CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - 4 Deelrapport behoefte XI - Laagvlieggebieden helikopters.pdf

Oordeelsvormende vergadering 26 juni 2025, gemeente DrontenBij agendapunt: 3: Raadsvoorstel zienswijze Ontwerp NPRD22.354 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters

projectnummer 0486487.100 definitief 1 mei 2025

www.anteagroup.nl

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters projectnummer 0486487.100 definitief 1 mei 2025

Opdrachtgever Ministerie van Defensie

datum 1 mei 2025

beschrijving definitief

vrijgave Antea Group

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

6

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Waarom is er behoefte aan uitbreiding van laagvliegen? Omschrijving van de behoefte Het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Resultaten van inspraak en advies voor dit onderzoek Leeswijzer

6 6 7 8 8

2.

Te onderzoeken alternatieven en wijze van onderzoek

10

2.1 2.1.1 2.1.2 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5

De te onderzoeken alternatieven Totstandkoming van de alternatieven Nadere beschouwing van de alternatieven Wijze van onderzoek Beoordeling per aspect Gezonde en veilige leefomgeving Natuur, landschap en cultureel erfgoed Ruimtegebruik Defensiespecifiek Raakvlakken

10 10 12 14 14 14 17 19 20 20

3.

Gezonde en Veilige Leefomgeving

21

3.1 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.4 3.4.1 3.4.2 3.5 3.5.1 3.5.2

Geluid Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving Luchtkwaliteit Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving Veiligheid Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving Licht Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving Trillingen Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving

21 21 23 25 25 27 29 29 30 30 30 30 32 32 33

4.

Natuur, landschap en cultureel erfgoed

34

4.1 4.1.1 4.1.2 4.2 4.2.1 4.2.2 4.3 4.3.1 4.3.2

Beschermde natuurgebieden Huidige situatie Effectbeschrijving Biodiversiteit Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving Landschap Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving

34 34 35 37 37 37 40 40 40

5.

Ruimtegebruik

42

5.1 5.1.1 5.1.2 5.2 5.2.1 5.2.2

Recreatie Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving Landbouw Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving

42 42 44 45 45 47

5.3 5.3.1 5.3.2 5.4 5.4.1 5.4.2

Energienetwerken en zendmasten Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving Luchtvaartactiviteiten Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving

48 48 51 52 52 53

6.

Defensiespecifiek

55

6.1 6.1.1 6.1.2

Geschiktheid voor militair gebruik Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving

55 55 55

7.

Raakvlakken

58

7.1 7.1.1 7.1.2 7.2 7.2.1 7.2.2

Woningbouwopgave Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving Civiele luchtvaart Huidige situatie en referentiesituatie Effectbeschrijving

58 58 59 59 59 60

8.

Keuze voor planologisch regime en aanwijzen nieuwe laagvlieggebieden

61

8.1 8.2 8.3 8.3.1 8.3.2 8.3.3 8.3.4 8.4

Inleiding Wat zijn de mogelijkheden voor een planologisch regime? Effecten van een planologisch regime op rijksraakvlakken Effecten van een streng planologisch regime Effecten van een gemiddeld planologisch regime Effecten van een licht planologisch regime Keuze voor een licht planologisch regime Potentie van nieuwe laagvlieggebieden

61 61 61 62 62 62 62 62

9.

Nadere analyse nieuwe laagvlieggebieden

65

9.1 9.1.1 9.1.2 9.1.3 9.2 9.2.1 9.2.2 9.2.3 9.3 9.3.1 9.3.2 9.3.3 9.4 9.4.1 9.4.2 9.4.3 9.5 9.5.1 9.5.2 9.5.3 9.6 9.6.1 9.6.2 9.6.3 9.7

N1 Algemene kenmerken van het gebied Optimalisatie van de begrenzing Aandachtspunten binnen het geoptimaliseerde laagvlieggebied N2 Algemene kenmerken van het gebied Optimalisatie van de begrenzing Aandachtspunten binnen het geoptimaliseerde gebied N3 Algemene kenmerken van het gebied Optimalisatie van de begrenzing Aandachtspunten binnen het geoptimaliseerde gebied N4 Algemene kenmerken van het gebied Optimalisatie van de begrenzing Aandachtspunten binnen het geoptimaliseerde gebied N5 Algemene kenmerken van het gebied Optimalisatie van de begrenzing Aandachtspunten binnen het geoptimaliseerde gebied N6 Algemene kenmerken van het gebied Optimalisatie van de begrenzing Aandachtspunten binnen het geoptimaliseerde gebied N7

65 65 65 66 66 66 67 67 68 68 68 69 70 70 70 71 72 72 72 73 73 73 73 74 74

9.7.1 9.7.2 9.7.3 9.8 9.8.1 9.8.2 9.8.3

Algemene kenmerken van het gebied Optimalisatie van de begrenzing Aandachtspunten binnen het geoptimaliseerde gebied N8 Algemene kenmerken van het gebied Optimalisatie van de begrenzing Aandachtspunten binnen het geoptimaliseerde gebied

74 75 75 76 76 76 77

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

1.

Inleiding

1.1

Waarom is er behoefte aan uitbreiding van laagvliegen? Waarom laagvliegen? In omstandigheden waarbij sprake is van een verhoogde dreiging is vliegen op hoogte geen optie. Helikopters moeten laagvliegen om zo lang mogelijk ongezien te blijven voor vijandelijke eenheden. Ze zoeken dekking op lage hoogte achter obstakels, zoals bomenrijen, heuvels of gebouwen. Door laag te vliegen kan de helikopter buiten het radarbeeld van de vijand blijven. Ook weersomstandigheden kunnen soms dwingen tot laagvliegen. Laagvliegen vraagt om specifieke training en ervaring. Voor militaire vliegtuigen geldt in Nederland een minimale vlieghoogte van 300 meter (1.000 ft) boven land. Voor helikopters geldt een minimale vlieghoogte van 210 meter boven aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden en andere plekken met veel mensen. Daarbuiten bedraagt de minimale vlieghoogte 45 meter. In Nederland zijn specifieke gebieden aangewezen waar laagvliegen (onder de 45 meter) toegestaan is. In deze gebieden mogen helikopters zo laag vliegen als voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk is.

1.2

Omschrijving van de behoefte Beperkte ruimte en diversiteit binnen laagvlieggebieden De beschikbare ruimte binnen de bestaande laagvlieggebieden wordt steeds kleiner. Onder andere door uitbreiding van stedelijk gebied en de aanleg van windmolens is er steeds minder geschikte ruimte voor laagvliegen binnen de aangewezen gebieden. Ook beschermde natuurwaarden leggen soms beperkingen op aan laagvliegactiviteiten. De ruimte die overblijft wordt steeds minder divers. Om afwisseling in de trainingen te realiseren en gewenning bij piloten te voorkomen is meer ruimte en diversiteit gewenst. Dit verbetert de kwaliteit van de training. Inspelen op uiteenlopende variabelen en onbekende situaties zijn belangrijke elementen die bijdragen aan effectieve training voor helikopterbemanningen. Op die manier kunnen de bemanningen steeds aan nieuwe situaties worden blootgesteld en treedt geen gewenning op omdat zij het gebied al kennen. Met het beperkte aantal laagvlieggebieden van nu, kennen de bemanningen alle routes, dorpen, boscomplexen etc. vrijwel uit hun hoofd. De situationele awareness is daarmee te groot en niet representatief voor inzet. Tijdens inzet moet men letterlijk en figuurlijk manoeuvreren in het onbekende. Meer diversiteit tijdens training in laagvlieggebieden maakt piloten beter voorbereid op inzet.

