6700dad1-205f-488d-9348-16c224254420.pdf
Tekst van het document
13 Lessons learned over participatie van de omgeving bij Flevolandse energieprojecten (januari 2020)
27
Deze strategie is ook zeer geschikt om in te zetten op de thema’s van de RES. Bijvoorbeeld bij de wijkgerichte aanpak van de warmtetransitie of bij het activeren van de ondernemers in Flevoland. Voor deze uitdagingen geldt dat meerdere partijen hetzelfde doel nastreven. Door RES-partners (en andere belanghebbenden) in een vroeg stadium met elkaar te laten nadenken en werken aan de juiste communicatiestrategie kan ook participatie bevorderd worden. Hiervoor is het wel noodzakelijk om van tevoren bepaald te hebben in welke mate participatie noodzakelijk is en waarom. Communicatie is op zichzelf geen participatiemiddel. De Expeditie Flevoland kan vanuit haar aanpak en netwerk een bijdrage leveren aan de communicatie in en rondom de RES, maar is geen exclusief communicatieplatform voor de RES. Het is een zelfstandig opererend platform, aangestuurd vanuit het FEA-netwerk. Door de expeditie wordt een onderzoek gehouden onder inwoners van Flevoland. Het doel van dit onderzoek is om te peilen hoe inwoners van de Flevoland aankijken tegen de energietransitie, en welke behoeftes er spelen om hier een rol in te spelen. Daarnaast wordt er gekeken naar het gedrag van Flevolanders, en welke maatregelen zij wellicht al hebben genomen om hun CO2-uitstoot te verminderen.
Dit onderzoek wordt als 0-meting gebruikt om in de loop van de jaren een beeld te krijgen hoe de energietransitie ervaren wordt onder inwoners van Flevoland.
Projecten die passen binnen de bestaande beleidsruimte
3 Wat gaan we doen? In het vorige hoofdstuk staat wat we in Flevoland allemaal al doen. Naast al de projecten die ook op de projectenkaart staan, beschrijven we in dit hoofdstuk het gezamenlijke, regionale beleid van provincie, gemeenten en het Waterschap om in Flevoland meer energie te besparen en de energievoorziening te verduurzamen. Voor de onderwerpen in dit hoofdstuk zijn geen
28
beleidswijzigingen nodig. Het gaat om onderwerpen waar we ons (meer) mee bezig gaan houden. Het behouden en uitvoeren van staand beleid was de basis voor onze concept-RES en is nu het fundament voor onze RES 1.0. 3.1 Energiebesparing De beste energie is energie die je niet gebruikt! Het besparen van energie en zuinig omgaan met de energie die we nodig hebben maakt een groot verschil voor milieu en portemonnee We maken onderscheid tussen energiebesparing bij bedrijven en instellingen en energiebesparing door huishoudens (woningen). Bij energiebesparing voor woningen is het van belang de balans te vinden tussen comfort en energie-efficiëntie. In een volgende RES maken we inzichtelijk wat het besparingspotentieel in cijfers is voor beide categorieën. 3.1.1 Bedrijven en instellingen Het verbruik van bedrijven en instellingen in Flevoland bedroeg in 2018 3,63 TWh. Dat is 35 procent van het totale verbruik van Flevoland (zie ook hoofdstuk 1.5 Staat van Flevoland). Deze RES richt zich op energiebesparing. In latere RES’en ligt het accent op CO2-reductie (zie ook de Leeswijzer). Bedrijven en instellingen in Flevoland stoten bij elkaar bijna 1,1 miljoen ton CO2 per jaar uit. Aanpak In twee opeenvolgende stappen versnellen we de energietransitie bij bedrijven en instellingen. Als eerste willen we bereiken dat organisaties zich houden aan de geldende wet- en regelgeving.
Vanuit de RES werken de overheden samen om hiervoor een toezichtstrategie te ontwikkelen. Vervolgens stimuleren we bedrijven en instellingen om nog een stap verder te gaan. Stap 1 bereiken we in een aantal deelstappen die vorm krijgen richting de opstelling van de RES 2. Uitgangspunten hierbij zijn: 1
We informeren en stimuleren bedrijven en instellingen met een informatieplicht om de wet- en regelgeving toe te passen en maken duidelijk wat daartoe de mogelijkheden zijn.
2
Zij kiezen zelf de manier waarop zij willen voldoen aan de wet- en regelgeving. Bij het EEF (Energie expertisecentrum Flevoland) en het Energieloket Flevoland kunnen bedrijven en instellingen informatie en advies opvragen.
3
Gemeenten nemen in samenspraak met de OFGV (Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek) een besluit over de vorm en de mate van toezicht op de naleving van de wet- en regelgeving door bedrijven en instellingen.
4
We slechten de drempels die bedrijven en instellingen nu nog ondervinden bij het verduurzamen van hun vestigingen. Ook hiervoor zetten we het EEF en het Energieloket Flevoland in.
5
Om ervoor te zorgen dat het speelveld voor alle bedrijven hetzelfde is, zetten we handhaving in, als sluitstuk van de implementatie van de verplichtingen.
29
[afbeelding actualiseren]
12 %
41 % 28 %
4 %
15 %
Landbouw, bosbouw en visserij Industrie Energievoorziening, Delfstoffenwinning, Water & Afval Bouwnijverheid Commerciële dienstverlening Publieke dienstverlening
Het is essentieel dat we als eerste bereiken dat bedrijven de energiebesparingsmaatregelen nemen waartoe ze verplicht zijn: de maatregelen die zich in vijf jaar terugverdienen en die op de zogeheten EML staan (Erkende Maatregelenlijsten voor Energiebesparing). Eerst moet de basis op orde. Daarna krijgen ondernemers de handvatten om verder te gaan. Resultaten Er zijn in Flevoland 5.100 bedrijven die een meldingsplicht hebben. Hiervan staat voor ruim 4.000 bedrijven de meldingsplicht nog open. Dat betekent dat zij nog geen documenten hebben opgestuurd waaruit blijkt dat ze de verduurzamingsmaatregelen nemen die zij moeten nemen. Wanneer alle 5.100 organisaties voldoen aan de meldingsplicht en hun EML, dan levert dat een CO2-reductie op van ongeveer 194 kton14. Dit komt overeen met ruim 17 procent van de totale CO2-uitstoot van bedrijven en instellingen. 3.1.2 Woningen
14 Dataset gecontroleerde bedrijven op energiebesparing EP, 2019, verwerkt door OFGV
30
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle woningen in 2050 CO2-neutraal zijn. Daarnaast moeten woningen van het aardgas af15. In Flevoland staan circa 172.000 woningen. Hiervan is iets minder dan een derde aangesloten op een warmtenet. [afbeelding p 33 – woningen met geldig energielabel]
Trends Alle woningen in Flevoland bij elkaar gebruikten in 2019 2,25 TWh aan energie. Het grootste deel hiervan, 1,78 TWh, was warmtegebruik (uit aardgas en stadswarmte). In 2019 had van deze woningen ongeveer 66 procent een van de hogere energielabels (A++ t/m B). Landelijk gezien was dit 39 procent. Dit betekent dat Flevoland ten opzichte van de rest van Nederland een groter aandeel zuinige woningen heeft. Het besparingspotentieel bij woningen in Flevoland is daarmee beperkter dan het gemiddelde in Nederland. De gemeentelijke Transitievisies Warmte gaan gedetailleerder in op de besparingen die nodig zijn om de minimale isolatiegraad te behalen die nodig is voor het energiesysteem dat aardgas vervangt. In de gebouwde omgeving zijn verschillende ontwikkelingen die invloed hebben op verbruik. Zo daalt het verbruik per apparaat, maar komen er wel steeds meer apparaten bij. Ook gedrag speelt hierin een rol. Daarnaast blijkt dat mensen die in een sociale huurwoning wonen aanzienlijk minder energie gebruiken dan mensen met een eigen huis. [grafiek Verbruik woningen 2010 - 2019] Deze grafiek laat zien dat het verbruik van woningen tussen 2010 en 2019 afnam met 4 procent. Dit komt door zuinigere apparaten en een zuiniger gebruik daarvan. Tegelijkertijd nam de bevolking jaarlijks toe en nam het aantal woningen in Flevoland tussen 2010 en 2020 toe met 14 procent.
