CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

7. 201669883-Bestemmingsplan Plakse Weide - Toelichting

Raadsavond 18 september 2024, gemeente DuivenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan & beeldkwaliteitsplan Plakse Weide27.412 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voorgrondbelasting Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaardnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn in onderstaande tabel opgenomen.

49

3 gebied als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet

Geurverordening De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om de standaardnormen aan te passen middels vaststelling van een Verordening geurhinder en veehouderijen. De gemeente Duiven heeft in 2008 een dergelijke geurverordening vastgesteld en daarmee geurnormen voor het gehele grondgebied vastgesteld. In het algemeen geldt op grond van de geurverordening een geurnorm van 3 ouE/m3, zo ook voor het plangebied Plakse Weide. Voor enkele gebieden in Duiven, waaronder Loostraat 40/42, Loostraat 34 en Onder de Toren is door de gemeenteraad een geurnorm van 6 ouE/m3 vastgesteld teneinde woningbouw mogelijk te maken. Afstanden Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening.

De gemeente Duiven heeft in de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Duiven 2008 een aangepaste afstandseis van 50 meter vastgesteld voor de bebouwde kom van Duiven. Deze afstandseis geldt ook voor het plangebied Plakse Weide, aangezien dit onderdeel uitmaakt van de bebouwde kom van Duiven en het niet mogelijk is om de grens van een bebouwde kom vast te leggen in een geurverordening. De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) moet minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). De bedrijfswoning die tot dezelfde veehouderij behoort wordt overigens niet aangemerkt als geurgevoelig object. Ten slotte geldt een afstand van 50 meter als deze is gelegen buiten de bebouwde kom en een afstand van 100 meter als deze is gelegen binnen de bebouwde kom. Voor geurgevoelige objecten die deel uitmaken van een veehouderij wordt dus niet getoetst aan de normen voor de voorgrondbelasting, zoals hiervoor aangegeven. Achtergrondbelasting De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd.

De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. Het verschil tussen voorgrondbelasting en achtergrondbelasting wordt toegelicht in de op afbeelding 3 in de onderzoeksrapportage. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de

50

mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Geurbelasting versus geurhinder In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in onderstaande tabel.

Onderzoek Laarstraat 20 In het onderzoek is de geurbelasting vanwege de veehouderij aan Laarstraat 20 in Duiven ten aanzien van het plan Plakse Weide onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat: - wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter; - de voorgrondbelasting op zijn hoogst 5,5 ouE/m3 bedraagt ter plaatse van de beoogde bouwvlakken in het plangebied; - de achtergrondbelasting op zijn hoogst 4,5 ouE/m3 bedraagt ter plaatse van de beoogde bouwvlakken in het plangebied. Omdat de veehouderij op grote afstand van het plangebied is gelegen (meer dan 50 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting binnen het plangebied bedraagt 5,5 ouE/m3. Dit is ter plaatse van het meest oostelijke bouwvlak. Ter plaatse van de overige bouwvlakken is de geurbelasting 5,0 ouE/m3 of lager). Deze waarden voor de voorgrondbelasting komen overeen met een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. In het onderzoek is toegelicht dat de geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied 3,0 ouE/m3 bedraagt. Daarbij wordt opgemerkt dat voor andere plangebieden in de gemeente (Loostraat 40/42, Loostraat 34 en Onder de Toren) in de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Duiven 2008 een geurnorm van 6 ouE/m3 is vastgesteld.

De achtergrondbelasting van maximaal 4,5 ouE/m3 komt volgens voorgaande tabel overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is wanneer

51

deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier niet het geval. De voorgrondbelasting van de veehouderij aan Laarstraat 20 is maatgevend voor het woon- en leefklimaat. De geurcontour behorende bij de geurnorm van 3 ouE/m3 loopt over het plangebied. Als woningen worden gerealiseerd binnen de geurcontour van 3 ouE/m3 is mogelijk sprake van een belemmering voor de veehouderij. Deze belemmering kan aanvaardbaar worden geacht, aangezien de veehouderij al wordt belemmerd door bestaande geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom van Duiven. De veehouderij heeft daarom geen mogelijkheden om de geurbelasting in de richting van het plangebied toe te laten nemen.