Toename van de behoefte aan trainingsuren Binnen de aangewezen laagvlieggebieden is het aantal uur aan laagvliegen vastgelegd. Defensie verwacht een structurele toename van het aantal helikopterbewegingen in de laagvlieggebieden in Nederland. Dat heeft onder

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

andere te maken met de veranderende veiligheidssituatie en dus ook een veranderende taakstelling van helikopters en de andere Defensieonderdelen waarmee zij nauw samenwerken tijdens missie én training. Een onderdeel hiervan is een toename in laagvliegtraining, omdat laagvliegen noodzakelijk is tijdens missies in een hoger geweldsspectrum. Naast meer diversiteit in gebieden is er daarom een kwantitatieve behoefte aan uitbreiding van laagvliegen. Onder andere de toename van het aantal chinooks en helikopters maakt dat er meer trainingsuren nodig zijn. Defensie heeft de behoefte om het totaal aantal trainingsuren uit te breiden naar 2.500 uren per jaar. Dat is toename van ruim 1.100 uur ten opzichte van de huidige situatie. Het MER onderzoekt de uitbreiding van laagvliegactiviteiten en -gebieden. Uitbreiding van vliegactiviteiten op helikopterbases maakt geen onderdeel uit van dit MER. Uitbreiding van het aantal laagvlieggebieden is wenselijk om hinder door laagvliegen meer te spreiden en te voorkomen dat een toename van het aantal trainingsuren tot meer hinder op dezelfde locatie leidt.

1.3

Het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Defensie groeit. Dit is nodig omdat de veiligheidssituatie in de wereld verandert. De Nederlandse krijgsmacht richt zich meer op de bescherming van het eigen grondgebied en dat van NAVO-bondgenoten. Voor deze taak heeft Defensie niet alleen meer militairen en materieel nodig, maar ook meer ruimte. Bijvoorbeeld voor kazernes, opslagplaatsen, laagvlieggebieden en oefenterreinen. Om te bepalen wat de beste plek of manier voor Defensie is om te bouwen, oefenen of vliegen moet eerst onderzoek worden gedaan. Defensie onderzoekt de invloed van de behoeften op de omgeving, milieu, geluid en natuur. Op basis hiervan vergelijkt Defensie locaties en kiest de meest geschikte (de voorkeurslocatie). Deze locaties worden opgenomen in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD). De te onderzoeken locaties (alternatieven) en de bijbehorende effecten zijn opgenomen in dit planMER. Het planMER bij het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Het planMER is het milieueffectrapport dat als sluitstuk van de bijbehorende m.e.r.-procedure fungeert. In het planMER zijn de effecten van de alternatieven voor de bovenregionale behoeften (13) op de fysieke leefomgeving beschreven en beoordeeld.

Dit geldt ook voor de locatiespecifieke behoeften (44), met dien verstande dat hier geen alternatieven aan de orde zijn. Samengevat zijn in het planMER de volgende elementen beschreven:

figuur 1-1 Doelen van de m.e.r. voor het NPRD

Dit deelrapport als onderdeel van de totale planMER

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Voor elke bovenregionale behoefte is een apart deelrapport gemaakt. In dit deelrapport zijn voor alle alternatieven de effecten in de huidige situatie, referentiesituatie (2035) en bij realisatie van de betreffende bovenregionale behoefte beschreven. De effecten van alle behoeften, bovenregionaal en locatiespecifiek, zijn samengevat opgenomen in deel A van het planMER. In deel B van het planMER is vervolgens op basis van de effecten uit deel A en andere elementen, zoals bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak, getrechterd naar een Voorkeursalternatief per behoefte. Deelrapport Behoefte X

Deel A De effecten van alle behoeften op een rij planMER NPRD Deel B Trechtering naar een Voorkeursalternatief

Deelrapport Behoefte Y

Deelrapport Behoefte Z

Deelrapport Locatiespecifieke behoeften

figuur 1-2 Indeling van het planMER met deel A en deel B

1.4

Resultaten van inspraak en advies voor dit onderzoek De m.e.r. voor het NPRD startte met een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) die van 18 december 2023 tot en met 12 februari 2024 ter inzage heeft gelegen. Er kwamen ruim 2.200 reacties binnen. Het onderzoek is op basis van deze reacties aangevuld en aangepast. De volledige reactie van Defensie is terug te vinden in de Nota van Antwoord. Ook voor de behoefte ‘extra locatie voor munitieopslag’ zijn reacties binnengekomen. Ook is een advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage ontvangen. Voor deze behoefte zijn veel zienswijzen ingediend. Indieners maken zich zorgen dat de laagvlieggebieden grote negatieve effecten voor de omgeving (welzijn van mens en dier) en natuur zullen hebben. Er zijn ook veel vragen over de impact op recreatieve voorzieningen en over het medegebruik van het luchtruim (zweefvliegen bijvoorbeeld). Beide aspecten zijn onderdeel van het planMER. Daarnaast vragen veel indieners verschillende regionale (onder andere woningbouw en energietransitie) en lokale plannen mee te nemen in de afweging van een voorkeursalternatief. Grote torens en zendmasten worden ook in het planMER betrokken. Daarnaast wordt in diverse zienswijzen, waaronder die van de Provincie Gelderland, gevraagd naar het waarom van de uitbreiding van laagvlieggebieden. Reden is de toenemende noodzaak om piloten hierin te bekwamen.

Dit betekent meer vluchten. Als er geen uitbreiding van de huidige gebieden plaatsvindt, leidt dit tot een forse uitbreiding van vluchten in deze gebieden. Uitbreiding van gebieden maakt dus dat het aantal (extra) vluchten beter over het land verdeeld kan worden (in ruimte en tijd). Op basis van de ontvangen zienswijzen heeft Defensie besloten om het onderzoek naar deze behoefte uit te breiden op een aantal onderdelen. Onderzoek naar de effecten op dieren(houderijen) en mogelijke consequenties voor overig luchtruimgebruik is meegenomen in het planMER.

1.5

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de alternatieven en de wijze van het onderzoek. In hoofdstuk 3 tot en met 7 is allereerst een algemeen beeld van de impact van laagvliegen op de omgeving en de aanwezige belemmeringen en (beschermde) waarden gegeven. De hoofdstukken 8 (bestaande

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

laagvlieggebieden) en 9 (nieuwe laagvlieggebieden) bevatten een analyse per gebied. Hoofdstuk 10 beschrijft de conclusie van het MER.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

2.

Te onderzoeken alternatieven en wijze van onderzoek

2.1

De te onderzoeken alternatieven

2.1.1

Totstandkoming van de alternatieven De behoefte voor laagvlieggebied bestaat enerzijds uit uitbreiding van het aantal vlieguren, anderzijds uit de behoefte aan meer diversiteit in oefengebied. Defensie is daarom op zoek naar zo veel mogelijk laagvlieggebied. Hiermee kan voorzien worden in de behoefte aan diversiteit. Tegelijkertijd zorgt een groter oppervlak laagvlieggebied voor meer spreiding van de hinder en afname van hinder in laagvlieggebieden die nu intensief gebruikt worden. Bepaalde gebieden in Nederland, zoals grote steden, dichtbebouwde gebieden en grote industriegebieden en gebieden rond luchthavens, zijn op voorhand uit te sluiten als laagvlieggebied. Voor het bepalen van de alternatieven is daarom gekeken naar potentieel geschikt buitengebied in Nederland. Hiervoor is gekeken naar zoveel mogelijk aaneengesloten buitengebied met voldoende oppervlakte (minimaal 10.000 hectare). De bereikbaarheid vanaf één van de drie helikopterbases (Gilze-Rijen, Deelen en De Kooy) is een ander belangrijk criterium. Als het laagvlieggebied op meer dan 30 minuten vliegen (ca. 60 km) van een vliegbasis ligt, blijft er weinig brandstof over voor de oefeningen in het laagvlieggebied. De criteria hebben geleid tot de aanwijzing van acht potentiële nieuwe laagvlieggebieden in Nederland. Deze zijn in figuur 2-1 samen met de bestaande laagvlieggebieden weergegeven.

