201714764-Ruimtelijke motivering Welleveldsestraat 2 Duiven (17-11-25)
Tekst van het document
Woonlocaties en recreatiewoningen Werklocaties Detailhandel Glastuinbouw Veehouderij Klimaatadaptatie Energietransitie
Toetsing planvoornemen De omgevingsverordening stelt onder meer regels ten aanzien van flora- en fauna-activiteiten. Dit betekent dat niet zonder meer activiteiten uitgevoerd mogen worden die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het projectgebied aanwezige flora en fauna. In dit kader zijn een quickscan flora & fauna en daaropvolgende soortspecifieke onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken worden beschreven in paragraaf 4.10 van deze motivering. Verder stelt artikel 8.0b, eerste lid van het Bkl dat bij een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De gemeente Duiven voldoet aan de eisen van provincie om een woonagenda op te stellen. De beoogde ontwikkeling zal in paragraaf 3.5.2 getoetst worden aan de gemeentelijke woonagenda. Voor de voorgenomen activiteit gelden verder geen specifieke instructieregels van de provincie. Vanwege de ligging van de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied spelen er verder geen provinciale belangen.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 24 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
3.4
Regionaal beleid
3.4.1
Woondeal 2.0 Regio Arnhem-Nijmegen
De Woondeal 2.0 regio Arnhem-Nijmegen wordt als uitgangspunt gehanteerd bij de herijking van lokaal ruimtelijk en volkshuisvestelijk beleid. In 2020 zijn gemeenten binnen de Groene Metropoolregio, provincie Gelderland en het Rijk een langjarig partnerschap aangegaan voor een beter werkende woningmarkt. Aanleiding was de constatering dat de regio in de top 3 van regio’s met het hoogste woningtekort stond, de woonopgaven bovengemiddeld zijn en de uitvoering onder druk staat. In de Woondeal staan afspraken over continuïteit en versnelling van de bouwproductie, verstedelijking en gebiedsontwikkeling, huisvesting van aandachtsgroepen, klimaatadapatieve, conceptuele en circulaire woningbouw en leefbaarheid. Op al deze punten zijn de afspraken uit 2020 geactualiseerd en waar gewenst ook geconcretiseerd. Het Rijk zet via de Nationale Woon- en Bouwagenda in op de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, met als streven dat hiervan minimaal 2/3de betaalbaar is. In vervolg op deze nationale ambitie zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen het Rijk en de provincie Gelderland over de realisatie van 100.000 woningen tot en met 2030. Dit krijgt in deze regio nadere invulling via actualisatie van de Woondeal uit 2020. Met deze Woondeal onderkennen partijen de grote woonopgave, dat ze de samenwerking uit 2020 voortzetten en geven ze het partnerschap verder vorm.
Dit zorgt voor continuïteit en zekerheid richting marktpartijen en woningcorporaties. Partijen zetten met deze Woondeal in op: • Een vergroting van de beschikbaarheid van woningen voor mensen met lage en middeninkomens, waaronder veel starters, te realiseren (in lijn met de nationale doelstelling naar 2/3 de betaalbaar). • Te zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor aandachtsgroepen en een evenwichtige spreiding daarvan over de gemeenten. • Vanaf 2025 binnen de nieuwbouw te zorgen voor minimaal 30% sociale huur en minimaal 35% middenhuur en betaalbare koop (tot € 355.000). • Een op basis van het woningbehoefteonderzoek per gemeente te bepalen deel in het middensegment uit betaalbare koopwoningen voor de lagere inkomens met een prijs van maximaal € 250.000 of middenhuur te laten bestaan. • In te zetten op verduurzaming en het toekomstbestendig maken van de bouwsector en vermindering van bouwkosten, door circulair en conceptueel bouwen de norm te laten zijn bij woningbouw. Hiermee wordt bijgedragen aan de reductie van 55% tot 60% CO2-uitstoot (Paris-proof), 50% primaire grondstoffen en 50% uitstoot van stikstof in 2030. Toetsing Het initiatief voorziet in woonruimte voor een specifieke doelgroep, waarvoor urgentie bestaat vanwege het sluiten van bestaande opvanglocaties in gemeente Duiven.
De noodzaak en wettelijke verankering komt voort uit een landelijke taakstelling die gemeenten opgedragen krijgen. Het projectgebied, behorende tot de ‘Spoorzone’ is weliswaar als toekomstige potentiële woningbouwlocatie aangewezen, maar zover is het nog niet. Het plan om tijdelijk opvang voor Oekraïense ontheemden op deze locatie te voorzien is daarmee niet in strijd met de woningbouwplannen van gemeente Duiven en de regionale woondeal in breder perspectief.
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Omgevingsvisie Duiven
Met de omgevingsvisie richt de gemeente Duiven zich op de toekomstige ontwikkelingen binnen het eigen grondgebied. De visie beschrijft de kwaliteiten die in de gemeente gewaardeerd worden, de ambities die er zijn en de ontwikkelingen waar men voor staat. In principe geeft de omgevingsvisie met name een ontwikkelrichting aan; ze helpt om bij toekomstige ontwikkelingen de juiste afweging te maken en het gesprek te voeren over hoe op dat moment omgegaan moet worden met de beoogde ontwikkeling. De Spoorzone, waarbinnen het beoogde projectgebied ligt, staat op de agenda als onderzoekslocatie woningbouw waarbij ook een andere invulling mogelijk is.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 25 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Toetsing Prettig wonen en werken is een terugkomend thema binnen de omgevingsvisie. De ontwikkeling van een geschikte opvang voor Oekraïense ontheemden past in dit verhaal. In de omgevingsvisie wordt de Spoorzone genoemd als zoekgebied om de vitaliteit van de gemeenschap en voorzieningen verder te versterken (pagina 58). Direct ten oosten van het projectgebied, dat binnen de Spoorzone ligt, staat reeds een gebouw waarin cultuur en sport samenkomt, met verschillende verenigingen. Het voorgenomen plan om Oekraïense ontheemden op te vangen binnen dit gebied is niet rechtstreeks benoemd binnen de visie van de gemeente, maar sluit wel aan op de langlopende wens om de Spoorzone in te zetten voor maatschappelijk relevante functies. Zie ook onderstaande ‘Uitsnede van Basiskaart Omgevingsvisie Duiven’.
