CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

f3db87ea-1dcf-4f7c-a703-83d064b59347.pdf

Raadsvergadering 1 februari 2024, gemeente DrontenBij agendapunt: 8: Raadsvoorstel zienswijze Nationaal programma Ruimte voor Defensie36.129 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Pagina 75 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

Buiten beschouwing zijn nu gelaten de landmacht gevechtssteuneenheden, gevechtsverzorgingssteuneenheden en infanterie eenheden bewaking en beveiliging van de nationale reserve op zowel pelotonals compagnieniveau. Ook zijn SOCOM eenheden zijn niet beschouwd, die ook trainingsbehoefte hebben in Marnehuizen. Tenslotte zijn trainingsfaciliteiten door onderhoud en personeelsbezetting niet jaarrond beschikbaar. Eenheden leren de basis van optreden in verstedelijkt gebied in de opleiding en bouwen die vaardigheden verder uit tijdens trainingen en oefeningen in Nederland. Oefeningen in het buitenland en met buitenlandse eenheden vraagt een hoger niveau van kunde om effectief gebruik te kunnen maken van deze trainingsgebieden. Het is zonde van de tijd om in het buitenland dure trainingsgebieden te gebruiken voor het aanleren van de basisvaardigheden in optreden in verstedelijkt gebied . Het scheelt ook weer kostbare verplaatsingen en langer verblijf in het buitenland. Daarnaast zijn oefendorpen binnen alle NAVO-landen schaars. Alle NAVO-partners breiden het aantal eenheden uit die moeten trainen in oefendorpen. Naast de toename in het aantal eenheden, intensiveren die eenheden hun trainingen in oefendorpen omdat vechten in verstedelijkt gebied een steeds realistischer scenario wordt. Hierdoor is Nederland niet zeker van toewijzing van die schaarse oefendorpen.

Alle landmachteenheden die een rol krijgen in het NATO Force Model worden aan SACEUR aangeboden na een succesvolle NATO evaluatie (Combat Readiness Evaluation10) o.b.v. opgelegde standaarden uit de Allied Command Operations Forces Standards Volume II – Land Forces11. Zo moeten eenheden voldoen aan o.a.: • Capable of acting as lead force element for urban penetrations or thrusts, in Brigade offensive operations. • Capable of tactical tasks inherent to stability activities, particular those in close terrain such as dense urban and wooded/mountain areas. Met het instemmen met de STANAG 659912 (NATO Standard ATP-3.2.1.2 Conduct of Land Tactical Operations in Urban Environments) is Defensie gehouden aan deze standaard.

Bijbehorende ruimtebehoefte

Locatie-eisen

Fysieke ruimte waar gebouwen in verschillende vormen aanwezig zijn om te oefenen met oorlogsvoering in stedelijk gebied met de mogelijkheid om in meerdere lagen (joint), ondergronds en met hoogbouw te oefenen. Deze mogelijkheid is in Marnehuizen niet aanwezig en wordt gemist. Er is behoefte aan oefenen met drones, helikopters en vliegtuigen en ook de Koninklijke Marechaussee wil in stedelijk gebied kunnen opereren. De ruimtebehoefte bedraagt (op basis van specificaties van Marnehuizen) ongeveer 200 bij 200m. Daaromheen is een terrein van 1 bij 1km benodigd om scenario’s te kunnen beoefenen, inclusief het benaderen van en inbreken in het oord vanuit omliggend/aanpalend terrein. • Een fysieke ruimte met gebouwen in verschillende vormen, dit kunnen zowel bestaande gebouwen zijn of nieuw te realiseren, met oppervlakte van circa 1 bij 1 km met voldoende (vrije) ruimte daaromheen. • De haalbaarheid van locaties in gebieden waar de landbouwtransitie nadrukkelijk gaat spelen zijn vanuit kansrijker dan gebieden waar relatief minder beperkingen voor landbouw gelden. Dit wordt meegenomen in het MER (maar niet op voorhand als selectiecriterium gehanteerd). Gelet op de activiteiten (laagvliegen, helikopterlandingen) komen alleen bestaande Defensielocaties in aanmerking. De volgende eisen:

8 Bron: NATO STANDARD

NATO Allied Training Publication-3 Education and Training for Urban Operations 9 Bron: NATO STANDARD NATO Allied Training Publication-3 Education and Training for Urban Operations 10

Allied Forces Standards Volume VII – Combat Readiness Evaluation Allied Forces Standards Volume II – Land Forces 12 STANAG 6599 11

Pagina 76 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

• • •

Mogelijkheid om met drones te oefenen Mogelijkheden tot live firing en nabijheid tot een schietbaan De Koninklijke Marechaussee heeft behoefte aan een oefenterrein waar live firing, mogelijk is, heeft eisen aan de layout van het terrein (inrichting, stratencircuit, gebouwenopbouw, urban klimtoren etc.) en dient te kunnen schieten, breachen en brandoefeningen te kunnen oefenen. Dit leidt niet tot aanvullende ruimtebeslag buiten het voorziene terrein.

De volgen wensen • Mogelijkheden om met helikopters en vliegtuigen te oefenen, wens. • Gelegen in een laagvlieggebied of in de buurt/ op zichtafstand van het oefenterrein. • Koninklijke Landmacht, Korps mariniers en special operations forces hebben behoefte aan gegarandeerde heli landing sites van waaruit direct militaire acties kunnen worden getraind.

Voor oefenen in verstedelijkt gebied zijn de volgende opties mogelijk:

Te beschouwen planalternatieven in het MER

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

Beoordelingskader voor het planMER

(1) Een nieuwe locatie om te oefenen in verstedelijkt gebied, hiervoor zijn drie varianten in beeld: a. Noord-Brabant, Budel, Nassau Dietz Kazerne b. Noord-Brabant, Budel, oefenterrein Weerterheide, (2) Een of meerdere van de bestaande oefenterreinen. De selectiecriteria zijn: a. Mogelijkheden voor het oefenen met drones (geen nofly zones) b. Mogelijkheden voor bebouwingsmogelijkheden (buiten Natura 2000-gebieden); c. Voldoende omvang (circa 1x1 km). Er zijn twee mogelijkheden voor de alternatieven. Eén is een reeds bebouwde locatie van Defensie omvormen naar een oefendorp. Geschikt hiervoor zijn de locaties in Budel en het daar nabij gelegen oefenterrein. Op dit moment is Budel een belangrijke opvanglocatie van het COA, waarbij gesproken wordt over langjarige voortzetting. Met Budel als alternatief in het planMER is er geen besluit genomen over het eventueel aanpassen van de huidige functie of het combineren van beide functies, al dan niet gefaseerd in de tijd. Een tweede alternatief is een onbebouwd terrein aanwenden. Gelet op de voorgenomen activiteiten (dronegebruik) is het eigenlijk alleen voorstelbaar om op bestaande oefenterreinen de oefenfaciliteiten uit te breiden. De oefenterreinen die het meest voor de hand liggen zijn de oefenterreinen waar bebouwingsmogelijkheden in potentie mogelijk zijn. Deze zijn op de kaart verbeeld.