Er zijn verschillende mogelijkheden om de belemmering van de geurcontour van 3 ouE/m3 voor woningbouw op een deel van het plangebied weg te nemen. In het kader van een aanpassing van de geurvordening kan worden onderzocht of er met de huidige geurbelasting is van een goed woon- en leefklimaat en of de gemeente bereid is vanwege het belang van woningbouw de geurnorm ter plaatse van deze geurcontour te verhogen naar 6 ouE/m3. Andere mogelijkheden om de toekomstige geursituatie te verbeteren zijn het treffen van maatregelen aan de stallen of een aanpassing van de bedrijfsvoering/bedrijfsbeëindiging. Ook in dat geval kan een redelijk woon- en leefklimaat worden bereikt. In de eerste fase kunnen minimaal 180 woningen worden gerealiseerd (buiten de geldende geurcontour). Voor de tweede fase is in voorliggend bestemmingsplan de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Voor deze gronden kan via een wijzigingsbevoegdheid de groenbestemming wijzigen naar de bestemmingen ‘Wonen’ en/of ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. De bevoegdheid tot het wijzigen van de bestemming is gekoppeld aan diverse voorwaarden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Overige bedrijfsbestemmingen en milieuaspecten

52

Het perceel aan de Laarstaat 10 kent, binnen de woonbestemming, de aanduiding ‘agrarisch’. Ter plaatse van deze aanduiding is agrarisch medegebruik toegestaan. Gezien de afstand tot aan het plangebied (circa 50 meter) en het feit dat binnen deze bestemming ook woningen zijn toegestaan, worden hiervan geen belemmeringen verwacht. Ten oosten van het plangebied bevinden zich de aan elkaar grenzende bestemmingen ‘Bedrijf’ (Plaksestraat 7-9) en ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ (Plaksestraat 1). Ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf’ is bedrijvigheid in categorie 1 en 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 m (‘rustige woonwijk’). Deze afstand reikt niet tot in het plangebied. Binnen de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ zijn gronden bestemd voor nutsvoorzieningen. Hier bevindt zich een gasdrukregelstation. Op basis van de VNG-richtafstandenlijst valt dit in milieucategorie 2. Aan de richtafstand hiervoor (30 m) wordt voldaan. De bijbehorende PR-contour (aanduiding ‘veiligheidszone – gasdrukregelstation’) valt grotendeels binnen het perceel en niet over het voorliggende plangebied. Tot slot bevindt zich ten zuidwesten van het plangebied een bedrijfsbestemming, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – aannemersbedrijf’ (Rijksweg 110). Hiervoor geldt volgens de VNG-handreiking milieucategorie 2 (b.o. < 1.000 m2) of 3.1 (b.o. > 1.000 m2).

Gezien het bedrijfsoppervlak is hier sprake is van categorie 3.1-bedrijvigheid, met een bijbehorende richtafstand van 50 meter. De afstand tot de nieuwe woningen voldoet aan de bijbehorende richtafstand. Spuitzones Ten slotte grenst het plangebied aan agrarische gronden met de enkelbestemming agrarisch. De agrarische gronden zijn in het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” (en dus het omgevingsplan van rechtswege) bestemd voor een agrarisch bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen. Deze bestemming sluit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uit. Door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan, afhankelijk van de weersomstandigheden, drift (het verwaaien van spuitvloeistof tot buiten het perceel) optreden. Bij de bouw van de nieuwe woningen moet daarom rekening gehouden worden met voldoende afstand tussen de agrarische activiteiten en de omliggende woonbestemming. Hiervoor geldt geen wettelijk aan te houden afstand. Op basis van jurisprudentie wordt in beginsel een indicatieve veiligheidsafstand van 50 meter aangehouden vanaf de grens van het agrarisch perceel tot de omliggende woonbestemming. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wro.

Met betrekking tot het aspect spuitzonering houdt dit in dat er ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, en dat de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf niet wordt belemmerd door de woonlocatie. In de regels van dit bestemmingsplan is een bepaling opgenomen voor de gronden ter plaatse van een zone van 50 meter rondom agrarische bestemmingen. Op de gronden gelegen binnen de hiertoe opgenomen aanduiding ‘specifieke vorm van groen - spuitzone’ kan een omgevingsvergunning uitsluitend worden verleend indien een aanvaardbaar verblijfsklimaat is gegarandeerd voor gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals woningen. Van een aanvaardbaar verblijfsklimaat is in ieder geval sprake indien via een planologische procedure het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen op agrarische percelen in een zone van 50 meter rond de gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen is uitgesloten.

53

4.7.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.8

Water

4.8.1 Kader Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: •

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld.

In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s

54

1. Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2. Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd. 3. Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q.

wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.

