CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan Bedrijventerrein Seingraaf 2e partiële herziening (01526176).pdf

Raadsavond 5 oktober 2021, gemeente DuivenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening28.317 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

 De belangrijkste horecabestemming is en blijft de Arnhemse binnenstad, waar (anders dan bij het beoogde horecaconcept) de ‘totaalbeleving’ en de uitermate veelzijdige synergie tussen functies (horeca in alle marktsegmenten, leisure, retail, cultuur, uitgaan, evenementen, etc.) centraal staan. Het verzorgingsgebied van de binnenstad is bovenregionaal, de gemiddelde verblijfsduur lang en bezoekmotieven zijn vooral recreatief van aard.  Het centrum van Duiven zal eveneens een belangrijke horecabestemming blijven waar de ‘totaalbeleving’ en de synergie tussen functies centraal staan. Het verzorgingsgebied van het Duivense centrum is lokaal (en daarom anders dan het bovenregionale verzorgingsgebied van CenterpoortNieuwgraaf). Bovendien blijkt er marktruimte beschikbaar in het centrum van Duiven voor nieuw horeca-aanbod.

Hoofdstuk 4

25

4.4 Resumé Op basis van het onderzoek voorziet de ontwikkeling van Fresh & Fast duidelijk in zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte. Er is zowel in het verzorgingsgebied als in de gemeente Duiven marktruimte voor horeca, leisure en een tankstation berekend, wat betekent dat er ruimte is voor uitbreiding van onderscheidend aanbod, zoals wordt beoogd binnen Fresh & Fast. Ook blijft er ruim voldoende marktruimte over voor nieuwe horeca in het centrum van Duiven. Fresh & Fast zal bijdragen aan een hoogwaardig verblijfsklimaat, wat positief en noodzakelijk is voor de bezoekers aan winkelgebied Centerpoort-Nieuwgraaf, autopassanten en recreanten/toeristen. Onaanvaardbare effecten op de consumentenverzorging, de voorzieningenstructuur, de leegstand en in het verlengde daarvan het woon-, leef- en ondernemersklimaat zijn niet te verwachten.

Hoofdstuk 4

26

5.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

5.1 Verkeer 5.1.1 Toetsingskader Direct aan het bedrijventerrein Centerpoort Nieuwgraaf (in het vervolg te noemen Nieuwgraaf) grenst het bedrijventerrein Seingraaf. Op dit bedrijventerrein is een concreet plan voor de ontwikkeling van het project ‘Fresh & Fast’. Dit project bestaat uit de realisatie van horeca, Leisure en een tankstation. Het succes van de voorgenomen planontwikkeling is voor een belangrijk deel afhankelijk van een goede bereikbaarheid van het gebied. Het gaat dan zowel om een vlotte verkeersafwikkeling in het plangebied zelf als ook om een zorgvuldige bereikbaarheid vanuit de A12 en Centerpoort-Nieuwgraaf naar het plangebied. Naast een goede bereikbaarheid is het tevens van belang dat de werknemers en bezoekers hun auto op een goede manier kunnen parkeren. De auto is het belangrijkste vervoermiddel naar de beoogde voorzieningen van Fresh & Fast. Echter, een deel van de werknemers en bezoekers zal per fiets naar het gebied komen. Ook zij moeten veilig en vlot de voorzieningen kunnen bereiken en daarnaast ook hun fiets kunnen stallen. De voorgenomen ontwikkeling is daartoe op de volgende aspecten getoetst: De verkeersafwikkeling in het plangebied zelf als ook op het aansluitende wegennet dient robuust te zijn.

Op basis van verliestijden en wachtrijlengtes is de doorstroming op aanliggende kruispunten getoetst; Fietsers moeten het plangebied zonder onevenredig grote omrijdafstanden kunnen bereiken over veilig ingerichte fietsinfrastructuur; Het aanbod aan parkeerplaatsen voor het autoverkeer moet minimaal overeenkomen met de parkeervraag zoals berekend wordt met de parkeernormen uit de Parkeernormennota Duiven 2018; Het aanbod aan fietsparkeerplaatsen dient minimaal overeen te komen met de vraag naar stallingsvoorzieningen zoals berekend wordt met de fietsparkeernormen uit de Parkeernormennota Duiven 2018. 5.1.2 Onderzoeken: MetGraumans en Movares Beschrijving huidige verkeerssituatie Het plangebied Fresh & Fast maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein Seingraaf. In tegenstelling tot het bedrijventerrein Centerpoort-Nieuwgraaf is er op Seingraaf nog veel ruimte beschikbaar voor nieuwe voorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Driegaardensestraat en aansluitend de Rivierweg. De Rivierweg is reeds ingericht voor het verwerken van grote hoeveelheden verkeer van en naar de A12. Met de komst van Fresh & Fast zal de verkeersdruk richting de A12 verder toenemen. Daarnaast mag verwacht worden dat er ook in grote mate uitwisseling van verkeer is tussen het PDV-cluster op Centerpoort-Nieuwgraaf en het plangebied Fresh & Fast.

Seingraaf, Nieuwgraaf en InnoFase zijn voor hun bereikbaarheid allen afhankelijk van een goede verkeersafwikkeling op de Rivierweg. In het recente verleden zijn op de Rivierweg en een deel van Centerpoort-Nieuwgraaf capaciteitsverruimende maatregelen getroffen, waardoor de doorstroming voor het gemotoriseerd verkeer

Hoofdstuk 5

27

sterk is verbeterd. In de huidige situatie is de bereikbaarheid van de bedrijventerreinen voor het gemotoriseerde verkeer goed.