Voor de beoordeling van de impact van deze behoefte gaat het vooral om de impact van de activiteit in reeds op bestaande militaire (oefen)terreinen, inclusief bijbehorende ruimtebeslag. Economische en sociale aspecten zijn niet van belang. Aspecten als landbouwgrond zijn wel meegenomen voor de situatie dat het terrein vergroot zou moeten worden (is niet het uitgangspunt). Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema

Thema Geluid

Gezonde en Veilige Leefomgeving

Luchtkwaliteit Externe veiligheid Licht Bodem

Bodem en water Oppervlaktewater Grondwater Waterveiligheid

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling Impact op de bodemsoort, bodemverontreiniging door de ontwikkeling. impact van bodemdaling en onafgedekte bodem en sponswerking Impact op het watersysteem, de kwaliteit en kwantiteit van aanwezig oppervlaktewater Impact op grondwater (kwantitatief, kwalitatief) door de ontwikkeling en impact op drinkwater Impact op waterveiligheid

Pagina 77 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Natuur, landschap en historie

Natuur Erfgoed Landschap Geomorfologie Archeologie

Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten Impact op beschermde cultuurhistorische waarden Impact op landschappelijke waarden Impact op aardkundige waarden Impact op archeologische verwachtingswaarde, beschermde gebieden

Klimaatadaptatie

Overstromingen Droogte Rainproof

Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling Impact van droogte op de ontwikkeling Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling

Recreatie Landbouw Grondeigendom

Impact van de ontwikkeling op recreatiegebieden Impact van de ontwikkeling op waardevolle landbouwgrond, -gebieden De mate van grond in bezit van overheden en/of hoeveel eigenaren geraakt kunnen worden Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Ruimtegebruik Energienetwerken Energie en Circulariteit

Netcapaciteit

Impact van netcongestie op de ontwikkelingen

Defensiespecifiek

Geschiktheid voor militair gebruik

Zie locatie-eisen

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Pagina 78 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Pagina 79 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Amfibisch oefengebied Er is een grote, noodzakelijke behoefte naar meerdere mogelijkheden om amfibisch te kunnen trainen en oefenen in Nederland. Op de huidige en enige amfibische trainings- en oefenlocatie (Texel) heeft Defensie te maken met afkalving van het terrein, waardoor het terrein steeds minder goed bruikbaar wordt. Er wordt al onderzocht of uitbreiding mogelijk is om te kunnen voorzien in de huidige trainingswens. Met oog op de toekomst en de voorziene verhoogde activiteit is er uitbreiding nodig van de mogelijkheden voor amfibische training en oefening in Nederland. Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )?

Kleine tactische landingen (groepsniveau) zijn mogelijk op Texel, maar Texel is te klein om de basislandingen op een adequate wijze te faciliteren. Grotere oefeningen met een hogere moeilijkheidsgraad zijn nog niet mogelijk in Nederland. Dit betreft onder andere het ‘doorstoten’ na de landing naar een doel (in een oefengebied). Voor amfibisch oefenen gelden twee problemen: Texel is te klein en heeft te weinig trainingswaarde (kwalitatief) en er is te weinig capaciteit om alle oefeningen een plek te geven (kwantitatief). Een aanvullend probleem is dat er in Nederland geen mogelijkheden zijn om in de diepte te oefenen (op Texel is alleen aanlanden mogelijk). Tevens kan er bij bepaalde windrichtingen en stromingen niet geland worden op het zuidpuntje van Texel wat een beperking is voor opleidingen en basistrainingen. Wanneer er ook andere landingspunten zouden zijn vergroot dat de mogelijkheden voor het trainen en oefenen van landingen en verkleind dat de kans op uitstel van opleidingen en basistrainingen. In de huidige situatie is er al te weinig ruimte om in het basale amfibisch trainingsniveau te voorzien. Wanneer er gekeken wordt naar het ambitieniveau (waarbij er eenheden op land gezet moeten kunnen worden) is een groter gebied nodig om in die behoefte te kunnen voorzien. Daarnaast moet het kleiner wordende huidige gebied ook in stand blijven.

Dit gebied blijft heel belangrijk voor het op peil krijgen en houden van de trainingen, opleidingen, en basisgereedheid. De huidige locatie van de landingsvaartuigen in de Noordkop bepaalt voor een groot deel de benodigde oefen- en trainingsgebieden voor de basisgereedheid die vanwege de vaartijd nu vooral in de nabijheid worden gezocht. Voor het trainen en oefenen op een hoger niveau is een groter gebied nodig. Het gaat hier niet zo zeer om een groot aaneengesloten gebied langs de kust maar om landingspunten op de Nederlandse kust waarbij enkele landingsvaartuigen mariniers en een paar voertuigen op het strand mogen afzetten en verder landinwaarts mogen doorstoten. In de huidige situatie wordt wanneer de stroming en de wind dat niet verhinderen, geland op het zuidpuntje van Texel wat daarvoor is aangewezen en vergund. Dit gebeurt dagelijks voor opleidings- en trainingsdoeleinden met landingsvaartuigen en eenheden (mariniers en voertuigen). Dit gebied wordt echter door afkalving van het terrein steeds kleiner en biedt niet de trainingswaarde die benodigd is om overal veilig en onder alle omstandigheden landingen uit te kunnen voeren. Voor het goed kunnen uitvoeren van amfibische landingen heeft de Koninklijke Marine de volgende behoefte: • Dagelijks trainen en oefeningen op niveau 1-3 op meerdere plekken langs de Nederlandse kust.

(dit betreft oefenen tot en met het strand, deze specifieke activiteit maakt geen deel uit van het MER onderzoek. Defensie zoekt hiervoor andere generieke oplossingen.) • Ongeveer 10x per jaar een oefening op niveau 4. • Maximaal 1x per jaar een oefening op niveau 5. Dit is een onderdeel van de defensie behoefte voor joint oefenen in Nederland waarbij over een groter gebied landingsvaartuigen mogen landen om mariniers en voertuigen aan land te zetten die zich daarna landinwaarts verplaatsen naar een (militair) oefengebied of object. Hierbij is er niet 1 groot landingspunt waar alle vaartuigen landen om mariniers en voertuigen aan land te zetten maar er is sprake van verschillende landingspunten waarbij op elk landingspunt 1 tot 2 landingsvaartuigen landen om mariniers en voertuigen af te zetten die zich vervolgens landinwaarts verplaatsen. Hierbij zou ook rekening gehouden moeten worden met vliegend materiaal (drones, helikopters, RTT (fly suit) tijdens oefeningen en onderwater drones en scooters.

