CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - 4 Deelrapport behoefte XI - Laagvlieggebieden helikopters.pdf

Oordeelsvormende vergadering 26 juni 2025, gemeente DrontenBij agendapunt: 3: Raadsvoorstel zienswijze Ontwerp NPRD22.354 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.4.2

Effectbeschrijving Lichtemissies Nr. B1 B2 B3 B4 B5

Lichtemissie In het oosten sterke lichtemissie van Venlo. Ook verschillende andere kernen dragen bij aan lichtemissie van de omgeving. Oostelijk deel van de locatie relatief sterke lichtemissie. Ook de A58 in het noorden draagt bij aan de lichtemissie naar de omgeving. Verschillende kernen dragen met name in het midden van het laagvlieggebied bij aan een sterke lichtbelasting. Ten noorden sterke lichtemissie. Ook de verschillende kernen dragen bij aan lichtemissie. Relatief donkere locaties, alleen lichtbelasting door logistieke defensielocatie.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

B6 B7 B8 B9 B10 B11 B12 N1 N2 N3 N4 N5 N6 N7 N8

Kernen dragen bij aan lichtemissie. In de polder en op de Veluwe ook donkere plekken. Donkere plekken, lokaal lichtemissie door bebouwing. Overwegend donkere locatie. Overwegend donkere locatie, behalve enkele kernen (zoals Beilen en Westerbork). Overwegend donkere locatie. Noorden donker. Zuiden sterke lichtbelasting door bedrijventerrein nabij Medemblik. Overwegend donkere locatie. Verschillende kernen, zoals Someren, Asten en Heeze, dragen bij aan lichtemissie. Met name langs de A16 en ten noorden van de A58 en A27 is er sprake van een relatief sterke lichtemissie. Ten zuiden van deze snelwegen verschillende kernen. Relatief donkere omgeving. Kernen dragen bij aan lokale lichtemissie. Rondom Terneuzen en Middelburg relatief sterke lichtemissie. Relatief sterk verlichte omgeving. Uitstralingseffecten van de kernen en wegen in het landschap. Donkere locaties, maar ook lokaal sterke lichtbelasting door de verschillende kernen in het gebied. Overwegend donkere locaties. In het zuiden lichtemissie door infrastructuur. Enkele plekken met meer lichtemissie door bebouwing. Donkere locatie boven het water. Lichtemissie door kernen (Urk, Emmeloord en Ens). Kernen (Avenhorn, Middenbeemster, De Rijp, Ursem, Obdam en meer) bron van lichtemissie. In het noorden donkerder.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-7: Lichtemissie (2022) – laagvlieggebieden

Lichthinder Laagvliegende helikopters kunnen lichthinder veroorzaken bij inwoners van het gebied. De mate van hinder wordt ook hier bepaald door de aanwezigheid en dichtheid van woningen in de laagvlieggebieden. De beoordeling van lichthinder is daarom gelijk aan de beoordeling voor geluidhinder.

3.5

Trillingen

3.5.1

Huidige situatie en referentiesituatie Overvliegen van onder ander Chinook helikopters kan leiden tot ‘rattle noise’. Rattle noise is een rammelend geluid door trillingen of door lage tonen bij geluid. Geluid is in feite trilling van lucht. De mate van geluidbelasting zegt hierdoor ook iets over de (te verwachten) hinder door trillingen. Dit blijkt ook uit onderzoek van NLR naar rattle noise in de omgeving van vliegbasis Gilze-Rijen. De curve in figuur 3-8 laat zien dat de waarneming van trilling (rattle) toeneemt als het geluidniveau stijgt.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 3-8 Relatie tussen rattle en het geluidniveau

3.5.2

Effectbeschrijving Ook voor trillingen geldt dat niet te bepalen is hoeveel trillingshinder bij woningen of andere gevoelige objecten exact te verwachten is. De te verwachten hinder door trillingen is daarom bepaald aan de hand van de woningdichtheid in het gebied. De beoordeling is daardoor gelijk aan de beoordeling voor geluid.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

4.

Natuur, landschap en cultureel erfgoed

4.1

Beschermde natuurgebieden

4.1.1

Huidige situatie Figuur 4-1 toont de beschermde natuurgebieden in Nederland. Gebieden die aangewezen zijn als Natura 2000gebied, maken doorgaans ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de tabel onder de kaart is per laagvlieggebied beschreven hoeveel (km2) beschermd natuurgebied aanwezig is en om welke Natura 2000gebieden het gaat. Ook zijn enkele aangewezen beschermde soorten genoemd. Hierbij is vooral gekeken naar soorten die gevoelig zijn voor verstoring door vliegactiviteiten (geluid en optische verstoring). Dit is gebaseerd op de effectenindicator van Synbiosis.

figuur 4-1: Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Tabel 4.1 Natura 2000-gebieden binnen bestaande en nieuwe laagvlieggebieden en een opsomming van enkele verstoringsgevoelige soorten (geluid en optische verstoring)

Nr.

4.1.2

B1

N2000 (km2) 40

Gebieden

Verstoringsgevoelige soorten, o.a.:

Deurnsche Peel & Mariapeel én Groote Peel

Blauwborst, nachtzwaluw, roodborsttapuit Bever, grutto, roerdomp Lepelaar, slechtvalk, visarend

B2 B3 B4

0 15 40

B5

20

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, Rijntakken Haringvliet, Oudeland van Strijen, Hollandsdiep, Voornes duin, Oude Maas Veluwe

B6 B7 B8

440 25 30

Veluwe, Veluwerandmeren, Ketelmeer en Vossemeer. Sallandse Heuvelrug, Boetelerveld Holtingerveld, Drents-Friese Wold & Leggelderveld

B9

60

B10 B11 B12 N1

10 5 0 25

N2 N3

5 1.150

N4

20

N5

90

N6

140

Dwingelderveld, Mantingerbos, Mantingerzand, Elperstroomgebied, Drents-Friese Wold & Leggelderveld, Witterveld, Drentsche Aa gebied, Drouwenerzand Drentsche Aa gebied IJsselmeer, Waddenzee Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, Groote Peel én Strabrechtse Heide & Beuven Ulvenhoutse Bos én Regte Heide en Riels Laag Westerschelde & Saeftinge, Yerseke en Kapelse Moer, Oosterschelde, Veerse Meer, Kop van Schouwen, Voordelta, Vlakte van de Raan, Haringvliet, Grevelingen, Krammer-Volkerak, Zoommeer, Duinen Goeree & Kwade Hoek, Canisvliet, Vogelkreek, Groote Gat, Zwin & Kievittepolder Rijntakken, Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Donkse Laagten, Uiterwaarden Lek, Zouweboezem, Kolland & Overlangbroek Korenburgerveen, Rijntakken, Stelkampsveld, Buurserzand & Haaksbergerveen, Landgoederen Brummen, Veluwe Veluwe

N7 N8

50 5

Ketelmeer & Vossemeer, IJsselmeer Polder Zeevang, Eilandspolder

Boomleeuwerik, wespendief, zwarte specht Grutto, lepelaar, visarend Nachtzwaluw, roodborsttapuit Boomleeuwerik, wespendief, zwarte specht Bever, boomleeuwerik, zwarte specht

Zeehond, grutto, slechtvalk, visdief Boomleeuwerik, roerdomp, roodborsttapuit Kieviet, slechtvalk, zeearend, zeehond

Bever, grutto, zwarte stern, Grutto, wespendief Boomleeuwerik, wespendief, zwarte specht Lepelaar, roerdomp, visarend Grutto, kievit, lepelaar

Effectbeschrijving Laagvliegende helikopters kunnen leiden tot verstoring van beschermde natuurwaarden. Dit kan gaan om geluid of optische verstoring (dit speelt met name bij vogels) of aantasting door stikstofdepositie. Voor de beoordeling op beschermde natuurwaarden is gekeken naar de omvang en het percentage Natura 2000-gebied, Vogelrichtlijngebied en NNN. Aandeel

Score

< 5% 5 – 10% 10 – 25% 25 – 50% > 50%

Tabel 4.2 Omvang en percentage Natura 2000-gebied, Vogelrichtlijngebied en NNN binnen bestaande en nieuwe laagvlieggebieden in km2

