201714764-Ruimtelijke motivering Welleveldsestraat 2 Duiven (17-11-25)
Tekst van het document
4.6.4
Geur
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Toetsing De dichtstbijzijnde veehouderij, volgens het omgevingsplan van rechtswege van gemeente Duiven, is gesitueerd aan de Heilweg 5a op circa 800 meter ten zuiden van het projectgebied. Het omgevingsplan staat op deze plek een intensieve veehouderij toe, echter volgt uit raadpleging van de Kernregistratie Dierverblijven dat er ter plekke geen veehouderij (meer) actief is. Hiertoe vormt deze locatie vanuit het oogpunt van geurhinder geen belemmering voor de tijdelijke opvang.
Op circa 320 meter ten westen van het projectgebied is aan de Horsterparklaan 2 een kinderboerderij gevestigd. Dit betreft formeel geen veehouderij, maar deze activiteit kan wel geurhinder veroorzaken. Voor kinderboerderijen geldt in beginsel een geurcontour van 30 meter. Gezien de afstand tussen projectgebied en kinderboerderij zal ook dit geen belemmeringen opleveren. Tot slot zijn er ook geen bedrijven of andere functies met geurhinder veroorzakende activiteiten in de omgeving van het projectgebied aanwezig. Omgekeerd omvat de tijdelijke opvangfunctie ook geen geurhinder veroorzakende activiteiten die voor hinder bij geurgevoelige functies in de omgeving kunnen zorgen.
4.6.5
Bodem
Het is het belangrijk om bij ontwikkelingen rekening te houden met de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie of de financiële haalbaarheid. Bij een (interne) functiewijziging naar een gevoeligere functie dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit past bij de beoogde functie. Indien de bodemkwaliteit mogelijke leidt tot gezondheidsrisico’s voor de gebruikers, zullen deze risico’s moeten worden weggenomen. Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 41 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
De Omgevingswet stelt kaders aan de aanvaardbaarheid van bodemverontreinigingen. De volgende uitgangspunten overheersen: • Het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen functie; • het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; • het wegnemen van actuele risico's. Ten behoeve van ontwikkelingen dient ten minste een historisch onderzoek conform de NEN 5725 te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op bodemverontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Toetsing Ten behoeve van de realisatie van de tijdelijke opvanglocatie voor Oekraïense ontheemden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. De uitkomsten van dit onderzoek zijn hieronder beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 5 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen. Vooronderzoek Op basis van het historisch onderzoek kan het projectgebied in twee deellocaties worden verdeeld. De eerste deellocatie betreft het bestaande erf Welleveldsestraat 2.
Deze deellocatie betreft op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken een verontreinigde locatie waarvan bekend is dat er twee spots met een sterke koperverontreiniging aanwezig zijn: één van 15 m3 aan de zuidwestzijde van de locatie en één van nog onbekende omvang aan de noordzijde van de deellocatie. Daarnaast zijn er verhoogde waarden PAK, cadmium en zink op de gehele deellocatie aangetoond. De tweede deellocatie betreft het overige terrein binnen het projectgebied; de weilanden ten westen, zuiden en oosten van het erf. Voor deze deellocatie wordt de hypothese ‘Onverdacht’ gehanteerd met de strategie ‘onverdacht grootschalige locatie’ conform de NEN 5740. Veldonderzoek Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem op de locatie tot 0,50 m-mv afhankelijk van het boorpunt bestaat uit sterk zandig, matig humeus klei of matig silitig, matig kleihoudend, zeer fijn zand. Vanaf 0,50 tot ca. 1,50 wordt over het algemeen een matig siltige kleilaag aangetroffen. Daaronder wordt een zwak silitige, matig fijne zandlaag aangetroffen. Deze zandlaag wordt op sommige locaties onderbroken van 2,00 tot 2,80 m-mv door een zwak zandige veenlaag. Het grondwater is aangetroffen op dieptes tussen de 1,45 en 2,20 m-mv.
Zintuiglijk zijn er op het woonerf veel verschillende bijmengingen de bovengrond aangetroffen: metaal, kolengruis, baksteen, beton en glas zijn in verschillende gradaties in de bodemlagen aanwezig. In één boring is zintuiglijk sterk puinhoudend zand aangetroffen. In overleg met de opdrachtgever is besloten om een verkennend asbestonderzoek uit te voeren op de locatie waar deze bijmengingen in de grond voorkomen. Er is ingeschat dat het betegelde deel tussen het woonhuis en het kippenhok ten zuiden hiervan de omvang van puinbijmenging behelst. Deze deellocatie heeft een oppervlak van ca. 40 m2. Voor deze deellocatie is de strategie Verdachte locatie. diffuus belaste locatie, heterogeen verdeelde asbestverontreiniging (VED-HE) conform de NEN5707 gehanteerd. Onderzoeksresultaten grond Actualisatie verontreiniging noordzijde • In de onderzochte monsters van boorpunt A01, A02 en A04 overschrijdt het gemeten gehalte koper interventiewaarde. Deze monsters zijn indicatief getoetst en beoordeeld als bodemkwaliteitsklasse ‘Sterk verontreinigd’ vanwege het gehalte koper. • In de overige monsters in en nabij de in het vooronderzoek bepaalde verontreinigingscontour zijn geen van de onderzochte componenten aangetroffen in gehalten boven de interventiewaarden. Deze monsters zijn indicatief getoetst en variëren van bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’ tot ‘Landbouw/natuur’.
