CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

f3db87ea-1dcf-4f7c-a703-83d064b59347.pdf

Raadsvergadering 1 februari 2024, gemeente DrontenBij agendapunt: 8: Raadsvoorstel zienswijze Nationaal programma Ruimte voor Defensie36.129 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

5.3

Aanpak passende beoordeling De passende beoordeling is een onderdeel van het MER, omdat potentiële negatieve effecten niet uit te sluiten zijn op Natura 2000-gebieden. Bij het onderzoek van de alternatieven wordt al gekeken wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn. Voor het integrale Voorkeursalternatief wordt vervolgens de passende beoordeling uitgevoerd. Het is in deze fase van planvorming nooit uit te sluiten dat mogelijke negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 op kunnen treden. De Passende Beoordeling geeft inzicht in de effecten en mogelijke maatregelen om effecten te beperken of geheel te voorkomen. In de latere planvorming van de diverse ruimtevragen zal dit nader uitgewerkt moeten worden om de concrete effecten te bepalen en maatregelen af te wegen en in te zetten. Onderdeel van de Passende Beoordeling zijn ook enkele globale stikstofdepositieberekeningen. Deze berekeningen zijn bedoeld om de grootte van het effect te bepalen. Het gaat dus niet om berekeningen die achter de komma nauwkeurig zijn, het gaat vooral om inzicht in de grootte van de opgave om effecten te mitigeren.

Pagina 57 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Bijlage 1: Factsheet per behoefte met bovenregionale afweging

Pagina 58 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden De Landmacht beschikt over onvoldoende ondersteunende capaciteiten om haar gevechtseenheden adequaat te ondersteunen. De NAVO wijst al jaren op deze grote tekortkomingen: “De NAVO is kritisch over aanhoudende kwalitatieve en kwantitatieve tekortkomingen, vooral op het vlak van slagkracht en operationele (gevechts)-ondersteuning (combat support (CS) en combat service support (CSS)) in het landdomein.”5 Deze opgaven is onderkend in de Defensienota 2022, waardoor we achterstanden kunnen wegwerken en de inzetbaarheid van de krijgsmacht voor alle hoofdtaken kunnen verhogen. In de kern leiden drie grote opgaven voor de Landmacht tot een groeiende vraag naar ruimte voor ondersteunende eenheden: 1.

Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

Herstel en groei. Er zijn hardnekkige problemen en tekortkomingen. De toegenomen dreiging vraagt om een verbeterde gereedheid en inzetbaarheid: Defensie moet sneller en vaker kunnen worden ingezet en moet de inzet langer kunnen volhouden. Deze opgave is in belangrijke mate afhankelijk van de operationele (gevechts-)ondersteuning die de landmacht levert, zoals inlichtingen, vuursteun, operationele logistiek en medische ondersteuning. Deze ondersteunende eenheden vormen de ruggengraat van succesvol militair optreden. Momenteel beschikt zowel de Landmacht als het Defensie Ondersteuning Commando (DOSCO) over onvoldoende ondersteunende capaciteiten om de gevechtseenheden adequaat te ondersteunen. Diverse ondersteunende eenheden -zoals het 400 Geneeskundig Bataljon, Bevoorradings- en Transportcommando en JISTARC (Joint Intelligence, Surveillance, Target Acquisition & Reconnaissance Commando) - zitten op 50% tot 70% van de huidige capaciteit. En dit is nog zonder groei. Defensie werkt hard om deze eenheden op 100% te krijgen en daarna nog verder uit breiden. Dit leidt tot een sterke groei in ondersteunende eenheden, in sommige gevallen betekent dit de verdubbeling van ondersteunende eenheden in omvang en daarmee in de bijbehorende ruimte voor deze eenheden.

2.

Concentreren en versterken. Er is jarenlang niet geïnvesteerd in het vastgoed van Defensie. Mede hierdoor zijn eenheden noodgedwongen gevestigd op locaties die ter beschikking waren, maar niet goed toegerust op hun werk – laat staan ruimte bieden voor uitbreiding. Dit heeft in veel gevallen tot versnippering geleid. Met het Stragetischvastgoedplan (2022) wordt er geïnvesteerd in vastgoed van Defensie. Opleiden, werken en oefenen vindt daardoor niet op één locatie, maar verspreid door Nederland plaats. De Landmacht en DOSCO wil deze situatie verbeteren door gelijksoortige eenheden zoveel mogelijk te concentreren op dezelfde locaties. Door clustering van opleidings- en operationele eenheden worden leerlingen in een beroepsgerichte context opgeleid. Door verschillende eenheden uit hetzelfde werkveld samen te brengen kunnen eenheden beter samenwerken en versterken ze elkaar. Deze multidomein-benadering met synergie tussen eenheden en domeinen zorgt ervoor dat de krijgsmacht sneller en beter kan reageren op dreigingen en crisissituaties die zich plots aandienen. Door werven, opleiden, werken en trainen zoveel mogelijk te integreren op dezelfde locaties stelt Defensie haar medewerkers in staat “om een diverse loopbaan bij Defensie op te bouwen zonder veel verplaatsingen”6.

Gecombineerd zorgen deze opgaven ervoor dat Defensie drie ondersteunende ketens wil concentreren: de geneeskundige keten, de operationeel-logistieke keten en de information manoeuvre-keten.

3.

Bemensing. Het vinden en behouden van voldoende en gekwalificeerde mensen is één van de grote uitdagingen van Defensie, zeker in het licht van de verwachte groei. Dit geldt in het bijzonder voor de ondersteunende eenheden. Ter indicatie: eind 2022 was het C2 Ondersteuningscommando voor 52% gevuld, 400 Geneeskundig Bataljon voor 56% en het Bevoorradingsen Transportcommando voor 60%. Deze drie eenheden samen hadden meer dan 1.000 vacatures. De vele vacatures belemmeren de gereedstelling, en daarmee de inzetbaarheid, van deze eenheden. Door gelijksoortige eenheden regionaal te concentreren wordt de Landmacht aantrekkelijker als werkgever. Werven, opleiden en werken kan dan allemaal in dezelfde regio, of zelfs op één kazerne. Dit leidt tot een langer loopbaanperspectief en gezonde werk-privébalans.

Pagina 59 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

De groei van ondersteunende eenheden op de nu versnipperde locaties is niet mogelijk. Dit komt doordat er te weinig ruimte is op de bestaande kazernes. Dit maakt dat gezocht moet worden naar geschikte locaties waar de gewenste versterking en concentratie van ondersteunende eenheden wel plaats kan vinden. Gekeken wordt naar concentratie naar de drie ondersteunende eenheden bij elkaar, maar ook naar concentratiemogelijkheden van enerzijds medisch en logistiek en anderzijds Information manoeuvre. De groei van de ondersteunende eenheden: geneeskundig, operationeel-logistiek en information manoeuvre, is vertaald naar wat dit betekent voor de extra vraag naar ruimte: Geneeskundige keten De geneeskundige keten wordt in de volle breedte hersteld en versterkt. Volgens de Defensienota 2022 moet Defensie vanaf 2027 weer beschikken over voldoende hoogwaardige operationele gezondheidszorg. 400 Geneeskundig Bataljon wordt daardoor uitgebreid met mensen en middelen, waaronder drie compagnieën, ziekenauto’s en mobiele ziekenhuizen met chirurgische en IC-capaciteit. De eenheid verdubbelt in omvang. Meerdere eenheden uit de geneeskundige keten worden samengebracht., Daarnaast zal het DOSCO binnen het Medisch Geneeskundig Logistiek Centrum (MGLC) en het Defensie Geneeskundige Opleidingscentrum (DGOTC) haar opslag- en opleidingscapaciteit moeten vergroten.

