CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

7. 201669883-Bestemmingsplan Plakse Weide - Toelichting

Raadsavond 18 september 2024, gemeente DuivenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan & beeldkwaliteitsplan Plakse Weide27.412 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3 mei 2023), waarin 286 woningen zijn voorzien. De totale parkeerbehoefte moet worden gerealiseerd binnen het plangebied. Van de in totaal 286 woningen beschikken 91 woningen over een parkeervoorziening op eigen terrein, zoals een enkele of dubbele oprit, al dan niet met een garage. Volgens de rekenregels van de gemeente Duiven tellen deze voorzieningen mee als 172 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast voorziet het stedenbouwkundig plan Plakse Weide (versie d.d. 3 mei 2023) in 315 parkeerplaatsen in het openbaar gebied. Bij benutting van de parkeerplaatsen op eigen terrein is er conform het gemeentelijk beleid sprake van een tekort van 18 parkeerplaatsen op het maatgevende moment (werkdag avond). Als maatwerk wordt toegepast op grond van ervaringscijfers is sprake van een overschot van 42 parkeerplaatsen op het maatgevende moment. Deze balans toont aan dat in het plan meer dan voldoende ruimte aanwezig is om het noodzakelijke aantal parkeerplaatsen te realiseren, waarmee wordt voldaan aan de gestelde normen conform het gemeentelijk parkeerbeleid. Advies Zoals blijkt uit de parkeerbalans kan de theoretische parkeerbehoefte conform het gemeentelijk beleid niet volledig opgelost worden met het beoogde parkeeraanbod zoals weergegeven in het stedenbouwkundig plan (versie d.d. 3 mei 2023).

Goudappel adviseert op basis van het rapport Parkeeronderbouwing (bijlage 12) om uit te gaan van de maatwerkbenadering. Deze parkeerbehoefte sluit aan bij het daadwerkelijk autobezit en geeft ruimte voor andere planambities. Aan deze normen wordt ruim voldaan. De belangrijkste overwegingen om te kiezen voor een maatwerkbenadering zijn als volgt. Uit CBSmicrodata blijkt dat de parkeernormen voor sociale huurwoningen in Duiven Noord hoog zijn. Gebruik van ‘passende parkeernormen’ (maatwerk) gebaseerd op werkelijk autobezit wordt geadviseerd. Ook de standaard bezoekersnormen (0,3 parkeerplaatsen per woning) zijn zeer hoog, zeker voor gestapelde woningen. Hier wordt 0,2 parkeerplaatsen per woning voor gestapelde woningen geadviseerd. Een

28

overschot aan parkeerplaatsen leidt tot onnodige verharding in het plan. Deze ruimte kan worden ‘vrijgespeeld’ door minder parkeerplaatsen te realiseren, en door de ruimte die daardoor ontstaat te benutten voor andere planambities zoals groen of speelvoorzieningen. Goudappel adviseert hierbij wel om rekening te houden met drie overloopgebieden (voor iedere hoek van het plangebied op loopafstand) van ieder 15 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundig plan (versie d.d. 3 mei 2023) is daarom ruimte opgenomen voor drie overloop parkeergebieden met ieder 15 parkeerplaatsen. Indien in de praktijk alsnog een tekort aan parkeerplaatsen mocht ontstaan, kan het tekort met deze deelgebieden opgelost worden. In alle parkeerbalansen in de rapportage van Goudappel zijn deze overloopgebieden niet meegerekend. 4.2.2 Ontsluiting en verkeersgeneratie Ontsluiting voor langzaam verkeer Fietsen en wandelen van en naar de woningen op locatie Plakse Weide naar omliggende locaties en voorzieningen, waaronder het centrum en werklocaties Centerpoort Nieuwgraaf en Centerpoort Noord, zal vlot en veilig worden afgewikkeld. Een en ander in lijn met de doelstellingen van de gemeentelijke Omgevingsvisie en het gemeentelijke Mobiliteitsplan. Hiermee wordt het fietsgebruik zoveel mogelijk gestimuleerd.

Daarom wordt het fietsverkeer primair ontsloten op de fietspadenstructuur parallel aan de Rijksweg (grenzend aan het plangebied). Daarnaast wordt het langzaam verkeer vanuit de nieuwe woonwijk op een logische wijze aangetakt op de bestaande fietsoversteek Oostsingel (N810)Laarstraat. Hiermee ontstaat een robuuste fietsverbinding in alle windrichtingen, waarbij tevens wordt aangesloten bij de snelfietsroute Arnhem-Zevenaar en de toekomstige snelfietsroute Duiven-Nijmegen (als onderdeel van project ViA15). Conform het Mobiliteitsplan Duiven dient de fietspadenstructuur langs de Rijksweg te voldoen aan de eisen voor een hoofdfietsroute. Hiermee wordt in het verkeerskundig ontwerp van de aansluiting van Plakse Weide op de Rijksweg rekening gehouden. Voor de voetganger wordt aangesloten op het nog te realiseren voetpad dat parallel aan de Rijksweg wordt aangelegd, naast het fietspad tussen de rotonde met de Vergertlaan en de westelijke ontsluiting van Plakse Weide. Daarnaast wordt het voor voetgangers mogelijk gemaakt de bushalte Schapenweide te bereiken via een voetgangersdoorsteek nabij de bestaande haltekom aan de zuidzijde. Deze doorgang is niet bedoeld voor fietsers; hiermee wordt in de inrichting rekening gehouden. Dit geldt ook voor bushalte ‘De Plak’ op de Oostsingel (N810), waar wordt aangesloten op de bestaande infrastructuur.

Ontsluiting voor autoverkeer en verkeersveiligheid Voor de woningbouwlocatie Plakse Weide heeft Goudappel een verkeersonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies beschreven, het volledige rapport is opgenomen in bijlage 3. In de notitie zijn de effecten beschreven van de komst van maximaal 300 woningen op de locatie Plakse Weide op het onderliggende wegennet. Daarnaast geeft de notitie inzicht in de verschillende mogelijkheden tot (auto-)ontsluiting van de nieuwe woonwijk op het omliggende wegennet. Als referentiesituatie voor dit onderzoek is uitgegaan van de autonome ontwikkeling van de regio (zijnde het toekomstjaar van het regionale verkeersmodel Arnhem-Nijmegen), met inbegrip van het project ViA15 (de voorgenomen doortrekking van de A15 en verbreding van de A12). Het Tracébesluit van het project ViA15 is vastgesteld en ligt op dit moment voor bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waardoor het nog niet onherroepelijk is. Omdat het gaat om een vastgesteld besluit, is het project ViA15 als uitgangspunt meegenomen in het verkeerskundig onderzoek en de prognoses voor de toekomst.