Pagina 80 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

Het opleiden van de bestuurders van de landingsvaartuigen en het opwerken van de bemanningen voor oefeningen gebeurt in Nederland . Ten eerste zit de vaarschool in Den Helder en dan is het logisch om de boten die we in Nederland hebben ook te gebruiken voor opleidingen naast hun operationele taak. Ten tweede worden de boten onderhouden in Nederland en moet een bemanning na een onderhoudsperiode weer opwerken/ trainen met de verbeterde boten om veilig en effectief te kunnen opereren. Het uitvoeren van landingen (met en zonder personeel/ voertuigen) en het schieten vanaf de boten is hier onderdeel van. In het kader van Memorandum of Understanding (MOU) The United Kingdom / Netherlands Amphibious Force en Tri Marine Staff Talks (GBR, USA, NLD) wordt internationaal samengewerkt met betrokken landen. De samenwerking (MOU is in juli 2023 opnieuw ondertekent door MINDEF) is gebaseerd op het gegeven dat elk land een bijdrage levert aan de samenwerking. De samenwerking met de UK royal marines is de meest vergaande samenwerking in deze en betekent dat o.a. over en weer gebruik gemaakt wordt van elkaars opleidingen en oefengebieden. Er wordt voortdurend gezocht naar internationale samenwerkingsmogelijkheden om nieuwe oefen- en trainingsmogelijkheden voor eigen eenheden te creëren in het buitenland maar daartegenover staat dat Nederland ook iets moet kunnen aanbieden.

Het amfibisch optreden en de eisen die dat stelt aan amfibische eenheden staat beschreven in de volgende NAVO en Nederland documenten: - ATP-08 volume I: Doctrine for amphibious operations; - ATP-08 volume II: Tactics, Technics & Procedures for amphibious operations; - ATP-08 volume III: Riverine operations; - ATP-08.1: Amphibious operations interoperability matrix; - ATP 115: Amphibious reconnaissance reports; - Maritieme Doctrinepublicatie Amfibische Operaties (MDP AO).

-

Bijbehorende ruimtebehoefte

-

Er is meer ruimte nodig voor de huidige behoefte (initiële landing, technisch / tactisch landen basis training niveau 2-3. (dit betreft oefenen tot en met het strand, deze specifieke activiteit maakt geen deel uit van het MER onderzoek. Defensie zoekt hiervoor andere generieke oplossingen.) Naast het uitbreiden van landingslocaties is het gewenst als er stroken landinwaarts beschikbaar zijn waar geoefend kan worden op het aanvatten van een doel. Er is behoefte aan verschillende landingsplaatsen langs de Nederlandse kust voor afwisseling in training en opleiding. Er is behoefte: live firing from boats. Dit kan op Vlieland met scherp en pyrotechnische middelen. De oefengebieden voor niveau 4 en hoger dienen bij voorkeur zoveel mogelijk overeen te komen met de laagvlieggebieden van de maritieme helikopters en de SOF helikopters aangezien amfibisch optreden inhoudt dat mariniers van af zee over water en door de lucht naar de kust worden getransporteerd om op het land een actie te kunnen uitvoeren. •

Locatie-eisen

• • •

Een relatief smalle landingspunt (50 meter breed) is voldoende voor een enkel vaartuig tot 2 vaartuigen . Voor een aantal landingspunten is landinwaarts een zone van ongeveer 2 kilometer of meer nodig tot aan een oefenlocatie/ oefenobject. Voor deze objecten landinwaarts kan prima sprake zijn van dual use waarbij ook andere defensieonderdelen gebruik maken van de locatie/ het object (zoals bijvoorbeeld Petten en Marnewaard) Er zijn meerdere landingspunten nodig verspreid over de Nederlandse kust voor de basis trainingen en oefeningen om landingen uit te kunnen voeren bij verschillende windrichtingen en stromingen. Locatie moet op redelijk bevaarbare afstand van de mariniers op Texel liggen. De landingspunten met een object landinwaarts komen bij voorkeur zoveel mogelijk overeen met de laagvlieggebieden van maritieme en SOF helikopters.

Pagina 81 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

•

Alternatieven (“hoe”) & Varianten (“waar”)

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

Gelet op de aanwezigheid van het oefenterrein in Marnehuizen is alternatief 2B vanuit de operationele gereedheid het meest geschikt. Gelet op de kwetsbarheid van vooral De Waddenzee is echter een bredere afweging nodig.

(1) Nieuwe locatie incl. strook landinwaarts a. Petten (LUASK) b. Marnewaard, Marnehuizen c. Vliehors d. Maasvlakte (2) Aanvulling met live firing vanaf water na land: a. Vliehors (voor schieten vanaf zee naar land)

De alternatieven zijn beperkt tot een redelijk bevaarbare afstand vanaf de huidige locatie van de landingsvaartuigen in de Noordkop (Marinecomplex De Nieuwe Haven en Texel). Dit heeft te maken met de hoge oefenfrequentie: het terrein om amfibisch landen te oefenen wordt op dagelijkse basis gebruikt. Daardoor zijn terreinen aan de zuidelijke kust vanuit dit oogpunt minder voor de hand liggend. Voor het oefenen van de basisvaardigheid is een smalle strook voldoende. Eventuele nadere oefeningen (waaronder begrepen het benaderen van oefenobjecten) is een separate behoefte die valt onder de behoefte tot joint oefeningen. Deze behoefte gaat over oefenen en minder over ruimtebeslag met aantasting van de ondergrond (er worden bijvoorbeeld geen gebouwen geplaatst). Daarmee zijn de thema van de ondergrond, maar ook sociaal-economische thema’s niet relevant. Ook is luchtkwaliteit niet meegenomen vanwege het ontbreken (of zeer geringe) impact op de concentraties. Water is wel meegenomen vanuit het oogpunt van drinkwatergebieden en/of oppervlaktewater. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema Gezonde en Veilige Leefomgeving

Thema Geluid Externe veiligheid Licht

Bodem en water

Beoordelingskader voor het planMER

Oppervlaktewater

Waterveiligheid

Impact op het watersysteem, de kwaliteit en kwantiteit van aanwezig oppervlaktewater Impact op grondwater (kwantitatief, kwalitatief) door de ontwikkeling en impact op drinkwater Impact op waterveiligheid

Natuur Erfgoed Landschap

Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten Impact op beschermde cultuurhistorische waarden Impact op landschappelijke waarden

Recreatie Grondeigendom

Impact van de ontwikkeling op recreatiegebieden De mate van grond in bezit van overheden en/of hoeveel eigenaren geraakt kunnen worden Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Grondwater

Natuur, landschap en historie

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling

Ruimtegebruik Energienetwerken Defensiespecifiek

Geschiktheid voor militair gebruik

Vaarafstand tot Texel Beperking voor medegebruik

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Pagina 82 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Pagina 83 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

Defensie heeft behoefte aan voldoende, gegarandeerde, havencapaciteiten (afmeer- en overslagcapaciteit) voor de afhandeling van meerdere schepen tegelijk met militaire lading. “Gegarandeerd” betekent in deze behoefte dat Defensie permanent, zonder afstemming en ad hoc gebruik moet kunnen maken van havencapaciteit. Dit is met name noodzakelijk aangezien Nederland zich in NAVO verband heeft gecommitteerd aan Host Nation Support (HNS) activiteiten en transitieland. Havencapaciteit Defensie wil zich internationaal nog meer onderscheiden op het gebied van militaire mobiliteit. Daar hebben we momenteel al een voortrekkersrol in en die positie willen we behouden. Nederland is namelijk een belangrijk doorvoerland voor de krijgsmachten van de VS, Canada en het VK. Onze bondgenoten moeten op ons kunnen vertrouwen dat we hun troepen voor langere tijd kunnen ondersteunen (Defensievisie 235, pagina 30). Voor Military Mobility en HNS maakt Defensie momenteel gebruik van twee havens, de Eemshaven en Vlissingen. Vlissingen is aangemerkt als een primaire haven voor HNS-operaties. Hierbij komen eenheden tot brigade grootte met meerdere schepen aan in Europa om daarna te worden doorgevoerd met weg-, rail- en binnenwatervervoer naar de eindbestemming. Door de reguliere havenactiviteiten (o.a. container- en bulkgoedoverslag) en de toegenomen activiteiten i.h.k.v.

