CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

MO3a. bijlage - Publicatie-Sporen-van-Slavernijverleden-in-Gelderland-2022-2.pdf

Raadsavond 30 mei 2023, gemeente DuivenBij agendapunt: GroenLinks - Motie It's been a long time coming; a change is gonna come - INGETROKKEN37.341 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

51

Banda-eilanden aan het Nederlandse koloniale regime plaatsvond ten overstaan van Ver Huell. Later dat jaar was hij betrokken bij de grote opstand in de Molukken, beter bekend als de Pattimura-oorlog. Terug in Nederland trouwde hij in 1821 in Doesburg met Louise de Vaynes van Brakell. Het jaar erop werd zoon Alexander geboren. Het jonge gezin vertrok naar Rotterdam waar Maurits (onder)equipagemeester werd. Na zijn pensionering in 1850 verhuisde het gezin Ver Huell naar Arnhem, waar hij in 1860 overleed. Zowel Maurits, echtgenote Louise als zoon Alexander liggen in een familiegraf op de Algemene Begraafplaats van Doesburg. Tekenaar, schrijver, verzamelaar Maurits Ver Huell heeft zijn leven lang getekend en geschilderd. In Rotterdam werd hij lid van verschillende wetenschappelijke clubs en heeft hier zijn ervaringen in onder andere de Indonesische archipel in woord en beeld op papier gezet. In 1835-36 publiceerde hij de tweedelige Herinneringen van eene Reis naar Oost-Indiën. Hij gaf in de volgende jaren meerdere lezingen over zijn reiservaringen in Oost en West voor de Hollandsche Maatschappij van fraaie Kunsten en Wetenschappen en verzorgde ook (voornamelijk etymologische) illustraties bij wetenschappelijke publicaties.(2)

PORTRET VAN QUIRIJN MAURITS RUDOLPH VER HUELL (1787-1860) OP 25-JARIGE LEEFTIJD | © ANONIEM, COLLECTIE MUSEUM ARNHEM - PD

was een carrière als zeeofficier voorbestemd, onder de hoede van oom Carel Hendrik (held van de Doggersbank en admiraal van Napoleon). Kapitein-luitenant-ter-zee Maurits diende in roerige tijden achtereenvolgens onder de vlag van de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon en het Franse keizerrijk onder diens broer Napoleon Bonaparte. Na de vrede met Groot-Brittannië in 1814 werd de ‘teruggave’ geregeld van de koloniën die de Britten in 1806 hadden veroverd. In 1815, na de definitieve val van Napoleon, werd een vloot uitgezonden naar de Indonesische archipel om het gezag van de Engelsen over te nemen. Maurits Ver Huell kreeg toestemming om op non-activiteitstraktement naar Oost-Indië te reizen en daar als kapitein-luitenant-ter-zee dienst te doen.(1)

‘Kind der natuur’ Maurits Ver Huell was wat betreft zijn houding tot de natuur en andere culturen gevormd en beïnvloed door de ideeën van de Zutphense predikant en natuurkundige Jan Floris Martinet (1729-1795) en de Franse filosofen en wetenschappers Jean-Jacques Rousseau en Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre. In de traditie van deze laatste twee beschrijft Ver Huell in zijn Herinneringen en Levensherinneringen inheemse en tot slaaf gemaakte kinderen en jonge vrouwen zoals Ida en Roosje in termen van ‘edele wilde’ en ‘kind der natuur’ en representatief voor een inheemse bevolking, onschuldig en nog niet bedorven door invloeden van buitenaf, ofwel Europese decadentie.(3)

In Batavia werd hij eerste officier op het schip Admiraal Evertsen van de in Bemmel geboren commandant kapitein-ter-zee Dirk Hendrik Dietz (1766-1817). Toen deze onderweg naar Banda op zee overleed nam Maurits Ver Huell het commando over. Op 27 maart 1817 arriveerde het schip bij Banda Neira, waar op 2 april de machtsoverdracht van de

Van Fraassen en Klapwijk beschrijven Ver Huell treffend als volgt: “Door de bril van een paterna­ listische patriciër keek hij naar de benedenlaag van de samenleving en door de roze bril van een romanticus

52

keek hij naar de exotische maatschappij”. Met de classificatie van ‘kind der natuur’ miskende Ver Huell echter dat Roosje, en vrouwen als zij, slachtoffer waren van het koloniale slavernijsysteem en juist werden ontmenselijkt door de Europese bezetter in de archipel. De persoonlijke beleving van Ver Huell staat centraal en vormt de norm voor zijn inter­­ pretaties van de gedachten en beweegredenen van de inheemse bewoners en de slaafgemaakten. Ook wanneer Ver Huell zich op inlevende en gevoelige wijze uit over Roosje, Ida en later, tijdens de Patti­­ mura-oorlog, over Christina Martha Tiahahu; overal blijkt de diepgewortelde ongelijkheid die de basis vormt van het koloniale en slavernijsysteem.(4)

Bronnen en verder lezen: (1) Nationaal Archief, Inventaris van het archief van het Ministerie van Marine, openbaar verbaal, 1813-1900, 2.12.01.32, verbaal 27 januari 1815; Hagen, Piet, Koloniale oorlogen in Indonesië (Amsterdam/Antwerpen 2018), p. 174. (2) Maurits Ver Huell heeft al tijdens de reis zijn ervaringen in de Indonesische archipel aan het papier toevertrouwd, in woord en beeld. Door schipbreuk op de terugreis is veel van zijn collectie, tekeningen en notities verloren gegaan. Jaren later heeft hij zijn herinneringen uitgegeven in het tweedelige reisverslag. Het familiearchief wordt tegenwoordig bewaard binnen het Gelders Archief, Museum Arnhem en Erfgoedcentrum en Bibliotheek Rozet in Arnhem. Een groot deel van de Collectie Ver Huell is op de websites van de verschillende instellingen online raadpleegbaar. (3) Hogenboom, Jeanne, ‘Schetsen op de plaats zelve: over de reisillustraties van Q.M.R. Ver Huell’, in: Arnhem de Genoeglijkste (1996), p.127; Ver Huell, Herinneringen I (1835), p.108-110. Vergelijk ‘Levensherinneringen’, Gelders Archief, Toegang 2039, inv.nr. 58, scans 0487-0490. (4) Fraassen/Klapwijk, Herinnering aan een reis naar Oost-Indië, p.27. Een goede biografie is die van Chris van Fraassen, Een romanticus bij de marine. Het leven van Maurits Ver Huell tegen de achtergrond van zijn milieu en zijn tijd (Zutphen 2008).

Dit werk is als cd-rom toegevoegd aan: Fraassen, Chris F. van & Pieter Jan Klapwijk, Herinnering aan een reis naar Oost-Indië. Reisverslag en aquarellen van Maurits Ver Huell, 1815-1819 (Zutphen 2008).” © Aschwin Drost, CC-BY-NC

MUSKAATNOTENPERK BOJAUW © QUIRIJN MAURITS RUDOLPH VER HUELL, COLLECTIE MARITIEM MUSEUM ROTTERSAM

53

Nederland en Banda Drie vrouwen in de Indonesische archipel volgens Maurits Ver Huell 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg (familiegraf / monument).

De band tussen de Molukse en de Banda-eilanden, kruidnagel, nootmuskaat en Gelderland gaat verder terug dan de komst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie naar de Indonesische archipel. De Amsterdamse Oude Compagnie, een van de voorlopers van de VOC, stuurde in 1598 een handelsvloot uit met de specerij-eilanden als doel. Een van de schepen van deze zogenaamde ‘Tweede Schipvaart’ was de Gelderland onder vice-admiraal

Verzet en volkenmoord Met het sluiten van handelsverdragen op de Molukken en Banda verkregen de Nederlanders toegang tot de gewilde specerijen. De overeenkomsten waren geen afspiegeling van afspraken gebaseerd op gelijkwaardig­heid, maar beschreven slechts de Nederlandse eisen en verwachtingen. De VOC manifesteerde zich al snel als agressor, vestigde zich fysiek op vaste handelspunten en begon met de bouw van forten om

Jacob van Heemskerck. Op 15 maart 1599 bereikte het schip de eilanden van Banda, de enige locatie waar muskaatnotenbomen groeiden en nootmuskaat en foelie (de zaadmantel die de noten omsluit) geoogst werden. (1)

een handelsmonopolie met geweld te kunnen afdwingen. De handelswijze van de VOC dreigde de inheemse leefwijze te vernietigen en rukte eeuwenlange (handels)tradities en structuren binnen de lokale samenlevingen op de Molukken en Banda uit elkaar. Dit had desastreuze gevolgen, speciaal voor de Banda-eilanden.(2)

AANKOMST OP BANDA. | © QUIRIJN MAURITS RUDOLPH VER HUELL, MARITIEM MUSEUM ROTTERDAM, PD

54

De eilandbewoners waren voor hun levensbehoeften afhankelijk van verschillende handelspartners die noodzakelijke basisproducten konden leveren en de specerijen waren hierbij ruilmiddel. Daarnaast waren andere Europeanen bereid om meer te betalen dan de VOC. De aanslag op de traditionele manier van leven leidde vanzelfsprekend tot verzet. In meerdere grotere en kleinere oorlogen vochten de eilandbewoners voor hun handelsvrijheid en voortbestaan, waarbij de VOC bereid was met alle geweld het verzet te breken.

