f3db87ea-1dcf-4f7c-a703-83d064b59347.pdf
Tekst van het document
Pagina 27 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4.5 Alternatieven nieuw oefengebied voor explosieven
5. Oefenen in verstedelijkt gebied (oefendorp) Onderbouwing van de behoefte Uit actuele gevechtssituaties volgt dat stedelijk gebied steeds vaker de locatie vormt voor het gevecht. De NAVO stelt daardoor bij het uitvoeren van activiteiten in het kader van het verdedigen van het bondgenootschappelijk grondgebied) de eis dat militaire eenheden moeten kunnen optreden in verstedelijkt gebied. Defensie heeft
Pagina 28 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
meer oefengebied nodig om te kunnen trainen in verstedelijkt gebied. De verwachting is dat de verhouding tussen trainen in landelijk en stedelijk gebied 50/50 moet worden, terwijl dit nu 90/10 is. Trainingen in verstedelijkt gebied kan nu alleen nagebootst worden in Marnehuizen. Er kan niet gestructureerd getraind worden omdat Marnehuizen simpelweg “vol” is. Het is krap, terwijl de vraag naar verwachting toe zal nemen. Het Duitse oefendorp Schnöggersburg op het oefenterrein Altmark kost €5,5 miljoen per 12 dagen. De kosten voor deze training zijn hoog en toewijzing van het oefendorp is niet vanzelfsprekend. Het hebben van eigen oefendorpen beperkt uiteindelijk de kosten en toewijzing is gegarandeerd. De trainingsmogelijkheden die Marnehuizen biedt zijn ontoereikend voor alle benodigde oefeningen in verstedelijkt gebied. Om die reden is een aanvullende, in omvang vergelijkbare, capaciteit nodig om de benodigde oefeningen in Nederland uit te kunnen voeren. De inschatting van de benodigde capaciteit is opgenomen in de factsheet van deze behoefte in bijlage 1. Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven Er zijn twee mogelijkheden voor de alternatieven. Eén is een reeds bebouwde locatie van Defensie omvormen naar een oefendorp. Geschikt hiervoor zijn de locaties in Budel en het daar nabij gelegen oefenterrein.
Op dit moment is Budel een belangrijke opvanglocatie van het COA, waarbij gesproken wordt over langjarige voortzetting. Met Budel als alternatief in het planMER is er nog geen besluit genomen over het eventueel aanpassen van de huidige functie of het combineren van beide functies, al dan niet gefaseerd in de tijd. Een tweede alternatief is een onbebouwd terrein aanwenden. Gelet op de voorgenomen activiteiten (dronegebruik) is het eigenlijk alleen voorstelbaar om op bestaande oefenterreinen de oefenfaciliteiten uit te breiden. De oefenterreinen die het meest voor de hand liggen zijn de oefenterreinen waar bebouwingsmogelijkheden in potentie mogelijk zijn. Deze zijn op de kaart (figuur 4.6) verbeeld.
(1) Een nieuwe locatie om te oefenen in verstedelijkt gebied, hiervoor zijn twee varianten in beeld: a. Noord-Brabant, Budel, Nassau Dietz Kazerne; b. Noord-Brabant, Budel, oefenterrein Weerterheide; (2) Een of meerdere van de bestaande oefenterreinen. De selectiecriteria zijn: a. Mogelijkheden voor het oefenen met drones (geen noflyzones); b. Mogelijkheden voor bebouwingsmogelijkheden (buiten Natura 2000-gebieden); c. Oefenterrein met voldoende omvang (circa 1x1 km).
Pagina 29 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4.6: Alternatieven oefenen in verstedelijkt gebied
Pagina 30 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
6. Amfibisch oefengebied Onderbouwing van de behoefte Er is een grote, noodzakelijke behoefte naar meerdere mogelijkheden om amfibisch te kunnen trainen en oefenen in Nederland. Op de huidige en enige amfibische trainings- en oefenlocatie (Texel) heeft Defensie te maken met morfologische (kusterosie) problemen. Er wordt al onderzocht of uitbreiding mogelijk is om te kunnen voorzien in de huidige trainingswens. Met het oog op de toekomst en de voorziene verhoogde activiteit is uitbreiding nodig van de mogelijkheden voor amfibische training en oefening. Kleine tactische landingen (groepsniveau) zijn mogelijk op Texel, maar Texel is te klein om de basislandingen op een adequate wijze te faciliteren. Grotere oefeningen met een hogere moeilijkheidsgraad zijn nog niet mogelijk in Nederland, zoals bijvoorbeeld het ‘doorstoten’ na de landing naar een doel (in een oefengebied). Voor amfibisch oefenen gelden twee problemen: Texel heeft te weinig trainingswaarde (kwalitatief) en er is te weinig capaciteit om alle oefeningen een plek te geven (kwantitatief). Een aanvullend probleem is dat er in Nederland geen mogelijkheden zijn om in de diepte te oefenen (op Texel is alleen aanlanden mogelijk). Tevens kan er bij bepaalde windrichtingen en stromingen niet geland worden op het zuidpuntje van Texel wat een beperking is voor opleidingen en basistrainingen.
Wanneer er ook andere landingspunten zouden zijn vergroot dat de mogelijkheden voor het trainen en oefenen van landingen en verkleind dat de kans op uitstel van opleidingen en basistrainingen. Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven De alternatieven zijn beperkt tot gebieden met een redelijk bevaarbare afstand vanaf Marinecomplex De Nieuwe Haven. Daardoor zijn terreinen aan de zuidelijke kust minder voor de hand liggend. Daarnaast heeft te maken met de hoge oefenfrequentie: het terrein om amfibisch landen te oefenen wordt op dagelijkse basis gebruikt. Een andere beperkende factor is de nabijheid van bestaande oefenterreinen (de locaties die door de marine benaderd dienen te worden). Dit leidt tot de volgende alternatieven: (1) Nieuwe locatie incl. strook landinwaarts a. Petten (LUAS) b. Marnehuizen c. Maasvlakte d. Vliehors (2) Uitbreiding oefenplaatsen landingsvoertuigen inclusief optie voor schieten a. Vliehors
Pagina 31 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4.7: Alternatieven nieuw amfibisch oefenterrein
Pagina 32 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
7. Gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support Onderbouwing behoefte Defensie heeft behoefte aan voldoende en gegarandeerde, havencapaciteiten (afmeer- en overslagcapaciteit) voor de afhandeling van meerdere schepen tegelijk met militaire lading. “Gegarandeerd” betekent in deze behoefte dat Defensie permanent, zonder afstemming en ad hoc gebruik moet kunnen maken van havencapaciteit. Dit is met name noodzakelijk aangezien Nederland zich in NAVO verband heeft gecommitteerd aan Host Nation Support (HNS) activiteiten en transitieland. Voor Military Mobility en HNS maakt Defensie momenteel gebruik van twee havens, de Eemshaven en Vlissingen. Vlissingen is aangemerkt als een primaire haven voor HNS-operaties. Hierbij komen eenheden tot brigadegrootte met meerdere schepen aan in Europa om daarna te worden doorgevoerd met weg-, rail- en binnenwatervervoer naar de eindbestemming. Door de reguliere havenactiviteiten (o.a. container- en bulkgoedoverslag) en de toegenomen activiteiten i.h.k.v. de energietransitie is ad hoc vrije havenruimte met vereiste omvang zeer schaars. Voor de overslag van met name containers, inclusief gevaargoed, is een locatie in de Rotterdamse haven met gegarandeerde beschikbaarheid noodzakelijk. Hiernaast is een derde haven noodzakelijk voor redundantie en spreiding van de belasting van de faciliteiten en haven- en verkeersinfrastructuur.