29

Ontsluitingsvarianten voor autoverkeer In het verkeersonderzoek zijn alle realistische ontsluitingsmogelijkheden van Plakse Weide voor het autoverkeer onderzocht. Dit heeft geresulteerd in de doorrekening van drie ontsluitingsvarianten: 1. Twee aansluitingen op de Rijksweg. 2. Een aansluiting op de Rijksweg en een aansluiting op de Vergertlaan. 3. Een aansluiting op de Rijksweg en een aansluiting op de Oostsingel (N810).

Afbeelding 4.1 Overzicht drie ontsluitingsvarianten

Beoordeling afwikkeling verkeer en advies ontsluitingsvariant Voornoemde drie ontsluitingsvarianten zijn in het verkeersonderzoek op haalbaarheid onderzocht. Hierbij het volgende geconstateerd ten aanzien van de varianten: • Een aansluiting op de Vergertlaan conform ontsluitingsvariant 2 wordt afgeraden. Het kruispunt Vergertlaan - Schapenweide is in de referentiesituatie in 2030 (zonder Plakse Weide) al zwaar belast. Een vierde tak vanuit Plakse Weide geeft op dit kruispunt overbelasting. Het kruispunt moet - met aansluiting Plakse Weide - daarom aangepast worden tot een viertaks VRI kruispunt. Dit is minder wenselijk omdat dit tot reistijdverlies leidt voor het verkeer op de Vergertlaan met als resultaat een herverdeling van het verkeer richting de Lommerweide (via De Tamboer) en door het centrum van Duiven. • Een ontsluiting van Plakse Weide op de Oostsingel (N810), in combinatie met een aansluiting op de Rijksweg (ontsluitingsvariant 3) is voor wat betreft de afwikkeling op het kruispunt Oostsingel (N810) een mogelijkheid. Ook geeft deze oplossing de minste extra belasting van de Vergertlaan en daarvoor zijn alsnog geen maatregelen nodig. Echter, vanuit oogpunt van doorstroming en verkeersveiligheid is een aansluiting op de Oostsingel (N810) onwenselijk.

In het kader van een verkeersveilig wegennet is een directe aansluiting van een woonwijk (30 km/h) op een 80 km/hprovinciale weg niet gewenst. Ook past deze directe aansluiting op de Oostsingel (N810) niet in het beleid van de gemeente dat erop gericht is de Oostsingel (N810) zo optimaal mogelijk te laten doorstromen om het verkeer om de kern te laten rijden. Een extra kruispunt zorgt voor extra vertraging. Tot slot heeft de provincie aangegeven niet te kunnen instemmen met een aansluiting van een woonwijk direct op de Oostsingel (N810).

30

Door Goudappel is geadviseerd om uit verkeerskundige overwegingen en uit het oogpunt van verkeersveiligheid de woonwijk Plakse Weide aan te sluiten op de Rijksweg conform ontsluitingsvariant 1 (ontsluiting op de Rijksweg). In het stedenbouwkundig plan (versie d.d. 3 mei 2023) en in dit bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden. Deze keuze wordt hieronder nader onderbouwd. Aansluiting Rijksweg Op basis van het verkeersonderzoek wordt aanbevolen om Plakse Weide aan te sluiten op de Rijksweg (ontsluitingsvariant 1). Uit oogpunt van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid is dit de meest geschikte weg om op aan te sluiten. Voor de verkeersafwikkeling van 300 woningen is de realisatie van één aansluiting op de Rijksweg voldoende. Wel moet dan rekening worden gehouden met een alternatieve ontsluiting in geval van calamiteiten. Door de relatief lage intensiteit op de Rijksweg in de referentiesituatie kan de ontsluiting met eenvoudige voorrangskruispunten worden vormgegeven. De woonwijk Plakse Weide wordt daarmee aangesloten op de weg die in de referentiesituatie nog het minst druk is. De toekomstige verkeersintensiteit op deze weg, rekening houdend met andere geplande ontwikkelingen en met netwerkwijzigingen waaronder het project ViA15 en de komst van Plakse Weide, past goed binnen de ontsluitingsfunctie die de weg heeft.

Verkeersafwikkeling Plakse Weide De veranderingen in de toekomstige verkeersintensiteit ten gevolge van woningbouw op Plakse Weide zijn door Goudappel bekeken op basis het Regionale Verkeersmodel regio Arnhem-Nijmegen versie 2021. Door Plakse Weide te realiseren met een ontsluiting op de Rijksweg worden de omliggende wegen meer belast hetgeen invloed heeft op de afwikkelingskwaliteit van het verkeer. Kijkend naar de verkeersafwikkeling op de kruispunten betekent dit dat: • Op de rotonde Vergertlaan – Rijksweg de verkeersafwikkeling net als in de referentiesituatie matig is. Aandachtspunt bij de verkeersafwikkeling op de rotonde is het effect vanaanwezige fietsers en voetgangers op de afwikkelingssituatie. Dit is onafhankelijk van de ontsluitingsvarianten, maar verdient nadere aandacht. In het addendum dat later is opgesteld (en verderop in deze paragraaf wordt behandeld) zijn fietsers ook gemodelleerd. • Het kruispunt Vergertlaan – Schapenweide is in de referentiesituatie al zwaar belast. Op het kruispunt verschuift de kwaliteit van de verkeersafwikkeling als gevolg van de kleine extra bijdrage van het verkeer van Plakse Weide van een matige naar een onacceptabele verkeersafwikkeling. Een eenvoudige VRI kan dit verhelpen, waarbij tevens de matige verkeersafwikkeling in de referentiesituatie wordt opgelost.