Al met al komt de totale ruimtevraag van de geneeskundige keten neer op circa 125 hectare, wat een groei van circa 64 hectare betekent. Deze ruimtevraag past niet op één van de bestaande locaties op de wijze zoals die nu gedimensioneerd zijn.

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

Operationeel-logistieke keten De komende jaren worden circa 400 operationele wielvoertuigen (zoals vrachtwagens, aanhangwagens, opleggers en wissellaadsystemen) vervangen of uitgebreid. Dat leidt tot een grotere ruimtevraag. Zo worden de oude vrachtwagens van Defensie – de zogenaamde ‘4-tonner’ – vervangen door de nieuwe Scania Gryphus, die beduidend groter is. Dat leidt tot een behoefte aan grotere parkeerplaatsen, ruimere loodsen en garages en meer manoeuvreerruimte. De inschatting is dat dit leidt tot een extra ruimtevraag van circa 30% ten opzichte van het huidige ruimtebeslag. Samen met de groei van het Opleidings- en Trainingscentrum Logistiek (4%) komt de ruimtevraag van de operationeel-logistieke keten neer op circa 122 hectare, een groei van circa 21 hectare ten opzichte van de huidige situatie. Deze ruimtevraag past niet op één van de bestaande locaties op de wijze zoals die nu gedimensioneerd zijn. Information manoeuvre keten Succesvol optreden hangt meer en meer af van data en informatie. Drie eenheden dragen met hoogwaardige informatie, inlichtingen en verbindingen bij aan het vermogen van Defensie om te opereren in een complexere operationele omgeving: het Joint Intelligence, Surveillance and Reconnaissance Commando (JISTARC), het Command & Control Ondersteuningscommando (C2OstCo) en het 1 Civiel-Militair Interactie Commando (1 CMI Co).

De komende jaren wordt stevig in deze eenheden geïnvesteerd: • •

De huidige huisvesting van JISTARC kent grote gebreken en voldoet niet aan beveiligingseisen. Investeringen zorgen de komen jaren voor extra ruimtevraag van circa 10%. Door groei van het Vuursteun Commando wordt ruimte voor JISTARC op de kazerne ’t Harde beperkter. Het belang van het cyberdomein en het elektromagnetisch spectrum voor de krijgsmacht neemt sterk toe. Defensie investeert daarom in zogenaamde ‘cyber en elektromagnetische activiteiten’ (CEMA). Het C2OstCo wordt versterkt met een CEMA-eenheid, bestaande uit 160 extra mensen en ca. 60 voertuigen en containers. Dit leidt tot een extra ruimtevraag van circa 30% ten opzichte van het huidige ruimtebeslag. Dit gaat om groei van 7 hectare.

Het 1 Civiel en Militair Interactie Commando (1CMICo) levert gevechtskracht in de cognitieve dimensie. Hoewel de gebouwen waarin 1 CMICo gehuisvest is sterk verouderd zijn, kent de eenheid geen extra ruimtebehoefte vanwege de doorontwikkeling van de Landmacht.

5 Ministerie van Defensie (2022, 15 november). Overzicht van de NAVO Defence Planning Capability Review (DCPR) over Nederland (2022D47786), p. 1. 6 Ministerie van Defensie (2022). Strategisch Vastgoedplan 2022 (2022D51469), p. 6.

Pagina 60 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

De ruimtevraag van de information manoeuvre keten komt in totaal neer op 78 hectare, een groei van 12 hectare. Deze ruimtevraag past niet op één van de bestaande locaties op de wijze zoals die nu gedimensioneerd zijn. Concentratie Duidelijk is dat concentratie en versterking per keten (dus ook inclusief opleiding) zeer gewenst is. Een verdere concentratie van alle ondersteunende eenheden heeft ook grote voordelen op operationeel gebied (betere samenwerking en training), voor het personeel (bijvoorbeeld flexibiliteit in carrière zonder continue overplaatsing) en op financieel gebied. De oorlog in Oekraïne toont aan hoe belangrijk een goede samenwerking is tussen deze ondersteunende eenheden. Door al deze eenheden te concentreren, maken we het mogelijk dat deze eenheden van begin af aan samenwerken en zich voorbereiden op inzet, zodat zij elkaar beter begrijpen en sneller kunnen samenwerken in grote en kleine formaties. Concentratie van alle operationeel ondersteunende eenheden brengt verdere schaalvoordelen met zich mee, bijvoorbeeld door alle faciliteiten te integreren en extra ruimte te bieden aan andere kleinere eenheden. Bij concentratie van alle ondersteunende diensten op één locatie is het wenselijk om ook alle opleidingen op deze locatie plaats te laten vinden, inclusief de ondersteunende staf van het Operationeel Ondersteuningscommando Land en School Midden.

De NAVO wijst erop dat er tekortkomingen zijn bij de ondersteunende eenheden, bijvoorbeeld op het gebied van logistieke en geneeskundige capaciteit. Ook wijst de NAVO op noodzaak van versterking van capaciteiten op het gebied van information manoeuvre. Momenteel zijn de ondersteunende eenheden een zwakke schakel in de hele keten. Er zijn onvoldoende ondersteunende eenheden beschikbaar, wat direct impact heeft op de slagvaardigheid en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht. Versterken van deze eenheden is noodzakelijk. Concentreren van deze eenheden is een van de operationele aanpassingen vanuit operationeel oogpunt. Die concentratie vindt enerzijds plaats binnen de geneeskundige keten, de operationeel-logistieke keten en de information manoeuvre-keten: vergelijkbare eenheden gaan op één locatie werken, inclusief hun opleidingseenheden. Door clustering van opleidings- en operationele eenheden worden leerlingen in een beroepsgerichte context opgeleid, wat leidt tot beter opgeleide medewerkers. Door verschillende eenheden uit hetzelfde werkveld samen te brengen kunnen eenheden beter samenwerken: ze versterken elkaar en leren van elkaar. Anderzijds wordt door deze ketens op één locatie te vestigen de onderlinge integratie ook verbeterd, wat zorgt voor meer samenwerking en afstemming tussen de ondersteunende eenheden.

Door het werven, opleiden, werken en trainen zoveel mogelijk te concentreren op één locatie met voldoende arbeidspotentieel, versterken we dus de slagvaardigheid. We stellen onze medewerkers in staat een diverse loopbaan bij Defensie op te bouwen zonder veel verplaatsingen. Het maakt ons personeel goed opgeleid en bekwaam en schept rust en stabiliteit voor ons personeel en hun thuisfront, wat bijdraagt aan het behoud van ons personeel. Door gericht te investeren in concentratie van de ondersteunende eenheden wordt de inzetbaarheid voor de hoofdtaken van Defensie vergroot (Bron van de NAVO: Defence Planning Capability Review, 2021-2022). Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )? Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland? Zijn er internationale verplichtingen en wat is

Om de huidige eenheden en de benodigde groei te accommoderen is circa 370 hectare nodig. Dit is opgebouwd uit een benodigde ruimte van circa 125 hectare voor de geneeskundige keten, circa 122 hectare voor de logistieke keten en voor de Information Manoeuvre keten circa 78 hectare (exclusief overige ondersteunende en algemene functies (circa 42 ha)). Door de legering, burelen en lesvoorzieningen in gebouwen met meerdere bouwlagen te situeren, kan het totale oppervlakte in de praktijk verkleind worden. Dit betreft echter een relatief beperkt aandeel van het totale benodigde oppervlakte waardoor dit hoogstens (afhankelijk van de locatie) enkele tientallen hectares efficiëntiewinst op kan leveren.

