is afkomstig van de plantagehouder Théodore Bray uit 1843. Op de afbeelding zien we dat er bakkeljauw (gedroogde vis) uitgedeeld wordt aan slaafgemaakten. Het geeft een geromantiseerd inkijkje in het leven van slaafgemaakten op de plantage. Voor een aandeelhouder zoals Joost Taets van Amerongen was de vergoeding van 1863 waarschijnlijk het enige moment waarop hij zich bezighield met de slavernij in Suriname. Voor hem lag de plantage ver weg.(7)
Dit spoor over ‘gecompenseerden’ is onderdeel van een serie, gemaakt door studenten geschiedenis van de Radboud Universiteit. Bronnen en verder lezen: (1) Philip Dikland, de suikerplantage Meerzorg (2002-2004). (2) Het Utrechts Archief, 481, Burgerlijke Stand van de gemeenten in de provincie Utrecht 1811-1902, 555-04, akte 8. (3) De Nederlandse Leeuw, jaargang 27 (1909), p. 261-262; Haags Gemeentearchief, 0354, Bevolkingsboekhouding, 01.200, Bevolkingsregister Tadeij - Talens. (4) Hij huurde dit kasteel van de familie Van Nispen. De ruïne van het kasteel ligt naast de Zwanenburgseweg 2 in Megchelen. De site van Rijksmonumenten geeft de meest exacte locatie weer; Beredeneerde index op de Bijdragen en mededeelingen I-XL (1938), p. 215; Arnhemse Courant, ‘Te Huur’ (21 februari 1871), p. 4. (5) Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, 0167, Gemeentebestuur Gendringen, 1811-1940, 1352, Bevolkingsregister Gendringen register 9. Wijk B: Megchelen, p. 2. (6) H.A.M. Everaert, Een zoektocht naar de aard van man-vrouw relaties onder Surinaamse slaven: De suikerplantages Fairfield, Breukelerwaard, Cannewapido en La Jalousie in de periode voorafgaande aan de emancipatie (1999) p. 25-27 (PDF). (7) Zie hiervoor de borderel vanaf scan 242. © Björn Spekschoor, CC-BY-NC
KASTEEL ZWANENBURG: VOORGEVEL EN TOREN (1901) | © RIJKSDIENST VOOR HET CULTUREEL ERFGOED CC BY 4.0
32
Gecompenseerden en plantage-eigenaren uit Doesburg Jacob Vereul en Catharina Meijer 1800-1900 | Achterhoek Veerpoortstraat, Doesburg
In 1843, twintig jaar voor de afschaffing van de slavernij, stuurden Amsterdamse aandeelhouders en belanghebbenden van Surinaamse plantages een verzoekschrift aan de minister van Koloniën. In krachtige bewoording maakten ze de Regering duidelijk dat ze zich niet moest bemoeien met ‘het gezag in het beheer der slaven’ dat alleen aan hen zou toekomen.(1) Een nieuw reglement om de
De familie Vereul was een van oorsprong adellijke Franse Hugenotenfamilie uit Rouen. Net als veel hugenoten (Franse calvinisten) eind zeventiende eeuw vluchtte de familie Vereul naar de Republiek om zo te ontkomen aan vervolging in eigen land.(6) Begin achttiende eeuw richtte een van hen, Abraham Vereul, nadat hij vanuit de Republiek naar Suriname vertrokken was, de plantage Vriendsbeleid en
leefomstandigheden van slaafgemaakten te verbeteren werd door dit felle verzet vertraagd. Een van de ondertekenaars was Jacob Vereul, die vanaf 1850 tot 1862 in Gelderland woonde. Door deze lobby van slavenhouders werd niet alleen de afschaffing van de slavernij vertraagd, maar zou er voor aandeelhouders ook een compensatie komen. (2) Iets waarvan Jacobs echtgenote Catharina Meijer in 1863 veel profijt zou hebben.
Ouderzorg op.
Aandelen in plantage Nieuwzorg Een half jaar voor uitbetaling van de compensatie in 1863 overleed Jacob Vereul en daarmee kwam zijn vrouw Catharina in bezit van de aandelen in de suikerplantage Nieuwzorg aan de Commetewanekreek in Suriname. Zij woonden toen aan de Veerpoortstraat 25 in Doesburg.(3) Het echtpaar was oorspronkelijk afkomstig uit Amsterdam. In 1850 trouwden ze in Gendringen en na een paar jaar (wanneer precies is onduidelijk) vertrokken ze naar Doesburg.(4) Na de uitkering van ongeveer 18.000 gulden compensatiegeld, zou Catharina naar een woning iaa de Utrechtsestraatweg in Amersfoort vertrekken.(5)
KAART VAN PLANTAGE NIEUWZORG | © UBM: KAARTENZL: 100.21.05 ( KAART ), SURINAMICA, UNIVERSITEIT UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM
Betrokkenheid bij slavernij van de Familie Vereul De verhuizing naar Amersfoort was voor Catharina mogelijk doordat de familie van Jacob Vereul anderhalve eeuw lang slavenhouder was, op de plantages Nieuwzorg en Vriendsbeleid en Ouderzorg.
Marronage Abrahams zoon Jean (1719-1750) nam de leiding op de plantage over en onder zijn bewind vond er in 1748 een ‘marronage’ plaats. Dit was een opstand van
33
HENCK ARRONSTRAAT 12, PARAMARIBO, SURINAME (BISSCHOPSHUIS, HET HUIS VAN DE FAMILIE VEREUL) | © OTTER/WIKIMEDIA COMMONS CC BY SA 4.0
slaafgemaakten die uit de slavernij probeerden te vluchten. De reden hiervoor zou Jeans “kwalijke bejegening” van de slaafgemaakten zijn geweest.(7) Als de ontsnapping lukte, was dit nog geen garantie dat je als gevluchte persoon veilig was. Vaak werd de achtervolging ingezet en als je gepakt werd dan volgde daarop de doodstraf. (8) Of dit bij de marronage van 1748 ook is gebeurd is niet duidelijk. In de gouverneursjournalen wordt wel melding gemaakt van twee “weglopers” van de plantage van Vereul, maar een verdere verwijzing naar het lot van deze gevluchte slaafgemaakten ontbreekt.(9) De plantage Vriendsbeleid en Ouderzorg bleef in het bezit van de Vereuls, maar de laatste erfgenaam bevond zich niet meer in Nederland, maar in Frankrijk.(10)
Koloniën laat zien dat de familie zich inzette om haar ‘bezit’ te verdedigen. Leefomstandigheden slaafgemaakten Het nieuwe reglement had als doel de verbetering van de leefomstandigheden van de slaafgemaakten. Het verzoekschrift dat Verheul mede ondertekende, protesteerde daartegen, terwijl de plantage een sterfteoverschot kende doordat de omstandigheden zo slecht waren.(12) De suikerplantage Nieuwzorg aan de Commetewanekreek vormde hierop geen uitzondering. Hoewel het aantal slaafgemaakten tussen 1837 en 1861 steeg van 241 naar 316, kwam dit niet door bevolkingsgroei. Aangezien de trans-Atlantische slavenhandel verboden was, werden er binnen Suriname slaafgemaakten overgeplaatst naar andere plantages. Zo werden er in 1843 enkele slaafgemaakten van plantage Meerzorg afgeschreven en naar Nieuwzorg overgebracht.