Omvang Natura 2000

Vogelrichtlijn

NNN

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

40

11%

11%

90

36%

0%

2

13%

5%

40

16%

5

10

53%

40 0 15 30 20 440 25 25 40 0

0%

15

88%

B11

160

5

3%

5

3%

10

6%

B12

1.470

0

0%

0

0%

0

0%

N1

160

25

11%

20

5%

70

41%

N2

0%

140

34%

42%

220

10%

B1

250

B2

15

0

0%

B3

330

15

5%

B4

330

40

10%

B5

20

20

88%

B6

750

440

56%

B7

100

25

19%

B8

60

30

48%

B9

420

60

12%

B10

9%

50

18%

88%

20

88%

56%

450

64%

18%

50

43%

36%

40

64%

7%

190

47%

600

5

1%

N3

2.400

1.150

42%

N4

710

20

3%

0 1.150 15

2%

70

12%

N5

1.350

90

6%

90

6%

240

20%

N6

160

140

82%

82%

140

86%

N7

180

50

24%

24%

5

3%

250

5

4%

140 50 5

4%

20

7%

N8

Bij het aandeel beschermde natuurgebieden springen enkele gebieden er uit. De gebieden B5 en B6 liggen voor meer dan 50% over beschermde natuurgebieden. Dit zijn bestaande gebieden boven de Veluwe. Dit is een Vogelen habitatrichtlijngebied. B10 ligt voor meer dan de helft over Natura 2000-gebied Drentsche Aa-gebied, dat alleen aangewezen is voor habitatrichtlijnsoorten. Van de nieuwe laagvlieggebieden heeft alleen N6 meer dan 50% beschermd natuurgebied binnen de begrenzing. Ook dit betreft de Veluwe. Ook N3 heeft een relatief hoog percentage beschermd natuurgebied. Dit zijn voornamelijk de Deltawateren die als vogelrichtlijngebied aangewezen zijn. Deze gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Om natuurwaarden te beschermen en soorten rust en ruimte te gunnen, gelden op diverse plekken bij grote wateren toegangsbeperkingen. In de Passende Beoordeling is uitgebreid ingegaan op de mogelijke effecten op beschermde gebieden en soorten. Effecten op stikstofdepositie Binnen bestaande en nieuwe laagvlieggebieden is stikstofgevoelig habitat aanwezig. Toename van stikstofdepositie als gevolg van laagvliegen is niet uit te sluiten als er laaggevlogen wordt boven of in de nabijheid van stikstofgevoelig habitat.

Omdat in deze fase van het onderzoek niet bekend is wat de omvang en exacte locatie (vliegroutes, aantal en type helikopter en duur van de activiteit), is het maken van een stikstofberekening niet mogelijk. Stikstofemissies zijn, uitgaande van gelijke activiteiten, in alle gebieden gelijk. De omvang van de depositie verschilt per gebied en per oefening van laagvliegen. Over het algemeen kan gesteld worden dat stikstofdepositie groter is in laagvlieggebieden met meer stikstofgevoelig habitat. De stikstofdepositie is groter (meer ha met toename) als er meer stikstofgevoelig habitat aanwezig is. Dit dient voor de natuurvergunning nader onderzocht te worden.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

4.2

Biodiversiteit

4.2.1

Huidige situatie en referentiesituatie Op landelijke schaal is geen informatie beschikbaar over soorten die gevoelig zijn voor laagvliegen in combinatie met hun voorkomen. Om een goed beeld te vormen van de mogelijke impact van vliegen op de lokale biodiversiteit is gekeken naar gevoeligheidskaart voor windturbines. Deze kaarten zijn door SOVON (2021) opgesteld om te helpen met de besluitvorming van de plaatsing van windturbines. Ze laten grofmazig zien welke gebieden in Nederland belangrijk zijn voor de vogeltrek, broedvogels en niet-broedvogels. Zoals in de toelichting in hoofdstuk 2 opgenomen zijn grote wateren niet meegenomen in deze analyse. De blauwe kleur op de kaart is geen score voor gevoeligheid. Van de grote wateren, zoals de Deltawateren, het Ijsselmeer en de Waddenzee, is bekend dat dit zeer belangrijke vogelgebieden zijn. Met name locaties die droogvallen bij eb zijn belangrijke foerageer en rustplaatsen voor vogels. Trekvogels Op grote hoogte (meer dan 500 meter) vliegen trekvogels over geheel Nederland. Vanwege de vlieghoogte van trekvogels wordt hier geen relevante verstoring verwacht. Figuur 4-2 toont de gevoeligheid van broedvogels en niet-broedvogels. Het zijn gebieden die gebruikt worden voor foerageren en rusten.

figuur 4-2: Gevoeligheidskaart broed- en niet broedvogels

4.2.2

Effectbeschrijving Gevoeligheid vogels Laagvliegen heeft een impact op de soorten die in de gebieden leven. Alterra (2008) heeft onderzoek gedaan. Algemene bevindingen zijn: In iedere maand van het jaar wordt laaggevlogen. Er zijn wel twee pieken: in het vroege voorjaar en in de late zomer/vroege herfst;

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

-

Vluchten vinden voornamelijk (ca. 75%) overdag plaats. Daarnaast wordt 25% van de vluchten in de nacht gedaan. De verdeling van dit percentage verschilt sterk per laagvlieggebied.

Laag overvliegen kan verstorende effecten hebben op vogels in het vrije veld. De impact is sterk verschillend per seizoen, per soort of per vliegtuig. De reactie van vogels is zeer verschillend, van indifferentie tot opkijken tot paniek. Stress kan doorwerken in wijzigingen van ruimtegebruik, toegenomen mortaliteit of een afgenomen reproductie. De mogelijkheid om bepaalde leefgebieden te vermijden heeft sterk te maken met de hoeveelheid leefgebied die op voorhand voor soorten beschikbaar zijn. Herhaalde prikkeling kan leiden tot een toenemende gevoeligheid, maar ook tot gewenning aan het element. Zo is bij Roodstaartbuizerds gewenning vastgesteld. In gebieden waar vaker werd laag gevlogen reageerden buizerds minder sterk op helikopters dan in gebieden waar weinig werd laaggevlogen. Voor vogels gelden er verschillende bronnen van verstoring. Het belangrijkst worden over het algemeen het geluid en de zichtbaarheid van het vliegtuig gezien. Het type geluid, dat sterk samenhangend is met het type vliegtuig of helikopter, bepaalt de reactie van vogels. Afstand is ook een belangrijk element voor de verstoringsreactie. Ook het gedrag van het toestel bepaalt de reactie van vogels. Cirkelende of optrekkende toestellen leiden tot een sterkere reactie dan passerende toestellen.

In de waargenomen verstoring per vogelgroep zijn verschillen te onderscheiden: Over watervogels wordt het vaakst vermeld dat ze een verstoringsreactie hebben op laag overkomende toestellen. Nestelende watervogels zijn minder gevoelig dan niet-broedende vogels. Overkomende toestellen kunnen negatief effect hebben op terreingebruik, foerageren en voedselopname. Gewenning lijkt bij pleisterende watervogels niet of nauwelijks op te treden. Niet-broedende zeevogels zijn in vluchtgedrag meer gevoelig voor verstoring dan nestelende vogels. Ook van zeevogels wordt relatief vaak vermeld dat zij te maken hebben met vluchtreacties door laagvliegen. Wadvogels hebben ook een relatief sterke reactie op laagvliegende toestellen. Er bestaan verschillen door het getij. Een ander effect treedt op wanneer vogels aan het foerageren zijn ten tijde van laagwater dan wanneer vogels op hoogwatervluchtplaatsen geconcentreerd zijn. Onderzoek naar roofvogels concentreert zich op de periode dat ze broeden of jongen hebben. Reacties verschillen zeer sterk tussen vogels, van vluchten tot aanvallen. De mate van respons neemt toe in de loop van de broedtijd. In de literatuur wordt voor enkele soorten gesproken over gewenning. Effecten van laagvliegen op zoogdieren zijn in Alterra (2008) voornamelijk beschreven aan de hand van soorten die niet in Nederland voorkomen.

