MO3a. bijlage - Publicatie-Sporen-van-Slavernijverleden-in-Gelderland-2022-2.pdf
Tekst van het document
Sporen van slavernijverleden in Gelderland
INTERACTIEF DOCUMENT Open bij voorkeur dit document in Acrobat Reader, hier gratis te downloaden. De inhoudsopgaven zijn interactief, doormiddel van een muisklik op de verschillende hoofdstukken kun je navigeren door het document. Via het symbool kom je telkens terug bij de inhoudsopgave van de desbetreffende regio. Onderstreepte woorden/zinnen linken door naar websites.
Inhoud Inleiding
3
Achterhoek en omgeving
8
Arnhem en omgeving
82
Rijk van Nijmegen
138
Rivierengebied
155
Veluwe
177
Termenlijst
197
Colofon
200
2
Inleiding De slavernijgeschiedenis die gepaard ging met veel vernederingen achtervolgt de Curaçaoënaar in de huidige tijd nog altijd. Interview met Marlene Melfor uit Arnhem 2019, geboren en opgegroeid in Curaçao.
Wij denken dat wij in Gelderland ( … ) op ordentelijke wijze na ons fatsoen … gerust en stil kunnen leven, waar ik van geen slaven kan geplaagd worden. God zij geloofd…’ Brief vanuit Batavia (nu Jakarta) van dominee Johannes Wentinck en echtgenote Johanna Cruypenning 1735.(1) Gelderland en slavernijverleden Deze citaten uit een hedendaags interview met een Arnhemse en uit een achttiende eeuwse brief uit Batavia tonen direct het verband tussen Gelderland en slavernij. Al in 1594 vervoerde de Zutphense koopman Heyndrick Dirrecksen Jolinck slaafgemaakten in een schip: “een berck vol slaven”. Deze slavenhandel was georganiseerd vanuit Portugal om in Kaapverdië de arbeid op de suikerplantages te laten verrichten.(2) Slavernij was één van de pijlers van kolonialisme, dat begon met ruilhandel maar overging in (land-)roof, en steevast gepaard ging met geweld. Het machtscentrum van de langdurige en ingewikkelde koloniale geschiedenis lag in het christelijke Europa. Sporen daarvan vinden we niet alleen terug in de voormalig gekoloniseerde gebieden in Amerika, Afrika en Azië maar ook in Nederland en hier in Gelderland. Alleen al het feit dat in het Gelderland van nu mensen wonen die het slavernijverleden als nazaat van tot slaaf gemaakten, of juist van slaven-eigenaren met zich meedragen, is voldoende reden voor aandacht aan deze geschiedenis.
Gelderse bewindhebbers Geen van de Gelderse steden had een Kamer van de West Indische Compagnie (WIC) of de Verenigde Oost Compagnie (VOC). Vanaf het begin van de 17de eeuw zijn verschillende Gelderse bestuurders wel bewindhebber bij de Rotterdamse en Amsterdamse Kamer van de WIC. Dankzij investeringen konden ze bewindhebber worden, daarna profiteerden ze van de koloniale handel en slavernij. Gelderse buitenhuizen als Ampsen, Middachten, De Cannenburch en Rosendael werden verbouwd, mede met geld dat in de koloniën was verdiend, waarbij meestal gebruik werd gemaakt van slavernij en dwangarbeid. Daar werkten soms ook Afrikaanse bedienden die in slavernij waren geboren. We kennen hen van de familieportretten in de kastelen of uit archieven. Van slechts een enkeling is de naam bekend. Niet weg te denken In archieven is veel te vinden over Gelderse slaveneigenaren die in 1863 bij de afschaffing van de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen compensatie kregen voor het verlies van hun bezit van slaafgemaakten. Terwijl de vrijgemaakten in Suriname niet alleen nog tien jaar onder contract moesten werken op plantages maar ook achterbleven zonder enige genoegdoening of opleiding. De gecompenseerden woonden door heel Gelderland. De provincie was ook aantrekkelijk voor Nederlandse handelaren, bestuurders, dominees, die terugkeerden uit de koloniën.
Die er huizen met klinkende namen als Djoerang of Soekaboemi lieten bouwen. Koloniale geschiedenis is evenmin weg te denken uit de militaire kant van Gelderland. Het
3
Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger had kazernes en tehuizen in Bronbeek, Harderwijk en Nijmegen. De Nijmeegse vierdaagse is voortgekomen uit de marsen van de koloniale reserve.(3) Slavernij en het koloniale rijk van Nederland Vanaf 1600 breidde de handel vanuit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zich uit over de wereldzeeën. De kooplieden die al in Spanje en Portugal waren gevestigd, stonden daarbij vooraan. De tachtigjarige oorlog (1586-1648) begon omdat de Nederlanden zich wilden bevrijden van de ‘Spaanse tirannie’ onder koning Filips II, die de Nederlanders ‘aan een volledige slavernij zou onderwerpen’.(4)
NEDERLAND EN HET KOLONIALE RIJK, WIKIMEDIA COMMONS DOOR RED4TRIBE - CC BY-SA 3.0
Republiek dominant De VOC en de WIC voeren met bewapende schepen in konvooi, om de oorlog tegen Spanje en Portugal op zee te voeren en te financieren door handel en het kapen van vijandelijke schepen- ook schepen met slaafgemaakten aan boord. Kort na de verovering van de zilvervloot (1628) op de Spanjaarden, kreeg graaf Maurits van Nassau Siegen van de WIC de opdracht om Brazilië en het fort Elmina aan de Afrikaanse kust te veroveren. Zo werd de Republiek gedurende dertig jaar in het midden van de zeventiende eeuw de dominante factor in de trans-Atlantische slavenhandel. Curaçao was een belangrijk knooppunt in die handel. Ook in zuidelijk Afrika en gebieden rond de Indische oceaan ging de handel vanaf het begin gepaard met handel in mensen en slavernij. Slaafgemaakten bouwden de forten en verbouwden de handelsproducten in een systeem van georganiseerde werkkampen – bekend als plantages. Zij werden als bezit beschouwd van de compagnieën of van de privé-eigenaren van plantages. Koloniën en plantages Vanuit de forten voerden de VOC en WIC namens de Republiek oorlog tegen andere Europese handelsnaties en tegen de inheemse bevolking. Langzamerhand ontstonden zo de koloniën onder Nederlands bestuur en met Nederlandse wetgeving, gemaakt in Den Haag exclusief door Europese mannen met stemrecht op grond van bezit.
In de achttiende en negentiende eeuw investeren de rijke kooplieden in de Republiek via negotiatiefondsen in plantages in de koloniën, zowel in Nederlands-Indië als in Suriname. De eigenaren van de plantages woonden hier, zij benoemden directeuren en administratiekantoren om de ‘zaken’ daar te regelen – inclusief de in- en verkoop van mensen, die het werk moesten doen. Uit de negotiatiefondsen kwamen handelsbanken voort, die tot op de dag van vandaag bestaan.
4
Einde van de slavernij? Onder druk van Engeland werd in 1814 de slavenhandel officieel afgeschaft, maar illegaal ging de handel door met zogeheten lorrendraaiers, met smokkelschepen.(5) Het verhaal van de Belanda Itam, de KNIL soldaten, die de opstanden in de koloniën moesten neerslaan, laat zien er sprake was van slavernij bij de werving van soldaten. Op Java en Madura werd slavernij in 1860 afgeschaft, maar op Bali pas in 1877 en 1884 en op Lombok in 1901, terwijl het in 1913 nog bestond op Celebes en Borneo.(6) In Suriname en de Antillen werd in 1863 de slavernij officieel afgeschaft, maar pas echt in 1873. Slavernij werd vervangen door een systeem van contractarbeid, dat vergelijkbare omstandigheden kende, door onder meer de zogeheten poenale sanctie in de “koelie-ordonnantie van 1880”, die ondernemers verregaande bevoegdheden gaf om arbeiders in hun vrijheid te beperken: contractarbeiders mochten volgens de wet de onderneming niet verlaten, ook niet met speciale toestemming.
Elke vorm van protest werd in de kiem gesmoord: als de eigenaar vond dat iemand ‘lui’ of ‘brutaal’ was mocht hij hem (laten) bestraffen met opsluiting of lijfstraffen, - deze strafvorm heette ‘poenale sanctie’ en werd pas rond 1932 afgeschaft.(7) Alle complexe samenlevingen kennen slavernij, ook nu in de hele wereld slavernij verboden is, komt het nog veel voor, anno 2022 naar schatting onder veertig miljoen mensen. De slavernijgeschiedenis van Nederland heeft bijgedragen tot structurele verschillen in welvaart over de wereld en is mede verantwoordelijk voor een specifieke vorm van racisme. Daarom is het belangrijk die geschiedenis te kennen. Onderzoek Sporen van slavernijverleden in Gelderland In 2020 startte het onderzoek naar Gelderse sporen van slavernij, een initiatief van Erfgoed Gelderland. De Radboud Universiteit en nazaten van slaafgemaakten en marrons deden hieraan mee. Met het Nederlandse slavernijverleden wordt bedoeld slavernij in de Amerika’s, zoals het vroegere Nieuw Amsterdam, Brazilië, Suriname of Curaçao, en ten tijde van het bewind van de VOC in Azië en zuidelijk Afrika in de periode tussen grofweg de zeventiende en de negentiende eeuw. Sporen Slavernijgeschiedenis onderzoeken betekent kritisch omgaan met koloniale bronnen. Die zijn steevast gemaakt vanuit het perspectief van de machthebbers, van de slavenhandelaren, bestuurders of bewindhebbers.