Op dit kruispunt blijkt de afhankelijkheid van de realisatievolgorde van de plannen. Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat maatregelen nog niet nodig zijn wanneer het project ViA15 nog niet is gerealiseerd. Het is dus mogelijk deze maatregel in relatie tot project ViA15 in tijd te faseren. • Het kruispunt Vergertlaan – Oostsingel (N810) kan het verkeer met de huidige vormgeving goed afwikkelen. Geconcludeerd wordt dat het mogelijk is om naast de overige autonome ontwikkelingen in de regio 300 woningen op Plakse Weide te realiseren. Wel wordt geconstateerd dat de overige autonome ontwikkelingen in de regio, waaronder het project ViA15, als en wanneer deze in de toekomst daadwerkelijk worden gerealiseerd, veel invloed hebben op de verkeersstromen rondom het plangebied. De conclusie luidt dat de afwikkeling van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling van alleen Plakse Weide niet op zichzelf leidt tot de noodzaak tot het nemen van maatregelen. Het onderliggende wegennet kan de komst van maximaal 300 woningen zonder verdere maatregelen aan.. In het geval zowel Plakse Weide als alle andere autonome ontwikkelingen en netwerkwijzigingen (waarbij project ViA15 vermoedelijk een grote invloed heeft) worden gerealiseerd, moeten er wel maatregelen worden genomen om een goede kwaliteit van de verkeersafwikkeling te behouden. Nog

31

niet van alle overige autonome ontwikkelingen en geplande netwerkwijzigingen is bekend of ze definitief doorgaan en zo ja, wanneer deze plaatsvinden. Wanneer maatregelen nodig zijn is dus afhankelijk van de realisatie volgorde van alle plannen. Addendum Het hierboven beschreven onderzoek is uitgevoerd op basis van het op dat moment actuele regionale verkeersmodel Arnhem-Nijmegen, versie 2021. Inmiddels is er een nieuw model voor de regio ArnhemNijmegen, het RVM Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen 2023. Hiervoor is een aanvullende notitie als addendum op dit onderzoek opgesteld, waarin de voorkeursontsluitingsvariant wordt getoetst aan het actuele verkeersmodel (RVM Groene Metropoolregio Arnhem- Nijmegen 2023) voor het planjaar 2032. Deze notitie is als bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. In het addendum wordt geconstateerd dat de conclusies ten aanzien van de ontsluiting van de Plakse Weide op de Rijksweg, op basis van het actuele verkeersmodel (2023), overeenkomen met de conclusies op basis van het oude verkeersmodel (2021), met uitzondering van de conclusies voor het kruispunt Vergertlaan Schapenweide. De in de notitie van 2022 genoemde maatregelen voor dit kruispunt blijken met de nieuwe modelcijfers nog wel gewenst, maar niet meer noodzakelijk te zijn.

Netwerkanalyse Verkeer Desondanks is er in voorliggend bestemmingsplan al wel rekening gehouden met mogelijke maatregelen als de woningbouw op Plakse Weide gerealiseerd wordt en ook alle geplande ontwikkelingen en netwerkwijzigingen waaronder project ViA15 daadwerkelijk doorgang vinden. In opdracht van de gemeente Duiven is in de Netwerkanalyse Verkeer (bijlage 14) een eerste verkenning gedaan naar hoe de doorstroming van het verkeer in Duiven er in de toekomst uit komt te zien als niet alleen Plakse Weide, maar ook de anno 2022 andere bij de gemeente bekende woningbouwlocaties worden gerealiseerd. En daarnaast ook de andere geplande ontwikkelingen en netwerkwijzigingen waaronder project ViA15 plaatsvinden. Daarbij is aandacht besteed aan de doorstroming op de wegvakken en kruispunten. Ook is rekening gehouden met het kruisende fietsverkeer dat veelal voorrang heeft boven het gemotoriseerde verkeer. Uitgaande van het scenario dat alle woningbouwplannen voor of in 2030 zullen worden gerealiseerd en alle andere toekomstige ontwikkelingen en netwerkwijzigingen doorgaan, waaronder project ViA15 zijn er in ieder geval infrastructurele maatregelen nodig op de kruisingen Vergertlaan – Schapenweide, Vergertlaan – Rijksweg en Westsingel – Rijksweg. Er zijn voor ieder kruispunt meerdere oplossingsrichtingen verkend.

Waaronder kruispuntoplossingen met een VRI, rotondes, turborotondes en ongelijkvloerse verbindingen voor het langzame verkeer. Op basis van de Netwerkanalyse Verkeer heeft nog geen weging van de verschillende maatregelen plaatsgevonden en is og geen definitieve keuze gemaakt voor één van deze maatregelen.. Om te komen tot de meest optimale keuze, is een nadere uitwerking en detaillering noodzakelijk. Wel is voor de kruispunten Vergertlaan-Rijksweg en Vergertlaan-Schapenweide het globale ruimtebeslag van elke maatregel in kaart gebracht. Het bestemmingsplan voorzietin een deugdelijke verkeerssituatie voor zover het de autonome ontwikkeling Plakse Weide betreft. Bovendien biedt het bestemmingsplan voldoende ruimte voor in ieder geval enkele van de maatregelen die worden gepresenteerd in de hiervoor genoemde Netwerkanalyse. Daarmee sluit het bestemmingsplan de realisatie van eventuele infrastructuele ingrepen, die in de toekomst noodzakelijk kunnen worden vanwege alle overige toekomstige ontwikkelingen en netwerkwijzigingen waaronder het project ViA15, niet uit.

32

4.2.3 Conclusie Uit het onderzoek van Goudappel kan worden geconcludeerd dat voor wat betreft zowel capaciteit als verkeersveiligheid de ontwikkeling van Plakse Weide mogelijk is. Daarbij wordt aanbevolen om de eerste ontsluitingsvariant, met een wijkontsluiting op de Rijksweg, nader uit te werken. De realisatie van één ontsluiting op de Rijksweg is voldoende om alle woningen op Plakse Weide voor autoverkeer te ontsluiten. In de praktijk zal daarom in eerste instantie één aantakking vanuit de wijk op de Rijksweg worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan is de ontsluiting van de woonwijk geborgd door het bestemmen van de hoofdwegen in het plan als ‘Verkeer-Verblijfsgebied’. In de regels van het bestemmingsplan is tevens geborgd dat binnen het plangebied moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke normen. De aspecten verkeer en parkeren vormen zodoende geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3.

In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Als de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.3.2 Beoordeling Beoordeling luchtkwaliteit

33

In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling, die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van maximaal 300 woningen mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn echter alsnog de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2021.