Wettelijk kader voor laagvliegen De mogelijkheden voor laagvliegen in Nederland zijn vastgelegd in de ‘Regeling minimum VFR-vlieghoogten en VFR-vluchten buiten de daglichtperiode voor militaire vliegtuigen en helikopters’. Hierin zijn algemene bepalingen over vliegactiviteiten, zoals minimale vlieghoogte voor militaire vliegtuigen en zichtomstandigheden. Voor militaire helikopters geldt een minimale vlieghoogte van 45 meter (150 ft). Dit is vastgelegd in artikel 4 van deze regeling. Artikel 9 bevat de regels voor laagvliegen (onder de 45 meter) binnen de aangewezen laagvlieggebieden, die opgenomen zijn in bijlage B van de regeling.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 2-1 Bestaande en nieuwe laagvlieggebieden zoals opgenomen in de NRD

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Invulling van de behoefte in het buitenland Voor oefeningen met helikopters wordt zo veel als mogelijk naar het buitenland geëxporteerd. Helikopters staan permanent in de Verenigde Staten voor opleiding en training. Daarnaast vinden vliegtechnische oefeningen zoals High-, Hot-, Cold- en Tacblaze standaard in het buitenland plaats. Als laatste worden overige (grote) oefeningen regelmatig in het buitenland georganiseerd, mits toegestaan door internationale partners. Voor al deze oefeningen geldt dat het grote logistieke inspanning vergt met financiële en personele consequenties. Ook geldt dat internationale partners gebruik maken van Nederlandse locaties in verband met internationale samenwerking en het quid pro quo-principe. Geluidsoverlast is geen uniek Nederlands fenomeen, ook in de gebieden in het buitenland waar Defensie gebruik maakt van laagvliegregelingen dienen de vliegers overlast zoveel mogelijk te voorkomen.

2.1.2

Nadere beschouwing van de alternatieven In de NRD zijn op hoofdlijnen twee alternatieven benoemd: 1. Alternatief 1: Strenger planologisch juridisch regime voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen laagvlieggebieden 2. Alternatief 2: Nieuwe laagvlieggebieden aanwijzen Alternatief 1 is gericht op het beschermen van de bestaande ruimte voor laagvliegen, het voorkomt verdere afname van de beschikbare ruimte binnen de laagvlieggebieden. Dit alternatief geeft daarmee geen invulling aan de behoefte aan uitbreiding. Uitbreiding van het aantal toegestane uren laagvliegen binnen bestaande gebieden is wel mogelijk. Alternatief 1 en 2 sluiten elkaar niet uit. Het toepassen van een (strenger) planologisch regime is ook mogelijk in nieuw aan te wijzen laagvlieggebieden. Beperkingen binnen laagvlieggebieden Zowel voor de bestaande als voor de nieuwe laagvlieggebieden geldt dat binnen de gebieden beperkingen gelden. Laagvliegen boven aaneengesloten bebouwing en gebieden met veel mensen is niet toegestaan. Dit geldt ook voor dichtbebouwde gebieden zoals woonwijken, industrieterreinen en havengebieden of festivalterreinen. Een horizontale afstand van 600 meter en een minimale vlieghoogte van 275 meter ten opzichte van de hoogste obstakels dient hierbij aangehouden te worden. Dit is vastgelegd in de wettelijke regeling voor militaire vliegtuigen, artikel 4.a.

In de praktijk betekent dit dat er niet over of in de directe nabijheid van aaneengesloten bebouwing (bebouwde kom) laaggevlogen wordt. In de analyses in dit MER is uitgegaan van een buffer van 600 meter rond de bebouwde kom. Figuur 2-2 toont de laagvlieggebieden en de bebouwde kom van Nederland met een buffer van 600 meter. In de figuur is te zien dat zowel in de bestaande als in de nieuwe laagvlieggebieden bebouwde kom aanwezig is. De (potentiële) laagvlieggebieden zijn daarom niet volledig beschikbaar voor laagvliegen. In de tabel is de omvang van het totale gebied weergegeven, de omvang van de bebouwde kom (met 600 meter buffer) en het resterende oppervlak aan laagvlieggebied weergegeven. De 600 meter buffer geldt voor aaneengesloten bebouwing. Dat is niet altijd gelijk aan de bebouwde kom. Op sommige plekken in Nederland is lintbebouwing wel aangemerkt als bebouwde kom, maar valt dit niet onder ‘aaneengesloten bebouwing’. Hiervoor geldt de buffer van 600 meter in de praktijk niet. In eerste instantie is de definitie van de bebouwde kom aangehouden. In de analyse per gebied (hoofdstuk 8 en 9) is beschouwd of er sprake is van lintbebouwing, wat tot minder beperkingen voor laagvliegen leidt. Andersom zijn er terreinen in Nederland die wel aan te duiden zijn als aaneengesloten bebouwing, maar niet als bebouwde kom. Het meest relevante voorbeeld betreft vakantieparken.

Dit kunnen grootschalige gebieden zijn met bebouwing, die niet onder bebouwde kom vallen. Laagvliegen boven deze gebieden is niet toegestaan. In onderstaande analyses zijn deze terreinen niet opgenomen. Bij de analyse per gebied zijn deze locaties, voor zover mogelijk, wel in beeld gebracht.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

B7

Figuur 2-2 Overzicht van de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden en de bebouwde kom Tabel 2.1 Omvang van de alternatieven, de bebouwde kom met 600 meter buffer en het resterende oppervlak

Nr.

Omvang (km2)

B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8

320 20 520 450 25 870 110 70

Bebouwde kom (600 meter buffer) 70 5* 190 120 5 120 10 10

Resterend oppervlak 250 15 330 330 20 750 100 60

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

B9 B10 B11 B12

N1 N2 N3 N4 N5 N6 N7 N8

540 20 190 1470 210 510 2.830 990 1.760 170 200 390

120 5 30 0 50 110 430 280 410 10 20 140

420 5 160 1470 160 600 2.400 710 1.350 160 180 250

*Dit betreft grotendeels de Generaal majoor de Ruyter van Steveninckkazerne. Het overige deel (ca. 0,6 km2) is industrieterrein Westfields.

In het MER wordt het resterend oppervlak van tabel 2.1 gebruikt voor de verdere analyses. Dat wil niet zeggen dat binnen het resterend gebied laagvliegen overal mogelijk is. Ook eventuele uitbreiding van bebouwde kom, bijvoorbeeld door nieuwe woningbouwplannen of uitbreiding van bedrijventerrein, kan tot verdere beperkingen leiden. De tabel geeft een indicatie van de omvang van bebouwde kom binnen de laagvlieggebieden.

2.2

Wijze van onderzoek Voor de beoordeling van de alternatieven kijkt het MER naar de geschiktheid van de gebieden voor laagvliegen. Het MER brengt de relevante beperkingen binnen de gebieden in beeld en kijkt naar de verwachte hinder voor de omgeving. Op basis van deze gebiedsanalyse worden de bestaande en beoogde nieuwe locaties met elkaar vergeleken. Zo ontstaat een beeld van waar laagvliegen tot meer of minder hinder kan leiden en in welke gebieden meer of minder beperkingen voor laagvliegen gelden.