• De koperverontreiniging aan de noordzijde is geactualiseerd. De verontreiniging heeft een geschatte oppervlakte van 133 m2 voor een totale omvang van 200 m3.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 42 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Actualisatie verontreiniging zuidzijde • In het onderzochte monster van de bovengrond van boorpunt A09 overschrijden de gemeten gehaltes koper en zink de interventiewaarde. Dit monster is indicatief getoetst en beoordeeld als bodemkwaliteitsklasse ‘Sterk verontreinigd’ vanwege het gehalte koper en zink. • In de overige monsters in en nabij de in het vooronderzoek bepaalde verontreinigingscontour zijn geen van de onderzochte componenten aangetroffen in gehalten boven de interventiewaarden. Deze monsters zijn indicatief getoetst en voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. • De koper- en zinkverontreiniging aan de zuidzijde is geactualiseerd. De verontreiniging heeft een geschatte oppervlakte van 12 m2 voor een totale omvang van 4 m3. Bestaande erf • In de onderzochte mengmonster van de overige locaties op het woonerf, niet nabij de verontreinigingscontouren, zijn geen van de onderzochte componenten aangetroffen in gehalten boven de interventiewaarden of met een index-waarde ≥ 0,5. • Deze mengmonsters zijn indicatief getoetst en voldoen allen aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’ vanwege de aangetoonde gehalten van nikkel, koper, zink en/of PCB som 7. Overige terrein • In de onderzochte boven- en ondergrond van het overige terrein is geen van de onderzochte componenten aangetroffen in gehalten boven de interventiewaarden of met een index-waarde ≥ 0,5.
• Alle onderzochte mengmonster van de boven- en ondergrond van het overige terrein voldoen indicatief aan de klasse ‘Landbouw/natuur’. Onderzoeksresultaten grondwater In de grondwatermonsters zijn geen van de onderzochte componenten aangetoond in concentraties boven de signaleringsparameters of met een indexwaarde > 0,5. Onderzoeksresultaten asbest In de grondmonsters uit de deellocatie ten zuiden van het woonhuis is geen asbest aangetoond (max. <0,3 mg/kg d.s.). Op basis van het aantonen van geen asbest in de grond dient de hypothese Verdachte bovengrond formeel verworpen te worden. Advies De deellocatie ‘Bestaande erf’ is op basis van bovenstaande analyseresultaten niet geschikt voor het gebruik ten behoeve van de tijdelijke opvang. De gemeente Duiven heeft er voor gekozen om vooruitlopend op het uitvoeren van de werkzaamheden ten behoeve van de realisatie de sanering van de aangetroffen verontreiniging uit te voeren. Op deze manier kunnen grondwerkzaamheden veilig worden uitgevoerd en is de deellocatie geschikt voor de beoogde opvang- en toekomstige woningbouwfunctie. De deellocatie ‘overige terrein’ is op basis van bovenstaande analyseresultaten geschikt voor de beoogde functie.
Conclusie De aangetroffen verontreinigingen ter plaatse van de deellocatie ‘bestaand erf’ worden gesaneerd tot op maaiveld en voorafgaand aan herontwikkeling van deze locatie, zodat deze geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor de overige terreindelen geldt dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6.6
Ontplofbare oorlogsresten
Als gevolg van oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog kunnen ontplofbare oorlogsresten zijn achtergebleven. Een ‘verdacht gebied’ is een gebied met een verhoogde kans op nog aanwezige ontplofbare oorlogsresten. Op basis van de Arbowetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico’s voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden in kaart te worden gebracht waarbij de risico’s zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. In het geval van grondroerende werkzaamheden dient het opsporingsgebied te worden onderzocht volgens de in het CS-OOO gestelde eisen om eventuele risico’s van het ongewenst tot uitwerking komen van de ontplofbare oorlogsresten zoveel mogelijk uit te sluiten.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 43 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Toetsing Ten behoeve van de realisatie van de tijdelijke opvanglocatie voor Oekraïense ontheemden is een onderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. De uitkomsten van dit onderzoek zijn hieronder beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 6 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen. Als gevolg van veelvuldige artilleriebeschietingen door Canadese troepen in de periode november 1944 – april 1945 geldt het gehele projectgebied als verdacht op verschoten geschutmunitie met kalibers van 25 ponder, 3.7 inch en 4.2 inch. Deze ontplofbare oorlogsresten kunnen worden aangetroffen tot een diepte van maximaal circa 2.00m-MV ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, ofwel circa 7.80m+NAP. Advies Geadviseerd wordt voorafgaande aan het uitvoeren van de geplande werkzaamheden in verdacht gebied een opsporingsproces conform het CS-OOO uit te voeren indien werkzaamheden plaats gaan vinden binnen de verdachte, niet-naoorlogs geroerde laag. Dit radardetectie onderzoek wordt in november 2025 uitgevoerd.
4.6.7
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico (GR) is sprake van 'aandachtsgebieden'.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als de ontwikkeling ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de Ow optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 44 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Naast de hiergenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen (par. 5.1.2.3 Bkl); • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik(par. 5.1.2.4 Bkl); • veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Toetsing Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van omgevingsveiligheid onderzocht: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen; • transport over weg, water en spoor; • hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen.
Uitsnede risicokaart, projectgebied rood omlijnd (bron: Atlas Leefomgeving) In de landelijke risicokaart behoort de spoorweg aan de zuidzijde van het projectgebied tot het Basisnet spoor, waarover gevaarlijke stoffen vervoerd mogen worden. Over het projectgebied zijn zowel een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied als gifwolkaandachtsgebied gelegen. Het brandaandachtsgebied kent een breedte van 30 meter vanuit het hart van de spoorlijn, het explosieaandachtsgebied reikt tot 200 meter vanuit het hart van de spoorlijn. Verder zijn ten westen van het projectgebied drie aardgastransportleidingen gelegen (A-663, A-507 en A-505). Deze zijn gelegen op een afstand van circa 900 meter ten westen van het projectgebied. De buisleidingen kennen een brandaandachtsgebied van ongeveer 550 meter en hebben geen PR10-6 contour, explosieaandachtsgebied of gifwolkaandachtsgebied. Het projectgebied is derhalve niet gelegen binnen de risicocontouren of aandachtsgebieden van deze leidingen. Verantwoording groepsrisico Als bijlage 7 bij de ruimtelijke motivering is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen omwille van de ligging van het projectgebied binnen de aandachtsgebieden van de ten zuiden gelegen spoorlijn behorende tot het Basisnet. Hieronder is de verantwoording beknopt omschreven.