Met deze behoefte wil Defensie onder-vulling van betrokken eenheden tegen gaan door deze eenheden dicht bij een groot arbeidspotentieel in Nederland te huisvesten. Huisvesting in het buitenland is daardoor sowieso niet aan de orde. “De NAVO is kritisch over aanhoudende kwalitatieve en kwantitatieve tekortkomingen, vooral op het vlak van slagkracht en operationele (gevechts)-ondersteuning (combat support (CS) en combat service support (CSS) in het landdomein.”

Pagina 61 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

de bron en status? Om de huidige eenheden en de benodigde groei te accommoderen is circa 370 hectare nodig. Dit is opgebouwd uit een benodigde ruimte van circa 125 hectare voor de geneeskundige keten, circa 122 hectare voor de logistieke keten en voor de Information Manoeuvre keten 78 hectare (exclusief overige ondersteunende en algemene functies (42 ha)). Door de legering, burelen en lesvoorzieningen in gebouwen met meerdere bouwlagen te situeren, kan het totale oppervlakte in de praktijk verkleind worden. Dit betreft echter een relatief beperkt aandeel van het totale benodigde oppervlakte waardoor dit hoogstens (afhankelijk van de locatie) enkele tientallen hectares efficiëntiewinst op kan leveren. Voor het vinden van een geschikte locatie(s) voor deze benodigde 370 hectare is gekeken naar de huidige Defensielocaties waar (onderdelen van) de ondersteunende eenheden reeds gevestigd zijn met bouwhoogte tussen de 2 en 3 bouwlagen. Daarbij zijn er drie opties: 4. 5. 6. Bijbehorende ruimtebehoefte

Locatie-eisen

Te beschouwen alternatieven in planMER

Het versterken en concentreren van alle ondersteunende eenheden meerdere bestaande locaties. Het versterken en concentreren van de verschillende ketens op één bestaande locatie, waarbij die locatie in omvang wordt uitgebreid. Het versterken en concentreren van alle ondersteunende eenheden op een nieuwe locatie.

Na het beschouwen van alle huidige Defensielocaties in de regio blijkt dat geen bestaande Defensieobjecten groot genoeg is om de volledige concentratie van drie ondersteunende eenheden te accommoderen. Wel zijn er twee locaties (Legerplaatsen Ermelo (82 hectare) en Stroe (196 hectare)) die mogelijk ruimte bieden voor concentratie van één keten van ondersteunende eenheden. Deze locaties bieden mogelijk genoeg ruimte voor een deel van de concentratie-opgave van de Landmacht, beschikken bij voorkeur over genoeg resterende strategische ontwikkelruimte om toekomstige groei op te kunnen vangen, en kennen een omvangrijk regionaal arbeidspotentieel die de Landmacht helpt bij het vinden en aantrekken van nieuw personeel. Om concentratie op deze locaties mogelijk te maken is wel uitbreiding van de bestaande kazernes nodig. Deze configuratie (concentratie op Stroe en/of Ermelo i.c.m. uitbreiding van deze terreinen) wordt in het MER onderzocht. Omwille van de gereedstelling van de ondersteunende eenheden inclusief opleidingen dient in de directe nabijheid van een potentiële locatie circa 150 ha aan oefenterrein beschikbaar te zijn, of gerealiseerd te kunnen worden. Bij een geheel nieuwe kazerne is de wens om ook een aangrenzend oefengebied te realiseren van circa 150 hectare, zodat in deze behoefte ook direct voorzien wordt direct naast de kazerne.

Op dit nieuwe terrein worden kleinschalige oefeningen uitgevoerd. Bij de bestaande locaties speelt de wens niet, omdat de bestaande oefengebieden hier al op korte afstand gelegen zijn. Voor die alternatieven is de ruimtevraag dus kleiner (circa 370 hectare). • De locatie kan de huidige en toekomstige groei van de Landmacht opvangen. Dat betekent dat er voldoende strategische ontwikkelingsruimte beschikbaar moet zijn. • Ligging van een bestaand of nieuw te realiseren oefenterrein van circa 150 hectare nabij. • De locatie staat de concentratie van de drie ondersteunende ketens zoveel mogelijk toe, uitgaande van 370 hectare bij volledige concentratie. • Snelle realisatie: om zo snel mogelijk aan de dringende ruimtevraag van een groeiende Landmacht te voldoen, gaat de voorkeur uit naar gronden die naar verwachting redelijk snel te gebruiken zijn (rekening houdend met ruimtelijke procedures, aantal grondeigenaren en bijvoorbeeld bestaande pachtconstructies etc.). • Ligging centraal in Nederland, nabij groot arbeidspotentieel. Dat betekent dat er in de omgeving genoeg jonge mensen te vinden zijn. • Defensiegebruik: de potentiële locatie dient de bedrijfsvoering en gereedstelling van de eenheden zo goed mogelijk accommoderen.

Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar ruimtelijke inpassing (reliëf van het terrein, logische opbouw en weinig doorsnijdingen) of specifieke operationele activiteiten, zoals het kunnen oefenen met drones De volgende alternatieven op diverse locaties op bestaande en nieuwe gebieden worden onderzocht:

Pagina 62 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

1.

Versterken en deels concentreren op twee bestaande Defensielocaties: Vanuit operationeel oogpunt is de combinatie geneeskundig en logistiek enerzijds en anderzijds Information manoeuvre voor de hand liggend. 2. Versterken en concentreren op één bestaande Defensielocatie, die in omvang wordt uitgebreid: • Variant 1: Ermelo • Variant 2: Stroe 3. Versterken en concentreren op één nieuwe Defensielocatie • Variant 1: Zeewolde - Gooiseweg • Variant 2: Zeewolde – Spiekweg • Variant 3: Zeewolde – Oosterwold • Variant 4: Biddinghuizen – Noord • Variant 5: Locatie gelegen in landbouwtransitiegebied Door Defensie is onderzocht wat de grootte van de bestaande kazernes is, welke ruimte nu al (en in de toekomst) bezet is door andere onderdelen en welke ruimte dus nog potentieel vrij is. De conclusie is dat geen van de bestaande Defensieobjecten groot genoeg is om de volledige concentratie van ondersteunende eenheden te accommoderen. Legerplaatsen Ermelo (82 hectare) en Stroe (196 hectare) bieden wel mogelijkheden voor concentratie van één keten van ondersteunende eenheden. Daarom zijn deze als kansrijke alternatieven benoemd. Wanneer fysieke uitbreiding mogelijk is op bestaande locaties, moet onderzocht worden of concentratie van twee of drie ondersteunende ketens passend te maken is.

Daarom zijn ook deze twee locaties benoemd als redelijkerwijs te onderzoeken varianten binnen het alternatief ‘Versterken en concentreren op één bestaande Defensielocatie’.

