Bijlage 1 - Bestemmingsplan Bedrijventerrein Seingraaf 2e partiële herziening (01526176).pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 5
47
plangebied door de das. Door het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied biedt het geen geschikt habitat voor een bever of otter. Het plangebied kan wel deel uitmaken van het leefgebied van de steen- en/of boommarter. Daar er in de aangrenzende bosstrook geen potentiële verblijfplaatsen zijn aangetroffen en het beperkte oppervlakte van het plangebied, zal er geen sprake zijn van essentieel oppervlakte verlies van het leefgebied voor deze twee relatief opportunistische soorten. Gezien de verkeer aantrekkende werking van het plangebied is het wel aan te bevelen om in overleg met marterspecialisten te kijken hoe verkeersslachtoffers zoveel als mogelijk kunnen worden voorkomen op de omliggende wegen. Daarnaast kan het plangebied wel van wezenlijk belang zijn voor kleine marterachtige als wezel, hermelijn en bunzing. Van deze drie komen de wezel en bunzing naar verwachting voor binnen het plangebied, met name ter hoogte van het dichte struweel aan de westzijde. Vervolgonderzoek door specialisten dient het belang van het plangebied voor kleine marterachtige in beeld te brengen. Afhankelijk van deze resultaten kan worden bepaald in hoeverre overtreding en noodzaak tot ontheffing aan de orde is voor deze sinds maart 2019 niet meer vrijgestelde soorten.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn aan de zuidzijde van de IJssel in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van reptielen. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee, in combinatie met de geïsoleerde ligging tussen drukke wegen, dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Wel wordt uit voorzorg geadviseerd om de langdurige aanwezigheid van plassen en/of gronddepots binnen het plangebied te vermijden, zodat onverhoopte spontane kolonisatie door de rugstreeppad op voorhand wordt voorkomen.
Nader onderzoek is in dat geval niet noodzakelijk. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van sleedoornpage, bosparelmoervlinder, grote vos, kommavlinder, gevlekte witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het
Hoofdstuk 5
48
plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek is niet nodig. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als muurbloem, tengere distel, wilde ridderspoor, akkerboterbloem, glad biggenkruid, kartuizer anjer, kleine wolfsmelk, naaldenkervel, schubvaren, stijve wolfsmelk en zandwolfsmelk. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Nader onderzoek is niet nodig. Aanvullend onderzoek kleine marterachtigen en vleermuispotenties In de hierboven uitgevoerde quickscan (BRO, 2019) is geconcludeerd dat de aanwezigheid van kleine marterachtigen niet op voorhand uitgesloten kon worden. Kleine marterachtigen zijn in de provincie Gelderland niet vrijgesteld van ontheffing. Daarnaast kon niet uitgesloten worden dat de bomen ten westen van het plangebied een functie hebben als verblijfplaats voor vleermuizen. Bureau Waardenburg heeft in dat kader aanvullend onderzoek18 uitgevoerd naar de betekenis van het plangebied Seingraaf voor kleine marterachtigen.
Daarnaast is een inschatting gemaakt van de noodzaak van aanvullend onderzoek naar het gebruik van eventueel aanwezige boomholten door vleermuizen. Conclusies uit het aanvullend onderzoek Het plangebied heeft een functie voor wezel als foerageergebied en potentiële verblijfplaats. Indien gewerkt wordt volgens de randvoorwaarden (bestaande verblijfplaatsen niet aantasten in periode maart – augustus en het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen) worden er geen verbodsbepalingen overtreden en is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming (Wnb) niet noodzakelijk. Het voorkomen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten kan niet worden uitgesloten. De potentie voor boombewonende vleermuissoorten is door het aantal holtes en de (on)diepte en vorm van de holtes echter beperkt. Daarnaast zijn directe effecten op mogelijke verblijfplaatsen uitgesloten omdat er geen bomen gekapt worden. Wel is er mogelijk een indirect effect door belichting van de bosrand. Wanneer gebruik gemaakt wordt van aangepaste armaturen kan verlichting van de bosrand voorkomen worden. In dat geval is er geen overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb en is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk.
Indien aangepaste verlichting niet mogelijk is, moet aanvullend onderzoek worden gedaan naar het gebruik van de bosschage door vleermuizen in de periode half april – eind september. Indien gebruik van de bosschage wordt aangetoond is het aanvragen van een ontheffing mogelijk noodzakelijk. 5.6.6 Conclusies Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen. Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.