2.3

Beoordeling per aspect Gebiedsanalyse voor laagvliegen Het MER onderzoekt de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden op belemmeringen, de aanwezige waarden en (mogelijke) aantasting daarvan en de te verwachten hinder door laagvliegen. Hinder door laagvliegen en aantasting van waarden wordt in grote mate bepaald door de omvang van de activiteiten en de omvang van het gebied, het aantal vlieguren per vierkante kilometer. Omdat dit in deze fase niet bekend is, is het bepalen en beoordelen van de hinder en aantasting ten opzichte van de referentiesituatie niet mogelijk. Dat wordt in een latere fase van het onderzoek gedaan. Het MER richt zich op de vergelijking van de gebieden ten opzichte van elkaar. Het MER beoordeelt of in het ene gebied meer of minder hinder te verwachten is, uitgaande van een gelijke omvang van de activiteit. De alternatieven worden dan ook beoordeeld ten opzichte van elkaar. Een positieve score op het aspect natuur betekent dan niet dat laagvliegen in dat gebied tot positieve effecten op natuur leidt, maar dat dit gebied bovengemiddeld scoort in vergelijking met de andere gebieden. Er wordt bij dat alternatief minder aantasting verwacht, dan bij de andere gebieden. De scores van het planMER tonen daarom de onderlinge scores tussen de alternatieven.

2.3.1

Gezonde en veilige leefomgeving In laagvlieggebieden kan overlast ontstaan door laag overvliegende helikopters. Bij laagvliegen is de verticale afstand tussen de geluidbron en geluidgevoelige objecten zoals woningen beperkt. De geluidbelasting op de gevel -en daardoor de kans op hinder- neemt hierdoor toe. Daarnaast zorgen helikopters voor emissies van luchtverontreinigende stoffen zoals stikstofdioxide en fijn stof.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Voor laagvlieggebieden zijn geen vliegroutes vastgelegd. Geluidberekeningen of berekeningen van de effecten op concentraties luchtverontreiniging zijn dan ook niet te maken voor de laagvlieggebieden. Voor de beoordeling van dit thema is gekeken naar de geschiktheid van de gebieden op basis van de aanwezigheid van gevoelige objecten (o.a. woningen, basisscholen), risicobronnen en lichtbronnen. Meer gevoelige objecten of risicobronnen leidt dan tot een lagere score op het betreffende thema. Geluid Geluidoverlast kan op twee manieren bepaald worden. Een bekende maat voor de geluidbelasting is Lden, de gemiddelde geluidbelasting over een etmaal. Dit wordt onder andere bepaald door de frequentie (aantal vluchten per etmaal) en de verdeling over dag, avond en nacht. Een andere maat voor de geluidbelasting is Lmax, ook wel piekgeluid genoemd. Dit is in feite de geluidbelasting van een overvliegende helikopter. Om geluidbelasting te bepalen is onder andere informatie over de vliegroute, de vlieghoogte en het type helikopter nodig. Dit is voor de laagvlieggebieden niet vastgelegd. Hierdoor kan er niet ‘gerekend’ worden aan de geluidbelasting in laagvlieggebieden. De activiteit voor laagvliegen (en daarmee de geluidbelasting) is in feite op elke locatie gelijk. De hinder door deze geluidbelasting kan wel verschillen per gebied.

Voor geluid kijkt het MER bij deze behoefte daarom naar het aantal woningen binnen de laagvlieggebieden. De woningdichtheid is daarbij een parameter om de mate van (te verwachten) hinder door geluid te bepalen. Omdat laagvliegen over stedelijk gebied niet toegestaan is, worden dorpen en kernen buiten de analyse gehouden. Het MER beoordeelt de laagvlieggebieden op de dichtheid van woningen in het gebied waar laagvliegen toegestaan is, buiten aaneengesloten bebouwing. Bij hogere dichtheid van woningen in het buitengebied is de kans op hinder groter. Nederland kent gebieden waar rust bewaard moet worden. Deze stiltegebieden zijn op kaart vastgelegd. Het doel is om het gemiddelde geluidsniveau onder de 40 decibel (streefwaarde) te houden. Deze geluidbelasting is een streefwaarde voor de gebieden, die in veel gevallen -zeker aan de randen van gebieden- niet gehaald wordt. In deze fase van de beoordeling is niet bekend of de activiteit tot overschrijding van deze streefwaarde leidt. Het MER beoordeelt de locaties voor laagvliegen op de aanwezigheid en omvang van stiltegebieden. Laagvlieggebieden met meer stiltegebied leiden tot lagere beoordeling.

Figuur 2-3 Kaarten van de cumulatieve geluidbelasting links (RIVM, 2022) en de ligging en begrenzing van stiltegebieden in Nederland

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

De beoordeling op het aspect geluid wordt gebaseerd op de verwachte hinder (gemiddeld aantal bewoners per hectare) en de aanwezigheid van stiltegebieden. Luchtkwaliteit Het MER brengt de luchtkwaliteit in beeld binnen de laagvlieggebieden. Het MER laat de concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof zien op basis van kaarten van de Atlas Leefomgeving.

Figuur 2-4 Jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (links) en fijn stof (rechts) in Nederland (bron: RIVM, 2022)

De beoordeling van het aspect luchtkwaliteit wordt gebaseerd op de huidige concentraties stikstofdioxide en fijn stof en de verwachte impact van laagvliegen op de concentraties. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens en vliegverkeer geven vallen onder omgevingsveiligheid. Alle relevante risicobronnen in Nederland zijn weergegeven op de Risicokaart. Voor omgevingsveiligheid zijn de aanwezige risicocontouren binnen de laagvlieggebieden in beeld gebracht. Gebieden worden gescoord op basis van de omvang van risicocontouren binnen het gebied. Een hoger percentage risicocontouren leidt tot een lagere score. Licht Laagvliegen wordt regelmatig in het donker getraind. Voor piloten zijn lichtbronnen daarbij hinderlijke factoren. Lichtemissies zijn in beeld gebracht in de Atlas Leefomgeving. De kaart laat zien hoeveel licht er ’s nachts te zien is als je Nederland van bovenaf bekijkt. De laagvlieggebieden worden beoordeeld op de aanwezigheid van lichtemissies. Hoe meer lichtemissies aanwezig zijn, hoe lager de score. Trillingen Overvliegende helikopters kunnen trillingen veroorzaken. Het effect op trillingen hangt samen met de effecten op geluid. Als de geluidbelasting toeneemt, neemt ook de (kans op) trillingshinder toe.

Door trillingen kan de geluidhinder toenemen. Dit wordt ook wel rattle noise genoemd. Dit is een rammelend geluid dat door trillende

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

voorwerpen in huis gemaakt wordt. Uit onderzoek blijkt dat rattle noise kan ontstaan bij geluidbelasting van 75 dB of meer op gevels. Dit is onder andere afhankelijk van het type woning. De beoordeling van het aspect trillingen wordt gebaseerd op het aantal woningen (woningdichtheid) binnen de laagvlieggebieden.

2.3.2

Natuur, landschap en cultureel erfgoed Beschermde natuurgebieden Beschermde natuurgebieden zijn in Nederland in verschillende categorieën onderverdeeld. Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn Europees beschermde gebieden. Per gebied zijn hiervoor specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. De uitbreiding van het aantal sorties kan leiden tot negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Omdat voor deze behoefte geen uitbreiding van faciliteiten of voorzieningen nodig is, is er geen sprake van ruimtebeslag in beschermde natuurgebieden. De behoefte heeft geen effect op de omvang van natuurgebieden. Instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen kunnen wel aangetast worden door indirecte effecten. Voor elk habitattype is bepaald voor welke verstoringsfactoren deze gevoelig is. Laagvliegen over of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden leidt tot verstoring van natuurwaarden. Effecten op soorten worden bij ‘biodiversiteit’ beschouwd. Voor beschermde natuurgebieden kijkt het MER naar de omvang van Natura 2000-gebied binnen de laagvlieggebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Binnen NNN kan uitwisseling van soorten plaatsvinden en wordt de instandhouding van de biodiversiteit ondersteund. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als deze ontwikkelingen de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN aantasten.