Uitsnede van Basiskaart Omgevingsvisie Duiven met het projectgebied binnen de spoorzone (nummer 24)
3.5.2
Woonvisie 2021-2030
In de Woonvisie 2021-2030 van de gemeente Duiven worden drie thema’s genoemd die de kern vormen van de Woonvisie: 1. Kwaliteit bestaande woningen en leefbaarheid wijken. 2. Huisvesten van specifieke doelgroepen. 3. Meer en passende woningen. Toetsing Onder de specifieke doelgroepen van themanummer 2 worden genoemd: jongeren/starters, groepen met een zorgvraag, arbeidsmigranten, woonwagenbewoners, vergunninghouders en mensen die met spoed op zoek zijn naar woonruimte (spoedzoekers). Oekraïense ontheemden zijn in feite mensen die met spoed zoeken naar een woonruimte, die bovendien net als arbeidsmigranten een positief effect kunnen hebben op de lokale arbeidsmarkt. Het feit dat er andere noodopvanglocaties voor deze doelgroep op korte termijn zullen sluiten
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 26 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
maakt de urgentie des te groter. Het realiseren van een opvang voor Oekraïense ontheemden sluit daarmee aan op de Woonvisie 2021-2030 van de gemeente Duiven.
3.5.3
Mobiliteitsplan Duiven 2016-2026
Het Mobiliteitsplan van gemeente Duiven voorziet in de koers die men wil varen ten aanzien van mobiliteitsvraagstukken en -ontwikkelingen voor de planhorizon van 10 jaar. Het plan voorziet in een beleidsagenda met 8 kernopgaven, 18 geprioriteerde projecten en 4 onderzoeksopgaven voor de periode van 2016 tot 2026. Het mobiliteitsplan bestaat uit de volgende 8 kernopgaven: • Meer ruimte voor fiets, voetgangers en duurzame mobiliteit; • pas hoofdstructuren aan op doortrekking A15 en verbreding A12; • zet in op heldere lokale hoofdstructuren Duiven; • aanpak verkeersveiligheid naar gebieden en doelgroepen; • garanderen bereikbaarheid regionale bedrijventerreinen voor alle modaliteiten; • leefbare en aantrekkelijke woonbuurten door ‘maatwerk aanpak’ parkeren; • veranderende overheid: samen met de buurt; • schone lucht en zo min mogelijk geluidshinder. Toetsing Ten aanzien van ruimte voor fietsers en voetgangers zal de bestaande oversteek ter hoogte van de Welleveldsestraat 2 worden aangepast, om toekomstige bewoners van het projectgebied veilig de Visserlaan te kunnen laten oversteken. Direct ten noorden van de Visserlaan is een vrijliggend fietspad voor beide richtingen aanwezig.
Via dit fietspad kunnen toekomstige bewoners van de locatie zowel in westelijke richting naar de Westsingel en daar aanwezige sportvoorzieningen fietsen, terwijl men in oostelijke richting via onder meer de Burgemeester van Dorth tot Medlerstraat het centrum van Duiven kan bereiken. Ook de Welleveldsestraat biedt een wandel- en fietsverbinding in westelijke richting langs het spoor (richting sportcomplex en het Horsterpark). Tot slot doet een tweede ontsluiting van het terrein via het verenigingsgebouw ten oosten van het projectgebied dienst als calamiteitenroute voor de hulpdiensten. Vanuit de concrete voorziene projecten zijn er geen infrastructurele projecten die spelen binnen of direct grenzend aan het projectgebied en daarmee invloed hebben op de haalbaarheid van de tijdelijke gemeentelijke opvang voor Oekraïense ontheemden op deze plek.
3.6
Conclusie relevant ruimtelijk beleid
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met ruimtelijke belangen van de verschillende overheden en past binnen het relevante ruimtelijke beleid.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 27 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
4 Omgevingsaspecten Op grond van de Omgevingswet en op basis van jurisprudentie moet de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangetoond. Er moet voor de ontwikkeling worden onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL). In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor deze ontwikkeling relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.1
Archeologie en cultureel erfgoed
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultuurhistorische, archeologische of anderszins waardevolle eigenschappen van het werkingsgebied.
4.1.1
Erfgoedwet en Omgevingswet
De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ontwikkelingen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. Daar moet vervolgens bij het opstellen van ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het maakt ook onderdeel uit van de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Bij een opgraving kunnen de kosten hoog oplopen. Toetsing Ter plekke van het projectgebied geldt in het tijdelijk deel van het omgevingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – lage archeologische verwachting 5’. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,5 m. Het gehele terrein waarop de gemeentelijke opvang voor Oekraïense ontheemden wordt gerealiseerd heeft een totale oppervlakte van circa 18.365 m2. Ten behoeve van het plaatsen van de tijdelijke gebouwen (en daarvoor noodzakelijke fundering), het aanleggen van kabels en leidingen, het aanleggen van verhardingen en de sloop van het bestaande erf wordt grond verstoord. Dit zal geen overschrijding van de drempelwaarde hebben van 10.000 m2 in combinatie met het afgraven van meer dan 0,5 meter beneden (huidige) maaiveld. Een nader archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk zoals ook uit de onderstaande tabel blijkt.