18
Notitie onderzoek kleine marterachtigen en vleermuispotenties te Seingraaf, Duiven, Bureau Waardenburg, 15 september 2020. Bijlage 7B
Hoofdstuk 5
49
Daarnaast wordt aanbevolen om bij start van de werkzaamheden na maart de aangrenzende bosstrook opnieuw te controleren op jaarrond beschermde nesten; Ten aanzien van kleine marterachtigen is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming (Wnb) niet noodzakelijk, mits gewerkt wordt volgens de randvoorwaarden (bestaande verblijfplaatsen niet aantasten in periode maart – augustus en het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen). Ten aanzien van boombewonende vleermuissoorten zijn directe effecten op mogelijke verblijfplaatsen uitgesloten omdat er geen bomen gekapt worden. Mogelijke indirecte effecten door belichting van de bosrand kan worden voorkomen door gebruik te maken van aangepaste armaturen waardoor belichting van de bosrand wordt voorkomen. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Wat betreft de stikstofdepositie: uit de voortoets blijkt dat de deposities zo gering zijn, dat van merkbare, dus significant negatieve gevolgen nooit sprake kan zijn. Ook niet in cumulatie met andere ontwikkelingen. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden.
Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.
5.7 Bodem 5.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 5.7.2 Bodemonderzoek Verkennend en aanvullend onderzoek In opdracht van de gemeente Duiven is door Greenhouse Advies B.V. een verkennend en aanvullend bodemonderzoek en een controle sanering uitgevoerd ter plaatse van het plangebied19. Aanleiding tot het aanvullend bodemonderzoek is het reeds uitgevoerde ‘’Verkennend bodemonderzoek Seingraaf fase 3 te Duiven, Greenhouse Advies B.V., kenmerk GDU00718, d.d. 2 april 2019’’ en de uitgevoerde sanering in 2006. Hieronder zijn de conclusies gegeven, het gehele bodemonderzoek is te lezen in de bijlagen.
De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 1,9 hectare. Het doel van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit, zowel grond als freatisch grondwater. Aan de hand van de onderzoeksresultaten is beoordeeld of de onderzoekslocatie in milieuhygiënisch opzicht gebruiksbeperkingen kent voor het beoogde gebruik.
19
Greenhouse Advies, Verkennend en aanvullend bodemonderzoek en controle sanering Seingraaf fase 3 Duiven, kenmerk GDU00718, 190527_122422, 2 juli 2019.
Hoofdstuk 5
50
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er: Geen OCB’s (organo chloorbestrijdingsmiddelen) boven de achtergrondwaarde / detectiegrens zijn gemeten ter plaatse van de boomgaard; Visueel en analytisch geen asbest is aangetoond ter plaatse van boring 22; Geen sintels en ook geen asbest is aangetoond in de voormalige wanden van de sanering uit 2007; Circa 150 tot 200 m3 stortmateriaal in de zuidelijke punt van kadastraal perceel 339 aanwezig is; Uit de herbemonstering van de putbodems is gebleken dat er ter plaatse van de voormalige putbodem ‘Loods 7, monsterpunten P3 (0,8-1,0 m-mv) en P4 (0,9-1,1 m-mv) lood tot boven de interventiewaarde is gemeten. In de overige putbodem zijn maximaal licht verhoogde gehalten waargenomen. De verontreiniging met lood ter plaatse van putbodem Loods 7 is middels omliggende putbodems horizontaal afgeperkt. In het verticaal afperkende grondmonsters zijn geen gehalten boven achtergrondwaarde gemeten; Op het overige terrein zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan metalen, PAK en/of PCB’s in boven- of ondergrond gemeten. In het grondwater overschrijden de gehalten aan barium, vinylchloride de streefwaarde. Ter plaatse van peilbuis 22 is barium boven de indexwaarde gemeten. In peilbuis 7 overschrijden de gehalten aan vinylchloride, barium en vanadium de streefwaarde.
Wolfraam is ook gemeten boven de detectiegrens, maar er is formeel geen toetsingswaarde vastgesteld. PFAS Op 8 juli 2019 is het ‘tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ gepubliceerd. Hierin is aangegeven dat als er sprake is van grondafvoer, acceptatie of toepassen van grondonderzoek naar de aanwezigheid van PFAS noodzakelijk kan zijn. Daarom is er in opdracht van de gemeente Duiven door BK Ingenieurs B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit op de locatie met betrekking tot PFAS vast te stellen 20. Hieronder zijn de conclusies opgenomen, het gehele onderzoek is opgenomen als bijlage. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat: De bodem vanaf maaiveld tot de geboorde diepte van 2 m -mv afwisselend bestaat uit zand- en kleilagen. Hierin zijn bij diverse boorlocaties bijmengingen met baksteen, kooldeeltjes, asfalt en/of plastic vastgesteld; De bovenlaag van kavel L en M voldoet aan bodemfunctieklasse ‘Achtergrondwaarde’. De onderlaag van kavel L (planlocatie) voldoet (op basis van PFOA) aan bodemfunctieklasse ‘Wonen’ en de onderlaag van kavel M (naastgelegen) voldoet aan bodemfunctieklasse ‘Achtergrondwaarde’; Het uitvoeren van nader bodemonderzoek niet noodzakelijk is.