Nederleggen Bij de verlading van militaire voertuigen en voorraden zijn meestal gevaarlijke stoffen (o.a. munitie en brandstof) aanwezig. Het is dus essentieel dat op de havenlocaties die Defensie gebruikt, nederlegging van gevaarlijke stoffen is toegestaan (vergund). Bij gebruik van een haven voor HNS-operaties moet eventueel grootschalige munitie doorvoer mogelijk zijn. Bij voorkeur wordt een eigen haventerrein aangeschaft en worden er voor een ander terrein afspraken gemaakt, voor gegarandeerd gebruik. De voorkeur komt mede voort uit de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden, waarin wordt aangegeven dat haventerreinen steeds meer in buitenlandse handen (b.v. China) vallen. Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven Defensie heeft geen gegarandeerde havencapaciteit om deze behoefte nu vorm te geven. Van de bestaande grote zeehavens voldoen maar enkele aan de specifieke locatie-eisen. Zo zijn de havens van Amsterdam en IJmuiden niet kansrijk, omdat deze alleen via een sluis benaderbaar zijn. Dit is onwenselijk voor snel doorvoeren en het altijd beschikbaar zijn van een vrije vaarroute. De haven van Den Helder is evenmin kansrijk, omdat deze te ondiep is voor de zwaarste cargoschepen en het getij daar tegenwerkt. Dit maakt dat de havens van Vlissingen, Rotterdam en Eemshaven overblijven als de redelijkerwijs te onderzoeken alternatieven.
De alternatieve locaties staan in figuur 4.8.
Pagina 33 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4.8 Alternatieven gegarandeerde havencapaciteit Host Nation Support
Pagina 34 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
8. Toename gebruik jachtvliegtuigcapaciteit Onderbouwing behoefte Defensie zit krap in haar ruimte voor militaire vliegactiviteiten in Nederland omdat in het vorige decennium de vliegbasis Soesterberg en Twente en marinevliegkamp Valkenburg zijn afgestoten en vliegbasis De Peel een andere functie heeft gekregen. Om binnen die bestaande geluidsruimte te kunnen blijven, werd wel voorzien dat de bedrijfsvoering voortdurend zou moeten worden geoptimaliseerd. Dat betekent o.a. het intensief gebruik van simulatoren, oefeningen (en missies) in het buitenland, gebruik van overige vliegbasis en route-optimalisatie. Daarmee is de grens van de beschikbare (geluids)ruimte bereikt en zijn er onvoldoende mogelijkheden voor extra luchtvaart gerelateerde activiteiten. Ondertussen is de internationale veiligheidssituatie ernstig verslechterd. En daarom moet rekening worden gehouden met intensivering van vliegactiviteiten met jachtvliegtuigen in Nederland. Door zowel een toename van vliegactiviteiten van Nederlandse jachtvliegtuigen alsmede ook een toename van buitenlandse jachtvliegtuigen in Nederland. Deze intensivering vindt plaats in de zogenaamde peacetime vigilance fase (verhoogde waakzaamheid in vredestijd). Dit is de fase in aanloop naar een daadwerkelijk conflict waarin artikel 5 nog (net) niet is afgekondigd. In deze fase is dus gebruikelijke wet- en regelgeving van kracht.
Naast de intensivering in Nederland vindt er ook intensivering bij de EU- en NAVO partners plaats. De dreiging van Rusland is urgent en NAVO-plannen, waaronder het NATO concept for the Deterrence & Defence of the Euro Atlantic Area (DDA), zijn herijkt om de gereedheid, inzetbaarheid en paraatheid binnen Europa te vergroten. Dit leidt tot een toename van jachtvliegtuigenactiviteiten in Nederland voor de volgende activiteiten:
•
•
•
Grootschalige NAVO-oefeningen: Van Nederland wordt verwacht een bijdrage te leveren aan grootschalige NAVO-oefeningen. Deze grote internationale oefeningen hebben als doel tactieken af te stemmen en tegelijkertijd een bijdrage te leveren aan afschrikking. Dit vraagt om ruimte voor tijdelijke huisvesting van internationale vliegtuigen, materieel en personeel op Nederlandse militaire vliegvelden. Ook vraagt dit om geluidsruimte. Voorbeelden van grote oefeningen zijn Frisian Flag, Air Defender en NATOflag. Internationale beddown3: In 2012 en 2016 heeft Nederland vier locaties aangeboden voor het beddown-concept van internationale vliegtuigen t.b.v. eventuele troepenopbouw binnen Europa (vliegbases Leeuwarden, Volkel, Gilze-Rijen en Eindhoven). Met de toegenomen dreiging is de kans op het beoefenen of zelfs activeren van deze functionaliteit groter geworden en dus ook op extra vliegoperaties vanaf Nederlands grondgebied en in Nederlands luchtruim. Agile Combat Employment (ACE)-concept: De oorlog in Oekraïne heeft laten zien dat vliegvelden kwetsbaar zijn voor aanvallen. Om deze kwetsbaarheid te verminderen, heeft de NAVO prioriteit gegeven aan het ACE-concept. Dit is een netwerk van diverse soorten vliegvelden, waarbinnen vliegtuigen kunnen rouleren om de kans op succesvolle aanvallen van een tegenstander te verkleinen.
Dit netwerk en/of het beoefenen van het concept vraagt om extra beschikbare ruimte in Nederland. Deze NAVO-prioriteit heeft er o.a. in
3
Het voorzien in geschikte faciliteiten voor vliegveldondersteuning om als gastland ondersteuning te bieden voor de projectie van coalitietroepen.
Pagina 35 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
geresulteerd dat in oktober 2022 Amerikaanse F-35’s en F-22’s tijdelijk werden gestationeerd op Vlb Leeuwarden. Deze activiteiten passen niet in de huidige (geluids)ruimte die de actieve vliegvelden bieden, evenals eventuele intensivering van vliegactiviteiten van Nederlandse jachtvliegtuigen in de peacetime vigilance fase om gereedheid, inzetbaarheid en paraatheid te vergroten. Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven Voor de kwantitatieve behoefte voor de taakstelling in de ‘peactime vigilance’ fase is de vraag welk criterium het meest bepalend is. Operationeel gezien is dat het ACEconcept. Hiervoor geldt: Des te meer locaties, des te beter. Tegelijkertijd biedt Nederland weinig ruimte voor veel locaties en is het complex om vele geluidscontouren te verkrijgen. Een gulden middenweg is daarom nodig. Voor het bepalen van die gulden middenweg volgt een opsomming en korte uitwerking van de criteria: (1) Het aantal locaties moet toereikend zijn voor de beddown van 45 Nederlandse toestellen verdeeld over 3 squadrons (huidige financiering) en reserveveldfunctie. (2) Het aantal locaties moet toereikend zijn voor het accommoderen van internationale beddown en het beoefenen van Host Nation Support. Hiervoor weegt mee dat Nederland zich in 2012 en 2016 heeft gecommitteerd aan het ter beschikking stellen van totaal 4 locaties aan de NAVO.
Deze locaties moeten ruimte bieden voor ongeveer 40 jachtvliegtuigen en 10 luchttransport/air-to-air refuelling (lutra/AAR)- toestellen (vliegbases Leeuwarden, Volkel, Gilze-Rijen en Eindhoven). (3) Het aantal locaties moet toereikend zijn voor het beoefenen van het ACEconcept. Hoe meer locaties hoe meer invulling kan worden gegeven aan het ACE concept. Kwantitatieve onderbouwing huidige situatie en de behoefte. 1. Het plangetal voor de ‘peacetime vigilance’ fase is 7500 sorties. Dit volgt uit een mix van toename in internationale activiteiten (ACE-concept, internationale beddown en flag-oefeningen) en/of het verhogen van het aantal jaarlijkse vlieguren per Nederlands toestel. 2. Op dit moment beschikt Nederland over 2 Main Operating Base (MOB) Vliegbasis Volkel (2000 sorties) en Leeuwarden (2700 sorties). Internationaal is afgesproken dat op Vliegbasis Eindhoven, Vliegbasis Gilze Rijen internationale bed down mogelijk is voor jachtvliegtuigen. Dit gaat om circa 250 sorties op Vliegbasis Eindhoven en circa 250 sorties op Vliegbasis Gilze Rijen (secundaire functies). Totaal beschikt Nederland dus over gegarandeerde operationele ruimte voor 5200 sorties (2700+2000+250+250). 3. Om in de ‘peacetime vigilance’ fase voldoende planningsruimte te hebben is er in Nederland dus ruimte nodig voor 2300 extra sorties (7500 minus 5200 = extra 2300 sorties).