Figuur 5.1: Ligging plangebied Fresh en Fast in wegennetwerk

Openbaar vervoer Het plangebied is ook bereikbaar met het openbaar vervoer. Op de Rivierweg stopt de bus die rijdt van Arnhem naar Doesburg, via Centerpoort-Nieuwgraaf. De concentratie van de bedrijventerreinen langs de A12 is opgenomen in een openbaar vervoernetwerk. Langzaam verkeer Voor fietsers is het terrein toegankelijk vanaf verschillende plekken (o.a. vanaf de Rivierweg). Komende vanaf de N338 (vanaf Lathum onder de A12 door) ligt, langs de Rivierweg aan de zijde van Seingraaf, een fietspad in twee richtingen tot aan de Driegaardensestraat. Vanaf de Driegaardensestraat richting Hamersestraat (Westervoort) gaat dit over op een fietspad aan twee zijden van de weg. Voetgangers kunnen het terrein bereiken via de Rivierweg, Driegaardensestraat en vanaf het natuuren recreatiegebied aan de westzijde. Prognose toekomstig verkeer (MetGraumans) Om de kwaliteit van de verkeersafwikkeling te kunnen beoordelen is een prognose gemaakt van de toekomstige verkeersstromen in het gebied5. Daarbij zijn de volgende onderzoekstappen doorlopen: Vastleggen huidige verkeersstromen op basis van tellingen; Berekenen van het extra aantal autoritten (verkeersgeneratie) als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en de autonome groei van de mobiliteit; Toedelen van het nieuwe verkeer aan het netwerk van wegen; Beoordelen kwaliteit toekomstige verkeersafwikkeling.

Verkeersgeneratie Met behulp van de CROW kencijfers (publicatie 381 - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie) voor verkeersgeneratie is de verkeersgeneratie van de ontwikkeling bepaald.

5

Met Graumans, Verkeerseffecten ontwikkeling ‘Fresh & Fast Duiven, 17 december 2019, bijlage 2.

Hoofdstuk 5

28

Functie

Fast Food

Verkeersgeneratie nieuwe functies Fresh &Fast Kengetal, werkdag Verkeersgeneratie ritten/etmaal (aankomsten en vertrekken) Omvang (m2) Verkeersgeneratie Werkdag Zaterdag en (ritten/100 m2 zondag b.v.o.) 1.375

288,0

3.960

5.148

Restaurant

1.375

48,0

660

858

Tankstation

600.000 liter/jaar

200

260

Leisure

1.900

Totaal

6,8

130

168

4.950

6.434

Figuur 5.2 Verkeergeneratie nieuwe functies Fresh & Fast

De verwachte verkeerstoename van de nieuwe functie bedraagt daarmee 4.950 ritten per etmaal op een werkdag en circa 6.450 ritten per etmaal op een weekenddag. De ontwikkelingen in het plangebied Fresh & Fast staan echter niet op zichzelf. Ook de overige ontwikkelingen op Seingraaf (Handelsplaats) en Centerpoort-Nieuwgraaf (Hornbach, Loods 5, etc.) leiden tot extra verkeersdruk welke in het gebied moet worden opgevangen. In totaal zorgen alle nieuwe ontwikkelingen voor een gezamenlijke verkeersgeneratie van circa 15.000 ritten op een werkdag en 19.500 ritten op een weekenddag. Nieuw en combiverkeer Voor het berekenen van de hoeveelheid extra verkeer is onderscheid gemaakt in ‘nieuw verkeer’ en ‘combiverkeer’. Nieuw verkeer is het deel van de verkeersgeneratie van een nieuwe functie dat vóór het realiseren van de nieuwe functie nog niet aanwezig was. Het resterende deel, het combiverkeer, is verkeer dat nu al aanwezig is in het gebied en in de toekomst een bezoek aan de bestaande functies combineert met een bezoek aan één of meerdere nieuwe functies in het plangebied van Fresh & Fast. Het combiverkeer is geen extra verkeer dat het gebied Seingraaf-Nieuwgraaf inkomt en verlaat. Het combiverkeer gaat wel de aansluiting Driegaardenstraat - Rivierweg op een andere wijze extra belasten.

Combi-verkeer dat Centerpoort-Nieuwgraaf verlaat richting A12 maakt eerst nog een tussenstop op Handelsplaats of Fresh & Fast. In plaats vanaf Nieuwgraaf direct rechtsaf te rijden, wordt eerst het kruispunt rechtdoor overgestoken en vervolgens vanaf de Driegaardenstraat linksaf verlaten. Rekening houdend met het onderscheid ‘nieuw verkeer’ en ‘combiverkeer’ ziet de verkeerstoename als gevolg van de functies van Fresh & Fast er als volgt uit (zie ook figuur 5.3): Werkdagen: combiverkeer 3.860 motorvoertuigen per etmaal nieuw verkeer 1.090 motorvoertuigen per etmaal Weekenddagen: combiverkeer: 5.010 motorvoertuigen per etmaal nieuw verkeer 1.420 motorvoertuigen per etmaal

Hoofdstuk 5

29

Figuur 5.3: Verkeersgeneratie nieuwe functies. Verkeerseffecten ontwikkeling Fresh & Fast