Conclusie: op basis van de bodemkwaliteit bestaat er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling onder de voorwaarden van de volgende paragraaf (advies Omgevingsdienst). 5.7.3 Advies Omgevingsdienst De Omgevingsdienst Regio Arnhem heeft het bodemonderzoek van 2 juli 2019 beoordeeld en op 22 juli 2019 advies uitgebracht. Het advies is als bijlage bijgevoegd. Op basis van de bodemkwaliteit bestaat er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling onder de volgende voorwaarden:
20
BK Ingenieurs B.V., Verkennend bodemonderzoek Bedrijventerrein Seingraaf (kavel L en M) te Duiven, projectnummer 194430, 19 februari 2020.
Hoofdstuk 5
51
Het verwijderen van de aangetroffen sterke verontreiniging met lood ter plaatse van de voormalige putbodem ‘Loods 7, monsterpunten P3 (0,8-1,0 m-mv) en P4 (0,9-1,1 m-mv). Daarnaast dient het aanwezige stortmateriaal in de zuidelijke punt van kadastrale perceel 339 verwijderd te worden. In de bodemlaag van 0,1 tot 1,1 m-mv is een stortlaag met sintels / verbrandingsresten aanwezig. Voor het verwijderen van deze twee verontreinigingen dient een Plan van Aanpak opgesteld te worden. De maatregelen die zijn beschreven in een Plan van aanpak moeten ter goedkeuring worden overgelegd aan Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA). Tevens moet een evaluatieverslag ter goedkeuring worden overgelegd. Na goedkeuring van het saneringsverslag mag gestart worden met de voorgenomen bouwwerkzaamheden ter plaatse van deze (deel) locatie.
Grondwateronttrekking mag niet plaatsvinden tenzij: Of: Uit een bemalingsplan is gebleken dat er geen beïnvloeding van (nabijgelegen) grondwaterverontreinigingen plaatsvinden. En dan mag er conform bemalingsplan grondwater onttrokken worden. Of: Een melding artikel 28 lid 3 Wbb moet worden ingediend bij bevoegd gezag Wbb en hiermee moet zijn ingestemd. 5.7.4 Doorwerking plangebied Met inachtneming van deze voorwaarden is er in principe geen aanleiding tot het doen van een vervolgonderzoek en is de bodem geschikt voor de beoogde functies. Bij de verdere uitvoering van het plan zal aan bovengenoemde voorwaarden worden voldaan en zal er een saneringsplan worden opgesteld welke ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de ODRA.
5.8 Water 5.8.1 Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan de vigerende wet- en regelgeving van Europees tot lokaal niveau. Het plangebied valt binnen de grenzen van Waterschap Rijn en IJssel. 5.8.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een watertoets opgesteld21. Hieronder zijn de conclusies van het onderzoek te lezen, de gehele watertoets is te lezen in de bijlagen. In de watertoets is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders (waterschap Rijn en IJssel en de gemeente Duiven).
21
Aeres Milieu B.V., Beknopte waterparagraaf - Rivierweg te Duiven, rapportnummer AM19284, d.d. 16 juli 2020.
Hoofdstuk 5
52
5.8.3 Beleidskader Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit te laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. De laatste jaren dient in ruimtelijke plannen steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Voor de aanpak is een Kaderrichtlijn Water opgesteld en dit is verder vertaald in het KRW-maatregel- en Waterbeheerprogramma 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma zijn de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkingsen innovatiemogelijkheden opgenomen. Het nieuwe Waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’.
De huidige wateropgaven zijn zo complex, dat alleen een aanpak samen met partnerorganisaties en inwoners zorgt voor de gewenste resultaten en de beste oplossingen. In overleg worden projecten en maatregelen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. De bedoeling is om het dagelijks werk van het waterschap (onderhoud van dijken en keringen, peilbeheer, oevers maaien, afvalwater zuiveren) beter, effectiever, efficiënter en integraler te doen. In de Gelderse Omgevingsvisie staan maatschappelijke opgaven in Gelderland, die zijn ontstaan in gesprekken tussen overheden, organisaties en particulieren. Het gaat over steden en dorpen, natuur, landbouw, water, energie en meer. Provincie en partners hebben elkaar nodig om dorpen en steden in Gelderland verder te versterken. Vanuit dat perspectief zijn in de Omgevingsvisie ‘het speelveld en de spelregels’ beschreven. Doelen en kwaliteit staan centraal, niet de exacte middelen. De regels behorend bij de Omgevingsvisie zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. Voorts zijn in Nederland diverse Waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en van de openbare ruimte hebben. In het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven.