Dit is inclusief het vinden van een geschikte luchthaven voor de reserveveldfunctie. Voor Vliegbasis Gilze Rijen is reeds afgesproken dat gezocht wordt naar een alternatieve luchthaven voor de reserveveldfunctie (het gegarandeerd gebruik van 250 sorties op Gilze Rijen staat hier los van). Een locatie moet aan een aantal voorwaarden voldoen (zie factsheet in bijlage 2). Op basis van de criteria in combinatie met de voorwaarden per locatie blijven de volgende te onderzoeken alternatieven over:
(1) Uitbreiding van de huidige jachtvliegtuiglocaties (Leeuwarden en Volkel);
Pagina 36 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
(2) Toevoegen één extra jachtvliegtuiglocatie (voor tijdelijk of permanent gebruik): Uitbreiding op Eindhoven, Gilze-Rijen, Woensdrecht, de Peel heropenen of samenwerking met een civiele luchthaven. (3) Toevoegen twee extra jachtvliegtuiglocaties (voor tijdelijk of permanent gebruik): Uitbreiding op twee locaties, keuze: Eindhoven, Gilze-Rijen, Eindhoven, Woensdrecht, de Peel heropenen en/of samenwerking met een civiele luchthaven. In verband met voorwaarden per locatie zijn Deelen en De Kooy niet geschikt voor jachtvliegtuigen vanwege de specificaties van de infrastructuur/start- en rolbanen en de situering t.o.v. bebouwing en/of natuur.
Pagina 37 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4-11 Alternatieven uitbreiding van jachtvliegtuigcapaciteit
Pagina 38 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
9. Onbemande maritieme helikopters Onderbouwing behoefte Defensie heeft behoefte aan de inzet van onbemande helikopters/drones. Het gaat hierbij om de Skeldar (voor mijnenbestrijding) en voor maritieme verkenning: intelligence, surveillance en reconnaissance (ISR). Vanwege het maritieme karakter is De Kooy de enige mogelijke plaats. De beoogde onbemande helikopters en de reeds aangeschafte Skeldars zijn primair bedoeld voor het optreden in het maritieme domein in combinatie met de NH-90 en schepen. Om die reden is de enige logische locatie voor onbemande helikopters op Marinevliegkamp De Kooy (MVKK). Om met onbemande helikopters te kunnen oefenen en trainen zijn oefengebieden nodig. Deze corridors worden niet alleen gebruikt voor oefeningen, maar zijn ook noodzakelijk voor de bescherming van vitale infrastructuur. De oefengebieden die gebruikt gaan worden zijn de EHD41, EHD42 en de EHR8. Om MVKK te kunnen verlaten en naar deze oefengebieden heen en terug te vliegen is ruimte nodig. In de huidige situatie zou hetzelfde luchtruim gebruikt moeten worden dat het overige vliegverkeer ook gebruikt. Het luchtruim met de daarbij horende regelgeving geeft onvoldoende mogelijkheden om onbemand en bemand vliegverkeer te scheiden. Daarom zijn corridors nodig van MVKK naar de genoemde gebieden.
Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven De alternatieven die onderzocht worden betreffen corridors in een rechte lijn vanuit MVVK (De Kooy), conform de vaarroutes en corridors met inachtneming van kwetsbare natuurgebieden, zie figuur 4.9.
figuur 4.9 Alternatieven corridors voor maritieme drones
Pagina 39 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
10. Stationering en corridors onbemande drones voor cargo Onderbouwing behoefte Drones hebben een hoge prioriteit binnen Defensie. Mede door de oorlog in Oekraïne is zichtbaar geworden dat gevechtsituaties sterk worden beïnvloed door dronegebruik. Voor het oefenen met drones boven land zijn locaties nodig waar de cargodrones gestationeerd kunnen worden. Ook zijn corridors nodig naar de bestaande oefengebieden in Nederland. Ontwikkelingen van drones gaan snel. Cargodrones kunnen Defensie helpen om bevoorrading in ‘the last tactical mile’ sneller, veiliger en personeelsextensiever te doen. Onbemande systemen (drones) worden al ingezet voor transport en de verwachting is dat dit ook voor groter (materieel)transport gaat gelden: de zogenaamde cargo drones (zwaarder dan 150kg). Dit zijn onbemande systemen die goederen kunnen transporteren. De behoefte aan deze systemen is groot omdat hiermee onder gevaarlijke gevechtsomstandigheden en tijdens slecht weer bevoorrading zeker gesteld wordt. In de nabije toekomst zullen deze systemen op de markt komen en zal CZSK/CLSK deze behoefte invullen. Invoer van dergelijke onbemande systemen dragen bij aan een arbeidsextensievere krijgsmacht. Er kunnen met dezelfde aantallen mensen meer effecten gesorteerd worden met minder risico voor het personeel.
Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven Om ook te kunnen trainen en oefenen in het landdomein samen met landstrijdkrachten is ruimte nodig op bestaande vliegbases en ook corridors voor de cargo-drones naar één of meerdere oefengebieden. Dit optreden dient geïntegreerd uitgevoerd te kunnen worden met andere eenheden, in het kader van multi domain optreden. Vanwege geïntegreerd optreden en oefenen is vliegbasis Deelen de meest logische locatie. Bij andere locaties zouden extra vliegbewegingen en corridors toegevoegd moeten worden en dat is niet wenselijk. De te bereiken oefengebieden zijn Arnhemse heide, Stroese zand, Ederheide-Ginkelseheide en ASK -west. Fysieke ingrepen zijn hier niet voorzien (behoudens mogelijke aanpassingen op het terrein van basis zelf). De corridors zijn 4.000 ft breed en circa 1.500 tot 4.000 ft qua hoogte. Vliegbasis Deelen is al beoogd voor samenwerking tussen de helikopters van CLSK met 11AMB van CLAS. Toevoeging van operaties met onbemande helikopters is logisch, zeker met het oog op de toekomstige cargodrones. Om dit mogelijk te maken is ook een corridor nodig tussen MVKK (Den Helder) en Vliegbasis Deelen. Ook zijn corridors wenselijk met de kennishubs op Vliegbasis Twenthe en Marknesse.
De alternatieven in het MER gaan bij deze behoefte om het zoeken naar corridors van Vliegbasis Deelen naar één of meerdere oefengebieden en corridors naar MVVK De Kooy en de kennishubs Marknesse en Vliegbasis Twenthe, zie figuur 4.10. Voor ieder oefenterrein gelden twee varianten (één met de kortste route en één met een route waarbij over gevoelige gebieden (Natura 2000, sterk stedelijk, stiltegebieden).
Pagina 40 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4.10 Alternatieven corridors voor cargo drones
11. Laagvlieggebieden helikopters Onderbouwing behoefte Het risico op een grootschalig conflict op het Europees continent werd jarenlang als beperkt ervaren. Hierdoor is de focus jarenlang op de tweede hoofdtaak geweest, waarbij de verwachting was dat de eventuele vijand niet over geavanceerde wapensystemen kon beschikken en de voordelen van de derde dimensie optimaal konden worden benut. De Russische inval in Oekraïne en het wijdverspreide gebruik van luchtdoelraketten in dit conflict bevestigt dat de noodzaak voor het vliegen op beperkte hoogte van belang is. Defensie moet haar vliegend personeel in staat stellen deze manier van vliegen adequaat te beoefenen In omstandigheden waarbij sprake is van een verhoogde dreiging is vliegen op hoogte geen optie. Helikopters moeten laagvliegen om zo lang mogelijk ongezien te blijven voor vijandelijke eenheden. Ze zoeken dekking op lage hoogte achter obstakels, zoals rijen bomen, heuvels of gebouwen. Door laag te vliegen kan de helikopter ook buiten het radarbeeld van de tegenstander blijven. Ook weersomstandigheden kunnen soms dwingen tot laagvliegen. Laagvliegen vraagt om specifieke training en ervaring. Hiervoor zijn in Nederland laagvlieggebieden toegewezen. In deze gebieden mogen helikopters zo laag vliegen als voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk is.