Voor de soort die in Nederland voorkomt, het Ree, zijn alleen de effecten van laagovervliegende sportvliegtuigen onderzocht. Laagvliegen zorgt bij zoogdieren voor een verhoogde staat van alertheid. Dit kan leiden tot vluchtgedrag. Binnen enkele studies, waaronder naar het Ree, wordt enige mate van gewenning vastgesteld. Aanwezigheid van beschermde vogelsoorten kan leiden tot beperkingen voor het gebruik van het laagvlieggebied. Dit kunnen tijdelijke beperkingen zijn, waarbij delen van het gebied tijdens bijvoorbeeld het broedseizoen verboden zijn voor laagvliegende helikopters. Dit wordt vastgelegd in Pilote Information Files (PIF’s) die piloten in acht moeten nemen bij laagvliegactiviteiten.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 4-3 Uitsnede van beperkingenkaart uit een Pilote Informatian File (PIF) voor laagvliegen

Verstoring van vogels vindt in alle laagvlieggebieden plaats. Of dit tot beperkingen leidt voor laagvlieggebieden is op dit moment niet te bepalen. Dit zal in vergunningtrajecten onderzocht worden. Wel zijn er verschillen tussen laagvlieggebieden in de mate waarin de gebieden gevoelig zijn voor vogels. Dit geeft een beeld van de mogelijke risico’s op verstoring en daaruit volgende beperkingen binnen de gebieden. In onderstaande tabel zijn de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden gescoord op basis van de gevoeligheidskaart van Sovon. Omvang Score B1

250

B2

15

B3

330

B4

330

B5

20

B6

750

B7

100

B8

60

B9

420

B10

5

B11

160

B12

1.470

N1

160

N2

600

N3

2.400

N4

710

N5

1.350

N6

160

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

N7

180

N8

250

4.3

Landschap

4.3.1

Huidige situatie en referentiesituatie Figuur 4-3 toont de ligging en begrenzing van nationale landschappen en parken van Nederland. Op de kaart zijn ook landgoederen en buitenplaatsen aangegeven.

Figuur 4-4 Ligging en begrenzing van nationale landschappen en parken (bron: Atlas Natuurlijk Kapitaal)

4.3.2

Effectbeschrijving Laagvliegende helikopters hebben geen invloed op de wezenlijke kenmerken van het landschap. Helikopterverkeer leidt niet tot aantasting van landschappelijke kwaliteiten, zoals de inrichting en instandhouding van het landschap. De (overlast van) aanwezige helikopters kunnen wel de belevingswaarde van landschappen aantasten. Door geluid, trillingen en de fysieke aanwezigheid van helikopters kan leiden tot verminderde landschapsbeleving. Dit geldt met name op plekken waar -vanwege de landschappelijke kwaliteiten- veel mensen aanwezig zijn. Recreanten en toeristen kunnen gehinderd worden in de beleving van het landschap. Het MER kijkt hiervoor naar de omvang van beschermd nationaal en provinciaal landschap (in aantal hectare) en landgoederen en buitenplaatsen (in aantallen). Tabel 4.1 toont per zoekgebied de omvang van Nationale en Provinciale Landschappen binnen het gebied. Ook geeft de tabel aan of en hoeveel landgoederen en/of buitenplaatsen aanwezig zijn.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Tabel 4.3 Overzicht van de aanwezigheid van nationale landschappen, landgoederen en buitenplaatsen in de laagvlieggebieden

Nr.

B1 B2

Omvang (km2)

-

15

-

330 330 20

B6

750 B7 B8 B9

25 150 20 530

100 60

-

420

130

B10 B11 B12

Toelichting

250

B3 B4 B5

Nationale landschappen (km2)

5 160 1.470

N1

160

-

20 -

N2 -

600 N3

2.400 N4

710 N5

1.350 N6

160 N7 N8

180 250

Geen nationale landschappen of buitenplaatsen gelegen binnen gebied. Geen overlap met, maar wel grenzend aan Nationaal landschap Het Groene Woud. Geen buitenplaatsen binnen gebied. Overlap met nationaal landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie. Enkele buitenplaatsen in plangebied. Overlap met nationaal landschap Hoeksche Waard. Laagvlieggebied volledig gelegen op Nationaal Park De Veluwe. Geen buitenplaatsen in gebied. Laagvlieggebied ligt voor groot deel boven Nationaal Park De Veluwe. Enkele buitenplaatsen gelegen op De Veluwe Geen nationale landschappen gelegen binnen gebied. Buitenplaatsen Schoonheten en De Sprengerberg gelegen in gebied Geen nationale landschappen en buitenplaatsen gelegen binnen gebied. Deels gelegen boven Nationaal Landschap Drentsche Aa. Kleine buitenplaats ‘Oldengaerde’ net binnen gebied gelegen. Deels gelegen boven Nationaal Landschap Drentsche Aa. Geen buitenplaatsen binnen gebied

20 470 370 150 -

Geen nationale landschappen gelegen binnen gebied. Buitenplaats Heeze ligt binnen gebied Geen nationale landschappen gelegen binnen gebied. Enkele grote buitenplaatsen gelegen ten zuiden van Breda, met name tussen Ulvenhout en Chaam Geen nationale landschappen gelegen binnen gebied. Enkele buitenplaatsen gelegen verspreid in gebied. Overlap met nationale landschappen: Het Groene Hart, Rivierenland en Rivierengebied. Enkele buitenplaatsen gelegen verspreid in gebied. Overlap met nationale landschappen: De Veluwe, Noordoost Overijssel, Graafschap en Winterswijk. Groot aantal buitenplaatsen gelegen in gebied Laagvlieggebied ligt voor groot deel boven Nationaal Park De Veluwe. Enkele buitenplaatsen ten noorden van Arnhem gelegen in gebied. Zeer kleine overlap met nationaal landschap IJsseldelta. Geen buitenplaatsen binnen gebied. Geen nationale landschappen of buitenplaatsen gelegen binnen gebied.

Score

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

5.

Ruimtegebruik

5.1

Recreatie

5.1.1

Huidige situatie en referentiesituatie Oefeningen met laagvliegende helikopters kunnen tot overlast voor recreanten leiden. Met name recreatie in de buitenlucht, zoals wandelen, fietsen of andere buitenrecreatie, kan hinder ondervinden van laagvliegende helikopters. Om dit te onderzoeken is het recreatief gebruik van de gebieden in beeld gebracht.

Figuur 5-1 Aantal gewandelde kilometers (bron: Atlas Natuurlijk Kapitaal)

Figuur 5-1 toont het aantal gewandelde kilometers in de natuur in Nederland. Deze kaart geeft een indicatie van het recreatief gebruik van de gebieden. Gebieden die eruit springen qua aantal gewandelde kilometers zijn met name de parken en natuurgebieden in de omgeving van grote steden, zoals de Utrechtse Heuvelrug en de duinen in de buurt van Den Haag, Haarlem en Alkmaar. Ook de Veluwe springt eruit als gebied waar veel gewandeld wordt. In poldergebieden en gebieden met overwegend agrarisch grondgebruik ligt het aantal gewandelde kilometers beduidend lager. Natuurgebieden trekken toeristen aan die specifiek voor de natuur overnachtingen boeken in de omgeving. Het CBS heeft dit onderzocht en gekoppeld aan de kaart van Nederland. Op de kaart (figuur 5-2) is te zien welke gebieden in meer of mindere mate toeristen aan trekken.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 5-2 Natuurtoerisme, uitgedrukt in aantal overnachtingen per natuurgebied (bron: Atlas Natuurlijk Kapitaal)

Naast wandelen in natuurgebieden zijn er ook specifieke locaties met een recreatieve functie. Denk hierbij aan kampeerterreinen, golfbanen of moestuinen. In omgevingsplannen (of bestemmingsplannen) zijn deze functies ook vastgelegd. Figuur 5-3 toont gebieden in Nederland met een recreatieve functie. Dit is geen uitputtend overzicht van alle locatie met een recreatieve functie. Sommige recreatieve functies zijn mogelijk als nevenfunctie en niet als hoofdfunctie vastgelegd. De kaart geeft wel een indicatie van de recreatieve functie van een gebied. Zo zijn er in de kustzone bij ZuidHolland en Zeeland relatief veel recreatieve functies te zien. Veel recreatieve functies zijn gelegen in of aan de rand van stedelijk gebied. Vanwege de buffer van 600 meter rond stedelijk gebied, vallen veel recreatieve functies binnen het gebied waar laagvliegen minder nadrukkelijk aanwezig is (zie paragraaf 2.1.2).