De productie en handel in de vruchten en bij­­­producten maakten de Europese (en wereldwijde) kopers en consumenten nadrukkelijk en essentieel – want financierend – onderdeel van het slavernijsysteem. De handel was zeer lucratief en naast de VOC-, latere staats- en private handelaren konden ook perkeniersfamilies in de achttiende en negentiende eeuw grote rijkdom verkrijgen met perkslavernij. (4) In 1628 waren er 34 perken op Lontor, 31 perken op Ai en drie perken op Neira. De grootte en het aantal slaafgemaakten verschilde substantieel tussen relatief vlak gelegen perken op Ai en bergachtige perken op Lontor en veranderde geregeld door aankoop van naburige perken of verdeling na overlijden of bij schulden. Ook kwam het voor dat stukjes grond werden nagelaten aan vrijgelaten slaven. Het oorspronkelijke aantal van 68 perken was gereduceerd

Gouverneur-Generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) ontketende in 1621 een bijzonder brute en genocidale militaire campagne op de Bandaeilanden. Nederzettingen werden vernietigd en er vond een slachting plaats onder de bevolking, krijgsgevangenen werden weggevoerd en tot slaaf gemaakt. De eilandengroep bleef bijna ontvolkt achter met slechts ongeveer 1000 inwoners van het geschatte oorspronkelijke aantal van 10.000-15.000.

tot 34 toen Maurits Ver Huell in 1817 op de Bandaeilanden arriveerde.

Perkslavernij De eilanden werden verkaveld tot ‘perken’ en verpacht aan Europese vrije burgers en oud-werknemers van de VOC, die als ‘perkeniers’ verantwoordelijk waren voor een gegarandeerde productie. Tot slaaf gemaakte mensen afkomstig uit andere delen van de Indonesische archipel, de kuststreken van India, het Malakka-schiereiland en de Chinese kust verrichten alle arbeid. Ook kwam een deel van de krijgsgevangen en verbannen eilandbewoners, voornamelijk vrouwen en kinderen, terug naar hun geboortegrond om hier nu als ‘perkslaven’ op de plantages dwangarbeid te verrichten.

Bronnen en verder lezen: (1) Nationaal Archief Den Haag, 1.04.01 Inventaris van de archieven van de Compagnieën op Oost-Indië, 1594-1603, inv.nr. 51, Reisjournaal gehouden op de Gelderland door Jacob Heemskerck. Over de daaropvolgende reis van de Gelderland naar de Molukken en Banda is een fraai geïllustreerde reisverslag gepubliceerd: Moree, Perry, De reis van het Schip Gelderland naar Oost-Indië, 1601-1603 (Zutphen 2001). (2) De belangrijkste eilanden uit de vulkanische eilandengroep zijn Banda Neira, Lontor (Banda Besar), Ai, Run, Gunung Api en Hatta (Rosengain). De eilanden waren verenigd in losse federatieve verbanden onder lokale bestuurlijke leiders, orang kaya. Met de noordelijker gelegen Molukse eilanden vormen zij tegenwoordig de Indonesische provincie Maluku. (3) Loth, ‘Pioneers and Perkeniers’, p. 35. (4) Ver Huell, Q.M.R., Herinneringen van eene Reis naar Oost-Indiën I (1835), p.102-103. Op pp. 110-114 beschrijft Maurits het gehele proces zoals hij van onder meer Ida Magdalena Vrijmoed heeft uitgelegd gekregen. Zie ook het manuscript van de Herinneringen, Gelders Archief, Toegang 2039, inv.nr. 60, pp. 132-151, scans 79-88. Voor het schrijven van dit Spoor heb ik voor achtergrondinformatie dankbaar gebruik gemaakt van de volgende literatuur: Baay, Reggie, Daar werd wat gruwelijks verricht. Slavernij in Nederlands-Indië (Amsterdam 2015).

Hierin speciaal hoofdstuk 2: ‘Om te “peupleren” en voor de perken’, pp. 81-100; Fraassen, Chris F. van, Een romanticus bij de marine. Het leven van Maurits Ver Huell tegen de achtergrond van zijn milieu en zijn tijd (Zutphen 2008), pp. 193-229; Hagen, Piet, Koloniale oorlogen in Indonesië (Amsterdam/Antwerpen 2018), pp. 126-133; Knaap, Gerrit, e.a., Oorlogen overzee. Militair optreden door compagnie en staat buiten Europa, 1595-1814 (Amsterdam 2015), pp. 76-79; Loth, Vincent, ‘Pioneers and Perkeniers: The Banda Islands in the 17th Century’, in: Cakalele 6 (1995), pp. 13-35; Manuhutu, Wim, ‘Mokum en Maluku’, in: Pepijn Brandon, Guno Jones, Nancy Jouwe en Matthias van Rossum (red.), De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek (Amsterdam 2020) pp. 140-148.

De perkslavernij op de Banda-eilanden is een vroege vorm van plantageslavernij, vergelijkbaar met wat later in het Atlantisch gebied gebeurde en vormde een uitzondering binnen de Indonesische archipel. Zij is daarom ook wel omschreven als ‘Caribische koekoek in een Aziatisch nest’. (3) Met de invoering van perkslavernij werden nootmuskaat en foelie expliciete slavernijproducten.

© Aschwin Drost, CC-BY-NC

55

Roosje in de herinneringen van Maurits Ver Huell Drie vrouwen in de Indonesische archipel volgens Maurits Ver Huell 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg (familiegraf / monument).

Slaafgemaakten zijn binnen het verhaal van overheersing en winstbejag in de wereldomvattende handel in nootmuskaat en foelie als mensen pijnlijk afwezig. Administratieve bronnen en plantageinventarissen van de perken op Banda zijn minder nauwkeurig en minder volledig dan die uit het Atlantische gebied. Soms, zoals in de reisbeschrijvingen van Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell (Zutphen, 11 september 1787 – Arnhem, 10 mei 1860), kan een glimp worden opgevangen van inheemse en tot slaaf gemaakte mensen, hun nakomelingen en de omstandigheden waarin zij leefden. Maurits Ver Huell was een marineofficier met grote passie voor natuur en tekenen. In 1817 verbleef hij ruim een maand op de Banda-eilanden. Naast zijn officiële rol en functie binnen het koloniale systeem had hij oog voor de natuur, cultuur en de lokale bevolking op de eilanden. In 1835/36 verscheen van zijn ervaringen een tweedelig reisverslag, Herinneringen aan eene Reize naar de Oost-Indiën. Hoewel ook hierin het perspectief van de kolonisator en bezetter leidend is en Maurits’ eigen beleving centraal staat, zijn de beschrijvingen van de ontmoetingen met inheemse en tot slaaf gemaakte mensen als Roosje bijzonder.

ROOSJE, KLEURTEKENING © QUIRIJN MAURITS RUDOLPH VER HUELL, COLLECTIE MUSEUM ARNHEM - PD

weer herinnerde en haar alsnog vereeuwigde in de gepubliceerde uitgave. Het schilderachtige beeld dat Maurits Ver Huell schetst van Roosje doet bijna idyllisch aan en staat in schril contrast met de harde werkelijkheid van de perkslavernij: dwangarbeid onder een hard regime en een onmenselijk bestaan in onvrijheid, als eigendom van een parasitaire slavenhouder.