Element a en b: afstand houden en beperken aantal aanwezige personen Het projectgebied betreft een langgerekt perceel langs het spoor. Binnen het projectgebied afstand houden is slechts in zeer beperkte mate mogelijk. De keuze voor deze locatie is ingegeven vanwege het spoedeisend Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 45 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
belang. De bestaande noodopvanglocaties sluiten op korte termijn, waardoor er behoefte is aan een nieuwe opvanglocatie. Het projectgebied is beschikbaar en biedt ruimte om te voorzien in de opvangcapaciteit die gemeentebreed benodigd is. Hierdoor kan ook het aantal aanwezige personen (zijnde de actuele benodigde aantallen opvangplekken binnen gemeente Duiven) niet worden beperkt. Meer afstand houden is een effectieve veiligheidsmaatregelen. Op grote afstand van de risicobron is minder aanvullende bescherming nodig dan dichtbij. Zowel de kans dat een plek wordt getroffen als de impact nemen af wanneer de afstand toeneemt. Voor het plangebied zijn het brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied relevant. Dit betekent dat aanwezige personen kunnen komen te overlijden door een fakkelbrand, explosie (gaswolkexplosie en BLEVE) of een giftige wolk. Door afstand te houden kunnen grote gevolgen worden voorkomen. Gezien de beperkte ruimte van het perceel worden de verblijfsobjecten buiten het brandaandachtsgebied geplaatst, echter blijven de meeste units volledig in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied gelegen. Dit zorgt ervoor dat aanwezige personen alsnog kunnen komen te overlijden door een explosie. Element c: voldoende vlucht- en schuilmogelijkheden In het ontwerp is rekening gehouden met het ‘van de bron af’ positioneren van in- en uitgangen.
De dichtstbijzijnde units hebben een in- en uitgang die van de spoorlijn af is gekeerd. Daarnaast wordt voorzien in meerdere vluchtroutes op het terrein. De toegangsweg van het bestaande erf Welleveldsestraat 2 dient als vluchtroute, evenals de beoogde calamiteitenontsluiting aan het perceel van het verenigingsgebouw ten oosten van het projectgebied. Daarnaast is er ruimte voor ‘’voetgangersbruggen’’ over de sloot aan de noordzijde om het projectgebied te verbinden met de Welleveldsestraat, in geval de toegang via het bestaande erf in gebruik is door hulpdiensten. Daarnaast zal het, onder meer vanwege de mogelijke taalbarrière die er bestaat, noodzakelijk zijn om helder te communiceren over deze veilige vluchtroutes en te oefenen met verschillende scenario’s. Element d: bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen Vanuit het oogpunt van bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen worden de volgende maatregelen getroffen: • Tweezijdige bereikbaarheid: dit wordt gerealiseerd door een aanrijroute vanaf de Visserlaan via het bestaande erf (waar de bestaande bebouwing gesloopt zal worden) en een aanrijroute via het terrein van het verenigingsgebouw aan de oostzijde van het projectgebied. De andere zijde van het spoor is bereikbaar via de Westsingel of Parallelweg.
• De aanwezigheid van opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen conform de Handreiking bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid. • Separate vluchtroutes voor bewoners, gescheiden van aanrijroutes. Ook zijn twee loopbruggetjes mogelijk aan de zijde van de Welleveldsestraat. • Het inrichten van de wegen op het terrein, zodanig dat de benodigde as-last en breedte van de voertuigen van de hulpdiensten worden ondersteund. • Aanleg van extra blusvoorzieningen zoals geboorde putten met een capaciteit van minimaal 120 m 3/u. Element e: aanvullende risicocommunicatie Geadviseerd wordt om een BHV- en calamiteitenplan (incl. risicocommunicatieplan) op te stellen voor de toekomstige bewoners (in zowel Nederlands, Oekraïens als Engels). Het plan dient besproken en beoefend te worden met toekomstige bewoners. Er wordt door de gemeente Duiven een BHV- en calamiteitenplan opgesteld. Hier staan onder andere maatgevende scenario’s in en een risicocommunicatieplan. Het plan wordt geschreven in het Nederlands, Oekraiens en Engels, zodat het plan voor iedereen duidelijk is en handelingsperspectieven duidelijk zijn voor alle mensen. Naast dat dit plan beschikbaar is, wordt dit plan ook besproken met de toekomstige bewoners van de verblijfsobjecten. Daarnaast dient er geoefend te worden, zodat mensen bewust worden van de mogelijke handelsperspectieven.
Element f: meerwaarde aanvullende bouwmaatregelen De beoogde gebouwen binnen het projectgebied worden niet aangemerkt als zeer kwetsbare gebouwen waarvoor conform artikel 5.14 Bkl een voorschriftengebied vastgesteld dient te worden. Ondanks dit feit is overwogen om, met het oog op de borging van een zo veilig mogelijke leefomgeving, bouwkundige maatregelen aan de gebouwen (conform artikelen 4.91 t/m 4.96 Bbl) toe te passen. Echter omdat geen voorschriftengebied is Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 46 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
aangewezen op de planlocatie en extra bouwkundige maatregelen als explosiewerend glas en blinde gevels onevenredig veel kosten met zich meebrengen is hiervan afgezien. Aangezien het afsluitbaar maken van automatische ventilatie een standaard bouwkundige eis is in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl art. 4.124 vierde lid) is het – anders dan risicocommunicatie – niet nodig aanvullende maatregelen te treffen tegen de effecten van een gifwolk van de spoorweg. Overige scenario’s omgevingsveiligheid Vanuit een breder perspectief op omgevingsveiligheid is ook de ligging van het projectgebied in een overstromingsrisicogebied relevant. Voor het projectgebied geldt een kans op een overstroming met 50 cm water op maaiveld van 1 keer per 30 tot 1 keer per 300 jaar (middelgrote kans). Dit risico bestaat overigens voor de gehele Liemers. In geval van een dreigende dijkdoorbraak waardoor er water op maaiveld komt te staan, het evacuatiescenario als handelingsperspectief. In dit kader zal de Veiligheids- en gezondheidsregio (VGGM) een besluit tot preventieve evacuatie nemen. Mocht evacueren geen optie meer zijn, dan biedt de tweede bouwlaag van de eenheden binnen het projectgebied de mogelijkheid om op hoogte te verblijven in afwachting van redding.