Lopende projecten en aanpak Met verschillende projecten en initiatieven werken we in Flevoland aan de verduurzaming van woningen. Zo hebben we in de regio:
Energiecoaches
Energieloketten
15 Warmtegebruik bevat een aandeel aardgas, maar ook stadswarmte en houtkachels.
31
Collectieve inkoopacties
Wijkgerichte informatieavonden
Publiekscampagnes
Op die manier informeren, stimuleren en ondersteunen overheden, maatschappelijke partners en bedrijven de burgers om aan de slag te gaan met energiebesparing. Om een paar initiatieven te noemen: Zeewolde Woonpalet vervangt cv-ketels door hybride warmtepompen, zon-PV en zonneboilers en in Dronten komen twee woonwijken die dakvullend belegd worden met zonnepanelen. De besparingen die energiemaatregelen in woningen opleveren hangen samen met de keuzes die gemeenten maken in hun Transitievisies Warmte. Hierin geven zij vóór eind 2021 aan welke wijken vóór 2030 van het aardgas zullen afgaan en welk alternatief daarvoor in de plaats komt. Deze keuze wordt niet in de RES gemaakt, maar kent een eigen besluitvormingsroute. De overheden werken hierin samen om kennis en ervaringen te delen. De resultaten van de Transitievisies Warmte worden ingebracht in de volgende RES’en. 3.2 Warmtetransitie De regionale visie op de gebouwde omgeving in dit hoofdstuk biedt uitgangspunten en oplossingsrichtingen voor de gemeentelijke Transitievisies Warmte. De gebouwde omgeving in Flevoland wijkt af van die in andere provincies: onze woningvoorraad is relatief jong en er is ruimte voor (duurzame) nieuwbouw. Verschillende dorpen en steden beschikken al over een warmtenet. Daarnaast zijn de kenmerken van de gebouwde omgeving divers.
Variërend van het stedelijke landschap van Almere, tot de kleine, verspreide dorpskernen in de Noordoostpolder. Maatwerk is dus nodig. Daarom zetten we ons in voor samenwerking met regionale partners, waarbij we ruimte geven aan nieuwe technieken. Tegelijkertijd zijn we ons bewust van de sociale structuren, financiële mogelijkheden en landschappelijke waarden van Flevoland. De individuele gemeenten hechten veel belang aan participatie bij dit onderwerp en hebben hier aandacht voor in hun lopende trajecten de resultaten hiervan zullen in de RES 2.0 vermeld worden. 3.2.1 Regionale Structuur Warmte De Regionale Structuur Warmte (RSW) beschrijft voor Flevoland hoe vraag, aanbod en infrastructuur van de warmte- en koudevoorziening in de regio samenhangen en wie daarbij betrokken zijn. Daarnaast worden mogelijke gevolgen van verduurzaming van de warmtevoorziening voor vraag, aanbod en infrastructuur bekeken. De RSW maakt als onderdeel van de RES. Verdeling van warmte binnen de regio
32
In de regionale structuur warmte doet de regio uitspraken over de verdeelsystematiek van hernieuwbare warmte in Flevoland en het optimaal gebruik van schaarse bronnen. Uitgangspunten in Flevoland zijn:
Benut hernieuwbare warmte lokaal, waar deze beschikbaar is (houd vraag en aanbod dicht bij elkaar).
Beperk transport van hernieuwbare warmte tot een minimum (zet bronnen efficiënt in).
In Flevoland zijn momenteel geen warmtebronnen die bovenlokale betekenis (kunnen) hebben. Dit blijkt uit het geografisch overzicht (zie warmtekaart) van bronnen (restwarmte, biomassa, geothermie, aquathermie), warmtevraag en warmte-infrastructuur. Er is weinig industriële restwarmte; de visverwerkende industrie op Urk is een van de weinige uitzonderingen. De kernen liggen in Flevoland ver uit elkaar, waardoor transport van warmte over grote afstanden nodig is. En dat is zeer inefficiënt. Dit alles betekent dat er geen afspraken nodig zijn voor de verdeling van warmte(bronnen) binnen de regio: bronnen worden lokaal ingezet (zoals aardwarmte in glastuinbouwgebied). De verdere uitwerking vindt plaats in de Transitievisies Warmte (TVW’s). Verdeling van warmte tussen regio’s De stadsverwarming van Almere maakt gebruik van een warmtebron buiten de regio: de Diemercentrale. Almere maakt hierdoor deel uit van het warmtenetwerk van de Metropoolregio Amsterdam; de warmtebron ligt in de RES-regio Noord-Holland Zuid. De komst van een groot datacenter naar Flevoland kan mogelijk leiden tot een restwarmtebron van zodanige omvang dat die benut kan worden in de regio’s Flevoland en Noord-Veluwe. Vervolg Er is geen aanleiding om een fysieke structuur te maken.
Er is wel behoefte om samen te werken (TVW’s en RSW) en een kennisstructuur uit te werken; gezamenlijk kennis ontsluiten en ervaringen delen. Verder worden er aandachtspunten opgesteld voor warmtenetten. Het gaat dan onder andere over toegang, eigenaarschap, participatie (door energiecoöperaties) in warmteprojecten, financiering en afname. Op die manier voorkomen we een situatie waarin afnemers (huishoudens, bedrijven) verplicht worden aangesloten op een warmtenet. Voor nieuwe warmteconcessies lijkt de nieuwe Warmtewet 2.0 hiervoor uitkomst te bieden via een zogenaamde right to challenge. Tot slot is voor de TVW’s van belang om een afweging te maken tussen collectieve oplossingen en individuele oplossingen. Deze punten zijn in ontwikkeling en krijgen een plek in een latere RES.
33
3.2.2. Warmtekaart Flevoland De Warmtekaart Flevoland is gekoppeld aan de Regionale Structuur Warmte. Deze kaart is bedoeld om inzicht te geven in de vraag-, aanbod- en transportkant van warmte in Flevoland. De Warmtekaart geeft nu nog alleen de aanbodkant van hernieuwbare warmte weer. De interactieve kaart vindt u op https://kaart.flevoland.nl/warmtekaart. Deze kaart toont de volgende duurzame warmtebronnen:
bio-energie-installaties
rioolwaterzuiveringsinstallaties
restwarmte van datacentra
geothermieputten
restwarmtelozingen op water
restwarmte uit industrie
laagtemperatuurrestwarmte
Naast de geografische ligging en het type warmtebron toont de kaart ook het vermogen of de warmteopwek van de duurzame warmtebronnen (voor zover bekend). De kaart zegt niets over de bruikbaarheid van de bronnen voor herverdeling van warmte. Bronnen kunnen bijvoorbeeld onbruikbaar zijn door hun geografische ligging of een te gering vermogen. Er komen nieuwe versies van de Warmtekaart die de aanbodkant accurater weergeven. Hiervoor maken we gebruik van gegevens van de TVW’s. Toekomstige versies bieden ook informatie over relevante nieuwe bronnen. Denk aan datacenters en aquathermie. Ook op de vraagkant zal meer zicht ontstaan, door het gereedkomen van de TVW’s. Nu is voor de kaart nog gebruikgemaakt van de NPRES-analysekaart Warmtevraag. 3.2.3 Biomassa Biomassa is plantaardig en dierlijk materiaal dat we kunnen gebruiken om energie op te wekken. Dat kan van alles zijn: houtafval, snoeiafval, rioolslib uit waterzuiveringsinstallaties, groente-, fruit- en tuinafval (gft), plantaardige olie en vet uit de voedingsmiddelenindustrie, mest van veebedrijven en gewassen die speciaal voor bio-energie worden verbouwd zoals koolzaad. Het opwekken van energie uit biomassa kan op drie manieren: door verbranding, vergassen en vergisting. Biomassa is volgens het Europese duurzaamheidskader een vorm van duurzame energie.