Afbeelding 4.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2021)

Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 17,6 µg/m3, 16,3 µg/m3 en 9,3 µg/m3 bedragen. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3)

34

worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,0, waardoor het wettelijke maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook dan geen overschrijdingen van de grenswaarden te verwachten zijn. 4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 4.4

Geluid

4.4.1 Kader De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wet geluidhinder (Wgh) De Wet geluidhinder (Wgh) heeft als doel het beschermen van de mens tegen geluidhinder. In de Wgh worden twee soorten grenswaarden genoemd: - Voorkeurswaarde: deze waarde garandeert een goed woon- en leefklimaat. Voor woningen waarbij de voorkeurswaarde niet wordt overschreden zijn op basis van de Wgh geen aanvullende maatregelen noodzakelijk, zoals de verlening van hogere grenswaarden. - Hoogste toelaatbare geluidsbelasting: deze waarde geeft de hoogste gevelbelasting weer waarvoor op basis van de Wgh een hogere waarde kan worden vastgesteld. De hoogte van de voorkeurswaarde en hoogst toelaatbare geluidsbelasting zijn afhankelijk van het type geluidsbron, de ligging van de geluidsgevoelige bestemming (binnen of buiten de bebouwde kom) en het soort geluidsgevoelige bestemming.

In onderstaande tabel zijn de voorkeurswaarde en de hoogste toelaatbare geluidsbelasting voor de nieuwe woningen weergegeven. De nieuwe woningen liggen in de bebouwde kom van Duiven (stedelijk gebied). In paragraf 4.4.2 wordt hieraan getoetst. In onderstaande tabel zijnde voorkeursgrenswaarde en de hoogste toelaatbare geluidsbelasting voor de nieuwe woningen op de locatie Plakse Weide weergegeven. De nieuwe woningen liggen in de bebouwde kom van Duiven (stedelijk gebied).

Gemeentelijk geluidbeleid

35

Het college van B&W is bevoegd om hogere grenswaarden te verlenen voor de realisatie van nieuwe woningen. Door middel van gemeentelijk geluidbeleid kan de gemeente aanvullende voorwaarden vastleggen voor de verlening van hogere grenswaarden. De gemeente Duiven heeft voor de verlening van hogere grenswaarden gemeentelijk geluidbeleid vastgesteld (4 oktober 2010). Dit beleid stelt ten opzichte van de Wgh aanvullende voorwaarden aan een bouwplan, zodat een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd. Naast de aanvullende voorwaarden voor het woon- en leefklimaat heeft de gemeente in het geluidbeleid aanvullende normen beschreven waaraan nieuwe woningen moeten worden getoetst. Deze aanvullende normen zijn: - ambitiewaarde: het geluidniveau dat wordt nagestreefd door de gemeente; - bovengrens: het maximale niveau dat onder voorwaarden kan worden toegestaan. In principe verleent de gemeente geen hogere grenswaarden dan de bovengrens. Door de ontwikkeling van woningbouwlocatie Plakse Weide verandert het gebiedstype van ‘Buitengebied’ naar ‘Woongebieden kern Duiven’. Het gehele plangebied wordt getypeerd als een locatie langs hoofdinfrastructuur omdat het gebied aan drie zijden direct aan de hoofdinfrastructuur van Duiven ligt (Rijksweg, Vergertlaan en Oostsingel/N810). In onderstaande tabel staan de ambitiewaarde en bovengrens voor dit gebiedstype weergegeven:

4.4.2 Beoordeling De nieuwe woningen staan nabij diverse geluidsbronnen. Aan de hand van de zones rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Rijksweg A15 De woningbouwlocatie ligt 800 meter ten westen van de geplande doortrekking van de A15. Het Tracébesluit van de ViA15 (doortrekking van de A15 en verbreding van de A12) is vastgesteld en ligt op dit moment voor bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat het gaat om een vastgesteld besluit is het project ViA15 in voorliggend verkeerskundig onderzoek meegenomen als uitgangspunt voor het beleid en de prognoses / intensiteiten voor de toekomst, hoewel er momenteel geen juridische grondslag is voor de realisatie van het project ViAA15. Na de realisatie van het project ViAA15 zal de A15 4 rijstroken tellen, met een bijbehorende geluidzone van 400 meter. Plakse Weide ligt ruim buiten de zone van deze snelweg. Akoestisch onderzoek naar de geluideffecten van de A15 op de nieuwe woningen in het plangebied is derhalve niet nodig. Rijksweg A12 De woningbouwlocatie ligt 670 meter ten zuiden van de Rijksweg A12. De A12 telt op dit moment vier rijstroken, met een bijbehorende geluidzone van 400 meter. De locatie Plakse Weide ligt dan ook ruim buiten deze zone.

Als project ViA15 wordt gerealiseerd, dan wordt het aantal rijstroken op de A12 verhoogd naar 6.. Na de realisatie van project ViA15 bedraagt de geluidzone bij de A12 600 meter. Ook in deze situatie ligt de woningbouwontwikkeling op Plakse Weide ruim buiten de zone van deze snelweg. Akoestisch onderzoek naar de geluideffecten van de A12 op de nieuwe woningen in het plangebied is derhalve niet nodig.

36

Lokale wegen De nieuwe woningbouwlocatie ligt in de zone van de Oostsingel (N810), de Vergertlaan, de Rijksweg en de Laaarstraat. Derhalve is akoestisch onderzoek noodzakelijk naar de geluidhinder afkomstig van de Oostsingel (N810), de Vergertlaan, de Rijksweg en de Laarstraat. De Schapenweide heeft een 30 km/uur-regime. Formeel geldt voor deze weg geen onderzoeksplicht volgens de Wgh, omdat de maximaal toegestane snelheid 30 km/uur bedraagt. De verkeersintensiteiten op de Schapenweide zijn echter dusdanig dat een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB niet op voorhand kan worden uitgesloten. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook onderzoek gedaan naar de geluideffecten van de Schapenweide. Gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen Gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet in de zones van gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen. Akoestisch onderzoek naar gezoneerde industrieterreinen en spoorlijnen is dan ook niet nodig. In dit kader heeft De Milieuadviseur een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4, de conclusies uit het onderzoek zijn hieronder samengevat.

