CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

a0267a35-1cf4-41f2-b110-57400e727c9d.pdf

Raadsvergadering 22 december 2022, gemeente DrontenBij agendapunt: 8.k: AKKOORDSTUK Raadvoorstel Bestemmingsplan Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)22.546 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3.2

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

26

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De functie 'wonen' is aan te merken als een geluidsgevoelige functie.

5.1.2

Situatie plangebied

In dit geval worden geluidsgevoelige objecten toegevoegd, namelijk het landhuis met een vrijstaande poortwoning. Hierna wordt achtereenvolgens op de aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai ingegaan.

5.1.2.1 Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Bisonweg en Bosweg. De poortwoning wordt binnen de wettelijke geluidszone van de Bisonweg gesitueerd. Mits de woning op een afstand van minimaal 50 meter uit de weg worden gerealiseerd wordt voldaan aan de grenswaarden (afbeelding 5.1). Gezien de beperkte verkeersintensiteit op de betreffende wegen, ook na de realisatie van Swifterbant-zuid, en de afstand van de nieuw te realiseren woning tot de wegen wordt akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Verwacht wordt dat aan de voorkeurswaarde zal worden voldaan.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

27

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld

Afbeelding 5.1

Uitsnede Geluidskaart nabijgelegen wegen (Bron: Bugel-Hajema)

5.1.2.2 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

5.1.2.2 Railverkeerslawaai Op een afstand van circa 930 meter is de spoorlijn Lelystad – Zwolle gelegen. In afbeelding 5.2 is het railverkeerslawaai weergegeven. Het plangebied ligt ruim buiten het invloedsgebied voor railverkeerslawaai.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

28

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld

Afbeelding 5.2

5.1.3

Uitsnede Geluidskaart nabijgelegen spoorweg (Bron: www.atlafleefomgeving.nl)

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

5.2.2

Resultaten bodemonderzoek

In voorliggend geval is door Dumea een verkennend bodemonderzoek (NEN 5725 en NEN 5740) uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

29

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2 en BM3 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In de grondwatermonsters Pb1wm1 en Pb2wm1 zijn lichte verhogingen barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

5.2.3

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

30

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld 5.3.2

Situatie plangebied

In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan zeker aan te merken als een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe contour) en omgeving weergegeven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

31

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld

Afbeelding 5.3

Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Uit de inventarisatie blijkt dat op 422 meter van het plangebied één buisleiding voorkomt en op 927 meter een spoorlijn. Voor het overige zijn in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig. Op de hiervoor genoemde risicobronnen nabij het plangebied wordt hierna nader ingegaan. Buisleiding De dichtstbijzijnde buisleiding bevindt zich op een afstand van 422 meter buiten de begrenzing van het deelgebied. Het gaat hier om één gasleiding (A-655) van I&M transport een diameter van 24 inch en een maximale werkdruk van 80 bar. Bij dergelijke gasleiding ligt de 1% letaliteitsgrens op 330 meter. Het plangebied ligt op 422 meter en valt daarmee buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Spoorlijn Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 927 meter afstand van de spoorlijn Lelystad – Zwolle. Uit de gegevens van de risicokaart volgt dat de spoorlijn een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 ) van 1 meter heeft. Tevens heeft de risicobron een plasbrandaandachtsgebied. Gelet op de ruime afstand tussen de risicobron en het plangebied vormen beide aspecten geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

32

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld In de navolgende tabel zijn de stofcategorieën die over de spoorlijn worden vervoerd met bijbehorend invloedsgebied beschreven. Tevens wordt per stofcategorie beoordeeld of de ontwikkellocatie binnen het invloedsgebied ligt. Aanwezige stofcategorieën

Invloedsgebied (m)

A B2 C3 D3 D4

460 995 35 375 >4.000

Plangebied binnen het invloedsgebied (927 m) nee Ja Nee Nee Ja

Uit de voorgaande tabel blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de stofcategorieën B2 en D4 ligt. Gelet op het feit dat de ontwikkellocatie buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (200 meter zone) ligt, hoeft het groepsrisico conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook de Veiligheidsregio moet in de gelegenheid gesteld worden om een advies uit brengen. Voorliggende paragraaf wordt dan ook voorgelegd aan de Veiligheidsregio Flevoland.