Het Klimaatakkoord kent biomassa een rol toe als transitiebrandstof in de periode tot 2030. De opvattingen in het maatschappelijke debat over de rol en betekenis van houtige biomassa lopen echter sterk uiteen en gaan over meer dan uitsluitend energie (voedselproductie). De SER heeft in de zomer van
34
2020 een advies uitgebracht over biomassa16. Uit het SER-advies spreekt veel terughoudendheid als het gaat om de inzet van biomassa voor het opwekken van energie. Het kabinet heeft dit advies vervolgens omgezet in voorgenomen maatregelen17. Naast de energietransitie, waar de RES zich op richt, is er ook een grondstoffentransitie gaande die uiteindelijk tot een volledig circulaire economie moet leiden in 2050. Daarin past een hoogwaardiger inzet van biomassa als grondstof, zoals ook de SER adviseert. Op dit moment gebruikt Flevoland houtige biomassa en biogas voor de warmtevoorziening van gebouwen. Deze keuze draagt bij aan een fossielvrij energiesysteem, maar van een gewenste eindsituatie is geen sprake. De RES Flevoland is, net als het kabinet, terughoudend met de inzet van met name houtige biomassa en vindt dat deze keuze in de gemeentelijke Transitievisies Warmte bij voorkeur niet meer gemaakt moet worden. Hierbij zijn naast de betaalbaarheid/haalbaarheid ook de herkomst, transport en beschikbaarheid ten opzichte van een fossiel systeem belangrijke aandachtspunten. Het kabinet heeft het voornemen om beleid en instrumenten te ontwikkelen om ook de bestaande inzet van houtige biomassa af te bouwen. Flevoland volgt deze richting en wacht deze ontwikkelingen af. 3.2.4 Aardwarmte Aardwarmte (of geothermie) biedt een bron van hernieuwbare warmte.
Het is een techniek die de potentie heeft om in een aanzienlijk deel van de warmtevraag van gebouwen te voorzien. Geothermie is niet weersafhankelijk en geeft een voorspelbare opbrengst. Het is echter een relatief nieuwe techniek. De mogelijkheden zijn sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden in de ondergrond. Bovendien is voor geothermie altijd een warmtenet nodig. Potentie De vorderingen op het gebied van geothermie in Flevoland verschillen per regio. In de Noordoostpolder is voldoende kennis om projecten te ontwikkelen. De huidige projecten vinden plaats in de glastuinbouw. De opgave in de Noordoostpolder is tweeledig: uitbreiding in de glastuinbouw en het bepalen van de haalbaarheid van aardwarmte in de gebouwde omgeving (dat laatste als onderdeel van de Transitievisie Warmte die gemeenten opstellen). In Oostelijk Flevoland (Lelystad en Dronten) is de haalbaarheid van geothermie nog niet bekend. Deze regio heeft wel potentie maar er is meer onderzoek nodig voordat er projecten ontwikkeld kunnen
16 Biomassa in balans
17 Duurzaamheidskader biogrondstoffen, 16 oktober 2020
35
worden. Voor Lelystad wordt daar nu aan gewerkt. In het kader van het landelijke onderzoeksprogramma naar aardwarmte SCAN (Seismische Campagne Aardwarmte Nederland) wordt een aanvullende seismische lijn naar Lelystad getrokken. Dat levert informatie op voor de besluitvorming van de gemeente in het kader van de Transitievisie Warmte. In Zuidelijk Flevoland (Almere en Zeewolde) is verdere kennisopbouw essentieel. Ook hier wordt in het kader van SCAN een aanvullende seismische lijn naar Almere getrokken. Deze levert informatie op om te kunnen beslissen of ultradiepe geothermie ingezet kan worden voor de stadsverwarming van Almere (als aanvulling op de andere vormen van warmte in het warmtenet van Almere). In Zuidelijk Flevoland geldt een beperking voor het gebruik van WKO-systemen (en geothermie). Deze dieptebeperkingen zijn van kracht in delen van de gemeenten Almere en Zeewolde. Er geldt een ‘boringsvrije zone’ van het grondwaterbeschermingsgebied (strategische voorraad voor drinkwater). De bescherming van het grondwater heeft hier nu een hogere prioriteit dan de benutting van de bodem voor energiedoeleinden. 3.2.5 Bodemenergiesystemen De ondergrond in heel Flevoland is in principe geschikt voor warmte- en koudeopslag (WKO), open bodemenergiesystemen (OBES) en gesloten bodemenergiesystemen (GBES). WKO-systemen worden in de regio toegepast in de woning- en utiliteitsbouw.
Daar waar verwacht wordt dat de drukte in de ondergrond te groot wordt en systemen elkaar negatief gaan beïnvloeden, kan een gemeente een ‘interferentie-gebied’ aanwijzen: een gebied tussen twee systemen. Dit is bedoeld om de ondergrond optimaal te benutten. Ook bij bodemenergiesystemen geldt de boringsvrijezone in delen van de gemeenten Almere en Zeewolde zoals beschreven in 3.2.4. 3.2.6 Aquathermie Aquathermie is een relatief nieuwe duurzame warmtetechniek. Het is een verzamelterm voor het winnen van thermische energie (warmte en koude) uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) en drinkwater (TED). Verschillende projecten en businesscases laten zien dat aquathermie in veel gevallen geschikt is voor een haalbare, betaalbare en bedrijfszekere warmtevoorziening. Succesvolle aquathermische projecten vinden plaats op lokaal niveau. Denk aan de verwarming en koeling van een gebouw of huizenblok. Zo wordt aquathermie bij de Floriade toegepast als hernieuwde warmtebron. In Flevoland zijn er al inspirerende projecten gerealiseerd of in ontwikkeling, onder meer in Almere en op Urk. Nu is de uitdaging om te zorgen voor bredere toepassing van aquathermie: van kleinschalige initiatieven naar stedelijke of regionale toepassingen.
Potentie
36
Bij TEO maken we onderscheid tussen directe levering en levering via een warmte-koudeopslag (WKO). Het winnen van warmte uit oppervlaktewater is voornamelijk interessant in de zomer, vanwege de hoge temperaturen die er dan zijn. Het potentieel van TEO via een WKO is sterk afhankelijk van de opslagmogelijkheden in de bodem. Kansen voor TEO zijn er vooral langs de grote wateren en watergangen van Flevoland. Het potentieel van TEA is sterk afhankelijk van de afstand tot de energievrager, de grootte van de energievraag en het energieaanbod, en de bodemcapaciteit. Het aanbod van TEA concentreert zich rondom de vijf rioolwaterzuiveringen in Flevoland, de rioolgemalen en de effluentleidingen. Het voordeel van TEA is dat de warmteaanvoer gedurende het jaar relatief hoog is. Het Waterschap Zuiderzeeland ziet potentie in zuiveringsslib als energiebron en zet in op volledige benutting hiervan in 2022. Uit zuiveringsslib produceert het waterschap onder andere biogas. Het potentieel van TED is op dit moment nog onvoldoende duidelijk. Dit is een aandachtspunt voor de volgende RES, wanneer we de potentie van alle drie de vormen van aquathermie verder uitwerken. Deze input kan opgenomen worden in de Transitievisies Warmte, die elke vijf jaar worden geactualiseerd.