Voor beschermde natuurgebieden kijkt het MER naar de omvang van NNN-gebied binnen de laagvlieggebieden. Belangrijke weidevogelgebieden De belangrijke weidevogelgebieden zijn verspreid over Nederland gelegen. Belangrijke weidevogelgebieden, gelegen buiten de NNN, zijn aangewezen vanwege de specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels. Effecten op vogels worden bij het aspect ‘biodiversiteit’ beschouwd. Bij beschermde natuurgebieden kijkt het MER naar de omvang van weidevogelgebied binnen de laagvlieggebieden. Beschermde houtopstanden Omdat er geen toename van ruimtebeslag nodig is voor deze behoefte, worden er geen effecten op beschermde houtopstanden verwacht. De beoordeling wordt gebaseerd op de omvang van beschermde natuurgebieden binnen de zoekgebieden. Hoe hoger het aandeel beschermde natuurgebieden, hoe lager de score voor dit aspect. Biodiversiteit Laagvliegen met helikopters leidt tot verstoring van leefgebied van (beschermde) soorten. Verstoring kan op verschillende manieren optreden. Voor vliegactiviteiten is verstoring door geluid en visuele verstoring relevant. Verstoring kan tot verschillende effecten op soorten leiden. Geluid en visuele verstoring kan tot verandering van gedrag leiden. Hierdoor kan een keten van gevolgen optreden, die uiteindelijk tot negatieve effecten op de populatie leidt.

Directe effecten op de populatie worden veroorzaakt door vogelaanvaringen. Dit komt incidenteel voor. Op basis van gegevens van de Koninkijke Luchtmacht gaat het om ca. 9 aanvaringen per 10.000 vlieguren. Dit lage aantal komt mede doordat gebieden met veel vogels vaak ‘misgehouden’ worden. Deze analyse richt zich met name op de gevoeligheid van gebieden voor soorten. Omdat het hier gaat om vliegactiviteiten is er speciale aandacht voor vogels.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 2-5 Gevoeligheidskaarten voor trekvogels (links) en broedvogels en niet-broedvogels (rechts) (bron: SOVON, 2023)

Om de impact op vogels te bepalen maakt het MER gebruik van gevoeligheidskaarten van SOVON (link). SOVON heeft voor heel Nederland in beeld gebracht in welke mate gebieden gevoelig zijn voor trekvogels en broedvogels. De kaarten zijn gemaakt voor de gevoeligheid voor windturbines, maar geven ook een goed beeld voor de gevoeligheid voor andere activiteiten in het luchtruim. Figuur 2-5 toont de gevoeligheid voor trekvogels (links) en (niet-)broedvogels binnen Nederland. Grote wateren zijn niet opgenomen in deze kaarten. Waar nodig worden deze gebieden kwalitatief beschouwd. Geluidverstoring en visuele verstoring kan doorwerken op de grond. Ook soorten die op de grond of relatief laag bij de grond leven, zoals vleermuizen of vossen, kunnen daarom verstoord worden door laagvliegende helikopters. De mate van verstoring is afhankelijk van de afstand, zowel verticaal als horizontaal. Op basis van onderzoek van de ecologische effecten van militaire vliegactiviteiten 1 is de horizontale effectafstand bepaald op 2 km. De verticale effectafstand wordt bepaald door de hoogte waarop gevolgen wordt. De verstoring wordt minder bij toenemende vlieghoogte. Dit is in onderstaande tabel weergegeven. Hoogte > 3.000 ft (915 m)

Geen verstoring

2.000 – 3.000 ft (610 – 915 m)

Lichte verstoring

1.000 ft – 2.000 ft (304 – 610 m)

Matige verstoring

< 1.000 ft (304 m)

Zware verstoring

Laagvliegen vindt plaats onder de 1.000 ft. Zware verstoring is daardoor niet uit te sluiten. De beoordeling op het aspect biodiversiteit wordt gebaseerd op de verwachte impact op broedvogels en trekvogels (gevoeligheidskaarten) en het aantal soorten binnen de laagvlieggebieden. Een hogere gevoeligheid en/of meer beschermde soorten binnen een gebied leidt tot een lagere score.

1

Ecologische effectanalyse militaire vliegactiviteiten, Bureau Waardenburg bv, juni 2021

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Landschap Unieke, historische landschappen zijn in Nederland aangewezen als Nationaal Landschap. Nederland telt twintig nationale landschappen. De overheid wees deze gebieden in 2004 aan vanwege de unieke combinatie van natuur, cultuur en geschiedenis. Zo maken onder andere de heide en hunebedden in de Drentse Aa, de grotten en groeven in Zuid-Limburg en het ruige rivierlandschap in de Gelderse Poort met wilde paarden en runderen deel uit van de nationale landschappen. Een nationaal landschap is geen museum, maar een gebied waar mensen wonen, werken en recreëren. De nationale landschappen zijn gebieden met specifieke kenmerken zoals flora en fauna, beekdalen, terpen, landbouw en waterbeheersing. In diverse regelingen is vastgelegd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden alleen mogelijk zijn als deze kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven of doorontwikkeld worden. De provincies zijn verantwoordelijk voor het aanhouden van grenzen en de kernkwaliteiten. De aantrekkelijkheid van het landschap heeft een sterke relatie met het aantal toeristische overnachtingen, onder andere door de aanwezigheid van verblijfsrecreatieve accommodaties, zoals campings (vestigingsplaatskeuze). De beoordeling voor het aspect landschap wordt gebaseerd op de aanwezigheid van nationale landschappen en parken binnen de laagvlieggebieden.

Recreatief gebruik wordt meegenomen bij het thema Ruimtegebruik.

2.3.3

Ruimtegebruik De behoefte voor laagvliegen heeft invloed op ruimtegebruik. Met name functies in de buitenlucht kunnen beïnvloed worden door laagvliegende helikopters. Zowel mensen als dieren kunnen gehinderd worden door laagvliegende helikopters. Energienetwerken Windturbines vormen belemmeringen in het laagvlieggebied van helikopters. Uit veiligheidsoverwegingen dient enige afstand tot windturbines gehouden te worden. Het MER onderzoekt de aanwezigheid van windturbines binnen de laagvlieggebieden. Zoekgebieden voor windturbines op land vanuit de Regionale Energiestrategie (RES) worden hier ook in meegenomen. Hoogspanningsverbindingen vormen belemmeringen voor het laagvliegen. Ook hier geldt dat afstand (zowel horizontaal als verticaal) gehouden moet worden. Het MER onderzoekt de aanwezigheid van hoogspanningsverbindingen binnen het laagvlieggebied. Zoekgebieden voor nieuwe tracés van hoogspanningsverbindingen worden hier ook in meegenomen. De beoordeling wordt gebaseerd op de aanwezigheid van windturbines en hoogspanningsverbindingen binnen de laagvlieggebieden. Bij hoogspanningsverbindingen wordt ook gekeken naar de route door het gebied. Een hoogspanningsverbinding dwars door het midden van het laagvlieggebied leidt tot een lagere score dan een hoogspanningsverbinding aan de rand van het gebied.