Soort bodemverstoring Bebouwing (inclusief fundering op staal) Weg en parkeren (inclusief riool en sloop) Voetpad Wadi’s Totaal
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Oppervlakte (m2) 1.242 1.693 1.730 1.243 5.908
Pagina 28 van 62
Verstoring > 50 cm t.o.v. maaiveld Gedeeltelijk Ja Gedeeltelijk Nee
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
4.1.2
Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart
Provincies beschikken over hun eigen cultuurhistorische waardenkaarten. Deze laten een breed scala aan cultuurhistorie zien. Meestal belichten ze op hoofdlijnen archeologie, cultuurlandschap en gebouwde monumenten. Welke aspecten zijn uitgelicht en welke keuze zijn gemaakt, verschilt per provincie. Vanwege de gehanteerde schaal zijn provinciale kaarten vaak een stuk nauwkeuriger dan de meeste landelijke overzichten. Hiermee geven ze een gedetailleerd beeld van de cultuurhistorie per provincie, maar laten ook zien welk erfgoed nu juist voor die provincie van belang is. De kaarten zijn digitaal beschikbaar in een GIS-viewer. In het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, worden in de provincie Gelderland ontwikkelingen getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). In de provincie Gelderland zijn twee kaarten beschikbaar: • Kaart historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie; • kaart cultuurhistorie. Toetsing De provinciale cultuurhistorische waardenkaart laat ter plaatse van het projectgebied geen cultuurhistorische waarden zien. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bevat voor het projectgebied geen aanduiding die bescherming van binnen het projectgebied aanwezige cultuurhistorische waarden regelt.
Daarnaast is het projectgebied geen onderdeel van een beschermd stads- of dorpsgezicht en zijn er aangewezen monumenten aanwezig in het projectgebied.
4.1.3
Gemeentelijk archeologisch beleid Duiven
Een visie op het Erfgoed van de gemeente Duiven, 2017-2030 Op 20 maart 2017 heeft de gemeenteraad van Duiven de ‘Visie op het Erfgoed van de gemeente Duiven, 2017-2030’ vastgesteld (nr. 17RB002). Het doel van deze erfgoednotitie is het vaststellen van: • Een visie op het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente en de wijze waarop dit erfgoed kan worden doorgegeven aan de volgende generaties. • Een visie op de wijze waarop dit erfgoed een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Bestemmingsplan Archeologie, gemeente Duiven, 2009 Op 31 mei 2009 heeft de gemeenteraad van Duiven het bestemmingsplan ‘Archeologie’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan regelt voor de verschillende soorten archeologische waardengebieden een onderzoeksplicht vanaf een bepaalde verstoringsoppervlakte en -diepte. De kosten van een archeologisch onderzoek zijn voor rekening van de initiatiefnemer. In sommige gevallen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. In principe kent het onderzoekstraject de volgende opbouw: bureauonderzoek, verkennend veldonderzoek (boren), karterend veldonderzoek (boren), waarderend onderzoek (proefsleuf) en de definitieve opgraving. Afhankelijk van de situatie kunnen sommige stappen worden gecombineerd.
Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Duiven, 2023 Op 23 april 2024 heeft de gemeenteraad van Duiven het bestemmingsplan ‘Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Duiven’ vastgesteld. Met betrekking tot archeologie is er een uitzondering op de vergunningplicht voor archeologisch onderzoek door een erkende archeologische partij opgenomen. Cultuurlandschap / openbaar groen / bomen Op 11 mei 2004 is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Duiven beleid vastgesteld. Dit beleid betreft de notitie ‘De bijzondere bomen van Duiven (2004)’. In het Groenbeleidsplan 20042013 heeft de gemeente besloten om de bijzondere bomen als zodanig in bestemmingsplannen op te nemen. Voor deze bomen(lanen) geldt dan ook een aanlegvergunningenstelsel op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Toetsing Zoals reeds in paragraaf 4.1.1 aangegeven zijn er met de bodemroerende werkzaamheden ten behoeve van het plan geen archeologische waarden in het geding. De drempelwaarden uit het parapluplan worden immers niet overschreden. Daarnaast bevinden zich binnen het projectgebied geen aangewezen bijzondere bomen.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 29 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
4.2
Bedrijfsmatige activiteiten
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen verschillende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies (zoals wonen). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige gebouwen (waaronder woningen) noodzakelijk. De VNG heeft in 2024 een nieuwe handreiking gepubliceerd, namelijk de ‘Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024. Deze milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. Een gemeente beslist zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken (gemeentelijke beleidsvrijheid).
De gemeente dient dit wel op een zorgvuldige wijze af te wegen en te verantwoorden.
4.2.1
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ moet eerst worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Toetsing Het projectgebied bevindt zich centraal in de bebouwde kom van Duiven, ingeklemd tussen de Visserlaan en de spoorlijn Arnhem-Duiven. Zoals toegelicht in paragraaf 4.6 zijn dit akoestisch gezien voor het projectgebied relevante bronnen.
Daarnaast bevindt zich direct ten oosten van het projectgebied een verenigingsgebouw en ten zuiden van de spoorlijn een middelbare school. Ten noorden van de Visserlaan bevindt zich weliswaar een woonwijk met overwegend woonfuncties, maar het projectgebied wordt van deze wijk gescheiden door de wijkontsluitingsweg Visserlaan. Op basis van voorgaande beschrijving van de omgeving van het projectgebied, kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ‘gemengd gebied met wonen’ daar er zowel andere functies dan wonen direct rondom het projectgebied voorkomen en sprake is van relevante verkeersgeluidbronnen direct rondom het projectgebied. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect ‘activiteiten en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNG-handreiking met een afstandsstap verkleind kunnen worden.
