CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

f3db87ea-1dcf-4f7c-a703-83d064b59347.pdf

Raadsvergadering 1 februari 2024, gemeente DrontenBij agendapunt: 8: Raadsvoorstel zienswijze Nationaal programma Ruimte voor Defensie36.129 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

In omstandigheden waarbij sprake is van een verhoogde dreiging is vliegen op hoogte geen optie. Helikopters moeten laagvliegen om zo lang mogelijk ongezien te blijven voor vijandelijke eenheden. Ze zoeken dekking op lage hoogte achter obstakels, zoals rijen bomen, heuvels of gebouwen. Door laag te vliegen kan de helikopter ook buiten het radarbeeld van de tegenstander blijven. Ook weersomstandigheden kunnen soms dwingen tot laagvliegen. Laagvliegen vraagt om specifieke training en ervaring. Hiervoor zijn in Nederland laagvlieggebieden toegewezen. In deze gebieden mogen helikopters zo laag vliegen als voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk is. Defensie verwacht een structurele toename van het aantal helikopterbewegingen in de laagvlieggebieden in Nederland. Dat heeft o.a. te maken met de veranderende veiligheidssituatie en dus ook een veranderende taakstelling van helikopters en de andere Defensieonderdelen waarmee zij nauw samenwerken tijdens missie én training. Een onderdeel hiervan is een toename in laagvliegtraining, omdat laagvliegen noodzakelijk is tijdens missies in een hoger geweldsspectrum Er is meer diversiteit in de laagvlieggebieden nodig om afwisseling in de trainingen te realiseren. Dit verbetert de kwaliteit van de training.

Inspelen op uiteenlopende variabelen en onbekende situaties zijn belangrijke elementen die bijdragen aan effectieve training voor helikopterbemanningen. Op die manier kunnen de bemanningen steeds aan nieuwe situaties worden blootgesteld en treedt geen gewenning op omdat zij het gebied al kennen. Met het beperkt aantal laagvlieggebieden van nu, kennen de bemanningen alle routes, dorpen, boscomplexen etc. al uit hun hoofd. De situationele awareness is daarmee te groot en niet representatief voor inzet. Tijdens inzet moet men letterlijk en figuurlijk manoeuvreren in het onbekende. Dit moet zo dus ook aan bod komen tijdens de gereedstelling.

Onderbouwing van de functionele (operationele) behoefte

De laagvlieggebieden in Nederland zijn in de meeste gevallen geen oefenterreinen en liggen door Nederland verspreid, soms rond grote steden (bijvoorbeeld de GLV X die pal ten zuiden van Rotterdam gelegen is, maar ook de GLV IX, net ten noorden van ’s Hertogenbosch) waardoor grote delen van deze laagvlieggebieden niet bruikbaar zijn voor hun doel – laagvliegen. In de laagvlieggebieden liggen dikwijls ook dorpen, boerderijen, paardenweides, natuurgebieden en eendenkooien – obstakels waar niet laag overheen gevlogen mag worden of in ieder geval zoveel mogelijk moeten worden vermeden. Helikoptervliegers houden daarnaast rekening met de afleiding die zij kunnen veroorzaken wanneer zij laag langs een drukke weg zouden vliegen en mijden deze op lagere hoogte. De kwaliteit van de laagvlieggebieden is hiermee beperkt. Ook wordt de beschikbare ruimte binnen de gebieden hierdoor steeds beperkter. De situatie in deze gebieden verslechtert doordat er geen planologisch regime geldt dat het laagvliegbelang dient. Door het ontbreken van dit regime zijn o.a. het laagvliegoefengebied in de Wieringermeer onbruikbaar geworden voor de luchtmacht. Het is daarom belangrijk dat de status van laagvlieggebieden juridisch is geborgd ten aanzien van het wel of niet plaatsen van obstakels in deze gebieden.

Het is gewenst om het oefenen met laagvliegen te koppelen aan het oefenen in verstedelijkt gebied (behoefte 5) en de realisatie van een nieuw amfibisch oefengebied (behoefte 6). Zodoende wordt de beschikbaar gestelde ruimte voor meerdere doeleinden efficiënt gebruikt. Als laatste kunnen met een uitbreiding van het aantal gebieden de vliegbewegingen worden gespreid. Hierdoor kan de belasting op de huidige laagvlieggebieden, waaronder het gebied Maas en Waal, worden verlicht.