3.3 Opwek zonne-energie Naast de grootschalige opwek van zonnestroom buiten het stedelijk gebied (‘zon op land’), zijn er andere locaties van opwek van zon-PV, namelijk in de gebouwde omgeving. Hierbij gaat het vooral om zon-PV in het stedelijk gebied en zon-PV op dak. Bij die laatste categorie maken we onderscheid tussen groot- en kleinschalige opstellingen. Daarnaast is een deel van het bestaande omgevingsbeleid voor wind nog niet gebiedsgericht uitgewerkt. Hierdoor is er nog ruimte voor verder onderzoek buiten de gebouwde omgeving. 3.3.1 Zonneparken in stedelijk gebied Het beleid voor zonneparken in het stedelijk gebied is hoofdzakelijk een taak van de Flevolandse gemeenten. Gemeenten bevinden zich wat dat betreft in verschillende fases. Op dit moment is inzichtelijk dat er potentie is voor meer zonneparken in het stedelijk gebied, maar daar is nog geen concreet getal aan te koppelen. In een volgende versie van de RES geven we hier nadere invulling aan. 3.3.2 Kleinschalige zon-PV Steeds meer woningen worden voorzien van zonnepanelen. Dit wordt Kleinschalige zon-PV genoemd (zon op dak; kleiner dan 15 kWp18) en heeft binnen het RES-proces een aparte status. Deze installaties,
18 De grens van 15 kWp is door het PBL opgenomen en heeft geen koppeling met subsidietrajecten of technische
aansluitingen. 37
kunnen we onder bepaalde voorwaarden meenemen in het bod voor de RES. Het landelijke RESprogramma houdt rekening met een autonome groei van kleinschalige zon-PV van 7 TWh tot aan 2030. Alles daarboven kunnen we meetellen in een toekomstig RES-bod. Voor het huidige RES-bod geldt dat de groei in het vermogen van deze kleinschalige installaties valt binnen de autonome groei. Inzet op kleinschalig zon op dak biedt hoe dan ook kansen voor de energietransitie en het draagvlak daarvoor. Daarom heeft de regio onderzoek laten verrichten door het Kadaster naar de maximale potentie van zon op daken. Dit onderzoek en ook landelijke ervaringscijfers geven aan dat de berekende maximale potentie door belemmerende factoren (lang) niet volledig gehaald kan worden. 3.3.3 Grootschalige zon-PV Naast zon op woningen zijn er ook grote daken van bedrijven waar zon op dak geplaatst kan worden. Het Kadaster onderzocht eveneens wat de maximale potentie is voor grootschalige zon op dak (groter dan 15 kWp). Deze is significant en nog grotendeels onbenut. Ook hier geldt echter dat de berekende maximale potentie door belemmerende factoren (lang) niet volledig haalbaar is. Dat blijkt overigens ook uit landelijke ervaringscijfers. Na de RES 1.0, die gestoeld is op bestaand beleid, wil de regio een regionale ambitie formuleren voor zon op grote daken, uitgaande van de potentie.
Deze ambitie kan dan deel uitmaken van een bod in volgende RES’en19. Voor het RES 1.0-bod is de bestaande elektriciteitsproductie uit zon op dak > 15 kWp al wel meegenomen. Zoals bijvoorbeeld de Solarcarport bij het evenemententerrein in Biddinghuizen. Op dit moment20 is er voor minimaal 35,5 MWp aan dergelijke projecten vergund. Aanpak zon op dak Alle partners in de RES Flevoland onderstrepen het belang van PV-installaties op grote en kleine daken. Gemeenten en provincie hebben echter nog geen juridische instrumenten om zon op dak af te dwingen en kunnen slechts stimulerend optreden. Op 1 januari 2022 gaat dit veranderen. Naar verwachting zal op 1 januari 2022 nieuwe wetgeving in werking treden waarmee gemeenten bij nieuwbouw zon op dak verplicht kunnen stellen in bepaalde gebieden. De samenwerkende partners van de RES-regio Flevoland blijven in gesprek over het ontwikkelen van een gezamenlijke aanpak voor zon op dak en de benodigde middelen daarvoor. Om de realisatie van zon op dak te stimuleren, zetten de gemeenten en provincie nu al de volgende instrumenten in: Zonatlas, de regeling Zon voor asbest, de Subsidieregeling bevordering initiatieven
19 De potentie van grootschalige zon op dak-installaties wordt beïnvloed door factoren die deels buiten de invloedssfeer
van de regionale partners, zoals de beschikbaarheid van subsidie vanuit het Rijk. Deze externe factoren zijn bepalend voor de mate waarin een regionale ambitie gerealiseerd kan worden. In de netinvesteringsplannen van de regionale netbeheerders wordt hier met gerichte netverzwaring op ingespeeld. 20 Februari 2021.
38
energietransitie (BIE), Energie Expertisecentrum Flevoland (EEF), Stichting Schooldakrevolutie, Duurzaamheidslening en het Energieloket. Enkele regelingen zijn inmiddels afgelopen en worden geëvalueerd. Woningcorporaties maken over zon op dak afspraken met gemeenten in het kader van de jaarlijkse prestatieafspraken. Naast daken van sociale huurwoningen, kunnen ook daken van bedrijven en maatschappelijk vastgoed worden gebruikt voor het opwekken van energie via zonnepanelen. Collectief zon op dak Inwoners van Flevoland kunnen via de energiecoöperaties onder gunstige voorwaarden investeren in grootschalige zon-op-dakprojecten. De coöperaties kunnen de energie van zonnestroom tegen gereduceerd tarief via de postcoderoos beschikbaar stellen. Deze regeling wordt vanaf het tweede kwartaal van 2021 herzien onder de naam Subsidieregeling Coöperatieve energieopwekking (SCE). In het buitengebied worden kansen gezien om nieuwe zonne-installaties aan te sluiten op bestaande aansluitingen van windturbines. Participatie bij zonprojecten Een gedegen participatieproces is belangrijk voor de acceptatie, de ruimtelijke inpassing en de realisatie van zonprojecten. Als bevoegd gezag bij zon op landprojecten hebben de gemeenten hierover in hun eigen zon- en/of participatiebeleid regels opgenomen.
Zij hebben participatie hoog in het vaandel staan en hanteren met lokaal maatwerk verschillende beproefde aanpakken voor zowel proces- als financiële participatie. Als het gaat om procesparticipatie sturen gemeenten onder meer aan op een vroegtijdige dialoog tussen initiatiefnemer en omwonenden. Dit is bij vergunningstrajecten verplicht onderdeel en voor niet-vergunning plichtige projecten wordt het bieden van (financiële) participatie van harte aanbevolen. Bij financiële participatie valt te denken aan het bevorderen van lokaal eigendom. Dat kan de vorm aannemen van een energiecoöperatie, voorinvesteringen of aandelen. Ook het bevorderen van gelijke verdeling van lusten en lasten door bijvoorbeeld een afdracht in een gebieds- of duurzaamheidsfonds valt onder financiële participatie. Overigens is participatie ook geborgd in de provinciale Structuurvisie Zon. Verder geldt dat bij het opstellen van een volgende RES de betrokken partners passende participatieafspraken maken voor zonop-landprojecten, aangenomen dat dergelijke projecten zich aandienen. Daarnaast kijken we naar de mogelijkheden die de nieuwe Omgevingswet biedt om participatie een sterkere rol te geven. Hiermee geven we invulling in het streven naar minimaal 50 procent lokaal eigendom (zie ook paragraaf 1.4.2.). 3.4 Windenergie
39
In het provinciale omgevingsprogramma viewer (tercera-ro.nl) is in 2016 aangegeven waar projecten voor opschalen en saneren zijn toegestaan. Dit gebied overlapt met het Regioplan (zie hoofdstuk 2.1), maar er zijn ook gebieden buiten de plangrenzen van het Regioplan gelegen. In dit resterende gebied zijn onder voorwaarden, waaronder de (financiële) participatievoorwaarden, mogelijkheden om meer opgesteld vermogen te realiseren door middel van windturbines. Deze worden in elk geval deels begrensd door de saneringsopgave: nieuwe windturbines kunnen alleen gebouwd worden als daarvoor oude verdwijnen. In algemene zin geldt dat het primaat van de ruimtelijke ordening bij de gemeenten ligt. In de meeste Flevolandse gemeenten komt het beleid voor windenergie overeen met dat van de provincie of past het in elk geval daarbinnen. De gemeente Almere wil extra windenergie mogelijk make binnen haar beleidskaders[1]. Liefst zonder te saneren, maar het provinciale beleid biedt hiervoor op dit moment geen ruimte. Door de gemeente Zeewolde is aangegeven geen nieuwe windturbines te willen plaatsen buiten het huidige project om van Windpark Zeewolde en de bestaande parken Alexia en Sternweg.