de energietransitie is ad hoc vrije havenruimte van de vereiste omvang zeer schaars. Voor de overslag van met name containers, inclusief gevaargoed, is een locatie in de Rotterdamse haven met gegarandeerde beschikbaarheid noodzakelijk. Hiernaast is een derde haven noodzakelijk voor redundantie en spreiding van de belasting van de faciliteiten en haven- en verkeersinfrastructuur Nederleggen Bij de verlading van militaire voertuigen en voorraden zijn meestal gevaarlijke stoffen (o.a. munitie en brandstof) aanwezig. Het is dus essentieel dat op de havenlocaties die Defensie gebruikt, nederlegging van gevaarlijke stoffen is toegestaan/ vergund. Bij gebruik van een haven voor HNS-operaties moet eventueel grootschalige munitie doorvoer mogelijk zijn. De wens van Defensie is om over een ‘gegarandeerd gebruik’ te kunnen beschikken t.b.v. uitvoeren taken, waarbij het dus niet gaat om tijdelijke locaties en tijdelijke activiteiten. Bij voorkeur wordt er een eigen haventerrein verkregen en worden er voor een ander terrein afspraken gemaakt, voor gegarandeerd gebruik. De voorkeur komt mede voort uit de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden, waarin wordt aangegeven dat haventerreinen steeds meer in buitenlandse handen (b.v. China) vallen.

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )? Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

De ruimtevraag gaat juist over het aan land brengen van materieel in Nederland. Aangezien de middelen in Nederland aankomen en vervolgens worden getransporteerd naar andere NAVO-landen (status als transitieland in NAVO-verband).

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

Defensie heeft behoefte aan voldoende, gegarandeerde, havencapaciteiten (afmeer- en overslagcapaciteit) voor de afhandeling van meerdere schepen tegelijk met militaire lading. Dit is met name noodzakelijk aangezien Nederland zich in NAVO verband heeft gecommitteerd aan Host Nation Support activiteiten en transitieland.

In de huidige situatie minimaal 2 x per jaar circa drie weken voor Brigade Combat Team vanuit Amerika, maar dit zal naar verwachting toenemen.

Pagina 84 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Bijbehorende ruimtebehoefte

Locatie-eisen

Te beschouwen alternatieven in planMER

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

Beoordelingskader voor de alternatieven

Om een gemiddelde eenheid te kunnen transporteren met zeevervoer is t.b.v. het laden/lossen van een schip een terrein nodig waar ± 3.500 meter lengte aan voertuigen en containers kan worden opgesteld. Bij de verplaatsing van een VJTF-eenheid ter grootte van een bataljonstaakgroep naar het inzetgebied zijn volgtijdelijk vier á vijf schepen nodig. Afhankelijk van het land / oefening / missie kan de behoefte groter zijn. Een schip zal doorgaans drie weken in de haven liggen om alle goederen uit te laden. Daarbij moet het op een later moment weer worden geladen op het schip. Op dit moment gebruikt de VS al twee maal per jaar een Nederlandse haven, waardoor minimaal zes weken het terrein gereserveerd moet worden. Bij een toename van oefeningen, zullen de aantal weken toenemen. De militaire EU-eisen13 aan een haventerrein zijn o.a. dat er een opstelruimte van minimaal 7,5 ha beschikbaar is voor voertuigen en dat nederlegging van munitie en brandstof toegestaan en mogelijk is. De minimale lengte van de kade dient 400 meter lang en 40 meter breed te zijn en benaderbaar voor schepen met een diepgang van 15 meter. Tevens is er een Roll on, Roll off Ramp als voorziening een vereiste.

De locatie-eisen die gelden voor het aanwijzen van een haven voor Host Nation Support zijn: • De zeehaven moet opstelplaatsen hebben van minimaal 7,5 ha voor voertuigen • Nederlegging van munitie en brandstof moet vergunbaar zijn. • De minimale lengte van de kade dient 400 meter lang en 40 meter breed te zijn • Benaderbaar voor schepen met een diepgang van 15 meter. • Een Roll on, Roll off Ramp als voorziening. • Behoefte aan eigendom van een deel van de toe- en afvoerwegen naar de HNS locatie, als wel ontsluiting naar railvervoer. • Faciliteiten (mogelijk) zijn voor het tanken van voertuigen. • 3500 meter lengte aan terrein voor opstellen voertuigen en containers • Capaciteit voor zijlading i.v.m. containers (minimaal 30 meter) • Spoor lengte minimaal 600 meter (trein lengte 550 meter + locomotief) • Koplading (MLC80) voor het laden en lossen van treinen (evt. mobiel) De havens van Amsterdam en IJmuiden zijn niet kansrijk, omdat deze alleen via een sluis benaderbaar zijn. Dit is onwenselijk voor snel doorvoeren en altijd beschikbaar zijn van een vrije vaarroute. Den Helder is ook niet kansrijk, omdat deze te ondiep is voor de zwaarste cargoschepen en het getij daar tegenwerkt.

Dit maakt dat de overgebleven grote zeehavens: Vlissingen, Rotterdam en Eemshaven de te onderzoeken alternatieven zijn (met mogelijk daarbinnen diverse kavels) Het selecteren van locaties voor gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support is in de voorgaande passages al beschreven. Het ontwikkelen van een nieuwe haven is in verband met bijkomende kosten en infrastructuur niet aan de orde. Van de bestaande grote zeehavens is enkel een aantal die aan de specifieke locatie-eisen voldoen, zoals hierboven is toegelicht. De overgebleven havens: Vlissingen, Rotterdam en Eemshaven blijven daarom over als de te onderzoeken alternatieven. Voor de beoordeling van de impact van deze behoefte gaat het vooral om de impact van het ruimtebeslag op de aanwezige waarden en effecten binnen de drie havenalternatieven. Dit is al bebouwd gebied waar de aantasting op aanwezige waarden (behoudens mogelijk ecologie) al heeft plaatsgevonden door aanleg van de haven zelf. Daarmee zijn diverse thema’s waar waarden (zoals cultuurhistorie en aarkunde) centraal staan niet meegenomen in het beoordelingskader. Ook zijn diverse andere thema, waaronder sociaal en economie, voor deze behoefte niet relevant. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema Gezonde en

13

Thema Geluid

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa

Military Requirements for Military Mobility within and beyond the EU, nr. 11373/19, d.d. 19 juli 2019.