Familiebezit De erfenis van de Vereuls in de plantage Nieuwzorg kwam via de familie Bennelle. Dit was ook een Franse hugenotenfamilie; onderling onderhielden zij in de Republiek nauwe banden .(11) Dat de familie Vereul weinig hoefde te doen om de aandelen in handen te krijgen, betekent niet dat ze een passieve houding aannamen. Het verzoekschrift aan de minister van
Na emancipatie Bij de emancipatie van 1863 werden aan de 316 mensen 29 familienamen toegekend waarmee er ongeveer één naam per elf personen werd gegeven.
34
(13) Dat lag onder het gemiddeld aantal familienamen per plantage. Dit zou kunnen betekenen dat er op Nieuwzorg veel mensen familie van elkaar waren.(14) De omvang van deze families kon soms wel verschillen. Zo is er van de familienaam Rieskijn in 1863 maar een persoon, terwijl de familienaam Bakboord 27 personen telde.(15) De vrijgelatenen moesten in de periode na 1863 nog tien jaar contractarbeid verrichten, maar dat gold niet voor de plantage Nieuwzorg, waar de productie waarschijnlijk werd stopgezet.(16)
Bronnen en verder lezen: (1) “Adres van belanghebbenden te Amsterdam aan Zijne Excellentie den Heere Minister van Kolonien, van den 18 Augustus 1843”, Verzameling van stukken aangaande de Surinaamsche aangelegenheden, thans aanhangig bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal, p. 90-92. (2) M. Esajas, ‘Een Amsterdamse lobby voor ‘herstelbetalingen’ voor plantagehouders’, in: P. Brandon, G. Jones, N. Jouwe en M. van Rossum (red.) De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam Onderzoek (Amsterdam 2000) 335-343, aldaar 342. (3) Gelders Archief, Arnhem, 0207, Burgerlijke stand Gelderland, dubbelen, Doesburg, folio 355; In de index van het Nationaal Archief van de Emancipatie 1863 staat dat Catharina Meijer in Doetinchem woonde, maar dit was de vestigingsplaats van haar notaris. (4) Gelders Archief, Arnhem, 0207, Burgerlijke stand Gelderland, dubbelen, Gendringen, folio 59. Ergens in de tussentijd hebben ze nog even in de gemeente Hummelo en Keppel gewoond. (5) Archief Eemland, Bevolkingsregister, Amersfoort 1860-1915, 000201_1421; Utrechts Archief, 481, Burgerlijke Stand van de gemeenten in de provincie Utrecht 1811-1902, akte nummer 330. (6) Dit gebeurde in 1685 met het intrekken van het Edict van Nantes uit 1598. (7) Zie de link hierboven en Dragtenstein 2002, p. 126. (8) Carel van Hest, Atlas van plantages in Suriname 1667-1930 (Paramaribo 2019), p. 31.
(9) Gourverneursjournalen Suriname, 26 maart 1748. (10) Dit was Nicolette Jeane Vereul. (11) De familie Godefroij kwam ook uit Rouen. (12) Alex van Stipriaan, Surinaams contrast: Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie, 1750-1863 (1993), p. 316. (13) Commewijnerivier (Suriname Heritage Guide), p. 9. (14) Zie voor een overzicht van de familienamen, Suriname Plantages. (15) Vrijverklaarde slaven, ‘Rieskijn’ ; Vrijverklaarde slaven, ‘Bakboord’. (16) Commewijnerivier (Suriname Heritage Guide).
Dit spoor over ‘gecompenseerden’ is onderdeel van een serie, gemaakt door studenten geschiedenis van de Radboud Universiteit.
© Björn Spekschoor, CC-BY-NC
35
HUIZE DE WILDENBORCH - J. F. CHRIST (1841) | © GELDERS ARCHIEF, CC-BY-SA
Slavenloon voor Damiaan Hugo Staring Twee zilveren muntstukken 1700-1800 | Achterhoek De Wildenborch, Vorden
Binnen de Gelderse familie Staring worden sinds 1753 twee zilveren muntstukjes bewaard. Het zijn munten die de tot slaaf gemaakte tiener Damiaan Hugo Staring (1736-1783) in Marokko als slavenloon heeft ontvangen en die hij na zijn vrijlating als aandenken heeft behouden. Tot de dag van vandaag zijn de muntjes in bezit van de familie op de Wildenborch bij Vorden. Dit is de buitenplaats die door Damiaan in 1780 werd aangekocht, toen hij voor de VOC in de Kaapkolonie als eigenaar met de andere kant van slavernij te maken kreeg.
Damiaan Hugo Staring is in Gendringen geboren als zoon van dominee Antonij Staring (1692-1740) en diens tweede echtgenote Anna Christina Lucretia Ver Huell (1703-1794). Zowel de familie Staring als Ver Huell behoorde tot de gegoede en invloedrijke Gelderse families uit de Achterhoek. Verschillende familieleden maakten vanaf het midden van de achttiende eeuw carrière op zee als officier in dienst van de admiraliteiten of de VOC.(1)
36
bemoeilijkt. Tegelijk met de gesprekken stuurt de Republiek in 1751 drie oorlogsschepen uit tegen Marokkaanse kapers en piraten. Damiaan Hugo Staring is vijftien jaar oud als hij op 7 mei 1751 als adelborst in dienst van de Amsterdamse Admiraliteit aan boord van het nieuwe oorlogsschip Het Huys in ‘t Bosch vertrekt. Het linieschip met aan boord 22 stukken geschut en 132 bemanningsleden, vaart onder kapitein Hendrik Cornelis Steenis. De schepen bereiken op 3 juli Gibraltar. Van juli tot december wordt gekruist voor de Marokkaanse kust bij Tétouan, onderbroken door korte verblijven bij Gibraltar.(3) Schipbreuk en slavernij Op 20 december 1751 gaat het tijdens een zware storm mis. Het Huys in ‘t Bosch lijdt schipbreuk aan de Marokkaanse kust bij Ceuta. De bemanning wordt gevangengenomen en als slaaf tewerkgesteld in Tétouan. In februari 1752 bereiken berichten over de rampspoed de Nederlandse Republiek. De Amsterdamse Admiraliteit en Staten-Generaal geven direct opdracht geld in te zamelen. De Ministers van Staat, François en Louis Butler, dienen naast de vredesgesprekken nu ook over de losprijs van Nederlandse slaafgemaakten te onderhandelen.(4) Meer hierover in Tot slaaf gemaakt in Marokko.