4.6.8
Trilling
Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillingsgevoelige ruimte van een trillingsgevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing Het projectgebied aan de Welleveldsestraat 2 is gelegen ten noorden van de spoorlijn Arnhem-Duiven. Aangezien het initiatief de realisatie van tijdelijke verplaatsbare woningen betreft, gelden alleen de volgende 2 instructieregels uit het Bkl ten aanzien van trillingen (artikel 5.79, lid 2, onder b Bkl): • Artikel 5.82 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit); • artikel 5.83 (trilling door activiteiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid). Ten behoeve van het inzichtelijk maken van de aanvaardbaarheid van het trillingenniveau in de tijdelijke verplaatsbare woningen is een onderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van dit onderzoek zijn in deze paragraaf beschreven. Het rapport is als bijlage 8 bij de ruimtelijke motivering opgenomen.
Omdat er overschrijdingen van het beoordelingskader voor trillingshinder mogelijk zijn, is nader onderzoek gedaan naar maatregelen waarmee die overschrijdingen kunnen worden voorkomen. Hierbij is gekeken naar maatregelen aan de bron (het spoor of de treinen), in de bodem of aan de geplande gebouwen. Uit het maatregelenonderzoek volgt dat: 1. Maatregelen aan de bron van de trillingen (het spoor of de treinen) vergen een lange afstemmingsperiode met ProRail, de beheerder van het spoor. De minst kostbare, naar verwachting voldoende effectieve maatregel is het aanbrengen van under sleeper pads, rubberen matjes onder de dwarsliggers, over een lengte van ca. 200 meter onder beide sporen, deze maatregel kost rond de € 300.000 inclusief BTW, maar exclusief kosten voor buitendienststellingen en afstemming met ProRail. Deze kosten worden dus hoger. 2. Maatregelen in de bodem zijn beperkt effectief en zeer kostbaar. De meest kosteneffectieve maatregel is het verdiepen van de spoorsloot naar minimaal 3 meter diepte, zodat de kleilaag waar de meeste trillingen doorheen gaan, wordt doorsneden. Met deze maatregel kunnen de trillingen met maximaal 40 procent worden verlaagd, maar zijn nog steeds incidentele overschrijdingen van de streefwaarden mogelijk in 1 van de 4 de bouwblokken.
Een trillingsscherm van beton of een damwand is zo kostbaar, dat de kosten niet in verhouding staan tot de bouwkosten van de woningen. 3. Maatregelen aan de gebouwen zijn beperkt mogelijk, omdat het om tijdelijke woningen volgens een vast, modulair concept gaat. Een zware fundering (dikke betonnen plaat of zware paalfundering) is voor tijdelijke woningen bijvoorbeeld ongewenst. De enige mogelijkheden zijn de keuze voor een zo min mogelijk trillingsgevoelig type woning (dat verschilt namelijk per aanbieder van tijdelijke woningen) of het isoleren van de fundering. Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 47 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Gelet op bovenstaande wordt geadviseerd bij de verdere uitwerking van het plan de volgende mogelijkheden te onderzoeken: 1. Kies een woningtype met een eigenfrequentie van de vloer die niet hoger is dan 10 Hz, om versterking van de trillingen door de vloer te voorkomen. 2. Is het mogelijk om de bestaande greppel/spoorsloot te verdiepen naar 3 meter diep? Hiermee wordt de kleilaag doorsneden en nemen de trillingen fors af. Alternatief is om, buiten de vergunningsplichtige zone van ProRail, en dus op eigen terrein, een waterberging te maken die het spoor afschermt. Met bovenstaande maatregelen kan worden voldaan aan het beoordelingskader. Tenslotte, bij trillingen is sprake van streefwaarden in de beoordelingsrichtlijn. Als de streefwaarden niet worden gehaald, dan dienen maatregelen te worden afgewogen volgens het ALARA-principe (As Low As Reasonably Achievable, conform bijlage 5 van de SBR B-richtlijn, het beoordelingskader voor trillingshinder). Met bovenstaand advies kan worden voldaan aan het beoordelingskader, maar dit kan leiden tot een onhaalbaar plan, bijvoorbeeld door te hoge kosten. ALARA-afweging Een ALARA-afweging kan dan helpen om minder kostbare of zelfs geen maatregelen te motiveren.
Argumenten die hierbij kunnen worden gebruikt, zijn: • Er is sprake van een beperkt aantal overschrijdingen van de streefwaarden (maximaal 1 per dag, in de meeste bouwblokken maximaal 1 per week). • De treinen die voor overschrijdingen zorgen, rijden niet in de reguliere dienstregeling maar alleen tijdens stremmingen op andere baanvakken (omleidingen) of werkzaamheden. De trillingen van het reguliere treinverkeer voldoen wel aan de streefwaarden. • Het huidige onderzoek is relatief worst-case gemeten: er is gemeten in een zeer droge periode, waardoor de kleibodem sterk is uitgedroogd en de trillingen hoger zijn. In de meting is te zien dat, na een regenperiode, de trillingen met zo'n 20 tot 25 procent afnamen. • De trillingen voldoen weliswaar niet aan de streefwaarden voor nieuwe woningen, maar wel aan de soepeler streefwaarden voor bestaande gebouwen (die hier overigens formeel niet van toepassing zijn, maar wel aangeven in hoeverre de situatie wel of niet aanvaardbaar is i.r.t. hinder en gezondheid). • De kosten van maatregelen moeten in relatie staan tot de bouwkosten van de woningen. Bij hoge kosten of grote uitvoeringsrisico's zijn maatregelen minder snel doelmatig. Gelet op het tijdelijke karakter van de woningen, geldt dat de kosten van maatregelen per bouwjaar van de woning relatief hoog zijn.
Conclusie Met bovenstaande argumenten wordt, gelet op het beperkte en incidentele karakter van de overschrijdingen, betoogd dat ook zonder maatregelen sprake is van een aanvaardbare situatie ontstaat in de geplande woningen t.a.v. spoortrillingen.
4.6.9
Kabels en leidingen
Planologisch relevante kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd en beschermd worden tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: • Gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; • defensiebrandstoffen; • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Aan de andere kant moet de omgeving worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Ter bescherming van de kabels en leidingen en de omgeving worden zones opgenomen in een omgevingsplan waarin beperkingen gelden. Toetsing Uit toetsing aan het omgevingsplan en de risicokaart blijkt dat er geen planologisch relevante leidingen binnen of nabij het projectgebied zijn gelegen. Daarnaast is een KLIC-melding uitgevoerd waaruit blijkt dat er binnen het projectgebied een waterleiding van Vitens en stadswarmteleiding van Vattenfall lopen. In het ontwerp is Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 48 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
rekening gehouden met de vrijwaringszones voor deze leidingen. De eisen omtrent het mogen kruisen van de leidingen, verharden van de grond boven de leidingen en afstanden voor gebouwen tot de leidingen zijn besproken met de betreffende leidingbeheerders.