Ligging van de deelgebieden Het geluidrapport gaat uit van de maximale mogelijkheden die het ontwerpbestemmingsplan biedt en toetst daarnaast en het stedenbouwkundig plan van mei 2023. Het plan bestaat uit twee deelgebieden (zie voorts paragraaf 2.3, afbeelding 2.7). In fase 1 liggen de deelgebieden A, B, C, D, I en J en in fase 2 de deelgebieden E, F, G en H. In onderstaande afbeelding staat de nummering van de 10 deelgebieden weergegeven, die in het akoestisch onderzoek worden aangehaald. De deelgebieden komen overeen met de bestemmingsvlakken op de verbeelding van dit bestemmingsplan. De geluidsbelastingen zijn berekend op de randen van de deelgebieden, waardoor de geluidsbelasting op de toekomstige gevels worst-case zijn beschouwd.

37

Afbeelding 4.2: Nummering van de deelgebieden

Geluidsbelasting toekomstige woningen Plakse Weide In onderstaande tabel zijn de hoogste geluidsbelastingen op de nieuwe woningen als gevolg van de verschillende wegen weergegeven. Hierbij is nog geen rekening gehouden met eventuele geluidreducerende maatregelen. De geluidsbelastingen hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wgh zijn blauw gekleurd. Er is geen sprake van geluidsbelastingen hoger dan de bovengrens van 58 dB uit het gemeentelijke geluidbeleid. In de tabel wordt onderscheid gemaakt in het realiseren van uitsluitend fase 1, of een geheel gerealiseerd plan (fase 1 en 2, na opheffing van de aanwezige geurcontour).

38

Toetsing aan de Wgh Bij de nieuwe woningen op woningbouwlocatie Plakse Weide, zowel in fase 1 als in de situatie van een geheel gerealiseerd plan (fase 1 en 2), wordt voldaan aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB. Op basis van de Wgh is verlening van hogere waarden mogelijk en daarmee realisatie van woningen. Toetsing aan het gemeentelijke geluidbeleid De gemeente Duiven heeft voor de verlening van hogere waarden gemeentelijk geluidbeleid opgesteld. Op basis van dit gemeentelijke geluidbeleid is verlening van hogere waarden op deze locatie tot een bovengrens van 63 dB mogelijk. Bovendien heeft de gemeente op 28 mei 2024 een Addendum geluidsbeleid vastgesteld. In afwijking van de nota hogere grenswaarden is de norm van 63 dB conform de Wet geluidhinder van toepassing verklaard op de woningen in het plangebied Plakse Weide. Onderzoek geluidreducerende maatregelen Het geniet de voorkeur om de geluidreductie bij de woningen door bronmaatregelen te realiseren. Bronmaatregelen zijn geluidmaatregelen aan (in dit geval) de weg die zorgen voor een geluidreductie. Hierbij kan worden gedacht aan het toepassen van stil wegdek of het verlagen van de maximaal toegestane snelheid op de wegen. Naast bronmaatregelen kunnen maatregelen in het

39

overdrachtsgebied (tussen de bron en de woningen) worden overwogen. Tot slot en als laatste moeten maatregelen bij de ontvanger (woningen) worden overwogen. In het onderzoek zijn de volgende maatregelen onderzocht en afgewogen: - Het toepassen van twee mogelijke stillere wegdekken op gemeentelijke en provinciale wegen, te weten de Oostsingel (N810), Vergertlaan en Rijksweg. Geconcludeerd wordt dat deze maatregelen onvoldoende doelmatig zijn en slechts een beperkte geluidreductie tot gevolg hebben. - Het verlagen van snelheden op de Oostsingel (N810), Vergertlaan en Rijksweg naar respectievelijk 60, 30 en 30 km/u. Het verlagen van de snelheid leidt in de praktijk tot een verlaging van de maximale verkeersintensiteit, hetgeen voor filevorming op deze drie wegen zal zorgen. Daardoor veroorzaakt deze maatregelen voor sluipverkeer in de kern van Duiven hetgeen de gemeente als onwenselijk beschouwt. - Het toepassen van overdrachtsmaatregelen tussen de weg en de ontvanger, met onderscheid in twee varianten: (a) een geluidwal van 2 meter hoog en (b) een grondwal van 2 meter hoog met daar bovenop een geluidscherm van 2 meter hoog. Deze maatregel is voldoende effectief en wordt toegepast. In het navolgende wordt hierop verder ingegaan.

- Het toepassen van een diffractor: een betonnen constructie met holtes die parallel aan het wegdek lopen (resonatoren), waardoor geluid geabsorbeerd wordt en geluidgolven naar boven worden gericht en de geluidhinder van de weg afneemt. In het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat de geluidreductie door een diffractor zeer beperkt is, namelijk 0,2 dB. Dit komt omdat de afstand tussen de weg en de woningen voor een diffractor te klein is om relevante geluidreductie te bewerkstelligen. - Het treffen van maatregelen bij de ontvanger (woningen), zoals isolerende voorzieningen en aanvullende gevelmaterialen. De maatregelen die bij de ontvanger (woningen) kunnen worden genomen, zijn erop gericht om te voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB. Mogelijk moeten voor de woningen met een hogere geluidsbelasting dan de voorkeurswaarde aanvullende isolerende voorzieningen worden getroffen om de akoestische binnenwaarde te halen. In het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning zal worden getoetst aan het binnenniveau van 33 dB uit het Bouwbesluit. Conclusie geluidsreducerende maatregelen In het akoestisch onderzoek zijn diverse maatregelen onderzocht. Ten aanzien van fase 1 is gebleken dat deze maatregelen slechts zeer beperkt effectief zijn.

Zonder maatregelen te treffen voldoen de woningen in fase 1 bovendien aan zowel de Wet geluidhinder als aan de bovengrens van 58 dB uit het gemeentelijke geluidbeleid. Voor de realisatie van de woningen in fase 2 is een verlaging van de geluidsbelastingen bij de woningen in deelgebied H afkomstig van de Oostsingel (N810) noodzakelijk om een aanvaardbaar woonklimaat te realiseren. Een grondwal van 2 meter met daarop een geluidsscherm van 2 meter is het meest doelmatig. De aanleg en instandhouding van deze geluidwal, bestaande uit een grondwal van 2 meter met daarop een geluidsscherm van 2 meter hoog, is daarom in het bestemmingsplan als voorwaardelijke verplichting gesteld voor de ingebruikname van de beoogde woningen in fase 2. Tevens blijkt uit het onderzoek naar geluidreducerende maatregelen dat het verlagen van de geluidsbelastingen bij de nieuwe woningen tot de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wgh of de ambitiewaarde van 43 dB uit het gemeentelijke geluidsbeleid niet mogelijk is bij de nieuwe woningen.