In het waterbeheerplan staat beschreven welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten/prioriteiten van belang zijn. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid beschreven voor de primaire taakgebieden: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. In het waterplan en het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) is het beleid van de gemeente Duiven opgenomen waarbij tevens twee nieuw belangrijke dimensies toegevoegd zijn: verbreding van de gemeentelijke watertaken (zorgplichten) en samenwerking in de afvalwaterketen tussen de vier Liemerse gemeenten (Zevenaar, Rijnwaarden, Duiven & Westervoort) en het Waterschap Rijn & IJssel. De twee nieuwe watertaken zijn hemelwaterzorgplicht en grondwater-zorgplicht. Het vGRP sluit aan op het Waterplan van de gemeente Duiven. Omdat in het vGRP geen projecten zijn opgenomen,
Hoofdstuk 5
53
zijn de thema’s en beleid nog van toepassing. Ter plaatse van het industrieterrein dient duurzaam ontwikkeld te worden. Ontwikkelingen dienen ‘waterneutraal’ plaats te vinden. Ingrepen mogen in principe geen veranderingen aan het watersysteem teweeg brengen. Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. In het waterhuishoudkundige onderzoek is kort aandacht besteed aan de huidige bodemkundige- en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden, en de (on)mogelijkheden om neerslag in de toekomstige situatie te bergen en te infiltreren. In het algemeen is het doel het zoveel mogelijk afkoppelen van schoon hemelwater om deze vervolgens te infiltreren in de grond. Bij infiltratie moet voorkomen worden dat er schadelijke stoffen via bouwmaterialen als bijvoorbeeld zink, lood en koper in het water of de in de bodem terechtkomen.
De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging. Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vast-houden-bergen-afvoeren in relatie tot de vuilgraad van de waterstroom (licht tot sterk verontreinigd). 5.8.4 Doorwerking plangebied Op de onderzoekslocatie wil men een concentratie van horeca- en leisurevoorzieningen, gericht op toeristen/recreanten en de bezoekers van het grootschalige winkelgebied zuidoostelijk realiseren. De voorgenomen panden betreffen een tankstation met shop en diverse gebouwen voor horeca en leisure realiseren. Van belang bij nieuwe ontwikkelingen is het voorkomen van (grond)wateroverlast. Bij de huidige bestemmingsplanwijziging blijven de bestemmingen en verhardingspercentages behouden maar worden de bouwvlakken verschoven. Er is derhalve geen sprake van een toename van de verharding. De relevante aandachtspunten voor de nadere planuitwerking zijn hieronder toegelicht. Het plangebied ligt momenteel op ca. 10-10,4 meter +NAP en kent enkele kleine hoogteverschillen. Uit de recente peilbuisgegevens nabij de onderzoekslocatie blijkt dat het grondwater op ca. 0,8 m-mv. en 1,2 m-mv te verwachten. Op basis van de gekende grondwater- en opper-vlaktewatergegevens is een vloerpeil van ca.
20-30 cm boven het wegpeil geadviseerd. Hierdoor wordt ruim voldaan aan de benodigde drooglegging. Op en nabij de onderzoekslocatie is zover bekend geen wateroverlast aanwezig bij een bui van T=100. In het verleden is 50% van het uitgeefbaar gebied als onverhard beschouwd. Het waterstelsel binnen Seingraaf is in het verleden samen met Nieuwgraaf I-III en Centerpoort-zuid berekend. Behoudens de retentie binnen Seingraaf wordt bij een bui van T=100 een gedeelte binnen Nieuwgraaf geborgen. Hierdoor is geen wateroverlast te verwachten. Direct grenzend aan de onderzoekslocatie is aan de noord-, oost- en zuidzijde water aanwezig. Zuidelijk betreft geen primaire watergang. De noord-/oostelijke watergang (DLM20; leidingvak LV40630015) betreft een primaire watergang waarop eenzijdig een beschermingszone aanwezig is
Hoofdstuk 5
54
voor het onderhoud ervan door het waterschap. Door de noordelijke punt van het plangebied loopt een duiker. Bij de toekomstige planontwikkeling dient hiermee rekening gehouden te worden. Voor de voorgenomen planinvulling dient geen aanvullende compensatie aangelegd te worden. Door aan de milieuhygiënische voorwaarden te voldaan, zal de afgekoppelde neerslag de kwaliteit van het ontvangende water niet verslechteren (zie bijlage Waterparagraaf). De panden dienen aangesloten te worden op het verbeterd gescheiden rioolstelsel. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een regenwaterstelsel worden aangesloten. Hiervoor dient een aansluitingsvergunning aangevraagd te worden bij de gemeente Duiven. Tevens dient voldaan te worden aan de gemeentelijke bouwvoorschriften. Voor bepaalde horeca, laad- en losplaatsen etc. dient een zuiverende voorziening zoals een olie-waterafscheider tussengeplaatst te worden voordat het afvalwater op het gemeentelijk stelsel aangesloten wordt. Dit wordt bij de omgevingsvergunningen nader bepaald. Het dakwater kan rechtstreeks naar het hemelwaterstelsel en omliggende oppervlaktewater afstromen. Bij de uitwerking van de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met 50% waterretentie op eigen terrein. Dit kan op de daken of door middel van waterpasserende / groene bestrating.