Defensie verwacht een structurele toename van het aantal helikopterbewegingen in de laagvlieggebieden in Nederland. Dat heeft o.a. te maken met de veranderende veiligheidssituatie en hiermee gepaard de veranderende taakstelling van helikopters en de andere Defensieonderdelen waarmee nauw wordt samengewerkt tijdens missie én training. Een onderdeel hiervan is een toename in laagvliegtraining, omdat laagvliegen noodzakelijk is tijdens missies in een hoger geweldsspectrum Er is meer diversiteit in de laagvlieggebieden nodig om afwisseling in de trainingen te realiseren. Dit verbetert de kwaliteit van de training. Inspelen op uiteenlopende variabelen en onbekende situaties zijn belangrijke elementen die bijdragen aan effectieve training voor helikopterbemanningen. Op die manier kunnen de bemanningen steeds aan nieuwe situaties worden blootgesteld en treedt geen gewenning op omdat zij het
Pagina 41 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
gebied al kennen. Met het beperkt aantal laagvlieggebieden kent de bemanning alle routes, dorpen, boscomplexen etc. al uit het hoofd. De situationele awareness is daarmee te groot en niet representatief voor inzet. Tijdens inzet moet men letterlijk en figuurlijk manoeuvreren in het onbekende. Dit moet zo dus ook aan bod komen tijdens de gereedstelling. De situatie in deze gebieden verslechtert omdat er geen planologisch regime geldt dat het laagvliegbelang dient. Door het ontbreken van dit regime is o.a. het laagvliegoefengebied in de Wieringermeer onbruikbaar geworden voor CLSK. Het is daarom belangrijk dat de status van laagvlieggebieden juridisch is geborgd ten aanzien van het wel of niet plaatsen van obstakels in deze gebieden. De laagvlieggebieden in Nederland zijn in de meeste gevallen geen oefenterreinen en liggen door Nederland verspreid, soms rond grote steden (bijvoorbeeld de GLV X die pal ten zuiden van Rotterdam gelegen is, maar ook de GLV IX, net ten noorden van ’s Hertogenbosch) waardoor grote delen van deze laagvlieggebieden niet bruikbaar zijn voor hun doel – laagvliegen. In de laagvlieggebieden liggen dorpen, boerderijen, paardenweides, natuurgebieden en eendenkooien – obstakels waar niet laag overheen gevlogen mag worden of in ieder geval zoveel mogelijk moeten worden vermeden.
Helikoptervliegers houden daarnaast rekening met de afleiding die zij kunnen veroorzaken wanneer zij laag langs een drukke weg zouden vliegen en mijden deze op lagere hoogte. De kwaliteit van de laagvlieggebieden is hiermee beperkt. Ook wordt de beschikbare ruimte binnen de gebieden steeds beperkter. Het is gewenst om het oefenen met laagvliegen te koppelen aan het oefenen in verstedelijkt gebied (behoefte 5) en de realisatie van een nieuw amfibisch oefengebied (behoefte 6). Zodoende wordt de beschikbaar gestelde ruimte voor meerdere doeleinden efficiënt gebruikt. Als laatste kunnen met een uitbreiding van het aantal gebieden de vliegbewegingen worden gespreid. Hierdoor kan de belasting op de huidige laagvlieggebieden, waaronder het gebied Maas en Waal, worden verlicht. Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven In grote lijnen zijn er twee alternatieven: • de huidige gebieden en de introductie van een stringent juridisch planologisch regime. • extra gebieden aanwijzen. En introductie licht planologisch regime voor de huidige en extra gebieden. De mogelijke alternatieve locaties voor laagvliegen met helikopter staan in figuur 411.
Pagina 42 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4.11 Alternatieven nieuwe laagvlieggebieden voor helikopters.
Pagina 43 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
12. Helikopterlandingsplaatsen Onderbouwing behoefte De transporthelikopters worden ingezet voor het vervoer van personeel en materieel. Dit gebeurt vaak onder extreme omstandigheden, zoals onder vijandelijke dreiging, gevaarlijk terrein of weersomstandigheden. Dit vraagt om een intensief opleidings-, trainings- en oefenprogramma. Niet alleen voor de helikopterbemanningen, maar ook voor en met grondeenheden waarmee zij nauw samenwerken. Binnen dit programma is tactisch landen en opstijgen onder gesimuleerde gevechtsomstandigheden de kernactiviteit. De noodzaak voor een goed opleidings-, trainings- en oefenprogramma met ruimte voor tactisch landen en opstijgen is de afgelopen periode toegenomen. Dit heeft te maken met de richtlijnen in de Defensievisie en Maatregelennota om de operationele gereedheid (OG) te versterken, de focus te verschuiven van hoofdtaak 2 naar 1, het oprichten van Special Operations Forces (SOF)-air en de nieuwe amfibische taak met de NH-90. Naast ruimte voor de eigen tactische activiteiten van het CLSK, hebben CLAS, CZSK en KMAR eveneens behoefte aan extra ruimte t.b.v. tactisch helikopteroptreden. Landen en opstijgen mag niet zomaar overal. Voor militaire helikopters is een juridisch kader voor het gebruik van zogenaamde helikopterlandingsplaatsen (HLP’en) op kazernes en militaire oefenterreinen van kracht.
Dit kader is een verzameling van ministeriële luchthavenregelingen (LHR) om eventuele hinder voor de omgeving in te kaderen. Met deze verzameling LHR hebben 15 locaties in Nederland een status als HLP. Het gaat om ASK Oldebroek, de Vliehors, Assen, Rijen, Waalsdorpervlakte, Beekhuizerzand, Eder- en Ginkelse heide, Stroese Zand, Oirschot, Arnhemse heide, Marnewaard, Garderense Veld, Vlasakkers, Leusderheide en de Ermelose heide. Per locatie betreft het één of enkele coördinaten met een straal van 50 meter, een maximaal toegestaan aantal vliegtuigbewegingen (VTB) en vaste in- en uitvliegroutes. Er zijn diverse redenen voor helikopterlandingsplaatsen:
de
behoefte naar meer
mogelijkheden voor
•
Naast het transporteren van goederen en personen moeten helikoptereenheden samen met grondtroepen in staat zijn zogeheten air assaults en raids uit te voeren. Dit zijn missietypes waarin verschillende eenheden van verschillende omvang (peloton, compagnie, bataljon) in het terrein worden afgezet, tijdens het gevecht worden ondersteund en vervolgens weer opgehaald worden. Hier worden verschillende eisen aan gesteld, zoals precisie, tijdigheid en heimelijkheid. Ook moeten eenheden om kunnen gaan met diverse weersomstandigheden, vijandsituaties, terreinen (waaronder brownout/ stofwolk condities) en diverse interne/externe ladingen. Dit gold al voor de ondersteuning van 11 Luchtmobiele Brigade, maar wordt uitgebreid met SOF-air en amfibisch optreden. Ook worden hogere eisen gesteld vanwege inzet in het hogere geweldspectrum m.b.t. hoofdtaak 1. Door deze veranderde positie van helikopters in het gevecht is het aantal toegekende VTB ontoereikend. Specifiek voor brownout training geldt dat alleen Oirschot en Leusderheide beschikken over adequate zandvlaktes. Het totaal aan toegekende VTB voor deze locaties is ontoereikend om geoefend te zijn voor landen en opstijgen in brownout condities.