3.5 Kernenergie Met zekere regelmaat komt de vraag op of kernenergie een rol moet spelen in de energietransitie. Vooralsnog bestaat hiervoor weinig maatschappelijk en politiek draagvlak. Ook zijn er geen goede businesscases voorhanden. De provincie Flevoland verleent, op basis van haar Omgevingsprogramma uit 2018, geen medewerking aan de vestiging van kerncentrales in de regio. De RES maakt nu inzichtelijk hoe de duurzame elektriciteitsvoorziening er in 2030 uit ziet. De procedures rondom en de bouw van een kerncentrale kosten ten minste vijftien jaar en kunnen dus niet vóór 2030 afgerond zijn. Kernenergie speelt dan ook geen rol in de RES 1.0. Op verzoek van de Tweede Kamer en Provinciale Staten van zes provincies vindt nader onderzoek plaats naar de rol van kernenergie in de energietransitie. Ook heeft het ministerie van Economische Zaken en Klimaat aangekondigd met een standpunt te komen over kernenergie. Deze ontwikkelingen en het voortschrijdende maatschappelijke debat over kernenergie kunnen van invloed zijn op de rol van kernenergie in de energietransitie in de periode na 2030. 3.6 Wat is er nodig? De energietransitie in de gebouwde omgeving is een enorme opgave die alleen slaagt als wordt voldaan aan de juiste randvoorwaarden. De belangrijkste zijn: voldoende draagvlak (en dus betrokkenheid van de
[1] Het gaat daarbij onder andere over: op initiatief van een energiecoöperatie en minimaal 1500m van
grootschalige woningbouw. 40
burger), voldoende capaciteit op het energienet, betaalbaarheid van de transitie (en het voorkomen van ‘energiearmoede’), de beschikbaarheid van voldoende en gekwalificeerde technici en tot slot de veiligheid van al deze nieuwe installaties tijdens aanleg en in gebruik. Verder zijn bij het opstellen van nieuw ruimtelijk beleid en de uitwerking van projecten de algemene regels van ruimtelijke ordening van toepassing. Denk aan een zorgvuldige inpassing met aandacht voor natuur, milieu en ecologie. Participatie en de aanpassing van de energie-infrastructuur komen ook al aan bod in hoofdstuk 2.3 Maatschappelijk draagvlak en participatie. Deze passages gelden ook voor de gebouwde omgeving. 3.6.1 Human Capital De energietransitie vergt een enorme inzet van goedopgeleide vakkrachten. De menskant is zeker zo belangrijk als de beschikbaarheid van middelen en technologie. Om over voldoende vakkrachten te beschikken werken de overheden, onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven in Flevoland samen met diverse partners buiten Flevoland (regio Zwolle, de Metropoolregio Amsterdam en regio Harderwijk). Daarnaast lopen er in Flevoland zelf ook allerlei initiatieven21 gericht op de instroom en het behoud van technici. Het bedrijfsleven, onderwijs en overheden in Flevoland werken daarbij nauw samen rond drie thema’s: kiezen, leren en werken.
Kiezen voor techniek Om kinderen in het basisonderwijs op een onderzoekende en uitdagende manier kennis te laten maken met techniek werken bedrijfsleven, onderwijs en overheid samen in de Publiek-Private Samenwerking Talentontwikkeling met Wetenschap en Technologie. Op alle scholen in het voortgezet onderwijs wordt met de extra financiële middelen voor Sterk Techniekonderwijs gewerkt aan de professionalisering van de techniekdocenten, techniekonderwijs dat aansluit op de ontwikkelingen in het bedrijfsleven, hybride leeromgevingen en docenten en het vergroten van de instroom in de techniekopleidingen van het mbo en hbo. Daarnaast zijn er vijf Technasia in Flevoland, waar leerlingen als onderdeel van het lesprogramma aan concrete technische vraagstukken werken. Leren voor een baan in de techniek Binnen Flevoland is een breed aanbod aan techniekopleidingen. De ROC’s in Flevoland werken nauw samen met het bedrijfsleven, de brancheorganisaties en andere onderwijsinstellingen. Ook organiseren de ROC’s jaarlijks verschillende activiteiten om de instroom te vergroten, zoals bijvoorbeeld de Week van de Techniek. In 2020 heeft het ROC van Flevoland het techniekonderwijs vernieuwd en is gestart met
21 Er is een interactieve visual in de maak, waarin alle lopen activiteiten in Flevoland opgenomen worden
41
toekomstgericht techniekonderwijs. De praktijkopdrachten zijn samen met het bedrijfsleven ontwikkeld volgens de nieuwste kennis en inzichten. ROC Friese Poort heeft in 2020 een specifieke doorgaande leerlijn vmbo-mbo ontwikkeld voor de Koudetechniek. Hogeschool Windesheim (Almere) heeft naast een brede bacheloropleiding Engineering en een bachelor Bouwkunde inmiddels ook een tweejarige Associate Degree Bouwkunde. Werken in de techniek Eind 202022 is een onderzoek opgeleverd naar het aantal banen dat in Flevoland zal ontstaan door de investeringen in de energietransitie en duurzaamheid. Op basis van de beschikbare cijfers is berekend dat er jaarlijks tussen de 900 en 1600 banen zullen ontstaan. Om hier oplossingen voor te vinden is in Flevoland in februari 2021 een Sectortafel Techniek23 gevormd. De Sectortafel Techniek bespreekt de ontwikkelingen in de sector en op de Flevolandse arbeidsmarkt en geeft aan welke activiteiten nodig zijn. De Sectortafel sluit daarbij aan op wat er al loopt en vult de ‘witte vlekken’ in. Een witte vlek In Flevoland zijn van-werk-naar-werk trajecten: mensen uit andere sectoren naar de technieksector toeleiden.
Daarvoor is inmiddels een plan opgesteld en in maart 2021 starten de eerste 25 werkzoekenden uit andere sectoren met een oriëntatie en verdiepingsmodule om kennis te maken met techniek en vast te stellen of een overstap naar techniek mogelijk is. De komende periode zal de Sectortafel ook andere witte vlekken uitwerken naar concrete plannen. 3.6.2 Betaalbaarheid We staan aan de vooravond van een duurzame transformatie van de gebouwde omgeving. Er zijn investeringen nodig die door alle inwoners en ondernemers gedragen moeten kunnen worden en niet mogen leiden tot (meer) energiearmoede of liever het verlagen daarvan. In de media wordt aan het onderwerp betaalbaarheid en haalbaarheid veel aandacht gegeven. De zorgen hierover worden ook in Flevoland herkent. Hiervoor is een grote rol weggelegd voor het Rijk. Als samenwerkende partijen in Flevoland blijven we hier aandacht voor vragen voor zowel huurders en woningeigenaren als voor ondernemers. Dit zal met name gaan spelen als de wijkuitvoeringsplannen uit de transitievisies warmte in uitvoering gaan. Deze RES gaat nu voornamelijk om besparen en opwekken. Het is goed te bedenken dat dit ook een sociale opgave is en niet alleen een technische, financiële of bestuurlijke. Participatie en draagvlak zijn onmisbare onderdelen. De transitie in de gebouwde omgeving gaat uit van een wijkgerichte aanpak.
Warmtenetten of verbouwingen worden op wijkniveau, samen met inwoners georganiseerd. Praktijkvoorbeelden tot nu
22 Duurzaamheid en energietransitie in Noord-Holland en Flevoland: gevolgen voor de arbeidsmarkt (SEO, 2020). 23 De sectortafel Techniek bestaat uit vertegenwoordigers van o.a. Techniek NL, Bouwend Nederland, Metaalunie,
Servicepunt Techniek Flevoland, RWF, VNO-NCW, UWV, FNV en de brancheorganisaties.
42
toe tonen aan dat de transitie succesvoller verloopt, naarmate buren in de straat daarbij meer samen en met de (lokale) overheid optrekken. Denk aan het gezamenlijk laten uitvoeren van ingrepen en aan het gezamenlijke bezit van bijvoorbeeld zonnepanelen of een WKO-installatie. Deze transformatie slaagt alleen volledig als iedereen kan meedoen. Daarvoor moet ze uiteindelijk ook voor iedereen betaalbaar zijn. Woonlastenneutraliteit is dan ook een randvoorwaarde. Woonlastenneutraliteit is haalbaar als we de kosten door opschaling, digitalisering en innovatie laten dalen. Betere financieringsregelingen kunnen er bijvoorbeeld voor zorgen dat de maandelijkse lasten van een lening globaal gesproken niet hoger zijn dan de daling van de energierekening. Voor woningen kiezen we voor een aanpak van verleiding en regie via de wijkgerichte aanpak en pilots zoals de Proeftuinen Aardgasvrije Wijken en het project Aardgasvrij Nagele. De ervaringen die we daar opdoen helpen om kostenefficiënt te werken en lasten te verdelen. Zonder dat perspectief kan geen warmtenet worden aangelegd of verhuurders en eigenaren in een wijk aanzetten om te investeren in verduurzaming. Woonlastenneutraliteit is immers een randvoorwaarde.