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

Voor een nieuwe locatie is een vorige studie reeds een GIS-analyse uitgevoerd naar kansrijke gebieden. De uitkomsten van deze studie zijn ook door de Staatssecretaris van Defensie (o.a contouren Strategisch vastgoedplan), en in de brief van minister de Jonge met het startpakket voor de provincies (12 december 2022) gedeeld. Hierbij is aangegeven dat de voorlopige voorkeurslocatie in de gemeente Zeewolde ligt en er nog opties in Flevoland zijn (Zeewolde en Dronten). Aanvullend heeft de gemeente Zeewolde zelf een locatie aangedragen (Oosterwold) om nader te onderzoeken. Tot slot wordt ook gekeken naar een mogelijke optie/opties in landbouwtransitiegebieden in het midden van het land om mogelijke kansen vanuit dit spoor te koppelen aan de behoefte voor een nieuwe kazerne. Voor deze locatie(s) wordt in het planMER nader onderbouwd of en hoe deze tot stand is/zijn gekomen. Samengevat zijn de kansrijke gebieden (zie de vijf varianten) geselecteerd op basis van de volgende uitgangspunten. Deze selectiecriteria gelden uitsluitend voor een geheel nieuwe locatie, met als doel het komen tot potentieel geschikte locaties. Selectiecriterium Benodigde omvang Bereikbaarheid/ligging (gekoppeld aan eis ‘ligging’) Afstand tot bebouwing Stikstof en natuur

Vitale infrastructuur

Duurzame energieopwekking Werelderfgoed en bijzondere cultuurhistorische waarden Geschikte ondergrond

Wijze van invulling criterium • Een omvang van 500 hectare (350 ha kazerne + 150 ha oefenterrein, waarvan minimaal 350 hectare buiten NNN • 45 minuten van 3 grote steden (> 100.000 inwoners) • 45 minuten van het middelpunt tussen de te clusteren kazernes • Minimaal 1.000 meter van bestaande steden en dorpen • Buiten Natura 2000-gebieden • Een locatie zonder negatieve stikstofeffecten (door afstand of salderingsmogelijkheden) • Buiten rijkswegen en provinciale wegen, incl. reserveringszones • Buiten NWB-vaarwegen en dijken • Buiten spoorwegen • Op minimaal 500 meter van bestaande windturbines • Buiten RES-zoekgebieden voor windenergie • Buiten UNESCO werelderfgoed • Buiten contouren van rijksmonumenten • Buiten landgoederen • Niet op veengronden of uiterwaarden

Pagina 63 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Aantal woningen/woonobjecten

Beoordelingskader voor planMER

•

< 20 woningen/woonobjecten in de aanwezige gebieden

Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden alle thema’s uit tabel 5.1 beschouwd. Dit, omdat de ontwikkeling nadrukkelijk een (nieuw) ruimtebeslag behelst, maar daarnaast ook allerlei kansen voor omgeving, energie, etc. kan verzilveren.

Pagina 64 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Extra locatie grootschalige munitieopslag Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

De behoefte is het gecentraliseerd en efficiënt omgaan met munitieopslag en de daarbij behorende logistieke acties. Hierdoor is extra ruimte voor de toekomstige groei aan munitie en uitgebreidere logistieke processen nodig.

De munitievoorraad wordt op langere termijn structureel fors opgehoogd om te kunnen voldoen aan de opgedragen (NAVO) taken. De capaciteit om munitie op te slaan zit hieraan gekoppeld, en moet dus meegroeien.

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

Ook onze bondgenoten zijn hun krijgsmacht inclusief munitievoorraden fors aan het uitbreiden. Diverse landen dreigen tegen hun opslagcapaciteit aan te lopen of willen voorraden gespreid positioneren. Nederland vormt over diverse assen ‘het achterland’, en ‘doorvoerhaven’ waardoor Nederland al dan niet tijdelijk munitieopslagcapaciteit aan bondgenoten kan aanbieden of daartoe gevraagd wordt. De huidige Nederlandse munitie-infrastructuur is niet gericht op dit soort internationale militaire samenwerkingen. De huidige opslaglocaties bestaan al geruime tijd waardoor bij een deel renovatie benodigd is. De munitie die daar ligt moet dan tijdelijk op andere locaties worden opgeslagen. Dit verhoogt de vraag naar munitieopslagruimte. Het is wenselijk om de nieuwe locatie(s) te situeren in de corridor Midden (gebied bovengrens Noord-Brabant tot ondergrens Drenthe) om hiermee landelijke spreiding te realiseren. De locatie sluit dan ook goed aan op de transportroutes vanuit militaire mobiliteit vanuit de havens naar het oosten. Er is daarnaast ook gekeken naar potentiële gebieden in Zuid-Nederland.

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )? Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

Groei naar de toekomst, de huidige opdrachten kunnen met de huidige infrastructuur worden opslagen. Verder doorgroeien is nauwelijks mogelijk. Er zijn nauwelijks uitwijkmogelijkheid. Defensie heeft nu circa 800 magazijnen verspreid over diverse locaties in het bezit. Voor de langere termijn is er mogelijk behoefte aan meer magazijnen, zoals de locatie Veenhuizen. Met een centraal depot zoals dat bijvoorbeeld nu in Veenhuizen gebeurt zou daarmee behoefte zijn aan circa 70 hectare (exclusief C-zone vanuit veiligheid).

De centrale munitievoorraad fungeert als strategische buffer om de eerste dagen tot aan herbevoorrading te kunnen overbruggen en dient dus in de buurt en onder Nederlands beheer te zijn. Logische buitenlandse alternatieven zoals Duitsland en België kampen zelf met te weinig munitieopslagcapaciteit. Nederland heeft ook geen grote locaties in het buiteland dat het neerleggen van substantiële voorraden rechtvaardigt. Bij wijziging van de NAVO-strategie kan in de toekomst mogelijk een deel van de munitievoorraad vooruitgeschoven op een vaste locatie worden gelegd (vgl. Seedorf en de Groepen Geleide Wapens ten tijde van de koude oorlog). Dit heeft een dempend effect op de munitieopslagbehoefte in Nederland, maar zal deze nooit volledig kunnen wegnemen. De gevechtskracht van de Krijgsmacht heeft een 1:1-relatie met de beschikbaarheid van munitie. Daarnaast is Nederland binnen de NAVO transitland en kan het aanbieden van muntieopslagcapaciteit aan partnerlanden een keuze zijn.

Pagina 65 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

•

Locatie-eisen

Te beschouwen alternatieven in planMER

• • • • • • • •

Als maximale dimensionering geldt circa 70 hectare aan ruimte voor opslag en bijbehorende logistieke activiteiten, en minimaal 35 hectare. Locatie in corridor noord, midden of in het zuiden van het land Goede ontsluiting naar het hoofdwegensysteem / transportcorridor Mogelijk aansluiten op binnenvaartnetwerk en/of spoornetwerk richting Duitsland (nice to have) Voorkeur transportcorridor Midden moet via goede verbindingen bereikbaar te zijn binnen 60 minuten te bereiken zijn en zo min mogelijk door bebouwde omgeving (steden, dorpskernen ) gaan. Zo min mogelijk bebouwing in de omgeving (binnen Externe veiligheidszone) Zo min mogelijk kwetsbare infrastructuur (geen bruggen die kapot kunnen) Niet onder laagvliegroutes De haalbaarheid van locaties in gebieden waar de landbouwtransitie nadrukkelijk gaat spelen zijn vanuit kansrijker dan gebieden waar relatief minder beperkingen voor landbouw gelden. Dit wordt meegenomen als criterium voor het bepalen van geschikte locaties.

Voor een extra locatie grootschalige munitieopslag zijn zeven alternatieve locaties potentieel geschikt. Deze zijn op de kaart weergegeven. De potentieel geschikte gebieden (alternatieven) voor extra grootschalige munitieopslag zijn behulp van een GIS-analyse tot stand gekomen. Hierbij zijn diverse ‘selectiecriteria’ gebruikt om te trechteren naar gebieden.