Recreatie Laagvliegen met helikopters kan hinder veroorzaken voor recreatieve functies. Bij recreatieve functies gaat het enerzijds om verblijfsfuncties zoals campings en hotels. Anderzijds kijkt het MER ook naar buitenrecreatie binnen de gebieden. Hiervoor zijn de landelijke fiets- en wandelpaden in beeld gebracht. Landbouw Overlast door laagvliegende helikopters speelt niet alleen bij mensen. Ook dieren kunnen hinder ondervinden door geluid, trillingen en visuele verstoring. Het MER kijkt naar de omvang van het aantal landbouwdieren binnen de laagvlieggebieden. Op basis van CBS-data (landbouwtelling) is het totaal aantal rundvee, varkens, kippen, paarden en pony’s per gemeente in beeld gebracht. Met behulp van GIS zijn deze cijfers omgerekend naar het aantal dieren per vierkante kilometer per gemeente. In deze omrekening is gekeken naar de omvang van het buitengebied, het stedelijk gebied van een gemeente is niet meegenomen in deze berekening.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Bij de paarden en pony’s kijkt de landbouwtelling alleen naar fokdieren. Paardenhouderijen zoals maneges zijn hier niet in opgenomen. Er zijn geen openbare gegevens over het totaal aantal paarden en pony’s van paardenhouderijen. Wel heeft het CBS data over het aantal bedrijven. In aanvulling op de landbouwtelling is dit aantal bedrijven in beeld gebracht. Voor de beoordeling van dit aspect kijkt het MER naar het aantal dieren en bedrijven per vierkante kilometer. Een hogere dichtheid van dieren en bedrijven leidt tot een lagere score op dit aspect. Luchtvaartactiviteiten In het luchtruim is ook sprake van ruimtegebruik. Recreatieve activiteiten, zoals zweefvliegen, parachutespringen en paragliden, worden in Nederland op diverse plekken in Nederland uitgevoerd. Deze activiteiten vormen niet direct een belemmering voor laagvliegen, maar ze leiden wel tot aandachtspunten. Het MER beoordeelt de bestaande en nieuwe laagvlieggebieden op basis van de aanwezigheid van deze activiteiten in het gebied.

2.3.4

Defensiespecifiek Voor dit thema kijkt het MER naar de geschiktheid van het gebied om te voldoen aan de wensen van Defensie. Een belangrijke wens voor het laagvlieggebied is diversiteit in het gebied. Een meer divers gebied maakt dat er minder snel gewenning optreedt bij piloten, waardoor de trainingsmogelijkheden verbeteren. Een tweede aspect voor Defensie is de bereikbaarheid van de gebieden. Hiervoor kijkt het MER naar de afstanden tot de helikopterbases De Kooy, Gilze-Rijen en Deelen.

2.3.5

Raakvlakken Bij de afweging van de alternatieven kijkt het MER of beleidsdoelstellingen van andere ministeries (on)mogelijk gemaakt worden door te kiezen voor één van de alternatieven. Aansluiting bij NOVI Eén van de uitgangspunten voor de uitvoering van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is dat de Rijksoverheid als één overheid werkt, samen met de samenleving. Om die reden zijn raakvlakken met Rijksopgaven ook als thema meegenomen. Als kader is hiervoor de NOVI gehanteerd. De (alternatieven voor de) behoefte wordt op de afwegingscriteria vanuit de NOVI getoetst. In aanvulling daarop is generiek gereflecteerd op de uitvoeringsprincipes van de NOVI. In de NOVI is de ruimtevraag van Defensie als één van de sectorale opgaven benoemd. De NOVI veronderstelt dat er “ruimte moet zijn voor huisvesting van eenheden, oefenterreinen, vliegvelden, schietbanen en toegang tot zee”. Waar opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze in de NOVI samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Bij de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de behoeften van Defensie zijn vooral de afwegingsprincipes uit de NOVI van belang: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De beoordeling van dit thema is gebaseerd op de mogelijke impact van de behoefte op de vier prioriteiten van de NOVI. Drie grote, landelijke thema’s zijn hierbij van belang: energietransitie (Regionale Energiestrategie (RES)), de woningbouwopgave en de civiele luchtvaart. Het MER onderzoekt de mogelijk impact van (nieuwe) laagvlieggebieden op deze opgaven.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

3.

Gezonde en Veilige Leefomgeving

3.1

Geluid

3.1.1

Huidige situatie en referentiesituatie Geluidbelasting in Nederland Geluid is afkomstig van veel verschillende bronnen. De geluidbelasting door alle bronnen samen wordt door het RIVM gemonitord. Figuur 3-1 toont de geluidbelasting in Nederland. De figuur laat zien dat verkeer een belangrijke bron van geluid is. De hoofdwegenstructuur van Nederland is goed terug te zien op de figuur. Ook vliegvelden zoals Schiphol en vliegbasis Leeuwarden en industrieterreinen zoals de Maasvlakte en de havengebieden van Vlissingen en Terneuzen springen eruit. In buitengebieden is de invloed van grote geluidbronnen beperkter. Hier zijn met name provinciale wegen en lokale industrieterreinen bepalend voor de geluidbelasting. Op enige afstand van deze bronnen ligt de geluidbelasting over het algemeen onder de 50 dB. Stiltegebieden De figuur toont ook de ligging en begrenzing van stiltegebieden in Nederland. Dit zijn gebieden die bedoeld zijn voor mensen om te genieten van de rust en de stilte. Voor deze gebieden geldt een streefwaarde van 40 dB(A). Diverse natuurgebieden en grote wateren, zoals de Waddenzee en delen van de Deltawateren zijn aangewezen als stiltegebied.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 3-1 Algemeen beeld van de geluidbelasting en de ligging van stiltegebieden in Nederland (bron: RIVM, 2022)

Geluidhinder door vliegverkeer Het RIVM kijkt ook specifiek naar de geluidbelasting en -hinder door vliegverkeer. Figuur 3-2 toont de geluidbelasting door vliegverkeer in Lden en het percentage ernstige hinder door vliegverkeer per gemeente. Logischerwijs ligt het percentage ernstige geluidhinder door vliegverkeer hoger in de directe omgeving van vliegvelden. Locaties waar het percentage ernstige geluidhinder door vliegverkeer, die niet in de nabijheid van een vliegveld of -basis gelegen zijn, zijn laagvliegende helikopters een belangrijke factor voor geluidhinder door vliegverkeer. Dit geldt onder andere voor de noordkant van de Veluwe, waar diverse oefenterreinen van Defensie liggen. Ook aan de noordwestkant van Noord-Brabant en zuidkant van Gelderland (o.a. Land van Cuijk en Land van Maas en Waal) ligt de geluidhinder door vliegverkeer hoger. Bij Land van Cuijk betreft dit vliegverkeer van en naar vliegbasis Volkel, bij Land van Maas en Waal ligt een bestaand laagvlieggebied dat intensief gebruikt wordt.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 3-2 Geluidhinder door vliegverkeer en de geluidcontouren van de nationale luchthavens in Nederland (bron: RIVM, 2022)

3.1.2

Effectbeschrijving Hinder door geluid Het effect van laagvliegende helikopters op de geluidbelasting (in Lden) bij woningen en andere geluidgevoelige functies kan niet berekend worden. Dit komt onder andere doordat er geen vaste routes voor het vliegverkeer zijn en de frequentie van vluchten en oefeningen niet vooraf bekend is. Voor helikopterverkeer in laagvlieggebieden is ook geen dosis-effectrelatie 2 bekend. De hinder door het geluid van laagvliegende helikopters is daardoor niet te kwantificeren. Overvliegende helikopters zorgen voor een kort moment voor hoge geluidbelasting (piekgeluid). Hoe hoog dit piekgeluid is, is op dit moment niet te bepalen. Dit is sterk afhankelijk van de lokale situatie, de vlieghoogte, het type helikopter en verdere gegevens over de activiteit die niet op voorhand bekend zijn. Op basis van gebiedskenmerken is wel te bepalen in hoeverre dit geluid tot meer of minder hinder leidt. Hiervoor kan gekeken worden naar de omvang en dichtheid van geluidgevoelige functies in het gebied. De dichtheid van geluidgevoelige functies binnen een gebied geeft een indicatie van de te verwachten hinder door laagvliegen. Een uur laagvliegen in een gebied met weinig geluidgevoelige functies leidt tot minder hinder dan in een gebied met veel geluidgevoelige functies.