Waterschapbeleid - Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel Voor dit plan is het beleid van Waterschap Rijn en IJssel mede van belang. Waterschap Rijn en IJssel beschrijft in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 het beleid voor alle taakgebieden van het waterschap. Primair doel voor de komende jaren is het creëren en onderhouden van een klimaatrobuust en veilig gebied, bijdragen aan een circulaire economie en de energietransitie en het creëren van een gezondere leefomgeving. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2021-2027 beschreven voor de kerntaken van het waterschap: • het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater; • het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen; • het transporteren en zuiveren van afvalwater; • het verbeteren van de waterkwaliteit; • de vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast is het veerkrachtiger maken van het gebied tegen klimaatverandering een belangrijk speerpunt. Waterschapbeleid - Watervisie 2030 waterschap Rijn en IJssel De Watervisie geeft aan hoe het waterschap aankijkt tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het beheersgebied, om de wateropgaven waarvoor ze staan duurzaam op te lossen. Er moet daartoe een betere afstemming worden gevonden tussen de waterwensen van de verschillende grondgebruiksvormen en het watersysteem zelf.

Omdat ruimtelijke oplossingen op langere termijn duurzamer zijn, krijgen deze de voorkeur boven technische oplossingen. Bij het zoeken naar ruimtelijke oplossingen geldt het natuurlijk watersysteem als ideaalbeeld. Een dergelijk watersysteem heeft onder meer de mogelijkheid om (in geval van veel neerslag) voldoende water op te vangen en water (in geval van te zware belasting) voldoende te reinigen. Water moet richtinggevend zijn bij toekomstige stedelijke uitbreiding. Bij overschot wordt regenwater in de bodem geïnfiltreerd of naar het oppervlaktewater geleid. Het waterschap streeft ernaar regenwater niet meer via de riolering af te voeren. Het rioleringsstelsel wordt aldus minder zwaar belast, waardoor de kans op overstorten van rioolwater op

55

oppervlaktewater kleiner wordt. Watertoets en Handreiking Waterparagraaf voor bestemmingsplannen De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Om de waterhuishoudkundige gevolgen van onderhavig plan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de watertoets. Voor de watertoets is de Standaard Waterparagraaf van het Waterschap Rijn en IJssel aangewend. Deze waterparagraaf is onderdeel van, en hangt samen met, een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen.

Als op één of meer vragen per waterthema ‘ja’ wordt geantwoord dan is het waterthema relevant. Die waterthema’s worden toegelicht. Bij plannen met een verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in de nieuwe situatie hoeft geen berging gerealiseerd te worden. Bij plannen met een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² dient rekening gehouden te worden met een maatgevende bui van 60 mm per uur. Hiervoor kan de volgende berekening worden gehanteerd, waarin de factor 0,06 m een maatgevende bui van 60 mm per uur vertegenwoordigt: benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * 0,06. Ten slotte geldt voor ontwikkelingen groter dan 2000 m2 de een eis van 80 mm per m2 toename verhard oppervlak die in 48 uur weer beschikbaar is (T=100+10%). 4.8.2 Beoordeling Huidige en toekomstige situatie Aan de noord-, oost- en zuidzijde van de planlocatie is er sprake van de aanwezigheid van sloten met een geringe diepte en breedte. De watergang gelegen tussen de Fanfare en de Vergertlaan is voor driekwart van de lengte in eigendom van het Waterschap. De ontwikkelingen op de planlocatie hebben echter geen invloed op de naastgelegen sloten en het beheer daarvan. Binnen de plangrens, aan de randen van het gebied, zijn op dit moment smalle watergangen gelegen. Ook loopt dwars door het gebied een greppel. De watergangen zijn in beheer bij de perceelseigenaren.

Het Ontwikkelplan voorziet in een verkavelingsopzet met een forse groene omlijsting. Tussen en aan de randen van de woongebieden worden wadi’s aangelegd. Zo kan water vanuit het woongebied worden afgevoerd. De bestaande greppel, in noord-zuid richting, zal worden gedempt. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt ook het watersysteem verder uitgewerkt.

56

Afbeelding 4.3: Uitsnede leggerkaart Waterschap Rijn en IJssel ter hoogte van het plangebied.

Watertoetstabel Aan de hand van de handleiding van het waterschap is het aspect water in het voorliggende plan meegenomen. In de volgende tabel wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige aspecten voor het bestemmingsplan relevant zijn. Thema

Toetsvraag

Relevant

Intensiteit*

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?

1. Nee

2

2. Nee

2

Riolering en afvalwaterketen

1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m³/ uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?