Slaafgemaakte mensen worden niet bij naam genoemd, en/of dragen namen die door slavenhouders zijn gegeven. De ‘sporen’ die we letterlijk op de kaart zetten bestaan uit kleine stukjes in bronnen, in de naam van een plek of in herinneringen van mensen. Je moet er iets van weten om het te herkennen en dan actief andere gegevens erbij zoeken en plaatsen om tot één verhaal te kunnen komen. Met snippertjes informatie uit archieven en verhalen moest bijvoorbeeld het leven van Anna van Vossenburg worden getekend. De informatie was niet van haar zelf afkomstig, of van privé spullen, tekeningen of brieven. Via de ogen van de mensen die haar tot slavin hadden bestempeld en als hun bezit gebruikten en beschouwden, alleen zo weten we iets over Anna. In de afgelopen jaren kwamen er door onderzoek en door persoonlijke verhalen steeds meer sporen naar boven, plekken in Gelderland die een connectie hebben met het slavernijverleden. Historici en studenten diepten die op uit (persoonlijke) archieven en collecties van musea en buitenhuizen. Gedurende het project is er elke maand een spoor van slavernijverleden op mijngelderland.nl gepubliceerd en zijn er ongeveer 60 Gelderse sporen op mappingslavery.nl geplaatst. In het onderzoek stuitten de onderzoekers op termen die misschien minder bekend zijn bij het publiek.
Daarom is achterin deze publicatie een termenlijst opgenomen met veel voorkomende termen rondom onderzoek naar sporen van slavernijverleden.
5
Startbijeenkomst Op de startbijeenkomst van het Sporen van Slavernij Gelderland kwamen zestien mensen, die zich op de een of andere manier betrokken voelen bij het onderwerp slavernij bijeen in Arnhem. “Slavernijverleden moet je voelen”, zei een van de deelnemers, “het zit in de mensen. Dat element haal je niet uit het lezen van papier”. Iedereen bracht iets persoonlijks naar voren en verbond dat met het slavernijverleden. Een Sarammacaans woordenboek, een theatervoorstelling, research voor een roman, kunst en boeken van thuis, kwasibita (bitterhout) en een korjaal (kano), familiefoto’s, Anansiverhalen, maskers, verhalen van oma’s en opa’s en liedjes uit je jeugd, bleken ook over de slavernij te gaan’. Met gesprekken, muziek, dans, toneel, kunst het bewustzijn over het verleden vergroten, aan dat doel werkten we de afgelopen twee jaar met het project ‘Sporen van slavernijverleden in Gelderland’. Andere initiatieven Het onderzoek voor sporen van slavernijverleden in Gelderland was ook een bron voor andere publicaties en initiatieven. Farida Nabibaks maakte twee voorstellingen met als thema Schitterende Schaduw: “Margaretha” en “Anna”. In samenwerking met Museum Bronbeek, het Afrikamuseum en Rozet, organiseerden we een (online) lezingencyclus. Ook maakte het project deel uit van de eerste publieke keti koti-herdenking in Arnhem in 2021.
De bustour langs drie kastelen die verband hebben met slavernijgeschiedenis was meteen uitverkocht en kreeg veel waardering van de deelnemers. De stad Arnhem heeft ons gevraagd vanaf het najaar van 2022 onderzoek te doen naar het slavernijverleden. Een aantal (Gelderse) musea en culturele instellingen zoals het Afrika Museum, het Jan van Riebeeckmuseum, Museum Nijkerk en The Black Archives maakten gebruik van de sporen in tentoonstellingen of in lesmateriaal voor scholen.
CAST VAN SCHITTERENDE SCHADUW, VAN LINKS NAAR RECHTS: FARIDA NABIBAKS, ROHIET THON POEN GIE, YARA VAN FREIJENHOVE, JITS AGEMA (13 JAAR GASTROL), TIEMO WANG EN DAVID MACKOR (LUIT) | FOTO DANIELLE CORBIJN
6
Een begin De Gelderse sporen zijn geordend per regio Achterhoek, Arnhem, Nijmegen, Veluwe en Rivierenland. Persoonlijke verhalen zijn door de regio’s heen geweven. De sporen van slavernijverleden in Gelderland maken deel uit van een gedeelde culturele erfenis. Met deze bundeling maken we het slavernijverleden in Gelderland zichtbaar. Het is zeker geen complete verzameling; er zijn veel aanknopingspunten om nieuwe sporen te onderzoeken en beschrijven. Deze publicatie is het startpunt om dit verleden van Gelderland op de kaart te zetten en met andere ogen te kijken naar deze geschiedenis. Juli 2022, Aschwin Drost, Barbara Esseboom, Dineke Stam, Else Gootjes, Ineke Mok, Marc Wingens
Bronnen: (1) Noord Hollands Archief, Valkenburg 1571. inv nr 559. Brief uit Batavia 13 oktober 1735 (2) De Groene Amsterdammer, 30 juni 2022 jrg 146, nr 26. De vroegste slavernij, deel 2 https://www.groene.nl/artikel/jongens-van-goedenbegrijpeDe Groene Amsterdammer, 30 juni 2022 jrg 146, nr 26. De vroegste slavernij, deel 2 https://www.groene.nl/artikel/jongens-vangoeden-begrijpe (3) Met dank aan Peter Bouman’s Nieuwsbrief Indisch Netwerk 12 juli 2022, die verwijst naar Clemens Verhoeven, Het vergeten korps. De geschiedenis van de koloniale reserve (zie https://geschiedenis-winkel.nl/p/het-vergeten-korps/) (4) Aldus de apologie van Willem van Oranje in 1580, zie Stephanie Archangel, ‘Was de Tachtigjarige Oorlog een overwinningsverhaal?’, Essay uit het boek “80 jaar oorlog” van het Rijksmuseum. https://historiek.net/was-de-tachtigjarige-oorlog-een-overwinningsverhaal/83181/ (5) http://www.paesie.nl/lorrendrayen.html (6) https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB19:000553007:mpeg21:a00048, De Expres, 27 juli 1913 (7) R. Hoefte, Indenture in the Long Nineteenth Century, in: Cambridge World History of Slavery, pp. 610-632, esp. 630-31
7
Achterhoek en omgeving
8
Inhoud Slavernijverleden in Gorssel: vier verhalen
11
Hoofdstraat 27, Gorssel Bathmenseweg 16, Gorssel Bathmenseweg 16, Gorssel Laan van Eschede, Gorssel
In Elmina voel je de pijn door de muren heen Persoonlijk verhaal
Boeroes uit Gelderland: Arend van den Brandhof in Terborg
20 22
Algemene Begraafplaats, Silvoldseweg 64 Terborg
Kasteel Vorden
23
De Horsterkamp 8, Vorden
Huis het Hassink
24
Hassinklaan, Epse
Gecompenseerden uit Hummelo: Anna Maria Schas (1800-1891)
25
Kasteellaan 1, Hummelo
Suriname en een koperslagerij uit Aalten
27
Peperstraat 4, Aalten
Leven op een kasteel: plantage-eigenaren rentenier in Gendringen
31
Zwanenburgseweg 2, Megchelen
Gecompenseerden en plantage-eigenaren uit Doesburg
33
Veerpoortstraat, Doesburg
Slavenloon voor Damiaan Hugo Staring
36
De Wildenborch, Vorden
Tot slaaf gemaakt in Marokko
39
De Wildenborch, Vorden
Damiaan Hugo Staring: equipagemeester en ondernemer aan de Kaap
41
De Wildenborch, Vorden
Staring en slavernij aan de Kaap de Goede Hoop
43
De Wildenborch, Vorden
Elf tot slaaf gemaakte mensen in de boedelinventaris van Damiaan Hugo Staring
45
De Wildenborch, Vorden
Een Zevenaars-Doesburgs gezin aan de Kaap de Goede Hoop
47
hoek Kerkstraat-Enghuizen
Plantage Arnhem
50
Markt 2, Zevenaar
Maurits Ver Huell - Marineofficier, tekenaar en schrijver
51
Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg
Nederland en Banda
54
Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg
Roosje in de herinneringen van Maurits Ver Huell
56
Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg
Ida Magdalena en muskaatnotenperken
58
Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg
Christina Martha Tiahahu en Maurits Ver Huell
60
Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg
9
Pahlawan nasional Martha Christina
62
Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg
De Pattimura-oorlog, strijd voor vrijheid
64
Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg
Maurits Ver Huell als bron voor de Pattimura-oorlog
66
Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg
Christiaan van Molhoop (rond 1733-1816) en Kasteel Ampsen
68
Laan Ampsen 8a, Lochem
Amsterdam, op de Zierikzee en naar Demerara
70
Laan Ampsen 8a, Lochem
Londen: In dienst bij baron van Nagell
72
Laan Ampsen 8a, Lochem
Valet op kasteel Ampsen
74
Laan Ampsen 8a, Lochem
Ozias Humphry’s originele pastel van Christiaan
76
Laan Ampsen 8a, Lochem
Asueer Jacob baron Schimmelpenninck van der Oije (deel 1)
78
Persoonlijk verhaal
Asueer Jacob baron Schimmelpenninck van der Oije (deel 2) Persoonlijk verhaal
10
80
Slavernijverleden in Gorssel: vier verhalen De verhalen van Gorssel begonnen met een naam: Christiaan van Gorssel. Een naam die deed vermoeden dat het hier om iemand ging die ooit in slavernij had geleefd en bij zijn doop een topografische naam had gekregen. Wat was zijn geschiedenis? En kende Gorssel soms meer inwoners die op een of andere wijze een connectie hadden met slavernij? Inderdaad, er woonde een slavenhouder uit Demerary, die bij de afschaffing van de slavernij aldaar werd gecompenseerd. Een slavenhoudster die, wonend in Gorssel, in Suriname mensen in slavernij gevangen hield en voor hen compensatie ontving toen zij in 1863 werden vrijverklaard. En dan was er nog een familie, met al twee generaties Surinaamse plantage-eigenaren.