Belangrijk is om vast te stellen dat circa 78% van de toekomstige ritten naar Fresh & Fast afkomstig is van reeds bestaande bezoekers aan Seingraaf en Centerpoort-Nieuwgraaf. Daarmee valt de totale belasting van het kruispunt Rivierweg-Driegaardensestraat aanzienlijk lager uit dan in een situatie waarbij er alleen nieuw verkeer wordt gegenereerd. Daartegenover staat dat de verkeersrelatie Centerpoort-Nieuwgraaf-Seingraaf voor de verkeersafwikkeling relatief ongunstig is omdat er meer conflicterende verkeersstromen ontstaan. Toekomstige verkeersbelasting wegennet Om de kwaliteit van de verkeersafwikkeling te kunnen beoordelen is op basis van de berekende verkeersgeneratie en oriëntatie van het verkeer een schatting gemaakt van de toekomstige verkeersstromen en hoeveelheden verkeer op Seingraaf en de omliggende wegen. De aandacht ligt hierbij op de drukste uren voor zowel de werkdag als de weekenddag. Het gaat dan met name om de toekomstige verkeersstromen op het kruispunt Rivierweg-Driegaardensestraat en het kruispunt Driegaardensestraat-De Toekomst. De wijze waarop de verkeersstromen zijn bepaald, is terug te vinden in het rapport ‘Verkeerseffecten ontwikkeling Fresh & Fast Seingraaf Duiven‘ (zie bijlage 2A). Op het kruispunt Rivierweg-Driegaardensestraat is de groei van het verkeer het duidelijkst waarneembaar.

In het drukste uur op de maatgevende zaterdag en zondag stijgt het aantal verkeersbewegingen op dit kruispunt van circa 3.100 motorvoertuigen per uur naar net geen 5.000 motorvoertuigen per uur6. Deze groei is voor een deel toe te schrijven aan de ontwikkeling Fresh & Fast. Op werkdagen is de avondspits het drukst. In de avondspits worden in de huidige situatie circa 2.700 motorvoertuigen per uur afgewikkeld. In de toekomst stijgt dit naar verwachting naar 4.000 motorvoertuigen per uur. De ochtendspits is met in de toekomst maximaal 2.700 motorvoertuigen per etmaal een stuk rustiger. Effecten verkeersafwikkeling autoverkeer Op basis van de berekende verkeersstromen is de toekomstige kwaliteit van de verkeersafwikkeling beoordeeld.

6

Met Graumans, Verkeerseffecten ontwikkeling ‘Fresh & Fast Duiven, d.d. 17 december 2019.

Hoofdstuk 5

30

Kruispunt Rivierweg - Centerpoort-Nieuwgraaf - Driegaardensestraat Het kruispunt Rivierweg - Centerpoort-Nieuwgraaf - Driegaardensestraat is de toegang tot het plangebied Fresh & Fast, en mogelijke verkeersproblemen zullen met name hier optreden. Uit de analyse van de verkeersbelasting volgt dat zonder aanvullende maatregelen het kruispunt in de toekomst zowel in de avondspits als tijdens de drukke uren in het weekend overbelast kan raken. Dit betekent dat de huidige verkeersregeling niet meer in staat is om al het verkeer zorgvuldig te verwerken. De bereikbaarheid van het gebied staat daarmee onder druk. Het onderzoeksbureau Met Graumans heeft vastgesteld dat door aanvullende maatregelen de kwaliteit van de verkeersafwikkeling weer robuust kan worden gemaakt. Het verbeteren van de verkeersafwikkeling wordt bereikt door een extra opstelvak te creëren op de Driegaardensestraat voor verkeer richting de A12. Een extra opstelvak op Centerpoort-Nieuwgraaf voor verkeer in de richting van de Driegaardensestraat heeft eveneens een gunstig effect op de verkeersafwikkeling. Met de bovenstaande maatregelen kan de hoofdinfrastructuur richting Fresh & Fast meegroeien met de toenemende verkeersvraag. Kruispunt Driegaardensestraat - De Toekomst Voor het kruispunt Driegaardensestraat - De Toekomst is de zaterdagmiddag qua verkeersbelasting maatgevend.

Er rijdt op dat moment veel verkeer van en naar de voorzieningen op Fresh & Fast. Op het huidige voorrangskruispunt ontstaan in de toekomst zowel in de avondspits als op de zaterdag- en zondagmiddag lange wachtrijen op De Toekomst om linksaf te slaan. Het kruispunt raakt overbelast en voor sommige verkeersbewegingen ligt de verliestijd ruim boven de geldende richtlijnen. Uit capaciteitsberekeningen blijkt dat het realiseren van een rotonde zorgt voor een robuuste verkeersafwikkeling voor alle rijrichtingen. Een rotonde is ook ruimtelijk inpasbaar en maakt een goede oversteekvoorziening voor fietsers mogelijk. Geactualiseerd onderzoek verkeersafwikkeling Seingraaf (Movares) De ontwikkelingen op Seingraaf zijn volop in beweging. Naar aanleiding van een nieuw initiatief is door Movares een geactualiseerd verkeersonderzoek uitgevoerd naar de verkeersafwikkeling van Seingraaf. Zie ‘verkeersafwikkeling Seingraaf DC’ van Movares d.d. 22 juli 2021 (bijlage 2B). Hierin zijn twee vragen beantwoord:  Kan de Driegaardensestraat incl.

toekomstige rotonde en kruispunt K100 (zie onderstaande afbeelding) het verkeer in 2030 afwikkelen?  Zijn de op- en afrit van de A12 in staat om het verkeersaanbod in 2030 veilig en robuust af te wikkelen? Samengevat worden de volgende conclusies getrokken:  De op- en afritten met de A12, kruispunten K200 en K300 kunnen het verkeer vanaf de A12 in 2030 verwerken. Hier zijn geen capaciteitsproblemen geconstateerd zowel voor de 2030 avondspits als 2030 zaterdagmiddag.  De Driegaardensestraat bereikt haar capaciteitsgrens. Tijdens een drukke avondspits en zaterdagmiddag kan terugslag ontstaan vanaf K100 naar de rotonde Driegaardensestraat. Tijdens piekmomenten kunnen de opstelvakken voor de verkeerslichten bezet raken tot en met de rotonde. Iedere cyclus lost de wachtrij wel weer op. Daarmee is dit risico acceptabel. Wel wordt aanbevolen om dit te blijven monitoren.  Tijdens de avondspits ontstaat terugslag vanaf de Nieuwgraaf richting Westervoort en richting Driegaardensestraat.

