3. Bijlage 1 - Reactienota Beleidskader initiatieven grootschalige opwekking wind- en zon - 201539183.pdf
Tekst van het document
8): verzoek om deze paragraaf explicieter te maken, te onderbouwen en te motiveren. Wat verstaat de gemeente onder de gehanteerde begrippen? Hoe gaat de gemeente om met de situatie als de financiering bij indiening van het initiatief nog niet (definitief) vaststaat? 6. Algemene voorwaarden/overleg (p. 8 -9 procesparticipatie): wat verstaat de gemeente onder het begrip omwonenden? Particuliere huishoudens die binnen de gemeente op 600-800 meter van het zonnepark wonen of ook bedrijven en instellingen? Overigens pleiten wij niet voor een bandbreedte van 600-800 meter van het zonnepark, maar voor een eenduidige afstand van 600 meter waarbij wij erop wijzen dat gemeenten 400 meter aanhouden. Het begrip stakeholders (belanghebbenden in het Nederlands) is breder dan de gemeente aangeeft. Het omvat natuur- en milieuorganisaties, VVV en andere belanghebbende organisaties.
21
7. Proces- en financiële participatie/inleiding (p. 9): eerste alinea laatste zin is niet af. Graag vernemen wij wat de gemeente onder de begrippen verstaat. Tevens vragen wij of dit eisen of wensen zijn? Wij vinden dat de gemeente te ver gaat in aan te geven dat het om obligaties moet gaan/gaat! Is het niet te taak, verantwoordelijkheid en bevoegdheid van de ontwikkelaar om te bepalen welke financieringsvorm wordt gekozen? Tweede alinea eerste zin klopt taalkundig niet. Derde alinea laatste zin verzoeken wij om een toelichting wat dit concreet inhoudt. 8. Proces- en financiële participatie (p. 9): zie opmerking over 600-800 meter bandbreedte hierboven. We verzoeken wat de gemeente bedoelt met afhankelijk van de zichtbaarheid in de laatste zin in de voorlaatste alinea? Dat deze omwonende in het zicht van het zonnepark wonen? Gaat het daarbij om het gehele zonneveld (van alle zonontwikkelaars tezamen) of om alleen het zonnepark van de desbetreffende ontwikkelaar? Betreft de laatste alinea alleen windturbines of ook zonnevelden? 9. Participatieplan (p. 9-10): is de gemeente ook toehoorder bij de omgevingsdialoog van de directe omgeving? Kan de gemeente voorbeelden van aanwijzingen geven, zoals vermeld staat in de eerste zin van de laatste alinea. 10. Proces- en financiële participatie (p. 10-11): m.b.t.
de laatste alinea willen wij de gemeente aangeven dat een zonnepark een elektriciteitscentrale is en dat het ontwikkelen, bouwen en beheren van een zonnepark core business van de initiatiefnemer is. In deze context heeft een ontwikkelaar een eigen visie op zeggenschap. In de eerste alinea geeft de gemeente aan dat zij toetst of een optimale inspanning is verricht. Graag vernemen wij welke criteria hierbij gehanteerd worden en wat de gemeente onder een optimale inspanning verstaat. Verder vernemen wij graag wat de gemeente verstaat onder recht doet aan de wensen van de omgeving en wat een haalbare business case is. 11. Proces- en financiële participatie/lokaal mede-eigenaarschap (p. 11): Wat verstaat de gemeente onder eigendom productie-installaties? In de volgende paragraaf geeft de gemeente aan dat het om eigendom van de energieproductie gaat! Dit zijn tegenstrijdigheden. 12. Proces- en financiële participatie (p. 11): wat verstaat de gemeente onder een sluitende business case? In de eerste zin van de tweede alinea heeft de gemeente het over obligaties. Obligaties is vreemd en niet eigen vermogen. De laatste zin van de tweede alinea is onduidelijk wat het laatste deel betreft. Wij verzoeken de gemeente dat toe te lichten. 13. Proces- en financiële participatie/omgevingsfonds (p. 11): wij pleiten voor een onafhankelijk bestuur van dit fonds. 14.
Proces- en financiële participatie/bovenwettelijke financiële ruimte (p. 12): op hetgeen in de derde alinea hebben wij reeds ons standpunt hiervoor gegeven. Gemakshalve verwijzen wij hierna. 15. Ruimtelijke inpassingsvoorwaarden/ruimtelijke studie... (p. 13): in de tweede paragraaf van dit schrijven hebben wij feedback gegeven op dit rapport. Gemakshalve verwijzen wij daarnaar toe. 16. Ruimtelijke inpassingsvoorwaarden/landschappelijk ‘groenblauw’ raamwerk (p. 13-14): in de vierde alinea van onder op p. 14 lezen we dat ook buiten het projectgebied wij in ons inpassingsplan rekening moeten houden met landschapsontwikkeling en-beheer. Graag vernemen waarom de gemeente dat wil en wat onder projectgebied en buiten wordt verstaan? De gemeente toetst op de mate van een effectieve en aantoonbare bijdrage aan het maatschappelijk raamwerk. Graag vernemen wij welke toetscriteria daarbij worden gehanteerd en hun wegingsfactor. Tot slot verzoeken wij de gemeente aan te geven wat onder effectieve en aantoonbare bijdrage wordt verstaan. Welke grondslag hanteert de gemeente wat er in de laatste zin van deze alinea staat beschreven.
22
17. Ruimtelijke inpassingsvoorwaarden/inpassingsprincipes zonnevelden (p. 15): zie opmerkingen die wij reeds in de ruimtelijke studie hebben gemaakt m.b.t. bovenstaand onderwerp. In de laatste alinea staat beschreven dat een project moet bestaan uit aaneengesloten kavels met zonnevelden. Wij willen dat veranderen dat in het totale zonnepark, dat de drie zonneparkprojecten omvat, alle kavels bij voorkeur aaneengesloten zijn. Dit voorkomt dat initiatiefnemers onderling grondposities moeten ‘ruilen’! 18. Richtlijnen …/Inleiding (p. 16): graag vernemen wij voorbeelden van maatwerkeisen zoals in de laatste alinea staat vermeld. 19. Richtlijnen …/Overeenkomst (p. 16-17): graag ontvangen wij z.s.m. voorafgaand aan het indienen van het projectvoorstel een concept anterieure overeenkomst. 20. Richtlijnen …/Formele ruimtelijke procedure (p. 17): voorlaatste zin 2021 moet 2022 zijn. 21. De volgende onderwerpen ontbreken tot slot: - Afstemming projectvoorstellen - Faseverschil ontwikkeling zonnepark versus windpark (en de implicaties daarvan) - Planning van processtappen - Beoordelingscommissie (wie beoordeelt wat1) - Gewenste meerwaarden - Gewenste innovaties - Netaansluiting issue - Gemeentelijk streven om ontwikkelaars de mogelijkheid te bieden om SDE-aanvraag najaar 2022 te kunnen indienen - Smart Energy Hub link Reactie gemeente A Ruimtelijke studie 1.
Ten behoeve van deze studie zijn de buisleidingen volgens de Risicokaart geraadpleegd. Deze zijn meegenomen in de analyse. Overige leidingen zoals persleidingen zijn inderdaad niet meegenomen. Alle factoren die meegewogen zijn in de analyse zijn weergegeven in de bijlage. De zonnevelden zoals deze nu zijn weergegeven, vallen buiten de richtafstanden van deze buisleidingen en de andere milieuaspecten. Bij een officiële aanvraag, dient uiteraard voldaan te worden aan alle veiligheidseisen. 2. De bestaande ondergrondse infrastructuur is, middels de risicokaart, meegenomen in de berekeningen. In toekomstige, concrete initiatieven voor zon en wind zal de ruimtelijke impact van ondergrondse infrastructuur in het landschappelijk inpassingsplan moeten worden opgenomen. 3. De bomenlaan langs de Nieuwgraafsestraat hoort bij het nog verder te ontwikkelen landschappelijk raamwerk. Het is een voorbeeld waarvan ontwikkelaars een substantiële bijdrage wordt verwacht. Over de bijdrage aan het landschappelijk raamwerk worden afspraken gemaakt met de ontwikkelaar(s). 4. Er heeft soortgericht onderzoek plaatsgevonden naar vleermuizen, roeken, winterrustgebieden en algemene broedvogels in het kader van de omgevingsvergunning voor de windturbines InnoFase. De rapportages zijn openbaar beschikbaar via ruimtelijke plannen.nl. Daarnaast is de kaart op p.