Voorts kan het parkeerterrein groen ingevuld worden met halfverharde stroken of greppels om water vast te houden. Hierbij dient rekening gehouden te worden dat overloop bij extremere buien op een gecontroleerde wijze plaatsvindt naar het hemelwaterstelsel, een laagte en/of het omliggend oppervlaktewater. De uitgangspunten en de gestelde randvoorwaarden zijn verwerkt. De nadere detaillering vindt plaats bij de civieltechnische / waterhuishoudkundige uitwerking van het plan tot een definitief civieltechnisch / waterhuishoudkundig uitvoeringsontwerp. Bij het ontwerp van de nieuwe riolering wordt een voor het watersysteem (oppervlaktewater en grondwater) en voor de afvalwaterketen (riolering en zuivering) acceptabel stelsel ontworpen en aangelegd. Uitgangspunt blijft dat kansen voor het creëren van berging voor hemelwater zo veel mogelijk benut moeten worden, om inundatie te voorkomen. Bij wijzigingen in het oppervlaktewater is nader afstemming met het waterschap benodigd. 5.8.5 Watertoetsproces Het Waterschap Rijn en IJssel heeft een 'Handreiking Standaard Waterparagraaf voor bestemmingsplannen' opgesteld, waarin een watertoetstabel is opgenomen. In de betreffende tabel zijn voor verschillende thema's toetsvragen opgenomen welke zijn beantwoord. De toetsvragen die met 'ja' worden beantwoord zijn belangrijke thema's. Die thema's worden nader toegelicht in de volgende subparagraaf.
Aan de hand van beantwoording van de vragen in de tabel is op te maken welke procedure gevolgd dient te worden. Thema Veiligheid
Toetsvraag 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Riolering en Afval- 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? waterketen 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?
Hoofdstuk 5
55
Relevant Nee
Intensiteit# 2
Nee
2
Nee Nee Nee
2 1 1
Thema Toetsvraag Wateroverlast (op- 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan pervlaktewater) 2500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Relevant Nee
Intensiteit# 2
Nee
1
Nee Nee
1 1
Oppervlakte- wa- Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geterkwaliteit loosd?
Ja
1
Grondwater- over- 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de onderlast grond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
Ja
1
Nee Nee
1 1
Grondwater- kwa- Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekliteit king? Inrichting en be- 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of heer beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
1
Ja
1
Nee
2
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Nee
1
Nee
1
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee Nee Nee Nee
2 2 1 1
Verdroging
Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?
Nee
1
Recreatie
Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Nee
2
Cultuurhistorie
Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
1
# de intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op bovenstaande vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een ‘ja’ geantwoord, dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.
5.8.6 Overige aandachtspunten Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij andere ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing / infiltratie of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen worden aangevraagd via de reguliere procedure. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Mocht niet aan de randvoorwaarden voldaan kunnen of willen worden, zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om vervuiling van het oppervlakte- en grondwater te voorkomen.
Hoofdstuk 5
56
In de Kaderrichtlijn Water en de bouwverordening zijn aanvullende richtlijnen opgenomen om het gebruik van uitlogende bouwmaterialen terug te dringen. Toe te passen duurzame materialen: Hellende daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal. Platte daken: beton of bekleed met EPDM rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen. Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium of zink alle gecoat. Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten. In het afwateringssysteem van de afgekoppelde daken en overige verhardingen moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, andere sedimenten en dergelijke achter te houden, zodat het systeem niet verstopt raakt of dichtslibt in de tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven om ze regelmatig te reinigen en te onderhouden (minimaal 2x per jaar). Om eventuele verontreiniging tegen te houden, kan een bodemfilter of andere bodempassage gebruikt om afstromende zware metalen en/of minerale olie af te breken. Tenslotte wordt bij voorkeur een goed doorlatend geotextiel gebruikt, welk wortelremmend is en inspoeling van zand voorkomt. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken.
Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodem beschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd. Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Verder dienen bestrijdingen tegen gladheid of sneeuwval door middel van zout en dergelijke gladheidbestrijdingsmiddelen op de bestrating(en) e.d. beperkt of zo effectief mogelijk gebruikt te worden. De (aanstaande) gebruiker(s)/eigena(a)r(en) dienen van bovenstaande informatie (en beperkingen) op hoogte te worden gesteld.
5.9 Archeologie 5.9.1 Toetsingskader De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijk plan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Hoofdstuk 5
57
5.9.2 Archeologie De gemeente Duiven heeft voor het gehele gemeentelijke grondgebied een archeologische waardenen verwachtingskaart laten opstellen. Uit de kaart blijkt dat het plangebied reeds is onderzocht. In opdracht van de gemeente Duiven heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau op 11 juni 2008 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in verband met de destijds geplande ontwikkeling van het plangebied22. Dit onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische resten. Conform het gemeentelijke beleid is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Doel van het veldonderzoek was het toetsen van die gespecificeerde archeologische verwachting en, indien mogelijk, een eerste indruk te geven van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische resten. Op grond van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen is vervolgens een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel archeologisch vervolgonderzoek.