DAMIAAN HUGO STARING, MAKER EN DATUM ONBEKEND © COLLECTIE DE WILDENBORCH, IN COPYRIGHT
‘Kruistocht’ met Het Huys in ‘t Bosch Vanaf het einde van de zestiende eeuw was de Nederlandse Republiek als zeevarende mogendheid actief in de Middellandse zee en langs de Atlantische kust van Afrika. Daar vielen schepen en bemanning ten prooi aan Noord-Afrikaanse kaapvaart en piraterij. Het onafhankelijke Marokko was een geduchte tegenspeler op zee, aangezien de Marokkaanse schepen niet alleen de toegang tot de Middellandse zee controleerden, maar ook opereerden op de routes naar Afrika en Indië op de Atlantische Oceaan. Gezanten sloten namens de Staten-Generaal verdragen met Marokko en de Ottomaanse vazalstaten in Noord-Afrika: Tunis, Tripoli en Algiers, om politieke en commerciële belangen te behartigen én om het (collectief) vrijkopen van in slavernij gebrachte landgenoten te organiseren.(2)
De positie van Europese ‘christenslaven’ was op één punt opvallend anders dan die van Afrikanen in de Amerika’s. Voor de Europeanen was vrijkoop of uitruil tegen gevangen moslims in principe mogelijk. Geschat wordt dat 5% van de ruim 1 miljoen geslaafde Europeanen naar huis kon terugkeren. Daarmee was de kans op vrijlating altijd nog groter dan die voor moslimslaven in Zuid-Europa en zeker dan die voor Afrikanen in de Amerika’s, een van de vele verschillen tussen de vormen van slavernij.(5) Vrij en terug naar zee De vrede wordt uiteindelijk op 21 november getekend en 250 Nederlandse slaafgemaakten worden vrijgelaten. Na een kort verblijf bij Gibraltar vertrekken de vrijgelatenen, verdeeld over twee oorlogsschepen: de Raave onder kapitein Samuel van Hoogstraaten en de Dolphyn van kapitein Jacob Hendrik van Stokken, naar de Republiek. Damiaan bevindt zich aan boord van de Dolphyn. Op 17 februari 1753 arriveren de schepen bij Texel, waar de bemanning tot 21 februari in quarantaine blijft. Diezelfde dag besluit de
Vanaf 1748 voeren de gebroeders François en Louis Butler als Ministers van Staat vredesonderhandelingen met sultan Moelay Abdallah van Marokko. Burgeroorlogen en verschillende wisselingen van sultans hebben de decennia daarvoor de onderhandelingen
37
Amsterdamse Admiraliteit de drie adelborsten, waaronder Damiaan Hugo Staring “tot Lieutenants onder deesen Ressorte te qualificeren”.(6)
Zie ook Tot slaaf gemaakt in Marokko.
De ervaringen in Marokko schrikken Damiaan niet af. Nog hetzelfde jaar is hij terug op zee en in 1757 maakt ook Evert Christiaan Staring zijn eerste zeereis, samen met zijn oudere broer. Dat jaar volgt voor Damiaan een nieuwe missie naar de Middellandse zee: kruisen voor Algiers. Ook na zijn huwelijk in 1766 met Sophia Wijnanda Ver Huell (1749-1794) blijft Damiaan terugkeren naar zee. In 1771 vertrekt hij in gezelschap van zijn net 11-jarige neefje en zwager Christiaan Antonij Ver Huell voor een nieuwe kruistocht naar de Middellandse zee. Tijdens deze missie stapt hij over naar de VOC en wordt uiteindelijk equipagemeester in de Kaapkolonie.(7)
(1) Als marineofficier treden onder meer de volgende familieleden in Damiaans voetsporen: jongere broer Evert Christiaan Staring (1739-1813), zwagers Christiaan Antonij Ver Huell (1760-1832) en Carel Hendrik Ver Huell (1764-1845), neven Antoni Hendrik Christiaan Staring (1749-1809) en Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell (1787-1860). (2) Van Gelder, p. 18; De Groot, p. 131-143; Staring, p. 8-9; Davis, p. 27-65. Kaapvaart is zeker niet uniek voor Noord-Afrika, vanaf de Tachtigjarige Oorlog rust de Nederlandse Republiek zelf vele schepen uit met officiële toestemming om vijanden op zee te overvallen. Zij maken daarbij zelfs gebruik van onder meer Algiers en Tunis als uitvalsbasis. (3) Nationaal Archief (NA), 1.01.47.37, inv.nr. 17; NA, Staten-Generaal, 1.01.02, inv.nr. 8779; Staring, p. 7-8; Journaal wegens de Rampspoedige Reys-Tocht. Voor de interne Marokkaanse problemen zie: Benali & Obdeijn, p.101-118. Zo is Moelay Abdallah vijf keer als sultan afgezet voordat hij vanaf 1745 vast in zadel zit. (4) NA, 1.01.47.21, inv.nr. 258. (5) Felicia Rosu 16 juni 2016; Van Helder, p. 18; vgl. Davis, pp. 3-26; NA, 1.01.47.21, inv.nr. 258. (6) Staring, p. 13-16 en Bijlage 1; Journaal wegens de Rampspoedige Reys-Tocht; NA, 1.01.46, inv.nr. 1485; 1.01.47.21, inv.nr. 258; NA, 2.21.333.01, inv.nr. 163; NA, 1.01.02, inv.nr. 9376. (7) NA, 1.01.46, inv.nr. 1970; 1.01.47.37, inv.nr. 32.
NA, 1.04.02, inv.nr. 64 en 180. Cape Town Archives Repository, ref. code C. 151, pp. 182-187, 226-234.
Bronnen en verder lezen:
Hier is hij als functionaris van de VOC onderdeel van het koloniale slavernijsysteem. In het huishouden van Damiaan en Sophia staan meerdere slaafgemaakten geregistreerd.
© Aschwin Drost, CC-BY-NC
38
Tot slaaf gemaakt in Marokko Damiaan Hugo Staring 1700-1800 | Achterhoek De Wildenborch, Vorden
Damiaan Hugo Staring is in Gendringen geboren als zoon van dominee Antonij Staring (1692-1740) en diens tweede echtgenote Anna Christina Lucretia Ver Huell (1703-1794). Zowel de familie Staring als Ver Huell behoorde tot de gegoede en invloedrijke Gelderse families uit de Achterhoek. Verschillende familieleden maakten vanaf het midden van de achttiende eeuw carrière op zee als officier in dienst van de admiraliteiten of de VOC.
kapitein Reynst van het schip De Haarlemmerhout met de onderhandelaars in de baai van Tétouan. Louis Butler bezoekt de slaafgemaakten en vanaf het schip wordt medicatie gestuurd voor de zieken. Het werk van de geslaafden is dan “om zwaare steene te draagen voor Reparatie van de Muuren der Stad”.
Oorlogsschip Het Huys in ‘t Bosch is een van drie linieschepen die in mei 1751 worden uitgestuurd voor een missie naar de Middellandse zee. Aan boord van het schip onder kapitein Hendrik Cornelis Steenis bevindt zich de 15-jarige adelborst Damiaan Hugo Staring.(1)
nooyt haar meester gezien hadden”. Een bijkomende reden is de slechte verstandhouding tussen de gouverneur en de sultan. De instabiele politieke verhoudingen en onlusten in de regio vertragen ook de tocht van de slaafgemaakten naar Fez. Pas op donderdag 20 juli vertrekt de groep voor de zware zesdaagse reis door hitte en bergachtig gebied, waarbij onder andere tweede kapitein Godefridus van Kraanenburg overlijdt.