Roosje Opvallend is dat het verhaal van de jonge perkslavin Roosje aanvankelijk ontbreekt in het manuscript dat Ver Huell voor de Herinneringen heeft geschreven. Uiteindelijk kreeg zij wel een plaats in de definitieve versie. Het is alsof Maurits zich na het schrijven, het doornemen van zijn ter plaatse gemaakte schetsen en het uitwerken hiervan tot kleurtekeningen en aquarellen, Roosje en de ontmoetingen met haar

Klein verzet De voortdurende angst waarin slaafgemaakten leven blijkt direct bij de ontmoeting met Roosje. Tijdens een van zijn wandelingen kwam Ver Huell “onverhoeds bij

56

Historische Roosje Van Fraassen en Klapwijk hebben geprobeerd de historische Roosje te achterhalen. Uit de beschikbare bronnen en genealogische gegevens komt één persoon in aanmerking als Roosje. Op 28 mei 1828 wordt een dan tienjarig meisje Eliza Hermanus gedoopt op Banda. Zij is op 28 januari 1818 geboren als dochter van de ‘heidense’ Roossie, waarschijnlijk een perkslavin. Verdere gegevens over deze Roossie en het muskaatnotenperk waar zij als slaafgemaakte tewerkgesteld was ontbreekt vooralsnog, zodat niet met zekerheid gesteld kan worden dat zij de door Ver Huell beschreven en getekende Roosje is. (2)

eene jonge perkslavin, die, in de aarde wroetende, er eene noot uithaalde”. Roosje voelt zich betrapt en wanneer Maurits naar haar naam informeert is haar angst onmiskenbaar, “daar zij zeker moest vooronderstellen, dat ik haar bij den perkenier, haren meester, zoude verraden, waarop eene strenge straf zoude volgen”. Roosje vertelt dat zij al eerder is gestraft omdat zij volgens de opzichter niet genoeg noten had verzameld en dat zij “nu en dan in stilte eene bijkans rijpe noot in de aarde [begraaft], die den anderen morgen open is”. Deze manier om bijna rijpe noten ‘voor later’ te verzamelen was voor Roosje en andere perkslaven een mogelijkheid tot klein verzet tegen het slavernijregime.(1)

Bij het vertrek van Ver Huell van Lontor “stond Roosje op het strand om mij vaarwel te zeggen, en nam nu tot een aandenken een paar ropijen van mij aan”. Roosje was niet de enige vrouw van wie Maurits afscheid nam. Ida Magdalena Vrijmoed, de

Onafhankelijk De beschrijving toont de machtsongelijkheid tussen de tot slaaf gemaakte jonge vrouw en de vertegenwoordiger van de koloniale macht die beslist over straffen of belonen. Ver Huell stelt Roosje naar eigen zeggen gerust, hij zal haar niet verraden en schenkt Roosje in vertrouwen een “ropij”, een Indische gulden. Uit de manier waarop Maurits de ontmoeting met Roosje beschrijft, blijkt duidelijk dat hij van haar gecharmeerd was. Werd Roosje ‘beloond’ omdat zij een mooie jonge vrouw was? Hoe voelde dit voor haar? Ver Huell gaf de slaafgemaakten van Bojauw opdracht om “alle de zeldzaamheden, die zij vonden, bij mij te brengen, en Roosje bragt mij in verukking van vreugde, terwijl ik in de warande van het huis des perkeniers van mijne wandeling uitrustte, eene fraaije rups op den tak van een’ heester”. Opnieuw bood Maurits haar een ropij aan, maar dit keer weigerde zij het muntstuk. Roosje toont hiermee haar onafhankelijkheid, zij mocht dan tot slaaf gemaakt zijn, maar voor alles was zij een vrouw die zelf bepaalt of en wanneer zij een geschenk aanneemt.

eigenaresse van Bojauw, was er ook. Bronnen en verder lezen: (1) De citaten in dit spoor m.b.t. Roosje zijn afkomstig uit: Ver Huell, Q.M.R., Herinneringen van eene Reis naar Oost-Indiën I (1835), pp.108-110, via: Fraassen, Chris F. van & Pieter Jan Klapwijk, Herinnering aan een reis naar Oost-Indië. Reisverslag en aquarellen van Maurits Ver Huell, 1815-1819 (Zutphen 2008). (2) Fraassen/Klapwijk, Herinnering aan een reis naar Oost-Indië, p.190, noot 384. De suggestie dat Eliza mogelijk een dochter is van Maurits Ver Huell bevat zoveel aannames dat dit zeer onwaarschijnlijk is. Hopelijk kan de digitalisering van de Molukse DTB-gegevens waaraan momenteel gewerkt wordt meer licht op Roosje werpen. In de ‘Levensherinneringen’ is Ver Huell bijzonder openhartig over de verschillende (kortstondige) amoureuze contacten en relaties tijdens zijn leven en reizen. Hij maakt nergens melding van een relatie met Roosje, zoals hij dit bijvoorbeeld wel doet met de (niet met naam genoemde) Ida Magdalena Vrijmoed. De ‘Levensherinneringen’ zijn digitaal beschikbaar via Gelders Archief, Toegang 2039, inv.nr. 58.

© Aschwin Drost, Scribe Diem, CC-BY-NC

57

Ida Magdalena en muskaatnotenperken Drie vrouwen in de Indonesische archipel volgens Maurits Ver Huell 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg (familiegraf / monument).

Op 27 maart 1817 arriveerde het schip Admiraal Evertsen onder commando van marineofficier Maurits Ver Huell bij Banda Neira. Hier vond op 2 april ten overstaan van Ver Huell de machtsoverdracht van de Banda-eilanden uit Britse handen aan het Nederlandse koloniale regime plaats. Diensten aanbieden Ver Huell was op dat moment de belangrijkste vertegenwoordiger van het Nederlandse koloniale gezag op de eilanden. De lokale bestuurders, vaak ook perkeniers, deden alles om hem van dienst te zijn en boden veelvuldig de diensten van de slaafgemaakten uit hun huishouden of perken aan. Cornelis van Aart (1763-vóór 1825) was naast bestuurder op Neira beheerder van het muskaatnotenperk Bojauw op Lontor. Hij bood de residentiewoning voor gebruik aan, waardoor Ver Huell abusievelijk in de veronderstelling is dat Van Aart ook de eigenaar van de plantage is.(1) Ida Magdalena Vrijmoed Maurits ontmoette op Bojauw “eene jonge knappe weduwe, eigenaresse van een der nooten perken”. Er ontstond een liefdesrelatie tussen de twee, maar wat Maurits niet lijkt te hebben beseft is dat zij de eigenaresse van het muskaatnotenperk Bojauw was. De amoureuze verhouding wordt niet vermeld in het gepubliceerde reisverslag, maar is door Maurits wel uitgebreid beschreven in de ongepubliceerde zogenoemde ‘Levensherinneringen’.(2)

PLUK VAN MUSKAATNOTEN OP HET EILAND LONTOR, BANDA. AQUARELSCHILDERING QUIRIJN MAURITS RUDOLPH VER HUELL. COLLECTIE MARITIEM MUSEUM ROTTERDAM, P2161-31.

muskaatnotenperk en alle aan het perk gebonden slaafgemaakten. Ida trad in 1821 in het huwelijk met Van Aart, na het overlijden van diens echtgenote. Toen Ida op 12 april 1829 overleed, kwam Bojauw in handen van haar zoon Wilhelmus van der Sluijs (1794-1862).(3)

Ida Magdalena Vrijmoed is op 3 december 1786 gedoopt als dochter van Michiel Vrijmoed en een slavin, over wie verder helaas niets bekend is. Ida is gehuwd geweest met de eerder in 1817 overleden Willem van der Sluijs die sinds 1794 perkenier van Bojauw was. Na zijn dood werd Ida, dochter van een tot slaaf gemaakte vrouw, zelf eigenaresse van het

De verschillende huwelijken van Ida laten een over­­­ levingsstrategie zien en een sociale mobiliteit die voortkwam uit de relaties tussen koloniale machthebbers en tot slaaf gemaakte inheemse bewoners. Ida, dochter uit een dergelijke ‘gemengde relatie’ en dochter van een slaafgemaakte, was als

58

plantagehoudster zelf eigenaresse van de slaven op het muskaatnotenperk Bojauw, waaronder Roosje.

slaafgemaakten op “een soort van draagstoelen, aan weerszijde van twee lange bamboezen voorzien, aan de einden zijn twee kortere gehecht, welke de slaven op de schouders nemen”. Op de veranda zien we Ver Huell nog eens zitten, met zicht op zee. Het roept de herinnering aan zowel de ontmoeting met Ida als met Roosje en rups op.

Ida informeerde Ver Huell over het muskaatnotenproces, van teelt tot oogst en verdere verwerking. Zij hielp hem ook bij het verzamelen van natuurhistorische voorwerpen en schakelde hierbij de hulp in van de andere perkeniers op het eiland. In Herinneringen aan eene Reis naar de Oost-Indiën beschrijft Ver Huell gedetailleerd over zijn verblijf op muskaatnotenperk Bojauw en hoe het leven van de tot slaafgemaakten strak verliep op de “perkklok”, waarbij de perkslaven in alle vroegte naar de muskaatbomentuinen vertrokken voor onderhoud of de oogst.

De aquarellen over Banda geven een idyllische indruk, de verbeelding van Ver Huell. Wat ontbreekt zijn de veelvuldige en excessieve straffen door perkeniers en de opzichters, ‘mandoers’, die werden aangesteld om de slaafgemaakten in de gaten te houden om verzet, opstand en vluchten te voorkomen. Uit de ontmoeting van Maurits met Roosje bleek al dat angst voor bestraffing continu aanwezig was. Inhumane behandeling en ziekten kostten vele levens.(4)

Aquarellen van Lontor Met de aquarel laat Ver Huell vanuit zijn verbeelding verschillende elementen zien uit het dagelijkse leven op de door slavernij gedreven perken. We zien tot

Bronnen en verder lezen:

slaaf gemaakte volwassenen en kinderen terugkomen van de notenpluk, manden gevuld met vruchten en bundels gesprokkeld hout.