Beperkte verantwoording Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobron dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a)

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en; b) voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Het scenario dat hier een rol speelt betreft een ongeluk met toxische vloeistoffen van waaruit een gifwolk kan ontstaan. Hieronder wordt de beheersbaarheid en bestrijdbaarheid van dit scenario besproken. Tevens wordt ingegaan op het aspect zelfredzaamheid. Beheersbaarheid c.q. bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid dient op twee aspecten te worden beoordeeld: 1.

Bestrijden rampscenario

Belangrijk bij een ongeval met toxische vloeistoffen is dat de brandweer zo snel mogelijk bij de ketelwagen is, zodat de toxische vloeistof zich niet kan ontwikkelen tot een toxische wolk. Dit kan door te koelen en/of een waterscherm aan te leggen. Essentieel is daarbij dat de brandweer voor een langere periode voldoende bluswatercapaciteit heeft ter plaatse van het ongeval. De snelheid van het ter plaatse komen is eveneens van groot belang. Aangezien het hier een bestaande spoorweg en bestaande wegvakken betreft met daarom heen al kwetsbare objecten kan worden verwacht dat bluswater in voldoende mate aanwezig is, tevens zal de bereikbaarheid op orde zijn. 2.

Inrichting van het gebied om bestrijding faciliteren

Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid van de ontwikkellocatie cruciaal. De brandweer kan snel via de Randweg en Bosweg het plangebied bereiken in geval van een calamiteit. Ook via de route Randweg, Hertenkamplaan en Bisonweg is het plangebied eenvoudig te bereiken. De inschatting is dat de eerste brandweerwagen in minder dan circa 10 minuten aanwezig kan zijn bij de calamiteit. In de Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn normen voor maximale opkomsttijden gesteld. Bij de Veiligheidsregio dient advies te worden ingewonnen of de bereikbaarheid en daarmee de opkomsttijden voldoende zijn gewaarborgd. Voor de bestrijding is bluswater ook van belang. Hier gaat het om een beoordeling van de feitelijk aanwezige bluswatercapaciteit, zowel primair (brandkranen), secundair (geboorde putten en open water) en tertiair bluswater (aanvullende bluswatervoorzieningen). Daarbij wordt beschouwd BJZ.nu Bestemmingsplannen

33

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld of dit overeenkomt met de benodigde bluswatercapaciteit in het geval van een calamiteit van één van de twee scenario's. Op dit punt dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Eén van de voornaamste handelingen bij het ontstaan van een toxische wolk is het binnen schuilen waarbij ramen en deuren kunnen worden gesloten en ventilatie kan worden stilgezet. Binnen het plangebied moet men snel op de hoogte zijn van een eventueel ongeluk met een toxische stof op het spoor en men moet op de hoogte zijn van de gevaren van deze toxische stof en weten hoe te handelen. Primair gaat NL-Alert de basis vormen voor alarmering van personen in een bepaald gebied. Daarnaast kan nog gebruik gemaakt worden van het bestaande systeem van Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) palen. Naast binnen schuilen moeten vluchtroutes personen direct van de calamiteit kunnen wegleiden, daarnaast zullen er in principe zelfredzame personen aanwezig zijn.

Voor het plangebied geldt dat er voldoende vluchtwegen aanwezig dienen te zijn om in geval van calamiteit te kunnen vluchten, ook van de spoorlijn af. Het aspect zelfredzaamheid vormt dan ook geen belemmering.

5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

34

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functies ‘wonen’ en ‘natuur’ vormen geen milieubelastende functies. Er is dan ook geen sprake van een (onaanvaardbare) aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. Ten noorden en zuiden van het plangebied zijn agrarische bedrijven gelegen. Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. De overige van toepassingen zijnde aspecten; stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst. In de onderstaande tabel worden hinderveroorzakende activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het plangebied en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

35

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld Functie

Categorie

Grondgebonden veehouderijen (Bisonweg 4) Grondgebonden veehouderij (Bosweg 28)

3.2 3.2

Richtafstand rustige woonwijk 30 meter voor stof en geluid 30 meter voor stof en geluid

Daadwerkelijke afstand (circa) 150 meter 100 meter

In voorliggend geval wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd.