•
Inspelen op uiteenlopende variabelen en onbekende situaties zijn belangrijke elementen die bijdragen aan effectieve training voor helikopterbemanningen en grondeenheden. Het is om die reden belangrijk dat er een variëteit aan HLP’en beschikbaar is om de gewenste afwisseling te realiseren. Op die manier kunnen de getrainde eenheden steeds aan nieuwe situaties worden blootgesteld en treedt geen gewenning op omdat zij de locatie al kennen. Tactische
Pagina 44 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
landingen op slechts enkele locaties conditioneert bemanningen en grondeenheden, waardoor de toegevoegde waarde van de training beperkt blijft. Militair optreden is adequaat reageren op onbekende situaties, daardoor is afwisseling van activiteiten met betrekking tot gereedstellen noodzakelijk.
•
Zowel in het belang van de getrainde eenheden als dat van de omgeving, is keuzevrijheid essentieel. Keuzevrijheid is nodig om in de tactische planningsprocessen variabelen als grondtactisch plan, weer, vijand en terrein mee te nemen. Ook is keuzevrijheid nodig vanwege vliegveiligheid. Het komt namelijk regelmatig voor dat een landingslocatie tijdelijk ongeschikt is door zaken als wind, drassigheid door overvloedige regen en begroeiing. Keuzevrijheid en variatie geldt niet alleen voor de helikopterbemanningen, maar ook voor de grondeenheden waarmee zij samenwerken. Zo is er keuzevrijheid nodig in landingslocaties met wisselende formaties (groepen helikopters) en in- en uitvliegroutes. De behoefte is om het gehele militaire oefenterrein te kunnen gebruiken voor het uitvoeren van helikoptervliegbewegingen. Iedere afbakening betekent in principe beperking in flexibiliteit en verlies aan oefen- of trainingswaarde. Ook biedt dit koppelkansen met de behoefte om te oefenen in verstedelijkt gebied (5) en het realiseren van een nieuw amfibisch oefengebied (6). Door deze functies te combineren kan er geoefend worden op landen op nieuw terrein en het samenwerken met grondeenheden.
De toekomstgerichte inzet van helikopters vraagt om flexibel gebruik van het terrein (geen vaste coördinaten en vaste aan- en uitvliegroutes) en een toename tot 24.000 vliegtuigbewegingen. Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven Bij het zoeken naar nieuwe locaties wordt enerzijds gekeken naar een afwisseling in type gebied – zandvlakte, verstedelijkt gebied en kustgebied – om in verschillende omstandigheden te kunnen oefenen. Anderzijds moeten helikopterlandplaatsen op afzienbaar te benaderen afstand gelegen zijn van de helikopters, de laagvlieggebieden en de grondeenheden waarmee wordt getraind. Dit zorgt voor de volgende alternatieven:
• •
Alternatief 1 – Intensiveren bestaande helikopterlandingsplaatsen; Alternatief 2 – Intensiveren, inclusief uitbreiding helikopterlandingsplaatsen op land, van Gilze-Rijen, Deelen en De Kooy. Waardoor Schaarsbergen, Assen, Roosendaal en Nieuw Milligen binnen een straal van 60 km liggen.
De mogelijke alternatieve locaties voor laagvliegen met helikopter staan in figuur 4.12. Binnen twee van de andere behoeften bestaat ook de behoefte om helikopterlandingsplaatsen mogelijk te maken (oefenen in verstedelijkt gebied en nieuw amfibisch oefenterrein). De voor die terreinen geldende behoefte wordt binnen die specifieke behoeften (aanvullend op deze behoefte) inzichtelijk gemaakt.
Pagina 45 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4.12: alternatieven uitbreiding helikopterlandplaatsen in oefengebieden
Pagina 46 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
13. Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport Onderbouwing behoefte In Nederland is geen dirtstrip (onverharde, smalle en korte landingsbaan) aanwezig. Vliegtuigbemanningen zijn daarom voor deze training aangewezen op oefeningen in het buitenland. Dit biedt echter onvoldoende mogelijkheden voor het juiste trainingsniveau (dit is hier onder verder uitgewerkt). De recente geschiedenis laat ons zien dat de Notice to move (NTM) voor tactisch luchttransport op regelmatige basis zeer kort is (24h). Dit maakt het noodzakelijk het trainingsniveau op peil te hebben. Voor het invliegen van personeel, materieel en voorraden voor missies of humanitaire hulp is een groot transportvliegtuig niet altijd opportuun in situaties van vijandelijke dreiging of de omstandigheden van het landingsterrein. Daarom heeft Defensie tactische transportvliegtuigen. Dat is nu de C-130, in 2027 wordt de C-130 vervangen door de C-390. Deze vliegtuigen moeten in staat zijn te landen op dirtstrips. De kwantitatieve behoefte is minimaal 240 vliegbewegingen per jaar. Dit vraagt om ruimte in een geluidscontour van een vliegveld voor 24 vliegbewegingen/12 landingen gemiddeld per maand over een periode van 10 maanden. Dit aantal is gebaseerd op de totale behoefte van 625 vliegbewegingen. Het merendeel van de trainingsbehoefte wordt in het buitenland uitgevoerd.
Landen en opstijgen op dirtstrips vereist uiteraard training van vliegtuigbemanning en operationele eenheden, zoals de 11 Luchtmobiele Brigade (11LMB) en het Korps Commando Troepen. Deze eenheden moeten ingezet kunnen worden met helikopters en transportvliegtuigen. 11LMB beschikt daarnaast over pathfinders en rapid runway repair-capaciteit. Deze capaciteit zorgt vooraf voor een geschikte landingslocatie, markeert deze ten behoeve van landen en opstijgen en moeten in staat zijn de baan snel te herstellen. Simulatie wordt reeds gebruikt, hiermee worden daarmee jaarlijks 1800 uren tactisch luchttransport bespaard. Simulatie is echter niet 100% representatief. Zo ook niet voor complexe landingen op dirtstrips. Ook zijn de simulatoren niet geschikt voor integrale training met het CLAS. Om deze redenen is ook behoefte aan (aanvullende) training met de transportvliegtuigen. Redelijkerwijs te beschouwen alternatieven Op dit moment is er geen Defensielocatie met een dirtstrip. Een dirtstrip kan niet zomaar op andere vliegvelden worden aangelegd, in verband met het risico dat losliggende stenen andere vliegtuigen beschadigen. Dit geldt voor alle velden waar anders dan met helikopters wordt geopereerd. Mogelijk dat op afstand van de verharde baan een dirtstrip kan worden aangelegd. Dit geeft echter grote infrastructurele consequenties.
Ook moet (de vorm van) de geluidscontour dan worden aangepast. De vestiging van 11LMB in Schaarsbergen maakt MLT Deelen een logische, belangrijke en zeer gewenste (gezamenlijke) oefenlocatie met tactisch luchttransport. Dit gezien de taakstelling van 11LMB en de synergie met de taken van helikopters. En ook de mogelijkheden tot centrale belegging van de dirtstrip op het vliegveld. Alternatieve locaties voor deze behoeftes zijn denkbaar, zoals Vliegbases Gilze-Rijen en de Peel (afhankelijk van het vliegverkeer dat daar wordt toegestaan). Ook kan eventueel een combinatie met een bestaand oefenterrein of nieuw amfibisch oefenterrein gezocht worden. De te onderzoeken alternatieven zijn:
• • •
MLT Deelen Gilze-Rijen De Peel
Pagina 47 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
•
Combinatie met bestaande oefenterreinen
figuur 4.13: Alternatieven Korte/smalle onverharde landingsbaan tactisch luchttransport
4.3
Overige behoeften met een ruimtevraag De meeste activiteiten in het NPRD bestaan uit behoeften waarvoor geen bovenregionale afweging nodig is. Dit betreft bijvoorbeeld activiteiten die reeds
Pagina 48 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
bestaan, maar uitgebreid moeten worden of activiteiten die al op specifieke locaties plaatsvinden. Voor deze activiteiten wordt in het planMER wel de impact op de fysieke leefomgeving beschouwd, maar geen alternatieven onderzocht (omdat hiervoor maar één bestaande locatie/gebied in aanmerking komt). Afhankelijk van de grootte en impact van de betreffende activiteit is dit een beknopte of uitgebreide analyse. In tabel 4-2 is de lijst met deze behoeften te zien. Deze lijst correspondeert met de nummers uit figuur 4.14. tabel 4-2 Lijst met overige behoeften
Locatie Nr. 1
Behoefte Nr. 1
2
2
3
3
4
4 5 6
Behoefte
Categorie
Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen op, in en boven het water EHD-42. Uitbreiding oefengebied voor grotere/veelzijdigere oefeningen inclusief drones met corridors op het water naar, in en boven het water EHD-41. Schieten met Apache en MQ-9 op Vliehors Range, gemeente Vlieland. Herziening/aanpassingen onveilige zone; nu deels nog gebaseerd op voormalige cavalerie schietkamp Vliehors (Cornfield Range), gemeente Vlieland. Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Leeuwarden, gemeente Leeuwarden. Beperkingengebied rondom Vliegbasis Leeuwarden (specifiek de outer horizontal surface) - Juridische borging. Uitbreiden Schietbaan Marnewaard t.b.v. schieten dynamisch met voertuigen, gemeente Het Hogeland EHR 8 uitbreiden en gereed maken oefenen met onbemande vaartuigen op en in het water. Leerfaciliteit alternatieve brandstoffen, Den Helder, gemeente Den Helder.