Pagina 98 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Kan de behoefte worden gekwantificeerd? huidige situatie en de gevraagde groei (bewegingen, dagen, uren, frequenties etc. )?

Waarom behoefte in NLD en niet in het buitenland?

Zijn er internationale verplichtingen en wat is de bron en status? Bijbehorende ruimtebehoefte

Momenteel zijn 1378 uren per jaar vergund voor laagvliegen, verdeeld over de verschillende laagvlieggebieden (Vergunning 12-09-2012 DGNR-RRE / 12315612). Dit maximum komt niet overeen met de kwantitatieve behoefte. De kwantitatieve behoefte is gesteld op circa 2000 uur. Met de Defensienota 2022 is die behoefte uitgebreid vanwege de amfibische taak met de NH-90 en Special Operations Forces (SOF)-air met de Cougar (cougar wordt in 2028 vervangen door Caracal). Daarnaast is meer training (in laagvliegen) nodig i.v.m. de verschuiving van de focus naar hoofdtaak 1. De kwantitatieve behoefte kom daarmee op circa 2500 uren per jaar. Dat is dus 1122 uur meer dan nu vergund. In de ideale situatie zou het in heel Nederland zijn toegestaan om laag te vliegen. Dat is echter, gezien de beperkte ruimte in Nederland, moeilijk realiseerbaar. Een exacte berekening van de minimaal benodigde laagvliegruimte is moeilijk te maken. Immers, de kwaliteit (voldoende ruimte, weinig bebouwing, integratie met landmacht en marine en rendabele afstand) bepalen in grote mate de bruikbaarheid van een laagvlieggebied. De benodigde aanvullende oppervlakte wordt in lijn getrokken met de extra behoefte van 1122 laagvlieguren (+81%).

Om de noodzakelijke afwisseling in de training aan te kunnen brengen en te compenseren voor de toegenomen obstakels binnen de huidige gebieden is 81% van het totaal aan huidige oppervlakte nodig. 81% van 297.712 ha = 241.147 extra ha. Des te meer oppervlakte wordt toegekend, des te meer sprake is van afwisseling in training en dus hogere geoefendheid. Reeds zo veel als mogelijk wordt naar het buitenland geëxporteerd. Helikopters staan permanent in de Verenigde Staten voor opleiding en training. Daarnaast vinden vliegtechnische oefeningen zoals High-, Hot-, Cold- en Tacblaze standaard in het buitenland plaats. Als laatste worden overige (grote) oefeningen regelmatig in het buitenland georganiseerd, mits toegestaan door internationale partners. Voor al deze oefeningen geldt dat het grote logistiek inspanning vergt met financiële en personele consequenties. Ook geldt dat internationale partners gebruik maken van Nederlandse locaties i.v.m. internationale samenwerking en quid pro quo-principe. Geluidsoverlast is niet een uniek Nederlands fenomeen, ook in de verschillende gebieden in het buitenland waar Defensie gebruik maakt van laagvliegregelingen dienen de vliegers overlast zoveel mogelijk te voorkomen. N.v.t. onderdeel van de gereedstelling van helikopters, incl. uitbreiding van de taakstelling in de Defensienota als gevolg van de verslechterde veiligheidssituatie.

Extra laagvlieggebieden met voldoende ruimte om situationele awareness, procedures en missies te trainen. Het gaat om ruimte om te manoeuvreren tussen en om obstakels en uiteenlopende variabelen.