1. Ja 2. Nee 3. Nee

2 1 1

Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is er sprake van toename van het verhard 1. Ja oppervlak met meer dan 2.500 m²? 2. Is er sprake van toename van het verhard 2. Ja oppervlak met meer dan 500 m²? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van 3. Nee bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte 4. Nee en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

2 1 1 1

57

Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op 1. Ja oppervlaktewater geloosd?

1

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht 1. Nee doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Nee 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Nee 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of 4. Nee andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage?

1 1 1 1

Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

1. Nee

1

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied 1. Ja wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Nee 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

1

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

1. Nee

1

2. Nee

1

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?

1. Nee 2. Nee 3. Nee

2 2 1

4. Nee

1

Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in een TOPgebied?

1. Nee

1

Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied 1. Nee watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

2

Cultuurhistorie

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het 1. Nee plangebied aanwezig?

1

Volksgezondheid

Natte natuur

2

* als op één of meer vragen per waterthema Ja wordt geantwoord dan is het thema relevant en zal de toelichting bij het kopje 3 ingevuld en toegevoegd moeten worden in de ruimtelijke onderbouwing.

Uit voorgaande toetsing van de watertoetstabel blijkt dat er met voorliggend plan sprake kan zijn van een toename aan afvalwater en wateroverlast (oppervlaktewater) in het plangebied. Voor het vuilwater dient een rioolaansluitvergunning aangevraagd te worden. Vuilwater kan daarna geloosd worden op een uitlegger.

58

Wat betreft hemelwater geldt voor ontwikkelingen groter dan 2000 m2 de volgende eis: 80 mm per m2 toename verhard oppervlak die in 48 uur weer beschikbaar is (T=100+10%). De bodem is geschikt om hemelwater rechtstreeks in de bodem te laten infiltreren. In onderstaande tabel is een berekening gemaakt van het verhard oppervlak van fase 1.

De benodigde compensatie (in m³) voor fase 1 van het plan bedraagt dus 2.724 m3. Voor fase 2 is het voorzien in voldoende waterberging opgenomen als een van de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. Hiervoor wordt een systeem van kolken, hemelwaterriool en waterbergende maatregelen ontworpen. Binnen het plangebied is in principe voldoende ruimte voor bovengrondse berging en infiltratie. Het heeft de voorkeur om waterafvoer van de woningen af te voeren op de groene wiggen, waar wadi’s worden gerealiseerd. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan voor het plangebied zal het watersysteem verder uitgewerkt worden. Mocht deze berging van 80 mm bereikt zijn, dan stort het overtollige hemelwater middels een overstort het oppervlaktewater. Een mogelijke overstort vanuit Plakse Weide op water in eigendom/beheer van het Waterschap zal plaatsvinden middels een separate vergunningsprocedure. Op dit moment zijn er voor de bestemmingsplanfase vanuit het Waterschap geen bezwaren/aandachtspunten op de ontwikkeling Plakse Weide. Om te borgen dat voldoende watercompensatie wordt gerealiseerd, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Indien er water wordt gedempt en eventueel extra water wordt gegraven dient er daarnaast een watervergunning aangevraagd te worden.

4.8.3 Conclusie Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

59

4.9

Ecologie

4.9.1 Kader Voor ecologie moet aan de Wet natuurbescherming (Wnb), met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden, worden getoetst. Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen.

Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. •

Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.

•

Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:  er geen andere bevredigende oplossing is, en  geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en  sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

•

Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:  er geen andere bevredigende oplossing is, en

60

 indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Oude IJsselstreek is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden.

Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan.

Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). 4.9.2 Beoordeling Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen aanleg- en bouwwerkzaamheden heeft ABO-Milieuconsult een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierin is het plangebied onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wnb beschermde plant- en diersoorten. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 9; de belangrijkste bevindingen en conclusies zijn hieronder samengevat. De onderzoeksresultaten per soortgroep zijn samengevat in tabel 4.2. Uit de uitgevoerde bureaustudie en veldonderzoek is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wnb beschermde soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna worden daarom uitgesloten. Nader onderzoek wat betreft soortenbescherming is niet noodzakelijk. Wat betreft de aanwezigheid van verblijf- en broedplaatsen

61

van vogels wordt rekening gehouden met de aanbeveling uit het onderzoek, in die zin dat de aanlegwerkzaamheden buiten het broedseizoen zullen plaatsvinden. De zorgplicht van de Wnb is altijd van toepassing. In de rapportage van het flora- en faunaonderzoek is nader geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven.

Tabel 4.2: Overzicht onderzoeksresultaten per soortgroep (bron: ABO-Milieuconsult, 20 september 2022).