4.2.2
Situatie projectgebied
4.2.2.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving (externe werking)? 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe (interne werking)? 4.2.2.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 30 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Toetsing De realisatie van woonruimten voor de opvang van in de gemeente reeds woonachtige Oekraïense ontheemden omvat geen milieubelastende activiteiten die mogelijk tot hinder of gevaar kunnen leiden bij functies in de omgeving. De nieuwe functie is vanuit die optiek bezien passend in de omgeving. 4.2.2.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een tijdelijke opvanglocatie voor de gehele taakstelling van Oekraïense ontheemden in Duiven. Dit betreft een gevoelige functie in het kader van activiteiten en milieuzonering. Hiertoe wordt in beginsel getoetst aan de richtafstanden die horen bij de in de omgeving voorkomende functies. Mocht er sprake zijn van ligging binnen deze richtafstanden, dan dient nader onderzoek verricht te worden naar het betreffende type hinder. Bedrijf en omschrijving
Visserlaan 39 Verenigingsgebouw (planologisch maximaal toegestaan: bedrijf tot en met categorie 2) Saturnus 1-5 Onderwijsinstelling (middelbaar onderwijs) Visserlaan 27 Nutsvoorziening (reinwaterkelder/reservoir)
SBI-2008 Afstanden in meters Geur
Geluid
Grootste afstand (rustige woonwijk)
Werkelijke afstand (m)
50
Grootste afstand (gemengd gebied) 30
94991*
50
50
852
0/10
30
30
10
ca. 110
niet bekend
0/10
0/10
0/10
0/10
ca. 230
ca. 70**
931 0/10 50 50 30 ca. 190 Eltensestraat 4 Sporthal Westsingel 35 931 0/10 50 50 30 ca. 340 Veldsportcomplex (met verlichting) *betreft de SBI-code van een buurt- of clubhuis, de maximaal planologische invulling staat echter een bedrijf tot en met categorie 2 toe. Derhalve is voor de richtafstanden aan deze maximale planologische invulling getoetst. **De aanduiding voor een bedrijf is gelegen ter plekke van het bouwvlak. Er is derhalve gemeten vanaf het bouwvlak tot aan de gevel van de dichtstbijzijnde units. Uit de toetsing aan de richtafstanden van de in de omgeving aanwezige functies blijkt dat de nieuwe gevoelige functies nergens binnen de richtafstanden zullen komen te liggen.
4.3
Duurzaamheid en klimaat
Duurzaamheid is een breed begrip. In een duurzamere wereld wordt gekeken of mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht kunnen zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Om te zorgen voor deze balans heeft Nederland zich geconformeerd aan het Klimaatakkoord, wat heeft geresulteerd in de Klimaatwet (2019). Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen op het gebied van ontwikkeling voor een duurzame en gezondere leefomgeving. Naast het feit dat de gemeente hierin een belangrijke voorbeeldrol en eigen verantwoordelijkheid heeft, wordt het nemen van duurzamere keuzes vooral gestimuleerd en gefaciliteerd.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 31 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
4.3.1
Energietransitie
De huidige samenleving zorgt voor uitputting van de bestaande energiebronnen (fossiel). Met de energietransitie werken we aan een samenleving waarin sprake is van duurzaam opgewekte, hernieuwbare energie. Deze transitie is essentieel om de nationale doelstellingen op het gebied van CO2-reductie te behalen. De Klimaatwet zegt ons dat we 55% CO2 moeten reduceren in 2030 ten opzichte van onze uitstoot in 1990. Ook Duiven/Westervoort moet voldoen aan de landelijke doelstellingen. Naast het gebruik van duurzame energie, draagt het verminderen van energieverbruik (isoleren) ook bij aan het reduceren van CO2-uitstoot. De gemeente beoordeelt (ver-)bouwplannen op hun bijdrage aan de lokale, regionale of nationale duurzaamheidsdoelstellingen. Het absolute minimum staat beschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarin naast eisen ten aanzien van de EPC en geluidisolatie, ook eisen ten aanzien van gasloos nieuwbouwwoningen bouwen zijn opgenomen. Sinds januari 2021 is de BENG-eis ingevoerd (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Voor het bouwen van de verplaatsbare woningen heeft de gemeente duurzaamheidseisen op gesteld: • Biobased massa index van 60% of hoger (exclusief fundering) • netto CO2-opslag minimaal 0 (emissie loos bouwen zonder compensatieprojecten) • constructie uit kruislaaghout (i.v.m.
CO2-opslag, robuustheid en schadevrije verplaatsing gedurende de levensduur) • dampopen bouw (voor een optimaal binnenklimaat) • losmaakbaarheidsindex van 70% of hoger (i.v.m. circulariteit/herbruikbaarheid) • eisen permanente bouw i.p.v. tijdelijke bouw (zodat de verplaatsbare woningen ook later als gewone woningen te gebruiken zijn) • levensduur langer dan 50 jaar (zodat de woningen echt lang meegaan) Toetsing De beoogde woningen worden daarnaast niet aangesloten op het gas, maar draaien volledig op elektriciteit. De bestaande aansluiting (van de voormalig woning) is daartoe niet afdoende. Om die reden is een verzwaring van deze aansluiting aangevraagd. Deze verzwaring kan niet worden gerealiseerd voordat de opvanglocatie in gebruik wordt genomen. Om dit de tussentijd toch te kunnen beschikken over elektriciteit wordt een tijdelijke energievoorziening geplaatst direct aan de oostzijde van de inrit geplaatst. Deze bestaat uit aggregaat dat op biodiesel draait met een tank en een accu. De accu wordt gevoed door zonnepanelen die op de daken van de woonblokken geplaatst. Op de daken worden circa 480 – 500 zonnepanelen geplaatst. Zodra de verzwaarde stroomaansluiting is gerealiseerd, wordt deze tijdelijke situatie opgeheven. In bijlage 3 is een beschrijving van het accusysteem opgenomen met de daarbij behorende veilgheidsspecificaties.
4.3.2
Circulariteit
We streven als gemeente naar het bundelen van onze lokale kennis, technologie en innovaties om zo een meer circulaire lokale economie te krijgen. Een circulaire economie draagt bij aan het hergebruik van materialen, producten en diensten in plaats van de vernietiging daarvan. Het gebruik van biobased producten, gemaakt van hernieuwbare grondstoffen, draagt bij aan circulariteit en een duurzame samenleving. Toetsing De verplaatsbare/modulaire woningen zijn gebaseerd op een innovatieve vorm van houtskeletbouw. Het gebruik van hout in woningen is vanuit circulariteit bezien gewenst, aangezien het een hernieuwbare grondstof betreft.