De hoop op een snelle vrijlating vervliegt wanneer blijkt dat de sultan van Marokko, Moelay Abdallah, “niet van intentie was om slaaven vry te geeven, die
Zware stormen Op zaterdag 18 december raakt Het Huys in ‘t Bosch verzeild in zware stormen en gaat voor anker ten zuiden van Ceuta aan de Marokkaanse kust. Maandag 20 december “was de Wind zo heevig opgestooken, dat wij op de Middag ten één Uur in de Brandinge raakten, onze Ankers in Zee werpende, brakken de Touwen aan stukkend, en het Schip niet willende na het Roer luisteren, was alle Man aan het werk, om de groote Mast te kappen, terwijl Resolveerde de Bootsmans Maat met een Lijn om zijn Lijf, door de Zee op Strand te zien koomen, dat hem gelukte, en daar de Lijn toen vast gemaakt hebbende, en wij daar onze Handen aanslaande, half Zwemmende en Loopende op Strand geraakten”. Van de 132 bemanningsleden lukt het 127 om veilig het strand te bereiken.
“Vrijlui vrijlui” In Fez leven op dat moment nog 135 andere Nederlandse slaafgemaakten, sommigen al ruim twintig jaar. De nieuwe groep wordt opnieuw ingezet bij graaf- en bouwwerkzaamheden, waarbij kapitein Steenis als opzichter over de Nederlandse slaven was aangesteld. Iedere nieuwe maan ontvangen zij 30 ‘blankieljes’, kleine zilveren muntjes, als slavenloon om daarmee zelf in hun onderhoud te voorzien. Damiaan Hugo Staring heeft twee van deze muntstukjes altijd bewaard. Na een verblijf van ruim tweeënhalve maanden in Fez stuurt de sultan in oktober alle Nederlandse slaafgemaakten in zijn bezit terug naar Tétouan. Op 24 oktober stuurt de gouverneur van de stad bericht naar de gezanten dat hij “van den tegenwoordige Keizer, genaamt Muley Abdallah, Commissie ontfangen had, om die Gevangenen tegens de Gestipuleerde som uit te wisselen, en ook te zien of men over een Vreede kan handelen”.
Gevangen genomen De schipbreukelingen worden gevangen genomen en overgedragen aan de gouverneur van Tétouan, Sidi Mohamet Lucas. Hier wordt de bemanning ondergronds opgesloten en “daagelijks aan een zeer zwaar werk gezet”. Op vrijdag 17 maart arriveert
39
MAROKKAANSE MUNTJES - MET DANK AAN JENNINE STARING | © JENNINE STARING, IN COPYRIGHT
Op zondag 19 november 1752 vinden de laatste
Europees kasteel en de vrijgelaten slaven die bij
onderhandelingen plaats “om te bewerken de herstelling van de Vreede tusschen den Keizer van Marokko en Hooggemelde Heeren Staaten te sluiten, en de Aflossing van den Ed. Heer Capitein H. C. Steenis en 250 Hollandische Slaaven af te lossen voor 130.000 Ryksdaalders is 325.000 Guldens Hollands Geld”. Twee dagen later is het zover. De overdracht vindt op zee plaats. Bootjes met losgeld en die met vrijgelaten slaven steken gelijk over. Onder de 250 vrijgekochte slaven zijn de 108 nog in leven zijnde jongens en mannen van Het Huys in ‘t Bosch. Damiaan hoort daarmee tot de ‘lucky few’ die het daadwerkelijk lukte om uit slavernij te worden vrijgekocht. (2)
aankomst in Amsterdam gehuld zijn in verondersteld Marokkaanse inheemse kledij.
Publicaties In de Republiek heeft men het nieuws over Het Huys in ‘t Bosch en de in slavernij geraakte bemanning met grote belangstelling gevolgd. Geregeld verschenen berichten in kranten en in periodieken zoals de Nederlandsche Jaerboeken. In 1753 verscheen bij Bernardus Mourik te Amsterdam het ‘Journaal wegens de Rampspoedige Reys-Tocht met het oorlogschip genaamt Het Huys in ‘t Bosch gecommandeerd door de Ed: Gestrengen Heer Capiteyn Hendrik Cornelis Steenis’. De publicaties werden levendig geïllustreerd. De afbeeldingen kennen soms ‘fantastische’ en stereotiepe scènes zoals, een woest ‘barbaars’ landschap waarin de slaafgemaakten terechtkomen, het paleis van de sultan als een Middeleeuws
Zie ook Slavenloon voor Damiaan Hugo Staring. Bronnen en verder lezen: (1) A. Staring, Damiaan Hugo Staring. Een zeeman uit de achttiende eeuw (1948), p. 13-16 en Bijlage 1; Journaal wegens de Rampspoedige Reys-Tocht; Nationaal Archief, 1.01.47.21, inv.nr. 258; Nationaal Archief, 2.21.333.01, inv.nr. 163; Nationaal Archief, 1.01.02, inv.nr. 9376. Uit de lijst van 250 vrijgelaten slaven blijken ‘Nederlanders’ oorspronkelijk afkomstig te zijn uit bijvoorbeeld Scandinavische landen en Duitse steden. Damiaan is niet de enige Gelderlander die uit slavernij werd vrijgelaten: Haye Jellis uit Driel, Johannes Cnoetsman uit Zutphen en Gerrit Schouten uit Dodewaard kwamen ook veilig terug naar Nederland. Pieter Harmen Spanker uit Borculo is in Tétouan overleden op 18 maart 1752. (2) Nederlandsche Jaerboeken, inhoudende een Verhael van de Merkwaerdigste Geschiedenissen, die voorgevallen zyn binnen den omtrek der Vereenigde Provintien (uitgegeven bij F. Houttuyn, Amsterdam), zesde en zevende deel 1752-1753. (3) Journaal van de ervaringen van de bemanning van het oorlogsschip “Het Huys in ‘t Bosch” gedurende de Marokkaansche gevangenschap; 20 Dec. 1751 – 22 Nov. 1752. Afschrift in bezit van familie Staring en als bijlage I toegevoegd aan: Staring, p. 128-174. (4) A. Benali en H. Obdeijn, Marokko door Nederlandse ogen, 1605-2005. Verslag van een reis door de tijd (2005), 16-118. (5) R.
Davis, Christian Slaves, Muslim Masters. White slavery in the Mediterranean, the Barbary Coast, and Italy, 1500-1800 (2003). (6) M. van Gelder, ‘Tussen Noord-Afrika en de Republiek. Nederlandse bekeerlingen tot de islam in de zeventiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis 126 nr.1 (2013), p. 16-33. (7) A. de Groot, ‘Ottoman North Africa and the Dutch Republic in the seventeenth and eighteenth centuries’, in: Revue de l’Occident musulman et de la Méditerranée 39 (1985), p. 131-147. (8) F. Rosu, ‘Muslim slaves in early modern Europe: a forgotten history if slavery’, (16 juni 2016). (9) A. Staring, Damiaan Hugo Staring. Een zeeman uit de achttiende eeuw (1948).