40

De geluidsbelastingen op de deelgebieden zien er – rekening houdend met de toepassing van geluidreducerende maatregel – als volgt uit:

Toetsing aan de Wgh Bij de nieuwe woningen op woningbouwlocatie Plakse Weide, zowel in fase 1 als bij het geheel gerealiseerde plan (fase 1 en 2), wordt voldaan aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB. Toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Duiven heeft voor de verlening van hogere waarden gemeentelijk geluidbeleid opgesteld. Bij de realisatie van het gehele plan wordt bij alle woningen eveneens voldaan aan de bovengrens van 58 dB uit het gemeentelijke geluidbeleid. Langs de Oostsingel (N810) is een grondwal van 2 meter met een geluidscherm van 2 meter doelmatig. De aanleg van een geluidwal, bestaande uit een grondwal van 2 meter met een geluidscherm van 2 meter hoog, is daarom in het bestemmingsplan als voorwaardelijke verplichting gesteld voor de ingebruikname van woningen in fase 2. Hogere waarden Het doel van de Wgh is geluidhinder te voorkomen. Om de geluidshinder in het plangebied te beperken wordt langs de Oostsingel (N810) een grondwal van 2 meter met een geluidsscherm van 2 meter gerealiseerd. Dit geluidsscherm verlaagt de geluidsbelasting bij de woningen in deelgebied H sterk. Op

41

basis van het gemeentelijke geluidbeleid en de Wgh kan de gemeente Duiven een hogere waarde verlenen. De verlening van de hogere waarden vindt plaats in een aparte hogere waarden-procedure, gelijktijdig met de ruimtelijke procedure. Uit het gemeentelijke geluidbeleid blijkt dat de woningen voor verlening van hogere waarden van 54 dB of hoger moeten beschikken over een geluidsluwe gevel. Een geluidsluwe gevel is een gevel waarbij wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Bij alle nieuwe woningen is sprake van een geluidsluwe buitenruimte (tuinen of balkons). Ook is bij alle woningen waarbij de benodigde hogere waarde tussen de 54 en 63 dB ligt, sprake van een geluidsluwe gevel. De te verlenen hogere waarden zijn weergegeven in onderstaande tabel. De gemeente Duiven heeft te kennen gegeven voor deze woningen een procedure hogere waarden te willen doorlopen, parallel aan de bestemmingsplanprocedure. De nieuwe woningen kunnen na de verlening van hogere waarden worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen.

Geluidsbelasting bestaande woningen rondom Plakse Weide De ontsluiting van de Plakse Weide vindt plaats op de Rijksweg. Hiervoor worden op de Rijksweg maximaal twee nieuwe inritten gemaakt. Voor de bestaande woningen in de zone van deze nieuwe kruising moet akoestisch onderzoek uitgevoerd op basis van de Wet geluidhinder (Wgh). Ook voor de overige omliggende wegen (deel Vergertlaan en deel Oostsingel-N810) is onderzocht of de verkeerstoename door Plakse Weide leidt tot een onevenredige aantasting van het bestaande woonen leefklimaat. Bij deze toetsing wordt onderzocht of de geplande fysieke wijziging van de Rijksweg een reconstructie is in de zin van de Wgh. Van een reconstructie in de zin van de Wgh is alleen sprake wanneer aan de twee volgende voorwaarden wordt voldaan: • toename van de geluidsbelasting van 2 dB of meer in de periode tussen één jaar voor reconstructie tot 10 jaar na de reconstructie (artikel 99 lid 2 van de Wgh); • hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaardevoorkeurswaarde van 48 dB, 10 jaar na de reconstructie (artikel 100 lid 1 van de Wgh). Oostsingel (N810) Na realisatie van het plan Plakse Weide bedraagt de totale toename van de geluidsbelasting van 3,6 dB bij de omliggende woningen ten opzichte van de huidige situatie. 0,6 dB van deze toename wordt

42

veroorzaakt door de ontwikkeling van de Plakse Weide. De overige 3,0 dB van de toename van de geluidsbelasting wordt veroorzaakt door de overige autonome ontwikkelingen en netwerkwijzigingen waaronder project ViA15. Deze toename is dus geen gevolg van een fysieke wijzigingen en/of de ontwikkeling van Plakse Weide. Bij de woningen in de directe omgeving van de Oostsingel (N810) is er dan ook geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh. Vergertlaan Na realisatie van het plan Plakse Weide bedraagt de totale toename van de geluidsbelasting van 2,6 dB bij de omliggende woningen ten opzichte van de huidige situatie. 0,4 dB van deze toename wordt veroorzaakt door de ontwikkeling van de Plakse Weide. De overige 2,1 dB van de toename van de geluidsbelasting wordt veroorzaakt door de overige autonome ontwikkelingen en netwerkwijzigingen waaronder project ViA15. Deze toename is dus geen gevolg van een fysieke wijzigingen en/of de ontwikkeling van Plakse Weide. De realisatie van alleen woningbouw op Plakse Weide leidt bij de bestaande woningen langs de Vergertlaan niet tot een reconstructie in de zin van de Wgh. Rijksweg De ontsluiting van de locatie Plakse Weide vindt plaats op de Rijksweg. Hiervoor worden op de Rijksweg nieuwe inrit voor autoverkeer gemaakt.

Voor de bestaande woningen in de zone van deze nieuwe inrit moet akoestisch onderzoek uitgevoerd op basis van de Wet geluidhinder (Wgh). Na realisatie van de woningen op locatie Plakse Weide is sprake van een totale toename van de geluidsbelasting van 2,9 dB bij de omliggende woningen langs de Rijksweg. 1,3 dB van deze toename wordt veroorzaakt door de verkeer van en naar Plakse Weide. De overige 1,6 dB van de toename van de geluidsbelasting wordt veroorzaakt door de overige autonome ontwikkelingen en netwerkwijzigingen waaronder project ViA15. Deze toename is dus geen gevolg van een fysieke wijziging en/of de ontwikkeling van Plakse Weide. De realisatie van alleen woningbouw op Plakse Weide leidt bij de bestaande woningen aan de Rijksweg niet tot een reconstructie in de zin van de Wgh. 4.4.3 Conclusie Op basis van akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh en het vastgestelde Addendum geluidsbeleid voor de locatie Plakse Weide (d.d. 28 mei 2024). Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient wel een hogere waarde verleend te worden en dient er ten behoeve van de woningen in fase 2 een geluidwal langs de Oostsingel (N810) te worden aangelegd. Hiertoe zijn bepalingen opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

Om de realisatie van de woningen mogelijk te maken, heeft de gemeente Duiven aangegeven bereid te zijn om gelijktijdig met deze ruimtelijke procedure een hogere waarden procedure te doorlopen. Wat betreft de toekomstige geluidbelasting op bestaande woningen wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder als gevolg van de komst van woningbouw op Plakse Weide. 4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1 Kader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening van belang indien er sprake is van functieverandering en/of een ander gebruik van de gronden. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem en grondwater, waarop die ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is bevonden voor het beoogde doel of voorafgaand aan die ontwikkeling alsnog geschikt wordt gemaakt.