Christiaan van Gorssel uit ‘de Oost’ Ouders niet bekend 1800-1900 |
Achterhoek
Hoofdstraat 27, Gorssel
Op Paaszondag 1818 werd in de hervormde kerk van Gorssel de kleermakersgezel uit ‘de Oost’, die tot dan toe bekend was onder de naam Nuncius Houtman of Zoutman, na belijdenis gedoopt. Bij deze gelegenheid kreeg hij de naam Christiaan van Gorssel. In het doopregister ontbreken de namen van getuigen maar ook de namen van zijn ouders; kennelijk waren die niet bekend. Zijn leeftijd moest worden geschat: ongeveer eenentwintig jaar. Een jaar later huwde Christiaan van Gorssel in dezelfde kerk met Adriana Fettelaar, ‘boerenmeid’ en dochter van een veldwachter.
Batavia Verklaringen van getuigen voorafgaand aan Christiaans huwelijk bevestigen dit vermoeden en geven in combinatie met enige andere documenten een inkijkje in zijn leven.(2) Nuncius was de bediende geweest van Jan Harris. Met hem was hij in 1804 en mogelijk eerder vanuit Batavia naar Nederland gekomen. In 1804 logeerden ze in het Oude Zijds Heerenlogement te Amsterdam, zoals vermeld in de huwelijkspapieren van Jan Harris, die trouwt met Margretha Geertruid Chevalier.(3) Nuncius was toen niet ouder dan acht jaar, Jan Harris negentien. Jan Harris schreef zich in als burger van Zutphen.(4) In 1805 betrok het kersverse echtpaar met Nuncius het huis op de Meeuwenberg te Voorst. Datzelfde jaar schreven Harris en Chevalier zich in als lidmaat van de kerk te Voorst, waar ook hun eerste kind werd gedoopt.(5)
Vrij van slavernij Dat de ouders en de leeftijd van Christiaan onbekend zijn, maar vooral dat hij bij zijn doop de naam Christiaan van Gorssel kreeg, doet vermoeden dat hij niet als vrij persoon, maar als slaafgemaakte in Nederland terecht was gekomen; de doopnaam Christiaan in combinatie met een topografische achternaam kregen meer (jonge) mannen die als slaafgemaakte waren meegenomen uit de koloniën, zoals Christiaan van der Vaart uit Haarlem (bij de Leidse Vaart) en Christiaan van der Vegt uit Weesp (bij de Vecht).(1)
Kleermaker met acht kinderen Hoe lang Nuncius nog in het huis heeft gediend? Vanaf 1813 was hij in ieder geval kleermakersgezel, onder meer te Gorssel aan de overkant van de IJssel. Daar vestigde hij zich met zijn vrouw Adriana, afgezien van een kort verblijf in Diepenveen, in een bakkerij op de Gorsselse Heide, waar nu boerderij Veldzicht is.(6) Ze kregen acht kinderen, van wie er twee nog in het
11
IN 1805 BETROK HET KERSVERSE ECHTPAAR MET NUNCIUS HET HUIS OP DE MEEUWENBERG TE VOORST/ BRUMMEN | © ERFGOEDCENTRUM ZUTPHEN, COLLECTIE W. RUESINK
geboortejaar overleden. Kleermaker Christiaan van Gorssel overleed in 1831, in den ouderdom van “vermoedelijk” 34 jaar, geboren “buitenlands, waarschijnlijk Oost Indiën”, ouders niet bekend.(7) Er zijn ook nu nog nakomelingen van Christiaan van Gorssel, maar of een van hen het verhaal van hun bet(bet)overgrootvader kent?
Bronnen en verder lezen: (1) Ineke Mok en Dineke Stam, Haarlemmers en de slavernij. Haarlem: In de Knipscheer (publicatie eind 2022). Zie voor Christiaan van der Vegt vooral de onderzoekssite van Annemieke van der Vegt. (2) Informatie over Christiaan van Gorssel is, tenzij een andere bron wordt genoemd, afgeleid uit zijn doop- en huwelijksinschrijving en uit de getuigenverklaringen behorend bij de huwelijksinschrijving, waarvan een transcriptie is toegevoegd: Gelders Archief, Arnhem, Doopregister Gorssel, [niet gedigitaliseerd, dus niet raadpleegbaar nu] 1818; Gelders Archief, Arnhem, BS Huwelijk Gorssel, archief 207, inventarisnummer 4626, 19-11-1819, aktenummer 18, inclusief Acte H. Lidmatenboek over relevante periode is in 2017 gevonden in de kluis van de kerk en is nog niet gedigitaliseerd. Zie ook: ‘Nakomelingen boerderijen Schoneveld in Overijssel’ (10 januari 2021): ‘’17e van de zomermaand in 1818 op belijdenis en gedoopt zijnde tot lidmaat is aangenomen Christiaan van Gorssel’’. (3) Stadsarchief Amsterdam, Amsterdam, Ondertrouwregister. Deel: 652, Periode: 1804-1805, Amsterdam, archief 5001, inventarisnummer 652, 30 november 1804, Ondertrouwregister, folio p.382. (4) In 1805 laat Jan Harris zich registreren als burger te Zutphen. Regionaal Archief Zutphen, Zutphen, Burgerboek.
boek, Deel: 844, Periode: 1715-1817, Zutphen, archief 1, inventarisnummer 844, 8 april 1805, Burgerboek Zutphen (kleine burgerschap). (5) Gelders Archief, Arnhem. Nederduits Gereformeerde Kerk Voorst, Lidmatenregister 1772-1812, toegangsnummer 0176, inventarisnummer 1591.2, pag. 63; Gelders Archief, Arnhem. DTB Dopen, Voorst, Arnhem, archief 176, inventarisnummer 1586, folio 197. (6) Locatie ontleend aan Erwin Strookappe: (10 januari 2021). (7) Gelders Archief, Arnhem, BS Overlijden. Gorssel (Lochem), archief 207, inventarisnummer 4581, 15-12-1831, aktenummer 49.
Verder onderzoek Nuncius kwam dus omstreeks 1804 in Nederland aan vanuit Batavia met zijn baas Jan Harris, ongeveer negentien jaar oud. Wie was Jan Harris, bij wie Christiaan in dienst was? De naam Jan Harris komt voor in het Amsterdams Archief, notariële akten, die betrekking hebben op Nederlands-Indië, verder zijn er interessante stukken van hem in ‘Oost-Indische’ bronnen via het CBG. Deze stukken gaan ook over tot slaafgemaakten die al dan niet ter ‘adoptie’ gaan of worden vrij verklaard. Het is bij sommige stukken wel de vraag of het gaat om deze Jan of een oudere Jan Harris, bijvoorbeeld de vader van. Wellicht is na te gaan hoe Jan Harris Nuncius in bezit heeft gekregen. Is te achterhalen met wel schip Jan Harris en Christiaan van Gorssel aankwamen?