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold bij aanvang van het veldonderzoek voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingen) uit de Vroege en Late Middeleeuwen en een middelmatige archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode Laat Paleolithicum t/m Romeinse tijd. Tijdens het veldonderzoek zijn in het hele plangebied de verwachte oeverafzettingen gelokaliseerd. In het westelijke deel bevindt zich voorts een pleistocene opduiking. Op geen van de relevante niveaus zijn echter archeologische indicatoren aangetroffen. Op grond van de bevindingen kan worden gesteld dat bij de realisering van de plannen vermoedelijk geen archeologische resten zullen worden verstoord.
Figuur 5.8: Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Duiven
22
RAAP, Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek, Plangebied Seingraaf, kenmerk 2773, datum juni 2008
Hoofdstuk 5
58
Sindsdien hebben geen wijzigingen in de situatie plaatsgevonden die nieuwe vondsten zouden doen vermoeden. Op basis van dit onderzoek wordt in het plangebied in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. 5.9.3 Cultuurhistorie De gemeente heeft geen algeheel beleidsdocument voor cultuurhistorie. De visie op het erfgoed van de gemeente Duiven heeft geen betrekking op bedrijventerreinen, zoals Seingraaf. Op de cultuurhistorische beleidskaart van de provincie Gelderland wordt het plangebied ook niet aangeduid als locatie van hoge cultuurhistorische waarde. Met het planvoornemen wordt ook geen afbreuk gedaan aan omliggende cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.9.4 Doorwerking in het plangebied Conclusie Op grond van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat bij de realisering van de plannen vermoedelijk geen archeologische sporen zullen worden verstoord. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Aanbevelingen Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het plangebied in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, is conform artikel 53 van de Wet op de archeologische monumentenzorg 2007 aanmelding van de betreffende vondsten bij het bevoegd gezag (gemeente Duiven) verplicht.
Hoofdstuk 5
59
6.
JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding wordt de bestemming weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
6.2 Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het vigerende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Seingraaf” van de gemeente Duiven. In onderstaande paragrafen zullen de regels nader worden uiteengezet. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen de (enkel)bestemmingen aan de orde.
Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit
Hoofdstuk 6
60
bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Bestemming Gemengd Binnen de bestemming Gemengd zijn leisure, horeca, indoor recreatieve functies en een tankstation toegestaan met een maximum aantal m² brutovloeroppervlak:
Leisure: indoor leisure
Horeca (restaurant- en fastservicesector)
Tankstation (met pompshop)
1.465 m2 bvo
2.750 m2 bvo
Ruimte onder de luifel t.b.v. vulpunten en opstelplaatsen circa 250 m2 bvo en circa 102 m² bvo (tank-)shop
Naar aanleiding van het advies van de Veiligheidsregio inzake de mogelijkheid voor een verkooppunt voor LPG, LNG en waterstof wordt in de planregels de verkoop van LPG, LNG en waterstof uitgesloten. De gemeente Duiven kiest ervoor om op deze gronden geen risicovolle inrichting mogelijk te maken. Het verkoop van deze brandstoffen is dan ook niet toegestaan en is in de regels uitgesloten. Daarnaast zijn ter plaatse van een specifieke aanduiding (specifieke vorm van gemengd) bedrijven t/m categorie 2 toegestaan. Verder zijn ondergeschikte wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, openbare nutsvoorzieningen en erven toegestaan. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die strijdig zijn met het bestemmingsplan. Parkeren In dit artikel is opgenomen dat ten aanzien van parkeren aan de Parkeernormennota Duiven dient te worden voldaan.
Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Hoofdstuk 6
61
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden. Het (legaal) gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 6
62
7.
UITVOERBAARHEID 7.1 Uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart. Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid. 7.1.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid: wettelijk (voor)overleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Thematische regionale afstemming over de beoogde ontwikkeling heeft ook reeds plaatsgevonden tijdens het overleg met de provincie Gelderland en de voorzitter van het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties, die op 7 februari 2019 positief heeft geadviseerd over het horeca- en leisure-initiatief Fresh & Fast.
Geconcludeerd is dat deze ontwikkeling past in het vastgestelde beleid betreffende perifere ontwikkelingen. Het concept ontwerp bestemmingsplan is in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan Waterschap Rijn en IJssel en Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden. De opmerkingen van het Waterschap Rijn en IJssel zijn verwerkt in de waterparagraaf. Van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden is per brief d.d. 14 april 2020 met kenmerk 200414-0082 en d.d. 20 augustus 2020 met kenmerk 200820-0029 een reactie ontvangen. De opmerkingen zijn verwerkt in de toelichting. 7.1.2 Economische uitvoerbaarheid Financieel-economische haalbaarheid De gemeente is verplicht een onderzoek in te stellen naar de uitvoerbaarheid van het plan en de uitkomsten van het onderzoek in de toelichting op te nemen. De realisatie van deze ontwikkeling is in handen van één partij, de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer is een koopovereenkomst gesloten. Locatie Het betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Duiven, sectie F, perceelnummers 505, 506, 319, 339, 322, 324 en 650 (ged.) 355, ter grootte van circa 17.000 m2.