(1)

Ver Huell, Q.M.R., Herinneringen van eene Reis naar Oost-Indiën I (1835), p. 102; Fraassen, Chris F. van & Pieter Jan Klapwijk, Herinnering aan een reis naar Oost-Indië. Reisverslag en aquarellen van Maurits Ver Huell, 1815-1819 (Zutphen 2008), p. 182-183, 601. (2) Ver Huell, Q.M.R., ‘Levensherinneringen’, gedigitaliseerd en online beschikbaar via: Gelders Archief, Toegang 2039, inv.nr. 58, scans 0487-0490. (3) Het geboortejaar van Ida is niet bekend, de doop heeft meerdere jaren na haar geboorte plaatsgevonden aangezien haar zoon in 1794 is geboren. Na het overlijden van Van Aart trad Ida nog een derde keer in het huwelijk, met de Bandanese perkenier Franciscus Johannes Fredericus von Salgary (1793-1852). De gegevens van Ida Magdalena Vrijmoed zijn gebaseerd op Van Fraassen, Chris F. van, Een romanticus bij de marine. Het leven van Maurits Ver Huell tegen de achtergrond van zijn milieu en zijn tijd (Zutphen 2008), p. 356-357. (4) Voor behandeling, bestraffing en mishandeling zie o.a. Baay, Reggie, Daar werd wat gruwelijks verricht. Slavernij in Nederlands-Indië (Amsterdam 2015), pp. 98-118, Loth, Vincent, ‘Pioneers and Perkeniers: The Banda Islands in the 17th Century’, in: Cakalele 6 (1995), p. 25.

Op de schildering is op drie plekken een hoogwaardigheidsbekleder te zien. Hier verwijst Maurits naar zichzelf. Rechtsvoor zit hij als administrateur, wellicht met de cijfers van de opbrengsten van de muskaat­ notenperken die hem door de Britten waren overhandigd. Hij wordt uit de zon gehouden door een slaafgemaakte vrouw. Links zien we hem rondgedragen op een draagstoel, verwijzend naar de tour die Ver Huell langs de perken op Lontor had gemaakt, hierbij deels “gemakkelijk voortgedragen” door

© Aschwin Drost, Scribe Diem, CC-BY-NC

59

Christina Martha Tiahahu en Maurits Ver Huell Drie vrouwen in de Indonesische archipel volgens Maurits Ver Huell 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg (familiegraf / monument).

geboren in de dorpsgemeenschap Abubu op het eiland Nusalaut. Een precieze geboortedatum is onbekend, net als die van haar doop. En wanneer zij pas als tiener is gedoopt, wat was dan de inheemse naam van het meisje ‘Christina Martha’?(3) Over haar moeder is niets bekend, niet eens een naam. Zij moet al vroeg zijn overleden. Christina’s vader Paulus Tiahahu was een (christelijke) Molukse strijder tegen het Nederlandse koloniale regime en was de vijftig ruim gepasseerd toen zijn dochter werd geboren. Het geslacht van Tiahahu behoorde tot de stichters van Abubu en vervulde al eeuwenlang de functie van ‘kapitan’, voorvechter van de dorpsgemeenschap. Paulus werd door de Nederlanders beschouwd als een van de belangrijkste opstandelingen van het eiland Nusalaut. In alle contemporaine bronnen wordt Christina Martha omschreven als de wapendraagster van haar vader. Het is niet duidelijk welk direct aandeel zij in de oorlog hebben gehad. CHRISTINA MARTHA DOOR MAURITUS VER HUELL. © MAURITS VER HUELL, MUSEUM ARNHEM, GM 01361, PD.

“Met eene kruis-Orangbaai van Noessa Laut werd bij ons aan boord gebragt, het hoofd der muitelingen van dat eiland, Paulus Triago, Radja van Aboeboe, vergezeld van een jong en schoon Indiaansch meisje. Spoedig vernam ik, dat zij de eenige dochter van den gevangen Radja was, en Christina Martha heette. Bij alle gevechten tegenwoordig, had zij niet alleen de wapens van haren grijzen vader gedragen, maar zelfs onder de voorvechters den Tjakileli of krijgsdans mede gedaan, en in dapperheid en bloeddorstigheid uitgemunt”.(1) Wie was Christina Martha Tiahahu? Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk te geven. Bronnen zijn schaars en eenzijdig, lokale orale overleveringen lijken afwezig.(2) Christina Martha is

‘Zeer schadelijke sujetten’ Christina Martha Tiahahu kwam op 14 november 1817 als krijgsgevangene aan boord van het schip van Ver Huell. De Pattimuraoorlog was bijna ten einde. Ver Huell besteedt relatief veel aandacht aan deze jonge Molukse vrouw en de verhoren van de gevangengenomen strijders en oorlogsleiders, mogelijk omdat dit juist de gebeurtenissen zijn waarbij hij direct betrokken is geweest. Christina Martha werd vrijgesproken voor haar aandeel in de oorlog, haar vader werd wel veroordeeld en geëxecuteerd, zijn lichaam door Nederlandse matrozen en militairen onteerd. Christina Martha werd daarna “bij den schoolmeester van Aboeboe besteed”.(4) Christina Martha ontsnapte al snel aan haar huisarrest. Welke hoop op een toekomst in vrijheid zou zij hebben gehad? Haar ontsnapping was van korte duur,

60

de lokale elite van het eiland verzocht de Nederlandse bezetter om haar en andere “zeer schadelijke sujetten” van het eiland te verwijderen.(5)

Bronnen en verder lezen: (1) Ver Huell, Q.M.R., Herinneringen van eene reis naar de Oost-Indiën I, p.248; vergelijk het Journaal door 2e luitenant-ter-zee H.P.N. ‘t Hooft gehouden aan boord van het linieschip de Admiraal Evertsen, 1 december 1816 – 21 april 1819, d.d. 14 november. (2) Veel bronnen over de Pattimura oorlog, waarin Christina Martha Tiahahu soms (kort) wordt beschreven zijn samengebracht en bewerkt door Chr. van Fraassen en online beschikbaar. Naast deze bronnen en de geschriften van Q.M.R. Ver Huell heb ik bij het schrijven van de sporen over Christina Martha dankbaar gebruik gemaakt van de belangrijke studie van Hans Straver, Vaders en dochters. Molukse historie in de Nederlandse literatuur van de negentiende eeuw en haar weerklank in Indonesië (2018), speciaal pp. 133-228. (3) Christina Martha Tiahahu is geboren rond 1800, het is onduidelijk of zij als baby gedoopt is, of pas op latere leeftijd. Tijdens de Britse overheersing lag de kinderdoop grotendeels stil onder een baptistenpredikant. Vanaf 1815 worden met de komst van predikant Joseph Kam op de Ambonse eilanden geregeld massale doopplechtigheden gehouden na de dienst. (4) Ver Huell, Q.M.R., Herinneringen I, pp. 248-254; Gelders Archief, Toegang 2039, inv.nr. 60, Manuscript van de Herinneringen, pp 238-246, scans 0134-0139.

(5) Verbanning van opstandelingen van Nusalaut, Besluit Schout-bij-Nacht Commissaris-Generaal Buyskes, 9 februari 1818, no. 199. (6) Ver Huell, Q.M.R., Herinneringen I, pp. 270-272, Ver Huell, Q.M.R., Herinneringen II, pp. 1-3; Manuscript pp 257-259 en 268-269, scans 0144-0145 en 0150; vgl. Journaal H.P.N. ‘t Hooft (zie noot 1), subdato 23 december 1817, 2 januari 1818; zie ook Fraassen & Klapwijk, Herinnering (2008) p.325-326; Hagen, Koloniale oorlogen (2018) p.278-279.

Een tragische heldin Op 17 december kwam Christina Martha zo opnieuw bij Ver Huell aan boord, onderweg om te worden verbannen en weggevoerd naar een leven van dwangarbeid in slavernij. De gezondheid van Christina Martha verslechterde snel en zij weigerde medicatie en voedsel tot zij uiteindelijk op 2 januari 1818 op zee overleed. Christina Martha kreeg tussen de eilanden Buano en Obi een anoniem ‘zeemansgraf’ in de Seramzee.(6) Ver Huell is de enige ooggetuige die over Christina Martha Tiahahu heeft gepubliceerd en haar beeltenis op papier heeft vastgelegd. Zijn beschrijving, verbeelding en publicaties spelen een belangrijke rol in de beeldvorming en status van nationale heldin, waarbij feit en fictie steeds meer zijn vermengd. Lees hier meer over in Pahlawan nasional Martha Christina.

© Aschwin Drost, Scribe Diem, CC-BY-NC

TERECHTSTELLING PAULUS TIAHAHU BIJ FORT BEVERWIJK OP HET EILAND NUSALAUT | © COLLECTIE MARITIEM MUSEUM ROTTERDAM, MMR P2161-50, PD.

61

Pahlawan nasional Martha Christina Drie vrouwen in de Indonesische archipel volgens Maurits Ver Huell 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg (familiegraf / monument).