© Ineke Mok, CC-BY-NC
12
Lodewijk Laurens en Maria Anna Kleijn, twee kinderen uit Guyana te Gorssel 1800-1900 | Achterhoek Bathmenseweg 16, Gorssel
De familie Kleijn liet Huis Dordt in Gorssel bouwen na terugkeer uit Guyana in 1831. Kasteel Dorth werd ervoor afgebroken. Toen in Brits Guyana in 1834 de slavernij werd afgeschaft, ontving Laurens Kleijn ruim 770 Engelse ponden als compensatie voor de veertien personen die hij tot zijn bezit had gerekend .(1) Kleijn had in Guyana gewerkt als administrateur op plantage Groeneveld en had daar met Charlotte Constantia Brandes drie kinderen gekregen. De moeder van Charlotte was een vrouw van kleur, de ‘inlandse vrouw’ Maria, die in 1834 trouwde met de
Charlotte Constantia Brandes, de moeder (ca. 1809-1853) Charlotte Constantia Brandes is geboren rond 1809, dochter van een ‘inlandse’ en van Jan Carel Brandes, plantagehouder te Demerary. Demerary was tot 1803 een Nederlandse kolonie, na 1817 werd het deel van (Brits) Guyana.(2) Charlotte Constantia was vernoemd naar de grootmoeder en overgrootmoeder van vaderszijde, waaruit is op te maken dat Jan Carel Brandes haar ook naar buiten toe als zijn dochter beschouwde.(3)
eigenaar van Groeneveld, Jan Carel Brandes. Laurens Kleijn vertrok uit Guyana zonder zijn vrouw en kinderen. Met zijn Brabantse echtgenote kreeg hij hier drie kinderen. Rond 1840 kwamen ook de twee oudste kinderen uit Guyana, Lodewijk Laurens en Maria Anna, hier wonen. Zij kwamen in dit huis wonen bij hun vader. Wie was hun moeder?
In 1834 diende Jan Carel Brandes het verzoek in een kerkelijk huwelijk te sluiten met de moeder van Charlotte Constantia. Haar ouders huwden inderdaad datzelfde jaar, op 12 oktober 1834, bij welke gelegenheid haar moeder werd aangeduid met Maria .(4) Of ‘inlandse’ verwees naar Afrikaanse dan wel
LOCATIE: HUIS DORDT, BATHMENSEWEG 16, GORSSEL OOIT STOND HIER KASTEEL DORDT, DAT AL DEELS AFGEBROKEN WAS TOEN LAURENS KLEIJN HET IN 1832 DEFINITIEF LIET SLOPEN OM ER DIT HUIS TE BOUWEN
13
inheemse roots, weten we niet. Evenmin of de afschaffing van de slavernij in 1834 het verlate huwelijk verklaarde.(5) Charlotte Constantia zal zijn opgegroeid in het hoofdhuis op plantage Groeneveld van haar grootvader Carel Brandes.(6) Zeker meer dan 350 personen had hij als slaafgemaakten op de plantage tot zijn beschikking die voor hem koffie verbouwden en verwerkten voor de export.(7) Tot het familiebezit hoorden nog enige stukken grond zowel in Demerary, waaronder plantage Nieuw-Soestdijk, als grond in de naastgelegen kolonie Essequebo.(8) Bij het huwelijk van haar ouders in 1834 was Charlotte Constantia Brandes zo’n vijfentwintig jaar oud en ongehuwd moeder van drie kinderen. Johan Carel, haar eerste kind, vernoemd naar haar vader, was al jong overleden. Daarna kreeg ze in 1826 nog een zoon, Lodewijk Laurens, en drie jaar later, in 1829 een dochter, Maria Anna. De vader van de drie kinderen was Laurens Kleijn uit Deventer, administrateur van de plantage Groeneveld. LAURENS KLEIJN , MET DANK AAN FLIP TEN CATE
Laurens Kleijn, (1799-1877) Laurens Kleijn startte zijn koloniale carrière in Demerary rond 1819 als administrateur van de plantage van Carel Brandes.(9) Drie van zijn vier broers hadden eveneens hun geboortestad Deventer verlaten om geld te verdienen in de Engelse kolonie Demerary .(10) Broer Herman werd er eveneens administrateur – hij wordt ook in verband met Groeneveld genoemd –, Johannes Rudolphus werd planter en broer Wolterus werkte er vijf jaar als timmerman en architect.
Brandes. Deze informatie kwam naar boven toen journalist/schrijver Nina Jurna met Gijs Moes, een nakomeling van Laurens Kleijn, een blik wierp in het familiearchief.(11) Waarom Laurens Kleijn in 1831 Demerary verliet en Charlotte Constantia met hun drie jonge kinderen achterliet, weten we niet. Bij de Britse overheid diende hij in 1832 een compensatieverzoek in voor de slaafgemaakten die hij in zijn bezit had. Nog in mei 1832 huwde Laurens Kleijn te Zaltbommel met Catharina Jantje Weijers (1804-1873). Dit was niet toevallig de stad waar zijn twee broers vanuit Demerary waren gaan wonen en een oliefabriek bestierden. In hetzelfde jaar kocht Laurens Kleijn huis Dorth in Gorssel.(12) Hij liet er een nieuw huis bouwen en in november van hetzelfde jaar werd daar een dochter geboren, in 1835 volgde een zoon en in 1837 nog een dochter.
Het werk van Laurens Kleijn als administrateur hield meer in dan alleen het bijhouden van de in- en verkoop van de koffie. Tot zijn taken behoorde ook de aankoop en verkoop van de slaafgemaakten; die handel verliep tussen en binnen de koloniën, nadat Engeland in 1807 de trans-Atlantische slavenhandel had verboden. Laurens Kleijn inde 10% van de opbrengst toen hij voor Jan Carel Brandes 183 slaafgemaakten had verkocht voor ruim 34.000 gulden. Dezelfde dag kocht hij voor zijn broer een man genaamd Henry voor 2900 gulden. In 1830, een jaar voor zijn vertrek, kocht hij nog tientallen slaaf gemaakten in voor zijn ‘schoonvader’ Jan Carel
Toen in 1834 de slavernij in de Engelse koloniën werd afgeschaft, ontving Laurens Kleijn van de Britse regering ruim 770 pond ter compensatie van de veertien slaafgemaakten die op zijn naam stonden.(13) De moeder van zijn oudste kinderen, Charlotte
14
(7) Centre for the Study of the Legacies of British Slavery, website geraadpleegd 16 januari 2021. In 1817 registreerde Brandes 382 personen: 173 vrouwen en meisjes, 209 mannen en jongens. In 1826 ging het om 366 personen: 173 vrouwen en 193 mannen. (8) Paul Koulen, 2014/2015 Lijst van eigenaren van plantages en houders van hypotheken op plantages in Berbice, Demerary en Essequebo, 1818-1819. Digitaal beschikbaar, geraadpleegd 080121. (9) In genealogische overzichten wordt hij ook aangeduid als plantage-eigenaar, slavenhandelaar en tabakshandelaar. De genealogische informatie is grotendeels ontleend aan informatie verzameld over de familie Kleijn en Ten Cate: Flip ten Cate, https://sites.google.com/site/ geneabiografie/ geraadpleegd 17 januari 2021; Parenteel Storm van ’s Gravesande, http://daktari.antenna.nl/gravesan.htm, geraadpleegd 17 januari 2021). Hier geen bronnen genoemd. In Legacies of British Slave-owners (geraadpleegd 17 januari 2021) wordt bij plantage Groeneveld (Groenveld) voor de opgave van 1826 wel een H. Kleyn vermeld in combinatie met C. Brandes: “In the lawful possession of the heirs of C. Brandes by H. Kleyn atty of one of the heirs”. Er zouden toen in totaal 366 personen in slavernij worden gehouden, 173 vrouwen en meisjes, 209 mannen en jongens. De documenten over de compensatie zijn niet online beschikbaar.
(10) Vincent Sleebe 2017 ‘Slavenhouder sloopt Middeleeuws kasteel; Hoe een immigrantenzoon uit Deventer kasteelheer van Dorth werd’, in Gietman, Conrad, Jaap Moes e.a. (red.) Huis en habitus. Over kastelen, buitenplaatsen en notabele levensvormen. Hilversum: Verloren, 360-371: 362. (11) Bron voor deze gegevens: Jurna, Nina en Clark Accord 2003. Een hedendaagse kijk op de slavernij, Amsterdam: Kit Publishers: p.50. (12) Voor de aankoop van het kasteel houd ik het jaartal 1832 aan, aangezien hij dat jaar in Nederland terug is, hij hetzelfde jaar huwt en zijn tweede dochter in Gorssel wordt geboren. (13) Het exacte bedrag is: 770 pond, 11 shillings en 11 pences, Legacies of British Slave-ownership, https://www.ucl.ac.uk/lbs/search/, geraadpleegd 17 januari 2021. Ook de hierna genoemde bedragen zijn hieraan ontleend.