4.3.3
Klimaatadaptatie
Een veranderd klimaat heeft gevolgen voor de samenleving. Wateroverlast, droogte, hitte en bodemdaling komen in meer of mindere mate regelmatig voor en dat neemt de komende jaren verder toe. Vanuit de landelijke overheid is bepaald dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig moet zijn ingericht. In de ‘Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016’ (NAS), het Nationaal Uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie (NUP KA) en in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt klimaatadaptatie verder uitgelegd. Dit betekent dat onze woningen en de ruimtelijke inrichting aangepast moeten worden zodat ze bestand zijn tegen o.a. hitte, droogte en wateroverlast. Bovendien moet dit ervoor zorgen dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt vergroot. Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 32 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
In 2023 heeft het Rijk de Landelijke maatlat voor een groene gebouwde omgeving opgesteld. De maatlat definieert wat er wordt verstaan onder klimaatadaptief bouwen en wat hiervoor nodig is van overheden, vastgoedeigenaren en de bouwsector. De landelijke maatlat wordt als leidend principe bij ontwikkelingen gehanteerd. Op thema’s waar wij als gemeente al wel een uitwerking hebben op lokaal niveau, gelden de bestaande normen. Verwacht wordt dat bij nieuwe ontwikkelingen de uitkomsten van de stresstesten worden meegenomen bij de planvorming. Hierbij mag de nieuwe ontwikkeling de situatie in het werkingsgebied en omliggend gebied voor de thema’s hitte, droogte, wateroverlast en bodemdaling niet verergeren ten opzichte van de bestaande situatie, en draagt het liefst bij aan de verbetering daarvan. De initiatiefnemer moet aangeven in hoeverre het ontwerp voldoet aan de normen en richtlijnen van de landelijke maatlat (of geldende lokale normen) en welke maatregelen genomen worden om de ontwikkeling klimaatbestendig te maken. Toetsing Door de compacte opzet van het plan wordt het verhard oppervlak binnen het projectgebied zoveel mogelijk beperkt. Uit raadpleging van de klimaateffectatlas blijkt dat het projectgebied in de huidige situatie al weinig hinder ondervindt van het stedelijk hitte eiland effect (zie onderstaande uitsnede).
Door het beperken van verhard oppervlak en behoud van zoveel mogelijk groen op de locatie wordt hittestress in de toekomstige situatie ook tegengegaan.
Uitsnede kaartbeeld ‘stedelijk hitte eiland effect’, projectgebied rood omlijnd (bron: Klimaateffectatlas)
Het projectgebied blijkt daarnaast slechts in beperkte mate hinder te ondervinden van wateroverlast in geval van een toekomstige hevige bui (70 mm in 2 uur). Alleen de ten noorden gelegen bestaande sloot loopt in dergelijke situaties vol. Zoals toegelicht in paragraaf 4.8 van deze ruimtelijke motivering wordt er, omwille van het nieuwe dak- en verhard oppervlak, waterberging op eigen terrein gerealiseerd. Hiermee wordt voorkomen dat in de toekomstige situatie mogelijk wel wateroverlast zou ontstaan bij piekbuien.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 33 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Uitsnede kaartbeeld ‘waterdiepte bij hevige bui (70 mm in 2 uur), projectgebied rood omlijnd (bron: Klimaateffectatlas)
Tot slot wordt op het thema ‘overstromingsgevaar’ in paragraaf 4.6.7 van deze ruimtelijke motivering ingegaan.
4.4
Gezondheid
Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. De Omgevingswet beoogt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, het bereiken van een goede omgevingskwaliteit en het in stand houden daarvan (zie de maatschappelijke doelen van de wet in paragraaf 1.2 van deze motivering). Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), elkaar ontmoeten, ontspannen, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid), klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitte- en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen. Toetsing In het ontwerp is op een aantal punten rekening gehouden met een gezonde fysieke leefomgeving; door het situeren van de verblijfsgebouwen parallel aan het spoor en zover mogelijk van het spoor is bij nagenoeg alle eenheden sprake van een geluidluwe gevel en een zo minimaal mogelijke gevelbelasting vanwege het geluid vanaf het spoor. Daarnaast biedt het terrein de ruimte om, in tegenstelling tot enkele van de huidige noodopvangvoorzieningen, in groen en speelruimte te voorzien.
Een groene leefomgeving zorgt eveneens voor positieve gezondheidseffecten. De keuze voor de locatie mede ingegeven vanwege de centrale ligging van het terrein in de kern Duiven; dit biedt bewoners van de locatie de mogelijkheid om zich actief in de maatschappij te mengen. Hetzelfde geldt voor de nabijheid van sport- en onderwijsvoorzieningen, die allen op fietsafstand van het projectgebied zijn gelegen. In paragraaf 4.6 van deze ruimtelijke motivering worden diverse milieuaspecten beschreven die van invloed zijn op thema gezondheid. In deze paragraaf komen onder meer, geluid, luchtkwaliteit, geurhinder, veiligheid en trillingen aan bod. Een aantal van deze aspecten zijn nader onderzocht. De conclusies uit deze onderzoeken worden in die paragraaf besproken. Hieruit blijkt dat sprake is van aanvaardbare situatie ten aanzien van het woon- en leefklimaat. Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 34 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Gewasbeschermingsmiddelen Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. De gronden ten noordwesten van het besluitgebied kennen weliswaar een agrarische bestemming, maar uit digitaal raadpleegbare data1 blijkt dat deze percelen blijvend in gebruik zijn als grasland. Er worden en zullen ter plaatse geen gewassen worden verbouwd waarvoor gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor de gezondheid van de toekomstige bewoners van de locatie. Geconcludeerd wordt dat in het ontwerp op verschillende punten rekening is gehouden met een gezonde fysieke leefomgeving.
4.5
Landschap en stedenbouw/welstand
In dit deel van het hoofdstuk wordt duidelijk wat de ruimtelijke impact is op de omgeving, hoe er getracht is de ontwikkeling in te passen in de omgeving en welke belangenafweging is gemaakt.