12 bedoeld als indicatie voor waar ecologische waarde in het gebied gecreëerd kan worden en voor welke soorten dit kan functioneren. Het is geen totaalbeeld van de effecten van de plannen op alle soortgroepen. Toetsing op
1
23
eventuele nadelige effecten op bijvoorbeeld roofvogels en ganzen zal per project in een toetsing Wet natuurbescherming verder beschouwd moeten worden. 5. De gemeente is verantwoordelijk voor de inrichting van het gemeentegroen direct grenzend aan het bedrijventerrein InnoFase/Centerpoort-Noord. Ontwikkelaars van zon en wind zullen een bijdrage moeten leveren aan overige delen van het landschappelijk raamwerk. De gemeente voert de regie en maakt hierover bij concrete initiatieven afspraken met de ontwikkelaars. 6. De gemeente stelt geen minimum-maximum bandbreedte qua bruto omvang. 7. Wij hebben de tekst in het rapport veranderd in ‘eerste verkenning van de mogelijkheden’. 8. Deze opsomming is bedoeld om inzicht te verkrijgen in het verschil tussen de hoogtes. De effecten van de windturbines op de onder- en omliggende zonnevelden is wel meegenomen in de berekening naar de opbrengsten in het kader van een scenario afweging. Dit staat kort beschreven op p. 37. 9. Zie antwoord vragen 1 en 2. De voetafdruk waar in dit rapport rekening mee is gehouden staat beschreven op p. 37. Dit betreft een indicatieve waarde. 10. Met ‘zonneveld’ wordt bedoeld de zonnepanelen, de ruimte tussen de rijen en de ruimte voor alle technische voorzieningen die horen bij de zonnepanelen, bijvoorbeeld de transformatoren.
Regenwater wordt inderdaad op een natuurlijke manier geïnfiltreerd in de bodem en afgevoerd via het bestaande watersysteem. 11. Het gaat in dit geval om een beleidskader met principes en uitgangspunten waarmee rekening moet worden gehouden bij de toetsing van voorstellen. Het is bedoeld om ecologische waarden en eenheid in de vormgeving van de zonnevelden te garanderen. Er zal altijd maatwerk mogelijk zijn. In het landschappelijk inpassingsplan worden de definitieve afspraken met de ontwikkelaar vastgelegd. Met beplanting die past in het kommenlandschap wordt inheemse beplanting bedoeld die hoort in de komgebieden. 12. Met ‘WTG oppervlak’ worden mogelijke locaties oor nieuwe windturbines binnen het zoekgebied bedoeld. Dit gebied is bepaald in de ruimtelijke studie. In de directe omgeving van bestaande windturbines is er geen potentie voor nieuwe windturbines. 13. De opbrengstberekening geeft een indicatie voor de energieopbrengst van diverse zonneparkscenario’s. Het doel van deze analyse is om een afweging te maken tussen de gedefinieerde scenario’s. De studie bevat diverse aannames met als doel om deze afweging te maken. Die aannames zijn geenszins normstellend voor de eventueel verdere ontwikkeling van zonne-energie. Voor de berekening van de potentiële opbrengst zijn per scenario alle mogelijke zonnevelden in het gebied geselecteerd.
Dit betekent niet per se dat deze velden ook gerealiseerd gaan worden. De gebieden betreffen indicatieve locaties waarbij in deze fase grondeigendom niet als onderscheidende factor is meegewogen in de berekening. In de tekst staat inderdaad foutief 2,5 meter. Dit moet zijn 2 meter en wordt aangepast in het rapport. 14. De effecten van de vier bestaande windturbines zijn meegenomen in de raming van de energieopbrengst. De zogeffecten van de windturbines hebben invloed op mogelijk toekomstige windturbines. Dit is berekend in het windopbrengstmodel. Bij de bepaling van de zonopbrengst is met dit windpark rekening gehouden door zonnepanelen uit te sluiten op turbinelocaties en kraanopstelplaatsen. Ook zijn schaduweffecten op het zonnepark berekend. Er is vooralsnog geen scenario voorzien waarin het bestaande windpark Duiven wordt
24
vervangen. Dit windpark bestaat momenteel 7 jaar. Er is nog geen concreet zicht op een termijn wanneer de 4 windturbines worden vervangen. 15. De voorkeur van de respondent voor hoge windmolens is voor kennisgeving aangenomen. 16. Het RES-zoekgebied WZ5 kenmerkt zich door een combinatie van wind- en zonneenergie. Dat is positief vanuit zowel energie- alsmede ruimtelijke aspecten. In die gevallen waar een initiatief voor zonneparken zou samenvallen met een potentieel windturbinegebied (WTG) zal de gemeente beoordelen hoe er hiermee rekening wordt gehouden. Als een zon-initiatief een duidelijke belemmering zou vormen voor een reële windmolen-potentie, dan kan de gemeente besluiten op dat punt geen medewerking te verlenen 17. Richtafstanden betreffen vuistregels van afstanden van zon- en windparken tot bepaalde infrastructuur, objecten of andere functies. Voor windenergie worden deze richtafstanden vaak ingegeven door externe veiligheidsoverwegingen. Doordat externe veiligheid een minder grote kwestie is bij zonneparken, zijn de richtafstanden hierdoor lager. 18. De potentiële locatie voor uitbreiding van het bedrijventerrein ligt tussen de Kosterstraat en de Giesbeeksestraat. Dit wordt aangeduid op de kaart op p.45. 19. De uitgevoerde opbrengstberekeningen bevatten indicatieve waarden met algemene aannames en hebben als doel om een onderlinge afweging tussen scenario’s te maken.
De effecten van de vier bestaande windturbines zijn meegenomen bij de bepaling van de energieopbrengst. De zogeffecten van de windturbines hebben invloed op mogelijk toekomstige windturbines. Dit is berekend in het windopbrengstmodel. Bij de bepaling van de zonopbrengst is met dit windpark rekening gehouden door zonnepanelen uit te sluiten op turbinelocaties en kraanopstelplaatsen. Ook zijn schaduweffecten op het zonnepark berekend Voor beantwoording over de tijdsdimensie verwijzen wij naar voorgaand antwoord nr. 16. 20. De aspecten waarmee in deze eerste ruimtelijke studie rekening mee is gehouden zijn opgenomen in de bijlagen. Dit betreft een eerste indicatieve en niet-uitputtende studie om een beeld te krijgen van de mogelijkheden in het gebied en de daarbij horende energieopbrengsten. Bij een aanvraag dient te allen tijde alle wettelijke/ milieurechtelijke aspecten meegenomen te worden. 21. - Dit is geen zaak voor het beleidskader. - In deze studie is gekozen voor een optimalisatie van wind en zon samen - Het is niet aan de gemeente Duiven om uitspraken te doen over de gemeente Zevenaar. - Mocht blijken dat het gaat om een zonneproject met 50+MW, dan is de provincie vooralsnog bevoegd gezag. -De netaansluiting is inderdaad buiten deze studie gelaten. Vanzelfsprekend dient er voor de realisatie door de ontwikkelaar overleg plaats te vinden met de netbeheerder.