Auteurs, biografen en historici hebben vanaf midden negentiende eeuw bij de beschrijving van Christina Martha Tiahahu veelvuldig teruggegrepen op de Herinneringen van eene reis naar de Oost-Indiën die Maurits Ver Huell in 1835-1836 in twee delen publiceerde. Aan haar verhaal zijn vanaf het begin veel fictieve elementen toegevoegd.

die het levensverhaal van Christina Martha vanuit haar perspectief heeft overgedragen.(4) Wie is Martha Christina Tiahahu? Het voortleven van Christina Martha als Martha Christina is niet per se gebaseerd op historische werkelijkheid en de reden voor de opvallende omdraaiing van de voornamen blijft onduidelijk. Martha Christina is in 1969 uitgeroepen tot Pahlawan

Feit en fictie Dit gebeurde al door Ver Huell zelf, die Christina Martha net als eerder al Roosje beschrijft, met de hem kenmerkende Europees paternalistische houding en tegelijkertijd vol verwondering en romantische bewondering. Oprecht geïnteresseerd en met empathie, niet zelden ook bijzonder denigrerend over de inheemse bevolking. In zijn beeldvorming voegt Ver Huell bijbehorende waarden en karaktereigenschappen toe.(1)

Kemerdekaan Indonesia, ‘Heldin van de Indonesische Vrijheid’. Als Pahlawan nasional, nationale heldin, is zij van onschatbare waarde als instrument en verbindende factor in het grote en verscheiden Indonesië. Een land vol littekens uit het verleden – aangebracht door koloniale bezetters en de verschillende regionale en religieuze bevolkingsgroepen onderling. Net als Pattimura wordt Martha Christina ingezet door maatschappelijke organisaties en ter inspiratie van jongere generaties. Daarnaast speelt zij een belangrijke rol bij de emancipatie van meisjes en vrouwen. Keerzijde van deze institutio­ nalisering van Indonesische geschiedenis is, speciaal voor de Molukken, dat, net als de koloniale geschiedschrijving, de Indonesische geschiedenis een opgelegd verleden is.(5)

Na of bij het schrijven van zijn Herinneringen raakte Ver Huell opnieuw zo geïnspireerd door Christina Martha, dat hij haar gebruikte als personage in een fictieve liefdesgeschiedenis. ‘Christina Martha. Oostersch-Romantisch-Historisch-Tafereel’ speelt tegen de achtergrond van de Pattimura-oorlog. Op 28 februari 1837 droeg Maurits deze vertelling voor bij de Rotterdamse afdeling van de prestigieuze Hollandse Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen. (2) In loop der tijd werden door latere auteurs veel ‘nieuwe’ fictieve elementen en gebeurtenissen toegevoegd aan het karakter en de daden van Christina Martha. Zacharias, auteur van de Indonesische staatsbiografie over ‘Martha Christina’ schrijft dat de historische bronnen buitengewoon schaars zijn en de overgeleverde verhalen overwoekerd door verzinsels.(3) Op Nusalaut of binnen de familie Tiahahu lijkt geen lokale orale traditie te zijn geweest

POSTZEGEL VAN MARTHA CHRISTINA UIT 1999. | © PD.

62

Levende geschiedenis De historische Christina Martha, zo ongelukkig, kwetsbaar en eenzaam in gevangenschap aan haar einde gekomen, leeft voort in de sterke en onafhankelijke vrouw Martha Christina en is zo levende geschiedenis geworden. De rol van Martha Christina als agent naar zelfbeschikking en -bestemming is uiteindelijk in oorsprong gebaseerd op het beeld dat Maurits Ver Huell van Christina Martha creëerde. Zijn verhaal over haar hartstochtelijke inzet en strijd vormde de basis van mythe- en beeldvorming. Al blijft het tragische leven van de jonge vrouw helaas grotendeels ongrijpbaar, de historische Christina Martha mag niet worden vergeten en verdient herinnering. Bronnen en verder lezen: (1) Ver Huell, Q.M.R., Herinneringen II, pp. 1-3; Gelders Archief, Toegang 2039, inv.nr. 60, Manuscript van de Herinneringen, pp 268-269, scan 0150. (2) GA 2039, inv.nr. 64; Hans Straver heeft in 2013 een gepubliceerde uitgave bezorgd en toegelicht. (3) Zacharias, L.J.H., Martha Christina (Jakarta 1984), p. 3-4. Vertaling en origineel citaat via Straver, Vaders en dochters, p.216-217. Voor een gedegen beschrijving en beoordeling van de verschillende bronnen en literatuur over Christina Martha, zie Straver, Vaders en dochters, pp. 199-223.

(4) Wanneer de voorouderlijke geschiedenissen in de eerste decennia van de 20e eeuw op schrift worden gesteld, ontbreken daarbij de verhalen van Christina Martha en Paulus Tiahahu en hun rol tijdens de Pattimura-oorlog. (5) Straver, Vaders en dochters, pp. 223-228

STANDBEELD VAN VRIJHEIDSSTRIJDSTER MARTHA CHRISTINA TIAHAHU (1800-1818). © HENK VAN RINSUM, COLLECTIE TROPENMUSEUM AMSTERDAM, TMNR_20017956,...

© Aschwin Drost, Scribe Diem, CC-BY-NC

63

De Pattimura-oorlog, strijd voor vrijheid Drie vrouwen in de Indonesische archipel volgens Maurits Ver Huell 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg (familiegraf / monument).

De noordelijke Molukken en de Ambonse eilanden vormden de belangrijkste locaties voor kruidnagel. Net als op de zuidelijker Banda-eilanden werd door Nederlandse kolonialisten met bruut geweld een monopolie afgedwongen. De kruidnagelteelt werd geconcentreerd op Ambon en de omliggende eilanden Haruku, Saparua en Nusalaut, met grootschalige inzet van dwangarbeid door mensen in slavernij.(1) Wisseling van koloniale bezetter Vanaf 1796 kwamen de eilandbewoners in de Indonesische archipel als gevolg van oorlogen in Europa afwisselend onder Nederlandse en Britse koloniale bezetting. Na de definitieve val van Napoleon in 1815 werd de ‘teruggave’ van de koloniën opnieuw vastgelegd. Niet aan de lokale bevolking, maar opnieuw aan de Nederlandse kolonialisten.(2) De machtsoverdracht werd eiland voor eiland afgedwongen door de Nederlanders. Er was tegenwerking van Britse bestuurders en zeker in de buitengebieden was er veelvuldig verzet van lokale leiders en bevolking. De inheemse samenlevingen waren de voorbije decennia nooit betrokken bij de veranderingen, besluitvorming en maatregelen van opeenvolgende Europese koloniale bezetters. Opnieuw werd vanuit Europa over de hoofden van de bevolkingsgroepen over lijf en leven beslist.

Pattimura-oorlog Enkele weken na de Nederlandse machtsovername op de Ambonse en Molukse eilanden brandde in mei 1817 de Pattimura-oorlog, genoemd naar de Molukse oorlogsleider Thomas Matulessy (1783-1817), in alle hevigheid los.(3) De oorlog is direct terug te voeren op het hardvochtige beleid gedurende de vorige Nederlandse

THOMAS MATULESIJA, OPPERHOOFD DER REBELLEN. © MAURITS VER HUELL, COLLECTIE MUSEUM ARNHEM, GM 01358, PD.

bezetting tussen 1808-1811, onder de Gelderse gouverneur-generaal Herman Willem Daendels (1762-1818). Hij had geen oog voor de bewoners van de archipel, laat staan voor de mensen in slavernij. De Patriottische ideeën van vrijheid en gelijke rechten, waarmee Daendels in Nederland bekend geworden was, golden blijkbaar niet voor de bewoners van de Indonesische archipel. Zijn prioriteit lag bij de verdediging van de kolonie tegen de Engelsen, waarbij de eilandbevolking en slaafgemaakten gedwongen ingezet werden. Onmenselijke omstandigheden hadden duizenden levens geëist.(4)

64

Een hardvochtige kolonisator De angst voor terugkeer naar het inhumane Nederlandse beleid onder Daendels vormde een belangrijke drijfveer voor de Pattimura-oorlog. In de Nederlandse bronnen wordt de oorlog omschreven als muiterij en opstand, als was het slechts een rebellie tegen het wettelijke gezag. Hiermee worden de drijfveren van de Molukkers en hun strijd tegen onderdrukking en een vrij leven op de Molukse eilanden tekort gedaan. Onder leiding van Thomas Matulessy werd een lijst met klachten tegen het Nederlandse bestuur opgesteld, afgesloten met een waarschuwing en ondertekend door de regenten van de verschillende eilanden. De oorlog werd in eerste instantie niet gevoerd tegen koloniale overheersing op zichzelf, of voor Molukse onafhankelijkheid. De strijd ging wel en expliciet om vrijheid van leven.