4.7
Natuur / ecologie
4.7.1
Ecologie
Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer de natuurbescherming en het beheer van ecosystemen (artikel 2.1, lid 3, onder h en o). De Omgevingswet is gericht op zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming. De bescherming is geregeld in afdeling 3.7 Bkl. De Omgevingswet implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en faunaactiviteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten en gebieden te beschermen. Indien er bij een ontwikkeling sprake is van een flora- en fauna-activiteit, moet aannemelijk zijn dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verkregen. Behalve als uit de Omgevingswet voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van verlening van de vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met de Omgevingswet komt de bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen en vrijstellingen bij ontwikkelingen in principe bij de provincies te liggen. Gebiedsbescherming De Ow kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura-2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Soortenbescherming In de Ow wordt een onderscheid gemaakt tussen: • Soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; • de bescherming van overige soorten. Toetsing Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het projectgebied ten behoeve van tijdelijke opvang van Oekraïense ontheemden en de daarmee samenhangende sloop van de bebouwing op het bestaande erf, is een quickscan flora & fauna uitgevoerd binnen het gehele projectgebied. De uitkomsten van deze quickscan zijn hieronder beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 9 bij de ruimtelijke motivering opgenomen. In de quickscan is onderscheid gemaakt in twee deelgebieden. Hieronder is per deelgebied aangegeven welke beschermde soorten op basis van de quickscan mogelijk gebruik zouden maken van het projectgebied: Bestaande erf Welleveldsestraat 2 Vleermuizen Huismussen Gierzwaluw Uilen Steenmarter Kleine marterachtigen Boerenzwaluw Rugstreeppad
Overige, agrarische percelen Rugstreeppad
Omdat de aanwezigheid van voornoemde soorten per deelgebied niet kon worden uitgesloten, is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar deze beschermde soorten. Hieruit is gebleken dat de mogelijk voorkomende soorten zowel op het bestaande erf aan de Welleveldsestraat 2 als de overige, agrarische percelen behorende tot
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 49 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
het projectgebied, niet zijn aangetroffen en geen gebruik maken van het projectgebied als leef- of foerageergebied. De rapportage van deze aanvullende onderzoeken is als bijlage 10 bij de ruimtelijke motivering opgenomen. Conclusie Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat negatieve effecten op de genoemde soorten kunnen worden uitgesloten en er geen vergunning benodigd is in het kader van een flora & fauna-activiteit. De provincie Gelderland heeft deze conclusie inmiddels als bevoegd gezag bevestigd. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Rijntakken op circa 2,7 km afstand van het projectgebied. Gezien de beperkte omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling en de afstand tot het projectgebied, vallen Natura 2000-gebieden buiten de invloedssfeer van het projectgebied. Directe verstoring van Natura 2000-gebieden en negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen door (bouw) gerelateerde werkzaamheden zoals licht, geluid en trillingen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Een substantieel, negatief effect van de beoogde ontwikkeling op de stikstofemissie en -depositie en daarmee op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kan niet worden uitgesloten.
Middels uitvoering van berekeningen in AERIUS-calculator is onderzocht of er met de aanleg en het gebruik van de beoogde tijdelijke opvanglocatie sprake zal zijn van een significant negatief effect voor wat betreft stikstofemissie en -depositie. Het rapport van deze berekeningen is als bijlage 11 bij de ruimtelijke motivering opgenomen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de realisatie- en gebruiksfase resulteren in een maximale toename van 0,00 mol N/ha/jaar. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn daarmee uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen nodig om significant negatieve effecten uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland / Gelders Natuurnetwerk Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Hondsbroekse Pleij gelegen op circa 2,2 km afstand van het projectgebied. Doordat het gebied in Gelderland ligt, is het onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het projectgebied bevindt zich buiten de begrenzing van het GNN-gebied. Gezien de beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling en afstand tot het projectgebied, valt het GNN-gebied buiten de invloedsfeer van het projectgebied. Verstoring van GNN-gebied en negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en kwaliteiten van dit gebied kan op voorhand worden uitgesloten.
Houtopstanden Gezien het ontbreken van houtopstanden binnen het projectgebied is wettelijke bescherming niet aan de orde. Wel komen er enkele individuele bomen binnen het projectgebied voor die in het kader van de voorgenomen plannen gekapt dienen te worden. De betreffende bomen zijn in de ecologische onderzoeken meegenomen en kennen geen waarde voor beschermde soorten. Voor de bomen waarvoor het nodig is, zal een kapvergunning worden aangevraagd.
4.7.2
Gemeentelijk groenbeleid
Monumentale bomen Bescherming van monumentale bomen vindt plaats via het (tijdelijke) omgevingsplan. Het (tijdelijke) omgevingsplan reguleert de directe bescherming van monumentale bomen, middels een vergunningsplicht voor het kappen, en de indirecte bescherming van de boom middels een vergunningsplicht voor werkzaamheden (verharding aanbrengen, ontgraven, et cetera) rondom de boom, die van invloed zijn op de groeiplaatsomstandigheden en daarmee de instandhouding en levensduur van de boom. Toetsing Binnen het projectgebied bevinden zich geen als zodanig aangewezen monumentale of bijzondere bomen.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 50 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
4.8
Water
In deze paragraaf worden de waterhuishoudkundige aspecten van de ontwikkeling beschreven (huidige en toekomstige situatie). Ook wordt getoetst aan het beleid van de provincie, waterschap Rijn en IJssel en aan het gemeentelijke water- en rioleringsplan, de hemelwaterverordening en de afvalwaterverordening.