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 5-3 Recreatiebestemmingen in Nederland

5.1.2

Effectbeschrijving Laagvliegende helikopters veroorzaken overlast, onder andere door geluid en trillingen. Ook recreanten ervaren deze overlast. Voor de effectbeoordeling is per gebied een score gegeven op basis van het aantal gewandelde kilometers en het aantal overnachtingen. Tabel 5.1 Beoordeling van de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden op het gemiddeld aantal wandelkilometers en natuurrecreatie

Nr. B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 B9 B10 B11 B12 N1 N2 N3 N4 N5 N6 N7

Wandelkilometers

Natuurtoerisme

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

N8

Tabel 5.1 laat zien dat bij enkele laagvlieggebieden het aantal wandelkilometers en de omvang van natuurtoerisme hoog is. Laagvliegactiviteiten kunnen tot hinder voor wandelaars en toeristen leiden. Deze hinder is echter beperkt in tijd, wandelaars of toeristen worden in buitengebieden incidenteel en kortstondig blootgesteld aan enige mate van geluidhinder. Bij verblijfsrecreatie, zoals campings en vakantieparken, kan de hinder groter (langduriger) zijn. Laagvliegen gebeurt niet boven dergelijke recreatieve functies, maar op enige afstand kan laagvliegen wel tot hinder voor verblijfsrecreatie leiden. In de analyse per gebied wordt daarom gekeken naar de omvang en nabijheid van locaties met veel verblijfsrecreatie.

5.2

Landbouw

5.2.1

Huidige situatie en referentiesituatie Naast de mogelijke impact op mensen kan het laagvliegen met helikopters ook invloed hebben op dieren. Bij het aspect biodiversiteit is beschreven in hoeverre gebieden gevoelig zijn voor (beschermde) soorten, met name vogels. In deze paragraaf is de omvang van landbouwdieren en paarden in beeld gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt naar graasdieren, hokdieren en paardenhouderijen.

Figuur 5-4 Aantal graasdieren per vierkante km per gemeente (bron: CBS, 2020)

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Gebruikte data voor veehouderij en paardenbedrijven Het MER maakt gebruik van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor een indicatie van het aantal dieren of bedrijven binnen laagvlieggebieden. Het CBS heeft gegevens over aantal dieren en bedrijven per gemeente. Dit is op kaart gezet met de bijbehorende gemeentegrenzen. Er zijn geen openbare, landsdekkende databronnen voor exacte aantallen dieren of locaties van bedrijven.

Figuur 5-5 Aantal hokdieren per vierkante km per gemeente

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 5-6 Aantal paardenhouderijen per gemeente (bron: CBS, 2020)

5.2.2

Effectbeschrijving Voor de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden is de gemiddelde dichtheid van graasdieren, hokdieren en paardenhouderijen geanalyseerd. Dit is per gebied uitgedrukt in een score. Een donkere arcering betekent een hogere dichtheid. Tabel 5.2 Beoordeling van de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden op de omvang (dichtheid) van graasdieren, hokdieren en paardenhouderijen

Nr. B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 B9 B10 B11 B12 N1 N2 N3 N4 N5 N6*

Omvang (km2) 250 15 330 330 20 750 100 60 420 5 160 1.470 160 600 2.400 710 1.350 160

Graasdieren

Hokdieren

Paardenhouderijen

**

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

N7 N8

180 250

*Op basis van CBS-data is het aantal veedieren en paardenhouderijen hoog. Het laagvlieggebied ligt grotendeels over natuurgebied, de bebouwde gebieden van de betreffende dorpen vallen er buiten. Binnen het laagvlieggebied is het aantal veedieren lager, dit is daarom licht negatief gescoord. Paardenhouderijen zijn in het gebied zelf niet of nauwelijks aanwezig, maar maken naar verwachting wel gebruik van het gebied. Dit is daarom negatief gescoord. ** Uit nadere informatie vanuit de provincies en gemeenten blijkt in deze regio een onderschatting in de data van de hippische sector te zijn. Daarom is ondanks de lage dichtheid volgens het CBS het gebied wel slechter beoordeeld.

Tabel 5.2 laat zien dat in vrijwel alle laagvlieggebieden vee en paarden aanwezig zijn. Lagere dichtheden zijn te zien in de kleinere gebieden B2 en B5. Aanwezigheid van deze dieren is daarmee echter niet uitgesloten. Binnen en in de directe omgeving van de gebieden (met uitzondering van B12) kunnen bijvoorbeeld ruiterroutes aanwezig zijn. Hinder voor dieren en met name paarden ontstaat met name door het schrikeffect. Het beperken of voorkomen van hinder is mogelijk door maatregelen te nemen. Door tijdige communicatie over laagvliegactiviteiten richting boerenbedrijven en paardenhouderijen kunnen bewoners en bedrijven maatregelen nemen, bijvoorbeeld door dieren tijdelijk binnen te houden. Piloten kunnen hinder beperken door uit te wijken en afstand te houden als zij paarden of andere vluchtdieren zien. Aanwezigheid van veedieren en paarden vormt geen belemmering voor het aanwijzen van nieuwe laagvlieggebieden. Negatieve effecten (hinder) kan grotendeels beperkt worden door goede communicatie en maatregelen in de uitvoering van de activiteiten.

5.3

Energienetwerken en zendmasten

5.3.1

Huidige situatie en referentiesituatie Hoogspanningsverbindingen en windturbines vormen een risico voor laagvliegende helikopters. De aanwezigheid van deze energievoorzieningen leidt tot beperkingen en belemmeringen voor laagvliegen. Vanuit veiligheidsoverwegingen dienen helikopters afstand te houden tot deze voorzieningen. Voor windturbines geldt een afstand van 500 meter, voor hoogspanningsverbindingen een buffer van In figuur 5-7 zijn de bestaande windturbines en hoogspanningsverbindingen in Nederland weergegeven.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 5-7 Aanwezige windturbines en hoogspanningsverbindingen

Zendmasten Verspreid over Nederland staan zendmasten. Veel zendmasten staan aan de randen van stedelijk gebied of infrastructuur, maar regelmatig ook in het buitengebied. Zendmasten vormen obstakels voor laagvliegen. Figuur 5-8 toont de zendmasten in Nederland. De figuur laat zien dat ook in bestaande laagvlieggebieden zendmasten aanwezig zijn. Zendmasten maken laagvliegen niet onmogelijk, deze hindernissen kunnen ontweken worden. Een hoge dichtheid aan zendmasten vormt wel een aandachtspunt bij de laagvliegactiviteiten in de gebieden.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 5-8 Zendmasten in Nederland

Zoekgebieden windturbines en hoogspanningsverbindingen Op diverse plaatsen in Nederland zijn nieuwe locaties voor windturbines in ontwikkeling of in onderzoek. Ook voor hoogspanningsverbindingen lopen onderzoeken en studies naar nieuwe tracés. Figuur 5-9 toont de beoogde uitbreidingen van hoogspanningsverbindingen tot 2030 en tot 2050. Zoekgebieden voor windturbines zijn niet op landelijk niveau op kaart gezet.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 5-9 Beoogde uitbreidingen van hoogspanningsverbindingen tot 2030 en 2050 en de ontwikkeling van energiestations

5.3.2

Effectbeschrijving Bestaande windturbines en hoogspanningstracés vormen een belemmering voor laagvliegen. Helikopteroefeningen in de nabijheid van deze voorzieningen leiden tot risico’s. Er is dan ook een bufferzone rond windturbines en hoogspanningsverbindingen van toepassing. In onderstaande tabel is aangegeven of en hoeveel hectare windturbines (met 500 meter buffer) en hoogspanningsverbinding aanwezig is in de gebieden. Ook eventuele aanwezigheid van energiecentrales is benoemd. Tabel 5.3 Aanwezigheid van windturbines en energienetwerken binnen de laagvlieggebieden

Nr.