Op 16 december werden de voornaamste gevangen vrijheidsstrijders, waaronder Kapitan Pattimura, opgehangen. Ruim honderd opstandelingen werden jarenlang in slavernij gehouden en tewerkgesteld op Java. Enkele maanden later zou een brief van Maurits Ver Huell onbedoeld krantenlezers in Nederland bekend maken met de Pattimura-oorlog. Lees hier meer over Ver Huell als bron voor de oorlog Bronnen en verder lezen: (1) Manuhutu, Wim, ‘Mokum en Maluku’, in: Pepijn Brandon, Guno Jones, Nancy Jouwe en Matthias van Rossum (red.), De slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek (Amsterdam 2020), pp. 143-145; zie voor kruidnagelmonopolie ook G. Knaap, Kruidnagelen en christenen. De VOC en de bevolking van Ambon, 1656-1696 (Leiden 2004). (2) Voor bronnen en literatuur over de Pattimura-oorlog zie: ‘Bronnen betreffende de Midden-Molukken 1796-1902’ via: ; Fraassen, Chris F. van & Pieter Jan Klapwijk, Herinnering aan een reis naar Oost-Indië. Reisverslag en aquarellen van Maurits Ver Huell, 1815-1819 (Zutphen 2008); Fraassen, Chris F. van, Een romanticus bij de marine. Het leven van Maurits Ver Huell tegen de achtergrond van zijn milieu en zijn tijd (Zutphen 2008) speciaal hoofdstukken VIII-XIII; Hagen, Piet, Koloniale oorlogen in Indonesië (Amsterdam/Antwerpen 2018), p.274-280; Straver, Hans, Vaders en dochters.

Molukse historie in de Nederlandse literatuur van de negentiende eeuw en haar weerklank in Indonesië (Hilversum 2018), hoofdstuk 3, ‘Een historie van Saparua’, pp. 133-228. (3) Matulessy, ook wel Matulesia genoemd in 19e-eeuwse bronnen, geniet vooral bekendheid onder de naam Kapitan Pattimura: Patih=vorst, murah=grootmoedig. Onder deze naam is hij in 1973 ook tot Pahlawan Nasional, nationale held, uitgeroepen. (4) Over Daendels en ‘verlichting’ onder de Britten zie o.m. Hagen, pp. 250-261, 267-269, 277; Baay, Reggie, Daar werd wat gruwelijks verricht. Slavernij in Nederlands-Indië (Amsterdam 2015), pp. 170-174; Fraassen, Romanticus, p. 63-84.

Na de verovering van fort Duurstede op het eiland Saparua op 14 mei 1817 volgde in fases een bloedige strijd, waarbij aan beide kanten vele slachtoffers vielen. Pogingen tot onderhandelingen in juli liepen op niets uit. Uiteindelijk kregen de Nederlanders de overhand nadat eind september en begin oktober oorlogsschepen met versterkingen arriveerden, waaronder hulptroepen uit Ternate en Tidore. Na heftige gevechten verloren de Molukse strijders de greep over hun geboortegronden, waarna de eilanden door de Nederlanders opnieuw onderworpen werden.

© Aschwin Drost, Scribe Diem, CC-BY-NC

65

Maurits Ver Huell als bron voor de Pattimura-oorlog Drie vrouwen in de Indonesische archipel volgens Maurits Ver Huell 1800-1900 | Achterhoek Algemene Begraafplaats Doesburg, Meipoortwal, Doesburg (familiegraf / monument).

De Gelderse marineofficier, schrijver en tekenaar Quirijn Maurits Rudolph Ver Huell raakte in 1817 direct betrokken bij de Pattimura-oorlog. De enige bekende portretten van oorlogsleider Thomas ‘Pattimura’ Matulessy en Christina Martha Tiahahu zijn door Ver Huell gemaakt tijdens hun gevangenschap. In essentie gaan alle latere afbeeldingen terug op zijn tekeningen. Jarenlang gold dit ook voor zijn verslag van de Pattimura-oorlog. Ver Huell als bron Maurits Ver Huell is een bijzonder belangrijke bron voor de Pattimura-oorlog, al is hij slechts beperkt bij de directe oorlogshandelingen betrokken geweest. Hij diende aanvankelijk als eerste officier op het linieschip Admiraal Evertsen, vanaf maart 1817 als bevelhebber. De eerste oorlogsmaanden verbleef hij op het eiland Ambon, waar hij veel excursies maakte, tekende en verzamelde. De beschrijvingen hiervan in zijn gepubliceerde Herinneringen staan in schril contrast met de verschrikkingen van de bloedige strijd. Pas toen zijn schip naar de baai van Saparua werd gestuurd, raakte Ver Huell direct bij de oorlog betrokken. Hij was verantwoordelijk voor de logistieke taken en verzorgde ondersteunende kanonnades bij aanvallen op inheemse dorpen en versterkingen. Zijn schip deed daarnaast dienst als ‘gevangenis’. Voor Maurits was het neerslaan van de opstand, het straffen van aanstichters en tuchtigen van de bevolking legitiem.

Tegelijkertijd vond hij dat koloniale gezagsdragers en hun beleid niet mochten ontaarden in onderdrukking en slavernij.(1)

PORTRET VAN QUIRIJN MAURITS RUDOLPH VER HUELL (1787-1860) OP 25-JARIGE LEEFTIJD | © ANONIEM, COLLECTIE MUSEUM ARNHEM - PD

‘Oorlogscorrespondent’ Ver Huell vervulde onbedoeld een rol als ‘oorlogs­ correspondent’. Na afloop van de oorlog schreef hij vanuit de archipel een brief aan zijn vriend en voormalige ‘zeevader’ Kreekel.(2) Deze brief wordt anoniem geplaatst op de voorpagina (en volgende) van de Opregte Haarlemsche Courant van 25 juni 1818. Na publicatie waren voormalig Commissaris-Generaal (en Ver Huells opperbevelhebber) Buyskes en de militaire leiding in Nederland ‘not amused’: ontnomen was hun de kans om de berichtgeving te sturen, te censureren of te verzwijgen. “Buyskes zeer verbolgen

66

een schets van den oorlog in de Molukken in de Haarlemsche Courant te lezen”, schreef Ver Huell in de kantlijn van zijn Levensherinneringen bij de paginalange beschrijving over hoe hij op het matje moest komen. Buyskes had hem nog toegebeten dat “zij die mij vooruit loopen zullen ondervinden dat zij achter uit zullen gezet worden. – Het zij zoo”.(3) En inderdaad was de carrière van Ver Huell als zee-officier hierna voorbij. De rapportage van Ver Huell bleef echter nog jarenlang een belangrijke, zo niet de voornaamste, informatiebron over de oorlog in Nederlands Oost-Indië en is vrijwel geheel overgenomen in de Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden (1821).

In de brief spreekt Ver Huell ook over de gevangenname van belangrijke oorlogsleiders, waaronder “het Opperhoofd van Noessa Laout, welke zijne dochter, een meisje van 16 à 17 jaren, tot wapendraagster had; voor welk meisje men vergiffenis verworven heeft”. Het betreft Paulus Tiahahu en zijn dochter Christina Martha Geen woord echter over haar tragische einde aan boord van zijn schip. Bronnen en verder lezen: (1) Onder meer Herinneringen I, p. 127-128 en 219-220. (2) Ver Huell diende in 1807 onder commandant Willem Kreekel op De Vlieg. Onderweg naar Oost-Indië en gevechten met de Britten raakte de bemanning in Portugese gevangenschap (1808-1810) in San Salvador, Brazilië. Ver Huell publiceerde over de reis en gevangenschap in 1842 Mijne eerste zeereis. (3) Gelders Archief, Toegang 2039, inv.nr. 58 ‘Levensherinneringen’, folio 332-334 (scans 0592-0594).

© Aschwin Drost, Scribe Diem, CC-BY-NC

67

Christiaan van Molhoop (rond 1733-1816) en Kasteel Ampsen Augustus, Paramaribo en Plantage Molhoop (deel 1) 1700-1800 | Achterhoek Laan Ampsen 8a, Lochem

Huis Ampsen had al een oudere connectie met slavernij: de grootvader van Anne Willem Carel van Nagell (1756-1851), met wie Christiaan van Molhoop naar Lochem was gekomen, was Hendrik Jacob baron van Nagell, Bewindhebber van de provincie Gelderland voor de WIC. Geboorte

PORTRET VAN CHRISTIAAN VAN MOLHOOP IN DIENST BIJ BARON VAN NAGELL, DOOR OZIAS HUMPHRY, 1795.

De man op dit portret, Christiaan van Molhoop, woonde van 1803 tot zijn dood in 1816 op Huis Ampsen. Zijn hoofdtooi wijst op een status als livreidrager, een huisbediende aan een koninklijk of adellijk hof. Hij poseert geenszins als een onderdanige dienaar, maar kijkt de toeschouwer recht in de ogen. Eerder droeg dit schilderij van Ozias Humphry uit 1795 de titel ‘Baron Nagell’s Running Footman’.(1) Nieuw genealogisch onderzoek van Marjolijn Flobbe (2021) onthulde de naam en herkomst van de man: Van Molhoop, genoemd naar een Surinaamse plantage waar Christiaan in 1733 in slavernij was geboren. Tijd voor nader onderzoek naar zijn enerverende leven.