43

4.5.2 Beoordeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn twee bodemonderzoeken uitgevoerd. Door Kobessen Milieu B.V. is in 1998 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. In december 2022 is door ABO-Milieuconsult een historisch vooronderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd. In het kader van het verkennend bodemonderzoek zijn veldwerkzaamheden uitgevoerd conform de NVN 5740. Over het perceel is een dicht raster aan boringen gelegd. Zintuigelijk zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op mogelijke verontreiniging. In de boven- en ondergrond zijn lichte verontreinigingen met nikkel aangetroffen. Deze geven geen aanleiding tot nader onderzoek. In de grond en het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde gehalten met arseen aangetroffen. Deze concentraties zijn naar verwachting van natuurlijke oorsprong aanwezig te zijn en worden vaker aangetroffen bij vergelijkbare bodemonderzoeken. In het grondwater zijn eveneens licht verhoogde concentraties xylenen, tolueen, fenolindex en naftaleen aangetoond. Deze verhoogde waarden worden in vergelijkbare onderzoekssituaties vaker aangetroffen en leiden niet tot nader onderzoek. Uit het onderzoek kan daarom worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een relevante verontreiniging.

In 2022 is door ABO-Milieuconsult een vooronderzoek uitgevoerd. Aanleiding voor het uitvoeren van dit onderzoek is de verstreken tijd tussen het verkennend bodemonderzoek en de vaststelling van het bestemmingsplan voor Plakse Weide. Het is wenselijk om te bepalen of de conclusies uit het rapport van Kobessen (1998) nog stand houden in relatie tot eventueel gewijzigde onderzoeksstrategieën en het gebruik van de gronden. Het onderzoek betreft het in kaart brengen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit en/of bodembedreigende activiteiten op of nabij de locatie voor het opstellen van een bestemmingsplan en de daaruit voortvloeiende aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Uit het vooronderzoek blijkt dat de resultaten uit 1998 dermate zijn verouderd dat er geen uitspraken kunnen worden gedaan over de huidige kwaliteit van de bodem. Uit historische informatie is bekend dat de locatie altijd onbebouwd is geweest en dat er diverse gedempte watergangen aanwezig zijn. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat er aanleiding is tot het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek. Conform de NEN 5740-richtlijn betreft de strategie onverdacht terrein (grootschalig, niet lintvormig). Om de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen uit te sluiten dient de bovengrond tevens onderzocht te worden op OCB’s.

Diepe boringen dienen ter hoogte van de voormalige watergangen geplaatst te worden om te bepalen of de voormalige watergangen met gebiedseigen grond of met ander materiaal (puin e.d.) zijn gedempt. Op basis van de hiervoor beschreven onderzoeksresultaten dient aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden. Dit veldonderzoek, dat conform de NEN5740-richtlijn zal worden uitgevoerd, kan echter pas plaatsvinden op het moment dat terreinbetreding mogelijk is. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Wel dient op voorhand in redelijkheid te moeten worden onderbouwd dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. In de regels van het plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voorafgaand aan de woningbouw moet de grond hiervoor geschikt zijn (ofwel geschikt worden gemaakt). Dit is pas het geval wanneer het bevoegd gezag hierover uitsluitsel heeft gegeven middels een beschikking/goedkeuring ten aanzien van een uitgevoerd bodemonderzoek en eventueel benodigde en uitgevoerde

44

bodemsanering. Zodra de bodemgesteldheid is vastgesteld en deze na eventuele sanering geen belemmering vormt voor de voorziene woningbouwontwikkeling is het plan milieuhygiënisch gezien uitvoerbaar. Gezien voorgaand onderzoek en het gebruik van de gronden in de afgelopen jaren is de verwachting dat er geen grootschalige verontreinigingen op de locatie aanwezig zijn. De Wet bodembescherming biedt bovendien voldoende mogelijkheden voor sanering van de bodemverontreiniging. Op basis van het vooronderzoek is een worst-case inschatting gemaakt van de eventuele saneringskosten. Deze kosten zijn opgenomen in de financiële exploitatie voor de beoogde ontwikkeling. Hiermee is het plan ook economisch gezien uitvoerbaar. 4.5.3 Conclusie Uit het uitgevoerde bodemonderzoek 1998 blijkt dat er geen milieuhygienische belemmeringen zijn voor het beoogd gebruik. Omdat het bodemonderzoek formeel verouderd is, dient actueel onderzoek plaats te vinden wanneer terreinbetreding mogelijk is. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. De eventuele saneringskosten zijn worst-case in beeld gebracht meegenomen in de financiële exploitatie van het plan. Daarmee is het plan uitvoerbaar en leidt het aspect Bodem niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan. 4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

45

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. 4.6.2 Beoordeling Door de Veiligheids- en gezondheidsregio Gelderland-Midden is een omgevingsadvies uitgebracht met betrekking tot een conceptversie van dit bestemmingsplan. Daarnaast is door KuiperCompagnons een onderzoek uitgevoerd naar de relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Het advies en de onderzoeksrapportage zijn in bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. De belangrijkste conclusies zijn hieronder samengevat. Plansituatie Het plan voorziet in de realisatie van 300 woningen in een bestaand akkerbouwgebied. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een externe veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 4.3 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

Afbeelding 4.3: Uitsnede provinciale risicokaart (geraadpleegd op 28-11-2022) met beide plangebieden in de zwarte cirkel.