Hoofdstuk 5

31

Tijdens de zaterdagmiddagspits heeft hebben de Rivierweg (linksaf richting Nieuwgraaf) en rechtdoor van de Nieuwgraaf richting Seingraaf van kruispunt K100 een verzadigingsgraad >90% (resp. 90,4% en 96,3%). Dit wordt veroorzaakt door intern verkeer dat vanaf Nieuwgraaf richting Fresh en Fast gaat. Om terugslag te voorkomen op Nieuwgraaf wordt een andere indeling geadviseerd van de opstelvakken (zie voor meer informatie bijlage 2B).

Bron: ‘Verkeersafwikkeling Seingraaf DC’, Movares, 22 juli 2021.

De conclusie is dat er met een aantal aanpassingen die dit najaar worden uitgevoerd geen problemen te verwachten zijn op de kruisingen kruising Rivierweg/Driegaardensestraat/Nieuwgraaf en de afritten A12. Hierin is gerekend met de lopende ontwikkelingen en een autonome groei tot 2030. Parkeren In januari 2018 is de Parkeernormennota Duiven vastgesteld 7. De parkeernormennota sluit aan bij de meeste recente landelijke parkeerkencijfers van het CROW. De parkeervraag van Fresh & Fast is terug te vinden in de onderstaande figuur. De omvang van het project is gebaseerd op het programma in de aanvraag omgevingsvergunning. Tevens is uitgegaan van een maximale bezetting. Parkeerbalans Fresh & fast Functie Omvang Parkeernorm pp/100m² Horeca restaurant 1.815,00 m² 8 Horeca restaurant Drive Thru 557,32 m2 8 Horeca cafetaria 377,09 m² 6 Detailhandel 102,50 m² 3,5 Leisure / sport 1.465,71 m² 6,3 Totaal Dubbelgebruik compensatie Aantal parkeerplaatsen minimaal te realiseren Parkeerplaatsen in het programma / initiatief

Parkeervraag 145,2 44,6 22,6 3,6 92,3 308,3 = 309 -1 308 308

Figuur 5.4: Parkeerbalans Fresh & Fast 7

Parkeernormennota Duiven, Gemeenteblad 2018, d.d. 2 februari 2018

Hoofdstuk 5

32

De maximale parkeervraag treedt op het in weekend wanneer er 100% bezetting is. De parkeervraag is dan 308 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundig plan voor Fresh & Fast zijn op dit moment 308 parkeerplaatsen ingetekend. Hiermee wordt voldaan aan de parkeereis van 308 parkeerplaatsen. Bij de uiteindelijke inrichting van het terrein dient goed rekening te worden gehouden met de ligging van de parkeervakken en aanrijdroutes in relatie tot de aansluiting Driegaardensestraat. Voorkomen moet worden dat wachtende voertuigen richting de Driegaardensestraat de aanrijdroutes naar de parkeervakken blokkeren. Een slechte afwikkeling op het terrein kan namelijk ook de verkeersafwikkeling op de Driegaardensestraat negatief beïnvloeden. Het plangebied van Fresh & Fast bevat voldoende ruimte om dit zorgvuldig vorm te geven. Fiets parkeren De Parkeernormennota Duiven bevat eveneens richtlijnen ten aanzien van het te realiseren aantal fietsparkeerplaatsen. Op basis van de functies restaurant en sporthal is een inschatting gemaakt van het aantal benodigde stallingsvoorzieningen in het gebied.

Parkeerbalans fiets Fresh & fast Functie Horeca restaurant Horeca restaurant Drive Thru Horeca cafetaria Detailhandel Leisure / sport Totaal Afgerond

Omvang 1.815,00 m² 557,32 m2 377,09 m² 102,50 m² 1.465,71 m² 4.317,62 m2

Parkeernorm pp/100m² 5 5 11 3 2,3

Parkeervraag 90,7 27,8 41,5 3,1 33,7 196,8 197

Figuur 5.5: parkeerbalans fiets parkeren Fresh & Fast

Ten aanzien van het aantal fietsstallingsplaatsen zal minimaal worden voldaan aan de geldende parkeernormen. Hiervoor zal in het plan per unit voldoende ruimte worden gereserveerd, zodat de loopafstand tussen de stalling en de voorziening gering is. 5.1.3 Conclusie verkeer en parkeren De ontwikkelingen op Centerpoort-Nieuwgraaf en Seingraaf hebben invloed op de afwikkeling van het verkeer op het kruispunt Rivierweg - Centerpoort-Nieuwgraaf - Driegaardensestraat en op het kruispunt Driegaardensestraat - De Toekomst. Om overbelasting te voorkomen kunnen de volgende maatregelen worden genomen: Op de Driegaardensestraat ter hoogte van het kruispunt Rivierweg een tweede opstelstrook realiseren voor verkeer richting A12; De opstelvakken op de Nieuwgraaf anders indelen waardoor een volwaardige opstelstrook voor verkeer vanuit Nieuwgraaf richting Fresh & Fast ontstaat; Het voorrangskruispunt Driegaardensestraat - De Toekomst vervangen door een rotonde; Het optimaliseren van de cyclustijd van het kruispunt Rivierweg/Centerpoort-Nieuwgraaf/Driegaardensestraat op basis van de maatgevende groentijden; Een extra opstelstrook voor verkeer vanaf de A12 richting Westervoort; Het aanpassen van de fietsoversteek Nieuwgraaf-Driegaardensestraat door deze naar de westzijde van het kruispunt (aan de zijde van Westervoort) te verleggen.