4.5.1
Landschappelijke inpassing
Het projectgebied is reeds omringd door een bestaande bomenrij langs de Welleveldsestraat en de Visserlaan ten noorden en een houtwal langs de spoorlijn ten zuiden. Beide groenelementen blijven in de toekomstige situatie gehandhaafd. Verder is er in het ontwerp ruimte gereserveerd voor groenvoorzieningen. Het aanplanten van nieuwe bomen binnen het projectgebied is in beginsel niet aan de orde omwille van de tijdelijkheid. Met het oog op toekomstige woningbouw op de locatie is het niet wenselijk om bomen aan te planten die in de toekomst mogelijk moeten wijken voor nieuwe plannen. Wél wordt er terughoudend omgegaan met het verwijderen van bestaand groen, aansluitend op het gemeentelijk beleid. Er zal één boom in de rij ten oosten van de oostelijke woonblokken moeten worden gekapt, evenals een klein deel van de groenstrook langs het verenigingsgebouw aan de oostgrens (ten behoeve van de hier te realiseren calamiteitenontsluiting). Het groen (opslag) tussen de Visserlaan en het grasland is natuurlijk ontstaan vanuit de sloot. Het groen staat bij het gemeentelijk beheer als sloot en bermen geregistreerd. Om de waterafvoer te borgen moet het op korte termijn worden verwijderd. Ook is er overgroei richting wegprofiel, hetgeen de verkeersveiligheid niet ten goede komt.
4.5.2
Stedenbouwkundige inpassing
In het ontwerp is uitgegaan van een compacte opstelling van de bebouwing, om het bebouwd oppervlak en de effecten daardoor op de omgeving te beperken. In de situering van de gebouwen is met name rekening gehouden met beperkingen vanwege het spoor (o.a. trillingen en geluid), waardoor de bebouwing zo ver mogelijk van het spoor is geplaatst. Door het behoud van het bestaande groen rond de Welleveldsestraat en Visserlaan blijft een groene buffer tussen Visserlaan en projectgebied behouden. In paragraaf 2.3 is een toelichting op het inrichtingsplan opgenomen.
4.5.3
Welstandsnota
In 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Duiven de nieuwe welstandsnota vastgesteld. In deze welstandsnota is het kader voor de ruimtelijke kwaliteit van bouwwerken in de gemeente Duiven neergelegd. Doel van de nota is het waarborgen van deze ruimtelijke kwaliteit als publiek belang. Daarbij is een afweging gemaakt in hoeverre burgers vrijheid krijgen om te bouwen en in hoeverre de gemeente zelf regie neemt door het stellen van regels voor ruimtelijke kwaliteit. Toetsing Vanwege de tijdelijkheid van het project is een nadere toets aan de welstandseisen niet noodzakelijk. Wel wordt opgemerkt dat bij de keuze van de type woningen rekening is gehouden met een geveluitstraling die passend is in de omgeving en meer kwaliteit uitstraalt dan bij reguliere tijdelijke units. 1 Atlas Natuurlijk Kapitaal, kaartbeeld ‘Producerende diensten; gewaspercelen’ d.d. 7 november 2025.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 35 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
4.5.4
Schaduwwerking en daglichttoetreding
Schaduwwerking Het project voorziet in de bouw van bebouwing bestaande uit 2 bouwlagen. Er is daarmee geen sprake van hoogbouw met potentieel schaduwwerking tot gevolg in de omgeving. Daglichttoetreding In Nederland zijn er ten aanzien van bezonning geen wettelijke normen vastgesteld. Wel accepteert de rechtspraak het toepassen van de ‘lichte’ of de ‘strenge’ TNO-norm. De lichte norm vereist in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober, minstens twee bezonningsuren per dag in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. De strenge norm vereist in de periode van 21 januari tot en met 22 november, minstens drie bezonningsuren per dag in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Toetsing In het kader van de omgevingsvergunning activiteit bouwen is nader onderbouwd dat er in de verplaatsbare woningen voldaan wordt aan voldoende daglichttoetreding conform de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.
4.5.5
Privacy
In het Burgerlijk Wetboek artikel 50 lid 1 is opgenomen dat het niet geoorloofd is binnen twee meter van de erfgrens ramen, muuropeningen, balkons of andere soortgelijke werken te hebben die uitzicht geven op een naastgelegen erf. Alle bouwwerken moeten voldoen aan deze wettelijke eis. Toch kan het voorkomen dat er door een ontwikkeling wijzigingen op het gebied van privacy plaatsvinden. Met een privacy-studie wordt onderzocht of onevenredige aantasting kan plaatsvinden door zicht vanuit het werkingsgebied op bestaande (woon)percelen. Daarbij wordt opgemerkt dat enig verlies van privacy niet altijd betekent dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er wordt ook gekeken naar de omgeving, zoals de bouwhoogtes van omliggende panden, de stedelijkheid van het gebied en het type activiteit die plaatsvindt op omliggende percelen en de voorziene activiteit bij de ontwikkeling. Toetsing In de directe omgeving van de beoogde woongebouwen bevinden zich geen bestaande gebouwen die mogelijk te maken krijgen met beperking van hun privacy ten gevolge van de bouw van de woongebouwen. De dichtstbijzijnde woningen aan de noordzijde van de Visserlaan liggen op circa 50 meter van het projectgebied en worden ervan gescheiden door groen en erfafscheidingen aan de achterzijde van de tuinen.
4.5.6
Windhinder
Windhinder treedt op rond hoge gebouwen. Hier is sprake van verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn. Dit geldt ook voor de buitenruimten van het te realiseren gebouw, zoals balkons. Door onderzoek (computeranimatie of windtunnelonderzoek) kan vooraf worden vastgesteld of bij een bepaald stedenbouwkundig ontwerp windhinder of windgevaar zal optreden. Ook kan bekeken worden welke maatregelen mogelijk zijn om windhinder te voorkomen of te beperken. Toetsing De woonblokken bestaan uit twee bouwlagen. Hiermee is geen sprake van hoogbouw waardoor er mogelijkerwijs windhinder ontstaat in de omgeving.