B Beleidskader 1. Er wordt in de tekst een passage over innovatie opgenomen. De gemeente staat open voor innovatie en wil ruimte bieden aan alternatieven. Daarnaast staat de gemeente in principe ook open voor oplossingen gerelateerd aan systeemefficiëntie. Ervaringen zullen gedeeld worden in RES-verband. 2. De betreffende opsomming is niet uitputtend. Wel worden klimaatadaptatie, biodiversiteit en recreatieve doeleinden opgenomen in deze tekst. 3. We zien een zonnepark als een tijdelijke invulling. De gemeente kiest ervoor om medewerking te verlenen voor een termijn van 25 jaar. De huidige bestemming van de betreffende gronden blijft gelden. In afwijking van deze bestemming kan gedurende een periode van 25 jaar een zonnepark worden geëxploiteerd. 25
4. Deze passage wordt aangepast. De initiatiefnemer hoeft geen inzage te geven in de businesscase, maar dient wel de financiële haalbaarheid van het plan aan te tonen. 5. Deze passage wordt aangepast. Het is begrijpelijk dat enkele elementen rondom de financiering bij het indienen van een eerste voorstel nog niet helemaal vast staan. We verwachten dat de gehele financiering bij de eventuele vergunningverlening voldoende vast staan. Hierover maken we afspraken, welke we vastleggen in een overeenkomst. 6. De gemeente is zich ervan bewust dat het begrip belanghebbenden breder is. Dit wordt aangepast in de tekst. Voor zonnevelden gebruiken we een vuistregel van minimaal 600 meter tot maximaal 800 meter. Deze straal wordt in overleg bepaald en is mede afhankelijk van de betreffende kavels, de ligging, wat er in de nabijheid is en de zichtbaarheid. De gemeente Duiven kijkt hier per geval in mee. Voor wind houden we 10x de tiphoogte als definitie van de omgeving, dit in lijn met de juridische uitspraak over belanghebbenden bij windparken. 7. De taalkundige opmerkingen worden verwerkt in het beleidskader. De begrippen procesparticipatie en financiële participatie zijn in de tekst reeds uitgelegd. Gemeente Duiven ziet procesparticipatie als eis. De gemeente verwacht dat ontwikkelaars zich maximaal inspannen om aan het streven van minimaal 50% lokaal eigendom te kunnen voldoen.
We zien obligaties als een van de verschillende vormen van financiële participatie. Dit wordt ter verduidelijking aangepast in het beleidskader. 8. De eerste zin van de laatste alinea heeft betrekking op initiatieven voor windturbines en zonneparken. De belanghebbenden kunnen per initiatief verschillen, maatwerk is essentieel. De laatste zin heeft betrekking op initiatieven op windturbines. Zie ook antwoord 6. 9. De gemeente is geen toehoorder bij de individuele gesprekken met de directe omgeving. Bij bredere bijeenkomsten zal de gemeente als toehoorder aansluiten. Het is aan de initiatiefnemer om de bevindingen hiervan in verslaglegging vast te leggen. Een voorbeeld van een aanwijzing is bijvoorbeeld om een bepaalde belangenroep te betrekken in het participatieproces. 10. De gemeente begrijpt het belang van de ontwikkelaar. Dit betreft een kwalitatieve toetsing. De initiatiefnemer dient voor te leggen hoe de proces- en financiële participatie is uitgevoerd, wat de resultaten daarvan waren en hoe dit meegenomen is in het projectplan. Met een haalbare businesscase wordt bedoeld dat de initiatiefnemer de financiële haalbaarheid van het plan dient te onderbouwen. 11. De tekst wordt veranderd in lokaal eigendom. 12. Deze tekst wordt aangepast in het beleidskader. Financiële participatie hoeft niet per se in de vorm van obligaties.
In de Participatiewaaier zijn de verschillende vormen van financiële participatie omschreven, deze lijn nemen we over in het beleidskader. Daarbij blijft het streven naar 50% lokaal eigendom en zeggenschap. Met een sluitende businesscase wordt bedoeld dat de initiatiefnemer de financiële haalbaarheid van het plan dient aan te tonen. Deze passage wordt aangepast. 13. In de tekst van het beleidskader is reeds opgenomen dat er een onafhankelijk bestuur kan worden aangesteld. 14. Reeds beantwoord in onderdeel A. 15. Idem 16. De gemeente kiest voor clustering van zon en wind in dit zoekgebied. Tegelijkertijd dient het landschap en de biodiversiteit versterkt te worden. Daarom wordt van de ontwikkelaars een bijdrage in het landschappelijke raamwerk en een landschappelijk inpassingsplan gevraagd. Hierover worden nadere afspraken gemaakt met de ontwikkelaars. Dat is maatwerk: naarmate een zonnepark groter is, zal een grotere
26
bijdrage worden verwacht. Belangrijk is dat aantoonbaar (hetzij fysiek, hetzij met financiële bijdragen) geborgd wordt dat het landschappelijk raamwerk wordt versterkt. 17. Dat is een terecht punt. Wij zullen de tekst daarop aanpassen. 18. Dit is maatwerk en afhankelijk per situatie, dit wordt dan pas concreet. 19. De gemeente doet hier een voorstel voor, zoals beschreven op p. 17. 20. Dat klopt, de tekst wordt aangepast naar 2022. 21. - Afstemming projectvoorstellen Dit is een terecht punt, dit is wenselijk voor het afstemmen van de plannen op elkaar en ook voor de communicatie. Hierover wordt een passage toegevoegd in het beleidskader. - Faseverschil ontwikkeling zonnepark versus windpark (en de implicaties daarvan) → zon versus wind De fases van de ontwikkeling van een zonnepark en windpark kunnen verschillen. De gemeente ziet kansen voor de combinatie van zonnepark en windpark. Dit is afhankelijk van de initiatieven die uit de markt komen. - Planning van processtappen De richtlijnen voor het proces van concrete initiatieven zijn beschreven in hoofdstuk 6. Een planning is afhankelijk per project en wordt daarom niet opgenomen in het beleidskader. - Beoordelingscommissie (wie beoordeelt wat: één voor wind en één voor zon?) De gemeente beoordeelt zelf de initiatieven, er bestaat geen voornemen voor specifieke beoordelingscommissies.
- Hoe wordt beoordeeld: wat zijn de beoordelingscriteria en hun onderlinge weging Het beleidskader beschrijft de beoordelingscriteria waaraan getoetst wordt, er is geen sprake van een onderlinge weging. - Gewenste meerwaarden De meerwaarden zijn in het beleidskader en ruimtelijk kader omschreven. Verdere specificering volgt bij concrete initiatieven. - Gewenste innovaties In het beleidskader wordt een passage over innovatie toegevoegd. - Netaansluiting issue Dit wordt al benoemd in het beleidskader. Daarbij staan we ook open voor innovatie. - SDE-subsidies: De gemeente begrijpt het belang hiervan, maar kan geen garanties geven ten aanzien van indieningsmijnen. - Smart Energy Hub InnoFase: Dit zal genoemd worden in de passage over innovatie, die toegevoegd wordt. Respondent 5 Zienswijze/reactie 1. In het gemeentelijk kader is de landschappelijke inpassing vrij ver uitgewerkt. De achtergrond daarvan steunen we, namelijk goed ingepaste zonneparken met een meerwaarde voor de omgeving qua biodiversiteit. De voorschriften zijn soms echter dermate dwingend, dat ze onze landschapsarchitect en de omgeving alle creativiteit ontnemen. Graag zien wij dat de inpassingsvoorschriften een advies zijn, waarop onderbouwd kan worden afgeweken. 2.
Wij missen in de studies een aantal kabels en leidingen naast de wel ingetekende gasleiding, die van invloed zijn op het ontwerp en inpassing van de parken. Zo loopt er een brede strook van 25 meter aan kabels en leidingen ten noorden van de A12 die de 27
plaatsing van panelen verhindert. Ook loopt er een persriool over het InnoFase terrein die de inpassing van de zonneparken beïnvloedt. Op zich geen probleem, maar wel in combinatie met alle dwingend voorgeschreven andere inpassingsmaatregelen. Geef de ontwikkelaar de ruimte om met een creatief en goed ontwerp te komen, rekening houdend met alle wensen en beperkingen. Zo kunnen we bijvoorbeeld de ruimte boven leidingen goed benutten voor de 20% kwaliteitsverbetering. 3. Wij zetten ons voor grotere zonneparken graag in om tot 50% lokaal eigenaarschap te komen, of een vergelijkbare manier waarop 50% van de waarde van het zonnepark bij de omgeving terechtkomt. Graag gaan we daar de dialoog aan met de omgeving en de energiecöoperatie om dit goed in te vullen. De tekst uit het beleid wordt soms echter zo specifiek, dat alle ruimte uit het gesprek verdwijnt. Op andere momenten zit deze er wel in. Een specifiek punt zouden wij er graag uit hebben, simpelweg omdat deze specifieke vorm voor een klein en vaak ook niet voor een groter zonnepark haalbaar is. “Concreet wordt verwacht dat de initiatiefnemer initieel tenminste 50% van de hoogte van het eigen vermogen in de vorm van obligaties beschikbaar stelt.” 4. In het ontwerp beleidskader staat: “Het planologisch régime hiervoor is het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning van maximaal 25 jaar”.