Hoofdstuk 5

33

In het plangebied is ruimte gereserveerd om deze aanpassingen mogelijk te maken. De definitieve realisatie van de maatregelen kan vervolgens afgestemd worden op de werkelijke verkeersdruk die ontstaat op de betreffende kruispunten. Dit omdat de uiteindelijke verkeersbelastingen sterk afhankelijk zijn van de uiteindelijke voorzieningen die in het gebied komen. Voor de parkeervraag van Fresh & Fast is gebruik gemaakt van de gemeentelijke parkeernormen. In het stedenbouwkundig plan zijn voldoende parkeerplaatsen opgenomen. Om ook de fietsers van voldoende stallingsvoorzieningen te voorzien zijn volgens de parkeernormennota 197 stallingsvoorzieningen nodig. Hierin zal worden voorzien. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

5.2 Geluid 5.2.1 Toetsingskader In de Wet geluidhinder is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Akoestisch onderzoek industrielawaai is in het kader van de voorgenomen ontwikkelingen niet nodig gelet op de resultaten van de quickscan Bedrijven en milieuzonering. 5.2.2 Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling bevat geen geluidgevoelige functies of daarmee gelijk te stellen functies. Het plangebied ligt aan een van de centrale ontsluitingswegen van Duiven (Rivierweg) en heeft een ruim profiel. Aangezien de omgeving van het plangebied overwegend bestaat uit bedrijven en perifere detailhandelsfuncties (geen zelfstandige kantoren of andere geluidgevoelige gebouwen) heeft het geluid als gevolg van het verkeer geen invloed op het woon-, leef- en ondernemersklimaat van de omgeving. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Hoofdstuk 5

34

het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).

5.3.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets Om te bepalen wat de invloed is van het initiatief op de luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van de NIBM toets. De verkeersgegevens die zijn bepaald in het verkeersonderzoek (paragraaf 5.1) zijn hiervoor gebruikt. Het geplande functieprogramma van Fresh & Fast genereert op een gemiddelde weekdag (werkdag) aan nieuw verkeer 1.093 mvt/etm (afgerond 1.100) en aan combiverkeer 3.856 mvt/etm (afgerond 3.860); totaal 4.950 mvt/etmaal). Het aandeel vrachtverkeer is maximaal 1,5%. Hieronder zijn de resultaten van de tool weergegeven. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2021:

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

1100

Aandeel vrachtverkeer

1,5%

3

0,92

PM10 in μg/m3

0,18

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in μg/m

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 5.6: NIBM-tool: worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer (Bron: Kenniscentrum InfoMil).

De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,92 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,18 µg/m3 bijdragen. De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate. Nader onderzoek is niet nodig. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door

Hoofdstuk 5

35

middel van de NSL-Monitoringstool 2019. De beschouwde rekenpunten zijn 719102, 15813277, 15816890 en 15578413 en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO 2 25,2 µg/m3 en voor PM10 18,0 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 10,8 µg/m 3.

Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Norm

Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

719102 15813277 15816890 15578413

22.2 24.4 25.2 23.5 40

17.6 17.9 18.0 17.9 40

6.3 6.3 6.3 6.3 35

10.6 10.8 10.8 10.7 25

2020 2020 2020 2020

Figuur 5.7: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties

Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO 2 en PM10 respectievelijk 26,2 µg/m3 en 18,2 µg/m3. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden. 5.3.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van het plan draagt mogelijk in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daardoor is nader onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstandenlijsten Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig

Hoofdstuk 5

36

zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). De richtafstanden gelden vanaf het bedrijf tot woningen in een "rustige woonwijk". Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen etc. is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De afstanden gelden tussen de perceelsgrens van de inrichting en de gevel(s) van de woning(en) van derden. 5.4.2 Onderzoek Het plangebied bevindt zich op bedrijventerrein Seingraaf en heeft reeds de bestemming Bedrijventerrein (milieucategorieën 3.1 en 3.2). De dichtstbijzijnde hindergevoelige functie bij het bedrijventerrein betreft de woning Driegaardensestraat 4 in Duiven, die op 100 meter afstand ligt van het uiterste punt van het plangebied. Om hinder voor deze woning te voorkomen is gewerkt met een zonering. Binnen 50 m vanaf de woning zijn géén bedrijfspercelen gelegen waarop gebouwd kan worden. Hoewel een specifieke zonering voor alleen lichte bedrijfscategorieën 1 en 2 niet nodig is, is er in dit bestemmingsplan, gelet op het mogelijk maken van de functies horeca en leisure, voor gekozen in beginsel alleen de bedrijven in de bedrijfscategorieën 1 en 2 mogelijk te maken.

Door middel van een wijzigingsbevoegdheid kunnen onder voorwaarden bedrijven in milieucategorie 3 worden toegestaan. 5.4.3 Doorwerking plangebied De ontwikkeling van Fresh & Fast vormt geen belemmering voor het woon- en leefklimaat van woningen of andere milieugevoelige functies. Aan de richtafstand conform ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt ruim voldaan.