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daardoor gaat er geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Ook maakt het plangebied geen onderdeel uit van een ander beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000-gebied, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In de omgeving van het plangebied zijn enkele Natura 2000-gebieden aanwezig. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn de Veluwe, Rijntakken en Landgoederen Brummen. Ten behoeve van het bepalen van de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan is door KuiperCompagnons de toekomstige stikstofdepositie beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie in de aanleg- en de gebruiksfase ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 10 bij deze toelichting. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen de genoemde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg en het toekomstige gebruik van de toekomstige woningen in Plakse Weide.

Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 4.9.3 Conclusie Uit flora- en faunaonderzoek blijkt dat nadelige effecten op beschermde flora en fauna kunnen worden uitgesloten en dat nader onderzoek niet nodig is. Verder gaat met de ontwikkeling geen NNN-gebied of Natura 2000-gebied verloren. Uit een stikstofdepositieberekening blijkt dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten.

62

4.10 Archeologie en cultuurhistorie 4.10.1 Kader Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van de bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met Rijksbeschermde gebouwde en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De Erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Erfgoedwet moet de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met de in de grond aanwezige en te verwachten archeologische waarden. 4.10.2 Beoordeling In het vigerende bestemmingsplan zijn aan het voorliggende plangebied twee archeologische dubbelbestemmingen met verschillende verwachtingswaarden toegekend. Het grootste gedeelte van het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Lage archeologische verwachting’. Voor een klein deel aan de zuidoostzijde is de dubbelbestemming ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting’ opgenomen. Hierbinnen geldt voor het bouwen en uitvoeren van werken en werkzaamheden een onderzoeksplicht, met als vrijstellingsgrens een oppervlakte van 10.000 m2 respectievelijk 500 m2 en een diepte van 50 cm -mv.

In het kader van de beoogde nieuwbouw in het plangebied heeft RAAP in 2004 een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Doel van dit onderzoek was eventueel aanwezige archeologische resten op te sporen en voor zover mogelijk een eerste indruk te geven van de kwaliteit, aard, datering, omvang en diepteligging ervan. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 11. De conclusies en aanbevelingen hieruit zijn in deze paragraaf samengevat. In overeenstemming met de middelmatige archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode Romeinse tijd t/m Late Middeleeuwen zijn tijdens het inventariserend archeologisch onderzoek (verkenning) geen aanwijzingen gevonden voor vindplaatsen in het plangebied. Ook zijn geen pleistocene opduikingen aangetroffen met eventuele bewoningssporen uit de Steentijd. Het ontbreken van archeologische indicatoren (met uitzondering van het houtskool) in combinatie met het ontbreken van markante reliëfverschillen in het pleistocene oppervlak geeft aanleiding voor de conclusie dat in het plangebied geen archeologische vindplaats aanwezig is. Op grond van het ontbreken van (duidelijke) aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten wordt ten aanzien van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen.

Uit een actuele beoordeling van het archeologisch onderzoek blijkt dat de technische eisen die aan het archeologisch onderzoek in 2004 zijn gesteld zijn verouderd. Daarom dient een nieuw onderzoek te worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. Om de uitvoering van dit onderzoek te borgen, is in het bestemmingsplan een hoge archeologische verwachtingswaarde opgenomen. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 4.10.3 Conclusie In het verkennend archeologisch onderzoek zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen aangetroffen. Vanwege de verouderde technische eisen die aan dit

63

onderzoek ten grondslag lagen, is een actualiserend onderzoek benodigd. Hiertoe is in dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 4.11 Duurzaamheid Op dit moment wordt gedetailleerd invulling gegeven aan het stedenbouwkundig plan. Dit gebeurt binnen de kaders van dit bestemmingsplan. De gemeente hanteert hiertoe vier duurzaamheidspijlers: Duurzame energie, Duurzame mobiliteit, Circulariteit en Klimaatadaptatie en biodiversiteit. In het stedenbouwkundig plan zal invulling worden gegeven aan deze vier pijlers. Duurzame energie Energiebesparing en duurzame energie hebben een hoge prioriteit. De woningen worden volgens de laatste wet- en regelgeving rondom duurzaamheid gerealiseerd. De woningen worden in ieder geval gasloos gebouwd. Er wordt gekeken of volledig energieneutrale woningen mogelijk zijn, met gebuik van energiebronnen, zoals elektriciteit van zonnepanelen en windmolens. Duurzame mobiliteit In het plan wordt ingezet op ‘auto te gast’. De auto’s worden geparkeerd in parkeerkoffers in de woonstraten of bij woningen, waardoor een deel van de woonstraten kan worden ingericht als leefstraat. Bij de aanleg van deze parkeergelegenheden wordt rekening gehouden met laadinfrastructuur.