Hoofdstuk 7
63
Projectinhoud Het op de locatie realiseren van een concentratie van horeca- en leisurevoorzieningen, gericht op toeristen/recreanten en de bezoekers van het grootschalige winkelgebied Centerpoort Nieuwgraaf. Geen exploitatieplan Op grond van artikel 6.12, lid 2, sub a van de Wet ruimtelijke ordening behoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Het kostenverhaal is verzekerd via een met de initiatiefnemer gesloten (koop-) overeenkomst. In het bestemmingsplan zijn eisen opgenomen voor de locatie. En fasering is niet aan de orde.
7.2 Ontwerp- en vaststellingsprocedure Het ontwerp “Bestemmingsplan Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening” heeft van 14 januari 2021 tot en met 24 februari 2021 ter inzage gelegen. Gedurende de genoemde termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Er zijn gedurende deze periode geen zienswijzen ingediend. Het ontwerpbestemmingsplan is tevens toegezonden naar de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft per mail van 10 februari 2021 laten weten geen inhoudelijke opmerkingen te hebben op het ontwerpbestemmingsplan. De adviezen uit de beknopte waterparagraaf zijn voldoende bekend. Met de provincie Gelderland heeft een informerend overleg plaatsgevonden ten aanzien van het aspect verkeer. Naar aanleiding hiervan is het verkeersrapport geactualiseerd. Deze memo is als bijlage (bijlage 2B) toegevoegd aan het bestemmingsplan en de resultaten hiervan zijn verwerkt in de toelichting. De provincie Gelderland heeft per mail van 22 juli 2021 laten weten geen bezwaren te hebben tegen het bestemmingsplan.
7.3 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Hoofdstuk 7
64
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder: Ruimtelijk-functionele effectenanalyse Bijlage 2A Verkeerseffecten Bijlage 2B Adviesnota Verkeersafwikkeling Bijlage 3: Distributief planologisch onderzoek tanklocatie Bijlage 4: Quickscan externe veiligheid Bijlage 5: Verantwoording groepsrisico externe veiligheid Bijlage 6: Advies VGGM Bijlage 7: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 8: Notitie onderzoek kleine marterachtigen en vleermuispotenties Bijlage 9: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 10: Ecologische voortoets stikstofdepositie Bijlage 11: Verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 12: Bodemonderzoek Bijlage 13: Verkennend bodemonderzoek PFAS Bijlage 14: Archeologisch onderzoek Bijlage 15: Waterparagraaf Bijlage 16: Vormvrije m.e.r.-beoordeling
65
Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 9
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
10
Artikel 3
Gemengd
10
Hoofdstuk 3
Algemene regels
13
Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Parkeren Algemene afwijkingsregels
13 14 15 16
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
17
Artikel 8 Artikel 9
Overgangsrecht Slotregel
17 18
2
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
Regels
66
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
Plan
Het bestemmingsplan Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening met identificatienummer NL.IMRO.0226.BPSEINGRAAF004-VS01 van de gemeente Duiven. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Bebouwing
Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.6
Bedrijf
Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. 1.7
Bestaand
a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald. b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald. 1.8
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak. 1.9
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
4
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
1.10
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.11
Bouwgrens
De grens van een bouwvlak. 1.12
Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.13
Bouwperceelsgrens
De grens van een bouwperceel. 1.14
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.15
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.16
Bruto-vloeroppervlak (bvo)
het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). 1.17
Detailhandel
Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, dit met uitzondering van internetverkoop. 1.18
Duurzame brandstoffen
Motorbrandstoffen niet zijnde reguliere motorbrandstof, zoals CNG (Compressed Natural Gas) en waterstof (minimaal grijze waterstof) en laadpalen (elektriciteit). 1.19
Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
5
1.20
Hoofdgebouw
Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.21
Hoogteaccent
Een incidenteel gebouw of een beperkt onderdeel van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met een afwijkende bouwhoogte ten opzichte van de direct omliggende bebouwing. 1.22
Horeca
Een bedrijf waar hoofdzakelijk overdag en/of in de avonduren dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse alsmede voor gebruik buiten het bedrijf, worden verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, snackbar, restaurant, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven. Hieronder kunnen onder andere worden begrepen: fastservice restaurants (fastservice is de 'overkoepelende' term voor de fastservicesector, naast drankverstrekkers en restaurants); lunchrooms; fast casual. Kenmerken: 1. een laagdrempelig, prijsvriendelijk en relatief groot restaurant gericht op een breed geaccepteerde keuken (Aziatisch, Italiaans, gemengd, etc.); 2. een zeer informele sfeer en voor een belangrijk deel gericht op jongere doelgroepen en gezinnen met jonge kinderen; 3. bediening aan tafel, waarmee het zich onderscheidt van bijvoorbeeld fastfood; 4. bedrijfsformule veelal gericht op lage prijzen, een hoge omzetsnelheid (korte verblijfsduur bezoekers) en een gestandaardiseerde, vlotte voedselbereiding ter plekke; casual dining (de voorloper van fast casual en veel overlap, maar met een groter accent op 'echte' restaurants met een informele sfeer en een prijs-vriendelijke menukaart. Verblijfsduur veelal wat langer dan bij fast casual. Ook familierestaurants vallen hieronder; fastfoodformules.