Wij zouden er voor willen pleiten dit te verlengen tot in ieder geval 26 jaar en het liefst 31 jaar. In de praktijk kost het een half jaar om een zonnepark te bouwen en een half jaar om hem weer af te breken. De businesscase van een zonnepark is uitgerold op 25 of 30 jaar. Om het zonnepark goed te benutten is een vergunning van 26 jaar noodzakelijk. Omdat het zonnepark na 25 jaar zeker nog 5 jaar mee kan, is een periode van 31 jaar ideaal. Reactie gemeente 1. Het gaat in dit geval om een beleidskader met principes en uitgangspunten. Het is bedoeld om ecologische waarden en eenheid in de vormgeving van de zonnevelden te garanderen. Er zal altijd maatwerk nodig zijn. In het landschappelijk inpassingsplan worden de definitieve afspraken met de ontwikkelaar vastgelegd. 2. Dit kader betreft enkel een eerste ruimtelijke studie naar de mogelijkheden van wind en zon in het gebied en stelt aan de hand daarvan richtlijnen op. De gemeente staat open om initiatieven op een zo goed mogelijke manier in te vullen. 3. Deze tekst wordt aangepast in het beleidskader. Financiële participatie hoeft niet per se in de vorm van obligaties. In de Participatiewaaier zijn de verschillende vormen van financiële participatie omschreven, deze lijn nemen we over in het beleidskader. Daarbij blijft het streven naar 50% lokaal eigendom en zeggenschap. 4. Zie respondent 4, beleidskader, antwoord 3.
Respondent 6 Zienswijze/reactie 1. Het rapport SAB/Pondera geeft vanaf vier standpunten visualisaties van de opties voor windparken 120-120 140-142 en 160-160; deze zijn inzichtelijk. In de plaatjes in het rapport lijken de as- en tiphoogtes van de opties niet veel te verschillen, in werkelijkheid zal dit wel degelijk in het oog springen, zeker bij bepaalde lichtval en afhankelijk van de reflectie van zonlicht door mast en wieken. Wij menen dat hiermee rekening gehouden moet worden door een bewegende visualisatie (bijv. windplanner.com) en met diverse intensiteit en invalshoek van zonlicht, resp. diverse reflectie-intensiteit. Ook zijn er geen visualisaties opgenomen vanaf Velp bedrijventerrein de Beemd, locatie Broekdijk langs de Velperwaarden. Wij constateren dat inwoners van onze woonwijk Velp-Zuidoost op grond van de vigerende afstandsnorm bij de 160-160 windparkoptie belanghebbenden zijn. 28
2. Het rapport vermeldt (p. 23) als inrichtingsprincipe voor een nieuw windpark: ´Wanneer een keuze wordt gemaakt voor een nieuwe hoogte windturbine geldt dat voor alle overige nieuwe turbines in het gebied.´ Dit geldt met terugwerkende kracht evenzeer, wat ons betreft. Een windpark vanaf onze (over)zijde van de rivier op de gezichtseinder springt het minst in het oog springt, en is visueel het minst storend, indien de hoogte van een nieuw windpark overeenkomt met het bestaande windpark InnoFase, of -maximaal- aan de hoogte van het vergunde windpark van WRIJ. Ofwel de 120-120 dan wel de 140-142 variant. De 160-160 variant wijkt visueel zeer sterk af van de genoemde windparken, zeker in het landschapsperspectief over de rivier. Ook zal deze het hoogte het zicht vanuit de Liemers op de Veluwezoom domineren. Wij menen daarom dat vanwege de landschappelijke impact in het Beleidskader de variant 160-160 dient te worden geschrapt. 3. Het ontwerp Beleidskader vermeldt 'Met [ ... ] het vastleggen [ ... ] voor concentratie van wind- en zonne-energie in het gebied WZ5 ontwikkelt het hele gebied zich nog meer als een energielandschap dan nu al het geval is. Hierdoor verandert het uiterlijk en de beleving van het landschap in dit deel van de gemeente sterk.
Dat hoort bij de uitgesproken voorkeur voor clustering en niet voor versnippering over de andere delen van de gemeente.' Ook dit aspect van ontwikkeling is voor de landschapsbeleving vanuit Velp, met name vanaf de Broekdijk en Lathumseveerweg, bepalend. Zo zien wij dat de massieve bouw van de bedrijfshal van het circulaire bedrijf InSus de gezichtseinder over de rivier onverwacht en opvallend bepaalt. Wij begrijpen de opzet en uitbouw van InnoFase als circulair bedrijfspark en energiepark. Daarom pleiten wij voor het maximaal realiseren van zon-op-dak op te ontwikkelen bedrijfshallen en parkeergelegenheid, evenals op bestaande bedrijfshallen. Duiven kan daarin op InnoFase een voortrekkersrol innemen. Zo wordt dit maximaal complementair met zon-op-land, en hoeft het areaal zonnevelden zoals in het onderzoek van SAB/Pondera beschreven, minder grondoppervlak te beslaan. 4. Het ontwerp Beleidskader vermeldt (p14): [ ... ] heeft de provincie Gelderland in haar Omgevingsverordening regels gesteld voor wanneer er sprake is van ganzenfoerageergebieden. In de nieuwste versie van deze verordening (2021) staan meer mogelijkheden.
Het beschermingsregime biedt ruimte voor ontwikkeling, zolang de functie van het rustgebied behouden blijft of wordt gecompenseerd.' Vanwege het onderzoek naar leefgebied van de wespendief volgt gemeente Rheden het moratorium op het extra verkenningsgebied (RES 2.0) voor wind in de Velperwaarden. Wij zien dat hier druk is op de corridor voor trekvogels. Die omvat nu grofweg de uiterwaarden (Natura2000 Rijntakken), samenvallend met het Rivierklimaatpark. Bouw van windturbines (WRIJ windpark; technische ruimte voor RES windgebied in blauwe cirkel) nabij de dijk aan de zuidoever betekent extra inperking en versmalling van die corridor. Het windpark Koningspleij heeft hierop vanaf 2022 ook effect. Ook de ontwikkeling van windpark WRIJ is al zeer dicht bij rivier en uiterwaard, met mogelijk effect op trekvogels en ganzenrustgebied. Hoe wordt het cumulatieve effect van meerdere, ongelijktijdig gerealiseerde windparken op nabije Natura2000 (Rijntakken) gebieden Hondsbroekse Pleij, Velperwaarden en Koppenwaard beoordeeld? Het is de vraag of mitigerende maatregelen (tijdelijke stilstand, kleur van de wieken, afschrikking, of andere innovatieve technieken) voldoende zijn om letsel en sterfte onder vogels te voorkomen.
Hoe wordt dit onderzocht en gemonitord, ook in samenhang met de andere genoemde windparken? Vanuit natuurbelang zijn wij daarom tegenstander van de plaatsing van windturbines dichter bij de rivier dan het bestaande windpark InnoFase. Reactie gemeente 1. De visualisaties geven een (statisch) beeld van hoe de verschillende hoogtes van de windturbines zichtbaar zullen zijn. Ook deze visualisaties zijn gebruikt om een afweging te 29
maken in de verschillende scenario’s. Bij concrete initiatieven voor windturbines kan een ontwikkelaar eventueel bewegende visualisaties gebruiken om een beeld te krijgen van de impact van een windturbine in de omgeving. Ten aanvulling op onze visualisaties hebben wij nog een extra visualisatie vanuit Velp toegevoegd. De opgevraagde locatie was niet beschikbaar voor dit programma, derhalve is gekozen voor een andere locatie welke het meest bij de gevraagde locatie overeen komt. 2. Zie gezamenlijk advies van de Erfgoedcommissie Duiven-Zevenaar en het Gelders Genootschap, antwoord 18. 3. De gemeente onderschrijft het belang van het plaatsen van zonnepanelen op daken van bijvoorbeeld (nieuwe) bedrijven. Dit beleidskader richt zich niet op deze opgave. Maar om het belang te duiden wordt de tekst van het beleidskader aangepast en wordt deze opgave wel benoemd. Er wordt in de RES al uitgegaan van grote inzet op zon op dak (0,49 TWh). Maar om de totale ambitie te realiseren zijn zon op dak als zon op land nodig. Dit is dus al complementair aan elkaar. Gemeente Duiven blijft inzetten op bewustwording rondom zon op (bedrijfs)daken. Daarnaast kijkt de gemeente – in regionaal verband – wat de nieuwe wetgeving vanuit de Omgevingswet voor mogelijkheden biedt om zon op industriële daken verplicht te stellen.