Pagina 85 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Veilige Leefomgeving

Luchtkwaliteit Externe veiligheid

Natuur, landschap en historie

Klimaatadaptatie

Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa

Natuur

NNN, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten

Overstromingen Droogte Rainproof

Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling Impact van droogte op de ontwikkeling Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling

Grondeigendom

De mate van grond in bezit van overheden en/of hoeveel eigenaren geraakt kunnen worden Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Ruimtegebruik Energienetwerken

Energie en Circulariteit

Netcapaciteit Circulariteit Energie

Impact van netcongestie op de ontwikkelingen Kansen voor grondstofhergebruik bij de ontwikkeling Kansen voor duurzame energieopwekking bij de ontwikkeling

Defensiespecifiek

Geschiktheid militair gebruik

Zie specifieke locatie-eisen

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Pagina 86 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Pagina 87 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit

Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen,

Defensie zit krap in zijn ruimte voor militaire vliegactiviteiten in Nederland omdat in het vorige decennium de vliegbasis Soesterberg en Twente en marinevliegkamp Valkenburg zijn afgestoten en vliegbasis De Peel een andere functie heeft gekregen. Om binnen die bestaande geluidsruimte te kunnen blijven, werd wel voorzien dat de bedrijfsvoering voortdurend zou moeten worden geoptimaliseerd. Dat betekent o.a. het intensief gebruik van simulatoren, oefeningen (en missies) in het buitenland, gebruik van overige vliegbasis en route-optimalisatie. Daarmee is de grens van de beschikbare (geluids)ruimte bereikt en zijn er onvoldoende mogelijkheden voor extra luchtvaart gerelateerde activiteiten. Ondertussen is de internationale veiligheidssituatie ernstig verslechterd, met de Russische inval in Oekraïne als meest bepalende factor. Daarom moet rekening worden gehouden met intensivering van vliegactiviteiten met jachtvliegtuigen in Nederland. Door zowel een toename van vliegactiviteiten van Nederlandse jachtvliegtuigen alsmede ook een toename van buitenlandse jachtvliegtuigen in Nederland. Deze intensivering vindt plaats in de zogenaamde peacetime vigilance fase (verhoogde waakzaamheid in vredestijd). Dit is de fase in aanloop naar een daadwerkelijk conflict waarin artikel 5 nog (net) niet is afgekondigd. In deze fase is dus gebruikelijke wet- en regelgeving van kracht.

Naast de intensivering in Nederland vindt er ook intensivering bij de EU- en NAVO partners plaats. De dreiging van Rusland is urgent en NAVO-plannen, waaronder het NATO concept for the Deterrence & Defence of the Euro Atlantic Area (DDA), zijn herijkt om de gereedheid, inzetbaarheid en paraatheid binnen Europa te vergroten. Dit leidt tot een toename van jachtvliegtuigenactiviteiten in Nederland voor de volgende activiteiten: • Grootschalige NAVO-oefeningen: Van Nederland wordt verwacht een bijdrage te leveren aan grootschalige NAVO-oefeningen. Deze grote internationale oefeningen hebben als doel tactieken af te stemmen en tegelijkertijd een bijdrage te leveren aan afschrikking. Dit vraagt om ruimte voor tijdelijke huisvesting van internationale vliegtuigen, materieel en personeel op Nederlandse militaire vliegvelden. Ook vraagt dit om geluidsruimte. Voorbeelden van grote oefeningen zijn Frisian Flag, Air Defender en NATO-flag. • Internationale beddown: In 2012 en 2016 heeft Nederland vier locaties aangeboden voor het beddown-concept van internationale vliegtuigen t.b.v. eventuele troepenopbouw binnen Europa (vliegbases Leeuwarden, Volkel, Gilze-Rijen en Eindhoven). Met de toegenomen dreiging is de kans op het beoefenen of zelfs activeren van deze functionaliteit groter geworden en dus ook op extra vliegoperaties vanaf Nederlands grondgebied en in Nederlands luchtruim.

• Agile Combat Employment (ACE)-concept: De oorlog in Oekraïne heeft laten zien dat vliegvelden kwetsbaar zijn voor aanvallen. Om deze kwetsbaarheid te verminderen, heeft de NAVO prioriteit gegeven aan het ACE-concept. Dit is een netwerk van diverse soorten vliegvelden, waarbinnen vliegtuigen kunnen rouleren om de kans op succesvolle aanvallen van een tegenstander te verkleinen. Dit netwerk en/of het beoefenen van het concept vraagt om extra beschikbare ruimte in Nederland. Deze NAVO-prioriteit heeft er o.a. in geresulteerd dat in oktober 2022 Amerikaanse F-35’s en F-22’s tijdelijk werden gestationeerd op Vlb Leeuwarden. Deze activiteiten passen niet in de huidige (geluids)ruimte die de actieve vliegvelden bieden, evenals eventuele intensivering van vliegactiviteiten van Nederlandse jachtvliegtuigen in de ‘peacetime vigilance fase’ om gereedheid, inzetbaarheid en paraatheid te vergroten. Voor de kwantitatieve behoefte voor de taakstelling in de ‘peactime vigilance’ fase is de vraag welk criterium het meest bepalend is. Operationeel gezien is dat het ACE-concept. Hiervoor geldt: Des te meer locaties, des te beter. Tegelijkertijd biedt Nederland weinig ruimte voor veel locaties en is het complex om vele geluidscontouren te verkrijgen. Een gulden middenweg is daarom nodig. Voor het bepalen van die gulden middenweg volgt een opsomming en korte uitwerking van de criteria:

Pagina 88 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

uren, frequenties etc. )?

1. 2.

3.

Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

Bijbehorende ruimtebehoefte

Locatie-eisen

Alternatieven (“hoe”) & Varianten (“waar”)

Het aantal locaties moet toereikend zijn voor de beddown van 45 Nederlandse toestellen verdeeld over 3 squadrons (huidige financiering) en reserveveldfunctie. Het aantal locaties moet toereikend zijn voor het accommoderen van internationale beddown en het beoefenen van Host Nation Support. Hiervoor weegt mee dat Nederland zich in 2012 en 2016 heeft gecommitteerd aan het ter beschikking stellen van totaal 4 locaties aan de NAVO. Deze locaties moeten ruimte bieden voor ongeveer 40 jachtvliegtuigen en 10 luchttransport/air-to-air refuelling (lutra/AAR)- toestellen (vliegbases Leeuwarden, Volkel, Gilze-Rijen en Eindhoven). Het aantal locaties moet toereikend zijn voor het beoefenen van het ACE-concept. Hoe meer locaties hoe meer invulling kan worden gegeven aan het ACE concept.