© Aschwin Drost, CC-BY-NC
40
Damiaan Hugo Staring: equipagemeester en ondernemer aan de Kaap Sporen van Gelders slavernijverleden in zuidelijk Afrika 1700-1800 | Achterhoek De Wildenborch, Vorden
Het leven van de Gelderse zeeofficier Damiaan Hugo Staring is op verschillende manieren verbonden met slavernij in de tweede helft van de 18e eeuw. Als tiener is hij zelf korte tijd tot slaaf gemaakt, als equipagemeester aan de Kaap de Goede Hoop zijn later tientallen slaafgemaakten onder zijn verantwoordelijkheid op de scheepswerven en in de haven tewerkgesteld. Het Kaapse huishouden van Damiaan en zijn echtgenote Sophia Wynanda Ver Huell telt daarnaast meerdere mensen in slavernij. AMBACHTSKWARTIER EN EQUIPAGEWERF, JOHANNES RACH, CA. 1780 © NATIONAL LIBRARY OF INDONESIA, PDCOPYRIGHT
Equipagemeester Damiaan Hugo Staring (1736-1783) maakt in 1771, na twintig jaar dienst bij de Amsterdamse admiraliteit, de overstap naar de VOC. Hij vertrekt als bevelhebber op het schip de Both naar Batavia. In 1773 krijgt hij tijdens de terugreis met de retourvloot aan de Kaap de Goede Hoop de vacante positie van equipagemeester aangeboden. Een equipagemeester is een ambtenaar die het beheer heeft over scheepsuitrustingen. Staring accepteert onder voorwaarde dat zijn echtgenote Sophia Ver Huell (1749-1794) mag overkomen naar zuidelijk Afrika.
maar zeker ook voor Engelsen, Fransen en andere Europeanen met koloniale belangen in Azië en Oceanië. Schepen van de verschillende koloniale machten worden hier bevoorraad en hersteld, en de bemanningen verzorgd na de lange zeereizen van of naar Europa en Azië.(1) Staring is verantwoordelijk voor de scheepswerf, de havens en aanlegplaatsen van de Compagnie in de Kaapkolonie. Hij is hierbij letterlijk het eerste en laatste aanspreekpunt namens de VOC en de Republiek bij het inspecteren van de binnenkomende en vertrekkende schepen, het afhandelen van douane formaliteiten en contacten met hoogwaardigheids bekleders aan boord.
De VOC-kolonie aan de Tafelbaai geldt voor de VOC ook in de achttiende eeuw als een verversingspost. Het is geen wingewest voor in Europa gewilde producten, maar een scharnierkolonie tussen oost en west, noord en zuid. Niet alleen voor de Nederlanders,
DE TAFELBERG EN KAAPSTAD GEZIEN VANAF DE ZEE, JAN BRANDES, 1787 | © RIJKSMUSEUM, PD
41
Ondernemer Damiaan Hugo Staring is tussen 1774 en 1779 naast hoge VOC-functionaris ook ondernemer en vennoot in een houthandelsfirma. Samen met zijn equipageboekhouder Hendrik Pieter Möller en de oud-burgerraad Jacob Alexander La Fèbre vorm hij het consortium La Fèbre & Co. Het is voornamelijk door deze houthandel dat het vermogen van Staring aan de Kaap toeneemt. Hout is een noodzakelijk, gewild én schaars goed en niet alleen belangrijk voor bouw, scheepsonderhoud en meubelmakerij, maar ook als brandhout voor bak-, steen- en kalkovens, smidsen en werkplaatsen.
Vorden met omliggende landerijen aan te kopen. Op 23 juni 1781 komen de landgoederen daadwerkelijk in eigendom van Damiaan Hugo Staring. Op 18 februari 1782 keren Damiaan en Sophia terug naar de Republiek. Op dezelfde dag begint in de voormalige woning van de vertrekkende equipagemeester de veiling van hun Kaapse bezittingen. De boedelinventaris omvat 32 pagina’s en wordt in het familiearchief op de Wildenborch bewaard. Het is een bijzondere en belangrijke bron. Het laat de rijkdom en verscheidenheid aan eigendommen zien. Onder de verkochte bezittingen zijn elf tot slaaf gemaakte vrouwen, mannen en kinderen. De totale opbrengst van de Kaapse veiling is bijna 25.000 gulden.(3)
De toegang tot buitenlandse schepen die Staring heeft vanuit zijn functie als equipagemeester, zorgt ervoor dat firma’s als die van La Fèbre & Co. de handel met buitenlandse schepen grotendeels in handen hebben en hieruit grote winsten verkrijgen. Het
Damiaan Hugo Staring kan niet lang genieten van het leven op de Wildenborch. Een jaar na zijn terugkeer naar de Achterhoek overlijdt hij op 28 november 1783.
betekent niet dat zij ook in alles (wensen te) handelen. Staring stelt tegenover de Bewindhebbers van de VOC een duidelijke grens bij de handel in mensen. In een officiële verantwoording van zijn handelen aan de Kaap schrijft hij dat hij zich niet inlaat met handel in slaafgemaakten.(2) Het bezit van tot slaaf gemaakte mensen en het inzetten van slavenarbeid is voor hem echter geen probleem.
Hij is een van de vele slachtoffers van een dysenterie-epidemie.
De Wildenborch Staring laat vanaf 1778 zijn Gelderse contacten, de landschrijver Gerrit Smits en Mr. Quirijn Maurits Ver Huell (1718-1788), de vader van Sophia, uitkijken naar een geschikte buitenplaats in Gelderland om zich na diensttijd te kunnen vestigen. In juli 1780 krijgt schoonvader Ver Huell opdracht De Wildenborch bij
(1) Zie de archieven van de VOC, Nationaal Archief Den Haag, toegang 1.04.02, speciaal inv.nrs. 4273-4305; Staring, A., Damiaan Hugo Staring, een zeeman uit de achttiende eeuw (Zutphen 1948); Worden, Nigel (red.), Cape Town between East and West (Hilversum 2012). (2) Nationaal Archief, 1.04.02, inv.nr. 4299. (3) Familiearchief De Wildenborch, Damiaan Hugo Staring, inv.nr. 28, boedelinventaris verkoop Kaapse bezittingen 18 en 19 februari 1782 en begeleidende brief van W. C. Boers en T. Rönnenkamp, d.d. 25 april 1782.
Zie ook Staring en slavernij aan de Kaap de Goede Hoop en 11 tot slaaf gemaakte mensen in de boedelinventaris van Damiaan Hugo Staring. Bronnen en verder lezen:
© Aschwin Drost, CC-BY-NC
42
Staring en slavernij aan de Kaap de Goede Hoop Sporen van Gelders slavernijverleden in zuidelijk Afrika 1700-1800 | Achterhoek De Wildenborch, Vorden
Damiaan Hugo Staring komt in de Kaapkolonie op verschillende manieren in aanraking met slavernij. Als equipagemeester is hij verantwoordelijk voor tientallen tot slaaf gemaakte mensen in eigendom van de VOC. Hij heeft daarnaast meerdere mannen, vrouwen en kinderen als slaaf in persoonlijk eigendom.
op de rede en in de loodsen. Naast dwangarbeiders voor onder meer het laden en lossen van schepen zijn er ook gewapende slaafgemaakten. Deze zogenaamde justitiedienaren gebruikt Staring voor bewaking, toezicht en waterpatrouilles.