Wanneer er een groter areaal beschikbaar is om laag te vliegen wordt het oefenen, en de daarbij behorende geluidbelasting meer gespreid dan wanneer er kleiner areaal beschikbaar is. Het totaal beschikbare areaal voor laagvliegen is daarmee sterk bepalend voor de geluidbelasting binnen individuele laagvlieggebieden. Nr.

2

Omvang (km2)

Inwoners / km2

Toelichting

Een dosis-effectrelatie legt een kwantitatief verband tussen de mate van geluidbelasting en het aantal ernstig gehinderden.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 B9 B10 B11 B12

N1 N2 N3

250

40

15 330 330

1 30 40

20 750 100 60

15 30 35 20

420 5 160 1.470 160 600

15 2 10 0 40 50

2.400

10

710 1.350 160 180 250

50 50 20 15 40

N4 N5 N6 N7 N8

Veel lintbebouwing aanwezig Grotendeels bestaand militair terrein, enkele woonfuncties langs de noord- en oostkant. Veel verspreide woningen. Lagere dichtheid aan de oost- en westkant. Relatief hoge dichtheid, met name aan de westkant. Grotendeels heide en militair terrein, enkele woonfuncties centraal in het gebied Hoge woningdichtheid ten noorden van de A28 Lage dichtheid aan de oostkant, hoge dichtheid aan de westkant Hogere woningdichtheid centraal in het gebied Bebouwing in buitengebied grotendeels geconcentreerd langs wegen. Evenredig verspreid over het gebied. Bebouwing overwegend centraal in het gebied aanwezig. Woningbouw verspreid over het gebied aanwezig. Geen bebouwing aanwezig, woningbouwgebied Hogere woningdichtheid aan de oost- en westkant Relatief hoge dichtheid in heel het gebied, hoogste dichtheid aan de westkant. Lage dichtheid wordt veroorzaakt door omvang van Deltawateren binnen dit gebied Evenredige verdeling van woningdichtheid, met name agrarische lintbebouwing. Hoge woningdichtheid, evenredig verspreid over het gebied Bebouwing voornamelijk aan de westkant aanwezig Lage dichtheid aan woonbebouwing, verspreid over het gebied Lagere woningdichtheid aan de noordkant van het gebied

Stiltegebieden Figuur 3-1 toont de ligging en begrenzing van stiltegebieden in Nederland. In onderstaande tabel is per zoekgebied voor laagvliegen aangegeven wat het oppervlak van het gebied is, hoeveel procent stiltegebied aanwezig is en hoe de stiltegebieden gelegen zijn binnen de zoeklocaties. Nr.

B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 B9 B10 B11 B12

N1 N2 N3 N4 N5 N6 N7

Omvang gebied (km2) 250 15 330 330 20 750 100 60 420 5 160 1.470 160 600 2.400 710 1.350 160 180

Stiltegebied

Ligging in het gebied

20% 0 2% 70% 0 20% 0 35% 30% 90% 20% 0 25% 25% 35% 40% 10% 0 0

3 kleinere stiltegebieden aan de westkant van het gebied Klein stiltegebied aan de noordgrens van het gebied Groot gebied aan de oostkant, klein deel aan de zuidkant Stiltegebied aanwezig in het midden van de oostkant Stiltegebied in de noordoosthoek Meerdere stiltegebieden verspreid in het gebied Vrijwel gehele zuid- en westkant is stiltegebied Stiltegebied aan de noordkant Kleinere stiltegebieden aan de west- en zuidwestkant Kleinere (delen van) stiltegebieden verspreid in het gebied Deltawateren grotendeels als stiltegebied Groot deel van westelijke helft aangewezen als stiltegebied Enkele kleine stiltegebieden aan de noordoost- en westkant -

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

N8

250

10%

Enkele kleine stiltegebieden aan de noordoost- en zuidwestkant

Stiltegebieden zijn bedoeld voor mensen om te genieten van de rust en de stilte. Voor deze gebieden geldt een streefwaarde van 40 dB, in principe zijn alleen geluiden toegestaan die passen bij het gebied. Geluid van helikopters hoort hier niet bij. De hinder voor recreanten is naar verwachting echter zeer beperkt. De oefeningen vinden op doordeweekse dagen plaats, terwijl recreatie zijn piek heeft in weekenden en op feestdagen. Daarnaast is de hinder van overvliegende helikopters van zeer korte duur. Geluidhinder in stiltegebieden is daardoor zeer beperkt.

3.2

Luchtkwaliteit

3.2.1

Huidige situatie en referentiesituatie Concentraties fijn stof, PM2,5 (fijne fractie) en PM10, zijn een belangrijke factor in luchtkwaliteit. Blootstelling aan fijnstof kan allerlei negatieve gezondheidseffecten veroorzaken. Naast fijn stof zijn concentraties stikstofdioxide in de lucht van belang. Ook blootstelling aan stikstofdioxide is nadelig voor de volksgezondheid. Voor fijn stof en stikstofdioxide zijn de grenswaarden uit van de EU en de WHO uit onderstaande tabel van toepassing. Hogere concentraties fijn stof zorgen voor grotere gezondheidsschade. Er is geen bekende veilige grenswaarde voor de hoeveelheid fijn stof in de lucht. tabel 3.1: WHO- en EU-grenswaarden luchtkwaliteit Grenswaarde

Grenswaarde 2030

WHO-advieswaarde

40 µg/m3

20 µg/m3

10 µg/m3

Fijn stof (PM10)

40 µg/m

3

20 µg/m

3

15 µg/m3

Zeer fijn stof (PM2,5)

25 µg/m3

10 µg/m3

5 µg/m3

Stikstofdioxide (NO2)

De concentraties stikstofdioxide liggen in Nederland ruimschoots binnen de wettelijke grenswaarden. Met uitzondering van Noord(oost)-Nederland liggen de concentraties nog steeds boven de advieswaarde van de WHO van 10 µg/m3. Vooral langs drukke wegen en in stedelijke centra blijft de concentratie relatief hoog (> 20 µg/m 3).

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-3: NO2-concentratie – laagvlieggebieden

Voor (zeer) fijn stof is eenzelfde beeld te zien als bij stikstofdioxide. Er is sprake van een sterk dalende trend vanaf de jaren negentig. De wettelijke grenswaarden worden ruimschoots gehaald voor zowel PM 2,5 en PM10.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

figuur 3-4: PM10 concentratie

3.2.2

Effectbeschrijving Impact van laagvliegen op de luchtkwaliteit Laagvliegen leidt tot de emissie van stoffen die de luchtkwaliteit negatief beïnvloeden. Concentraties stikstofdioxide en (zeer) fijn stof kunnen toenemen door de laagvliegactiviteiten. Dit wordt met name bepaald door de omvang van de laagvliegactiviteiten binnen een gebied. Hoe meer uren per jaar, hoe groter de toename luchtverontreiniging in het gebied. Hoe hoog deze toename is, is op dit moment niet te bepalen. Om een beeld te geven van de impact van helikopterverkeer op de luchtkwaliteit is gebruik gemaakt van het luchtkwaliteitsonderzoek bij vliegbasis Gilze-Rijen. Hierin is de totale bijdrage van het vliegverkeer op vliegbasis Gilze-Rijen aan de jaargemiddelde concentraties berekend.