Windturbines In het noorden van de provincie Flevoland wordt een windpark gerealiseerd met 61 windturbines. De windturbines staan deels in lijnopstelling door het Flevoland. Een van de lijnopstellingen ligt nabij het plangebied op een afstand van 750 meter. Aangezien in het plangebied een landhuis en een poortwoning (op respectievelijk 870 meter en 1.000 meter) worden opgericht dienen de windturbines in ogenschouw te worden genomen. Hierna wordt ingegaan op de aspecten geluid, gevaar, stof, geur en overige aspecten zoals slagschaduw. Geluid De regelgeving met betrekking tot windturbines is opgenomen in het Besluit Algemene Regels Inrichting Milieubeheer (BARIM), beter bekend als het ‘Activiteitenbesluit’. Het in werking hebben van een windturbine is opgenomen in paragraaf 3.2.3 van dit besluit. In artikel 3.14a is bepaald dat een windturbine of een combinatie van windturbines aan de norm van 47 dB Lden en 41 dB Lnight moet voldoen op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften heeft vastgesteld. Woningen die binnen de contour liggen hebben een hogere waarde. Door lokale akoestische effecten als reflectie en afscherming kunnen plaatselijk afwijkingen ten opzicht van de waardes uit het akoestisch onderzoek van windpark Blauw. De getallen uit het onderzoek zijn daarom leidend en de contour is illustratief.

De onderstaande afbeeldingen geven achtereenvolgens de gecumuleerde Lden en Lnight geluidscontouren, op een rekenhoogte van 5 m, van het windpark weer.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

36

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld

Afbeelding 5.4

47 dB Lden geluidscontour voor en na mitigatie (Bron: Witteveen en Bos)

Afbeelding 5.5

41 dB Lnight geluidscontour voor en na mitigatie (Bron: Witteveen en Bos)

BJZ.nu Bestemmingsplannen

37

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld Uit het onderzoek blijkt dat er wordt voldaan aan de geluidsbelasting na mitigatie op alle omliggende woningen (bedrijfswoningen uitgezonderd) aan de norm uit het Activiteitenbesluit. De geluidsbelasting op bedrijfswoningen bedraagt maximaal 51 dB. De geluidsbelasting als gevolg van elke inrichting op zich worden inzichtelijk gemaakt in het akoestische onderzoek van de desbetreffende inrichtingen. De gegevens zijn grafisch inzichtelijk gemaakt middels de 47 dB Lden en 41 dB Lnight geluidscontouren. In voorliggend geval kan worden geconcludeerd dat wanneer de woningen niet op kortere afstand tot het windpark worden gerealiseerd dan de woningen aan de Bisonweg 4 en Bosweg 28 het aspect geluid van de windturbines geen negatief effect heeft op de realisatie van voorliggend plan. Gezien het vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gevaar De windturbines van het windpark Blauw liggen op dusdanige grote afstand dat het aspect gevaar geen rol speelt. Gezien het vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Stof Het aspect stof speelt geen rol bij de windturbines nabij het plangebied.

Gezien het vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geur Het aspect geur speelt geen rol bij de windturbines nabij het plangebied. Gezien het vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Overige aspecten – Slagschaduw In voorliggend geval is door Witteveen en Bos een onderzoek naar de slagschaduw uitgevoerd als gevolg van de realisatie van het landgoed Artemis. Hierna wordt op de conclusie ingegaan, voor het volledige onderzoek inclusief rekenmodel wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Slagschaduwberekening De slagschaduwberekening is gedaan met gebruik van de software WindPRO (EMD). De software berekent het aantal uren schaduwimpact dat de windturbines van Windplan Blauw jaarlijks veroorzaken bij de schaduwontvanger (landgoed Artemis). De software geeft ook het aantal dagen met slagschaduw en het maximum aantal minuten slagschaduw binnen een dag (focus van deze studie). De slagschaduwberekening is uitgevoerd voor het gehele Landgoed Artemis, voor zowel het landhuis als de nog te ontwikkelen poortwoning. Voor de uitgangspunten voor de berekening wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting.