De bedrijfsvoering van de VOC was gebaseerd op slavernij. De Compagnie bezit aan de Kaap de Goede Hoop gedurende de achttiende eeuw gemiddeld tussen vijfhonderd en zevenhonderd tot slaaf gemaakte mensen. Het aantal in privaat bezit is beduidend groter, maar ook zij staan direct of indirect vaak ten dienste van de Compagnie. In 1773 zijn er bijna tienduizend slaafgemaakten in privébezit, waarvan ruim zevenduizend mannen. Dit zijn conservatieve cijfers omdat burgers en VOC-functionarissen waar mogelijk proberen de slaafgemaakten in hun bezit buiten de Compagnieboeken te houden. Deze groep slaafgemaakten wordt vooral ingezet in de economie van de stad, op de wijn- en graanboerderijen, maar ook als huisslaven.(1)
geconfronteerd met mensen die als ‘cargo’ arriveren. De verschrikkelijke omstandigheden die hij aan boord van schepen aantreft zullen zijn houding tegenover de handel in mensen hebben bepaald en verklaren zijn uitspraak richting de Heren XVII dat hij “Negotie in menschenvlees fies” vindt.(2)
Damiaan wordt tijdens inspecties en formele bezoeken op binnenkomende schepen
Kaap de Goede Hoop wordt door de regering in Batavia ook als strafkolonie gebruikt. De grens tussen deze gevangenen en slaafgemaakten is dun en er is sprake van een bewuste vermenging. De strafduur van de gevangenen wordt bewust ‘vergeten’, zodat de gevangenen onderdeel worden van de Kaapse slavengemeenschap. Mensen uit deze groep worden regelmatig tewerkgesteld bij VOC-functionarissen. Zo is de Chinees “Kieboeroe by d’ heer Staring” werkzaam, waarschijnlijk in een administratieve rol bij de compagniescheepsboekhouding.
Slavenarbeid rond de equipagewerf De Compagnieslaven worden aan het einde van de achttiende eeuw voornamelijk tewerkgesteld rond de ambachts- en equipagewerf. Damiaan Hugo Staring beschikt als equipagemeester over tientallen tot slaaf gemaakte mannen én vrouwen in en rond de haven,
Slaafgemaakten in het huishouden van Staring Damiaan en Sophia wonen aan de Kaap in de grote ambtswoning van twee verdiepingen op de equipa-
DETAIL PANORAMA TAFELBAAI MET EQUIPAGEWERF, ROBERT JACOB GORDON, 1778 | © RIJKSMUSEUM, PD
43
gewerf. Het echtpaar heeft hier meerdere tot slaaf gemaakte mensen in privébezit. Dit blijkt onder meer uit een inventarislijst met Kaapse bezittingen die na het vertrek van Damiaan en Sophia in 1782 per veiling worden verkocht. Elf mannen, vrouwen en kinderen worden met naam genoemd.(3)
Uit de boedelinventaris weten we dat er meerdere vrouwen én kinderen in het huishouden van Damiaan en Sophia leven. De slaafgemaakten werken in en om het huis en in de stallen. Staring zet hen ook in voor zijn houthandelsfirma La Fèbre & Co. Hierbij kan Staring verder gebruik maken van de onder hem vallende compagnieslaven.
In de veelal zakelijke correspondentie die bewaard is gebleven laat Damiaan zich slechts een enkele keer uit over slavernij. Een goed voorbeeld is de brief van 18 januari 1778, gericht aan zijn zaakwaarnemer, de Achterhoekse landschrijver Gerrit Smits. Als antwoord op het beklag van Smits over de tabaksprijzen in Gelderland, schrijft Damiaan dat hij dit “hier ook tot bloedsweetens toe gewaer” wordt. Hij vervolgt dat het “de loffelijke Caabse gewoonte” is om wekelijks een kwart pond tabak uit te delen aan mannelijke slaafgemaakten. ”Nu hebbe ik 10 mans slaven in huys en in de stal, dat is 2 ½ pond per week”. Per pond kost ”dat gemeene kruijt” Staring 30 stuivers.(4) De anekdote laat meerdere dingen zien: het gebruik van uitdeling van tabak en het feit dat Staring aangeeft dat hij op dat moment tien mannelijke slaafgemaakten in bezit heeft. In de brief worden geen vrouwen genoemd, blijkbaar kregen zij geen tabak van Staring.
Zie ook Damiaan Hugo Staring: equipagemeester en ondernemer aan de Kaap en 11 tot slaaf gemaakte mensen in de boedelinventaris van Damiaan Hugo Staring. Bronnen en verder lezen: (1) Voor slavernij in de Kaapkolonie zie onder andere: Robert Shell, Children of Bondage. A History of the Slave Society at the Cape of Good Hope, 1652-1838 (Hanover 1994) en Karel Schoeman, Portrait of a Slave Society. The Cape of Good Hope, 1717-1795 (Pretoria 2012). Voor Staring en de Kaapkolonie zie verder: Staring, A., Damiaan Hugo Staring, een zeeman uit de achttiende eeuw (Zutphen 1948); Worden, Nigel (red.), Cape Town between East and West (Hilversum 2012). (2) Nationaal Archief, inventaris van de VOC 1.04.02, inv.nr. 4299 (3) Familiearchief De Wildenborch, Damiaan Hugo Staring, inventarisnummer 28, boedelinventaris verkoop Kaapse bezittingen 18 en 19 februari 1782 en begeleidende brief van W. C. Boers en T. Rönnenkamp, d.d. 25 april 1782 (4) Familiearchief De Wildenborch, inventarisnummer 28
© Aschwin Drost, CC-BY-NC
44
Elf tot slaaf gemaakte mensen in de boedelinventaris van Damiaan Hugo Staring Sporen van Gelders slavernijverleden in zuidelijk Afrika 1700-1800 | Achterhoek De Wildenborch, Vorden
Tot slaaf gemaakte mensen zijn ontmenselijkt tot bezit of gebruiksvoorwerp en blijven in de koloniale bronnen vaak onzichtbaar, of worden in de marge weergegeven, als getal en statistiek. In het Staring familiearchief op de Wildenborch worden enkele bijzondere documenten bewaard, waarmee elf tot slaaf gemaakte mensen een naam krijgen.
Ansiela van Bengalen en haar dochter Anna de Coningh zijn wat dat betreft sprekende voorbeelden.
Het betreft de inventarislijst die hoort bij de boedelveiling die plaatsvond op 18 en 19 februari 1782 plus een aparte begeleidende brief en nota door Willem Boers en Tobias Rönnenkamp, gedateerd 25 april 1782. Hieruit blijkt dat Damiaan en Sophia op het moment van hun vertrek naar Gelderland elf mannen, vrouwen en kinderen tot hun bezit rekenden. De verkoop van deze mensen bracht in totaal ruim 25.000 rijksdaalders op.
opvallend misschien, buiten de veiling om. Was dit om samenblijven te garanderen? Dat was namelijk niet vanzelfsprekend. De grootste kans daartoe hadden compagnieslaven, die in principe niet werden verkocht. Slaafgemaakten in private handen waren afhankelijk van de goede wil van de slavenbezitter. Was het hier de wens van Staring, of van Boers en Rönnenkamp, die de veiling en boedelverkoop regelden? Of juist van de kopers?
Elf mensen met een naam Wie waren deze elf mensen? Het is vaak moeilijk hierop een antwoord te vinden. Tot slaaf gemaakte mensen zijn veelal alleen om administratieve redenen in de Kaapse VOC-stukken vastgelegd, als aantal en lang niet altijd met een naam, als mens. Daarnaast gebeurde veel buiten de officiële compagniecijfers om. Zeker bij slaafgemaakten in privébezit, zoals hier bij de vertrekkende equipagemeester Staring, waar ‘uit de hand’ en per veiling slaafgemaakten zijn verkocht. We zijn daarbij afhankelijk van wat toevalligerwijs bewaard gebleven is.