Constantia Brandes, werd eveneens gecompenseerd en wel met een bedrag van ruim 333 pond voor zes personen. Hun grootvader Jan Carel Brandes ontving een vergoeding voor achttien personen. De informatie in dit spoor is, tenzij anders vermeld, grotendeels ontleend aan de gegevens die Flip ten Cate heeft verzameld over zijn voorouders. Bronnen en verder lezen: (1) (2)
(3)
(4) (5) (6)
Legacies of British Slave-ownership, https://www.ucl.ac.uk/lbs/search/, geraadpleegd 17 januari 2021. De moeder wordt als ‘inlandse’ Maria vermeld op de genealogische website van Flip ten Cate, over de familie Ten Cate, https://sites.google. com/site/geneabiografie/ geraadpleegd 17 januari 2021. Veel gegevens van dit artikel zijn ontleend aan deze site. De informatie over Maria staat aldus ook vermeld op ‘Parenteel (Storm) van ’s Gravesande’. Bron: de genealogische website van Flip ten Cate, over de familie Ten Cate: https://sites.google.com/site/geneabiografie/ geraadpleegd 17 januari 2021. Tikwis Bergie, British Guiana Colonists Index, https://www.vc.id.au/tb/ bgcolonistsB.html, geraadpleegd 16 januari 2021 Huwelijken onder slaafgemaakten waren in Brits Guyana mogelijk, werden zelfs gestimuleerd na de zogeheten Slave Code in 1826. Hij is de broer van Jan Brandes, vermaard om zijn tekeningen uit Nederlands-Indië.
© Ineke Mok, CC-BY-NC
Lodewijk Laurens en Maria Anna Kleijn, twee kinderen uit Guyana te Gorssel 1800-1900 | Achterhoek Bathmenseweg 16, Gorssel
Een samengesteld gezin Op enig moment hebben de twee oudste kinderen van Charlotte Constantia en Laurens Kleijn, Laurens Lodewijk en Maria Anna, zich vanuit Demerary gevoegd bij hun vader en zijn nieuwe gezin in Gorssel. Hoewel de data van hun aankomst of vertrek (nog) niet terug te vinden zijn, zal dit rond 1840 zijn geweest (1); in 1842 liet Laurens Kleijn namelijk bij de notaris vastleggen dat hij de vader was van Maria Anna die op 18 oktober 1929 in de Engelse kolonie Demerary was geboren, ingeschreven in het geboorteregister aldaar, hetwelk echter later verloren is geraakt, onder den naam van Maria Anna, als kind van Mejuffrouw Charlotte Constantia Brandes, particuliere, woonachtig in Demerarij voornoemd.”(2) In de kantlijn staat dat ze op deze wijze in het geboorteregister van Gorssel in 1852
15
akte 45 en 46 zijn opgenomen. Als Maria Anna in 1850 wil trouwen met Herman Willem Ten Cate (1820-1900), laat Kleijn nogmaals bij de notaris noteren dat hij geen geboorte- en doopbewijs kan overleggen. Het doop register zou verloren zijn gegaan nadat de predikant aan boord van een schip was overleden. Vier bewoners van Lochem verklaren bij de notaris dat Maria Anna inderdaad op 18 oktober 1829 in Demerary is geboren en aldaar op 18 april 1830 is gedoopt.(3) Your beloved Mother died In 1852 herhaalt Laurens Kleijn de verklaring over haar doop van zijn dochter, nu is er een originele acte in het Engels afgegeven door haar moeder, Charlotte Constantia Brandes, waarin zij stelt dat Maria Anna als haar kind ingeschreven werd in het geboorteregister in
Contactverbod In de brief over het overlijden van Charlotte Constantia noteert Laurens Kleijn -waarschijnlijk was de brief op zijn adres bezorgd- dat hij het bericht op 7 januari 1854 heeft ontvangen. Hij stuurt de brief door aan zijn zoon, vergezeld van nogal raadselachtige adviezen. Hij raadt zijn zoon allereerst af de erfenis aan te nemen om te voorkomen dat deze de schulden moet betalen van ‘den ellendeling Cranston’ (Wist Kleijn wellicht niet dat deze al in 1839 was overleden?). Vervolgens raadt hij hem af het overlijdensbericht van moeder te delen met zijn zuster Maria Anna, tenzij hij haar toch nog zou schrijven, ”anders kunt gij er ook wel van zwijgen omdat ik van M.A. nimmer heb vernomen dat zij er aan dacht”. Daaraan voegt hij bij wijze van verklaring toe dat hem ooit “het onredelijk verzoek“ was gedaan geen brieven uit Demerary te ontvangen, en hij zou er dan ook voor gezorgd hebben dat deze niet zichtbaar waren. Het is moeilijk voor te stellen wie dit verzoek ooit had gedaan. Was het zijn vrouw, die misschien niet wilde dat zijn twee oudste kinderen een relatie met hun moeder zouden voortzetten? Zou Maria Anna werkelijk haar moeder vergeten zijn? Hoe dan ook, de twee kinderen keren niet terug. Anna Maria huwt met Herman Willem ten Cate, de textielfabrikant.
Lodewijk Laurens bouwt een carrière op als kunstschilder en treedt in dienst bij prinses Marianne van Oranje-Nassau, niet alleen als hofschilder maar onder meer ook als conservator van haar museum Reinhartshausen, waarvoor hij met zijn gezin naar het Duitse Erbach verhuist. Later wordt hij leraar tekenen en boetseren aan de Hogere Burgerschool in Zutphen en vicepresident van de kunstvereniging Pictura.(6)
MARIA ANNA KLEIN, PARTICULIER ARCHIEF, MET DANK AAN FLIP TEN CATE
Demerary en dat dit register verloren is gegaan. Een vergelijkbare akte zou er ook zijn voor de zoon Lodewijk Laurens. Laurens Kleijn lijkt daarbij dus eerder niet als vader te zijn genoteerd.(4) Een jaar na haar verklaring overlijdt Charlotte Constantia. Het overlijdensbericht komt van haar zuster Elisabeth Wood en is gericht aan Lodewijk Laurens, haar neef: “Sir, with lementing I now writing to inform you of the death of my dear sister, your beloved Mother Mrs Charlotte Constantia Cranston, who died on 8th November last”.
Moeders naam leeft voort Speelde zijn geboorteland een rol in zijn persoonlijke leven, in zijn leven als kunstenaar? Op de digitaal beschikbare kunstwerken is geen verwijzing naar Demerary te zien. De oudste dochter van Lodewijk Laurens krijgt de namen van zijn moeder, Charlotte Constantia. En in 1893, veertig jaar na het overlijden van zijn moeder, dient Lodewijk Laurens officieel het verzoek in om Van Brandes toe te voegen aan zijn achternaam.(7) De Koninklijke toestemming komt er. De kosten bedragen 75 gulden.(8)
In het overlijdensbericht staat dat hun moeder inmiddels gehuwd was met ene Cranston. Dit blijkt Matthew Cranston te zijn, een plantage- eigenaar die in 1839 was overleden.(5)
16
Hoe het hun moeder Charlotte Constantia is vergaan? Dat is niet bekend. Evenmin waarom Lodewijk Laurens en Maria Anna hun geboortegrond, plantage Groeneveld, hebben verlaten. Wie weet liggen de antwoorden besloten in een van de dozen in het familiearchief. Hopelijk wordt dit archief ontsloten om deze en andere nog onbekende levensverhalen te leren kennen.
Bronnen en verder lezen: (1) Kranten uit de periode 1831-1842 gecheckt via Delpher.nl, 17 januari 2021. (2) Gelders Archief, BS Gorssel, 1842, 18 januari, akte 7 (bron overgenomen van Flip ten Cate, zie noot). (3) Via Flip Ten Cate, het notarisstuk van Lochem waarin kennissen verklaren dat het meisje gedoopt is, helaas heb ik het stuk niet kunnen inzien. (4) Etymologiebank.nl, geraadpleegd 15 juni 2022. (5) Matthew Cranston zou op of rond 27 mei 1839 zijn overleden. Volgens het bericht hierover in de London Gazette was hij plantage-eigenaar: (The London Gazette, voor het jaar 1846, vol I. :109, 1098). (6) Malika M’rani Alaoui 2020, Early Photography in the Rijksmuseum’s Collection: A Group of Glass Negatives from the Estate of Laurens Lodewijk Kleijn (1826-1909), Rijksmuseum Bulletin 68 (1):27. en https:// www.rijksmuseum.nl/nl/zoeken?p=7&ps=12&involvedMaker=Jan%20 Brandes&st=Objects&ii=1 (7) Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 22 augustus 1793: 4. (8) Gelders Archief, Register van geboorten voor het jaar 1894 Gemeente Gorssel, Arrondissement Zutphen, 0207 Burgerlijke Stand Gelderland, dubbelen, akte 119.
De informatie in dit spoor is, tenzij anders vermeld, grotendeels ontleend aan de gegevens die Flip ten Cate heeft verzameld over zijn voorouders.