B1

Omvang (km2)

Windturbines (km2)

Energienetwerk (km)

Toelichting

250

10

37

15

0

0

330

1

9

B4 B5 B6

330 20

7 0

42 0

750

18

25

B7 B8 B9

100 60

0 0

3 0

420

4

26

B10 B11 B12

5 160 1.470

0 48 0

0 0 0

B2 B3

Windturbines aan de zuidkant van het gebied, hoogspanningsverbindingen centraal en aan de oostkant van het gebied. Enkele windturbines centraal in het gebied en aan de westkant. Klein deel hoogspanningsverbinding aan de oostkant. Enkele windturbines en een hoogspanningsverbinding langs de noordkant. Enkele windturbines aan de zuidwesten noordwestkant. Hoogspanningsverbinding aan de noordkant en zuidwesthoek. Windturbines aan de zuidkant, hoogspanningsverbinding centraal van zuid naar noord en van oost naar west. Meerdere windturbines verspreid over het gebied. -

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

N1 N2 N3 N4 N5 N6 N7 N8

160

0

17

600

4

0

2.400

70

50

710

14

22

1.350

16

112

160

0

0

180

19

31

250

31

15

1 windturbine aan de westkant, meerdere hoogspanningsverbindingen door het gebied. Meerdere windturbines aan de zuidkant. Meerdere windturbines verspreid in het gebied, hoogspanningsverbinding aan de zuidkant. Meerdere windturbines verspreid in het gebied. Hoogspanningsverbinding aan de zuidwestkant. Meerdere windturbines aan de zuiden wetskant. Diverse hoogspanningsverbindingen centraal in het gebied. Meerdere windturbines verspreid over het gebied, hoogspanningsverbindingen aan de zuid- en oostkant. Meerdere windturbines, grotendeels op de noordelijke helft. Hoogspanningsverbinding aan de zuidoostkant en centraal door het gebied.

Tabel 5.3 beschrijft de aanwezigheid van windturbines en hoogspanningsverbindingen binnen de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden. Windturbines en hoogspanningsverbindingen zijn in beginsel geen belemmering voor laagvliegen. Sommige hoogspanningsverbindingen worden (in overleg met de netbeheerder) zelfs gebruikt als oefenobject. De beoogde uitbreidingen van hoogspanningsverbindingen en eventuele nieuwe windturbines creëren nieuwe obstakels in de laagvlieggebieden. Bij grote gebieden leidt dit niet tot directe belemmeringen voor laagvliegen. In N1 De mate waarin windturbines en hoogspanningsverbindingen de ruimte voor laagvliegen beperken is sterk afhankelijk van omvang en ligging binnen de gebieden. Bij windparken met meerdere windturbines dichtbij elkaar is de ruimte voor laagvliegen beperkt. Bij de analyse per gebied worden windturbines en hoogspanningsverbindingen in beeld gebracht en de beschikbare ruimte voor laagvliegen beoordeeld.

5.4

Luchtvaartactiviteiten

5.4.1

Huidige situatie en referentiesituatie In Nederland vindt er naast civiele en militaire luchtvaart ook veel recreatieve luchtvaart plaats. Er zijn in Nederland tientallen zweefvliegclubs, er worden parachutesprongen gemaakt en men vliegt met gemotoriseerde modelvliegtuigen. Deze activiteiten hebben gebieden toegewezen gekregen. In deze gebieden krijgen recreanten de ruimte om hun hobby uit te oefenen. Hier gelden nog steeds veel regels en afspraken en is zodoende geen gebied waar alles mag en kan. Parachutespronggebieden zijn geen strikt verboden luchtruim, maar het wordt andere luchtvaartuigen sterk afgeraden deze gebieden te betreden vanwege de mogelijke gevaren. Tijdens een parachutespringvlucht houdt de piloot contact met de lokale luchtverkeersleiding eveneens om botsingen te voorkomen.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 5-10 Luchtvaartactiviteiten in Nederland (bron: VFR chart, LVNL)

5.4.2

Effectbeschrijving Voor de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden zijn de luchtvaartactiviteiten in beeld gebracht. Tabel 5.4 toont per gebied de aanwezigheid van parachutespringen, zweefvliegen, modelvliegen en microlight. Tabel 5.4 Overzicht van de luchtvaartactiviteiten binnen de laagvlieggebieden

Nr. B1 B2 B3

Parachutespringen Niet aanwezig Niet aanwezig

Zweefvliegen Niet aanwezig Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

B4

Gedeeltelijk overlap met parachutespringgebied Rhoon

B5 B6 B7 B8 B9

B10 B11 B12 N1

Microlight Niet aanwezig Niet aanwezig Niet aanwezig

Niet aanwezig

Modelvliegen Niet aanwezig Niet aanwezig 2 locaties aan de zuidwestzijde Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig Niet aanwezig

Niet aanwezig Niet aanwezig

Meerdere locaties aanwezig in midden en noorden gebied Niet aanwezig Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig Zweefvliegveld Noordkop aanwezig in gebied Niet aanwezig

Niet aanwezig Aanwezig, vertrekkend vanaf Noordkop Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig Rand klimgebied Teuge grenst aan laagvlieggebied Niet aanwezig Niet aanwezig Overlap met parachutespringgebieden Hoogeveen Niet aanwezig Niet aanwezig

Niet aanwezig

2 locaties aanwezig Niet aanwezig Locatie aanwezig aan zuidwestkant van gebied

Niet aanwezig

Niet aanwezig Niet aanwezig

Niet aanwezig

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

N2

N3

N4 N5 N6 N7 N8

Meerdere springgebieden aan westkant gebied. Vertrekkend van Breda International Airport, voorheen Seppe Meerdere springgebieden aanwezig. Vertrekkend vanaf vliegveld Midden-Zeeland Springgebied boven Wijk bij Duurstede

Niet aanwezig

Meerdere locaties in de buurt van Gilze-Rijen

Zweefvliegclub aanwezig in Burgh-Haamstede en Axel

2 locaties aanwezig in noorden en zuiden gebied. Oosterland en Hulst

Niet aanwezig

Aanwezig in Nieuwegein

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Grenst aan zweefvlieggebied Terlet. Geen overlap

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Meerdere locaties aanwezig in midden en oosten gebied Aanwezig in de buurt van Deelen Aanwezig in de buurt van Emmeloord Niet aanwezig

Niet aanwezig

Niet aanwezig Aanwezig in de buurt van Schoonhoven Aanwezig in Voorst Niet aanwezig Niet aanwezig Aanwezig in midden gebied

Tabel 5.4 laat zien dat in vrijwel alle gebieden in meer of mindere mate luchtvaartactiviteiten aanwezig zijn. Diverse gebieden zijn bijvoorbeeld aangewezen voor parachutespringen of zweefvliegen. Aanwijzing als laagvlieggebied betekent niet dat deze activiteiten niet meer mogelijk zijn. Dat blijkt uit het feit dat deze activiteiten in veel van de bestaande laagvlieggebieden aanwezig zijn. Deze luchtruimgebruikers en helikopterpiloten vliegen op zicht en houden rekening met elkaar. Start- en landingsplaatsen voor luchtvaartactiviteiten zijn wel een aandachtspunt. Laagvliegen over start- en landingsplaatsen en de bijbehorende aanvliegroutes van bijvoorbeeld zweefvliegtuigen is niet wenselijk. Bij de analyse per gebied wordt dit in beeld gebracht.

datum 17 november 2023 projectnummer 0486487.100 betreft 1. Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden

6.

Defensiespecifiek

6.1

Geschiktheid voor militair gebruik

6.1.1

Huidige situatie en referentiesituatie Laagvlieggebieden zijn niet de enige luchtruimgebieden die door Defensie worden gebruikt. Specifiek zijn in het luchtruim gebieden benoemd als danger area (gevaar) en restricted area (verbod). Dit betreft gebieden waar militaire activiteiten een gevaar kunnen vormen voor luchtruimgebruikers. Figuur 6-1 toont de danger (oranje) en restricted (rood) areas in het Nederlands luchtruim.

Figuur 6-1 Danger areas en restricted areas in Nederland (bron: VFR chart, LVNL)

Enkele danger en restricted areas liggen binnen laagvlieggebieden. Omdat dit ook aandachtsgebieden vanwege militaire activiteiten betreft, leidt dit niet direct tot beperkingen voor laagvliegen.