Kwantitatieve onderbouwing huidige situatie en de behoefte. 1. Het plangetal voor de ‘peacetime vigilance’ fase is 7500 sorties. Dit volgt uit een mix van toename in internationale activiteiten (ACE-concept, internationale beddown en flag-oefeningen) en/of het verhogen van het aantal jaarlijkse vlieguren per Nederlands toestel. 2. Op dit moment beschikt Nederland over 2 Main Operating Base (MOB) Vliegbasis Volkel (2000 sorties) en Leeuwarden (2700 sorties). Internationaal is afgesproken dat op Vliegbasis Eindhoven, Vliegbasis Gilze Rijen internationale bed down mogelijk is voor jachtvliegtuigen. Dit gaat om circa 250 sorties op Vliegbasis Eindhoven en circa 250 sorties op Vliegbasis Gilze Rijen (secundaire functies). Totaal beschikt Nederland dus over gegarandeerde operationele ruimte voor 5200 sorties (2700+2000+250+250) 3. Om in de ‘peacetime vigilance’ fase voldoende planningsruimte te hebben is er in Nederland dus ruimte nodig voor 2300 extra sorties (7500 minus 5200 = extra 2300 sorties). Dit is inclusief het vinden van een geschikte luchthaven voor de reserveveldfunctie. Voor Vliegbasis Gilze Rijen is reeds afgesproken dat gezocht wordt naar een alternatieve luchthaven voor de reserveveldfunctie (het gegarandeerd gebruik van 250 sorties op Gilze Rijen staat hier los van).

De bedrijfsvoering is reeds aangepast om het gebruik van jachtvliegtuigen passend te maken, waaronder opleiding en training in het buitenland. Zoals beschreven moet echter rekening gehouden worden met intensivering van activiteiten in de ‘peacetime vigilance’ fase in Nederland, zoals internationale beddown, HNS, ACE en flag-oefeningen. Deze activiteiten zijn een bondgenootschappelijke opgave waarbij ieder land op eigen grondgebied zorgt dat er voldoende ruimte geboden wordt. • NATO AIR BASING SELECTION (MCM-0057-2013): MC approval voor o.a. Volkel als locatie voor jachtvliegtuigen; • OPERATIONAL REQUIREMENTS FOR AIR BASING ADDITIONAL REQUIREMENTS (IMSM0168-2020): kwantificering bezoekende international eenheden • NATO concept for the Deterrence & Defence of the Euro Atlantic Area (DDA) • NATO regional plans (RP) • AIRCOM news letter 26-7-23: Agile Combat Employment (ACE) als 5e prioriteit - Luchthavenbesluiten met passende geluidscontouren; - Infrastructurele aanpassingen. - De vormen en de totaaloppervlakte van de geluidscontouren moeten toereikend voor het genoemde aantal jaarlijkse sorties; - Het totaal aan locaties moet voldoende fysieke ruimte en geluidsruimte blijven bieden voor de overige vliegende systemen van de Koninklijke Luchtmacht (helikopters, Lutra/AAR en MQ9) en de reserveveldfunctie voor jachtvliegtuigen.

(1) Beschikbare locaties als beperking; (2) Toevoegen één extra jachtvliegtuiglocatie (voor tijdelijk of permanent gebruik); (3) Toevoegen twee extra jachtvliegtuiglocaties (voor tijdelijk of permanent gebruik).

(1) Contouren vergroten in Leeuwarden en Volkel. (2) Contouren Leeuwarden, Volkel, behouden.

Pagina 89 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Uitbreiding op Eindhoven, Gilze-Rijen, Woensdrecht, de Peel heropenen of samenwerking met een civiele luchthaven. (3) Contouren Leeuwarden, Volkel, behouden Uitbreiding op twee locaties, keuze: Eindhoven, Gilze-Rijen, Woensdrecht, de Peel heropenen en/of samenwerking met een civiele luchthaven. (1) De bestaande contouren van de volwaardige MOBs Volkel en Leeuwarden worden in deze optie aangepast om de extra activiteiten te kunnen accommoderen.

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

(2) In deze optie blijven de bestaande contouren van Volkel en Leeuwarden intact. De 2300 extra sorties zijn voorzien op één van de andere vijf locaties. (3) In deze optie blijven de bestaande contouren van Volkel en Leeuwarden intact. De 2300 extra sorties zijn voorzien op twee van de andere vijf locaties. (4) Deelen en De Kooy worden in deze fase niet geschikt geacht voor jachtvliegtuigen vanwege de specificaties van de infrastructuur/start- en rolbanen en de situering t.o.v. bebouwing en/of natuur. De alternatieven gaan uit van stationering van (extra) jachtvliegtuigen op de te beschouwen alternatieven. Het fysieke ruimtebeslag van deze alternatieven neemt niet toe. Daarom gaat het om de effecten van de jachtvliegtuigen zelf (zoals geluid, veiligheid, stikstof, etc.). Daarnaast wordt wel gekeken in hoeverre klimaatadaptieve aspecten onderscheidend zijn tussen de diverse alternatieven. Dit staat echter los van de activiteit van de jachtvliegtuigen zelf. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema

Thema Geluid

Licht Trillingen

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling Impact van trillingen op de ontwikkeling en vice versa

Natuur

NNN, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten

Klimaatadaptatie

Overstromingen Droogte Rainproof

Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling Impact van droogte op de ontwikkeling Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling

Ruimtegebruik

Energienetwerken

Sociaal en vitaal

Economie

Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa Impact en kansen op werkgelegenheid, kennis & innovatie bij de ontwikkeling

Defensiespecifiek

Geschiktheid militair gebruik

Zie locatie-eisen, o.a. beoordeling op ACE-concept

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Luchtkwaliteit Gezonde en Veilige Leefomgeving

Beoordelingskader voor het planMER

Natuur, landschap en historie

Externe veiligheid

Pagina 90 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Pagina 91 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Onbemande maritieme helikopters

Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )? Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

Onbemande systemen/drones hebben een hoge prioriteit binnen Defensie. Mede door de oorlog in Oekraïne is zichtbaar geworden dat gevechtssituaties sterk worden beïnvloed door dronegebruik. Op het gebied van maritieme drones heeft Defensie behoefte aan de inzet van onbemande helikopters/drones. Het gaat hierbij om onbemande helikopters voor mijnenbestrijding en voor maritieme verkenning: intelligence, surveillance en Reconnaissance (ISR). Oefeningen met deze systemen zijn mogelijk binnen de bestaande oefengebieden EHD41, EHD42 en EHR8 en vanwege het maritieme karakter is De Kooy de enige logische plek voor het stationeren van deze drones. Vanuit hier zijn corridors nodig naar de genoemde oefengebieden. De beoogde onbemande helikopters uit de en de reeds aangeschafte Skeldars zijn primair bedoeld voor het optreden in het maritieme domein in combinatie met de NH-90 en schepen. Om die reden is het logisch om de onbemande helikopters op MVK De Kooy te stationeren. Om hiermee te kunnen oefenen en trainen worden oefengebieden gebruikt. De bestaande oefengebieden op zee (EHD41, EHD42 en de EHR8) kunnen hiervoor worden gebruikt. Om De Kooy te kunnen verlaten, naar deze oefengebieden te vliegen en weer terug te keren, is ruimte nodig. Deze corridors worden niet alleen gebruikt voor oefeningen, maar zijn ook noodzakelijk voor de bescherming van vitale infrastructuur.