Fastfoodformules zijn deel van deze sector en betreffen vooral de bekende hamburger- en kiprestaurants; afhaal- / drive-in restaurants. 1.23
Leisure
Het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op het gebied van sport, spel, vermaak, ontspanning en amusement, inclusief een ondersteunende en ondergeschikte horecafunctie. Hieronder kunnen onder andere worden begrepen: ateliers; en/of bioscopen; en/of bowlingbanen; en/of creativiteitscentra; en/of golf; en/of (indoor) sportscholen / fitnescentra en/of (indoor) speeltuinen; en/of klimhal en/of voetbal.
6
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
1.24
Ondergeschikte detailhandel
Detailhandel die als activiteit in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de toegestane hoofdfunctie. De detailhandelsactiviteit is van zulke beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang dat de functie waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, omvang en verschijningsvorm overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft. 1.25
Openbare nutsvoorziening
Een infrastructurele of openbare voorziening, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen (zoals centrale antenne, gas, water, elektriciteit, (mobiele) telefonie, riolering). 1.26
Overig bouwwerk
Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.27
Peil
a. voor een gebouw: het afgewerkte terrein ter plaatse van de (hoofd-)toegang; b. voor andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwterrein. 1.28
Pop-up winkel
Een winkel die voor beperkte tijd (max. ½ - 1 jaar) is gevestigd op een locatie om de aantrekkingskracht van dat gebied te versterken of als onderdeel van een beleid om de plek betekenis te geven voor de gebruiker, gericht op transformatie en een grotere bekendheid van dat gebied. 1.29
Reguliere brandstof
Diesel, benzine en Adblue. 1.30
Risicovolle inrichting
Een inrichting bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde of richtwaarde voor het risico c.q. de risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. 1.31
Seksinrichting
Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.32
Staat van Bedrijfsactiviteiten
Een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen.
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
7
1.33
Verkoopvloeroppervlakte (vvo)
De totale in een winkel voorkomende vloeroppervlakte van alle bouwlagen van ruimten welke rechtstreeks toebedeeld en ten dienste staan ten behoeve van de uitstalling en verkoop van detailhandelsartikelen (en voor het publiek zichtbaar en toegankelijk zijn, inclusief de vloeroppervlakte van de etalage, vitrine, toonbank- en kassaruimte (plus de loopruimte voor het personeel daarachter), schappen, paskamers, ruimten voor winkelwagentjes en lege dozen evenals de vloeroppervlakte van entresols (met voor klanten voldoende hoogte). 1.34
Verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder LPG
Gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verkoop van goederen welke naar hun aard zodanig brandgevaar en/of explosiegevaar kunnen opleveren dat uitstalling ter verkoop in een winkelgebied niet verantwoord is, zoals olie, benzine, gas, groene en/of duurzame brandstoffen en E-car oplaadpunten, inclusief het onderhoud in beperkte zin (zoals olie verversen en wassen) van de motorvoertuigen. 1.35
Wijziging
Een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening.
8
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
De afstand tot de perceelsgrens
Tussen de (zijdelingse) grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2
De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, airco's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3
De brutovloeroppervlakte (bvo)
Op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen. 2.4
De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.5
De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6
Meten
Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de verbeelding en op de schaal waarin het plan is vastgesteld. 2.7
Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevelen kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Gemengd
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. leisure tot een maximum van 1.465 m2 bvo; b. horeca tot een maximum van 2.750 m2 bvo, met dien verstande dat de oppervlakte per horecabedrijf maximaal 2.000 m2 bvo bedraagt ten behoeve van een differentiatie in horeca; c. pop-up winkels (maximale oppervlakte 40 m2 bvo) voor bedrijven met een lokale functie (economisch, sociaal en/of vanuit een oogpunt van bijvoorbeeld werkgelegenheid); d. ondergeschikte detailhandel, met dien verstande dat dit niet meer omvat dan 20% van de totale brutovloeroppervlakte van de onder 3.1 sub a genoemde activiteiten en met een maximum van 150 m² bvo. e. uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen: 1. 'bedrijf tot en met categorie 2', tevens voor bedrijven in de categorieën 1 tot en met 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in de bijlage bij deze regels; 2. 'specifieke vorm van gemengd - verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg - 1', tevens een verkooppunt voor (duurzame) motorbrandstoffen en de productie van duurzame motorbrandstoffen zonder LPG/LNG en waterstof; 3. 'specifieke vorm van gemengd - verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg - 2', tevens detailhandel behorende bij het verkooppunt voor (duurzame) motorbrandstoffen zonder LPG/LNG en waterstof als bedoeld in lid 3.1, sub c, onder 2, tot een maximum verkoopvloeroppervlakte (bvo) van 102 m2; f.