3
Comman do CZSK
3
CZSK
2 3
CLSK CLSK
3
CLSK
3
CLSK
3
CLAS
1
CZSK
2
CZSK
3
CLSK
3
COMMIT DOSC O CLAS COMMIT DOSC O
5
7
6
8
7
9
8
10
9
11
10
12
Beperkingengebied rondom MVK de kooy (specifiek de outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging. Breezanddijk groei beproevingen IJsselmeer, Afsluitdijk, gemeente Súdwest Fryslân Uitbreiding kazerne Heerenveen, gemeente Heerenveen.
11 12
13 14
Vergroting van oefengebied Zuidwest Assen, gemeente Assen. Petten groei beproevingen Noordzee, gemeente Schagen.
3 3
13
15
3
14
16
15
17
Verplaatsen (in overleg met de regio) raccordement t.b.v. voertuigen 43. Gemechaniseerde Brigade Zoekgebied ‘Groot Havelte’, gemeenten Westerveld/Steenwijkerland. Uitbreiding faciliteiten voor schieten (Koninklijke Marechaussee) Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Uitbreiding raccordement ‘t Harde, gemeente Elburg. Uitbreiden Artillerie Schietamp (ASK) (brede strook, Wezeperberg en Z-zijde), gemeente Elburg. Artillerie Schietkamp (ASK) uitbreiden met 120 mm mortierschieten, gemeente Elburg. Geplande opschaling Koninklijke Marechaussee Randstad Den Haag, Maaldrift uitbreiden, gemeente Wassenaar. Uitbreiding raccordement Vlasakkers, gemeente Amersfoort. Huisvestingen incl. faciliteiten Militaire Politie Koninklijke Marechaussee, gemeente Apeldoorn. Uitbreiden live firing mogelijkheden door helikopters op schietkamp (ISK) ten behoeve van niv 3 en 4-oefeningen CLAS, gemeente Ede. Uitbreiding milieu en geluidsruimte door intensivering van ISK en groei Krijgsmacht, gemeente Ede. Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depot Markelo en de Truck loading stations Markelo Defensie Pijpleiding Organisatie, gemeente Hof van Twente
2
18 16
19
17
20
18
21
19
22 23
20 24 21
25
3
2
KMAR
3 3
DOSC O CLAS
3
CLAS
2
KMAR
3
DOSC O KMAR
3 3 3
Pagina 49 van 124
CLAS, CLSK CLAS COMMIT
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
22
26
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depot Klaphek Defensie Pijpleiding Organisatie, gemeente Lopik.
3
COMMIT
23
27
Extra milieuruimte helikopteractiviteiten op Militair Luchtvaartterrein Deelen gemeente Arnhem.
3
CLSK
28
Beperkingengebied rondom MTL Deelen (specifiek de outer horizontal surface) Juridische borging.
3
CLSK
24
29
Uitbreiding van terrein t.b.v. voldoen aan NATO-normering depot Poortugaal Defensie Pijpleiding Organisatie, gemeente Albrandswaard
3
COMMIT
25
30
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Volkel, gemeente Maashorst. Beperkingengebied rondom vliegbasis Volkel (specifiek de outer horizontal surface) - Juridische borging. Schietbaan t.b.v. Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) Vliegbasis Woensdrecht, gemeente Woensdrecht. Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Woensdrecht, gemeente Woensdrecht. Beperkingengebied rondom vliegbasis Woensdrecht (specifiek de outer horizontal surface) - Juridische borging.
3
CLSK
3
CLSK
2
CLSK
3
CLSK
3
CLSK
Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten Vliegbasis Gilze-Rijen, gemeente Gilze en Rijen. Beperkingengebied rondom vliegbasis Gilze-Rijen (specifiek de outer horizontal surface) en corridors - Juridische borging. Fysieke en geluidsruimte op oefenterrein (OT) Oirschotse Heide: fysiek uitbreiden (200ha) ook v.w.b. geluidsruimte, gemeente Oirschot. Uitbreiding milieuruimte t.b.v. activiteiten op RVS-kazerne Oirschot, gemeente Oirschot. uitbreiding raccordement Acht t.b.v. voertuigen 13. Lichte Brigade, gemeente Oirschot. IBT centrum regio Eindhoven voor Koninklijke Marechaussee-, en Defensie Bewakings- en Beveiligings Organisatie op bestaand Defensieterrein, gemeente Eindhoven. Verandering inrichting vliegbasis Eindhoven verplaatsen Hot cargo platform. Beperkingengebied rondom vliegbasis (specifiek de outer horizontal surface) Juridische borging. Ingebruikname kazerne Budel en uitbreiden Weerterheide, gemeente Cranendonck/Weert. Oefenterreinen met graafmogelijkheden, (graven niet overal vergund).
3
CLSK
3
CLSK
3
CLAS
3
CLAS
3 2
DOSC O KMAR
3 3
CLSK CLSK
3
CLAS
2
CLAS
31 26
32 33 34
27
35 36 37
28
38
29
39
30
40
41 42 31 XX
43 44
Pagina 50 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
figuur 4.14 Overzicht ruimtevragende activiteiten van Defensie zonder bovenregionale afweging
Pagina 51 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
5.
Thema’s en wijze van beoordeling in het MER
5.1
Beschouwde thema’s in het MER Met een brede blik naar de effecten kijken In het MER voor het NPRD worden de effecten voor een breed scala aan thema’s in beeld gebracht. Dit betreft alle relevante thema’s van de fysieke leefomgeving (van geluid tot bodem en van cultuurhistorie tot gezondheid), maar ook naar bredere effecten (brede welvaart) is gekeken, zoals impact op wonen, recreatie en welzijn waar relevant. De primaire focus ligt hierbij in het MER op de thema’s die een ruimtelijke component hebben. Zo wordt in het MER bijvoorbeeld wel ingegaan op de impact op de (lokale) economie van alternatieven, maar wordt dit globaal op basis van expert judgement in beeld gebracht. Beschouwde thema’s in het MER De huidige situatie, de referentiesituatie en de effecten van de diverse alternatieven worden onderzocht voor alle relevante thema’s van de fysieke leefomgeving. Deze thema’s zijn onderverdeeld in enkele hoofdthema’s (en verder te zien in tabel ): • Gezonde en veilige leefomgeving • Bodem en water • Natuur, landschap en historie • Klimaatadaptatie • Ruimtegebruik • Mobiliteit • Energie en circulariteit • Sociaal en vitaal • Defensiespecifieke aspecten In het planMER wordt per aspect beschreven hoe deze scoort. In algemene zin geldt dat een nieuwe ontwikkeling veelal een negatieve impact heeft (zonder maatregelen) op bestaande aanwezige waarden, zoals cultuurhistorie en natuur.