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

Beoordelingskader voor het planMER

De gebruikte selectiecriteria zijn: • Buiten bebouwde kom met een buffer van 1.900 meter (de maximale contour voor de C-zone van opslag gevaarlijke stoffen) • Geen doorsnijding door wegen (rijks, spoor, vaar en provinciale wegen), inclusief buffer van 250 meter • Dunbevolkte omgeving (< 5 objecten op het potentiële terrein zelf) • Buiten Natura 2000-gebieden, maar wel gelegen in landbouwtransitiegebieden (gelet op het langetermijn karakter van de behoefte) • Niet gelegen in laagvlieggebieden (wens vanuit Defensie) • Niet over of direct naast cultuurhistorische waardevolle gebieden/objecten (UNESCO en rijksmonumenten) • Niet gelegen over en nabij windturbines, inclusief een 500 meter bufferzone • Niet gelegen in de volgende landschapstypen: water, laagveen en beekdalen • Niet gelegen in of binnen de beschermingszones van primaire en secundaire waterkeringen en andere belangrijke waterstaatswerken • Minimaal 0,7 km2 groot • Niet in zeer natte of diepgelegen gebieden, of buitendijks gelegen.

• < 40 woningen in de zone (C-zone) van minimaal 1.100 meter en < 100 woningen van maximaal 1.900 meter (deze zones komen overeen met bestaande munitieopslagen en zijn gehanteerd voor bepaling minimale en maximale zone) • Onlogische vorm (bijvoorbeeld zeer langgerekt en smal) Voor de beoordeling van de impact van deze behoefte gaat het vooral om de impact van het ruimtebeslag op de aanwezige waarden en effecten op de omgeving. Thema’s als trillingen, gezondheid en circulariteit zijn niet relevant voor de beoordeling (in deze fase) en daarmee niet meegenomen. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema

Gezonde en Veilige Leefomgeving

Thema Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Licht Bodem

Bodem en water

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling Impact op de bodemsoort, bodemverontreiniging door de ontwikkeling. impact van bodemdaling en onafgedekte bodem en sponswerking

Pagina 66 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Oppervlaktewater

Waterveiligheid

Impact op het watersysteem, de kwaliteit en kwantiteit van aanwezig oppervlaktewater Impact op grondwater (kwantitatief, kwalitatief) door de ontwikkeling en impact op drinkwater Impact op waterveiligheid

Natuur Erfgoed Landschap Geomorfologie Archeologie

Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten Impact op beschermde cultuurhistorische waarden Impact op landschappelijke waarden Impact op aardkundige waarden Impact op archeologische verwachtingswaarde, beschermde gebieden

Overstromingen Droogte Rainproof

Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling Impact van droogte op de ontwikkeling Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling

Recreatie Landbouw Grondeigendom

Impact van de ontwikkeling op recreatiegebieden Impact van de ontwikkeling op waardevolle landbouwgrond, -gebieden De mate van grond in bezit van overheden en/of hoeveel eigenaren geraakt kunnen worden Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Grondwater

Natuur, landschap en historie

Klimaatadaptatie

Ruimtegebruik Energienetwerken Energie en Circulariteit

Netcapaciteit Energie

Impact van netcongestie op de ontwikkelingen Kansen voor duurzame energieopwekking bij de ontwikkeling

Sociaal en vitaal

Economie

Impact en kansen op werkgelegenheid, kennis & innovatie bij de ontwikkeling

Defensiespecifiek

Geschiktheid voor militair gebruik

Nabijheid andere munitieopslagen

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Pagina 67 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE:

Nieuwe munitieopslag Snel Inzetbare Capaciteit (SIC) Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

Over snel inzetbare capaciteiten (SIC) zijn afspraken gemaakt met de NAVO. Hiervoor moet bij de eenheid horende munitie en bevoorrading in containers worden klaargezet, zodat kan worden voldaan aan de opgedragen notice to move (NTM). Deze NTM’s zijn de afgelopen jaren veel korter geworden en de hoeveelheid munitie die nodig is voor inzet is significant meer geworden. Om munitie op een snelle en efficiënte manier klaar te zetten is een nieuwe grootschalige munitieopslag nodig om containers ten behoeve van SIC op te kunnen slaan. Bij eenheden horende munitie en bevoorrading van deze munitiecontainers dient volgend uit de afspraken met NAVO worden klaargezet. Munitie is hierbij het belangrijkste logistieke probleem, door wet- en regelgeving rondom het opslaan en verplaatsen hiervan. Wanneer de containers zonder afscherming (bunker, magazijn, ondergronds e.d.) worden geplaatst is er sprake van een gevarenzonering van 7.5 km. De containers mogen dan in clusters van maximaal 5 bijeen staan. De containers opslaan met afscherming heeft daarom de voorkeur, omdat dit de veiligheidszoneringen beperkt. Daarnaast zorgt dit ervoor dat de containers onder een stabiel klimaat opgeslagen staan.

Onderbouwing . van de functionele (operationele) behoefte

Een deel van de containers wordt nu opgeslagen in munitiemagazijnen. Het aantal magazijnen dat hiervoor kan worden ingezet is beperkt. Voor de overige containers is gekeken of die in de buitenlucht zouden kunnen worden opgeslagen. Op grond van fysieke ruimte (opslag en intern transport), inwendige en externe veiligheid en het negatieve effect dat ontstaat op de beleggingsmogelijkheden op de munitiemagazijnen in de nabijheid van beladen containers in de open lucht is de conclusie dat op een Defensielocatie geen mogelijkheden zijn om alle SIC-containers op te slaan. Voor efficiënte bedrijfsvoering is clustering van deze logistieke activiteiten omtrent munitie wenselijk maar niet noodzakelijk. Daarnaast is het wenselijk om de munitie zo min mogelijk te transporteren in verband met veiligheidsrisico’s. Deze criteria zorgen ervoor dat de veiligheidsrisico’s voor omwonenden aan transportassen beperkt wordt. Het zoekgebied is gericht op Noordoost-Nederland. Dit heeft te maken met de nabijheid tot Eemshaven, van waaruit overgeslagen wordt op land (of andersom). Het zoekgebied betreft door de afhankelijk van de Eemshaven Friesland, Groningen, Drenthe en Noordelijk Flevoland.

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )? Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland? Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

Bijbehorende ruimtebehoefte

Op basis van de huidige opdracht, moeten er 480 containers kunnen worden gestald. Op basis daarvan is een inschatting gemaakt van de benodigde ruimte in deze factsheet. De omvang van toekomstige SIC opdrachten is onbekend. De behoefte vanuit het Commando Materieel en IT (COMMIT) is afhankelijk van gehanteerd logistiek concept.

SIC voorraden betreffen voorraden voor inzet waarover Nederland altijd in vrijheid van handelen moet kunnen beschikken. De garanties hierop kunnen alleen op Nederlands grondgebied gerealiseerd worden, omdat dan (in het bijzonder in tijden van crisis; vergelijk Corona crisis) geen ongewenste beïnvloeding door andere staten/actoren mogelijk is.

Voldoen aan NAVO opdracht voor Snel Inzetbare Capaciteit.