Indien de wetgeving dat toelaat, is de gemeente bereid deze mogelijkheden toe te passen. 4. In de ruimtelijke studie is gekeken naar algemene invloedzones van Natura 2000-gebied en andere beschermde gebieden. Er is echter nog geen specifieke toetsing van aantasting aan natuurwaarden of instandhoudingsdoelen van gebieden gedaan. Toetsing aan de Wet natuurbescherming (soortbescherming en gebiedsbescherming) en andere natuurwetgeving zal per project nog getoetst worden. In deze toetsingen wordt ook naar cumulatieve effecten met andere windparken gekeken. Respondent 7 Zienswijze/reactie Beleidskader 1. Op p. 6 is opgenomen dat “de levensduur van een zonnepark op dit moment ongeveer 25 jaar is”. Daarom wordt er gekozen voor het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning van maximaal 25 jaar. De levensduur van een zonnepark is echter zeker 30 jaar. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid en economische haalbaarheid achten wij het daarom wenselijk om omgevingsvergunningen voor zonneparken te verlenen voor 30 jaar. 2. In het verlengde hiervan wordt opgemerkt dat er tijdelijke vergunningen worden verleend waarbij na afloop van deze periode het land weer in gebruik wordt genomen voor agrarische doeleinden conform de onderliggende bestemming. Voor de grondeigenaren is het van belang dat zij de percelen, na de exploitatiefase van het zonnepark, weer ten volle kunnen benutten.
Echter ongeveer 20% van het areaal wordt in beslag genomen door landschappelijke inpassing. In sommige gevallen heeft de, in de ruimtelijke visie opgenomen, inpassing ook een redelijk duurzaam karakter zoals struweel en natuurvriendelijke oevers. Kan de gemeente uitleggen hoe deze landschappelijke inpassing zich verhoudt met de agrarische functie en toezeggen dat de grondeigenaren de grond weer ten volle in gebruik kunnen nemen? 3. Op p. 10 is opgenomen dat “wanneer een lokaal actieve energiecoöperatie (al functionerend of in oprichting) interesse toont in actieve deelname aan het project, zij vanaf het begin een vaste gesprekspartner van de initiatiefnemer is. De gemeente verwacht dat beide tot onderlinge afspraken komen”. Daarnaast is op dezelfde p. 30
4.
5.
6.
7.
opgenomen “De initiatiefnemer verkent tijdens de omgevingsdialoog ook de wensen uit de omgeving voor de wijze en omvang van financiële participatie aan een project. Een actieve lokale energiecoöperatie krijgt de gelegenheid om vormen van zeggenschap over ontwikkeling, realisatie en beheer alsook mede-eigenaarschap met de initiatiefnemer af te spreken. De gemeente brengt partijen bij elkaar en stimuleert het onderlinge overleg”. Voor ons is niet duidelijk hoe het belang van de omgeving zich verhoudt tot het belang van een energiecoöperatie omdat het niet zondermeer zo is dat deze belangen samenvallen. Conform het Klimaatakkoord is het doel van financiële participatie dat niet alleen de lasten maar ook de lusten in de omgeving van een energieproject terecht komen. Volgens de principes van de ‘participatiewaaier’ moet invulling gegeven worden aan financiële participatie waarbij de participatiewaaier het belang van de omwonenden als uitgangspunt hanteert. Wij zouden graag meer duidelijkheid wensen over de verhouding van het belang van de omgeving en het belang van de energiecoöperatie. Ook op p. 10 staat “Een actieve lokale energiecoöperatie krijgt de gelegenheid om vormen van zeggenschap over ontwikkeling, realisatie en beheer alsook mede-eigenaarschap met de initiatiefnemer af te spreken”.
Wij staan hier positief tegenover omdat wij denken dat dit bijdraagt aan de acceptatie van wind- en zonneparken. Financiële participatie is alleen mogelijk als er een rendabel project wordt ontwikkeld en daar is de planning een belangrijk onderdeel van. Eventuele medezeggenschap en mede eigenaarschap mag dan ook niet ten koste gaan van de beoogde planning en geen risico’s toevoegen. Ook zien we graag dat erkend wordt dat over het algemeen energiecoöperaties en ontwikkelaars niet gelijkwaardig zijn in hun expertise en ervaring en dat ontwikkelende partijen al jaren bezig zijn met het opbouwen van deze expertise an sich en ook al jaren zowel tijd als geld investeren om een project in het InnoFase gebied te ontwikkelen. Op p. 11 van het beleid staat onder het kopje “Financiële participatie en proberen 50% lokaal eigendom te halen” dat “Concreet wordt verwacht dat de initiatiefnemer initieel tenminste 50% van de hoogte van het eigen vermogen in de vorm van obligaties beschikbaar stelt.” Wij zetten ons bij de ontwikkeling van zonneparken graag in om tot 50% lokaal eigenaarschap te komen, echter het is voor ons cruciaal dat er in het beleid niet op wordt vooruitgelopen hoe dat precies moet plaats vinden. Er zijn namelijk verschillende manieren om lokaal eigenaarschap te organiseren. Wat ons betreft is dit onderdeel van de dialoog met de omgeving.
Wij verzoeken u de specificatie “Concreet wordt verwacht dat de initiatiefnemer initieel tenminste 50% van de hoogte van het eigen vermogen in de vorm van obligaties beschikbaar stelt” te laten vervallen. Op p. 15 is opgenomen dat een zonneparkproject moet bestaan uit aaneengesloten kavels met zonnevelden. Graag verzoeken wij de gemeente om hier aan te sluiten bij wat ruimtelijk logisch is. Meerdere projecten samen kunnen er immers voor zorgen dat zonnekavels ruimtelijk aaneengesloten zijn. In hoofdstuk 4 ‘Proces- en financiële participatie, waaronder 50% lokaal eigendom’ zijn randvoorwaarden opgenomen voor procesparticipatie en financiële participatie. Voor ons is niet duidelijk waarom zonneparken in de paragraaf ‘Bovenwettelijke financiële ruimte’ genoemd worden. In de gedragscode zon op land is geen bovenwettelijke financiële ruimte opgenomen. Wij veronderstellen dan ook dat het wenselijk om zonneparken niet te noemen in deze paragraaf, om verwarring te voorkomen.
Ruimtelijke studie 1. Inpassingsprincipes zon en wind Ten aanzien van de inpassingsprincipes voor zonnevelden op p. 25 en 26 zien hebben wij op 3 onderwerpen een aantal opmerkingen: 1. Verhouding zonnepanelen - ruimte voor inpassing Onder het kopje Verhouding zonnepanelen – ruimte voor inpassing is 31
opgenomen dat als verhouding tussen de oppervlakten van de zonnevelden plus alle bouwwerken die daarbij horen en de ruimte voor de ecologische en landschappelijke inpassing 80 - 20 wordt aangehouden. Wij vinden het van belang dat in de ruimtelijke studie wordt opgenomen dat de situering van leidingen in het plangebied van invloed zijn op deze verhouding. Ook zien we graag opgenomen in de ruimtelijke studie dat de ‘inpassingsprincipes zonnevelden’ op basis van maatwerk kunnen worden uitgewerkt in het landschappelijk ontwerp van een zonnepark waarbij de verhouding 80 – 20 leidend is. Zie hiervoor ook de zienswijze onder het kopje 3. Randen. 2. Bebouwing Onder het kopje Bebouwing zijn alleen transformatoren en bijgebouwen benoemd. Wij zien graag dat hier ook inkoopstations en batterijen worden benoemd. 3. Randen Hier is opgenomen dat de rand tot een zonneveld bestaat, afhankelijk van het specifieke wegprofiel, uit een zone van minimaal 20 meter met een bloemrijke grasberm met langs sommige wegen een bomenrij en/ of een watergang en een struweelhaag. Bij de nadere uitwerking van de inpassingsprincipes, na p. 26, wordt in de doorsnedes afgeweken van dit principe.