In de huidige situatie zou dan hetzelfde luchtruim gebruikt moeten worden als het overige vliegverkeer. De drones zijn zwaarder dan 150 kg (Skeldar is circa 250 kg). Dit betekent dat ze moeten voldoen aan de luchtvaarteisen, maar dat is nog niet het geval. Dit betekent dat ze gesepareerd moeten worden met ander vliegverkeer. Het huidige luchtruim met de daarbij horende regelgeving geeft echter onvoldoende mogelijkheden om onbemand en bemand vliegverkeer te separeren. Het gaat hier om lager gelegen luchtruim en staat dus los van luchtruimherziening. Daarom zijn corridors nodig van MVK De Kooy naar de genoemde gebieden. Dit is nog niet bekend. Naar verwachting zal het gaan om een omvang van een half squadron met daarbij behorende vlieguren. Veel daarvan zal gevlogen worden voor inzet vanaf schepen op zee (minimaal de helft van de vlieguren). Het resterende deel wordt gebruikt worden voor oefeningen in de genoemde gebieden. De corridors worden alleen geactiveerd voor de transitie naar die oefengebieden doormiddel van de zogenaamde NOTAMS. Te denken valt aan enkele keren per week voor beperkte tijdsblokken. Voor de Skeldars wordt samengewerkt met België. Gedreven door certificeringseisen conform | European Union Aviation Safety Agency (EASA)-regelgeving is de verwachting echter dat de Skeldar gebruik moet maken van MVK De Kooy .

Dit is ook niet onlogisch omdat de Skeldar een sterke link heeft met de NH-90 in verband met gezamenlijk optreden aan boord van de schepen. Voor de onbemande helikopters t.b.v. ISR geldt ook dat gezamenlijk optreden met de schepen plaatsvindt. De schepen zijn gelegen in Den Helder, waardoor MVK De Kooy de meest logische locatie is.

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

Bijbehorende ruimtebehoefte

Samenwerkingsverband Skeldars met België.

Voor het gebruik van de drones geldt dat vanuit MVK De Kooy opgestegen en geland moet kunnen worden. Vervolgens moet (binnen het luchtruim van MVK De Kooy ) ruimte geboden te worden om te klimmen naar de juiste hoogte (en bij terugkomst te dalen). Dit heeft mogelijk beperkingen voor toekomstige windmolengebieden. Als laatste vliegen de drones in smalle corridors naar de oefengebieden EHD41, EHD42 en EHR8 en weer terug.

Pagina 92 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Locatie-eisen

• • • • •

Start- en landingslocatie is MVK De Kooy. De te bereiken oefengebieden zijn EHD41, EHD42 en EHR8. Fysieke ingrepen zijn niet voorzien (behoudens mogelijke aanpassingen op het terrein van De Kooy zelf). Corridors zijn maximaal 3 km breed. Vlieghoogte is circa 3.000 voet (914 meter) met een hoogteband van 1.000 voet (305 meter). Conform vaarroutes marineschepen naar oefengebieden

Te beschouwen alternatieven in planMER

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

Eén vertrek- en landlocatie (MVK De Kooy) en verschillende corridoralternatieven naar de oefengebieden.

Vermijden kwetsbare gebieden op weg naar oefengebieden op land en op zee. Er zijn geen alternatieven voor MVK De Kooy, vanwege de aanwezigheid van de marine in Den Helder. Het is niet doelmatig om vanuit een andere vliegbasis de oefengebieden op zee te benaderen, vanwege de grote afstand van de maritieme eenheden en die vliegbases. Op zee zijn voornamelijk windparken, vaarroutes en natuurgebieden van belang. De alternatieven zijn langs die drie belangen vormgegeven. De alternatieven verhouden zich elk op een andere wijze tot deze gebieden. Het eerste alternatief volgt de vaarroutes van marineschepen naar oefengebieden, geen rekening houdend met kwetsbare gebieden. Het tweede alternatief is het meest efficiënte alternatief: een rechte lijn naar de oefengebieden. Het derde alternatief houdt rekening met de meest nadrukkelijk aanwezige belemmeringen voor vliegverkeer: stiltegebieden, Natura 2000 en windparken (op zee). De alternatieven gaan uit van stationering van maritieme drones op MVK De Kooy . Het ruimtebeslag van deze basis neemt niet toe. Daarom gaat het om de effecten van de drones zelf (zoals geluid, veiligheid, stikstof, etc.). Daarnaast wordt wel gekeken wat de impact is van klimaatadaptieve aspecten voor MVK De Kooy . Dit staat echter los van de activiteit van de drones zelf.

Voor de corridors geldt dat met name naar geluid, impact op energietransitie, natuur en vaarroutes gekeken wordt. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema

Licht Trillingen

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling Impact van trillingen op de ontwikkeling en vice versa

Thema Geluid

Natuur

NNN, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten

Klimaatadaptatie

Overstromingen Droogte Rainproof

Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling Impact van droogte op de ontwikkeling Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling

Sociaal en vitaal

Economie

Ruimtegebruik

Energienetwerken

Impact en kansen op werkgelegenheid, kennis & innovatie bij de ontwikkeling Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Defensiespecifiek

Geschiktheid militair gebruik

Impact op vaarroutes

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Luchtkwaliteit Gezonde en Veilige Leefomgeving

Beoordelingskader voor het planMER

Rechte lijn naar oefengebieden

Natuur, landschap en historie

Externe veiligheid

Pagina 93 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Pagina 94 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Stationering en corridors drones voor cargo

Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )? Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

Bijbehorende ruimtebehoefte

Drones hebben een hoge prioriteit binnen Defensie. Mede door de oorlog in Oekraïne is zichtbaar geworden dat gevechtsituaties sterk worden beïnvloed door dronegebruik. Voor het oefenen met drones boven land zijn locaties nodig waar de cargodrones gestationeerd kunnen worden, en daarnaast zijn corridors nodig naar de bestaande oefengebieden in Nederland. Ontwikkelingen van drones gaan snel. Cargodrones kunnen Defensie helpen om bevoorrading in ‘the last tactical mile’ sneller, veiliger en personeelsextensiever te doen. Onbemande systemen (drones) worden al ingezet voor transport en de verwachting is dat dit ook voor groter (materieel)transport gaat gelden: de zogenaamde cargodrones. De behoefte aan deze systemen is groot omdat hiermee onder gevaarlijke gevechtsomstandigheden en tijdens slecht weer bevoorrading zeker gesteld wordt. In de nabije toekomst zullen deze systemen op de markt komen en zal Defensie deze behoefte gaan invullen. Invoer van dergelijke onbemande systemen dragen bij aan een arbeidsextensievere krijgsmacht, zoals ook verwoord in de Defensievisie 2035. Er kunnen met dezelfde aantallen mensen meer effecten gesorteerd worden met minder risico voor het personeel. Om ook te kunnen trainen en oefenen samen met de landmacht is ruimte nodig enerzijds op bestaande vliegbases en anderzijds corridors voor de cargo-drones naar één of meerdere oefengebieden.