Ook wordt er aandacht besteed aan de aansluiting op snelle fietsroutes en fiets- en wandelroutes richting centrum en OV. Circulariteit Er wordt gestreefd naar duurzaam en circulair materiaalgebruik. Klimaatadaptatie en biodiversiteit Ten aanzien van klimaatadaptatie wordt in het plan rekening gehouden met voldoende inpassing van groen en water. De leefomgeving wordt zo ingericht dat deze bestand is tegen wateroverlast, hittestress en langdurige droogte. Een goede waterhuishouding is essentieel om hevige regenbuien op te kunnen vangen. De groene ruimte wordt nader uitgewerkt, waarbij rekening wordt gehouden met biodiversiteit, inheemse soorten en een fijne leefomgeving voor mens en dier. Al deze opgaven zijn worden in het stedenbouwkundig plan voor Plakse Weide in samenhang benaderd en worden ook in de verdere uitwerking toegepast.In het kader van de anterieure overeenkomst, die gemeente en initiatiefnemer met elkaar sluiten, worden tevens afspraken gemaakt over de toepassing van de gemeentelijke duurzaamheidsambities in het stedenbouwkundige plan.

64

5.

Juridische planbeschrijving

5.1

Planvorm

5.1.1 Algemeen Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels die daarop betrekking hebben, de in het bestemmingsplan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van bouwwerken en onbebouwde gronden. De juridische regeling is opgebouwd conform de SVPB 2012, de landelijke standaard voor het vervaardigen van bestemmingsplannen, die bij de invoering van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als verplichte opbouw is opgenomen. Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee juridische onderdelen: - een verbeelding: een digitaal GML-bestand met een specifiek nummer, in dit geval: NL.IMRO.0226.BPDUIVENNOORD010-VS01 - regels: deze regels zijn in de SVBP 2012 zoveel mogelijk gestandaardiseerd (onder andere de volgorde, indeling, benaming, begripsbepalingen, overgangsbepalingen en de slotbepaling). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven, met bijbehorende verklaringen. De verklaringen leggen een verbinding tussen de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en de regels. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, kortweg SVBP. Ook is er een toelichting opgesteld.

Dat betreft onderhavig document. Hier in wordt het plan toegelicht en vindt de inhoudelijke beoordeling plaats voor de relevante beleids- en milieuaspecten. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. 5.1.2 De verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie. Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGTondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. 5.1.3 De planregels De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden.

Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om door een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering berust bij

65

burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen. 5.2

Artikelsgewijze toelichting

5.2.1 Inleidende regels Begripsbepaling In het eerste artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 5.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Groen De bestemming Groen is opgenomen voor de hoofdgroenstructuur, zoals deze is beoogd in het Ontwikkelplan en in de nadere uitwerking daarvan, te weten het in de toelichting gepresenteerde stedenbouwkundige plan. Binnen het plangebied is een groot deel van de randen en een centraal middengebied primair bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting om de ruimtelijke kwaliteit van het plan te borgen. Naast deze voorzieningen zijn ook wegen, paden, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk.

Deze bestemming bevat verder een beperkte bebouwingsregeling die alleen betrekking heeft op bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

66

Ook voor fase 2 van de ontwikkeling is de bestemming ‘Groen’ opgenomen, in plaats van de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen bestemming ‘Agrarisch’. Met het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan eindigt het agrarische gebruik van het plangebied. Door een bestemming ‘Groen’ op te nemen kunnen de gronden groen worden ingericht, in afwachting van woningbouwontwikkeling. Daarmee ontstaat een tijdelijk groen, parkachtig gebied ten behoeve van de fase 1 waarin ook padenstructuren, (tijdelijke) speelvoorzieningen en (bouw)wegen) kunnen worden aangelegd. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit en bruikbaarheid van het gebied in lijn gebracht met de beoogde transformatie naar een aantrekkelijk woongebied. Daarbij wordt agrarisch gebruik op deze gronden vermeden, waardoor in fase 1 ten aanzien van deze gronden geen sprake zal zijn van hinder van gewasbeschermingsmiddelen. Binnen de bestemming Groen is een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemmingen 'Wonen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen. Hiermee kan in fase 2 van het plan ook de oostelijke zijde van het plangebied worden getransformeerd naar woongebied. Ook zonder toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zal sprake zijn van een haalbare exploitatie van fase 1.