4.8.1
Beleid Provincie Gelderland
Het grondwater is een belangrijke bron voor de openbare drinkwatervoorziening. Veel Nederlandse huishoudens ontvangen hun drinkwater uit grondwater. Met het oog op de continuïteit van de levering van drinkwater voert de provincie al geruime tijd een beschermingsbeleid, gericht op minimalisering van de risico's op achteruitgang van de kwaliteit. Daarvoor is er waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone aangewezen. Waterwingebied Het waterwingebied is het meest kwetsbare deel van de Waterwinning voor menselijke consumptie. Het waterwingebied is het gebied waar het drinkwater daadwerkelijk wordt gewonnen. Daarvoor is een zeer stringente bescherming nodig. Doel van de regels is om te voorkomen dat de bodem en het zich daarin bevindende grondwater verontreinigd raakt, door activiteiten en functies te verbieden die risico geven voor de kwaliteit van het grondwater. In waterwingebieden worden daarom alle milieubelastende activiteiten die in het besluit activiteiten leefomgeving zijn opgenomen verboden. Grondwaterbeschermingsgebied Het grondwaterbeschermingsbeleid van de provincie Gelderland heeft tot doel om het grondwater rondom de waterwingebieden een zodanige bescherming te bieden dat het met een minimum aan maatregelen geschikt is te maken voor drinkwater. In de Omgevingsverordening zijn de regels voor bescherming van de grondwaterkwaliteit opgenomen.
Naast milieubeleid en milieuregelgeving wordt ook gestuurd door middel van het ruimtelijke beleid en het stimuleringsgebied. Een belangrijk aandachtspunt bij de bescherming van het grondwater is afstromend hemelwater van gebouwen en wegen. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Boringsvrije zone Bij een boringsvrije zone wordt het water gewonnen uit een dieper pakket die wordt afgesloten door een kleilaag. Doel van de regels in boringsvrije zone is het beschermen van de diepere watervoerende pakketten door te voorkomen dat de beschermende kleilaag wordt doorboord. Er worden regels gesteld aan de maximale diepte voor het verrichten van handelingen in de bodem, zoals boringen, grond- of funderingswerken en regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en -onttrekking). Uit onderzoek is duidelijk op welke diepte de beschermende kleilagen liggen. Deze staan weergegeven op de kaart dat bij de regels hoort. Toetsing Het projectgebied is niet gelegen binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone.
4.8.2
Beleid Waterschap Rijn en IJssel
Het Waterschap Rijn en IJssel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, de waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft de doelen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Het waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de lange termijn doelen voor de beleidsthema’s al vastgesteld. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft aan hoe het waterschap in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar het waterschap in 2027 denkt te staan. Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 51 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Het Waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In de Waterschapsverordening (Wv) is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam (artikel 2.2 Wv). Dit geldt ook voor neerslag door toename van verhard oppervlak, dat al dan niet via een afvoer op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd. Dit verbod is van toepassing tenzij (artikel 2.31 Wv): • Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06'.
Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt geborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. Toetsing Naar aanleiding van de digitale watertoets bij waterschap Rijn en IJssel is een watermemo opgesteld waarin de waterhuishoudkundig relevante aspecten van de ontwikkeling worden toegelicht. De volledige memo is als bijlage 12 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen. Oppervlaktewater In de omgeving van het projectgebied zijn geen watergangen in het beheer bij het waterschap aanwezig. De watergangen die direct rondom het projectgebied zijn gelegen zijn in beheer bij gemeente Duiven. Grondwater en kwel Op het Dinoloket zijn binnen een straal van circa 500 m van het projectgebied 3 monitoringspeilbuizen aangegeven waarin de grondwaterstanden periodiek zijn gemeten. Hieruit blijkt dat de grondwaterstand varieert tussen de 7,96 en 8,23 m + NAP voor de representatief laagste grondwaterstand (RLG) en 8,90 tot 9,09 m + NAP voor de representatief hoogste grondwaterstand (RHG).
Voor het projectgebied wordt daartoe een marge aangehouden voor de RLG en RHG van 0,10 m (RLG van 8,02 m + NAP en RHG van 9,11 m + NAP). Het maaiveld binnen het projectgebied is gelegen op een gemiddelde hoogte van 9,87 m + NAP. Uit raadpleging van de kwelkaart uit de klimaateffectatlas blijkt dat het projectgebied in een infiltratiegebied ligt met tussen de 0,2 en 0,6 mm/dag aan kwel. Tot slot is het projectgebied niet gelegen binnen grondwaterbeschermingsgebied. Ontwateringsdieptes De gemeente Duiven heeft eisen gesteld aan de minimale ontwateringsdiepten voor bebouwing, wegen en openbaargroen/ tuinen. Deze ontwateringsdieptes worden gehanteerd om te voorkomen dat in de toekomst nadelige gevolgen gaan optreden als gevolg van (te) hoge grondwaterstanden. De geadviseerde ontwateringsdieptes leiden, uitgaande van een RHG van 9,11 m + NAP, tot onderstaande geadviseerde hoogtes voor het maaiveld.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 52 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Waterberging Gemeente Duiven stelt voor ontwikkelingen met een verhard oppervlak tot 2.000 m 2 een bergingseis van 60 mm berging in een infiltratievoorziening (zowel voor openbaar als uitgeefbaar gebied). Bij ontwikkelingen met een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 worden de bergingseisen van het waterschap Rijn en IJssel aangehouden. Uitgangspunt van het waterschap Rijn en IJssel is dat het hemelwatersysteem een bui die eens in de 100 jaar voorkomt moet kunnen verwerken; hierbij wordt getoetst aan een bui van 80 mm, waarbij de voorziening binnen 24 uur weer beschikbaar moet zijn. Daarnaast dient bij het toepassen van halfverharding een verhardingspercentage van 70% aangehouden te worden. Op basis van het ontwerp voor de locatie is er sprake van een totaal van 4.665 m2 verhard oppervlak (zowel bebouwing als openbare verharding). Dit resulteert in een bergingsopgave van 373 m3. Gezien de relatief hoge grondwaterstanden verdient het de voorkeur om het hemelwater in bovengrondse voorzieningen (bijvoorbeeld wadi’s) op te vangen. De totale oppervlakte van een wadi dient, op basis van de bergingsopgave, 1.243 m2 te bedragen (uitgaande van een waterdiepte van 0,30 m).