6.1.2

Effectbeschrijving Bereikbaarheid van laagvlieggebieden door helikopters Laagvliegen met helikopters gebeurt doorgaans vanaf één van de drie helikopterbases: De Kooy, Deelen of GilzeRijen. De bereikbaarheid (afstand) tot één van deze vliegbases is een belangrijke parameter voor defensie. Bij een grote afstand tot de helikopterbasis moeten helikopters mogelijk bijtanken om voldoende brandstof over te houden voor de laagvliegoefening. Een afstand van 60 km wordt gezien als een ‘te overbruggen’ afstand voor laagvliegoefeningen. Laagvliegen op meer dan 60 km van één van de vliegbases is wel mogelijk, maar dan is mogelijk een tussenstop nodig om te tanken. Tabel 6.1 toont voor de laagvlieggebieden de afstand tot een van de drie helikopterbases. Figuur 6-2 laat zien in hoeverre een gebied (deels) binnen 60 km van een basis ligt.

datum 17 november 2023 projectnummer 0486487.100 betreft 1. Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden

Tabel 6.1 Afstand van de laagvlieggebieden tot de helikopterbases De Kooy, Deelen of Gilze-Rijen

Nr. B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 B9 B10 B11 B12 N1 N2 N3 N4 N5 N6 N7 N8

Omvang (km2) 250 15 330 330 20 750 100 60 420 5 160 1.470 160 600 2.400 710 1.350 160 180 250

Afstand tot vliegbases Op meer dan 60 km van de drie helikopterbases Binnen 60 km van vliegbasis Gilze-Rijen Binnen 60 km van vliegbasis Gilze-Rijen, deels binnen 60 km van Deelen Binnen 60 km van Gilze-Rijen Binnen 60 km van Deelen Binnen 60 km van Deelen Binnen 60 km van Deelen Op meer dan 60 km van de drie helikopterbases Op meer dan 60 km van de drie helikopterbases Op meer dan 60 km van de drie helikopterbases Binnen 60 km van vliegbasis De Kooy Deels binnen 60 km van vliegbasis De Kooy Deels binnen 60 km van vliegbasis Gilze-Rijen Binnen 60 km van vliegbasis Gilze-Rijen Klein deel binnen 60 km van vliegbasis Gilze-Rijen Binnen 60 km van vliegbasis Gilze-Rijen, deels binnen 60 km van Deelen Binnen 60 km van Deelen Binnen 60 km van Deelen Op meer dan 60 km van de drie helikopterbases Binnen 60 km van vliegbasis De Kooy

figuur 6-2: 60 km rondom vliegbasis De Kooy, Deelen en Gilze-Rijen

Omvang De omvang van het gebied speelt op twee manieren een rol in de geschiktheid van het gebied. Een groter gebied maakt dat helikopterpiloten minder snel gewend zijn aan het gebied. Dit hangt samen met het aantal trainingsuren per vierkante kilometer. Bij een groter gebied maken wordt er minder vaak boven hetzelfde stukje grond geoefend. Hierdoor is er minder snel sprake van gewenning.

datum 17 november 2023 projectnummer 0486487.100 betreft 1. Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden

Een groter gebied zorgt er ook voor dat de overlast meer verspreid kan worden. Voor bewoners, gebruikers en dieren op de grond neemt de frequentie van laagvliegende helikopters af als het oefengebied groter is. Diversiteit landschap Voor de training van helikopters is een afwisselend landschap belangrijk. Diversiteit in het landschap verhoogt de trainingswaarde voor de piloten. De landschapstypen binnen de laagvlieggebieden zijn in beeld gebracht aan de hand van de kaart bodemgebruik van Nederland. In de tabel onder de figuur is een beknopte typering van het landschap gegeven. Tabel 6.2 Korte beschrijving van het terreintype op hoofdlijnen

Nr. B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 B9 B10 B11 B12 N1 N2 N3 N4 N5 N6 N7 N8

Omvang (km2) 250 15 330 330 20 750 100 60 420 5 160 1.470 160 600 2.400 710 1.350 160 180 250

Typering landschap Afwisseling van bos, heidegebied, veengebieden en open agrarisch landschap Heidegebied omringd door bos. Beperkt open agrarisch landschap aan de noordkant Overwegend agrarisch gebied, doorsneden door open water. Enkele kleine bospercelen aanwezig. Overwegend agrarisch gebied, duingebied aan de westkant. Enkele kleine bospercelen aanwezig. Overwegend heidegebied met enkele bospercelen en agrarische percelen Afwisseling van bos, heidegebied, (agrarisch) open landschap, zandverstuivingen en open water. Open agrarisch landschap aan de westkant, bosgebied aan de oostkant Bos- en heidegebied aan de noord- en zuidkant, open agrarisch landschap centraal Overwegend agrarisch open landschap met enkele bos- en heidegebieden aan de noord- en zuidkant. Grotendeels open gebied met agrarisch landschap en heidegebied. Klein bosgebied aan de noordkant. Vrijwel geheel open polderlandschap Volledig open water (Noordzee) Afwisseling van bos, heide en open agrarisch landschap Overwegend agrarisch landschap met relatief veel bebouwing. Meerdere kleine bosen heidegebieden verspreid over het gebied Afwisseling van open water (Deltawateren) en open agrarisch landschap. Diverse duingebieden aan de westkant. Vrijwel geheel open polderlandschap Overwegend open agrarisch landschap, enkele bos- en heidegebieden aan de noordwestkant van het gebied.

Overwegend bosgebied met enkele zandverstuivingen Overwegend polderlandschap, doorsnede door open water (Ketelmeer). Vrijwel geheel polderlandschap.

datum 17 november 2023 projectnummer 0486487.100 betreft 1. Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden

7.

Raakvlakken

7.1

Woningbouwopgave

7.1.1

Huidige situatie en referentiesituatie Voor de behoefte aan laagvlieggebieden gaat het om nationale opgaven die tot mogelijke beperkingen voor (laag)vliegen leiden. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot uitbreiding van stedelijk gebied, zoals grote woningbouwlocaties of uitbreiding van bedrijventerreinen. Ook grote netwerken en nieuwe routes voor luchtvaart of herinrichting van het luchtruim zijn aandachtspunten voor de behoefte aan laagvliegen. Nationale opgaven op het gebied van riviermanagement of natuurontwikkeling hebben geen invloed op deze behoefte.

Figuur 7-1 NOVEX-woningbouwlocaties in Nederland

datum 17 november 2023 projectnummer 0486487.100 betreft 1. Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden

Figuur 7-1 toont de ligging van de woningbouwlocaties zoals opgenomen in de NOVI. De NOVEXwoningbouwlocaties liggen in de omgeving van grote steden. Ze geven invulling aan de verstedelijkingsopgave van Nederland. De figuur laat zien dat geen van de woningbouwlocaties binnen een laagvlieggebied valt. Woningbouw vindt niet alleen plaats binnen NOVEX-gebieden. Op kleinere schaal zijn woningbouwopgaven vastgelegd in woondeals. In regionaal verband zijn hierin afspraken gemaakt over het totaal aantal te bouwen woningen en de beoogde locaties, zowel binnenstedelijk als op uitbreidingslocaties. Deze woningbouwlocaties zijn niet op landelijk niveau op kaart gezet.

7.1.2

Effectbeschrijving Laagvlieggebieden kunnen tot beperkingen leiden voor woningbouwopgaven in het buitengebied. Dit is afhankelijk van het planologisch regime dat voor laagvlieggebieden gehanteerd wordt. Een strikt planologisch regime heeft een remmende werking op de woningbouwopgaven. Dit kan enerzijds leiden tot beperkingen in het aantal woningen, doordat woningbouwlocaties niet door kunnen gaan. Anderzijds kan de benodigde afstemming en procedure die hierbij hoort tot vertraging leiden. Uitbreidingslocaties voor woningbouw leiden tot groei van de bebouwde kom. De beschikbare ruimte voor laagvliegen neemt hierdoor af. Dit hoeft niet direct tot knelpunten voor het laagvlieggebied te leiden. Als er voldoende ruimte overblijft in het buitengebied, blijft een laagvlieggebied geschikt.