Achilles en Rosina zijn voor 500 rijksdaalders verkocht aan Andreas Lutgerus Kolver, de Lutherse predikant in de stad. Philis en Silvia zijn verkocht aan de nieuwe equipagemeester Justinus van Gennep. Hij betaalde 400 rijksdaalders voor de “slavenjongen ende meid”. Zij waren echter geen kinderen, maar volwassenen. ‘Jongen’ en ‘meid’ is algemeen jargon bij het beschrijven van slaafgemaakten. Marin en Rosetta zijn verkocht aan Tobias Christian Rönnenkamp, Raad van Justitie en secretaris van de Weeskamer. Voor Marin betaalde hij 3331/3 rijksdaalders, voor Rosetta 200 Rijksdaalders.(1)
Soms is aanvullende informatie te vinden in de dagregisters en resoluties die door het Kaapse bestuur zijn vastgelegd. Ook zijn er testamenten en gerechtelijke stukken die een inkijkje kunnen geven in het leven van de slaafgemaakte: een akte van verkoop of juist vrijlating. Een rechtszaak of een erfenis. Een doop-, trouw- of eigendomsakte als een vrij mens.
Mensen per veiling verkocht In de Kaapse boedelinventaris staan tussen een schrijftafel en een koperen theemachine nog vijf mensen vermeld die als slaaf per veiling zijn verkocht. Het gaat om Louise van Bengalen en haar twee aan de Kaap geboren zoontjes Mentor en Spadille. Zij zijn voor 501 rijksdaalders verkocht aan Jan Coenraad
Drie stellen ‘uit de hand’ verkocht Uit de documenten in het familiearchief blijkt dat onder de slaafgemaakten van Staring drie stellen waren. Trouwen mochten tot slaaf gemaakte mensen niet aan de Kaap. Zij zijn als koppel verkocht, en,
45
Hessenbosch, ”baas en opsigter over de metselaars en steenhouwers by het hospitaal”. Hij kocht ook de vrouw Ranise van Bengalen voor 302 rijksdaalders. Tenslotte is January van Mosambique voor 270 rijksdaalders verkocht aan een ”man” genaamd Munnik.(2) Vorige en latere levens De levens van de elf mensen in eigendom van Staring blijven vooralsnog grotendeels in nevelen gehuld. Van geen van hen is bekend hoe zij in het bezit van Staring kwamen. Zijn zij bewust gekocht of vormden ze onderdeel van de inboedel bij zijn intrek in de equipagewoning? Van geen van de slaafgemaakten is een geboortejaar of -datum bekend. Van sommigen kan – onder voorbehoud – een land van herkomst worden afgeleid, zoals bij Louisa van Bengalen. Bij haar zoons wordt expliciet de vermelding “bijde van de Caab” gemaakt. Alleen in een testament van Tobias Rönnenkamp uit 1793 is mogelijk houvast gevonden voor het latere leven van een van de slaafgemaakten. Er wordt melding gemaakt van Rosetta, die dan nog in zijn bezit is. Zij wordt nu na zijn dood opnieuw verkocht. Marin wordt niet genoemd in het testament. Een voorbehoud is op zijn plaats, want het is niet zeker dat het om dezelfde Rosetta gaat, of om een andere tot slaaf gemaakte vrouw met die naam.(3)
BOEDELINVENTARIS VERKOOP KAAPSE BEZITTINGEN MET SLAAFGEMAAKTEN | © PD
Zie ook Damiaan Hugo Staring: equipagemeester en ondernemer aan de Kaap en Staring en slavernij aan de Kaap de Goede Hoop. Bronnen en verder lezen: (1) Staring Familiearchief De Wildenborch, inventarisnummer 28, Brief van W. C. Boers en T. C. Rönnenkamp, met aparte nota, gedateerd 25 april 1782. (2) Inv. nr. 28, Boedelinventaris verkoop Kaapse bezittingen 18 en 19 februari 1782. (3) Cape Archives, Master’s Office and Orphan Chamber (MOOC) 8/46.28, 16 mei 1793.
NOTA BIJ BRIEF OVER VERKOOP ACHTERGELATEN GOEDEREN EN SLAVEN | © PD
© Aschwin Drost, CC-BY-NC
BRIEF UIT FAMILIEARCHIEF STARING | © PD
46
Een Zevenaars-Doesburgs gezin aan de Kaap de Goede Hoop Sporen van Gelders slavernijverleden in zuidelijk Afrika 1600-1700 | Arnhem e.o. Zevenaar hoek Kerkstraat-Enghuizen
Het gezin van Jan van Herwerden en Jannetje Boddijs en haar dochters Christina en Petronella Does uit een eerder huwelijk, markeert een omslagpunt voor de Kaap van verversingspost naar kolonie. De mannen/echtgenoten vervullen belangrijke functies in het bestuur en de vrouwen geven vorm aan de eerste generatie van Kaapse koloniale elite, als ondernemers en landbezitters.
Jan van Herwerden (...-1659) is geboren in Zevenaar binnen een plaatselijke bestuurdersfamilie. Hij dient als ruiter in het Staatse leger onder prins Frederik Hendrik tijdens de Tachtigjarige en Dertigjarige Oorlog. Binnen het militaire milieu leert hij de Doesburgse Jannetje Boddijs (ca. 1620-...) kennen. De twee treden in 1647 in Nijmegen in het huwelijk, waar Van Herwerden op dat moment mogelijk gestationeerd is. Beiden hebben
Het Zevenaars-Doesburgse gezin valt daarnaast op door relatief grootschalig bezit van tot slaaf gemaakte mensen.
dan al kinderen uit eerdere huwelijken.
KAAP DE GOEDE HOOP, JAN JOHANNES VINGBOONS: NL-HANA_4.VELH_619.37
47
Onmisbaar voor de VOC In 1653 vertrekt Jan van Herwerden in dienst van de VOC naar zuidelijk Afrika. Hier blijkt hij al snel onmisbaar voor Jan van Riebeeck bij het opzetten en verdedigen van de koloniale verversingspost. Hij wordt sergeant-bevelhebber van het garnizoen en is bouwmeester en opzichter over alle werken, ambachten en landbouwactiviteiten. In maart 1656 krijgt Jannetje Boddijs toestemming zich bij haar man te voegen. Zij vertrekt met haar oudste tienerdochter Christina Does (1638-1703) naar de Kaap, terwijl jongste dochter Petronella Does (ca. 1640-...) vooralsnog achterblijft in de Republiek.(1)
Nadat Jan van Herwerden in 1659 onverwacht na ziekte overlijdt, krijgt Jannetje van de VOC een stuk land naast de Compagniestuin. Zij bezit op dat moment ook een woonerf aan het fortplein. Jannetje hertrouwt in 1661 met de Duitse compagnieboekhouder Jochum Blanck. Haar twee dochters trouwen aan de Kaap met vooraanstaande mannen. Christina Does trouwt in 1658 met de welvarende vrijburger, ondernemer en latere burgerraad Elbert Diemer. Dat jaar krijgt ook jongste dochter Petronella Does toestemming om naar de Kaap te komen. Zij treedt in 1662 in het huwelijk met Abraham Gabbema die hoge bestuurlijke functies bekleedde in de Kaapkolonie.