De ruimtebehoefte van SIC wordt als volgt ingeschat: • Minimaal 0,22km2: • Afscherming van de containers (magazijn/bunker/ondergronds). • Veiligheidszone (zone C) van minimaal 1.100 meter tot maximaal 1.900 meter

Pagina 68 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Locatie-eisen

Op basis van de behoefte gelden de volgende eisen/wensen voor een nieuwe locatie: • Minimaal 0,22km2 groot. • Zo min mogelijk bebouwing in de omgeving vanwege externe veiligheidscirkels • In Noordoost Nederland op relatief korte afstand van de Eemshaven. • Zo min mogelijk bebouwing langs route van de locatie en de Eemshaven. • Voorkeur nabij grote munitieopslag in verband met efficiëntie personeel en voorzieningen. • Zo min mogelijk kwetsbare infrastructuur (geen bruggen die kapot kunnen) • Niet onder laagvliegroutes • De haalbaarheid van locaties in gebieden waar de landbouwtransitie nadrukkelijk gaat spelen zijn kansrijker dan gebieden waar relatief minder beperkingen voor landbouw gelden. Dit wordt meegenomen in het MER (maar niet op voorhand als selectiecriterium gehanteerd).

Te beschouwen alternatieven in planMER

Voor een nieuwe grootschalige munitieopslag voor SIC (Snel Inzetbare Capaciteit) zijn zes alternatieve locaties potentieel geschikt. Deze zijn op de kaart weergegeven. De potentieel geschikte gebieden (alternatieven) voor grootschalige munitieopslag voor SIC zijn met behulp van een GIS-analyse tot stand gekomen. Hierbij zijn diverse selectiecriteria (zie ook hoofdstuk vier NRD) gebruikt om te trechteren naar gebieden.

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

De gebruikte selectiecriteria zijn: • Buiten bebouwde kom met een buffer van 1.900 meter (de maximale contour voor de C-zone van opslag gevaarlijke stoffen) • Geen doorsnijding door wegen (rijks, spoor, vaar en provinciale wegen), inclusief buffer van 250 meter • Dunbevolkte omgeving (< 5 objecten op het potentiële terrein zelf) • Buiten Natura 2000-gebieden en een 5 km buffer rondom stikstofgevoelige habitats (overspannen) i.v.m. stikstofdepositie • Niet gelegen in laagvlieggebieden (wens vanuit Defensie) • Niet over of direct naast cultuurhistorische waardevolle gebieden/objecten (UNESCO en rijksmonumenten) • Niet gelegen over en nabij windturbines, inclusief een 500 meter bufferzone • Niet gelegen in de volgende landschapstypen: water, laagveen en beekdalen • Niet in zeer natte of diepgelegen gebieden, of buitendijks gelegen.

• Niet gelegen in of binnen de beschermingszones van primaire en secundaire waterkeringen en andere belangrijke waterstaatswerken • Minimaal 0,22 km2 groot • < 40 woningen in de zone (C-zone) van minimaal 1.100 meter en < 100 woningen van maximaal 1.900 meter (deze zones komen overeen met bestaande munitieopslagen en zijn gehanteerd voor bepaling minimale en maximale zone) • Onlogische vorm (bijvoorbeeld zeer langgerekt en smal) Voor de beoordeling van de impact van deze behoefte gaat het vooral om de impact van het ruimtebeslag op de aanwezige waarden en effecten op de omgeving. Thema’s als trillingen, gezondheid en circulariteit zijn niet relevant voor de beoordeling (in deze fase) en daarmee niet meegenomen. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema

Beoordelingskader voor het planMER

Gezonde en Veilige Leefomgeving

Thema Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Licht Bodem

Bodem en water Oppervlaktewater

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling Impact op de bodemsoort, bodemverontreiniging door de ontwikkeling. impact van bodemdaling en onafgedekte bodem en sponswerking Impact op het watersysteem, de kwaliteit en kwantiteit van aanwezig oppervlaktewater

Pagina 69 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Grondwater

Natuur, landschap en historie

Klimaatadaptatie

Waterveiligheid

Impact op grondwater (kwantitatief, kwalitatief) door de ontwikkeling en impact op drinkwater Impact op waterveiligheid

Natuur Erfgoed Landschap Geomorfologie Archeologie

Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten Impact op beschermde cultuurhistorische waarden Impact op landschappelijke waarden Impact op aardkundige waarden Impact op archeologische verwachtingswaarde, beschermde gebieden

Overstromingen Droogte Rainproof

Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling Impact van droogte op de ontwikkeling Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling

Recreatie Landbouw Grondeigendom

Impact van de ontwikkeling op recreatiegebieden Impact van de ontwikkeling op waardevolle landbouwgrond, -gebieden De mate van grond in bezit van overheden en/of hoeveel eigenaren geraakt kunnen worden Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Ruimtegebruik Energienetwerken Energie en Circulariteit

Netcapaciteit Energie

Impact van netcongestie op de ontwikkelingen Kansen voor duurzame energieopwekking bij de ontwikkeling

Sociaal en vitaal

Economie

Impact en kansen op werkgelegenheid, kennis & innovatie bij de ontwikkeling

Defensiespecifiek

Geschiktheid voor militair gebruik

Nabijheid andere munitieopslagen Nabijheid tot Eemshaven

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Pagina 70 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

BOVENREGIONALE RUIMTEBEHOEFTE: Nieuw terrein voor oefenen en trainen met explosieven (springterrein)

Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

De veranderende veiligheidssituatie laat zien dat steeds zwaardere explosieven (o.a. in Oekraïne) gebruikt worden. Ook kunnen momenteel niet alle trainingen en grotere inzet van defensie eenheden voldoende gefaciliteerd worden door het bestaande oefenspringterrein in Reek. Daardoor wordt steeds meer naar het buitenland afgeweken, maar ook daar (zeker bij NAVO-partners in Europa) neemt de druk toe, waardoor op termijn een onhoudbare situatie ontstaat. Hierdoor staat de operationele gereedheid van de eenheden die gebruik maken van het oefenterrein (zie hieronder) onder druk. Het springterrein in Reek wordt gebruikt door Koninklijke Landmacht Genie-eenheden uit Oirschot, Wezep en Schaarsbergen. Daarnaast maken de Explosieven Opruimingsdienst Defensie , het Korps Commandotroepen , Koninklijke Marine en Korps Mariniers Assault Engineers en Netherlands Maritime Special Operations Forces voor oefeningen met explosieven in Nederland gebruik van dit terrein. Ook politie-eenheden (zoals de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten en de Dienst Speciale Interventies ) gebruiken het springterrein voor oefeningen en trainingen. Dit worden ook de gebruikers zijn van de nieuwe oefencapaciteit. Door de beperkte capaciteit (in aantallen en omvang) worden veel trainingen in het buitenland (o.a. Noorwegen en VS) uitgevoerd.

Meer mogelijkheden voor het uitvoeren van opleiding en training met explosieven in Nederland zal een positieve invloed hebben op de gereedstelling, groei, kostenbeheersing en inzetbaarheid van Defensie-eenheden.

Onderbouwing . van de functionele (operationele) behoefte

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )?

Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

Er spelen op dit moment twee problemen op het terrein in Reek: • De omvang en capaciteit van dit terrein is beperkt in relatie tot het aantal trainingen en oefenen dat nodig is (met andere woorden het terrein is volledig volgeboekt met een wachtlijst), terwijl de vraag groter wordt. Vanwege de veroorzaakte hinder is ook het gebruik van de hoeveelheid springstof op dit terrein gelimiteerd. • In de praktijk zien we zwaarder wordende explosieven waarvoor het oefenterrein in Reek onvoldoende op toegerust is. Ook biedt het terrein in Reek onvoldoende ruimte voor alle behoeften die de Defensieeenheden hebben, bijvoorbeeld horizontaal effect wapens (wapen dat vanuit de zijkant effect heeft op het doel. Het wapen staat op maaiveldniveau). Het huidige terrein (2km2) is te klein om dit soort behoeften te accommoderen. Als gevolg van deze problemen kan slechts een beperkt aantal opleidingen en trainingen met explosieven uitgevoerd worden op het terrein in Reek, terwijl het noodzakelijk is om alle opleidingen die benodigd zijn om individuele Personeel Gereedheid in Nederland uit te voeren. Op dit moment is het terrein volledig volgepland. Er zijn per jaar 41 kalenderweken benodigd en dus gereserveerd voor het springen. Tijdens het zomer- en kerstverlof wordt er in totaal 5 weken niet gesprongen.