7.2

Civiele luchtvaart

7.2.1

Huidige situatie en referentiesituatie Naast recreatieve luchtvaart vindt er in Nederland veel civiele, commerciële luchtvaart plaats. Het is in de zoektocht naar laagvlieggebieden belangrijk daar rekening mee te houden. Door de geringe vlieghoogte in de laagvlieggebieden is er in principe geen direct raakvlak tussen de helikopteroefeningen op lage hoogte en civiel vliegverkeer. Punt van aandacht zijn de plekken waar de laagvlieggebieden overlappen met zogeheten CTR’s. CTR staat voor Controlled Traffic Area en beslaat het gebied in het luchtruim dat door een vliegveld gecontroleerd wordt. CTR’s hebben in Nederland vaak een straal van 8 zeemijl, ongeveer 15 km, en lopen van grondniveau tot meestal 3000 voet hoog. Het doel van een CTR is het scheiden van inkomend en vertrekkend verkeer van luchthavens om zo gevaar te voorkomen en efficiënte afhandeling van verkeer te verzorgen. Een CTR mag niet zonder klaring van de luchtverkeersleiding binnen gevolgen worden. De enige laagvlieggebieden die overlappen met een civiele CTR zijn gebied B4, gelegen onder Rotterdam, en B10 bij vliegveld Groningen. In gebied B4 komt het laagvlieggebied deels door de Rotterdam CTR. B10 ligt deels in de Eelde CTR.

Vanwege de lage vlieghoogte, en het feit dat beide laagvlieggebieden gelegen zijn aan de rand van de CTR’s maakt dat dit geen wezenlijke belemmeringen zijn voor laagvliegoefeningen, mits er goed gecommuniceerd wordt met de civiele luchtverkeersleiding. De overige laagvlieggebieden zijn allen te vinden in CTR’s onder controle van de militaire luchtverkeersleiding Nieuw Milligen. Voor Lelystad Airport is eveneens een CTR vastgelegd. Opening van dit vliegveld voor civiele luchtvaart is echter onzeker. Het Kabinet geeft hier in 2025 duidelijkheid over. De CTR van Lelystad ligt niet over bestaande of nieuwe laagvlieggebieden, waardoor hier geen belemmeringen verwacht worden. In Flevoland, de Noordoostpolder in het specifiek, liggen zoekgebieden voor oefengebieden voor nood- en voorzorgslandingen voor niet-militaire luchtvaart. In deze kwestie moet de afweging gemaakt worden voor welke functie gekozen wordt. Mogelijk vervalt daardoor de zoeklocatie N7. Een combinatie van militair en civiel oefengebied waarbij op gezette tijden het gebied afwisselend voor civiele of militaire oefeningen gebruikt wordt kan een oplossing zijn. In dit geval zouden in de Noordoostpolder beide functies uitgeoefend kunnen worden.

datum 17 november 2023 projectnummer 0486487.100 betreft 1. Versterken en concentreren van ondersteunende eenheden

Figuur 7-2 Ligging van vliegvelden in Nederland en de CTR's van de civiele luchthavens

7.2.2

Effectbeschrijving De effecten van de ligging van sommige laagvlieggebieden in civiele CTR’s is gering. Waar er overlap is liggen de laagvlieggebieden aan de randen van de CTR’s. Daardoor is aan te nemen dat civiel vliegverkeer niet op de hoogte van de laagvliegende helikopters te vinden is. Daardoor zijn de militaire laagvliegoefeningen makkelijk in te passen in het civiele luchtruim, onder de voorwaarde dat er goede communicatie in stand wordt gehouden met de civiele luchtverkeersleiding. Zodoende is er geen laagvlieggebied dat een slechtere beoordeling krijgt op basis van ligging in civiel luchtruim. Er is in dit MER niet gekeken naar de inpassing van de routes naar de oefenlocaties toe. In de route fase van de oefenvluchten dient Defensie zich aan de gebruikelijke regels voor luchtvaart in Nederland te houden.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

8.

Keuze voor planologisch regime en aanwijzen nieuwe laagvlieggebieden

8.1

Inleiding In de voorgaande hoofdstukken zijn relevante omgevingsaspecten bij laagvliegen beschouwd. Om voldoende (divers) laagvlieggebied in Nederland te houden kijkt het NPRD naar de mogelijkheid om bestaande laagvlieggebieden te borgen door middel van een planologisch regime. De keuze voor een planologisch regime bepaalt de noodzaak voor nieuwe laagvlieggebieden. Bij een streng planologisch regime in bestaande gebieden, blijven deze gebieden beter beschermd en is de noodzaak voor nieuwe gebieden minder groot. Bij een licht planologisch regime is de verwachting dat de bestaande gebieden steeds verder ingeperkt worden, bijvoorbeeld door woningbouw of nieuwe energie-infrastructuur. Bij een licht planologisch regime is de behoefte aan nieuw laagvlieggebied groter. Dit hoofdstuk beschouwt de mogelijkheden (paragraaf 8.2) en consequenties (paragraaf 8.3) van verschillende soorten planologisch regime. Aan de hand van de conclusie voor het planologisch regime is in paragraaf 8.4 beschouwd in welke mate nieuwe laagvlieggebieden geschikt zijn, in vergelijking met bestaande laagvlieggebieden.

8.2

Wat zijn de mogelijkheden voor een planologisch regime? Een planologisch regime is een set van regels en richtlijnen die de ruimtelijke ordening en het gebruik van land of luchtruim reguleert. Dit kan betrekking hebben op verschillende aspecten zoals woningbouw, infrastructuur, natuurbehoud en luchtvaart. Het doel van een planologisch regime is om activiteiten in een bepaald gebied te coördineren en te beheren, zodat conflicten worden geminimaliseerd en de beschikbare ruimte optimaal wordt benut. De huidige laagvlieggebieden van Defensie kennen niet een dergelijk planologisch regime. Dit betekent dat geen beperkingen gelden voor de ontwikkeling van andere functies (nieuwbouw en/of wijziging). Er is in het kader van het NPRD een drietal opties beschouwd als uitgegaan wordt van alleen de bestaande laagvlieggebieden: • Een streng planologisch regime: nee, tenzij • Een gemiddeld planologisch regime: ja, mits • Een licht planologisch regime: ja, in goed overleg Elk van deze drie ‘smaken’ qua planologisch regime heeft impact op nieuwe ontwikkelingen. Bestaande functies vallen hier buiten. De effecten zijn in de volgende paragraaf beschreven op de nieuwe ontwikkelingen, zoals (nietlimitatief): woningbouw, energietransitie en/of luchtvaart.

8.3

Effecten van een planologisch regime op rijksraakvlakken Intensiveren binnen bestaande laagvlieggebieden De gebiedsanalyse van de bestaande laagvlieggebieden laat zien dat er enkele gebieden zijn waar uitbreiding mogelijk is, zonder significante toename van hinder. Dit betreft echter kleine gebieden met weinig diversiteit. In grotere gebieden leidt uitbreiding tot toename van hinder en verstoring van (natuur)waarden. Met uitbreiding binnen bestaande gebieden wordt niet voorzien in de behoefte aan meer diversiteit. Zonder planologisch regime binnen de gebieden is de verwachting dat de beschikbare ruimte -en daarmee de diversiteitsteeds verder afneemt.

blad 61 van 78

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

8.3.1

Effecten van een streng planologisch regime Bij een streng planologisch regime geldt een ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen alleen mogelijk zijn in bestaande laagvlieggebieden na toestemming (en onderzoek) door Defensie of dit de vliegactiviteiten niet verstoord. Voor Defensie zorgt een streng planologisch regime ervoor dat grip ontstaat op ruimtevragers in laagvlieggebieden en hierbinnen voldoende ruimte gewaarborgd blijft. Dit is een positief effect, omdat veel huidige laagvlieggebieden al danig ‘verstoord’ zijn (bijvoorbeeld door windturbines), waardoor de oefenwaarde afneemt. Een sterk negatief effect is het verder problematiseren van de realisatie van windparken en woningbouw. Defensie zou hierbij een significante stem in het ruimtelijk proces krijgen voor omvangrijke gebieden. Het is de vraag of dit wenselijk, maar ook realistisch is qua capaciteit. De belangrijkste overweging is echter het grote belang van andere ontwikkelingen die in dezelfde gebieden moeten plaatsvinden. Hier past geen streng regime bij.