© Ineke Mok, CC-BY-NC
FAMILIE TEN CATE KLEIN, MET DANK AAN FLIP TEN CATE
17
Jan Frederik Klein, nakomeling van slavenhouders op Huis Groote Haar te Gorssel 1800-1900 | Achterhoek Laan van Eschede, Gorssel
Begin negentiende eeuw woonden op landgoed De Groote Haar of Huis Eschede in Gorssel Jan Frederik Klein uit Amsterdam, Anna Wilhelmina Fennema uit Nieuwe Schans en hun drie kinderen. (1) Klein was rentenier. Waarvan hij precies rente trok, is nog niet helemaal duidelijk, maar hij zal zeker profijt hebben gehad van de plantages die zijn vader en opa in Suriname hadden verworven en die daarmee dus eigenaar waren van de mensen de plantages bewerkten, met andere woorden: zijn voorvaders waren slavenhouders.
Gelegenheidsglas plantage Kleinslust Bewaard is wel een prachtig geslepen drinkglas, een zogenaamd gelegenheidsglas uit 1764 van Simon Jacob Sang uit Amsterdam, waarop de plantage Kleinslust te zien is, met de rijen koffieplanten, de mensen die er werken en de directeurswoning. Kreeg Johannes dit glas omdat hij dat jaar getuige was bij de bruiloft van zijn neef Nicolaas Martinus in Amsterdam? Zoals Jochem van Eijsden oppert bij de beschrijving van het glas bij Sleutelwerken van Gelderland? Dat is
Plantage eigenaren De koloniale betrokkenheid begon met opa Jan Martinus, die als gereformeerd predikant van Duitsland naar Suriname toog en daar vier plantages verwierf: Kleinhausen, Kleinsverwachting, Kleinsvreugd en Kortevreugd. Zijn vader en diens broers en zusters werden vervolgens allen in Suriname geboren. En dan was er oudoom Johannes Klein, de broer van opa Jan Martinus. Hij kwam in bezit van de plantages Kleinslust en Klein Lunenburg. En er was nog een zoon van oudtante Anna Maria, die eveneens plantagehouder werd. Van Suriname naar Harderwijk De vader van Jan Frederik Klein, Nicolaas Martinus Klein, bleef niet in Suriname. Hij huwde in 1764 te Amsterdam met Maria Catharina Huysten van Hoesem uit Heusden en ging later met haar in Harderwijk wonen. Suriname ‘trok aan de familie’, want hoewel zoon Jan Frederik in Harderwijk bleef, vertrokken zijn beide broers, Wilhelm en Samuel Martinus, naar Suriname. Zijn zuster Agatha Sara – zij bleef eveneens in Nederland – werd eigenaar van plantage Klein Lunenburg, terwijl broer Samuel Martinus daar ter plaatse directeur was. Een andere zuster ging overigens naar Batavia. Er kwamen hypotheken op de plantages, maar over het reilen en zeilen ervan is digitaal nog niet veel informatie beschikbaar.
KELKGLAS MET VOET, TEKST: ‘HET WELVAAREN VAN DE PLANTAGIE KLEINSLUST’ © MUSEUM ARNHEM
18
heel goed mogelijk. De vraag is waar het daarna heeft gestaan – Johannes stierf al in 1768. Was dat bij zijn weduwe, de Surinaamse Carolina Aletta Pijl op Het Oude Koningshuys te Sassenheim, waar ze met haar nieuwe echtgenote woonde, Johan Jacobus Bosé, de latere eigenaar van Kleinslust en Klein Lunenburg?(2) Of bleef het glas in de familie en stond het in de eetkamer van Huis Eschede of Groote Haar in Gorssel? Frederik Hendrik Klein werd tweemaal weduwnaar, zelf overleed hij in 1832 te Velp, maar zijn derde vrouw bleef in Gorssel wonen, en naar het lijkt een aantal van de kinderen van Frederik Hendrik. Het huis Eschede of Groote Haar (3) bleef in ieder geval met of zonder glas tot ver in de negentiende eeuw in bezit van de familie Klein.
Lees meer over het glas in het spoor in de regio Arnhem. Bronnen en verder lezen: (1) Informatie over de familie ontleend aan: E.J.C. Boutmy de Katzmann 198? [op dedigitale print is dit getal weggevallen], ‘Het geslacht Klein uit Neuwied, met allianties in Suriname, Nederland en Java’, De Nederlandsche Leeuw, maandblad van het Koninklijk Nederlandsche Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde: 219-232 (2) Surinaamsche staatkundige Almanach voor den Jaare 1793 (digitaal). (3) Informatie over Huis Eschede/Groote Haar http://www.strookappe.nl/E%20Eschede.htm
© Ineke Mok, CC-BY-NC
19
In Elmina voel je de pijn door de muren heen Mevlin Esseboom Mevlin Esseboom kwam als baby met haar ouders vanuit Suriname naar Nederland. Het gezin vestigde zich in Arnhem, waar Mevlin nog steeds woont. Ze verdiepte zich in het slavernijverleden van haar voorouders, en vertelt over de Surinaamse en Nederlandse cultuur.
Roots in Afrika “Op mijn 21e zijn mijn tweelingzus Mayra en ik naar Ghana geweest, terug naar onze roots. Stel je voor, dachten we, je wordt in een boot gezet richting Suriname en moet daar slavenarbeid doen. Dat waren onze voorouders. Grote, sterke, donkere Afrikanen. We kwamen erachter dat veel tot slaaf gemaakten uit Ghana kwamen. Maar waar kwamen onze voorouders vandaan? In Ghana herkenden we taal, gebruiken en cultuur uit Suriname. We bezochten het Nederlandse slavenfort Elmina. Je komt er binnen en door de muren heen voel je de pijn, het verdriet, de angst. Dat is eigenlijk onbeschrijflijk. Dat maakte veel indruk, zeker als je het verhaal er bij hoort.” Liederen met betekenis “Mijn moeder zong heel veel. Van de slavernijliederen denk je al snel: ‘leuk nummer!’ Maar als je je verdiept in wat je eigenlijk zingt, dan blijkt het te gaan over vrijheid, opkomen voor je rechten, dat je niet als tweederangsburger wordt behandeld. Als je in een witte omgeving opgroeit krijg je die geschiedenis misschien niet mee maar je weet dat er meer is. Dat voel je.” “De ingang tot je hart is dat je een bepaald gevoel krijgt bij een lied. Ik ben een gevoelsmens. Je hoeft het dan niet uit te leggen. Niet alles hoeft helemaal uitgedacht of uitgesproken te worden. Het lied ‘Basia Fong’ gaat bijvoorbeeld over een beul die tot slaaf gemaakten moest afranselen.
Dan zegt de slavenhandelaar tegen hem: ‘Sla haar, want zij maakt mij boos.’ En zij zegt:’Weet je nog dat je naar mij toekwam, dat je mij liefhad?’ En dan zegt hij: ‘Nog meer zweepslagen eroverheen, want nu maak je me echt boos!’.”
Slavernij “Slavernij was gewoon verrijking. Het heeft veel gebracht voor de Europeanen en Amerikanen. Dat systeem is er ook nooit helemaal uitgegaan. Kostbare grondstoffen zijn in de koloniale tijd uit de bodem gehaald. Al zit er nog steeds wat in de grond, een achterstand van meer dan honderd jaar haal je niet meer in.”
20
“Ik zal het ook nooit kunnen begrijpen. Het is een bewuste keuze geweest om mensen neer te zetten als derderangs burgers. Vee was nog meer waard.”
over straat loop word ik regelmatig aangesproken van: ‘Goh, ben je op vakantie? Of wie ben jij?’ Dat is daar heel normaal.”
“De mentaliteit is grotendeels veranderd, het is tegenwoordig bijna ondenkbaar dat het ooit zo was. De ongelijke machtsverhouding tussen wit en zwart is er echter nog steeds. Slavernij gebeurt nog steeds en er is niets wat ik daaraan kan doen. Je moet kritisch kijken naar een ander, maar ook naar jezelf. Sommige mensen vinden het heel fijn om in de slachtofferrol te zitten, maar zo waren mijn ouders niet. Je hebt heel veel zelf in de hand.”
Familie “Familie is erg belangrijk in Suriname. Als er iemand overlijdt, dan ga je als familie bij elkaar zitten en de hele nacht zingen en verhalen vertellen. Niemand neemt de leiding, maar iedereen heeft een aandeel. Als ik zeg dat ik een bepaald lied graag wil zingen, dan gebeurt dat. Zo ook met het vertellen van verhalen. Je staat op en doet je verhaal, daar is ruimte voor.” Het loopt zoals het loopt “Wat je in Europa en Amerika nog wel heel veel ziet is dat alles perfect gepland en gestructureerd moet gaan. Het idee dat je alles moet kunnen maken. Carrière, vakanties, meerdere huizen, dure auto’s. Zo is het leven niet. Het leven kun je niet plannen. Met
Unieke cultuur “Het zoeken naar je eigen wortels heeft niets met zwart of wit te maken, dat hoort bij de mens. Als je bijvoorbeeld in Drenthe geboren bent, wil je ook weten waar je precies vandaan komt. Cultuur is altijd heel erg in beweging. Ik ben een Nederlandse Surinamer en mijn cultuur zoals ik die hier ken kan ik in Suriname niet terugvinden. Dat is alleen hier, iets dat we samen gecreëerd hebben. Suriname is heel anders dan Nederland. Hier kijkt iedereen naar je maar wil je niet leren kennen. Iedereen is druk met zijn eigen leven, rent van hot naar her. Als ik in Suriname
het slavernijverleden is het logisch dat men zo dacht. Er hoefde maar iets te gebeuren en je verloor alles. Het kon zo afgelopen zijn met je. Ik denk dat dat de belangrijkste boodschap is, in het geheel. Het loopt zoals het loopt.” © Kees Huntink op basis van een interview met Mevlin Esseboom, afgenomen door Pieter Jakobs.