Per jaar zijn er twee weken benodigd om het zand op het terrein te (laten) zeven door een externe aannemer. De overige dagen (in totaal 5 kalenderweken) worden gebruikt om de restanten hout, staal en beton af te voeren, nieuw materiaal aan te voeren en de te springen constructies op te bouwen. Op dit moment wordt er voor veel basisopleidingen uitgeweken naar het buitenland omdat het huidige springterrein in Reek hier niet de capaciteit voor heeft. Wanneer de Landmacht volledig gevuld zou zijn, zijn er nog meer oefenmogelijkheden nodig. Als deze mogelijkheden niet in Nederland gerealiseerd kunnen worden, is het niet alleen voor zowel de landmacht als andere krijgsmachtdelen een gereedstellingsbeperking. Met het versterken van de krijgsmacht en een voorziene groei van het personeelsbestand, wordt de toekomstige meerbehoefte geschat op 75% van de huidige behoefte. Ook buitenlandse springterreinen zijn schaars. Bovendien wordt op deze terreinen door de veranderde veiligheidssituatie meer geoefend en daardoor minder beschikbaar. Ook de nabijheid voor de eenheden, instructeurs en onderhoudspersoneel en de hiermee gepaard gaande overwegingen uit efficiëntie en duurzaamheidsperspectief (niet afwentelen) zijn een belangrijke reden waarom er behoefte is een toename van het kunnen oefenen in Nederland.

Pagina 71 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status?

De internationale verplichtingen komen voort uit de Allied Command Operations Forces Standards Volume II Land Forces 7. Hierin staan de taken beschreven die onze eenheden moeten kunnen uitvoeren. Om de aan deze taken verbonden eisen te halen, moeten er opleidingen worden gedaan waarvoor het noodzakelijk is om explosieven tot ontploffing te brengen. Hierdoor is het op basis van de hiervoor genoemde NAVOeisen dus noodzakelijk om over voldoende oefenterreinen met springmogelijkheid te beschikken. Demolitie is een tactische taak: De vernietiging van constructies, faciliteiten of materiaal door gebruik van vuur, water, explosieven, mechanische of andere middelen. Als obstakeltype verwijst sloop naar elk obstakel dat wordt gecreëerd door het gebruik van explosieven. (dwz vernietigde brug, wegkrater enz.) Vernielingen. Ingenieurs kunnen explosieven gebruiken als hulpmiddel om obstakels te creëren door de mens gemaakte constructies zoals bruggen, wegen of gebouwen te slopen om vijandelijke troepen te kanaliseren of te belemmeren.

STANAG 2017 Orders to the Demolition Guard Commander and Demolition Firing Party Commander (Nonnuclear) ATP-3.18-1 Allied Tactical Publication for Explosive Ordnance Disposal (STANAG 2282) STANAG 2143 - Explosive Ordnance Disposal and Minimum Standards of Proficiency STANAG 2221 – Explosive Ordnance Disposal Reports and Messages (AEODP-06) STANAG 2282 – Interservice EOD Operations on Multinational Deployments (ATP-72) ALP-16 Explosives Safety and Munitions Risk Management (ESMRM) in NATO Planning, Training, and Operations (STANAG 2617)

Bijbehorende ruimtebehoefte

Locatie-eisen

Te beschouwen alternatieven in planMER

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

7

Het huidige terrein in Reek heeft een omvang van ongeveer 2km2. Om het gebruik van meer en grotere explosieven mogelijk te maken zijn grotere veiligheidsafstanden nodig rondom het detonatiepunt. Vanuit de genie wordt aangegeven dat een veiligheidsafstand van circa 1,5 km benodigd is. Het gaat derhalve om een terrein met een oppervlak van ongeveer 7km2. • Veiligheidszone rondom detonatiepunt(en) van 1,5 km • Totaal oppervlakte van minimaal 3km2, bij voorkeur 7 km2 • Geen of alleen specifiek uitgeruste bebouwing binnen de 7 km2 • Gelegen in (nabijheid van) Reek, regio’s Arnhem, Apeldoorn en Zwolle (vanwege gebruik door eenheden van Schaarsbergen en Wezep) of in de omgeving van Marnehuizen. • De haalbaarheid van locaties in gebieden waar de landbouwtransitie nadrukkelijk gaat spelen zijn vanuit kansrijker dan gebieden waar relatief minder beperkingen voor landbouw gelden. Dit wordt meegenomen in het MER (maar niet op voorhand als selectiecriterium gehanteerd). Er is, gelet op de veiligheidsafstanden van een dergelijk terrein (en de onmogelijkheid om het te combineren met andere oefenterreinen), geen mogelijkheid om het te koppelen aan een bestaand oefenterrein. Tot de redelijkerwijs te beschouwen alternatieven behoren: 1. Uitbreiding van het bestaande springterrein Reek; 2.

De aanleg van een nieuw, groter terrein in de nabijheid van genie-eenheden in de regio Arnhem-Apeldoorn-Zwolle (nabij/op Artillerie Schietkamp en Wezep) of in de regio Marnehuizen De huidige oefenterreinen zijn volledig benut voor reguliere oefeningen en training. Gelet op de veiligheidsafstanden is het niet gewenst om deze behoefte te combineren met reguliere oefeningen van eenheden. Daarom wordt gekeken naar nieuwe locaties. Een alternatief zou kunnen zijn, een terrein met nagenoeg dezelfde afmeting als Reek. Nadeel hiervan is dat de omvang van de oefeningen beperkt blijft maar de capaciteit voor individueel opleiden en trainen wel vergroot wordt. Het streven is om vanwege de grote behoefte, efficiëntie en operationele noodzaak zeker alle individuele trainingen binnen Nederland uit te voeren. Eenheden moeten voor het uitvoeren van trainingen met grote ladingen nog steeds naar het buitenland uitwijken. De huidige analyse is daarom gericht op een terrein waarbij “grotere” oefeningen uitgevoerd kunnen worden. Dit alternatief is een terugvaloptie als grotere terreinen niet kansrijk zijn.

Allied Forces Standards Volume II – Land Forces

Pagina 72 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Ten tijde van het opstellen van deze NRD is nog geen analyse uitgevoerd van mogelijke concrete locaties binnen de zoekgebieden. Met behulp van een GIS-analyse zal dit ten tijde van het planMER plaatsvinden. Hierbij worden de volgende criteria gebruikt: • Buiten bebouwde kom met een buffer van 500 meter buiten het terrein (en de veiligheid C-zone) • Geen doorsnijding door wegen (rijks, spoor, vaar en provinciale wegen), inclusief buffer van 250 meter • Dunbevolkte omgeving (< 20 objecten op het potentiële terrein zelf) • In eerste instantie buiten Natura 2000-gebieden (zonder buffer), bij onvoldoende kansrijke gebieden ook binnen Natura 2000 met daarvoor geschikte(re) habitats (zoals stuifzand en bos).