8.3.2

Effecten van een gemiddeld planologisch regime Een ja, mits-principe past beter als planologisch regime voor bestaande laagvlieggebieden. De vraag hierbij is vooral hoe zwaar de ‘mits’ mag en kan zijn. Is deze te zwaar dan is het toch een soort toelatingstoets en dat is niet wenselijk. Op het moment dat geen nieuwe laagvlieggebieden aangewezen zouden worden dan is dit een kansrijk planologisch regime, om zo wel grip (vanuit Defensie) te houden op vliegroutes en vrijgewaarde gebieden van grote obstakels. Echter, uit de analyses blijkt dat de nieuwe laagvlieggebieden ook kansrijk zijn en qua effecten niet veel anders zijn dan de bestaande laagvlieggebieden. Daarom is dit planologisch regime ook niet noodzakelijk.

8.3.3

Effecten van een licht planologisch regime Een licht planologisch regime wordt vormgegeven als een melding die gedaan wordt en waarover partijen in overleg kunnen gaan. Nieuwe windparken of uitbreiding van woningbouw is goed te verenigen met een laagvlieggebied, maar dan is het bijvoorbeeld handig als een corridor openblijft om zo een gebied niet geheel ‘op slot’ te zetten voor laagvliegen. Juist door het aanwijzen van nieuwe (extra) laagvlieggebieden is niet alleen veel meer spreiding van effecten mogelijk, maar is het ook minder erg als met de tijd het totale laagvliegareaal afneemt, omdat de druk door de nieuwe laagvlieggebieden minder groot is op de oefencapaciteit. Natuurlijk zit hier ook weer een ondergrens in, maar juist door tijdig in overleg te zijn, is het beter mogelijk dan nu gebieden te optimaliseren.

8.3.4

Keuze voor een licht planologisch regime Op basis van de drie opties heeft Defensie gekozen – in overleg met de andere departementen – voor een licht planologisch regime. Een licht planologisch regime houdt in dat nieuwe functies (van een bepaalde omvang) gemeld tijdig gemeld worden en dat hier overleg over plaats kan vinden. Niet om toestemming te geven, maar om af te stemmen en gebieden voor alle gebruikers te optimaliseren. Dit regime is het best passend, omdat ook de nadrukkelijke wens bestaat om hinder door laagvliegen te spreiden en bestaande laagvlieggebieden te ‘ontlasten’. Met het toevoegen van nieuwe laagvlieggebieden wordt de druk op de ruimte voor laagvliegen verminderd.

8.4

Potentie van nieuwe laagvlieggebieden Vergelijking van bestaande en nieuwe laagvlieggebieden In het MER zijn potentiële nieuwe laagvlieggebieden geanalyseerd en vergeleken met de bestaande laagvlieggebieden. In onderstaande tabellen zijn de beoordelingen van de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden uit de voorgaande hoofdstukken teruggebracht tot vier thema’s: • Kenmerken van het gebied: omvang en diversiteit van het terrein blad 62 van 78

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

• • •

Beperkingen en belemmeringen: omvang aaneengesloten bebouwing, energienetwerken en luchtvaartactiviteiten Aanwezige waarden: natuurwaarden, weidevogelgebieden en landschappelijke kwaliteiten Hinder door laagvliegen: woningdichtheid in het buitengebied, recreatie en veehouderijen en maneges. B1

B2

B3

B4

B5

B6

B7

B8

N1

N2

N3

N4

N5

N6

N7

N8

B9

B10

B11

B12

Kenmerken van het gebied Beperkingen belemmeringen

en

Aanwezige waarden Hinder laagvliegen

door

Kenmerken van het gebied Beperkingen belemmeringen

en

Aanwezige waarden Hinder laagvliegen

door

De tabellen laten zien dat bestaande en nieuwe gebieden niet wezenlijk verschillen in de beoordeling. Bij de beoordeling op kenmerken van het gebied zijn er enkele gebieden die slecht scoren vanwege de beperkte omvang (B2, B8, B10, B11 en N7) maar nog wel redelijk divers landschap kennen. B12 scoort juist slecht op de diversiteit. Bij beperkingen en belemmeringen springt N8 eruit, vanwege de dichtheid aan kleine kernen en de omvang van windturbines en (zoekgebieden voor) energienetwerken. Kleinere gebieden scoren hier over het algemeen goed, doordat hier nauwelijks beperkingen aanwezig zijn. Bij aanwezige waarden springen de gebieden met relatief veel beschermd natuurgebied eruit. B6 en B10 liggen vrijwel volledig binnen Natura 2000-gebied. Bij de nieuwe gebieden heeft N3 veel vogelrichtlijngebied (de Deltawateren) en kwetsbare duingebieden binnen de begrenzing. N4 bestaat voor een groot deel uit weidevogelgebied. N8 kent een beperkt aandeel Natura 2000 of NNN, maar wel relatief veel weidevogelgebied. De Natura 2000-gebieden die (deels) binnen de begrenzing liggen, zoals Polder Zeevang en Eilandspolder, zijn belangrijke vogelgebieden. Hinder door laagvliegen kijkt naar woningen en andere functies in het buitengebied. Hier is een wisselend beeld. Gebieden met hoger aantal woningen in het buitengebied hebben doorgaans een lagere veedichtheid.

In gebieden met hogere veedichtheid is de omvang van recreatie(functies) minder hoog. Geen wezenlijke verschillen tussen bestaande en nieuwe gebieden Uit de analyse blijkt dat er geen wezenlijke verschillen zijn in de aanwezige waarden en kenmerken van de gebieden. De nieuwe laagvlieggebieden hebben een vergelijkbare diversiteit in gebiedskenmerken, woningdichtheid en ruimtegebruik. Het toevoegen van nieuwe laagvlieggebieden maakt het daarom mogelijk om de laagvliegactiviteiten uit te breiden en hinder beter te spreiden over het land. Vanuit de gedachte van spreiding van hinder is het de wens van Defensie om alle nieuwe laagvlieggebieden op te nemen in het NPRD. Wel zijn er voor de nieuwe laagvlieggebieden optimalisaties mogelijk om kwetsbare gebieden te ontzien en de gebieden meer geschikt te maken als laagvlieggebied. Optimalisatie van begrenzingen De begrenzing van de nieuwe laagvlieggebieden vraagt nog wel om een nadere detaillering. De begrenzingen liggen nu deels over bebouwd gebied of in de nabijheid van vliegvelden. Locaties aan de randen van nieuwe laagvlieggebieden waar laagvliegen niet of zeer beperkt mogelijk is, kunnen ‘afgesneden’ worden van de gebieden. blad 63 van 78

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

De nieuwe laagvlieggebieden zijn op een of meerdere plekken aangesloten op bestaande laagvlieggebieden. Deze aansluiting is in de begrenzingen uit de NRD niet op alle plekken goed uitgewerkt. Op sommige locaties bestaat de aansluiting uit een smalle ‘corridor’. Dit is onwenselijk, omdat deze corridors mogelijk druk bevlogen worden, wat tot significant meer hinder ter plaatse kan leiden. Om smalle corridors tussen laagvlieggebieden te voorkomen wordt bij het vervolg ook gekeken naar het optimaliseren van verbindingen tussen bestaande en nieuwe laagvlieggebieden. Voor de opname in het BKL en het gebruik door Defensie is het van belang dat begrenzingen van gebieden zoveel mogelijk bestaan uit rechte lijnen. Dit maakt het voor vliegers eenvoudiger om binnen de begrenzing te blijven. Voor het aanwijzen van nieuwe laagvlieggebieden worden daarom drie vervolgstappen genomen: 1. Bijsnijden van gebieden langs randen met veel beperkingen en belemmeringen 2. Optimaliseren van aansluiting tussen bestaande en nieuwe laagvlieggebieden 3. Zo veel mogelijk omvormen van begrenzingen naar rechte lijnen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api/v1/meetings/1305/documents/19907