Er zijn doorsnedes zoals de doorsnede van de rand bij de Kievitstraat waar een grotere minimale afstand tussen het wegprofiel en de panelen is weergegeven (20m bloemrijk grasland, 5m struweel en 3,5m onderhoudspad) en er zijn doorsnedes waar een kleinere minimale afstand is weergegeven zoals bij de doorsnede van de rand van de Nieuwgraafsestraat (10m watergang met natuurvriendelijke oever en 3,5m onderhoudspad). In de doorsnedes op p. 27 tot en met 34 is ook geen rekening gehouden met een mogelijk benodigd hekwerk waardoor de rand tussen de weg en de panelen groter wordt dan in de doorsnede is opgenomen. Wij zien daarom graag dat in de ‘inpassingsprincipes zonnevelden’ op p. 25 onder het kopje randen wordt aangegeven dat gestreefd wordt naar een rand tussen de openbare weg en een zonneveld van 20 meter breed. Tevens zien we graag dat aangegeven wordt dat de doorsnedes op p. 27 tot en met 34 indicatief zijn. Op deze manier kan iedere rand op basis van maatwerk, en in overleg met belanghebbenden, uitgewerkt worden en kan ook de verhouding panelen versus inpassing van 80 – 20 gerealiseerd worden. Als alle randen tussen de openbare weg en de zonnevelden 20 meter dienen te zijn dan is deze verhouding niet te realiseren. Tevens is hier opgenomen dat er langs een watergang ruimte is voor rietgroei.
Wij zijn graag dat hier wordt toegevoegd dat er ruimte is voor rietgroei bij watergangen die dienen als afscheiding van een zonneveld. Dit betekent dat het dus niet voor alle watergangen geldt. 4. 4. Tussenruimte Op p. 33 is de tussenruimte tussen de zonnevelden uitgewerkt. Niet duidelijk is wat de strekking is van de tekening op deze p. waarop een aantal sloten zijn gemarkeerd. De indruk wordt gewekt dat bij deze sloten een groene tussenruimte van 15 meter is vereist. In de inpassingsprincipes is echter opgenomen dat de tussenruimte vereist is tussen afzonderlijke zonnevelden met een maximale grootte van 10 hectare. Wij zien graag dat op p. 33 wordt toegevoegd dat een groene tussenruimte is vereist als er sprake is van een scheiding tussen afzonderlijke zonnevelden. Daarnaast wordt hier aangegeven dat tussen de rijen zonnepanelen de ruimte minimaal 2 meter moet zijn, ten
32
behoeve van optimalisatie van het zonnepark is het wenselijk dat dit een streven is waar gemotiveerd vanaf geweken kan worden. 5. Scenario’s zon en wind In dit hoofdstuk zijn een aantal scenario’s uitgewerkt. Het is niet altijd helder hoe deze scenario’s zich tot de ontwerpprincipes verhouden. We gaan ervanuit dat een en ander illustratief en indicatief is, maar het zou verhelderend zijn als dit duidelijk wordt weergegeven. Een paar voorbeelden: - Op p. 37 is op figuur 2 de oriëntatie van de rijen zonnepanelen verbeeld. Deze oriëntatie lijkt gebaseerd op de richting van de Wijde Wetering. Wij denken dat het, uitgaande van de landschappelijke kwaliteit, wenselijker is om oriëntatie te baseren op de Nieuwgraafsestraat omdat het zonnepark vanaf deze weg beleefd wordt en niet vanaf de Wijde Wetering. - Op p. 37 is op figuur 3 een zijaanzicht van de zonne-energie opstelling weergegeven. Dit betreft een verouderde opstelling, welke niet representatief is voor de huidige zonnepaneelopstellingen, dit geldt met name voor de hellingshoek en de tafellengte. Wij zien daarom graag dat aan figuur 3 wordt toegevoegd dat het een voorbeeld opstelling betreft. - Op p. 39, 41 en 43 zijn op respectievelijk figuur 5, 7 en 9 de afzonderlijke zonnevelden en de onderhoudspaden ingetekend waarbij niet duidelijk is wat de status van deze figuur is.
Wij zien graag dat bij deze figuur wordt aangegeven dat het een indicatieve figuur is zodat het mogelijk is om de zonnevelden en de onderhoudspaden, binnen de inpassingsprincipes, ook een andere vorm te geven. - Op p. 38, 40 en 42 worden opstellingen weergegeven hoe toekomstige windturbines zou kunnen worden gesitueerd, echter dit zijn slechts indicaties. We zouden dat ook graag vermeld zien. Reactie gemeente Beleidskader 1. Zie respondent 4, beleidskader, antwoord 3. 2. Een deel van de inrichting zal permanent zijn. Dat betreft een groene zone aan weerszijden van de Wijde Wetering en een natuurvriendelijke oever langs de Nieuwgraafsewetering. De overige landschappelijke inpassingen, de bloemrijke stroken en het afschermende struweel, zijn net als de zonnepanelen tijdelijk. De agrarische functie blijft in tact. Na 25 jaar is de grond weer te gebruiken voor agrarische doeleinden. 3. Het gaat erom dat er tijdens het proces voldoende ruimte is voor suggesties, vragen en bezwaren, dat de baten lokaal terecht komen en dat er gestreefd wordt naar het realiseren van 50% lokaal eigendom. Dit is in lijn met het Nederlandse Klimaatakkoord. Hier is de oorspronkelijke passage op p. 10 en 11 op gericht. Waarbij een energiecoöperatie bedoeld is als een van de opties om hier uitwerking aan te geven. De gemeente is bekend met de verschillende belangen.
De passage in het beleidskader wordt daarom aangepast en genuanceerd. 4. De gemeente is op de hoogte van de initiatieven. Het toevoegen van expertiseniveaus in de tekst van het beleidskader is inhoudelijk niet relevant. Deze suggestie leidt niet tot aanpassing van de tekst. 5. Deze tekst wordt aangepast in het beleidskader. Financiële participatie hoeft niet per se in de vorm van obligaties. In de Participatiewaaier zijn de verschillende vormen van financiële participatie omschreven, deze lijn nemen we over in het beleidskader. Daarbij blijft het streven naar 50% lokaal eigendom en zeggenschap. 6. Zie het antwoord bij respondent 4, onder A 6.
33
7. De bovenwettelijke financiële ruimte is van toepassing op windenergie initiatieven en inderdaad niet op zonne-energie. De passage wordt aangepast: zonne-energie zal niet in deze subparagraaf genoemd worden. Ruimtelijke studie 1. Het gaat in dit geval om een beleidskader met principes en uitgangspunten voor landschappelijke inpassing en is bedoeld om ecologische waarden en eenheid in de vormgeving van de zonnevelden te garanderen. Er zal altijd maatwerk nodig zijn. In het landschappelijk inpassingsplan worden de definitieve afspraken met de ontwikkelaar vastgelegd. 2. Deze suggestie wordt in de tekst opgenomen. 3. De inpassingsprincipes zijn gebaseerd op de specifieke profielen van de wegen en watergangen in het gebied die het landschappelijk raamwerk vormen. Bij de Kievitstraat is het landschappelijk raamwerk breder omdat hier rekening is gehouden met de woningen die aan de weg liggen. De basis voor de landschappelijke inpassing is een strook van 10 meter met bloemrijk grasland en struweel. De verhouding 80-20 is daarmee o.i. haalbaar. Er zal altijd maatwerk nodig zijn. Zie ook punt 1. Er is aangegeven dat er zo min mogelijk hekwerken toegepast dienen te worden. In een aantal gevallen kunnen watergangen dienen als afscherming. In andere gevallen kan het hekwerk gecombineerd worden met het struweel zodat het niet in het oog valt.