4.6
Milieu
Op basis van paragraaf 5.1.4 Bkl houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu. In deze paragraaf van de ruimtelijke motivering wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met deze onderwerpen.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 36 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
4.6.1
M.e.r.-regelgeving
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: • Een oppervlakte van 100 hectare of meer, • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1, Ow).
In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). Toetsing Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het project aan de Welleveldsestraat 2 heeft mogelijk betrekking op een activiteit die voorkomt in kolom 3 van bijlage V van het Omgevingsbesluit; het kan immers de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject [J11] betreffen. Voor m.e.r.-plicht zijn drempelwaarden vastgesteld in kolom 2. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: • Een oppervlakte van 100 hectare of meer, • een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of, • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In hoeverre voorliggend project valt te kwalificeren als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie J11, kan niet generiek worden beantwoord. Jurisprudentie biedt wel aanknopingspunten die gebruikt kunnen worden of er al dan niet sprake zal zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject. Onderstaand wordt betreffende jurisprudentie beknopt uiteengezet.
Volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2414) hoeft een wezenlijke wijziging niet per definitie aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het begrip laat ruimte voor afweging en interpretatie en is afhankelijk van situatiespecifieke kenmerken; onder meer de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling spelen een belangrijke rol bij het bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Hierbij is niet doorslaggevend of er sprake is van aanzienlijke negatieve milieugevolgen (ECLI:RVS:2017:694 en ECLI:RVS:2018:348). In aanvulling hierop geldt wel dat het volgende kan worden meegenomen in de afweging of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: • Beperkte milieugevolgen van een project (ECLI:NL:RBOBR:2017:5778); • wel/geen sprake van een functiewijziging (ECLI:NL:RVS:2018:348); • toename in bebouwd oppervlak (ECLI:RVS:2018:1297). In onderhavige situatie wordt voorzien in de realisatie van een tijdelijke opvang voor binnen de gemeente reeds woonachtige Oekraïense ontheemden, waarbij 48 verplaatsbare woningen, parkeer- en groenvoorzieningen en een tijdelijke energievoorziening worden gerealiseerd.
Functioneel is dit project niet passend binnen de kaders van het omgevingsplan die gelden voor het projectgebied; voor het grootste deel van het projectgebied geldt immers de enkelbestemming ‘Agrarisch’ waarbinnen de realisatie van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van een tijdelijke opvang en het gebruik van de Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 37 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
gronden zelf ten dienste van die functie niet rechtstreeks is toegestaan. Er wordt hiermee voorzien in nieuw planologisch ruimtebeslag voor wat betreft de functie voor een tijdelijke opvang. Een planologische uitbreiding aan toegestane bebouwing is eveneens aan de orde; het realiseren van 48 verplaatsbare woningen op de locaties zoals aangegeven in het ontwerp past niet binnen de bouwregels van het omgevingsplan voor deze locatie. In feitelijke zin is er daarmee sprake van een uitbreiding aan bebouwing. Hiermee is het aannemelijk dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie [J11]. Daarom moet beoordeeld worden of er voldaan wordt aan de drempelwaarden, waarboven een formele project-m.e.r.-plicht van toepassing is. De oppervlakte van het projectgebied als geheel ligt ver beneden de genoemde drempelwaarde van 100 hectare. Ook worden er niet meer dan 2.000 woningen gerealiseerd noch is er sprake van uitbreiding van bedrijfsvloeroppervlakte met meer dan 200.000 m2. In beginsel is daarom geen sprake van een formele project-m.e.r.plicht. Niettemin kunnen ook kleinere projecten wezenlijke gevolgen hebben voor het milieu. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten zorgvuldig afgewogen.
Uit de afweging is gebleken dat er geen negatieve milieueffecten zijn te verwachten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet aan de orde is. Het potentiële effect door de voorgenomen ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een m.e.r. voor de aangevraagde activiteit noodzakelijk maakt.
4.6.2
Geluid
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels.
In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Ten gevolge van artikel 11.52 van het Bkl zijn in principe alle wegen in Nederland voorzien van een geluidaandachtsgebied. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt en woonerven. Als een geluidsaandachtsgebied geheel of gedeeltelijk binnen het werkingsgebied valt, moet bij de onderbouwing van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige functies, waaronder woningen. Dit geldt eveneens als de BOPA de aanleg van een nieuwe gezoneerde weg mogelijk maakt. Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen.
Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 38 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Toetsing Wegverkeer- en spoorweglawaai Het projectgebied ligt tussen de spoorlijn Arnhem-Duiven en de Visserlaan. Om die reden is er, in het kader van de ETFAL-afweging, een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de relevante verkeersbronnen rondom het projectgebied. Het rapport is als bijlage 4 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen. Uit de rekenresultaten volgt dat de hoogste gevelbelasting van de verplaatsbare woningen binnen het projectgebied 63 dB bedraagt (ten gevolge van geluid vanaf het spoor). Ook het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 63 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 55 dB overschreden. Ten aanzien van het gemeentelijk geluidbeleid wordt opgemerkt dat het projectgebied is gelegen in de ‘spoorzone Duiven’. Hier wordt de categorie ‘lawaaiig’ als bovengrens gehanteerd voor het gewenste geluidsniveau. De categorie ‘lawaaiig’ stelt voor het projectgebied daarmee een grenswaarde van 68 dB vast voor railverkeer. De maximale geluidbelasting blijft derhalve wél onder de gemeentelijke grenswaarde uit het geluidbeleid.