Afvoer hemelwater De afvoer van hemelwater vanuit de bergingsvoorzieningen (geknepen afvoer) en bij de overstort van de bergingsvoorzieningen gaat bij voorkeur middels een hemelwaterriool welke wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioolstelsel ten noorden van het projectgebied. Hierbij dient de maatgevende afvoer van 1,6 l/s/ha (op basis van 1,8365 ha betreft dit 2,9 l/s) in acht genomen te worden. Bij de verdere uitwerking van het plan dient met de gemeente afgestemd te worden hoeveel capaciteit in het bestaande HWA-stelsel aanwezig voor de herontwikkeling.
4.8.3
Gemeentelijk Programma Water en Riolering
In de Omgevingswet zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water) en een zorgplicht voor grond- en hemelwater. Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater en het verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. Toetsing De gemeente Duiven stelt als eis in de hemelwaterverordening dat tenminste 60 mm berging in een infiltratievoorziening geborgen dient te worden binnen de grenzen van het plangebied voor ontwikkelingen met een maximaal verhard oppervlak van 2.000 m². Dit geldt voor zowel openbaar, als uitgeefbaar gebied. Bij planontwikkelingen met een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m² worden de bergingseisen van het waterschap Rijn en IJssel aangehouden. De hemelwaterberging dient binnen 24 uur weer volledig beschikbaar te zijn voor een volgende neerslaggebeurtenis. Afvalwaterverordening Om aan de beleidsdoelstellingen te voldoen zijn er uitgangspunten, normen en regels nodig. In de afvalwaterverordening staat welke regels en normen er gelden voor het lozen van afvalwater en het aansluiten op een vuilwaterriool. Alle percelen waarop afvalwater vrijkomt worden aangesloten op het openbaar riool.
Per woning of bedrijfspand wordt er in principe één perceelaansluiting voor afvalwater aangelegd. In de Omgevingswet staat dat de gemeente een inzamelplicht heeft van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsmatig afvalwater valt hier Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 53 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
niet onder. De gemeente wil bedrijven echter wel faciliteren mits het voldoet aan enkele voorwaarden. Bedrijfsmatig afvalwater mag worden afgevoerd naar het openbaar riool mits de samenstelling van het te lozen water overeenkomt met huishoudelijk afvalwater en de afvoercapaciteit van het gemeentelijk riool voldoende is. In het geval van nieuwbouw of bij toename van de afvoercapaciteit kan een bergingsvoorziening voorgeschreven worden. Ook is in de afvalwaterverordening de procedure voor het aanvragen van een aansluiting op het gemeentelijk riool vastgelegd. Hierbij zal ook een toets plaatsvinden op de vastgelegde normen en regels, alvorens door de gemeente (maar op kosten van aanvrager) wordt aangesloten op het gemeentelijk riool. Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het projectgebied ten behoeve van tijdelijke opvang van Oekraïense ontheemden en de daarmee samenhangende sloop van de bebouwing op het bestaande erf, is een watermemo opgesteld. De conclusies van deze memo zijn hieronder beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 12 bij de ruimtelijke motivering opgenomen. Het projectgebied heeft een oppervlak van circa 18.365 m2 met een gemiddelde maaiveldhoogte van +9,87 m NAP. De verwachtte representatief hoogste grondwaterstand ligt op +9,11 m NAP.
In de nieuwe situatie is er binnen het plangebied circa 4.665 m2 aan verharding aanwezig, op basis van een bergingseis van het Waterschap Rijn en IJssel resulteert dit in een bergingsopgave van circa 373 m3. De bergingsopgave binnen het plangebied kan middels de aanleg van een wadi met een waterdiepte van 0,30 m en een oppervlak van circa 446 m2 aan de westzijde en circa 798 m2 aan de oostzijde gerealiseerd worden. De afvoer van hemelwater vanuit de bergingsvoorzieningen (geknepen afvoer) en bij de overstort van de bergingsvoorzieningen gaat bij voorkeur middels een hemelwaterriool welke wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioolstelsel ten noorden van het plangebied. Hierbij dient de maatgevende afvoer van 1,6 l/s/ha (op basis van 1,8365 ha betreft dit 2,9 l/s) in acht genomen te worden. Bij de verdere uitwerking van het plan dient met de gemeente afgestemd te worden hoeveel capaciteit in het bestaande HWA-stelsel aanwezig voor de herontwikkeling. Aan de noordzijde van het plangebied wordt op basis van de stresstest voor hevige neerslaggebeurtenissen water op straat verwacht. Ter plaatse van de locaties waar water op straat verwacht wordt is een laagte in het maaiveld aanwezig en op basis van de BGT zou er een watergang moeten zijn. Dit lijken voornamelijk droogvallende greppels te zijn.
Indien er meer water middels deze greppels afgevoerd moet gaan worden (aansluiten van verharding of bergingsvoorzieningen) dient gewaarborgd te worden dat de greppels deze hoeveelheid water kunnen verwerken en bij hevige neerslag geen schade aan de gebouwen ontstaat. Op basis van de in deze memo beschrijven situatie worden geen onoverkoombare belemmeringen ten aanzien van de verwerking en berging van hemelwater gezien.