21
Boeroes uit Gelderland: Arend van den Brandhof in Terborg Dominee onderweg naar Suriname voor een kolonisatieproject 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats, Silvoldseweg 64 Terborg
Arend van den Brandhof, een dominee uit Veenendaal, doet in 1840 samen met enkele anderen een voorstel bij het ministerie van Koloniën voor een kolonisatieproject in Suriname. Vijf jaar later vertrekken ongeveer driehonderd Gelderse en Groningse landarbeiders met hun gezinnen om zich te vestigen op de voormalige plantages Voorzorg en Mijn Vermaak aan de Saramaccarivier. De kolonisten treffen echter een moeras aan en worden zwaar getroffen door ziektes. De helft van de mensen overlijdt. Een aantal landarbeiders vestigt zich uiteindelijk elders, waar zij betere omstandigheden hebben en meer afzet van boerenproducten. De nazaten van deze emigranten staan in Suriname bekend als ‘de boeroes’. Van Den Brandhof keert in 1853, als het project als mislukt is beschouwd, samen met zijn zeven kinderen terug naar Nederland. Hij vestigt zich uiteindelijk in Terborg in de Achterhoek, waar hij in april 1863 ook begraven wordt. © Else Gootjes en Dineke Stam, CC-BY-NC
GRAFSTEEN VAN AREND VAN DEN BRANDHOF OP DE ALGEMENE BEGRAAFPLAATS IN TERBORG
22
Kasteel Vorden Familie van Regteren/Van Der Borch 1700-1800 | Achterhoek De Horsterkamp 8, Vorden
In de achttiende eeuw komt kasteel Vorden in het bezit van Sophia Juliana van Regteren (1730-1793) en haar man Frederik Wilhelm van der Borch (1737-1781).
Frederik Wilhelm is mede-eigenaar van de Surinaamse plantages ’t Eylant en Peperpot. Deze plantages zijn in handen gekomen van de familie van der Borch via de familie Goltstein, de bewoners van landgoed Verwolde. © Emma Hooghwinkel, CC-BY-NC
KASTEEL VORDEN | © WIKIMEDIA COMMONS/PD
23
HUIS HET HASSINK | © ERFGOEDCENTRUM ZUTPHEN, PD
Huis het Hassink De familie Schimmelpenninck 1800-1900 | Achterhoek Hassinklaan, Epse
In 1863 ontvangt de bewoonster van huis Het Hassink, Anna Agnesia Schimmelpenninck, weduwe van Mr. George Isaac Bruce, een compensatie van negenhonderd gulden vanwege de afschaffing van de slavernij in Suriname.
neerkomt op ongeveer negenhonderd gulden. 79 personen behorende tot de slavenmacht van de plantage krijgen hun vrijheid. Zonder enige tegemoetkoming, maar met de verplichting om nog tien jaar op plantages te blijven werken. Twee mannen waren al ontsnapt.
Anna Agnesia is met andere familieleden een van de eigenaren van de Surinaamse plantages Berkshoven en Oostrust aan de Commewijne. Zij is daarmee ook een slavenhouder. Vanwege het zogeheten verlies aan slaven door de afschaffing van de slavernij ontvangt Anna Agnesia 1/27 van de totale vergoeding, wat
Huize ‘t Hassink is in 1945 vernietigd door een bombardement en bestaat niet meer.
© Ineke Mok, CC-BY-NC
24
Gecompenseerden uit Hummelo: Anna Maria Schas (1800-1891) Rijk geworden van plantage Dijkveld 1800-1900 | Achterhoek Kasteellaan 1, Hummelo
kleindochter Anna Maria Schas (1800-1891), getrouwd met een Gelderse baron uit de Van Heeckeren-familie, 3/21ste aandeel in de plantage. ‘Tegemoetkoming’ in 1863 De aandelen van Anna Maria Schas zijn afkomstig van haar grootmoeder, een tante, twee ooms en haar jong overleden zus. Door de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 ontvangt Anna Maria als eigenaar ƒ 11.914,29 (ongeveer € 127.000,-) als ‘tegemoetkoming’ voor het wegvallen van eigendom: de slaafgemaakten in haar bezit.(2) Na de afschaffing van de slavernij heeft plantage Dijkveld nooit contract arbeiders aangetrokken, zoals bij andere plantages in de kolonie wel gebeurde. De plantage werd verkocht en in 1880 formeel opgeheven.(3) Een plantersfamilie Anna Maria wordt in december 1800 in Paramaribo geboren als dochter van Daniël François Schas (1772-1848) en Juliana Andresa Roepel (1777-1811). Anna Maria’s voorouders aan moederskant zijn betrokken bij plantage Dijkveld. Haar vader Daniël François Schas is in 1814 door Koning Willem I benoemd tot lid van de Raad van Koophandel en Koloniën. Hij is ook eigenaar van de plantages Esthersrust en Barbados die in 1853 worden verkocht. (4) De plantages in het bezit van de familie Schas worden door de slaafgemaakte personen ook wel Skassi genoemd.(5)
ANNA MARIA SCHAS, OLIEVERF OP DOEK, CA. 1825-1835, SCHILDER ONBEKEND © RKD NEDERLANDS INSTITUUT VOOR KUNSTGESCHIEDENIS
Suikerplantage Dijkveld aan de Surinamerivier is rond 1671 in opdracht van Johannes van Dijk aangelegd. In 1770 koopt Christiaan Roepel de plantage samen met zijn vrouw Anna Fontane. De latere eigenaren van de plantages wonen in Nederland en laten het bestuur over aan admini strateurs. In 1863 rekent de plantage 281 slaaf gemaakte personen tot de inboedel en kent het rond de twaalfhonderd akkers (480 ha) waarop suikerriet verbouwd wordt.(1)
Verzet op plantage Dijkveld ‘’De slaven-bevolking van de plantage Vrouwenvlijt heeft geweigerd naar Dijkveld te vertrekken, omdat zij van de koffij-kultuur tot de suiker-kultuur moest overgaan, ’t welk zwaarder arbeid vereischt. Met behulp van 28 man der landelijke schutterij heeft men haar daartoe gedwongen.’’
Na het overlijden van Anna Fontane in 1820 worden de aandelen van de plantage verdeeld over haar kinderen en kleinkinderen. Op deze manier erft
25
Dit bericht is te lezen in de Opregte Haarlemsche Courant uit 1850. Een slavenmacht die van plantage Vrouwenvlijt naar plantage Dijkveld wordt verplaatst verzet zich. De reden van het verzet: arbeid op een suikerplantage was veel zwaarder en gevaarlijker dan op een koffieplantage. Het verzet van de slaaf gemaakten van Vrouwenvlijt stond niet op zich. In hetzelfde krantenbericht lezen we van nog een slavenmacht die weigert overgeplaatst te worden. Weer een andere groep vlucht de bossen van het binnenland in. (6) De omstandigheden op de suikerplantages waren zo slecht dat verplaatsing naar deze plantages zelfs als straf werd gebruikt. (7)
KASTEEL ENGHUIZEN IN HUMMELO, DATUM ONBEKEND BRON: RIJKSDIENST VOOR HET CULTUREEL ERFGOED
onder andere Kamerheer van de Koning. Het stel woont op verschillende plekken, waaronder ’s-Gravenhage, Amersfoort en Leiden. Op de documenten van plantage Dijkveld uit 1863 staat aangegeven dat Anna Maria op dat moment in Hummelo woonachtig was. Zij bevindt zich op dat moment waarschijnlijk in kasteel Enghuizen, op het
Zal Anna Maria van deze opstand op de hoogte zijn geweest? Wat zal ze ervan gedacht hebben? In Nederland was het gesprek over de afschaffing van de slavernij gaande. Hoe reageren de families Schas en Van Heeckeren op deze ontwikkelingen? We weten het helaas (nog) niet.