De Rijksoverheid verkent in samenwerking met de Nederlandse Vereniging van Banken, het Nibud, De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten de ontwikkeling van een methodiek van woonlastenneutraliteit die leidend kan zijn bij het verstrekken van krediet voor verduurzaming. Het idee is om een percentage van het besteedbaar inkomen te bepalen dat huishoudens maximaal kwijt zijn aan energiekosten. In Flevoland zullen we specifiek aandacht besteden aan bepaalde groepen bewoners, denk aan woningeigenaren met een kleine beurs. Dit wordt in komende RES’en nader uitgewerkt. Samen met corporaties, huurdersverenigingen en de Woonbond worden afspraken gemaakt over het borgen van woonlastenneutraliteit voor huurders. Met het oog op draagvlak voor warmtenetten streven de betrokken partijen (lokaal) naar een goede facilitering van inwoners bij de overstap van aardgas naar warmtenet en elektrisch koken. Vertaling Klimaatakkoord Flevoland onderzoekt welke waarborgen het openbaar bestuur heeft om de betaalbaarheid voor Flevolanders te garanderen. Hierbij wordt vanzelfsprekend ook de input van de landelijke Participatiecoalitie betrokken (samenwerkende partijen waaronder de natuur- en milieufederaties die in Flevoland actief zijn). Berekeningen laten zien dat de kosten die de transitie met zich meebrengt opwegen tegen de baten24.
Het is dus van groot belang om ervoor te zorgen dat die kosten en baten ook
24 Economische effecten van de energietransitie in Flevoland, E&E Advies, januari 2020
43
eerlijk worden verdeeld en kansen voor meer werkgelegenheid verzilverd worden. Hierover is binnen de Human Capital (hoofdstuk 3.6.1) meer over aangegeven.
44
Verkenning van nieuwe mogelijkheden
4 Wat kunnen we nog meer doen? De Klimaatwet noemt 2030 een tussenstation om te komen tot een CO² neutrale leefomgeving. Kunnen we in Flevoland meer doen dan de opgave die we al voor onze rekening nemen? En zo ja: willen we dat ook? Om die vraag te beantwoorden onderzoeken we welke potentie er is om in de toekomst meer te doen dan we al doen. We voorzien namelijk een stijgende vraag naar hernieuwbare energie na 2030. Hierop willen we voorbereid zijn. Daarbij gaat het vooral om het verkennen van de mogelijkheden om meer duurzame energie op te wekken en de randvoorwaarden waaronder dit wenselijk is. Hierover nemen we nu dus nog geen besluiten; deze verkenning zien we als een voorbereiding voor het maken van een eventuele uitvoeringsagenda in een volgende RES. 4.1 Potentie Flevoland heeft in de ogen van velen nog veel ruimte die we kunnen benutten voor de energietransitie. We doen echter al veel en we koesteren bovendien ook onze landschappelijke en natuurlijke waarden. De huidige plannen hebben al veel impact. In dat licht is het begrijpelijk dat er ook weerstand is tegen grootschalige opstellingen van zon en wind. Als we een grotere inspanning verrichten, moet deze ook direct voordeel hebben voor de regio. De regio onderzoekt graag wat er nog meer mogelijk is na 2030, op weg naar 2050. Het huidige bod is de ondergrens, maar het is zeker voorstelbaar dat er een bovengrens is.
Daarbij zijn vijf aspecten die we tegen het licht houden: de technische mogelijkheden, de ruimtelijke inpassing, de landschappelijke inpassing, de economische haalbaarheid en het maatschappelijk draagvlak. Hierin wordt ook het IJsselmeer betrokken, waarbij vele belangen gelden, bijvoorbeeld de IJsselmeervisserij, recreatie, ecologie en beroepsvaart. Hier lijkt potentie te zijn voor grootschalige hernieuwbare opwek, met name zon. Het IJsselmeer is echter ook een kwetsbaar gebied dat veel andere functies heeft. In de Energieverkenning IJsselmeer staat waar er mogelijkheden zijn voor energieopwek. Vooralsnog geldt er terughoudendheid als het gaat om het IJsselmeer en Markermeer. Dat sluit echter niet uit dat mogelijkheden zijn voor duurzame energiewinning in het gebied. Er is echter nader onderzoek nodig voordat hierover uitspraken kunnen worden gedaan. Binnen en buiten de regio (ook bij andere RES’en) leven verschillende opvattingen over energieproductie in dit gebied. Naast de energieopgaven spelen ook andere ruimteclaims op het gebied van woningbouw en natuurontwikkeling. Deze zullen op elkaar afgestemd moeten worden.
45
4.1.1 Onderzoek ruimtelijke potentie In het voorjaar van 2020 stemden alle overheidsbesturen in Flevoland in met het starten van een proces om de ruimtelijke potentie van Flevoland voor de (extra) opwek van alternatieve duurzame energie te verkennen. Dit proces kent geen concreet tijdpad. De komende RES’en moeten echter wel inzicht geven in de voortgang van dit proces. We schuiven in Nederland steeds meer op van fossiele naar duurzame energie. Energie-opwek is daarmee een terugkerend onderwerp op de politiek-bestuurlijke agenda’s. De opgave behelst een onderzoek naar de ruimtelijke mogelijkheden van opwek voor hernieuwbare energie met wind, zon en andere duurzame energiebronnen. Deze opwekmogelijkheden vinden we zowel op het land als op het water. Aan dit proces kunnen alle denkbare belanghebbenden deelnemen. De bouwsteen ruimtelijke potentie geeft invulling aan deze opgave. De verkenning maken we visueel in de vorm van een kaart van het RES-gebied, in de RES 2.0. De kaart laat zien waar (onder voorwaarden) hernieuwbare energieproductie mogelijk is. Het gaat enkel om een technische analyse van kansen en bedreigingen. Deze analyse vormt de basis voor scenario’s waarin ook de overige omgevingsaspecten worden gewogen voor het maken van politieke beleidskeuzes.
Voor alle duidelijkheid: de scenario’s zelf vormen geen beleidsvoorstellen, maar geven inzicht in het effect van bepaalde keuzes. Participatie Participatie wordt in dit zoekproces ingebed. Dit vergt een aantal voorbereidende activiteiten. Deze zijn bedoeld om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de huidige situatie van beleid en regelgeving in Flevoland. En de mogelijke deelnemers die de volgende groepen representeren: (jonge) inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties, energiecorporaties, landelijke belangenorganisaties, partijen uit het IJsselmeergebied en Flevolandse overheden. Ook vindt er periodiek overleg plaats met de naastgelegen RES-gebieden en RWS, in het kader van kennisuitwisseling en afstemming van visie en afstemming van projecten met interregionaal effect. Aanvullend op het onderzoek naar de ruimtelijke potentie in brede zin is er voor een aantal energievormen specifieke zaken die we hierna beschrijven. 4.2 Windenergie Het bestaande beleid voor wind loopt tot 2030. Dit beleid – waarin verouderde turbines plaatsmaken voor nieuwe turbines die meer opwekken – komt tegemoet aan de technologische, economische en maatschappelijke ontwikkelingen rondom windturbines. Als dit beleid in 2030 is gerealiseerd, is de energietransitie echter niet voltooid.
46
In het onderzoek naar de potentie, zoals hiervoor beschreven, wordt daarom zowel gekeken naar wat er nog mogelijk is om het bestaande beleid aan te passen, als naar de potentie van de gehele regio na 2030. Bovendien willen een aantal Flevolandse gemeenten ook onderzoek doen naar de mogelijkheden van kleinschalige windinstallaties (die niet hoger komen dan 20 meter) in het stedelijk en landelijk gebied. Uiteraard binnen de mogelijkheden van het ruimtelijke beeld en rekening houdend met de karakteristieke eigenschappen van het Flevolandse landschap 4.3 Grootschalige Zon-PV In de bestaande Structuurvisie Zon is ruimte voor 1.000 hectare, met als streven dit in 2025 gerealiseerd te hebben. Dit provinciale beleid biedt echter niet voldoende ruimte voor alle lokale ambities voor zon op land. De lokale ambities worden duidelijk in het gemeentelijk beleid. De gemeenten Noordoostpolder, Zeewolde en Dronten hebben inmiddels beleid vastgesteld voor zonne-initiatieven. In Lelystad wordt dit beleid naar verwachting op korte termijn behandeld. Almere en Urk werken vooralsnog met maatwerkbeoordelingen. 4.3.1 Zonneparken op water Zonneparken op water kunnen we onderverdelen in parken op binnenwateren, op randmeren en op het IJsselmeer en Markermeer. De binnendijkse wateren in het buitengebied vallen binnen het werkingsgebied van de Structuurvisie Zon.