• Niet gelegen in laagvlieggebieden (wens vanuit Defensie) • Niet over of direct naast cultuurhistorische waardevolle gebieden/objecten (UNESCO en rijksmonumenten) • Niet gelegen over en nabij windturbines, inclusief een 500 meter bufferzone • Niet gelegen in de volgende landschapstypen: water, laagveen en beekdalen • Niet gelegen in of binnen de beschermingszones van primaire en secundaire waterkeringen en andere belangrijke waterstaatswerken • Circa 3 km2 groot (mogelijke optimalisaties met 5 km2 en 3 km2) • Binnen aangegeven zoekgebieden Voor de beoordeling van de impact van deze behoefte gaat het vooral om de impact van het ruimtebeslag op de aanwezige waarden en effecten op de omgeving. Thema’s als trillingen, sociale cohesie, gezondheid en circulariteit zijn niet relevant voor de beoordeling (in deze fase) en daarmee niet meegenomen. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema

Thema Geluid

Gezonde en Veilige Leefomgeving

Luchtkwaliteit Externe veiligheid Licht Bodem

Waterveiligheid

Impact op de bodemsoort, bodemverontreiniging door de ontwikkeling. impact van bodemdaling en onafgedekte bodem en sponswerking Impact op het watersysteem, de kwaliteit en kwantiteit van aanwezig oppervlaktewater Impact op grondwater (kwantitatief, kwalitatief) door de ontwikkeling en impact op drinkwater Impact op waterveiligheid

Natuur, landschap en historie

Natuur Erfgoed Landschap Geomorfologie Archeologie

Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 (incl. stikstof), beschermde soorten Impact op beschermde cultuurhistorische waarden Impact op landschappelijke waarden Impact op aardkundige waarden Impact op archeologische verwachtingswaarde, beschermde gebieden

Klimaatadaptatie

Overstromingen Droogte Rainproof

Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling Impact van droogte op de ontwikkeling Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling

Recreatie Landbouw Grondeigendom

Impact van de ontwikkeling op recreatiegebieden Impact van de ontwikkeling op waardevolle landbouwgrond, -gebieden De mate van grond in bezit van overheden en/of hoeveel eigenaren geraakt kunnen worden Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Bodem en water Oppervlaktewater Grondwater

Beoordelingskader voor het planMER

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling

Ruimtegebruik Energienetwerken Energie en Circulariteit

Netcapaciteit Energie

Impact van netcongestie op de ontwikkelingen Kansen voor duurzame energieopwekking bij de ontwikkeling

Sociaal en vitaal

Economie

Impact en kansen op werkgelegenheid, kennis & innovatie bij de ontwikkeling

Defensiespecifiek

Geschiktheid voor militair gebruik

Nabijheid genie-eenheden (en andere gebruikers)

Pagina 73 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Pagina 74 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

FUNCTIONELE (OPERATIONELE) BEHOEFTE: Oefenen in verstedelijkt gebied (oefendorp)

Toelichting op de functionele (operationele) behoefte

Uit actuele gevechtssituaties volgt dat stedelijk gebied steeds vaker de locaties vormen voor het gevecht. De NAVO stelt daardoor bij het uitvoeren van activiteiten in hoofdtaak 1 (het verdedigen van het bondgenootschappelijk grondgebied) de eis dat militaire eenheden moeten kunnen optreden in verstedelijkt gebied. Defensie heeft meer oefengebied nodig om te kunnen trainen in verstedelijkt gebied. De verwachting is dat de verhouding tussen trainen in landelijk en stedelijk gebied 50/50 moet worden, terwijl dit nu 90/10 is. Trainingen in verstedelijkt gebied kan nu alleen nagebootst worden in Marnehuizen. Er kan niet gestructureerd getraind worden op deze situaties, omdat Marnehuizen simpelweg “vol” is. Behalve oefenen in de strook, kan structureel in stedelijk gebied alleen worden getraind in Marnehuizen. Dit oefenterrein heeft heel weinig ruimte voor oefeningen. Het is krap, terwijl de vraag naar verwachting toe zal nemen. Het Duitse oefendorp Schnöggersburg op het oefenterrein Altmark kost €5,5 miljoen per 12 dagen. De kosten voor deze training zijn hoog en toewijzing van het oefendorp is steeds onzeker. Het hebben van eigen oefendorpen beperkt uiteindelijk de kosten en toewijzing is gegarandeerd. De trainingsmogelijkheden die Marnehuizen biedt zijn ontoereikend voor alle benodigde oefeningen in verstedelijkt gebied.

Om die reden is een aanvullende, in omvang vergelijkbare, capaciteit nodig om de benodigde oefeningen in Nederland uit te kunnen voeren. De inschatting van de benodigde capaciteit is als volgt: Om pelotons te trainen voor optreden verstedelijkt gebied zijn twee trainingsweken per jaar nodig. De landmacht heeft 84 gevechtspelotons, die jaarlijks een behoefte aan 168 trainingsweken genereren. Marnehuizen kan drie pelotons tegelijkertijd faciliteren. Dat leidt tot een behoefte aan 56 trainingsweken per jaar, wat dus te weinig is.

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

Om compagnieën te trainen voor optreden in verstedelijkt gebied zijn drie trainingsweken per jaar nodig. De landmacht heeft 28 gevechtscompagnieën, die jaarlijks een behoefte aan 84 trainingsweken genereren. Marnehuizen kan één compagnie tegelijkertijd faciliteren. Dat leidt tot een behoefte aan 84 trainingsweken per jaar, wat dus te weinig is. Met een tweede oefendorp is Defensie wél in staat om gevechtspelotons- en compagnieën in verstedelijkt gebied te trainen. 168 Pelotonstrainingsweken verdeeld over twee oefendorpen leidt tot een behoefte aan 28 trainingsweken per jaar. 84 Compagniestrainingsweken verdeeld over twee oefendorpen leidt tot een behoefte aan 42 trainingsweken per jaar. 8

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )?

Ten slotte bestaat de wens om met helikopters en vliegtuigen het laagvliegen te oefenen in verstedelijkt gebied. Aan die wens kan in de huidige situatie nog niet voldaan worden, maar bij de realisatie van een tweede oefendorp in potentie wel. Met drones oefenen in verstedelijkt gebied is wel een harde voorwaarde voor een tweede oefendorp. Met een tweede oefendorp is Defensie wel in staat om gevechtspelotons- en compagnieën in verstedelijkt gebied te trainen. 168 Pelotonstrainingsweken verdeeld over twee oefendorpen leidt tot een behoefte aan 28 trainingsweken per jaar. 84 Compagniestrainingsweken verdeeld over twee oefendorpen leidt tot een behoefte aan 42 trainingsweken per jaar. 9 Het Korps Mariniers zal met twee Marine Task Units (MTU) 2x per jaar in Nederland moeten trainen op niveau 5. Een MTU bestaat uit 5 subeenheden die ook minstens 1x per jaar op niveau 4 zouden moeten trainen (minimaal 10x per jaar). Met kleinere subeenheden kan op niveau 3 getraind worden maar dan vaker als er geen ruimte is voor een niveau 4 oefening. Tijdens deze oefeningen moet ook met Netherlands Maritime Special Operations Forces getraind kunnen worden ihkv Direct Special Operations Force (SOF) Support. Netherlands Maritime Special Operations Forces heeft de behoefte om 2 keer per jaar met een eenheid te trainen op niveau 5 met Korps Mariniers .

De Koninklijke Marechaussee heeft los van Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) en de nieuwe politietaak ook zo’n 30 oefenweken in het verstedelijkt gebied gepland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/1019/documents/15440