5.5 Externe veiligheid 5.5.1 Toetsingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Hoofdstuk 5

37

Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor zover het gebied waarop het plan (of de vergunning) betrekking heeft, gelegen is binnen het invloedsgebied van een risicobron, moet ingegaan worden op het groepsrisico. Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

5.5.2 Planbeoordeling ODRA Het plan voorziet in de ontwikkeling van een concentratie van horeca- en leisurevoorzieningen alsook een verkooppunt van motorbrandstoffen. Het betreft één tankstation met de mogelijkheid van een shop. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In de figuur op de volgende pagina is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart. Onderstaande tabel bevat een analyse van het aspect externe veiligheid. Rondom het plangebied zijn de volgende externe veiligheidsrisicobronnen relevant: Risicobron Hogedruk aardgasleidingen (Bevb)8 Inrichtingen (Bevi)9 Transport gevaarlijke stoffen over de weg (Bevt)10

Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt) Transport gevaarlijke stoffen over het spoor (Bevt)

8 9 10

Seingraaf, Duiven N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied. N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied. Op ongeveer 550 meter ten noorden van het plangebied ligt de snelweg A12. Over deze transportas vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vinden. Het invloedsgebied van deze transportas (880 meter) ligt over het plangebied. N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied. Op ongeveer 3.630 meter van het plangebied ligt de spoorlijn Ressen-Zutphen. Het invloedsgebied (4.000 meter) hiervan ligt over het plangebied.

Besluit externe veiligheid buisleidingen Besluit externe veiligheid inrichtingen Besluit externe veiligheid transportroutes

Hoofdstuk 5

38

Figuur: Uitsnede provinciale risicokaart Seingraaf Duiven, geraadpleegd op 29 april 2020 (zwarte cirkel = ligging plangebied).

De beoordeling van externe veiligheid wordt uitgevoerd voor twee risiconormen, namelijk het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour van een Bevi- inrichting en de transportassen. Dit vormt geen belemmering voor het plan. Groepsrisico Het plan ligt in het invloedsgebied van de snelweg A12 en de spoorlijn Ressen-Zutphen. Daarmee hebben wijzigingen in het plangebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Doordat de afstand tussen het plan en risicobronnen groter is dan 200 meter heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hiervoor moeten de volgende werkzaamheden worden verricht:  Conform de motivatie onderdelen van Bevt artikel 7 en 9 moet het groepsrisico beperkt verantwoord worden;  Er moet advies worden aangevraagd bij de ‘Veiligheid Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM)’. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens- of richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor realisatie van het plan. Het bestemmingsplan voorziet in mogelijkheden voor nieuwe risicobronnen. De planologische regelingen houden hier rekening mee door de verkoop van LPG, LNG en waterstof uit te sluiten.

In het kader van het groepsrisico is een beperkte verantwoording groepsrisico noodzakelijk voor de snelweg A12 en de spoorlijn Ressen Noord-Zutphen alsook de nieuwe risicobronnen die mogelijk worden gemaakt. Deze verantwoording is opgenomen in paragraaf 5.5.5 .

Hoofdstuk 5

39

5.5.3 Onderzoek Windmill Door Windmill Milieu en Management is een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico’s ten behoeve van het plan (quickscan)11. Rondom het plangebied zijn op grond van de quickscan de volgende externe veiligheidsrisicobronnen onderzocht en beoordeeld op relevantie: Risicobron 12 Hogedruk aardgasleidingen (Bevb)

Inrichtingen (Bevi)

Transport gevaarlijke stoffen over de weg (Bevt)

Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt) Transport gevaarlijke stoffen over het spoor (Bevt)

Plangebied Fresh & Fast Het plangebied bevindt zich niet binnen de 1%-letaliteitsafstand van buisleidingen. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10 -6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. Op ongeveer 360 meter ten zuiden van het plan ligt een LPG tankstation. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Op ongeveer 440 meter van het plan ligt de snelweg A12. Het invloedsgebied ligt over het plangebied. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtgebied geen belemmeringen. Uit de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat blijkt dat over de rijksweg A12, ter hoogte van het plangebied, LF1, LF2, LT2, GF1, GF2 en GF3-stoffen worden getransporteerd. Op basis van het transport van deze stoffen blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT2) te liggen. Deze risico’s (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

De Rijksweg A348, de provinciale weg N325 en de gemeentelijke Westervoortsedijk vormen geen aandachtspunt voor het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een waterweg. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over het water vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Het plangebied is op circa 2.800 meter afstand van de spoorlijn Ressen Noord – Zutphen Twentekanaal gelegen. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet. Gezien de ruimtelijke scheiding vormen het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied geen belemmeringen voor het plangebied. Op grond van het aantal transporten over het spoor, op grond van Bijlage Tabel II Basisnet spoor blijkt dat over dit traject A, B2, C3, D3 en D4-stoffen worden getransporteerd. Als gevolg van de stoffen die over de spoorlijn Ressen Noord – Zutphen Twentekanaal vervoerd worden, blijkt het plangebied binnen het invloedsgebied (groepsrisico) van D4-stoffen te liggen. Deze risico’s (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

5.5.4 Doorwerking plangebied Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een risicobron. Daarmee wordt geen grens- of richtwaarde overschreden en is er geen sprake van een directe of harde belemmering voor de realisatie van het plan. Groepsrisico

11

12

Windmill: Quickscan externe veiligheid Fresh & Fast Duiven, rapportnummer: 20190708-BRO045-0001-EV-1.0, d.d. 8 juli 2019. Bevb = Besluit externe veiligheid buisleidingen; Bevi = Besluit externe veiligheid inrichtingen; Bevt = Besluit externe veiligheid transportroutes.

Hoofdstuk 5

40

In het kader van het groepsrisico is een beperkte verantwoording uitgevoerd voor het groepsrisico vanwege de snelweg A12 en spoorlijn Ressen-Zutphen en is advies gevraagd bij de VGGM (zie paragraaf 5.5.5 ). 5.5.5 Beperkte verantwoording groepsrisico en advies VGGM 13 De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), alsmede het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd wanneer en op welke wijze de hoogte van het groepsrisico moet worden verantwoord. Deze paragraaf (opgesteld door Windmill) geeft invulling aan deze verantwoordingsplicht (zie bijlage).14 De conclusies van het rapport zijn hieronder opgenomen. Scenario’s Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor dient rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagen, -wagon of -container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd.

Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. Wettelijk kader (Besluit externe veiligheid transport (Bevt)) Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het Bevt geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. De adviestaak omvat de mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omgang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, en b.

voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.

13 14

Advies Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, d.d. 14 april 2020 en 20 augustus 2020, 200820-0029. Windmill: Notitie BRO045-0001-VGR-1.0, Verantwoording groepsrisico Fresh & Fast Duiven, d.d. 8 juli 2019.

Hoofdstuk 5

41

Uitwerking verantwoordingsplicht De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Ad a. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende / adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar zijn. De risicobronnen en het plangebied zijn vanuit verschillende windrichtingen bereikbaar. Opgemerkt wordt dat de vaststelling van het bestemmingsplan geen invloed heeft op de bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van de risicobronnen.

Bestrijdbaarheid toxisch scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. Ad b. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies specifiek voor minder zelfredzame personen gerealiseerd. Uitgangspunt is dat personen die binnen het plangebied aanwezig zijn, zich zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is schuilen, ramen en deuren sluiten en ventilatie afschakelen.

Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, moeten personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij

Hoofdstuk 5

42

een incident, gebaseerd op het eerdergenoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Hierbij zijn het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op de beschreven scenario’s, interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt onderdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven:  wie de organisatie van het evacueren begeleidt  de verantwoordelijkheden  waar de verzamelplaats is  de organisatie op de verzamelplaats  wie zorg draagt voor alarmering. Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarbij de frequentie hiervan in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Conclusie De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico.

De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de snelweg A12 en de spoorlijn Arnhem-Zutphen. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Het is niet noodzakelijk om in de planregels specifieke regels voor het onderwerp externe veiligheid op te nemen. Bij de verdere uitwerking van het plan zal ter voorbereiding van de aanvraag omgevingsvergunning nader overlegd worden met de Veiligheidsregio. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.6 Ecologie Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. 5.6.1 Toetsingskader Gebiedsbescherming Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders

Hoofdstuk 5

43

Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte. De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provincie dekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities.

Soortenbescherming Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). 5.6.2 Quickscan flora en fauna In het kader van de realisatie van horeca- en leisurevoorzieningen, gericht op toeristen/recreanten en de bezoekers van het grootschalige winkelgebied, is een verkennend flora- en faunaonderzoek (QuickScan)15 uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. De conclusies uit het onderzoek worden hierna behandeld. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Rijntakken”, bevindt zich op circa 300 meter afstand ten noordwesten van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een GNN (Gelders natuurnetwerk) of een GO (Groene Ontwikkelingszone) gebied. Deze gebieden liggen op enige afstand van de planlocatie.

Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.

15

BRO, QuickScan flora en fauna ‘Seingraaf’ te Duiven, 16 augustus 2019. Bijlage 7A

Hoofdstuk 5

44

Gezien de ligging ten opzichte van het Natura 2000-gebied Rijntakken zijn door ‘Peutz’ de mogelijke gevolgen in de vorm van depositie op het Natura 2000-gebied in beeld gebracht middels een AERIUS berekening. 5.6.3 Onderzoek stikstofdepositie In de uitgevoerde effectbeoordeling stikstofdepositie zijn de stikstofeffecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de realisatie van het plan Fresh & Fast Duiven inzichtelijk gemaakt voor de aanlegfase en gebruiksfase. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van de meest recente versie van AERIUS Calculator 202016. Uit de rekenresultaten blijkt dat de stikstofdepositie in de aanlegfase maximaal 0,04 mol N/ha/jaar bedraagt ter plaatse van het Natura 2000-gebied Rijntakken. In de gebruiksfase bedraagt de stikstofdepositie maximaal 0,21 mol N/ha/jaar ter plaatse van de Rijntakken en 0,02 mol N/ha/jaar ter plaatse van de Veluwe. De gebruiksfase is inzake stikstofdepositie derhalve maatgevend. Op andere Natura 2000-gebieden vindt geen stikstofdepositie plaats als gevolg van het plan. Op andere Natura 2000-gebieden zijn significant negatieve effecten door stikstofdepositie ten gevolge het plan dus bij voorbaat uitgesloten.

Middels een aanvullende ecologische voortoets is beoordeeld in hoeverre de berekende toename van de stikstofdepositie als gevolg van het plan zal leiden tot significante negatieve effecten ter plaatse van de natura 2000-gebieden Rijntakken en de Veluwe. 5.6.4 Ecologische voortoets Om te onderzoeken of van stikstofdepositie ten gevolge van de ontwikkeling van Fresh & Fast significant negatieve gevolgen te verwachten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000gebieden Rijntakken en de Veluwe is een ecologische voortoets opgesteld 17. Deze is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Bij de voortoets is als eerste nagegaan welke instandhoudingsdoelstellingen gelden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Hiervoor werd de website synbiosys.alterra.nl/natura2000 geraadpleegd, waar per Natura 2000-gebied onder meer instandhoudingsdoelstellingen zijn weergegeven en het aanwijzingsbesluit kan worden gevonden. Vervolgens werden de resultaten van de AERIUS-berekeningen op een rij gezet en werd beoordeeld of de vegetaties waar depositie plaatsvindt in het Natura 2000gebied gevoelig zijn voor stikstof. In de voortoets dient op basis van objectieve gegevens bepaald te worden of significant negatieve gevolgen waarschijnlijk zijn door de extra stikstofdepositie. Een gevolg is daarbij te omschrijven als significant, als het gevolg merkbaar is.