Maatregelenafweging Om tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te komen dienen maatregelen afgewogen te worden. Maatregelen aan de bron (aanpassingen aan het spoor en gemeentewegen) worden vanuit financieel oogpunt niet doelmatig geacht in verhouding tot de korte duur van de opvanglocatie. Overdrachtsmaatregelen, in de vorm van geluidsschermen, worden om financieel oogpunt niet doelmatig geacht. De tijdelijke verplaatsbare woningen kennen een instandhoudingstermijn van 5 jaar. De gemeente Duiven heeft voor de langere termijn erna woningbouwplannen op deze locatie. De benodigde schermen voor de tijdelijke verplaatsbare woningen zijn mogelijk niet geschikt voor de later te bouwen woningen op deze locatie of passen niet bij het te zijner tijd te ontwikkelen plan voor de locatie. De realisatie en instandhouding van geluidschermen voor een termijn van ten hoogte 5 jaar is vanuit financieel oogpunt niet doelmatig. De schermen zullen tevens een substantiële hoogte moeten hebben en zijn vanuit die optiek stedenbouwkundig onwenselijk. De derde categorie betreffen maatregelen bij de ontvanger. In de gevels van de te plaatsen tijdelijke verplaatsbare woningen kunnen isolerende maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting in de verblijfsruimten tot een acceptabel niveau te brengen.
Voor tijdelijke bouwwerken met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar biedt het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.109) de mogelijkheid om een binnenniveau van 10 dB hoger dan de standaardbinnenwaarde (33 dB) acceptabel te achten. De beoogde verplaatsbare woningen binnen het projectgebied kennen een maximala instandhoudingstermijn van 5 jaar. In onderhavige situatie betekent dit, dat de hoogst belaste gevels 24 dB moeten isoleren uitgaande van gebruikmaking van de verruiming uit artikel 4.109 Bbl. Het Bbl stelt voor nieuwbouw in de basis een gevelwering van 20 dB verplicht. Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de aanvullende 4 dB isolatie toepasbaar zal zijn in de tijdelijk te plaatsen verplaatsbare woningen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen (technisch) zal middels onderzoek naar de geluidwering van de gevels worden vastgesteld middels welke voorzieningen en isolatiewaarden voldaan zal worden aan voornoemde eis voor de gevelwering. Geluidluwe gevels Uit de berekening van het gecumuleerde geluid op de gevels van de tijdelijke verplaatsbare woningen blijkt dat nagenoeg alle units beschikken over een geluidluwe gevel. Vanwege de opvangfunctie is er geen sprake van woninggebonden, private buitenruimtes bij de verplaatsbare woningen, maar centrale recreatieve voorzieningen.
Een private, geluidluwe buitenruimte is in dit ontwerp derhalve niet aan de orde. Alternatieve indeling projectgebied en zwaarwegend maatschappelijk belang Om tot een betere geluidssituatie te komen, kan tevens overwogen worden om een andere positionering van gebouwen te kiezen. Het verder van de geluidsbron plaatsen van de bebouwing binnen het perceel biedt in deze situatie geen uitkomst. Het projectgebied is langgerekt en gelegen tussen de spoorlijn Arnhem-Duiven Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 39 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
en de Visserlaan, welke beide voor het plan relevante geluidsbronnen vormen. De herpositionering van de gebouwen op het terrein leidt daarmee niet tot een verbetering van de geluidssituatie ter plaatse. Industrielawaai Direct ten oosten van het projectgebied is een verenigingsgebouw gesitueerd. Planologisch kent dit perceel de enkelbestemming ‘Bedrijf’ met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ ter plaatse van het bouwvlak. Uitgaande van zowel de huidige invulling van het pand, als de maximaal planologische invulling (zoals ook toegelicht in paragraaf 4.2 van deze ruimtelijke motivering) zal er geen sprake zijn van mogelijke geluidhinder ter plekke van de beoogde verplaatsbare woningen binnen het projectgebied. Ook de ten zuiden gelegen middelbare school aan Saturnus 1 leidt, zoals blijkt uit toetsing aan de richtafstanden voor deze functie, niet tot geluidhinder bij de beoogde verplaatsbare woningen. Verder zijn er geen functies of bedrijven met milieubelastende activiteiten in de directe omgeving gesitueerd die mogelijk voor geluidhinder kunnen zorgen. Nader onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet benodigd.
4.6.3
Luchtkwaliteit
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het opstellen van een ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5 titel 5.2. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.
In het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) en de daarop gebaseerde Regeling Niet In Betekenende Mate (luchtkwaliteitseisen) is geregeld welke activiteiten niet meer getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Leidt de activiteit tot een verhoging van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen, dan zal moeten worden aangetoond dat dit niet tot gevolg heeft dat de omgevingswaarden worden overschreden. Om dit te bepalen is naast de verhoging ook de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen nodig. Deze zijn vindbaar in de Atlas Leefomgeving. Bij overschrijding van de omgevingswaarden, zal de omgevingsvergunning worden geweigerd.
Toetsing Met het huisvesten van de gehele gemeentelijke taakstelling voor Oekraïense ontheemden binnen het projectgebied wordt een ontwikkeling gerealiseerd die valt binnen de categorieën van gevallen uit artikel 5.54 Bkl; de drempelwaarde voor het aantal woningen met een enkele dan wel dubbele ontsluitingsweg wordt immers niet overschreden. De beoogde wijziging in gebruik draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Omgekeerd kan worden gesteld dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen objecten zijn gelegen welke de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren. Voor de beoogde opvang dient ook sprake te zijn van een goede luchtkwaliteit ter plekke van het projectgebied. Hiervoor is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd. Het project-gebied is niet gelegen in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. De dichtstbijzijnde receptoren voor het meten van de luchtkwaliteit vanuit CIMLK bevinden zich aan de N810 op circa 1,6 kilometer ten noorden van het projectgebied. De concentraties NO2 PM10, PM2,5 en EC ter Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 40 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt bedragen respectievelijk 13,6 microgram/m3, 15,3 microgram/m3, 8,6 microgram/m3 en 0,21 microgram/3. Hiermee worden geen grenswaarden voor de genoemde stoffen overschreden. Derhalve kan worden geconcludeerd dat ter plekke van het projectgebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft de luchtkwaliteit.