grote landgoed dat haar dochter via huwelijk met baron Van Heeckeren van Enghuizen in bezit krijgt.(8)
Kasteel Enghuizen in Hummelo Anna Maria trouwt met de Gelderse baron Frederic Florent Jacques Henry van Heeckeren van de Cloese (1799-1870). Hij is een gedecoreerde luitenantkolonel die de Militaire Willemsorde en de Orde van de Nederlandse Leeuw ontvangt voor zijn optreden in de Belgische Revolutie van 1830. Daarnaast is hij
Dit spoor over ‘gecompenseerden’ is onderdeel van een serie, gemaakt door studenten geschiedenis van de Radboud Universiteit. Bij ‘Rijk van Nijmegen’ is een ander deel te lezen over plantage Dijkveld. Bronnen en verder lezen: (1) P. Dikland, Suikerplantage Dijkveld aan de Surinamerivier (2005), PDF. (2) Nationaal Archief, 2.02.09.08 Inventaris van het archief van de Algemene Rekenkamer 1814-1919: Comptabel Beheer, scans 313-362. (3) P. Dikland, Suikerplantage Dijkveld aan de Surinamerivier (2005), PDF. (4) ‘Transporten’, Surinaamsch Weekblad (10-07-1853). (5 F. Oudschans-Dentz, ‘De Herkomst en de Beteekenis van Surinaamsche Plantagenamen’, De West-Indische Gids 26 (1944-1945), 161-180, alhier 158. (6) ‘Haarlem, 31 December’, Opregte Haarlemsche Courant (01-01-1850). (7) A. van Stripriaan, Surinaams Contrast. Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie, 1750-1863 (Leiden, 1993), 165-166. (8) Hummelo.nl, ‘Landgoed Enghuizen’, & Hummelo.nl, ‘Kasteel Enghuizen (1835-1948)’.
© Myrthe Groote, CC-BY-NC
FREDERIC FLORENT JACQUES HENRY BARON VAN HEECKEREN VAN DE CLOESE, OLIEVERF OP DOEK, CA. 1825-1835, SCHILDER ONBEKEND BRON: RKD NEDERLANDS INSTITUUT VOOR KUNSTGESCHIEDENIS
26
WATERKANT, BIJ DE SURINAMERIVIER PARAMARIBO, IN DE TIJD DAT VAN HERWAARDEN IN SURINAME WOONDE | © PIERRE JACQUES BENOIT, 1839, PD
Suriname en een koperslagerij uit Aalten 1800-1900 | Achterhoek Peperstraat 4, Aalten
Jacobus Hendricus van Herwaarden kwam uit een koperslagersfamilie in Aalten en ging met zijn vader en oom naar Suriname. Daar gebruikte hij het ambacht van koperslager voor de productie van suiker op de plantages en werd ook zelf slavenhouder.
notaris Chrétien Jean Gérard de Booij te Haarlem zijn testament opmaken.(1) In het testament laat hij niet alleen enige familieleden een geldbedrag na, maar ook de armen in Aalten te Gelderland. Dat wil zeggen, de Gereformeerde Kerk krijgt driehonderd gulden om te beleggen zodat met de rente de armenzorg in Aalten verbeterd kan worden. De goederen van Van Herwaarden krijgen een minstens zo bijzondere bestemming. Die gaan naar Evert, geboren op de plantage Vossenburg in Suriname, zoon van ”gewezen slavin Mariaantje, die”, zo laat Van Herwaarden opstellen, ”naar ik meen de naam Van Coehoorn heeft aangenomen”. Wie was deze Evert en wat was de
Zandvoort, Aalten en Suriname Zo’n honderd jaar na het overlijden van Anna van Vossenburg in Arnhem duikt de naam Vossenburg op in relatie tot Zandvoort én Gelderland. Zandvoort is in 1867 de woonplaats van Jacobus Henricus of Hendricus van Herwaarden. Hij laat in dat jaar bij
27
relatie met Van Herwaarden? En, wat heeft dit alles met het Gelderse Aalten te maken? Een aantal bevindingen onder elkaar, om te beginnen over Evert.
Wat is hiervan uitgekomen? Helaas is er over Evert verder geen enkele informatie gevonden, noch in Zandvoort (hij komt niet voor in het bevolkingsregister van Zandvoort), noch in Suriname, waartoe alle gedigitaliseerde Surinaamse kranten zijn doorzocht.(2) Wel is te vinden dat zijn moeder in 1876 huwde met Albert Secondo Gessel met wie zij vier kinderen kreeg, twee dochters en twee zonen. Heeft Evert later de naam Jacobus Henricus van Herwaarden aangenomen? Of bleef zijn naam Evert Uithoorn? Geen van beide namen leverde ook maar enige informatie op.
Evert van Mariaantje van plantage Vossenburg in een Zandvoorts testament Op de lijst van ‘vrijgemaakte slaven’ in het Nationaal Archief komt Evert, zoon van Mariaantje, voor bij plantage Vossenburg in Suriname. Hij zou bij de afschaffing van de slavernij in 1863 vijf jaar oud zijn, behorend bij de Evangelische Broedergemeente en net als zijn moeder had hij in 1861 de “manumissie naam” (vrijlatingsnaam) Uithoorn aangenomen en dus niet, zoals Van Herwaarden meende, de naam Coehoorn (op plantage Vossenburg kregen de vrijgemaakten in 1863 allen een Nederlandse plaatsnaam als achternaam.) In het zogeheten slavenregister van Suriname van 1855 dat bewaard wordt in het Nationaal Archief in Den Haag en in Paramaribo, staat
Koperslagerijfamilie Van Herwaarden in Aalten Rond 1725 vestigt het echtpaar Everhard van Herwaarden en Berendina van Isendoorn zich in Aalten, waar ze aanvankelijk inwonen bij (schoon) vader Abraham van Isendoorn, een man van stand. Daarna starten ze een koperslagerij in de straat die
vreemd genoeg dat Evert geboren is op 31 december 1854 en bij zijn vrijmaking in 1863 dus acht jaar moet zijn geweest. Welke notatie klopt, die in het overzicht van de manumissies uit 1863 of het slavenregister uit 1855? Dat blijft de vraag.
later bekend wordt als Peperstraat. Generaties later wonen kinderen en kleinkinderen ook in Weesp, Naarden en Amsterdam, onder wie Jacobus Hendricus van Herwaarden, ook wel geschreven als Hendrikus of Henricus. Hij werd in 1817 geboren te Weesp, zoon van koperslager Jacobus Everhardus van Herwaarden en Anna Catharina Berner, “koperslagerhandelhoudster” en weduwe van Frederik Wagener, met wie ze al kinderen heeft.(3) Jacob Hendricus trekt in bij zijn opa Jacob uit Naarden, die in Aalten de koperslagerij heeft overgenomen en die in hem een opvolger ziet.(4)
Uit het oog verloren Dat Van Herwaarden niet precies weet hoe Everts achternaam luidt, lijkt erop te wijzen dat hij de jongen de laatste jaren uit het oog was verloren. Andere kinderen noemde Van Herwaarden niet in zijn testament. Waarschijnlijk was Evert zijn zoon en zijn enige kind. Dat vermoeden wordt gesterkt door de wens van Van Herwaarden dat Evert zijn naam krijgt: Jacobus Henricus van Herwaarden. Hij wijst twee mannen aan als zijn voogd, ene G.T. Penning – zijn zuster was gehuwd met een Penning – ambtenaar van het postkantoor te Amsterdam, en de burgemeester van Zandvoort, Paul Alexander Conrad Heinrich Theodor Albert Werdmüller. In het testament bepaalt Van Herwaarden dat de jongen vanaf de dag van zijn dood het vruchtgebruik krijgt over al zijn goederen. De voogden moeten zorgen voor zijn boedel en zijn tevens de bewindvoerders van zijn nalatenschap zolang het vruchtgebruik duurt. Zij moeten de rente zo goed mogelijk in het belang van de kleine Evert besteden en Van Herwaarden spreekt daarbij de wens uit dat Evert naar Nederland wordt gehaald, als dat ook het beste is.
HUIS KOPERSLAGER VAN HERWAARDEN PEPERSTRAAT 4 COLL MUSEUM AALTEN EHDC
28
Naar Suriname Van die opvolging in Aalten komt niets terecht. In 1837 vertrekt de twintigjarige Jacob Hendricus naar Amsterdam om vandaar naar Suriname te vertrekken. (5) Op 14 augustus 1837 komt hij aan.(6) Zijn vader – hij zou aan lager wal zijn geraakt – was al eerder naar Suriname vertrokken.(7) In 1831 staat hij geregi streerd als inwoner van de Saramaccastraat in Paramaribo, beroep: koperslager.(8) Zijn oom Cornelis Bernardus van Herwaarden arriveert in 1838.(9) Beide broers sterven in Suriname echter een vroege dood: oom Cornelis Bernardus in 1839 en vader Jacobus Everhard in 1845. Hij laat schulden na, zo blijkt uit de brief van Jacobus Hendricus aan zijn grootvader te Aalten. Hij vraagt hem onder meer de trouwakte op te sturen, zodat hij alle financiële zaken kan regelen. Grootvader stuurt de gevraagde documenten en verzoekt zijn kleinzoon terug te keren.