Dit optreden dient geïntegreerd uitgevoerd te kunnen worden met andere eenheden, in het kader van Multi domein optreden. VLB Deelen is de beoogde locatie hiervoor. Deze locatie is al beoogd voor samenwerking tussen de helikopters van de luchtmacht met 11 Luchtmobiele Brigade van de landmacht (zeker als op VLB Deelen ook het tactisch luchttransport middels een dirtstrip en korte landingsbaan wordt uitgebreid). Toevoeging van operaties met onbemande helikopters is niet onlogisch, zeker met het oog op de toekomstige cargo drones. Om dit mogelijk te maken is ook een corridor nodig tussen MVK De Kooy (Den Helder) en VLB Deelen. Er lopen verschillende dronebehoeften op dit moment die een rol spelen in deze behoefte. De behoefte is nog niet exact te kwantificeren: dit hangt samen met de aantallen aan te schaffen systemen van zowel Koninklijke Marine als Koninklijke Landmacht. Verwachting op dit moment is dat er in ieder geval niet dagelijks gevlogen zal worden in de gewenste corridors op het moment dat de systemen worden aangeschaft. Behalve de technische mogelijkheden van het vliegen met cargodrones zullen ook tactieken en procedures uitgewerkt en beoefende moeten worden met de eenheden waarbij de cargodrones uiteindelijk in zullen stromen. Deze eenheden zijn geplaatst op of in de buurt van de genoemde landingsplaatsen.

Indien er geen ruimte voor cargodrones in Nederland beschikbaar wordt gesteld betekent het dat alle testen en experimenten in het buitenland zullen moeten plaatsvinden hetgeen vele malen duurder zal zijn vanwege de bijkomende kosten om eenheden in het buitenland te laten oefenen. De wens is daarom ook om Vlb Deelen de status “experimenteel” te geven zoals nu ook het geval is met ’t Harde.

Nee, er zijn op dit moment nog geen internationale verplichtingen.

De cargodrones moeten gestationeerd worden. Vanwege geïntegreerd optreden en oefenen is VLB Deelen de meest logische locatie. Op de vliegbasis moet hier ruimte voor gemaakt worden. Uitgangspunt is dat dit binnen het bestaande grondgebruik past. Wel heeft het mogelijk impact de benodigde milieuruimte. Aangezien de corridor ook tot en met MVK De Kooy loopt is het van belang dat hier ook fysieke ruimte en milieuruimte voor beschikbaar is. Bij andere locaties zouden extra vliegbewegingen en corridors toegevoegd moeten worden en dat is niet wenselijk gezien de bestaande vliegprogramma’s op deze vliegvelden.

Pagina 95 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

De drones zijn zwaarder dan 150 kg. Dit betekent dat ze moeten voldoen aan de luchtvaarteisen. Dit betekent dat ze gesepareerd moeten worden met ander vliegverkeer. Het is daarom wenselijk om hier corridors voor aan te wijzen. Door middel van deze corridors moeten gebieden aan elkaar verbonden worden.

Locatie-eisen

Te onderzoeken alternatieven in planMER

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

Voor de cargodrones geldt dat diverse parameters in de komende jaren uitgekristalliseerd moeten worden. Dit gaat om de exacte vlieghoogte en ruimtebeslag. Voor nu wordt voor de benodigde corridors uitgegaan van een hoogte van circa 1.500 voet (circa 457 meter) tot 4.000 voet (1219 meter) en een breedte van circa 4.000 voet (1219 meter). Start- en landingslocatie is voorzien op VLB Deelen. De te bereiken oefengebieden zijn Arnhemse heide, Stroese zand, Ederheide-Ginkelseheide en ASK -west. Fysieke ingrepen zijn hier niet voorzien (behoudens mogelijke aanpassingen op het terrein van basis zelf). De corridors zijn 4.000 (1219 meter) voet breed en circa 1.500 (457 meter) tot 4.000 voet (1219 meter) qua hoogte.

Corridors tussen VLB Deelen en oefenAlternatief 1: Kortste route naar oefengebieden gebieden Arnhemse heide, Stroese zand, Ederheide-Ginkelseheide en ASK west, inclusief verbindingen naar MVK Alternatief 2:Route waarbij gevoelige gebieden worden De Kooy (Den Helder), Marknesse en vermeden Twenthe. Er zijn meerdere corridors mogelijk vanuit deze gebieden: Uitgangspunt voor cargo-drones is dat de genoemde oefengebieden bereikt moeten worden. Voor ieder oefenterrein gelden verschillende varianten (één met de kortste route en één met een route waarbij gevoelige gebieden (Natura 2000, sterk stedelijk, stiltegebieden). De analyse in het MER is erop gericht om de locaties en routes onderling te vergelijken. Voor de afbakening van de alternatieven is gekozen doordat de genoemde gebieden de enige gebieden zijn die vanuit VLB Deelen te bereiken zijn met de drones en ook daadwerkelijk te trainen en te oefenen . Er zijn geen alternatieven voor Deelen en genoemde oefengebieden. Het ontbreken van een alternatief voor Deelen heeft te maken met de: De aanwezigheid van de eenheden die met drones werken op die locatie De aanwezigheid van de infrastructuur op Deelen. De nabijheid van oefengebieden De mogelijkheid tot het bereiken van vliegkamp De Kooy, Marknesse en VB Twenthe (de laatste 2 vanuit kennishubs) vanuit VLB Deelen. De alternatieven gaan uit van stationering van cargodrones op Deelen.

Het ruimtebeslag van deze basis neemt niet toe. Daarom gaat het om de effecten van de drones zelf (zoals geluid, veiligheid, stikstof, etc.). Daarnaast wordt wel gekeken wat de impact is van klimaatadaptieve aspecten voor Deelen (en MVK De Kooy ). Dit staat echter los van de activiteit van de drones zelf. Voor de corridors geldt dat met name naar geluid, impact op energietransitie, natuur en bebouwd gebied gekeken wordt. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER:

Beoordelingskader voor het planMER

Hoofdthema

Thema Geluid

Gezonde en Veilige Leefomgeving

Luchtkwaliteit Externe veiligheid Licht Trillingen

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling Impact van trillingen op de ontwikkeling en vice versa

Pagina 96 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Natuur, landschap en historie

Klimaatadaptatie

Sociaal en vitaal Ruimtegebruik

Natuur

NNN, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten

Overstromingen Droogte Rainproof

Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling Impact van droogte op de ontwikkeling Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling

Economie

Impact en kansen op werkgelegenheid, kennis & innovatie bij de ontwikkeling Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Energienetwerken

Defensiespecifiek

Geschiktheid militair gebruik

Directe routes (niet over bebouwd gebied)

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Pagina 97 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Laagvlieggebieden helikopters Het risico op een grootschalig conflict op het Europees continent werd jarenlang als beperkt ervaren. Hierdoor is de focus van Defensie jarenlang meer op de tweede hoofdtaak geweest, waarbij de verwachting was dat de eventuele vijand niet over geavanceerde wapensystemen kon beschikken en de voordelen van de derde dimensie optimaal konden worden benut. De Russische inval in Oekraïne en het wijdverspreide gebruik van luchtdoelraketten in zo’n conflict bevestigt dat de noodzaak voor het vliegen op beperkte hoogte nooit weg is geweest. Het is van levensbelang dat Defensie haar vliegend personeel in staat stelt deze maner van vliegen adequaat te beoefenen. Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/1019/documents/15440