Hekwerken behoren overigens ook tot ‘de techniek’ van de 80% aan zonnevelden. 4. De zonnevelden dienen aan te sluiten bij het bestaande landschap en verkaveling. De kavels worden in noord-zuid richting gescheiden door watergangen. Deze kunnen dienen als scheiding tussen afzonderlijke zonnevelden. Dit principe is hier geschetst. In concrete gevallen is maatwerk vereist. 5. De scenario’s zijn bedoeld als rekenmodel om een indicatie te krijgen van de mogelijke energieopbrengst in het zoekgebied. – Een oriëntatie evenwijdig aan de Nieuwgraafsestraat is ook goed mogelijk. Belangrijk is dat de oriëntatie van het hele zonneveld dezelfde is om een zo rustig mogelijk beeld te krijgen. Respondent 8 Zienswijze/reactie 1. De respondent spreekt de teleurstelling uit over het moment dat de inwoners van Lathum zijn betrokken bij de ontwikkelingen in het gebied InnoFase/Centerpoort-Noord, gezien dit dichtbij het zoekgebied ligt. In het kader van de procedure die loopt t.a.v. de turbines op de zuiveringslocatie bij InnoFase en de uitspraak van de Raad van State van 30 juni jl. (zaaknummer 202003882/1) verzoekt de respondent om nieuwe ontwikkelingen omtrent mogelijke plaatsing van windturbines op te schorten totdat duidelijkheid gegeven kan worden over o.a. de milieuaspecten en uitgangspunten voor het bepalen van mogelijke locaties voor windturbines. 2.
De respondent benoemt dat plaatsing van windturbines in en rond dit gebied effect heeft op de Natura2000 doelen en verwijst naar soorten volgens de Wet Natuurbescherming. De respondent vraagt om het cumulatieve effect van alle windturbines tezamen op de N2000 soorten en op het leefmilieu van omwonenden en belanghebbenden te onderzoeken. 3. Betreft p. 2-3: We vinden het onjuist om (urbane) windturbines van <1.5 Mw en kleine zonneparken <50 m2 buiten beschouwing te laten. Ze kunnen afzonderlijk of in gezamenlijkheid grote effecten hebben op de omgeving afhankelijk van de locatie. Door het juridisch opdelen van landbouwpercelen zouden op deze wijze alsnog grote zonneparken 34
kunnen ontstaan of een wildgroei aan kleine windturbines. Wij vinden dat er een maximum aan vermogen binnen het zoekgebied moet worden aangegeven. Immers het plaatsen van zonneparken en windturbines is geen doel op zich, maar is een uitvloeisel van een klimaatakkoord dat zich richt op terugdringen van de CO2-uitstoot. Zodra dit doel is bereikt zou er een stop moeten komen op de realisatie van zonneparken en windturbines. Ook zien wij graag opgenomen dat zodra er alternatieven voor windenergie komen (bijvoorbeeld wind op zee, energie uit de IJssel of waterstof), er geen nieuwe initiatieven voor windturbines of zonneparken worden gehonoreerd. Wij vinden dat het in het beleidsplan ontbreekt aan een maximum hoogte voor windturbines. De praktijk is dat turbines vroegtijdig worden vervangen door hogere turbines met hogere vermogens. 4. Betreft p. 4: Het gebied rond InnoFase/Centerpoort-Noord werd over het algemeen als meest ‘geschikte’ locatie gezien. Deze keuze is gemaakt vanuit de inwoners van Duiven en Westervoort met als één van de belangrijkste argumenten dat dit verder van woonlocaties is gelegen. De woningen in Lathum, gemeente Zevenaar, liggen echter vlakbij deze locatie. We vinden het daarom onbegrijpelijk waarom de gemeente Zevenaar en de bewoners van Lathum niet in dit proces betrokken zijn. Ook geeft u aan dat de locatie aansluit op het bedrijventerrein.
Voor ons is het onduidelijk waarom u deze relatie noemt. Immers eerder geeft u aan dat het beleidskader los staat van energieopwekking door de industrie. We vinden dat de energieopwekking in dit gebied volledig ten goede moet komen aan de bestaande particuliere markt (zie ook verderop) en niet aan het bedrijfsleven. Voor het bedrijfsleven is wind op zee een alternatief. 5. P. 5: Realisatietermijn. In welke gevallen zou uitstel verlenen mogelijk zijn? 6. P. 6: We vinden de tijdelijkheid van de vergunning een goede zaak, inclusief het terugbrengen in oude staat. Wel menen wij dat de uitzonderingen hierop alleen betrekking moeten hebben op een groene invulling en niet op een industriële (rode) functie. Het noodzakelijk onderzoek naar milieueffecten zouden we graag geformuleerd willen zien als onderzoek naar effecten op milieu, natuur en volksgezondheid. Dit geldt ook voor de overige passages in het document waar het begrip milieu wordt gehanteerd. 7. P. 7: Economische haalbaarheid. Ook inzichtelijk maken van de business case voor omwonenden en belanghebbende. Zeker wanneer financiële afspraken of tegemoetkomingen zoals binnen een omgevingsfonds later aan de orde komen. 8. Betreft p. 8: Overleg met omwonenden en stakeholders. Onder vroegtijdig verstaan wij bij aanvang van een initiatief. En niet een overleg met een informatief karakter na de planvorming. 9. P.
9: Procesparticipatie. Tot op heden worden omwonenden binnen 10 maal de tiphoogte van een turbine als belanghebbende aangemerkt. We verzoeken u dan ook deze afstand op te nemen. Mocht uit onderzoek blijken dat de effecten van windturbines groter zijn dan deze afstand, dan verzoeken wij u op te nemen dat deze afstand wordt aangepast. We verzoeken u de ‘gedragscodes’ expliciet te maken. Om welke gedragscodes gaat het en welke looptijd hebben ze? 10. P. 9: Participatieplan. Graag willen wij toevoegen dat initiatiefnemers voor het opstellen van een participatieplan niet alleen met de directe omgeving in gesprek gaan maar ook met de overige belanghebbenden. Het gewenste moment is niet de start van een planontwikkeling maat de start van het initiatief. Wij zien graag dat ook de omwonenden betrokken worden in de verantwoording van de omgevingsdialoog om de kwaliteit daarvan te borgen. We verzoeken u explicieter te maken waar de participatie betrekking op heeft en met welke reikwijdte en resultaten. Kortom wij vinden dat er niet alleen sprake moet zijn van procesparticipatie, maar dat ook zoveel als mogelijk concrete mogelijke resultaten van de participatie moeten worden benoemd (hoogte van de turbine, effecten, financiële participatie).
35
11. P. 10: Waar u Omgevingsadviesraad noemt stellen wij voor hier te spreken van een onafhankelijke OAR. Bij financiële participatie stellen wij voor het streven naar 50% te veranderen in meer dan 50% participatie door burgers en het streven naar 100 % participatie door burgers. Het begrip andere belanghebbenden verzoeken wij te vervangen door burgers. Voor bedrijven wordt immers in andere trajecten voorzien. Bij het door u genoemde vreemd vermogen zijn wij van mening dat er gezocht moet worden naar lokale of regionale investeerders waardoor rendement uit subsidies niet naar het buitenland verdwijnt. 12. P. 11: Het eventueel bijdragen aan een omgevingsfonds vinden we te vaag, mede gezien onze ervaringen tot nog toe. We vinden een omgevingsfonds noodzakelijk gezien de impact op de omgeving en verzoeken u dit als zodanig op te nemen waarbij jaarlijks een percentage (1%) van de bouwkosten in dit fonds wort gestort. Immers er is ook een groot effect op de omgeving. 13. P. 12: De omwonendenregeling en bovenwettelijke ruimte vinden we te vaag. We stellen voor hier op voorhand al afspraken over te maken. Percentages van de winst blijken onwerkbaar en multi interpretabel. Ook hiervoor verzoeken we een percentage van de bouwkosten op te nemen. Reactie gemeente 1. De gemeente heeft begrip voor de zorgen van de respondent.
In 2019 heeft er een uitgebreid participatieproces plaatsgevonden over onder andere dit gebied. In juni 2021 is er een brede informatiebijeenkomst georganiseerd over het beleidskader. Deze informatiebijeenkomst is onder de aandacht gebracht via social media, de website www.samen1nergie.nl en de gemeentebladen van Duiven, Westervoort, Rheden en Zevenaar. Een ieder was welkom tijdens deze bijeenkomst. Daarna heeft eenieder de afgelopen periode de gelegenheid gekregen om zienswijzen in te dienen. De gemeente is zich bewust van de huidige jurisprudentie omtrent de milieunormering van windturbines. In dit geval gaat het om een beleidskader voor het zoekgebied. Pas in een later stadium worden concrete initiatieven beoordeeld. De gemeente ziet daarom geen reden om de ontwikkeling van windmolens in dit beleidskader op te schorten. Gemeente Duiven zal de landelijke richtlijnen en wet- en regelgeving in acht nemen bij de behandeling van initiatieven. Zo nodig zal de gemeente zelf milieuregels opstellen. 2. In de ruimtelijke studie is gekeken naar algemene invloedzones van Natura 2000-gebied en andere beschermde gebieden. Er is echter nog geen specifieke toetsing van aantasting aan natuurwaarden of instandhoudingsdoelen van gebieden gedaan. Toetsing aan de Wet natuurbescherming (soortbescherming en gebiedsbescherming) en andere natuurwetgeving zal per project nog getoetst worden.