Ook zijn er diverse aspecten waar dit wederkerig is. Een nieuwe ontwikkeling geeft mogelijk meer geluidhinder, maar kan ook zelf hinder ondervinden van geluid. Ook zijn er aspecten waar een behoefte mogelijk positief kan scoren, bijvoorbeeld op werkgelegenheid of kansen voor energieopwekking.
tabel 5-1 Beoordelingskader Hoofdthema
Thema
Beschouwde aspecten
Geluid
Impact van de ontwikkeling op luchtvaartlawaai, wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vice versa
Luchtkwaliteit
Impact van de ontwikkeling op de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en ultra fijn stof
Externe veiligheid
Impact van plaatsgebonden risico, groepsrisico van de ontwikkeling en vice versa bijvoorbeeld door opslag of transport van gevaarlijke stoffen
Gezonde en Veilige Leefomgeving Licht
Impact van lichthinder door de ontwikkeling
Trillingen
Impact van trillingen op de ontwikkeling en vice versa
Hittestress
Impact van urban heat islands op ontwikkeling en vice versa
Gezondheid
Impact op een groene en prettige leefomgeving bij een ontwikkeling
Bodem
Impact op de bodemsoort, bodemverontreiniging door de ontwikkeling. impact van bodemdaling en onafgedekte bodem en sponswerking
Oppervlaktewater
Impact op het watersysteem, de kwaliteit en kwantiteit van aanwezig oppervlaktewater
Bodem en water
Pagina 52 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
Natuur, landschap en cultureel erfgoed
Klimaatadaptatie
Grondwater
Impact op grondwater (kwantitatief, kwalitatief) door de ontwikkeling en impact op drinkwater.
Waterveiligheid
Impact op waterveiligheid
Natuur
Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 (incl. stikstof en overgangszones), beschermde soorten en biodiversiteit
Beschermde culturele erfgoedwaarden
Impact op beschermde culturele erfgoedwaarden (Unesco, rijksmonumenten en provinciale/gemeentelijke beschermde waarden)
Landschap
Impact op landschappelijke waarden
Geomorfologie
Impact op aardkundige waarden
Archeologie
Impact op archeologische verwachtingswaarde, beschermde gebieden en archeologische monumenten
Overstromingen
Impact van het overstromingsrisico op de ontwikkeling
Droogte
Impact van droogte op de ontwikkeling
Rainproof
Impact van een hevige bui (120 mm per 2 uur) op de ontwikkeling
Recreatie
Impact van de ontwikkeling op recreatiegebieden
Landbouw
Impact van de ontwikkeling op waardevolle landbouwgrond, -gebieden
Grondeigendom
De mate van grond in bezit van overheden en/of hoeveel eigenaren geraakt kunnen worden
Ruimtegebruik
Energienetwerken
Bereikbaarheid
Impact van de reistijd, congestie, nabijheid OV op de ontwikkeling en vice versa, impact op goederenstromen
Verkeersveiligheid
Impact van de ontwikkeling op ongevallen en black spots
Netcapaciteit
Impact van netcongestie op de ontwikkelingen
Circulariteit
Kansen voor grondstofhergebruik bij de ontwikkeling
Energie
Kansen voor duurzame energieopwekking bij de ontwikkeling
Economie
Impact en kansen op werkgelegenheid, kennis & innovatie bij de ontwikkeling
Sociale cohesie
Impact op de aanwezige sociale cohesie, - samenhang bij de ontwikkeling
Geschiktheid voor militair gebruik
Geschiktheid van het alternatief voor de specifieke activiteit die het krijgsmachtonderdeel wil uitoefenen4, maar ook kosten en aanwezige arbeidsmarkt
Interferentie Rijksbelangen
Kansen en bedreigingen vanuit lopende Rijksprogramma’s
Mobiliteit
Energie en Circulariteit
Sociaal en economie
Defensiespecifiek
Raakvlakken
Impact op ondergrondse en bovengrondse energienetwerken (en opslag en opwek) bij de ontwikkelingen en vice versa (in hoeverre de voorgestelde ruimteclaims wel of niet samen gaan met de bestaande en toekomstige ruimteclaims vanuit de energietransitie)
met
Maatwerk in beoordelingskader per ruimtebehoefte De ruimtebehoeften verschillen sterk van karakter. Dit betekent dat niet bij elke ruimtebehoefte elk thema uit de tabel relevant is. Zo is voor het beschrijven van de effecten van een nieuw oefengebied de impact op sociale aspecten en economie niet relevant, terwijl dit voor een nieuwe kazerne voor eenheden wel impact heeft. Ook
4
Dit is maatwerk per ruimtebehoefte. Het gaat bij een nieuwe kazerne bijvoorbeeld om geschiktheid voor het vliegen met drones. Dit is ten tijde van het schrijven van deze NRD nog niet uitgekristalliseerd per behoefte.
Pagina 53 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
vraagt de beoordeling van de impact van laagvlieggebieden om andere criteria die beschouwd worden dan een nieuwe locatie voor grootschalige munitieopslag. In de bijlage van deze NRD is daarom per ruimtebehoefte (en bijbehorende alternatieven) aangegeven welke thema’s wel en niet behandeld worden. Gebruik van criteria om te komen tot alternatieven: een ‘selectiekader’ Tabel 5-1 bevat de beoordelingscriteria om de effecten van de alternatieven te beoordelen. Echter, bij de totstandkoming van alternatieven (locaties) voor de verschillende ruimtebehoeften is een zogenaamd selectiekader nodig. Met dit selectiekader kan bepaald worden welke gebieden geschikt zijn voor een ruimtebehoefte van Defensie. Zo kan een nieuwe grootschalige munitieopslag niet overal in Nederland gesitueerd worden. Hier zijn criteria, zoals afstand tot woongebieden (kwetsbare objecten) en een bepaalde omvang van belang. Voor het zoeken naar locaties voor een nieuwe kazerne voor ondersteunende eenheden gelden deels andere selectiecriteria, waaronder de afstand tot beschermde gebieden (zoals Natura 2000 en cultuurhistorische waarden) en reisafstand. Het selectiekader bevat de criteria waarom een bepaald gebied wel of niet geschikt is voor een bepaalde ruimtevraag.
Op basis van de gebieden die overblijven na deze analyses kunnen redelijkerwijs te beschouwen alternatieven bepaald worden voor diverse ruimtebehoeften. Deze alternatieven worden vervolgens onderzocht met behulp van het beoordelingskader (tabel 5-1). In tabel 5-2 staat het selectiekader met diverse criteria. Per ruimtebehoefte is bepaald welke criteria hiervan wel of niet relevant en dus van toepassing zijn. Dit is in bijlage 1 per ruimtebehoefte in beeld gebracht. Het overzicht in de tabel biedt dus een indicatieve (niet-limitatieve) lijst van mogelijke selectiecriteria.