Omstreeks 1733 gaf de tot slaaf gemaakte Rosalina het leven aan een zoon, die de naam Augustus kreeg. (2) Niet zijn moeder of vader gaven hem die naam, de slavenhouder of directeur van de plantage deed dat. Vanaf zijn geboorte was hij in slavernij, een ‘creool’, volgens de koloniale administratie toen, niet in Afrika geboren. Augustus woonde in 1753 bij de weduwe Bertrand, die was hertrouwd met de weduwnaar Gerard Moll, eigenaar van plantage Molhoop. Augustus’ werk was: ‘Voetebooy’, ofwel loopjongen. Hij werkte dus niet op het veld om koffie en katoen te verbouwen, maar in en rond de directeurswoning op de plantage of in Paramaribo voor de directeur of eigenaar en zijn of haar familie. De hele dag voorzag hij hen van alles dat ze nodig hadden: drankjes, pijpen om te roken, gepoetste schoenen, de koele wind van een waaier, schaduw van de parasol of allerhande boodschappen. Of hij speelde met de kinderen als ‘speelslaaf’. Het was een dag- en nachtdienst. Johannes Moll uit het Land van Kleef was van 1737 tot zijn dood in 1753 eigenaar van de koffieplantage Molhoop. Aanvankelijk heette de plantage Mollenburg, maar door zijn huwelijk met de weduwe van de buurplantage breidde het bezit zich uit onder de nieuwe naam Molhoop, later in de volksmond Varan geheten.(3) Ten tijde van de geboorte van Augustus woonden er 102 slaafgemaakten op de plantage.

68

Oorlog en vrede Augustus was een jongeman rond 1750, toen het verzet van de Marrons in volle gang was. In het midden van de achttiende eeuw waren er al zo’n 3000 mensen ontsnapt uit gevangenschap en dwangarbeid en naar het bos gevlucht. In 1751 brak op de houtplantage La Paix aan de Tempati-kreek een grote opstand uit, die zich uitbreidde over andere plantages. De slaafgemaakten verzetten zich tegen de gedwongen verhuizing naar een suikerplantage. Militairen zetten het gebied in brand en de opstandelingen trokken zich terug in het bos. Toch leidde deze driejarige strijd tot onderhandelingen en uiteindelijk tot een bestand tussen een groep Marrons en de koloniale overheid.(4) Ook de slaafgemaakten op Molhoop aan de Cottica en de mensen in Paramaribo zullen van dit nieuws uit de buurt van de Commewijne hebben gehoord. Geweld Geweld op plantage Molhoop/Varan zelf komt ook direct uit de bronnen naar voren. Zo werd in 1769 – de plantage was toen eigendom van ‘de erven Moll en Bertrand’ – een vrouw genaamd Minerva van de plantage Molhoop door het hof van Politie ter dood veroordeeld en gebracht, waarna haar hoofd op een staak werd geplaatst. Zij zou brand hebben gesticht. Met zulke afschrikwekkend voorbeelden werd het systeem van slavernij gehandhaafd.(5) Augustus was toen al acht jaar weg uit Suriname.

Verzet Een wetenswaardig feit over Molhoop van ruim honderd jaar later is dat de vader van de antikoloniale strijder Anton de Kom (1898-1945) daar in 1862, een jaar voor de afschaffing van de slavernij, werd geboren. Zijn moeder was “de veldmeid Doortje”, hij heette Damon, doopnaam Adolf.(6) In de emancipatie registers staan zes personen met die achternaam en één persoon heet Kom, zonder ‘de’. Bronnen en verder lezen: (1) https://www.tate.org.uk/art/artworks/humphry-christiaan-van-molhoop-t13796. M. Flobbe, ‘Christiaan van Molhoop. De man achter het schilderij’. In: Gen.magazine juni 2021, p.6-9 (2) M. Flobbe (2021). In een nummer van Wi Rutu, het blad van de Stichting voor Surinaamse Genealogie, publiceert Marjolijn Flobbe een uitgebreider artikel over haar onderzoek. (3) Suriname Heritage Guide, document over plantage Molhoop (4) Karwan Fatah Black, https://www.maandvandegeschiedenis.nl/ page/10013/opstand-om-stil-te-staan (5) https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.05.03/invnr/161/ file/NL-HaNA_1.05.03_161_0195 (6) https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/index/nt00341/ dab74478-3b6e-45c0-9bbb-f47ae632cddd?searchTerm=kom-de geraadpleegd 18 november 2021

© Dineke Stam, mede gebaseerd op onderzoek van Marjolijn Flobbe, CC-BY-NC

PLANTAGE SUIKER VAN PLANTAGE MOLHOOP, 1848 SURINAAMSE COURANT. VAN DELPHER

PLANTAGE MOLHOOP AAN DE COTTICA, ALGEMENE KAART VAN SURINAME, ALEXANDER DE LAVAUX, 1737 – 1757

69

Amsterdam, op de Zierikzee en naar Demerara Christiaan van Molhoop (rond 1733-1816) en Kasteel Ampsen (deel 2) 1700-1800 | Achterhoek Laan Ampsen 8a, Lochem

Vertrek uit Suriname De Marron-oorlogen zijn de reden dat Augustus in 1761 Suriname verliet. Hij werd meegenomen door een neef van eigenaar Johannes Moll, Willem Gerard Moll. Als ”Sous luitenant” in de burgercompagnie moest Willem Gerard tegen Marrons vechten, maar hij hield dat niet vol. Hij voer als passagier met kapitein Corn. Spruijt naar Amsterdam en nam Augustus mee. (1) Willem Gerard had Augustus gekregen van Anna

Ruim een jaar later overleed Moll, met wie Christiaan was meegekomen uit Suriname. Welke betrekking Christiaan kort daarna als vrije man vervulde of hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag, is niet bekend.

Amalia Bertrand, de weduwe van Johannes Moll.

oorlog De Jonge Prins van Oranje, dat tot taak had op de “Middellandsche Zee tegen piraten” op te treden.(2) In november 1770 monsterde Christiaan aan op het schip Zierikzee en liet zich inschrijven als lidmaat van de Nederduits-gereformeerde kerk in Oost-Souburg.(3) De Zierikzee was een groot oorlogsschip van de Zeeuwse Admiraliteit, onderdeel van een eskader van

Oost-Souburg en op zee Waarschijnlijk meldde Christiaan zich bij de Admiraliteit omdat hij werk nodig had. Van april tot september 1768 was hij matroos op ’s Lands schip van

Doop in Amsterdam Op 14 juli 1763 deed Augustus, “een geboore heiden uit Suriname” belijdenis in de Amsterdamse Westerkerk, waar hij op 26 augustus 1763 werd gedoopt. Sindsdien heette hij Christiaan van Molhoop.

NEDERLANDS ESKADER OORLOGSSCHEPEN. H. KOBELL, 1777 | AFBEELDING SCHEPEN: UIT ART J.D. VLOT, ‘‘S-LANDS SCHIP “ZIERIKZEE” : DE GESCHIEDENIS VAN EEN ZEEUWS OORLOGSSCHIP 1733-1782’. IN: KRONIEK VAN HET LAND VAN DE ZEEMEERMIN (SCHOUWEN-DUIVELAND) 18 (1993), P. 57-74.

70

zes schepen dat strijd leverde in Noord-Afrika tegen onder andere Algiers. Het schip telde maar liefst 350 bemanningsleden en 64 kanonnen. Aan boord heerste rotkoorts (tyfus) waardoor ter hoogte van Portugal al honderd matrozen ziek waren. Anderhalf jaar later, in maart 1772, keerden de schepen terug. Minstens vijftig bemanningsleden waren gestorven inclusief de kapitein.

aan dat hij al veertien jaar in Nederland had gewoond. Hij kreeg de documenten en vertrok in november 1779 met het schip “De vrouw Anna Elizabeth en Anna” met acht andere passagiers naar Demerary. In juni 1780 kwam hij met een attestatie vanuit Den Haag wonen aan het Singel in Amsterdam, vanwaar hij februari 1788 naar Londen vertrok.(5) Of Christiaan zijn familie in Suriname heeft kunnen bezoeken, weten we niet. Maar de voorzorg die hij nam was zeker niet voor niets. Uit een notarieel document in Haarlem blijkt bijvoorbeeld dat Christiaan van der Vaart, die als slaafgemaakte was meegenomen door Jan Justus Swaving en rond 1810 als vrij man terugkeerde naar Berbice, daar opnieuw gevangen genomen was.