Daarmee is de potentie van deze binnenwateren meegenomen in het RES-bod voor zon op land. Mogelijke projecten op deze binnenwateren vallen dan ook binnen de vrijgemaakte 1.000 hectare. De binnenwateren in stedelijk gebied zijn daarentegen nog niet meegenomen in het RES-bod. Als er projecten op de stedelijke binnenwateren komen, verwerken we deze in een volgende versie van de RES. Voor zon op water geldt dat er nog veel onzekerheid is over de invloed op de biodiversiteit, waterkwaliteit, landschappelijke inpassing, het watersysteem op de lange termijn en de effecten voor de IJsselmeervisserij. Daarom zijn nadere onderzoeken en pilotprojecten belangrijk. We kunnen de potentie van de Flevolandse wateren om zonne-energie op te wekken dan beter inschatten. Daarin worden in Flevoland al stappen gezet. Voor IJsseloog in het Ketelmeer vindt er in het kader van het eerdergenoemde pilotprogramma ‘Hernieuwbare energie op rijksgrond’ een verkenning plaats. Er zijn verdiepende gesprekken met de betrokken partners en omliggende regio’s nodig om de werkelijke potentie van de opwekking van zonneenergie op de randmeren in te schatten. Ook het IJsselmeer en Markermeer bieden kansen voor grootschalige zon-PV, zoals al eerder is genoemd. Ook daarover is nog onvoldoende bekend voor een degelijke onderbouwing van de potentie.
47
Er lopen inmiddels verkennende gesprekken over het houden van een pilotproject, bijvoorbeeld bij de Máximacentrale en langs de Westermeerdijk in Noordoostpolder, zodat er een betere inschatting gemaakt kan worden. Het Waterschap Zuiderzeeland en Rijkswaterstaat zijn betrokken bij eventuele toekomstige zonprojecten op water. Denk daarbij aan het stellen van voorwaarden via de watertoets of het verlenen van een aparte watervergunning. In dat kader is het waterschap betrokken bij een onderzoek dat leidt tot een aantal principes op basis waarvan aanvragen voor projecten voor zon op water beoordeeld kunnen worden. De randmeren zijn natuurgebieden met een Natura 2000-status. Er lopen vaarroutes doorheen en er wordt intensief gerecreëerd, functies die minder goed lijken te combineren met het opwekken van energie. Op korte termijn lijkt het opwekken van zon op de randmeren om die redenen niet haalbaar. 4.4 Innovaties en ontwikkelingen Nieuwe technieken en innovaties kunnen de energietransitie in een stroomversnelling brengen. Veel ontwikkelingen vinden bovenregionaal plaats. Het is voor Flevoland van belang deze ontwikkelingen te volgen en er gebruik van te maken. We hebben als Flevoland echter ook expertise in huis. Zo heeft Flevoland met ACCRES (onderdeel van Wageningen University & Research) een onderzoekscentrum op het gebied van hernieuwbare energie en duurzaamheid.
In dat kader vinden gesprekken plaats met diverse partijen over proefopstellingen met zon-PV op water. Ook zijn er mogelijkheden voor verplaatsbare zonopstellingen, opslag, waterstof en worden andere ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld smart grid gevolgd. Een andere nieuwe ontwikkeling: het Waterschap Zuiderzeeland heeft met vijf afvalwaterzuiveringen een bron van biomassa in beheer en wil de biogasproductie de komende jaren verhogen. De zuiveringen in Tollebeek en Dronten produceren al ruim 2,2 miljoen Nm3 biogas. Het waterschap verkent of dit met een gistingsinstallatie in Almere met nog eens 3 tot 4 miljoen Nm3 verhoogd kan worden. Het omzetten van biogas naar groen gas (gas dat in het bestaande netwerk ingepast kan worden) biedt kansen om het gebruik van fossiele brandstof verder terug te dringen. 4.4.1 Opslag Voor een aanzienlijk deel gaan we in Flevoland onze elektriciteit opwekken met wind- en zonne-energie. Deze bronnen hebben als nadeel dat opslag – in vergelijking met fossiele bronnen – moeilijker is. Op termijn is opslag echter wel gewenst gezien het grillige opwekpatroon. Opslag heeft dan ook onze aandacht. Er zijn al voorbeelden van opslag van elektriciteit in onze provincie (batterijen en waterstof).
48
Voor een analyse van de benodigde opslag is inzicht in de elektriciteitsvraag in 2030 nodig wat door Liander onderzocht; door elektrische auto’s, omschakeling op elektriciteit door de industrie en het grootschalig gebruik van warmtepompen in de gebouwde omgeving zal dit beeld afwijken van het huidige beeld. De vraag leggen we naast het aanbod (voornamelijk wind- en zonne-energie). Vraag en aanbod wordt vergeleken op de verschillende tijdsschalen (dag en nacht, per week en op jaarbasis). Zo krijgen we inzicht in de vorm van opslag die het meest geschikt is voor onze regio. We inventariseren de verschillende vormen van opslag die ingezet kunnen worden. Daarnaast verwachten we een grotere rol van de benodigde energiehuishouding (afstemmen vraag/aanbod) bij de sturing op de planning van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De resultaten van dit onderzoek zullen in de volgende res opgenomen worden. 4.4.2 Waterstof Waterstof kan dienen als grondstof en energiedrager en kan duurzaam geproduceerd worden. Waterstof is een gas dat van nature niet op aarde voorkomt; het moet geproduceerd worden, wat veel energie kost. Dat kan op duurzame wijze door elektrolyse met duurzaam geproduceerde elektriciteit. Dan spreken we van groene waterstof. Voor het ontwikkelen van waterstof waardeketens bestaan in Flevoland verschillende initiatieven.
Een voorbeeld is een projectplan uit Almere voor een waterstof tractor. Verder ontwikkelt de vestiging van de Universiteit Wageningen (WUR) in Lelystad een CO2-neutrale huisvesting die verwarmd wordt door waterstof. De potentie van deze initiatieven is nog lastig in te schatten. De uitvoering van dit soort projecten vergt grote investeringen. Naast de verdere ontwikkeling van de Flevolandse waterstofinitiatieven, is het belangrijk dat we de (inter)nationale ontwikkelingen blijven volgen. Gezien de mogelijke potentie van waterstof is het voor de regio van belang een regionale visie op waterstof te ontwikkelen voor een komende RES.
49
5 Hoe gaan we het doen? Deze RES is het product van een intensieve regionale samenwerking tussen overheden, maatschappelijke partners en het bedrijfsleven in Flevoland om te komen tot een gedragen RES. Deze samenwerking op het gebied van duurzame energie is echter ouder dan de RES zelf. Met de Flevolandse Energieagenda (FEA) verbonden de partners zich al in 2018 aan de landelijke ambitie van een CO2-neutrale energievoorziening in 2050. In Bijlage 5 kunt u teruglezen op welke wijze deze RES tot stand is gekomen. Op www.fea.nl vindt u de samenstelling van de verschillende gremia. In de Startnotitie wordt uitgebreid ingegaan op de wijze van samenwerking en inrichting van het proces van de RES Flevoland. In dit hoofdstuk worden daarvan een aantal relevante aspecten belicht. 5.1 RES Flevoland: maatschappelijke en bestuurlijke samenwerking De energietransitie kan alleen slagen als er ook maatschappelijk draagvlak voor is. In Flevoland wordt daarbij voortgebouwd op het netwerk dat met de Flevolandse Energie Agenda (FEA) in Flevoland al aanwezig is. Om te kunnen schakelen tussen bestuurlijke en maatschappelijke partijen die betrokken zijn bij de RES Flevoland is er een Adviesraad. Deze ‘Adviesraad RES Flevoland’ heeft een zwaarwegende adviesrol en komt periodiek bijeen. De Adviesraad bestaat uit de bestuurders duurzaamheid van provincie, gemeenten en waterschap.