In deze toetsingen wordt ook naar cumulatieve effecten met andere windparken gekeken. De locatie van de roekenkolonie en het nest van de slechtvalk is al wel bekend. Hier is naar gekeken in de toetsing voor windpark InnoFase. 3. Dit beleidskader is gericht op grootschalige energieopwekking. De RES-opgave voor dit gebied is ook grootschalig. De vraag over kleinschalige windmolens zal als afzonderlijke vraag beschouwd moeten worden en dit zal vooralsnog per situatie afgewogen dienen te worden. Er is voor gekozen geen maximum te stellen aan het vermogen voor het zoekgebied. Door het aanwijzen van zoekgebied is er ingezet op clustering binnen dit gebied. Hiermee wordt voorkomen dat er in de gehele gemeente losstaande initiatieven ontstaan. Met onder andere de voorwaarden uit dit beleidskader, zoals medewerking van de grondeigenaar en de 80%-20% verdeling, worden al grenzen gesteld aan het vermogen. We gaan nu uit van de bewezen technieken, zoals dat ook in regionaal verband is afgesproken. De gemeente staat positief ten opzichte van innovatie als dat verband houdt 36
met wind en zon. In de ruimtelijke studie is opgenomen dat de eerste nieuwe windturbine de hoogte bepaalt. Dit principe hanteren we. 4. In 2019 heeft er een uitgebreid participatieproces plaatsgevonden over onder andere dit gebied. In juni 2021 is er een brede informatiebijeenkomst georganiseerd over het beleidskader. Daarna heeft eenieder de afgelopen periode de gelegenheid gekregen om zienswijzen in te dienen. Het zoekgebied sluit ruimtelijk gezien aan op het bedrijventerrein. Er wordt in het beleidskader niet op aangestuurd dat de duurzaam opgewekte elektriciteit exclusief ingezet wordt voor de bedrijven. De duurzaam opgewekte energie komt op het openbare elektriciteitsnet terecht, waar zowel woningen als bedrijven op zijn aangesloten. 5. Dit is afhankelijk van de situatie, er kan hier op voorhand geen sluitende opsomming van worden gegeven. 6. Een tijdelijke vergunning betekent dat de gronden daarna weer gebruikt worden voor de oorspronkelijke bestemming, bijvoorbeeld agrarisch. Dit is dus afhankelijk van de huidige bestemming. We zijn gebonden aan de huidige normen uit de huidige wet- en regelgeving op milieu, natuur en gezondheid. Die zullen bij elk initiatief in acht genomen worden. 7. Deze oorspronkelijke passage wordt al aangepast in het beleidskader.
Met een sluitende businesscase wordt bedoeld dat de initiatiefnemer de financiële haalbaarheid van het plan dient aan te tonen. Het gaat dus om onderbouwing van de financiële haalbaarheid, niet om inzage in de businesscase. Ook omwonenden kunnen hiervan kennisnemen, dit is onderdeel van de onderbouwing van het project. 8. Met de tekst in het beleidskader wordt inderdaad verstaan: bij aanvang van een initiatief. 9. De tekst in het beleidskader wordt aangepast. Voor omwonenden wordt als vuistregel uitgegaan van de door Raad van State gehanteerde norm van tien maal de tiphoogte (Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land (oktober 2020). De gedragscodes zijn al met naam vermeld in het beleidskader. 10. De bestaande Omgevingsadviesraad is opgericht voor de windturbines bij het waterschap. Bij nieuwe initiatieven wordt per geval bekeken welke organisatievorm het meest passend is. We sluiten aan bij de lijn van het Klimaatakkoord en streven naar 50% lokaal eigendom. We onderschrijven het belang van vroegtijdig omwonenden en belanghebbenden te betrekken, dit is ook de insteek van het participatieplan. Op basis van uw reactie passen we hier en daar het taalgebruik aan, om de beleidstekst aan te scherpen en voegen we toe dat de initiatiefnemer bij het formeel indienen van het projectplan aangeeft wat de concrete resultaten van de participatie zijn. 11.
De suggestie betreffende het omgevingsfonds en het jaarlijkse percentage van 1% wordt niet overgenomen in het beleidskader. Dit krijgt pas invulling bij een concreet initiatief. 12. Er zullen op voorhand geen afspraken gemaakt worden. Dit is afhankelijk van het initiatief en krijgt te zijner tijd nadere invulling. Respondent 9 Zienswijze/reactie De respondent geeft aan bezwaar te hebben tegen de plaatsing tot wel 14 windturbines op het terrein tussen de afvalverwerker en Lathum. De respondent en andere bewoners uit Lathum hebben uitzicht op de windturbines. Daarnaast is deze omgeving ook een recreatiegebied. Ten slotte benoemt de respondent dat er weinig kenbaar is gemaakt over de plannen. Reactie gemeente 37
Er is geen sprake van concrete plannen voor 14 windturbines. De ruimtelijke studie laat zien wat de potentie voor zonne- en windenergie is in het zoekgebied InnoFase/Centerpoort-Noord. De gemeente vindt het belangrijk dat de omgeving bij initiatieven vroegtijdig betrokken wordt. Dit is de verantwoordelijkheid voor de initiatiefnemer. Inwoners en andere belangstellenden vanuit bijvoorbeeld buurgemeenten hebben tijdens de informatiebijeenkomsten de gelegenheid gekregen om vragen en zorgen te uiten, evenals tijdens de zienswijze periode. Respondent 10 Zienswijze/reactie 1. Wij verwachten we een beleidskader met ruime mogelijkheden (beleidsvrije ruimte), transparantie over zowel het proces, als ook bij de uitwerking van het beleid. Daarbij wensen we intensief te worden betrokken en voldoende ruimte te krijgen voor invulling van de kaders en de uitvoering van het beleid, samen met alle andere betrokken partijen (stakeholders) binnen de Liemers. Verder verwachten we dat het beleidskader integraal is en dat dit als zodanig in documenten is terug te lezen. Met integraal beleid bedoelen we de directe verbinding tussen onderwerpen als duurzame energie, economie, toerisme en werkgelegenheid die bijdraagt aan een inclusieve arbeidsmarkt, in het bijzonder voor jongeren. 2. Belangrijk onderdeel van het Duivens beleid dient de samenwerking met omliggende gemeenten te zijn.
Gezien de momenteel terughoudende rol van het Zevenaarse bestuur, is extra inspanning essentieel om te komen te gezamenlijkheid, in ieder geval op Liemerse schaal. Het ondersteunt het huidige bestuur, als ook het bestuur na de komende verkiezingen, wanneer in het beleidskader een aparte passage wordt opgenomen hierover. Concreet: Een eerste relatief kleine stap zou zijn wanneer Zevenaar wordt verleid tot participatie die ruimte geeft voor ontwikkeling op de strook grond aan de rand van Innofase. Zo draagt ze direct bij aan de energietransitie zonder er direct hinder van te ondervinden. Is gemeente Duiven bereid om het beleid hierop aan te passen en een leidende rol te pakken om Zevenaar erbij te betrekken? 3. Bij de uitwerking vergt dit ook een integrale samenwerking en coördinatie door de Liemerse gemeenten, zowel binnen hun interne organisatie, als ook onderling èn met de stakeholders. Immers, een breed draagvlak onder inwoners en bedrijven is essentieel. Gezien de omvang van de lokale opgave en de verbinding met regionale, provinciale besturen en belanghebbenden, als onderdeel van de landelijke energieopgave, zien we een risico voor de belasting van het ambtelijke apparaat en daarmee voor de kwaliteit (kennis, vaardigheden) en snelheid (parallelle processen en tijdlijnen) waarmee kan worden geacteerd, zowel anticiperen als reageren op ontwikkelingen.