4.9
Wegen, verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiervoor kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
4.9.1
Verkeersafwikkeling
Verkeersgeneratie In genoemde CROW-publicatie zijn geen kencijfers voor verkeersgeneratie voor de opvang van ontheemden opgenomen. Een berekening van de theoretische verkeersgeneratie is hierdoor niet mogelijk. Uit eerdere ervaring met opvang blijkt dat Oekraïense ontheemden relatief weinig over een auto beschikken. De meeste verplaatsingen vinden te voet, per fiets of met het OV plaats. Gezien de ligging van het projectgebied, in de kern van Duiven, kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat dit in de beoogde situatie ook het geval is. Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 54 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Wel kan worden gesteld dat, ten opzichte van de bestaande situatie (waarin het erf onbewoond is en de gronden worden gepacht voor beweiding door paarden en schapen) sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Om een realistische inschatting te maken van het te verwachten aantal verkeersbewegingen is aangesloten bij de functies uit de eerder genoemde CROW-publicatie die het meest lijken op de tijdelijke opvang voor Oekraïense ontheemden. Daarnaast wordt aangesloten op het omgevingstype ‘rest bebouwde kom’ en stedelijkheidsgraad ‘matig stedelijk’. Omdat de verplaatsbare woningen in beginsel gedeeld zullen worden door meerdere personen en qua woonoppervlak per persoon daarmee sprake is van kleinschalig wonen, wordt aangesloten bij de categorie ‘kleine eenpersoonswoningen’ gecombineerd met ‘goedkope huurappartementen’. Voor de eerste categorie geldt een verwachte verkeersgeneratie van gemiddeld 2,1 verkeersbewegingen per woning, terwijl voor de tweede categorie (uitgaande van CROW-type ‘huur, appartement, sociale huur of vrije sector, < 30 m 2 bvo) een verkeersgeneratie van 1,65 per woning geldt. Het gemiddelde van beide functies geeft een verkeersgeneratie van afgerond 1,9 verkeersbewegingen per woning. In totaal worden er 48 verplaatsbare woningen geplaatst op de locatie. Dit leidt tot circa 92 verkeersbewegingen van en naar het projectgebied per dag.
Ontsluiting autoverkeer Het projectgebied is in de huidige situatie uitsluitend ontsloten via het bestaande erf Welleveldsestraat 2 op de Visserlaan ten noorden van het projectgebied. In de toekomstige situatie is beoogd om het terrein ook via het perceel van het ten oosten gelegen verenigingsgebouw voor calamiteiten te ontsluiten. De parkeerplekken voor auto’s zijn allemaal voorzien op het huidige erf aan de Welleveldsestraat 2. De tweede ontsluiting dient voor hulpdiensten. Langzaam verkeer is daar niet wenselijk, echter niet uit te sluiten. Dit betekent dat de verkeersbewegingen voor auto’s zullen plaatsvinden via de inrit van de Welleveldsestraat 2. Hiertoe wordt de bestaande inrit aangepast op de toekomstige verwachte verkeersbewegingen. Het ontwerp is gebaseerd op de CROW-normen voor de aantallen verkeersbewegingen van en naar het projectgebied en de weg waarop wordt ontsloten (Visserlaan). Om de randvoorwaarden hiervoor vooraf te bepalen is een memo over de aansluiting op de Visserlaan opgesteld. Deze memo is als bijlage 13 opgenomen in deze ruimtelijke motivering. Ontsluiting fiets- en voetverkeer Ter plaatse van de bestaande ontsluiting aan de Welleveldsestraat 2 is een oversteekplaats voor fietsers en voetgangers vanaf de Welleveldsestraat naar de Gabriëlstraat aanwezig. Aan de overzijde van de Visserlaan is een vrijliggend fietspad aanwezig.
Voetgangers kunnen via het voetpad langs de Visserlaan zich verplaatsen richting voorzieningen in de omgeving. De ontsluiting van het terrein via het verenigingsgebouw is voor voetgangers minder geschikt, fietsers kunnen hier wel oversteken richting de Van der Goesstraat. Daarnaast wordt de bestaande oversteekplaats voor fietsers verbeterd en uitgebreid met een oversteekplaats voor voetgangers.
4.9.2
Bereikbaarheid hulpdiensten
Vergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dienen getoetst te worden aan de richtlijnen van de veiligheidsregio’s, welke zijn verwoord in de notitie Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de veiligheidsregio Gelderland-Midden. Toetsing Het inrichtingsplan is voorgelegd aan de brandweer/veiligheidsregio. Zij hebben aangegeven dat het inrichtingsplan voldoet aan de daarvoor geldende eisen.
4.9.3
Parkeren
Nota Parkeernormen Duiven / Westervoort Het gemeentelijke parkeerbeleid voor zowel auto’s als fietsen is vastgelegd in de ‘Parkeernormennota Duiven’. Deze nota is door de gemeenteraad op 18 januari 2018 vastgesteld. In beginsel is het uitgangspunt voor de gemeente dat de parkeerbehoefte (zowel voor auto’s als fietsen) op eigen terrein of binnen de grenzen van het werkingsgebied gerealiseerd wordt.
Projectcode: P08239 Versie: Eindconcept
Pagina 55 van 62
Ruimtelijke motivering ‘GOO Welleveldsestraat 2, Duiven’
Toetsing In genoemde parkeernormennota van de gemeente zijn geen parkeernormen voor de opvang van Oekraïense ontheemden opgenomen. Hiertoe wordt aangesloten bij landelijke ervaringscijfers voor dergelijke tijdelijke opvang. Uit vergelijkbare opvanglocaties voor Oekraïense ontheemden blijkt dat met een parkeerkencijfer van 0,5 tot 0,7 parkeerplekken per verblijfseenheid kan worden volstaan. Hiertoe wordt in onderhavige situatie gerekend met het gemiddelde van beide, zijnde 0,6 parkeerplekken per verblijfseenheid. Dit sluit tevens aan op de meest vergelijkbare functie uit de parkeernormennota van gemeente Duiven (2018), te weten ‘studio (kleiner dan 50 m2 GBO)’, waarvoor een parkeernorm van 0,7 parkeerplekken per woning is vastgelegd in deelgebied ‘Duiven rest kom’ (waartoe het projectgebied behoort). Er worden in totaal 48 verplaatsbare woningen op de locatie geplaatst. Dit leidt tot een parkeervraag van 33,6 parkeerplekken op basis van de normering van 0,7 parkeerplekken conform de gemeentelijke parkeernormennota. In het ontwerp zijn in totaal 39 parkeerplekken voorzien. Hiermee wordt op eigen terrein ruimschoots voldaan aan de verwachte parkeerbehoefte.
4.10 Wonen 4.10.1 Woonvisie en Woningbouwstrategie In het hoofdstuk over beleid is reeds een beschrijving gegeven van de doelen uit de gemeentelijke woonvisie. De ‘Spoorzone’ (waar het projectgebied toe behoort) is aangewezen als mogelijke toekomstige woningbouwlocatie. Zover is het echter nog niet. Tot die tijd wordt het projectgebied middels de voorgenomen tijdelijke opvang in gebruik genomen. Het initiatief is op die manier niet strijdig met het gemeentelijk woonbeleid.