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

Figuur 3-5 Bijdrage luchtvaartactiviteiten Gilze-Rijen aan jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide

Figuur 3-6 Bijdrage luchtvaartactiviteiten Gilze-Rijen aan jaargemiddelde concentraties fijn stof

De bijdrage aan de concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen bij het vliegveld rond de 0,2 µg/m3 respectievelijk 0,008 µg/m3. Op de kaarten is te zien dat de bijdrage meer dan halveert als de afstand tot het vliegveld toeneemt. Het aantal uur (laag)vliegen in laagvlieggebieden ligt aanzienlijk lager dan de omvang van het

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

helikopterverkeer op Gilze Rijen. De bijdrage van het laagvliegen is naar verwachting kleiner dan 0,1 µg/m3 voor stikstofdioxide en 0,005 µg/m3 voor fijn stof. Ten opzichte van de achtergrondconcentraties is de bijdrage kleiner dan 0,5%. Laagvliegen leidt hierdoor niet tot significante toename van luchtverontreiniging.

3.3

Veiligheid

3.3.1

Huidige situatie en referentiesituatie Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s voor de omgeving bij transport, opslag of verwerking van gevaarlijke stoffen. Onder andere transportleidingen of -routes en bedrijven kunnen hierdoor een risicobron voor de omgeving zijn. Het risico dat een laagvliegende helikopter voor een omgeving kan veroorzaken, valt niet te vangen met de gangbare beoordelingskaders zoals het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (door middel van aandachtsgebieden). Wel valt het risico van een ongeval met een helikopter in de nabijheid van bestaande risicobronnen te beredeneren. Bij dit beredeneren moet ook beschouwd worden wat er gebeurt als er ten gevolge van een incident domino-effecten optreden. De impact van het treffen wordt bepaald door de massa en de snelheid van het voorwerp dat treft, alsmede de gevoeligheid van het voorwerp dat getroffen wordt. Of ‘treffen’ ook gelijk staat aan ‘falen’ is afhankelijk van diverse factoren. De impact van een ongeval met een helikopter op de verschillende risicobronnen hangt sterk af van de constructie van de risicobron en de aard van de gevaarlijke stoffen. Het effect van de impact hangt sterk af van de gevaarlijke stof. Transportroutes gevaarlijke stoffen Over de transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd in tankwagens, containers of in trailers.

De impact van een incident is afhankelijk van: • het gelijktijdig aanwezig zijn van een met gevaarlijke stoffen beladen voertuig en de vallende helikopter; • de massa en snelheid van de brokstukken; • de weerstand van de beschermende huls van de gevaarlijke stoffen (de tankwand of de verpakking van de emballage); • Indien de energie van de inslag sterker is dan de weerstand van de beschermende huls, is de grootte van de uitstroomopening van de gevaarlijke stof relevant. Gezien het formaat en gewicht van helikopters en de sterkte van de tank, is de kans op het doorboren van een tankwagen, container of trailer bij direct treffen groot. Echter gezien de beperkingen rond het hoofdwegennet wordt deze kans als extreem klein ingeschat. Hogedruk aardgastransportleiding Deze leiding staan onder druk van circa 40 tot 66 bar. Om deze interne druk te kunnen weerstaan zijn de leidingen versterkt uitgevoerd. De leidingen liggen hoofdzakelijk ondergronds. Vanwege de sterke uitvoering en de ondergrondse ligging is de mogelijke impact op een dergelijke buisleiding beperkt. Activiteiten en bedrijven Onder milieubelastende activiteiten vallen bedrijven waar gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen of worden behandeld.

Bijvoorbeeld LPG-tankstations of bedrijven waar verpakte gevaarlijke stoffen met brandbare en giftige verbindingen in één opslagvoorziening aanwezig is, grote ammoniakkoelinstallaties en SEVESO inrichtingen. Binnen deze activiteiten worden gevaarlijke stoffen opgeslagen in tanks, containers, compartimenten of in trailers. De impact van een incident is afhankelijk van: • het gelijktijdig aanwezig zijn van een met gevaarlijke stoffen beladen voertuig en de neerstortende helikopter; • de massa en snelheid van de brokstukken; • de weerstand van de beschermende huls van de gevaarlijke stoffen (de tankwand of de verpakking van de emballage);

planMER Nationaal Programma Ruimte voor Defensie Deelrapport behoefte XI: Laagvlieggebieden helikopters Projectnummer 0486487.100 1 mei 2025 Ministerie van Defensie

•

Indien de energie van de inslag sterker is dan de weerstand van de beschermende huls, is de grootte van de uitstroomopening van de gevaarlijke stof relevant.

Gezien het formaat en gewicht van de helikopters en de sterkte van de tank, is de kans op het doorboren van een tank, container, compartiment of trailer groot. Echter gezien de beperkingen en buffer van 600 meter tot stedelijk gebied (bedrijventerrein) is de kans op incidenten bij bedrijfslocaties zeer klein. Activiteiten en inrichtingen met gevaarlijke stoffen in het buitengebied zijn wel relevant.

3.3.2

Effectbeschrijving Windturbines Een botsing van een helikopter op de windturbine veroorzaakt schade bij de sensoren en bij de bladen en een risico voor de helikopter en de vlieger. Bij schade aan de sensoren zal de windturbine worden uitgeschakeld. Bij schade aan het blad kunnen bladfragmenten worden afgeworpen. Een dergelijk incident wordt beschouwd bij de omgevingsveiligheidsbeoordeling van de windturbine. Downwash Een ander mogelijk effect van het laagvliegen met helikopters is het verplaatsen van stof en andere verontreiniging en objecten als gevolg van de zogeheten neerstroming van de wieken van de helikopters. In het Engels wordt dit ‘downwash’ genoemd. Met name in de buurt van bebouwing kan deze neerslaande wind gevaar opleveren. Als gevolg van downwash kunnen objecten gaan rondvliegen en letsel aan mens en dier of schade aan gebouwen veroorzaken. Opslaand stof of water kan ook overlast veroorzaken. De effecten van downwash kunnen, afhankelijk van de grootte van de helikopter en het motorvermogen, al effect hebben vanaf hoogtes van 15 meter. Hoe lager de helikopter vliegt, hoe groter het effect wordt. Hoewel de helikopters niet boven de bebouwde kom mogen laagvliegen is dit een aspect waar piloten rekening mee moeten houden bij het vliegen in de buurt van huizen of recreatie in het buitengebied.

De potentiële impact van downwash is geen beoordelingscriterium op zichzelf, omdat dit op alle locaties een aspect is waar helikopterpiloten rekening mee moeten houden. Het is dan ook een onderdeel van het totale ‘overlastplaatje’ als gevolg van de laagvliegoefeningen en iets waar piloten tijdens de vlucht rekening mee moeten houden.

3.4

Licht

3.4.1

Huidige situatie en referentiesituatie In Nederland zijn er regionale variaties in lichtemissie. Over het algemeen is de lichtemissie in het noorden van het land, behalve in de grote steden, lager dan elders in Nederland. Vooral de kassengebieden in het westen en stedelijke gebieden dragen aanzienlijk bij aan de lichtemissie in Nederland. Op internationaal niveau valt Nederland op vanwege zijn intense verlichting. Samen met verschillende steden in het Verenigd Koninkrijk, Vlaanderen en Noord-Italië behoort Nederland tot de regio's met de hoogste lichtemissie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api/v1/meetings/1305/documents/19907