De Adviesraad wordt verder aangevuld met vertegenwoordigers van de netbeheerders, woningcorporaties, Natuur- en Milieufederatie Flevoland, energie coöperaties en het bedrijfsleven. Governance RES Flevoland [afbeelden schema met actualisatie, p. 49] Het Netwerk Flevolandse Energieagenda is betrokken bij het RES-proces. In het Netwerk Flevolandse Energieagenda doen alle relevante maatschappelijke partners en marktpartijen mee die zich bezighouden met de energietransitie. Voor het klankborden van de RES komt het netwerk twee keer per jaar bij elkaar. Daarnaast blijft het Netwerk FEA bijeenkom sten voor kennisdeling en inspiratie organiseren. Daardoor worden goed lopende Flevolandse initiatieven binnen de provincie breder bekend.
50
In een aparte bouwsteen wordt aandacht besteed aan participatie. Deze adviseert over de maatschappelijke betrokkenheid van de RES Flevoland. De werkgroep beziet op welke manier participatie kan worden ingezet en welke vorm het effectiefst is (zie ook hoofdstuk 2.3.3 ‘Wat doen we: maatschappelijke draagvlak en participatie’). 5.2 Democratische borging In de RES Flevoland werken betrokken maatschappelijke partners zo goed mogelijk samen, waarbij besluiten democratisch gelegitimeerd moeten zijn. Deze democratische legitimatie is in de RES op verschillende manieren geborgd. Er is een ‘governance’ opgesteld, waarin is vastgelegd dat de wethouders gedeputeerde en heemraad duurzaamheid deel uit maken van het Portefeuillehoudersoverleg RES en de Adviesraad RES. Deze worden beiden voorgezeten door de gedeputeerde duurzaamheid. Gezamenlijk dragen zij de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de RES Flevoland. Daarbij zorgen zij ervoor dat hun eigen volksvertegenwoordigers (in gemeenteraden, Algemene Vergadering en Provinciale Staten) via de voor hen reguliere wijze aangesloten blijven op het RESproces. In hoofdstuk 2.3.2 staat wat hierop aanvullend wordt georganiseerd. De verschillende gemeenteraden, Algemene Vergadering en Provinciale Staten moeten het RES bod 1.0 vaststellen en de daarop volgende RES biedingen.
5.3 Organisatie RES Flevoland De doelstellingen van het RES-proces om te komen tot de RES biedingen zijn ambitieus en vragen een strakke planning en organisatie. Naar analogie van de organisatie van het Nationaal Programma RES is door de Flevolandse overheden een samenwerkingsovereenkomst aangegaan en op basis daarvan is een programmabureau opgericht. In eerste instantie is dit bureau voor drie jaar opgericht. Na deze periode wordt de organisatie geëvalueerd. Bij het opstellen van de Startnotitie en RES is voor de RES Flevoland geleund op de inzet van de verschillende deelnemende partijen. Benodigde coördinatie is door de provincie gefinancierd. Met het programmabureau is die manier van werken verankerd. Uitgangspunt blijft een zo efficiënt mogelijke organisatie die de verschillende partners verbindt. Rol- en taakbeschrijving Hieronder worden de organisatie en de diverse rollen nader toegelicht: Bestuurlijke opdrachtgevers
51
De leden van de PFO RES dragen de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de RES Flevoland. Daarmee zijn ze ook de bestuurlijke opdrachtgevers van het Programmateam RES Flevoland, dat bestaat uit een Kerngroep RES en een RES-staf. Kerngroep RES De Kerngroep vormt het hart van het programmabureau van de RES Flevoland. De Kerngroep bestaat uit de programmamanager RES, de programmasecretaris RES, de ambtelijk trekker Energietransitie van de provincie en, namens alle gemeenten, de ambtelijk trekker Energietransitie van één van de gemeenten. Deze kerngroep komt wekelijks bijeen. De rollen en taken van de kerngroepleden zijn als volgt:
Programmamanagement RES: procesbewaking van het gehele RES–proces in Flevoland. Bewaking van deadlines en coördinatie binnen de regio. Nadrukkelijk oog voor het bestuurlijke proces in de RES Flevoland. Contactpersoon voor het Nationaal Programma RES.
Energietransitie Provincie ambtelijk trekker: opdrachtgeverschap van de projectleiding RES
(in samenwerking met de gemeenten). Verbinding met ambtelijke provinciale organisatie.
Energietransitie Gemeenten ambtelijk trekker: opdrachtgeverschap voor projectleiding RES
(in samenwerking met de provincie). Verbinding met gemeenten en het waterschap. Onderhoudt de contacten met de ambtenaren duurzaamheid van de gemeenten en het waterschap in de regio Flevoland.
Het kernteam wordt secretarieel ondersteund door een RES-staf. Verder is de staf belast met het uitzetten van de benodigde monitoring en communicatie over de RES. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan een pers- bericht na besluitvorming over de RES. Werkgroep RES Ieder lid van de Adviesraad RES wordt ‘ambtelijk’ ondersteund vanuit de eigen organisatie. De ambtelijke ondersteuning vormt gezamenlijk de Werkgroep RES. Lidmaatschap van de ambtelijke werkgroep vraagt een behoorlijk tijdsbeslag. De inzet heeft met name betrekking op het advies/besluitvormingsproces en bestaat uit: •Deelname aan het maandelijks overleg •Voorbereiding van en vervolgacties naar aanleiding van het overleg •Annoteren richting bestuurder •Informatievoorziening richting eigen organisatie •Coördinatie RES-acties in eigen organisatie
52
Bouwsteengroepen De RES Flevoland wordt van onderop gedragen door bouwsteengroepen. Deze RES 1.0 is tot stand gekomen op basis van de inbreng uit deze groepen. De inzet was en blijft verschillend. Over sommige onderwerpen bestonden al ver uitgewerkte beleids- plannen, die nu een plek hebben gekregen in deze RES 1.0. Andere onderwerpen vragen nog nadere uitwerking, waarbij vaak pas potentie wordt gezien op de langere termijn. 5.4 Monitoring Monitoring is een noodzakelijk middel om de voortgang van de afspraken die we binnen de RES Flevoland maken in kaart te brengen. Het is daarbij van belang dat regio’s zoveel mogelijk dezelfde indicatoren en data gebruiken, zodat de cijfers binnen de RES-en goed optelbaar en vergelijkbaar blijven. Om dat voor elkaar te krijgen, sluiten we aan bij landelijke monitoringsafspraken en -producten wanneer deze gemaakt worden of beschikbaar komen, bijvoorbeeld vanuit het NPRES of het Planbureau voor de Leefomgeving. We komen daarbij tot de volgende uitgangspunten voor monitoring:
Waar mogelijk sluiten we als regio aan op landelijke indicatoren en afspraken, met het oog op vergelijkbaarheid en optelbaarheid;
De uitvoering van de monitoring (dat wil zeggen het verzamelen van data en het rapporteren) van de RES Flevoland ligt bij het RES Flevoland programmabureau i.o.
Vanuit de regio willen we, vooruitlopend op de genoemde landelijke ontwikkelingen, zelf al onze voortgang gaan monitoren. Voor de komende periode maken we daarom als regio minimaal de volgende landelijk beschikbare informatie inzichtelijk voor Flevoland: •
Emissie van broeikasgassen volgens het Klimaatakkoord
•
Geproduceerde hernieuwbare energie
•
Verbruik
Hiermee geven we inzicht in de onderwerpen elektriciteit, gebouwde omgeving en uitstoot van broeikasgassen. In bijlage 6 is een monitoringsraamwerk opgenomen waarin de genoemde indicatoren rond deze onderwerpen nader zijn gespecificeerd en uitgewerkt. Ook is een beknopte nulmeting opgenomen. Als toevoeging op landelijk beschikbare informatie, willen we als regio zelf ook informatie gaan verzamelen over een aantal onderwerpen. Het gaat daarbij in ieder geval om het monitoren van