Demerara Dat Christiaan de tocht overleefde, getuigt van een sterke gezondheid en overlevingskunst. Hij kwam daarna in dienst bij Willem August van Sirtema van Grovestins (1740-1813) in Den Haag, gedeputeerde in de Staten-Generaal namens Friesland en hoofdparticipant van de WIC. Zijn vader was kamerheer van Willem IV.(4) In 1785 en 1791 werd W.A. Grovestins door Willem V benoemd tot Commissaris naar de West-Indische Eilanden, en na 1792 gouverneur van

Bronnen en verder lezen: (1) Originele scan Gouvernementsjournaal 24 juni 1761 (2) Zeeuws Archief, 508 Rekenkamer van Zeeland, ‘Rekenkamer C’, (1573) 1597-1805 (1808), 7981-7985 Acquitten behorende bij de 18e rekening over 1768. https://hdl.handle.net/21.12113/521234A547174CB1AC0 943E9C6780073 (3) Datum inschrijving was 1 januari 1771, waarschijnlijk omdat de exacte datum niet bekend was. Zeeuws Archief, DTBL Oost- en West-Souburg 5A (NG West-Souburg Naamlijsten van lidmaten 1649-1815), geraadpleeegd 16 januari 2022. https://hdl.handle.net/21.12113/6B35A7E70AA14 3589343E595497F2130 (4) B.Henkes, Sporen van het slavernijverleden in Fryslan. Groningen (De Passage) 2001, p. 30. Gouverneur Grovestins had nakomelingen met een tot slaaf gemaakte vrouw, die Snitsevorg heetten. Wikipedia schrijft over Willem August Grovestins dat hij ook relaties had met mannen. (5) Attestatie; Amsterdam Hervormde lidmaten 1763-1783, dank aan Marjolijn Flobbe.

de koloniën Essequebo en Demerary. In 1779 zou Christiaan met Grovestins naar Demerary gaan. Tevoren diende Christiaan een verzoek in bij de Sociëteit van Suriname. Hij wilde een bewijs van zijn vrijheid, om vanuit Demerary een bezoek aan Suriname te kunnen brengen. Hij was goed op de hoogte van het Plakkaat van 1776, een wet die in mei 1776 door de Staten-Generaal aangenomen is voor slaafgemaakten die naar de Republiek reizen. Voortaan zullen zij na aankomst nog zes maanden gevangen zijn in slavernij en daarna vrij worden verklaard. Die periode kan met zes maanden verlengd worden als hun zogenaamde eigenaren de noodzaak hiervan aannemelijk maken. Christiaan gaf expliciet

© Dineke Stam, mede gebaseerd op onderzoek van Marjolijn Flobbe, CC-BY-NC

CHRISTIAAN VAN MOLHOOP EEN VRIJ MAN. REGISTER OP NOTULEN VAN DE HOOGMOGENDE OVER 1779. HTTPS://WWW.NATIONAALARCHIEF.NL/ONDERZOEKEN/ARCHIEF/1.05.01.02/INVNR/86/FILE/ NL-HANA_1.05.01.02_86_0036

71

Londen: In dienst bij baron van Nagell Christiaan van Molhoop (rond 1733-1816) en Kasteel Ampsen (deel 3) 1700-1800 | Achterhoek Laan Ampsen 8a, Lochem

Loper In 1788 werd Christiaan in Londen ‘footrunner’ van Anne Willem Carel baron van Nagell van Ampsen, die net benoemd was als ambassadeur en een vertrouweling was van stadhouder Willem V. Waarschijnlijk heeft Christiaan via zijn contacten met Grovestins de aanstelling gekregen bij Van Nagell. De Grovestins correspondeerde met Van Nagell in 1789, vanuit Demarary en Curaçao.(1) Van Nagell was in 1788 gehuwd met Anna Catherina du Tour uit Den Haag.

aan dienaren van anderen in vermeld staan.(4) Wel is bekend dat in dezelfde periode in hetzelfde huis de twee kamerdienaren en “hofmoren” Cupido en Sideron verbleven.(5) Hun kostuums lijken veel op dat van Christiaan op het schilderij van Humphry. Vanaf 1802 was het beslag op de goederen opgeheven en in mei 1803 kwamen Van Nagell en gezin én Christiaan terug naar Nederland. Ook in Lochem schreef Christiaan zich in als lidmaat van de kerk. Op het kasteel waren later in de eeuw twee huisknechten,

Een ambassadeur als Van Nagell voerde een grote huishouding met wel zeventien personeelsleden, waaronder een ‘housekeeper’, zes personeelsleden in livrei, een kok, een keukenmeid, twee koetsiers en een gouverneur voor de kinderen.(2) In de stal stonden vier paarden.

twee keukenmeiden, een kamenier, een werkmeid, en een wasmeid. In de tijd van Christiaan was er waarschijnlijk meer personeel, ook een palfrenier (koetsbediende) wordt apart genoemd.(6)

Van Nagell kreeg als gezant en minister in 1793 een speciaal verzoek van de Sociëteit van Suriname om de handel op Barbados, Suriname en Engeland te helpen veiligstellen in geval van vredebreuk tussen de Fransen en Engelsen. Van Nagell was van 1781-1783 ook bewindhebber van de VOC. Al twee generaties voor hem waren twee Van Nagell-broers bewindhebber van de provincie Gelderland voor de WIC. Hun moeder had het benodigde kapitaal daarvoor verstrekt.(3)

(1) Nationaal Archief, 1.10.102 Anne Willem Carel baron Van Nagell, correspondentie inv.nr 9/1789. (2) L.H.M. Olde Meierink, Ampsen, de geschiedenis van een Gelders kasteel en zijn bewoners. (Lochem 1981) p 103, 104. (3) https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.05.01.02/ invnr/391/file/NL-HaNA_1.05.01.02_391_0049 (4) NA 1.10.102 Invnr: 57 Specificatie van uitgaven aan verschillende bedienden. (5) Esther Schreuder, Cupido en Sideron, Twee Moren aan het hof van Oranje, Amsterdam, 2017 p. 144, 145. (6) https://erfgoedcentrumzutphen.nl/onderzoeken/genealogie/persons?ss=%7B%22q%22:%22nagell%22%7D&pa

Bronnen en verder lezen:

© Dineke Stam, mede gebaseerd op onderzoek van Marjolijn Flobbe, CC-BY-NC

Hampton Court Van Nagell was een verzamelaar van schilderijen. Bij de Franse inval in de Republiek in 1796 werd Van Nagell ontslagen als diplomaat, zijn goederen werden in beslag genomen en hij moest vanwege de inkomsten schilderijen verkopen. Koning George III bood de ex-ambassadeur net als Willem V een woning aan op Hampton Court, waar Van Nagell en zijn huishouding gingen wonen. Over Christiaan van Molhoop, die daar ook verbleef, kon ik in de archieven van Hampton Court nog geen notities vinden, ook niet in de kasboeken van Van Nagell, waar wel bedragen

72

CUPIDO (LINKS) EN SIDERON. DE HOOFDTOOI VAN CHRISTIAAN LIJKT EEN BEETJE OP DIE VAN DE KAMERDIENAREN VAN WILLEM V, DIE OOK OP HAMPTON COURT IN LONDEN WOONDEN. RIJKSMUSEUM, ISAAC LODEWIJK LA FARGUE VAN NIEUWLAND, 1766,

73

TRAP OP AMPSEN, MET BOVENAAN HET PORTRET VAN ANNE WILLEM CAREL, BARON VAN AMPSEN. EN LINKS AAN DE ZIJKANT DRIE KLEINE SCHILDERIJEN MET ZWARTE BEDIENDEN

Valet op kasteel Ampsen Christiaan van Molhoop (rond 1733-1816) en Kasteel Ampsen (deel 4) 1700-1800 | Achterhoek Laan Ampsen 8a, Lochem

Huis Ampsen is alleen bij bijzondere gelegenheden geopend voor publiek. Om toch een indruk te krijgen kunt u een video gemaakt door het Historisch Genootschap Lochem Laren Barchem bekijken. Christiaan van Molhoop woonde op Huis Ampsen van 1803 tot zijn dood in 1816 op de leeftijd van ongeveer 83 jaar.(1) In de Volkstelling van 1813 staat hij genoteerd als “Valet, age inconnue”. Een valet was een persoonlijke dienaar. Christiaan was al vijftien jaar in dienst van Anne Willem Carel baron van Nagell van Ampsen (1756-1851) toen hij op Ampsen kwam.

OP BEZOEK BIJ LANDGOED AMPSEN

74

Familieschilderijen Het huis is volop gedecoreerd met familieschilderijen. Anne Willem Carel verzamelde schilderijen. Hij heeft oude meesters moeten verkopen in de Franse tijd, toen hij als trouwe aanhanger van Willem V in ballingschap in Londen was. Of hij ook de opdracht voor het schilderij van Christiaan heeft verstrekt? Marc weet dat niet, misschien is er meer te vinden in Tate London, waar het portret zich bevindt. BELLENBORD VOOR HET PERSONEEL OP AMPSEN. (FOTO’S DS)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=d8fc7c8c-3cca-4de5-bea1-04772e3bd69a