Tabel 5-2: Selectiekader voor het bepalen van ruimtelijke alternatieven Selectiecriteria
Wijze van invulling criterium
Bereikbaarheid/ligging
• •
Afstand tot grote steden (als indicator voor de arbeidsmarkt) Afstand tot relevante Defensielocaties
Afstand tot bebouwing
•
Afstand tot bestaande steden en dorpen
Stikstof en natuur
• •
Wel of niet in Natura 2000-gebieden mogelijk Afstand tot Natura 2000 i.v.m. stikstofgevoelige habitats Wel of niet (ten dele) ligging in Natuur Netwerk Nederland mogelijk
• • Vitale infrastructuur
Duurzame energieopwekking
• • • • •
Cultureel erfgoed
• • • •
Buiten rijkswegen en provinciale wegen, incl. reserveringszones Buiten grote vaarwegen en dijken Buiten spoorwegen Afstand tot het bestaande en toekomstige energieopwek (bijv. windturbines), buiten concrete RESzoekgebieden voor windenergie Afstand tot bestaand en toekomstige energiesysteem/energienetwerk (opslag, infra, opslag, conversie) Afstand tot bestaande en geplande energieinfrastructuur Buiten UNESCO werelderfgoed Buiten contouren van rijksmonumenten (incl. archeologische monumenten) Buiten landgoederen Buiten beschermde stads- en dorpsgezichten
Pagina 54 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
Bodem en water sturend
• •
Niet in zeer diepe polders, uiterwaarden of gebieden met te hoge grondwaterstand Geschikte bodemsoort voor de Defensieactiviteit
5.2
Wijze van beoordeling
5.2.1
Wijze van onderzoek Voor het onderzoek naar de huidige situatie, referentiesituatie, alternatieven en voorkeursalternatief wordt gebruik gemaakt van kwalitatieve analyses op basis van bestaande data. De bestaande data betreft onder andere bestaande contouren rondom bepaalde Defensieactiviteiten, leefomgevingsdata die openbaar toegankelijk is (atlas leefomgeving, CBS, etc.) en openbare beleidstukken. Ten slotte wordt data vanuit de diverse planbureaus en informatie over de fysieke leefomgeving vanuit provincies, waterschappen en gemeenten betrokken bij de beoordelingen. Voor de huidige situatie is al deze informatie voor 95% aanwezig binnen deze bronnen. Voor de toekomstsituaties (referentiesituatie, alternatieven en voorkeursalternatief) kan veelal op basis van deze data valide uitspraken over de effecten gedaan worden. Voor specifieke situaties worden hier vervolgens aanvullende kwantitatieve analyses toegevoegd. Dit kunnen GIS-analyses zijn om te bepalen hoeveel woningen binnen een bepaalde toekomstige contour liggen, maar ook berekeningen van geluid of veiligheidscontouren. Bij dit laatste gaat het nog niet om uitgebreide rekenkundige exercities, maar meer om een worst-case bepaling die een goede indicatie van effecten kan genereren.
5.2.2
Duiding van de huidige situatie en referentiesituatie in de leefomgevingsfoto De huidige situatie en referentiesituatie wordt voor alle locaties en specifieke activiteiten in beeld gebracht in een zogenaamde leefomgevingsfoto, zie de samenvatting in hoofdstuk drie. In deze leefomgevingsfoto is voor alle relevante thema’s van de fysieke leefomgeving inzicht gegeven in de aanwezige contouren, waarden en de bijbehorende effecten op de omgeving en vice versa. Per locatie is daarbij voor de zes meest relevante thema’s (lees: thema’s die het meeste spelen op en rondom Defensielocaties) van de fysieke leefomgeving een beoordeling gegeven van zowel de huidige situatie als de referentiesituatie. Hier is aangegeven of dit betreffende thema een groot aandachtspunt is of juist niet voor de huidige activiteiten, zie figuur 5.1. Voor de overige thema’s wordt in de leefomgevingsfoto een beschrijvende analyse gemaakt.
figuur 5.1: Duiding van de huidige situatie en referentiesituatie voor de zes maatgevende thema’s van de fysieke leefomgeving
In het planMER wordt de leefomgevingsfoto nog aangevuld met inzicht in de huidige situatie en referentiesituatie voor locaties waarop in één van de alternatieven een mogelijke ruimtevraag ligt. 5.2.3
Wat is de referentiesituatie? In mer-studies is het vereist te werken met een referentiesituatie waartegen de voorgenomen activiteiten (de behoeften uit het NPRD) afgezet kunnen worden. Omdat de behoeften in een toekomstig jaar variërend van korte termijn tot langere termijn
Pagina 55 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
(2030/2040) gerealiseerd kunnen worden, betreft de referentiesituatie ook altijd een toekomstig jaar. De referentiesituatie gaat voor het NPRD uit van 2040 en betreft de situatie waarin alle belangrijke trends zoals klimaatverandering en vastgesteld beleid met een concrete uitvoeringspraktijk (woningbouwontwikkeling, energietransitie) zijn opgenomen, maar de activiteiten van Defensie nog niet zijn aangepast naar een toekomstbeeld. Hiermee wordt de (ruimtelijke) druk vanuit de ‘buitenwereld’ op Defensie duidelijk zichtbaar. Met een concrete uitvoeringspraktijk wordt bedoeld dat zicht moet zijn op de (ruimtelijke) ingrepen vanuit de diverse domeinen. Op veel domeinen is nog volop beweging, zoals natuurherstel, transitie landelijk gebied, klimaatopgave, netcongestie, etc. Hoewel op hoofdlijnen beleid en oplossingen in beeld zijn, is dit nog niet concreet genoeg om mee te nemen in de referentiesituatie. Zaken als RES-gebieden, woningbouwplannen en ruimtereserveringen zijn wel onderdeel van de referentiesituatie. Dit geldt ook voor ontwerp-programma’s, zoals Programma Energiehoofdstructuur (PEH). Uitgangspunt is wel dat duidelijk is waar een ‘ruimteclaim’ gelegen is. Specifiek voor de impact van klimaatverandering is gekeken naar de effecten 2050, omdat hier de data (vanuit de klimaateffectatlas) uitgaat van 2050.
Waar relevant wordt ook een doorkijk gegeven naar 2100 qua klimaatscenario’s. 5.2.4
Beoordeling alternatieven per ruimtebehoefte De diverse alternatieven per ruimtebehoefte worden beoordeeld op twee niveaus: • beoordeling van de effecten • beoordeling van doelbereik (impact op de ambities) Beoordeling van de effecten De beoordeling van de effecten van de alternatieven vindt plaats met behulp van het beoordelingskader uit tabel 5-1. De effectbeoordeling vindt plaats in een zevenpuntsschaal, zie tabel, en ten opzichte van de referentiesituatie ter plaatse. figuur 5.2 Beoordelingsschaal
Beoordeling
Toelichting
--
Sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
-
Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0/-
Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0
Neutrale effect ten opzichte van de referentiesituatie
0/+
Licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
+
Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
++
Sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
Beoordeling van het doelbereik Naast de effecten op de fysieke leefomgeving van en voor de diverse ruimtebehoeften is het van belang om te weten in hoeverre een bepaald alternatief bijdraagt aan het bereiken van de ambities/doelen van Defensie voor de specifieke ruimtevraag. In het NPRD worden diverse doelen benoemd. In het planMER worden deze doelen benoemd en nader toegelicht. Aan deze ambities/doelen worden ook de behoeften met een bovenregionale afweging op doelbereik getoetst.
Pagina 56 van 124
Definitief | 15 december 2023 | Notitie Reikwijdte en Detailniveau Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
5.2.5
Integrale beoordeling Voorkeursalternatief In het MER wordt voor alle behoeften uit het NPRD de impact op de fysieke leefomgeving in beeld gebracht. Specifiek voor de behoeften met een bovenregionale afweging worden hiervoor in het MER alternatieven onderzocht. Mede op basis hiervan, naast andere effecten als kosten en draagvlak, kan in het NPRD een voorkeursalternatief bepaald worden. In een MER is het verplicht om ook naar cumulatieve effecten te kijken. De effecten van het voorlopig voorkeursalternatief (dat dus bestaat uit alle behoeften) wordt daarom in samenhang – dus integraal – beoordeeld. Bijvoorbeeld op de totale impact op Natura 2000 (in plaats van alle behoeften apart), zie volgende paragraaf. De beoordeling van het voorkeursalternatief vindt plaats met behulp van dezelfde methoden en beoordelingskader (zie tabel 5-1 en figuren 5-2 en 5-3). Deze beoordeling vindt kwalitatief plaats.
5.2.6
Omgang met effecten van en naar het buitenland Nederland staat niet op zichzelf qua opgaven en impact van wereldwijde trends. Daarom zijn effecten van en op met name buurlanden (België en Duitsland) waarschijnlijk. In het MER zal beknopt worden beschouwd wat de effecten van de behoeften van Defensie op het buitenland zijn, maar zal (als onderdeel van de beschrijving van de huidige staat van het milieu) ook beknopt beschouwd worden op welke wijze ontwikkelingen in het buitenland effect hebben op activiteiten van Defensie in Nederland.