Conclusie van de toetsing De resultaten laten zien dat er op 166 dagen per jaar slagschaduw wordt verwacht, waarvan nooit meer dan 20 minuten per dag. De verwachtte slagschaduw zal in de avond optreden, variërend gedurende het jaar tussen 16.59 uur en 20.45 uur. Het is belangrijk er rekening mee te houden dat de resultaten uit deze berekening hoger uitvallen dan in de praktijk het geval zal zijn, aangezien de berekening is gemaakt voor een worst case scenario van een bouwconfiguratie. In de berekening is namelijk uitgegaan van een landhuis dat geheel bestaat uit glas (kas). In werkelijkheid zullen de gevel- en dakoppervlakken ook worden uitgevoerd met stenen of ander bouwmateriaal wat slagschaduw beperkt. Landgoed Artemis ondervindt minder dan 17 dagen meer dan 20 minuten slagschaduw op de gevel in de real case. Daarbij zijn mitigerende maatregelen niet wettelijk verplicht en kan worden geconcludeerd dat het nabijgelegen Windpark Blauw niet wordt belemmerd door het toevoegen van het Landgoed Artemis en blijft Windpark Blauw daarmee voldoen aan de vorm uit het Activiteitenbesluit. Gezien het vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek heeft ingestemd met het onderzoek. De beoordeling is bijgevoegd in bijlage 4 van deze toelichting.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

38

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht.

5.6.2

Situatie plangebied

Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. Uit paragraaf 5.5 is reeds gebleken dat in de nabijheid van het plangebied zich enkele veehouderijen bevinden. Ten opzichte van de veehouderijen moet 50 meter worden aangehouden. De woningen worden op een afstand van meer dan 100 meter van de veehouderijen aan de Bisonweg 4 en Bosweg 28 gerealiseerd. Geconcludeerd wordt dat er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Verder worden veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

39

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van de Natura 2000 gebieden weergegeven. De lichtgroene gebieden betreffen de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

Afbeelding 5.2

Ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000 gebieden (Bron: Atlas Leefomgeving)

Het plangebied ligt niet binnen of op korte afstand van een Natura 2000 gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden ‘Veluwe randmeren en ‘Zwarte Meer’ liggen op een afstand van respectievelijk 15,3 en 15 kilometer van het plangebied.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

40

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand van het plangebied tot Natura 2000 gebied, is geen sprake van een directe invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden. Een ontwikkeling kan echter ook indirect invloed hebben op Natura 2000 gebied door een toename van stikstofdepositie. Gezien de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden en het verminderen van milieubelastende activiteiten ter plaatse van het plangebied de aard, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (grijze vlakken) weergegeven.

Afbeelding 5.3

Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Atlas Leefomgeving)

Het plangebied behoort niet tot het NNN. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 4 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de kleinschaligheid van de ontwikkeling – het bouwen van twee woningen en de aanleg van nieuwe natuur – hebben de voorgenomen activiteiten geen significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken of waarden van de nabijgelegen gebieden uit het natuurnetwerk (er is bijvoorbeeld geen sprake van areaalvermindering of het doorsnijden van structuren). Opgemerkt wordt dat middels voorliggend initiatief juist extra natuur wordt aangelegd.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

41

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

5.7.3.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden hieronder beschreven. Voor het volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 5 Het plangebied bestaat volledig uit agrarische cultuurgrond, tijdens het veldbezoek in gebruik als akkerland. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied en er nestelen geen vogels. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties omdat deze functie niet beschermd is voor dieren die het plangebied benutten als foerageergebied. Opgemerkt wordt dat door Natuurbank Overijssel een advies is geschreven voor het versterken van de landschappelijke- en ecologische waarden ter plaatse van het landgoed. Deze adviesnotitie is meegenomen in het landschapsplan. De adviesnotitie is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting.