In de omgeving van de locatie zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig: • Transportroute: Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A12 • Transportroute: Vervoer gevaarlijke stoffen over de Betuweroute • Buisleiding: Hogedruk aardgastransportleiding N-559. Transportroutes Het plangebied ligt op ca. 650 meter van de snelweg A12, op ca. 750 meter van de toekomstige snelweg A15 en op ca. 2.150 meter van de Betuweroute. Over deze transportassen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico is het plangebied gelegen in het invloedsgebied groepsrisico (4.000 meter) van de snelweg A12, de toekomstige snelweg A15 en de Betuweroute. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen het plan en deze risicobronnen dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het

46

groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Buisleidingen In het plangebied ligt aardgastransportleiding N-559-10. Uit het onderzoek externe veiligheid (bijlage 7) blijkt dat er geen 10-6 risicocontour ter plaatse van het plangebied aanwezig is. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plan. Verder geldt er rondom aardgastransportleiding N-559-10 een belemmeringenstrook. Dit is een zakelijke rechtsstrook die nodig is voor onderhoud aan de leiding waarbinnen geen nieuwe bouwwerken mogen worden opgericht. Voor aardgastransportleiding N-559-10 bedraagt die 4 meter aan weerszijde van de leiding. Deze restricties zijn vertaald in de bestemmingplan verbeelding met bijbehorende planregels. Dit punt is eveneens geen belemmering. Ten aanzien van het groepsrisico heeft aardgastransportleiding N-559-10 een invloedsgebied groepsrisico van 95 meter aan weerszijde van de leiding. Het plangebied is gedeeltelijk hierbinnen gelegen. Uit het aangeleverde externe veiligheidsonderzoek blijkt dat voor de aardgastransportleiding zowel in de bestaande en toekomstige situatie geen groepsrisico wordt berekend. Gezien het groepsrisico beneden de 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijft kan er worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico.

Hiervoor moet de verandering van de hoogte van het groepsrisico en de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid inzichtelijk gemaakt worden. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (onderdelen C en D) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over A12, toekomstige A15 en Betuweroute en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) artikel 12 vanwege aardgastransportleiding N-559-10. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 14 november 2022 (kenmerk: 2022-006283). Dit advies is opgenomen in bijlage 7. Onderstaand een beschouwing van deze aspecten. A. Personendichtheid Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 300 woningen. Echter het gros van deze woningen zijn gesitueerd buiten het invloedsgebied van nabijgelegen aardgastransportleiding N-559-10.

Hierdoor is er wel een toename van het aantal personen, maar slechts beperkt. Uit de concept inrichtingstekening blijkt dat het binnen het invloedsgebied om circa 30 woningen gaat. Dit betekent een maximale toename van 72 personen (conform handreiking verantwoording groepsrisico 2,4 personen per woning). B. Hoogte groepsrisico In het voor de locatie Plakse Weide uitgevoerde onderzoek externe veiligheid is het groepsrisico berekend. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Uit dit onderzoek blijkt dat zowel in bestaande en nieuwe situatie geen groepsrisico aanwezig is ter plaatse van de aardgastransportleiding. C. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid

47

wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De VGGM is hiervoor om advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. D. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van Veiligheids en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: - Het plan ligt alleen binnen de effectafstand van het scenario fakkelbrand en toxische wolk. De kans daarop is klein. Het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen die zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd; - VGGM adviseert toekomstige bewoners te infomeren over: risicocommunicatie, ontvluchtbaarheid (vluchtroutes van de risicobron af) en afspraken bij werkzaamheden aan de aardgasleidingen. Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-alert.

Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is plangebied e ontvluchten via een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg in het plangebied met een aansluiting op de Rijksweg. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant. 4.6.3 Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de snelweg A12, de toekomstige A15 en de Betuweroute. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijkplan geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Kader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen kan gebruik worden gemaakt van de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld door de VNG (versie 2009). Deze geeft per bedrijfscategorie een “veilige” afstand voor de genoemde milieuaspecten, de zogenaamde richtafstand. Realisatie van woningen binnen deze richtafstand is alleen gemotiveerd mogelijk indien wordt aangetoond dat ter plaatse een

48

goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd én dat het bestaande bedrijf niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad ten gevolge van de ontwikkeling. 4.7.2 Beoordeling De omgeving van het plangebied kent hoofdzakelijk een woonfunctie. Ten noordwesten en zuiden van het plangebied is een bestaande woonwijk aanwezig, aan de noordoostkant liggen agrarische gronden. Het plangebied kan daarom worden aangemerkt als omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van nieuwe milieugevoelige functies, namelijk woningen. In de omgeving van het plangebied zijn enkele potentieel hinderlijke functies c.q. bestemmingen aanwezig. Deze worden hieronder beschouwd. Varkenshouderij noordoostzijde (veehouderij Laarstraat 20) Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een varkenshouderij aan de Laarstraat 20. Het maatgevende hinderaspect hiervoor is geur. Om de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de woningbouwontwikkeling aan te tonen, is een onderzoek uitgevoerd naar de geurhinder als gevolg van omliggende veehouderijen. Om de toekomstige geurbelasting op de nieuwe woningen te kunnen bepalen, heeft De Roever Omgevingsadvies een geuronderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Hieronder worden de conclusies beschreven.

Het onderzoek naar de geursituatie gaat uit van de aanwezige veehouderijen en de bestaande geurgevoelige objecten. In het onderzoek wordt zowel de vergunde geursituatie als de worst-case geursituatie beschouwd. De geurbelasting wordt bepaald op grond van geurberekeningen voor de vooren achtergrondbelasting. Aan de hand hiervan kan ook het woon- en leefklimaat bepaald worden. Voor de huidige situatie worden de vergunde of gemelde bedrijfssituaties gehanteerd. In de worst-case situatie wordt aangehouden dat alle bestaande bebouwing wordt afgebroken en zodanig wordt teruggebouwd dat de geur- en afstandscontouren zo veel mogelijk richting het te bestemmen geurgevoelige object komen te liggen. Beoordeling geuremissie en geurimmisie De geuremissies worden uitgedrukt in Europese odour units (Europese geureenheden) per tijdseenheid: ouE/s. Deze geuremissies zijn bepaald op basis van metingen aan de geurconcentraties uit stallen. De emissiefactoren per dier staan weergegeven in bijlage 1 van de Rgv. De geurbelastingen (geurimissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. Hiermee wordt het 98-percentiel van de geurconcentratie bedoeld. Dat is de geurconcentratie, berekend met een verspreidingsmodel, welke gedurende 2 procent van een jaar wordt overschreden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=48117a1d-6d00-4d2a-93bf-de9e2cd3f13f