De bevoegdheid tot het wijzigen van de bestemming naar ‘Wonen’ is gekoppeld aan het opheffen van milieutechnische belemmeringen met betrekking tot geur en spuitzones. Als voorwaarde voor het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid is dan ook opgenomen dat er sprake moet zijn van aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat, gelet op de geurbelasting door omliggende veehouderijen, en dat gebruiksmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet onevenredig mogen worden aangetast of belemmerd. Daarnaast moet voor de realisatie van fase 2 worden voorzien in een geluidwerende voorziening, moet er voldoende waterberging zijn aangelegd, moet de bodemkwaliteit geschikt zijn voor de toekomstige functie en dient hinder als gevolg het spuiten met gewasbeschermingsmiddelen te zijn uitgesloten. Tuin De bestemming Tuin is opgenomen voor de gronden aan de zuidrand van het plangebied, nabij de Rijksweg. Zoals gebleken uit akoestisch onderzoek is aan deze zijde voldoende afstand van hoofdgebouwen naar de weg noodzakelijk. Door het opnemen van de bestemming Tuin wordt deze afstand geborgd. Binnen de bestemming zijn geen hoofdgebouwen toegestaan. Wel zijn veranda’s mogelijk gemaakt. Verkeer – Verblijfsgebied De wegen en straten en daarmee samenhangende infrastructuur zijn bestemd tot Verkeer Verblijfsgebied.

Deze bestemming is specifiek bedoeld voor woonstraten en wegen met een functie voor bestemmingsverkeer. Binnen de bestemming zijn ook ondergeschikte functies mogelijk, zoals parkeer, groen-, nuts- en speelvoorzieningen. De situering van deze verkeersbestemming komt overeen met het Ontwikkelplan, waarin sprake is van een rondweg langs de woonbestemmingen en waarbij de wijkontsluitingen aantakken op de Rijksweg. Wonen De bestemming Wonen is opgenomen voor alle gronden waar woningen worden beoogd. In totaal maakt deze bestemming maximaal 300 woningen mogelijk, waarbij de voorliggende toelichting voorziet in de toets op haalbaarheid. Er zijn minimale percentages opgenomen voor sociale huurwoningen, betaalbare koopwoningen en middenhuurwonigen. Op de verbeelding zijn globale bestemmingsvlakken aangewezen waarbinnen verschillende typen woningen zijn toegestaan. Het plan maakt zowel vrijstaande, twee-aaneengebouwde, aaneengebouwde als gestapelde woningen mogelijk, al dan niet met een beroep of bedrijf aan huis. Gestapelde woningen

67

zijn echter uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’. Voor al deze hoofdgebouwen is de bouwhoogte op de verbeelding aangeduid. Voor grondgebonden woningen is maximaal 11,5 meter bouwhoogte vastgelegd en een maximum aantal bouwlagen van drie lagen, voor de twee oostelijke appartementengebouwen 17 meter en voor het westelijk appartementengebouw 14 meter. Binnen de bestemming zijn ook aan woongebied verwante functies mogelijk, zoals wegen en straten, (fiets)parkeervoorzieningen, groen-, speel- en nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Tot slot zijn ook bijbehorende bouwwerken, tuinen en erven toegestaan. Binnen de bouwregels wordt verder onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor deze bouwwerken gelden maxima ten aanzien van goothoogten, bouwhoogten et cetera. Ook zijn voorwaarden verbonden aan het gebruiken van een woning voor een aan huis verbonden bedrijf. Verder is binnen de woonbestemming een aanduiding opgenomen voor de groene ‘wiggen’, waar stedenbouwkundig gezien zichtlijnen wenselijk zijn naar de omgeving. Deze wiggen zijn op de verbeelding aangeduid als ‘overige zone - bebouwingsvrije zone’. In de regels van het plan is bepaald dat hier een zone van 10 meter vrijgehouden dient te worden van bebouwing.

Zo worden de beoogde doorzichten in het plan juridisch geborgd, zonder de exacte plek vast te leggen, waardoor hier enige flexibiliteit behouden blijft. Ten slotte is een aanduiding ‘specifieke vorm van groen – spuitzone’ opgenomen in een zone van 50 meter rondom omliggende agrarische percelen. Op deze gronden is de bouw van woningen niet toegestaan. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken mits hinder van gewasbeschermingsmiddelen op aangrenzende agrarische percelen is uitgesloten. Leiding – Gas (dubbelbestemming) Deze dubbelbestemming betreft de binnen het plangebied aanwezige ondergrondse (hoofdtransport)leiding. De (hoofdtransport)leiding zijn overeenkomstig de bestaande situatie bestemd en als zodanig beschermd. Het betreft hier een ondergrondse gastransportleiding. Binnen de zone mag niet worden gebouwd ten behoeve van de onderliggende bestemming, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend, na overleg met de leidingbeheerder. Daarnaast is voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden die tot beschadiging van de gasleiding zou kunnen leiden een omgevingsvergunning nodig. Waarde – Hoge archeologische verwachting Deze gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, het behoud en het veiligstellen van de archeologische waarden van deze gronden.