De ‘merkbaarheid’ van de gevolgen van de deposities werd vervolgens onderzocht door te bepalen hoe de hoeveelheid stikstof die het plan veroorzaakt zich verhoudt tot de hoeveelheid stikstof die dagelijks in het systeem omgaat uit andere bronnen. Verder is de ‘merkbaarheid’ onderzocht door na te gaan op welke wijze vegetaties reageren op een toename in de hoeveelheid stikstof. Tot slot is de 16

Peutz, Fresh & Fast Seingraaf Duiven onderzoek stikstofdepositie, L 1135-2-NO-002, 4 december 2020. SAB, projectnummer 150455.01, Ecologische voortoets stikstofdepositie, Bedrijventerrein Seingraaf, Duiven ontwikkeling Fresh & Fast, 3 december 2020. 17

Hoofdstuk 5

45

‘merkbaarheid’ onderzocht door het stappenplan uit de ‘leidraad bepaling significantie’ te doorlopen. De focus bij dit onderzoek heeft gelegen op de hoogste depositie die van het plan te verwachten is. Als laatste is een cumulatietoets opgesteld. Resultaten Uit de ecologische voortoets blijkt dat de deposities zo gering zijn, dat van merkbare gevolgen nooit sprake kan zijn. Ook niet in cumulatie met andere ontwikkelingen. Het is daarmee onmogelijk dat deze deposities leiden tot een merkbare verandering in de groei, de samenstelling of het functioneren van de vegetaties. De vegetaties kunnen daardoor nog steeds dezelfde functies vervullen als zonder deze ontwikkeling. Van een merkbaar, meetbaar en dus significant gevolg voor de instandhoudingsdoelstellingen is daarmee geen sprake. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. 5.6.5 Soortenbescherming In het kader van de soortenbescherming is een literatuur- en veldonderzoek verricht. De resultaten hiervan worden hierna kort beschreven. Broedvogels Binnen het plangebied zijn geen potentiele broedlocaties van soorten met een jaarrond beschermd nest als kerkuil, steenuil, huismus en gierzwaluw aanwezig.

De bomen direct ten westen van het plangebied vormen wel potentiële nestlocaties voor jaarrond beschermde soorten als boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn er echter in de bomenstrook direct grenzend aan het plangebied geen potentiële nesten van dergelijke soorten aangetroffen. Qua foerageergebied betreft het plangebied een dusdanig klein oppervlak dat dit niet van essentieel belang zal zijn, mede gezien het ruime aanbod aan foerageerhabitat ten noorden van de Rivierweg (N338) en de heuvel aan de westzijde. Verder kunnen er in het struweel aan de westzijde van het plangebied wel soorten zonder jaarrond beschermd nest als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning, kneu, grasmus, tjiftjaf en houtduif tot broeden komen. Ook kan in de ruigte een soort als patrijs en op het meer open terrein een soort als kievit, scholekster of graspieper tot broeden komen. Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren.

Wel wordt aanbevolen om de bosstrook aan de westzijde voor de start van de werkzaamheden opnieuw te checken op spontane vestiging van een soort als buizerd of boomvalk, zodat er zekerheid wordt gekregen dat er niet alsnog sprake zal zijn van overtreding ten aanzien van een soort met een jaarrond beschermd nest vanwege externe verstoring als gevolg van de werkzaamheden en ontwikkeling. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het groen en het bouwrijp maken van het plangebied buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels.

Hoofdstuk 5

46

De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Binnen het plangebied is geen bebouwing meer aanwezig en daarmee is er geen geschikte rust- en voortplantingsplaats voor een gebouwbewonende vleermuizensoort aanwezig. Echter zijn aan de westzijde van het plangebied wel enkele bomen (acacia’s) aanwezig met een groffe en spleetvormige baststructuren waarin/achter een boombewonende soort als de ruige dwergvleermuis kan verblijven als paar/zomerverblijfplaats. Het is daarmee dan ook niet uitgesloten dat er binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling een verblijfplaats (jaarrond beschermd) van een boom bewonende vleermuissoort aanwezig is. Met name de verlichting die zal uitstralen op de naastgelegen (nu donkere) bomen, kan een eventueel aanwezige verblijfplaats ongeschikt maken.

Het plangebied en naastgelegen hellingbos is tevens geschikt als foerageerhabitat/route voor verschillende soorten veermuizen. Echter zal de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting van essentieel foerageerhabitat of vliegroute veroorzaken, gezien de hoeveel groene en waterrijke elementen en alternatieve (donkere) vliegverbindingen richting de uiterwaarden in de directe omgeving Aanbevolen wordt om middels een vervolgonderzoek op voorhand duidelijkheid te verkrijgen of er überhaupt sprake is van een verblijfplaats van een vleermuizensoort en/of eventuele overtreding op voorhand kan worden uitgesloten. Indien er toch sprake blijkt te zijn van een verblijfplaats in de aangrenzende bosstrook dan dienen (lichtwerende) maatregelen overtreding te voorkomen of dient een ontheffing te worden aangevraagd in combinatie met het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen buiten de invloedsfeer van de ontwikkeling. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor diverse grondgebonden zoogdieren. Algemeen voorkomende soorten als haas, konijn, egel, veldmuis, bosmuis en dwergmuis kunnen, met name ter hoogte van het struweel aan de westzijde, in het plangebied voorkomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied ten noorden van de Rivierweg (N338) betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten.

Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en geldt er geen ontheffingsplicht voor verstoring of het vernietigen van een verblijfplaats. In het kader van de algemene zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Naast de “algemene” grondgebonden zoogdieren zijn er volgens de verspreidingsgegevens (NDFF) in de directe omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, boommarter, eekhoorn, das, bever en otter waargenomen. Binnen het plangebied en in de aangrenzende bosstrook zijn geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=51b1e215-355b-4485-a876-65434a7c7601