Locatie-eisen

Criteria voor de geschiktheid van een gebied zijn: Voldoende ruimte. Hiervoor gelden de volgende referenties: o Laagvlieggebieden Maas-Waal (51.307 ha) en Voorne-Putten (41.098 ha) zijn qua omvang goed, mits die ruimte ook kan worden gebruikt en er niet een groot deel afvalt i.v.m. aaneengesloten bebouwing en windmolens. o Laagvlieggebieden Oirschot (1770 ha) en Eder- en Ginkelse heide (1315 ha) zijn vrij klein. Een omvang zoals deze gebieden krijgen niet de voorkeur, want de ruimte is beperkter om een goede training uit te voeren. - Primair de afstand tot de vliegvelden ter beschikking voor helikopters, te weten Gilze-Rijen en de Kooy en secundair Deelen. Het gebied moet met helikopter binnen afzienbare tijd, bij voorkeur maximaal 30 minuten vliegen (60km), te benaderen zijn. - Geen wezenlijke aanwezigheid van windturbines (bestaand of gepland); - Gewassen en veehouderijen (geen selectiecriterium). - Combinatie met oefengebied verstedelijkt gebied (behoefte 5) en amfibisch oefengebied (behoefte 6).

Alternatieven (“hoe”) & Varianten (“waar”)

(1) De huidige gebieden met een stringent juridisch planologisch regime (2) extra gebieden aanwijzen. En introductie licht planologisch regime voor de huidige en extra gebieden.

Pagina 99 van 124

Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie

Onderbouwing van de totstandkoming alternatieven

(1) Uitbreiding van vlieguren in en juridische bescherming van huidige gebieden is een alternatief. Met dit alternatief wordt echter niet voldaan aan de behoefte aan afwisseling in gebieden en het rendement van vlieguren. De mogelijkheden in afwisseling zijn in de tijd alleen maar minder geworden omdat de beschikbare ruimte per gebied is afgenomen. (2) Nieuwe, potentieel geschikte gebieden zijn geselecteerd in een eerdere fase (2020). Deze potentieel geschikte gebieden (varianten) zijn weergegeven in het kaartbeeld bij deze factsheet. Deze gebieden zijn geselecteerd op basis van geschiktheid: in eerste instantie gelet op de afstand tot Vlb Gilze-Rijen, MVK De Kooy en Vlb Deelen, kwetsbare natuur en verstedelijking. In tweede instantie is middels veldwerk een kwalitatieve beoordeling van de gebieden uitgevoerd, en zijn de gebieden geoptimaliseerd. Ondanks de optimalisatie is wel al bekend dat binnen deze gebieden een beperkt gedeelte minder of niet geheel geschikt is. Daarom dient de uiteindelijke vorm van het potentiële laagvlieggebied binnen de zoekgebieden nader te worden vastgesteld. Voor gebieden verder weg van standplaatsen, zoals drie in Drenthe geldt dat deze niet dagelijks gebruikt kunnen worden, gezien de maximale afstand die helikopters kunnen afleggen.

Door helikopteractiviteiten te verplaatsen van Vlb Gilze-Rijen naar Vlb Deelen kunnen ook noordelijke gebieden meer gebruikt worden. Tevens zijn voor deze gebieden het toegestane vlieguren ontoereikend. Als het mogelijk blijkt om extra gebieden aan te wijzen, dan kan Defensie ook kritisch kijken of er reeds aangewezen gebieden kunnen komen te vervallen bijvoorbeeld vanwege de feitelijk afgenomen bruikbaarheid (bijv. als gevolg van bebouwing of aanleg van windparken of afstand van de standplaatsen) Voor de laagvlieggebieden geldt dat met name naar geluid, impact op energietransitie, natuur en landbouw gekeken wordt. Vanuit het beoordelingskader voor deze behoefte worden de volgende thema’s uit tabel 5.1 beschouwd in het planMER: Hoofdthema

Thema Geluid

Licht Trillingen

Beschouwde aspecten Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa Impact van lichthinder door de ontwikkeling Impact van trillingen op de ontwikkeling en vice versa

Gezonde en Veilige Leefomgeving

Luchtkwaliteit

Natuur, landschap en historie

Natuur

NNN, Natura 2000 (incl. stikstof)

Ruimtegebruik

Energienetwerken

Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa

Defensiespecifiek

Geschiktheid militair gebruik

Afwisselende oefenmogelijkheden (leereffect)

Raakvlakken

Interferentie met Rijksbelangen

Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s

Beoordelingskader voor het planMER

Externe veiligheid

Pagina 100 van 124

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/1019/documents/15440