5.7.4

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.7.1.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is door Laagland Archeologie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden hieronder beschreven. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

42

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld Geadviseerd wordt om vervolgonderzoek in de vorm van verkennende boringen indien bodemwerkzaamheden dieper dan 300 cm –mv (ten opzichte van huidig maaiveld) zijn voorzien, aangezien vanaf deze diepte archeologische resten uit de steentijd kunnen voorkomen. Indien de ingrepen beperkt kunnen blijven tot maximaal 300 cm –mv wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Voor wat betreft scheeps- en vliegtuigwrakken dient bij bodemingrepen te worden gelet op aardewerk, houtof metaalresten in de bovengrond, een en ander conform de wettelijke plicht tot het melden van (vermoedelijke) archeologische resten. Specifiek archeologisch onderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden wordt niet noodzakelijk geacht. Indien bodemingrepen dieper dan 300 cm –mv zijn voorzien, is verkennend booronderzoek vereist, ook indien paalfunderingen worden geplaatst. De gemeente Dronten (provincie Flevoland) stelt extra eisen aan archeologisch booronderzoek. De voornaamste eis is dat deze met behulp van mechanisch booronderzoek (aqualockboor) wordt uitgevoerd, waarbij de boringen in een gelijkzijdig verspringend boorgrid worden gezet met een onderlinge afstand van 40 meter. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is opgenomen ter plaatse van de toekomstige woonpercelen.

Aangezien het op dit moment niet uitvoerbaar is om een veldonderzoek archeologie uit te voeren. Door middel van opleggen van een zware archeologische dubbelbestemming op te nemen is geborgd dat de mogelijke archeologische resten beschermd zijn. Wanneer er grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden op de woonpercelen wordt een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd om uit te sluiten dat er geen archeologische resten aanwezig zijn.

5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan ‘een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden’ dient te bevatten.

5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor. Wel zijn karakteristieke structuren en kenmerken in de omgeving aanwezig, zoals de laanbeplantingen en verkavelingspatronen. In dit geval worden de verkavelingspatronen en erfsingels gerespecteerd.

5.7.3

Conclusie

Ter plaatse van de woonbestemmingen in het landgoed is een archeologische dubbelbestemming opgenomen waarmee is geborgd dat voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden een verkennend booronderzoek moet plaatsvinden om archeologische waarden uit te sluiten. Als gevolg van voorliggende ontwikkeling worden de aanwezige cultuurhistorische waarden niet aangetast.

5.8

Kabels & leidingen

In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

43

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Een bestemmingsplan kan m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • • •

Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.beoordelingsplichtig.

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •

5.9.2

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

Verantwoording

5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000 gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden ligt op een afstand van respectievelijk 15 kilometer van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand van het plangebied tot Natura 2000 gebied, is geen sprake van een directe invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden. Een ontwikkeling kan echter ook indirect invloed hebben op Natura 2000 gebied door een toename van stikstofdepositie. In voorliggend geval zal vanuit planologisch oogpunt de stikstofbelasting op de Natura 2000 gebieden afnemen, aangezien de agrarisch bedrijfsbestemming met bijbehorende stikstofemissie komt te vervallen. De woonbestemming die hiervoor terug komt heeft een aanzienlijk lagere stikstofemissie.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

44

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.’

en als: ‘een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan waarin de activiteiten betrekking heeft op: 1. 2.

functiewijziging met een oppervlakte van 125 ha of meer van water, natuur, recreatie of landbouw, of; vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 ha of meer.’

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van slechts twee grondgebonden woningen in het buitengebied van de gemeente Dronten en de aanleg van vijf hectare natuur. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt.

De planologische mogelijkheid voor de agrarische cultuurgrond komt met dit plan daarnaast te vervallen, waardoor er per saldo sprake zal zijn van een lichte toename aan verkeersbewegingen. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woonen leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

5.9.3

Conclusie

Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.beoordelingsplichtig is.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

45

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Algemeen

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Proces van de watertoets Het proces van de watertoets is via een digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Waterschap Zuiderzeeland. In het kader van de watertoets is de normale procedure van toepassing. Daarvoor is in een vroegtijdig stadium contact gezocht met het Waterschap Zuiderzeeland. De definitieve reactie op de voorgenomen ontwikkeling wordt nader ingevuld. Het Waterschap geeft een wateradvies, waarin het Waterschap beoordeelt in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling de effecten op de waterhuishouding en de waterschapsbelangen raken. De uitgangspuntennotitie is in bijlage 8 bij deze toelichting bijgevoegd.