Eerste kolonistenfamilie Jannetje en haar dochter zijn zo doelbewuste immigranten in de koloniale verversingspost aan de Kaap. Alle mannen zijn op tijdelijke contractbasis in dienst van de VOC aan de Kaap gestationeerd.
Grootschalig slavenbezit De Doesburgse dames vallen in de vroege jaren van Kaapse slavernij al op door relatief grootschalig slavenbezit. De monsterrol van 1664 vermeldt dat Jannetje Boddijs op dat moment zeven en haar
Sommige functionarissen, waaronder Jan van Riebeeck, waren met vrouw en kinderen naar hun tijdelijke post uitgereisd. Jannetje wordt ondernemer aan de Tafelbaai en krijgt toestemming om een herberg te beginnen.(2) Daarnaast mag zij varkens houden en een stuk land achter het fort beplanten met groenten. De leden van het Zevenaars-Doesburgse gezin van Jan en Jannetje zijn voorlopers van de vrijburgerboeren die in de volgende jaren toestemming krijgen om zich als pachters in de Liesbeekvallei te vestigen. Zij bouwen als kolonisten letterlijk aan het ontstaan van de vrijburgernederzetting buiten het fort die zou uitgroeien tot het latere Kaapstad.
dochter Petronella acht slaafgemaakte mannen, vrouwen en kinderen bezat.(3) Hieronder zijn Ansiela van Bengalen en Anna de Coningh, die Petronella en haar echtgenoot in 1662 hadden overgenomen van Jan van Riebeeck. Het feit dat al deze slaafgemaakten worden genoemd als bezit van vrouwen lijkt te benadrukken dat het om privé gehouden slaven gaat, en niet om slaafgemaakten in dienst van de VOC of toegewezen aan de echtgenoten uit hoofde van hun functie van de echtgenoten. Zowel Jochum Blanck als Elbert Diemer zijn veelvuldig betrokken bij transacties van tot slaaf gemaakte mensen.
DETAIL MONSTERROL 1664 (AANTAL SLAAFGEMAAKTEN IN PRIVÉBEZIT VAN MOEDER EN DOCHTER PETRONELLA EN JANNETJE) NL-HANA_1.04.02_3998
48
Wanneer Abraham Gabbema in 1666 wordt over geplaatst naar Batavia gaat niet alleen zijn echtgenote Petronella Does, maar ook haar moeder Jannetje Boddijs met haar Kaapse kinderen mee naar de Indonesische archipel. Christina Does is dan nog de enige Doesburgse aan de Kaap. Met haar echtgenoot Elbert Diemer krijgt zij zes kinderen. Na zijn dood hertrouwt Christina in 1689 met de uit Rhenen afkomstige luitenant Adriaan van Reede. Christina overlijdt in 1703. Haar boedelinventaris laat zien dat Christina bijzonder welgesteld is geweest en meerdere bezittingen in de nederzetting en in de Tafelvallei telde. Daarnaast laat zij 25 tot slaaf gemaakte mannen, vrouwen en kinderen achter.(4) Bronnen en verder lezen: (1) Voor het Zevenaars-Doesburgse gezin en hun tijd aan de Kaap zie: Schoeman, Karel, Kolonie aan die Kaap. Jan van Riebeeck en die vestiging van die eerste blankes, 1652-1662 (Pretoria 2010); Schoeman, Karel, Burgers en amptenare. Die vroeë ontwikkeling van die kolonie aan die Kaap, 1662-1679 (Pretoria 2011). Koloniale bronnen, waaronder dagregisters, resolutie en monsterrollen zijn online te raadplegen via: Nationaal Archief Den Haag, Archieven van de Verenigde Oost-Indische Compagnie 1.04.02, inventarisnummers vanaf 3988: https://www. nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.04.02/invnr/3988.
Zie ook First Fifty Years, a project collating Cape of Good Hope records: www.e-family.co.za. (2) Resolutie 30 september 1656, besluit genomen en getekend door drie Gelderlanders: Jan van Riebeeck, Roeloff de Man en echtgenoot Jan van Herwerden. NA, VOC toegang 1.04.02, inv.nr. 3991. (3) NA, VOC toegang 1.04.02, inv.nr. 3998. (4) Inventories of the Orphan Chamber of the Cape of Good Hope, MOOC 8/1.74. Transcriptie beschikbaar via: http://www.tanap.nl/content/ activities/documents/index.htm.
RESOLUTIE 30 SEPTEMBER 1656 (ONDERSTE HELFT SCAN: JANNETJE BODDIJS KRIJGT TOESTEMMING OM EEN HERBERG TE BEGINNEN, BESLUIT GENOMEN EN ONDERTEKEND DOOR DRIE GELDERLANDERS, WAARONDER HAAR ECHTGENOOT) NL-HANA_1.04.02_3991
© Aschwin Drost, CC-BY-NC
49
Plantage Arnhem Albertus Lippert wordt eigenaar van plantage Arnhem 1700-1800 | Achterhoek Markt 2, Zevenaar
Albertus Lippert (1700-1767) is geboren in een katholieke familie uit Zevenaar, dat toen onderdeel was van het Hertogdom Kleef. In 1700 wordt hij gedoopt in de Katholieke Kerk in Zevenaar. Hij trouwt in 1729 in Suriname met Geertruid Tobiasse. Zij is geboren in 1692 in Suriname op plantage Chattillion en weduwe. Lippert wordt daardoor direct mede-eigenaar van deze plantage. Lippert is ook lid van de Raad van Politie en Criminele Justitie in Suriname. In 1737 komt de plantage Arnhem aan de Cotticarivier op zijn naam te staan. Dat Lippert een band heeft met de stad Arnhem in Nederland blijkt uit een aantal verkoopaktes tussen 1758 en 1762 en een testament dat hij vanuit Suriname in 1765 in Arnhem laat opmaken. © Else Gootjes, CC-BY-NC
EERSTE PAGINA VAN HET TESTAMENT DAT LIPPERT IN 1765 IN ARNHEM LAAT VASTLEGGEN, DIT TESTAMENT WAS EERDER OPGEMAAKT IN SURINAME IN 1730. LIPPERT MACHTIGT DE HEER OPTEN NOORTH HET TESTAMENT IN ARNHEM TE REGISTEREN
50
BOERDERIJ HET ENSERING, 1807-1860 | © QUIRIJN MAURITS RUDOLPH VER HUELL, COLLECTIE GELDERS ARCHIEF - PD
Maurits Ver Huell - Marineofficier, tekenaar en schrijver Drie vrouwen in de Indonesische archipel volgens Maurits Ver Huell 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg (familiegraf / monument).
Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell (Zutphen, 11 september 1787 – Arnhem, 10 mei 1860) is de oudste zoon van mr. Everhard Alexander Ver Huell (1759-1829) en Anna Aleida Staring (1768-1810). Hij groeide op in Zutphen, Doesburg en op de landelijke buitenplaats Enserink. Als kind had hij al een grote passie voor natuur en tekenen.
Verschillende familieleden uit de twee belangrijke Gelderse patriciërsgeslachten Ver Huell en Staring waren bestuurlijk actief in Gelderland. Zowel de vader als beide grootvaders van Maurits waren burgemeester in Zutphen, Doetinchem en Doesburg. De families hadden daarnaast generaties lang binding met de VOC en marine. Ook voor Maurits Ver Huell