Ter plaatse van deze dubbelbestemming mogen geen grondwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 50 cm indien de oppervlakte van deze werken en werkzaamheden meer dan 500 m2 bedraagt. 5.2.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen. Anti-dubbeltelregel In deze bepaling is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.

68

Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen dat voor alle bestemmingen kan gelden, zoals regels omtrent erfbebouwing en ondergronds bouwen. Daarnaast is bepaald dat openbare nutsvoorzieningen zijn toegestaan, mits deze geen grotere bouwhoogte dan 4 meter hebben.

69

Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft voor dit plan een algemene beperking met betrekking tot het toegestane gebruik van gronden. Het gaat hierbij om ongewenst gebruik of gebruik dat enige vorm van hinder kan veroorzaken waardoor het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking op de benodigde waterberging. Met het plan wordt verharding toegevoegd, waardoor watercompensatie benodigd is (zie paragraaf 4.8.2). Om de benodigde hoeveelheid waterberging (binnen een goed werkend hemelwaterafvoersysteem) af te dwingen, is een regeling opgenomen in artikel 10.3. Uiterlijk binnen 2 jaar na het in gebruik nemen van de eerste woning geurzone’ moet uitvoering worden gegeven aan de aanleg en instandhouding van de waterberging in het plangebied. Ten slotte is een algemene gebruiksregel opgenomen voor spuitzones, ofwel de gronden in het plangebied waar hinder van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde kan zijn. Op deze gronden is het gebruik voor gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Er geldt een afwijkingsbepalingen om het gebruik voor deze functies toe te staan, bijvoorbeeld als hiertoe in een planologische procedure beperkingen zijn gesteld.

Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. Overige regels In de overige regels is bepaald dat het vigerende bestemmingsplan Archeologie (zoals vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 31 mei 2010) van toepassing blijft op het plangebied. Daarnaast is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform de parkeernormennota van de gemeente Duiven. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.

5.2.3 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

70

6.

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Doorgaans gebeurt dit door vastlegging in een een privaatrechtelijke overeenkomst waarin afspraken over het kostenverhaal zijn vastgelegd. Dit wordt een anterieure overeenkomst genoemd. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten, dient een exploitatieplan te worden opgesteld, dat tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen beide ontwikkelaars en de gemeente is een intentieovereenkomst en een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal door de gemeente is met laatstgenoemde overeenkomst verzekerd en het vaststellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Ontwikkelaars gaan voor eigen rekening en risico over tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op 26 januari 2021 heeft de gemeenteraad van Duiven de kaders vastgesteld voor de ontwikkeling van Plakse Weide tot woningbouwlocatie, waaronder de voorwaarde dat een en ander dient te worden afgestemd in een participatieproces met omwonenden, belanghebbenden en bewonersgroepen. De gemeente hanteert daarbij een participatieladder en stemt deze af met de ontwikkelende partijen. In juni 2021 is een gemeenteraadsbesluit genomen en na de zomervakantie is gestart met een eerste, hybride participatiebijeenkomst op 16 september 2021. De bijeenkomst is georganiseerd door de gemeente Duiven, KlaassenGroep en BPD. Tijdens de bijeenkomst is een toelichting gegeven op de verschillende kaders die door de gemeenteraad zijn vastgesteld, en de manier waarop de ontwikkelaars hiermee aan de slag zijn gegaan. Daarbij is ook de stand van zaken rondom de planvorming getoond waaronder een stedenbouwkundige schets. Na afloop zijn alle ingekomen opmerkingen en vragen verzameld, gebundeld en voorzien van een reactie. Daarbij is gekeken welke wensen konden worden verwerkt of meegewogen in het plan, en welke zaken strijdig bleken met de gemeentelijke kaders. Belangrijke aandachtspunten na de eerste sessie waren het aandeel betaalbare woningen van 90%, maar ook zorgen rondom de ontsluiting en reeds bestaande geur- en geluidsoverlast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=48117a1d-6d00-4d2a-93bf-de9e2cd3f13f