6.2

Beleidskaders

6.2.1

Europese Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden.

6.2.2

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. 2.

6.2.3

vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren.

Waterwet

De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Één van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

46

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld 6.2.4

Nationaal Waterplan

Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.

6.2.5

Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland

Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.

6.3

Waterparagraaf

1.

Veiligheid/Waterkeringen

Het plangebied ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. 2.

Voldoende Water

Wateroverlast Streefbeeld Het water Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Randvoorwaarden wateroverlast Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met circa 3.000 m2 toe. De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het realiseren van circa 7 hectare landgoed waarin een landhuis en portierswoning worden gebouwd. Op het landgoed worden verschillende halverhardingswegen en paden aangelegd. Daarnaast zal rondom het landhuis verharding worden aangelegd. Geschat wordt dat circa 2.500 tot 3.000 vierkante meter wordt verhard ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast wordt er meer dan 3.000 vierkante meter aan waterpartijen aangelegd in de vorm van een waterpartij, poelen en sloten.

Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding Aangezien de toename van de verharding gelijk of groter is dan 2.500 m2 is compensatie noodzakelijk. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. Dit komt neer op 5% x 3.000 m2 = minimaal 150 m2 open water. Initiatiefnemer is BJZ.nu Bestemmingsplannen

47

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld voornemens deze compensatie te realiseren door middel van de aanleg van een waterpartij en nieuwe sloten met een totaal oppervlak van 3.000 m2. Dit is ruim voldoende compensatie voor de toename verharding in het plangebied. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen.

Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Uitgangspunt In het hele beheergebied streeft het waterschap na dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Echter binnen een klimaatbestendig en robuust watersysteem past afhankelijkheid van wateraanvoer niet. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken. Randvoorwaarde(n) Nieuwe watersystemen worden dusdanig ingericht dat ze zelfvoorzienend zijn. Uitbreiding van wateraanvoer bij de huidige functies is niet wenselijk. De afweging van wateraanvoer vindt plaats op basis van robuustheid, effectiviteit en efficiency. Hierbij geldt als uitgangspunt dat herverdeling van water binnen de polder de voorkeur heeft boven wateraanvoer van buiten de polder. 3.

Schoon water

Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Uitgangspunt Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Randvoorwaarde(n) nieuw oppervlaktewater Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). In de voorgenomen ontwikkeling wordt een groot oppervlaktewater aangelegd. Hiervoor is een advies ingewonnen van een ecologisch bureau wat een adviesnotitie heeft geschreven over hoe te komen tot een kwalitatief goed oppervlakte water. Dit advies is opgenomen als bijlage van deze toelichting. Voor de vergunningsaanvraag zal informatie worden ingewonnen bij het waterschap voor de realisatie van de waterpartij.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

48

Bestemmingsplan ‘Landgoed Artemis Swifterbant (D4016)’ Vastgesteld Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon hemelwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. De chemische toestand van de bestaande wateren zijn geen belemmering voor het bestaande watersysteem, door de trits “schoon houden, scheiden, zuiveren” het uitgangspunt te laten zijn. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt, waardoor alle verharde nieuw aan te leggen en te bouwen oppervlakken als relatief schoon kunnen worden aangemerkt. Waar dit mogelijk is, wordt het schone hemelwater opgevangen binnen het eigen plangebied door het realiseren van de waterpartij. Voor de aanvraag omgevingsvergunning wordt nog overleg gevoerd met het waterschap hoe om te gaan met eventueel kwelwater.

Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Voor bestaand gebied wordt gestreefd naar het afkoppelen van niet-vervuild verhard oppervlak van het rioolstelsel. Zoals hiervoor beschreven wordt het hemelwater afgekoppeld. Het vuile water van het landhuis zal worden opgevangen in een helofytenfilter. Er zal dus geen aansluiting zijn op het bestaande rioolstelsel. De plannen voor de portierswoning zijn nog niet zo nader uitgewerkt dat aangegeven kan worden of deze wordt aangekoppeld op bestaand rioolstelsel of een helofytenfilter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/1006/documents/2093