CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bestemmingsplan Marktweg Hem versie vastgesteld (2021-02)

Gemeenteraad 22 maart 2021, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Marktweg Hem (2021-02)28.405 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Gebleken is dat bestaande bedrijfswoningen aan de Koggeweg (eveneens gelegen op het bedrijventerrein) van belang zijn bij het antwoord op de vraag of de nieuwe woningen op het terrein Besseling een beperkende werking hebben voor bestaande bedrijven of vestigingsmogelijkheden. Bedrijfswoningen zijn eveneens geluidgevoelig, maar vanwege de binding met het bedrijf kan een hogere

54

geluidbelasting aanvaardbaar worden geacht te zijn. Uitgangspunt is dat LAr,LT tot en met 55 dB(A), dat is 5 dB(A) hoger dan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, aanvaardbaar is voor dergelijke woningen. Uit de resultaten blijkt dat indien wordt uitgegaan van bedrijven tot en met milieucategorie 4.2 (conform bestemmingsplan) een geluidbelasting op kan treden tot 70 dB(A) etmaalwaarde op de gevels van bedrijfswoningen aan de Koggeweg. Dit gegeven bevestigt dat deze woning (Koggeweg 55) maatgevend is en bepalender is voor gebruiksmogelijkheden van de kavels op het bedrijventerrein. Vervolgens blijkt uit de rekenresultaten voor de reële invulling van het bedrijventerrein dat in deze situatie ter plaatse van de gevels van woningen in het plangebied ten hoogste 39 dB(A) etmaalwaarde is berekend. Hiermee is voldaan aan de normstelling voor 'rustige woonwijk'. Tegelijkertijd is ook ter plaatse van de bedrijfswoning sprake van een aanvaardbare geluidbelasting van ten hoogste 54 dB(A) etmaalwaarde. Echter, hogere geluidemissie van kavels op het bedrijventerrein ligt niet voor de hand, want daarmee ontstaat een onaanvaardbare geluidbelasting op de maatgevende bedrijfswoning Koggeweg 55.

Op basis van het voorgaande is aangetoond dat de nieuwe woningen geen beperkende werking hebben op de reguliere bedrijfsvoering van bedrijven op bedrijventerrein Zuiderkogge en dat het woon- en leefklimaat in het plangebied geborgd is.

Overige bedrijvigheid Zowel de hondensportvereniging, de sportfaciliteiten als de brandweerkazerne vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierin zijn bepaalde geluiden uitgezonderd van beoordeling, zoals menselijk stemgeluid en maximale geluidniveaus als gevolg van het uitrukken van brandweervoertuigen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in het akoestisch onderzoek wel rekening gehouden met deze geluiden.

In het rekenmodel zijn het LAr,LT, LAmax en LAeq als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie van de hondensportvereniging berekend ter plaatse van de gevels van de nieuwe woningen. Conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 is voor blaffende honden een impulstoeslag van +5 dB toegepast op de berekende LAr,LT. De berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en equivalente geluidniveaus vanwege verkeer van en naar de inrichting voldoen aan de normstelling voor woonomgeving 'rustige woonwijk'. De berekende maximale geluidniveaus bedragen ten hoogste 62 dB(A) in de dagperiode en voldoen ook aan deze normstelling. In de avondperiode leidt blafgeluid tot een LAmax van 65 dB(A). Dit LAmax voldoet wel aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, waar de hondensportvereniging aan moet voldoen. In dit kader gelden geluidpieken tot en met 65 dB(A) in de avondperiode als aanvaardbaar. Hiermee is aangetoond dat, gelet op maximale geluidniveaus vanwege het blaffen, in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Verder geldt dat bestaande woningen aan de Veilingstraat zich op kleinere afstand van de hondensportvereniging bevinden dan de woningen in het plangebied. Er gaat daarom geen beperkende werking van het plan uit voor reguliere bedrijfsvoering van de hondensportvereniging.

Als gevolg van het parkeerterrein voor de sportfaciliteiten zijn op de gevels van de nieuwe woningen geluidbelastingen (LAr,LT) van 36 dB(A) in de dagperiode en 38 dB(A) in de avondperiode berekend. De geluidbelasting is daarmee lager dan de normstelling voor 'rustige woonwijk'. De geluidpieken die optreden in de representatieve bedrijfssituatie, namelijk het dichtslaan van autoportieren, bedragen ten

55

hoogste 53 dB(A) in de dagperiode en 56 dB(A) in de avondperiode. De rekenresultaten voldoen aan de normstelling voor woonomgeving 'rustige woonwijk'. Het woon- en leefklimaat in het plangebied is hiermee geborgd wat betreft geluid van het parkeerterrein en aangetoond is dat de nieuwe woningen geen beperkende werking hebben op de reguliere bedrijfsvoering van het gebruik van het parkeerterrein.

Bij de rekenresultaten voor de representatieve bedrijfssituatie van de brandweerkazerne is steeds ingegaan op de geluidbelasting met en zonder het gebruik van akoestische signalering. Conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 is voor de akoestische signalering een toeslag voor tonaal geluid van +5 dB toegepast op de berekende LAr,LT. De activiteiten van de brandweerkazerne veroorzaken relevante geluidbelasting op het plangebied. Op basis van de gehanteerde representatieve bedrijfssituatie is veelal wel voldaan aan de normstelling voor 'rustige woonwijk' indien akoestische signalering buiten beschouwing blijft. Hogere geluidbelastingen zijn echter ook berekend, indien wel rekening wordt gehouden met akoestische signalering. Hierbij moet opgemerkt worden dat de bedrijfssituatie van een (vrijwillige) brandweerkazerne in zekere mate variabel is. In de dagelijkse gang van zaken is een bedrijfssituatie te verwachten van nauwelijks activiteiten tot de gehanteerde representatieve bedrijfssituatie (worst-case). De situering van de kazerne aan een relatief rustige weg is geschikt gemaakt voor uitruksituaties met brede zichtlijnen om vlot weg te kunnen rijden. Onderhavig plan verandert deze situering niet.

Bovendien blijkt uit onderzoek (Rapport 'Het gebruik van optische en geluidssignalen in de nacht', Instituut Fysieke Veiligheid, 2018) dat 's nachts bij het uitrukken veelal zonder akoestische signalering wordt weggereden om slaapverstoring van omwonenden te beperken. Verder noemt het onderzoek dat 90% van omwonenden het wakker worden vanwege hulpdiensten die uitrukken niet vervelend of hinderlijk vindt. Dit, in combinatie met het gegeven dat toekomstige bewoners van de nieuwe woningen op de hoogte zijn van de aanwezigheid van de kazerne en de bijbehorende activiteiten, leidt tot de conclusie dat het woon- en leefklimaat in het plangebied voldoende geborgd is. Evenmin is een beperkende werking op de reguliere bedrijfsvoering van de brandweerkazerne te verwachten, omdat geluiden vanwege het uitrukken gedeeltelijk uitgezonderd zijn van toetsing.

5.7.3

Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai en industrielawaai vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Een goed akoestisch binnenklimaat wordt door maatregelen aan de woning gewaarborgd. Overige geluidsaspecten, zoals spoorweglawaai en/of vliegtuiglawaai, zijn voor het onderhavige plan niet van toepassing.

5.8

Kabels en leidingen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's.

Deze zijn in het plangebied niet aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

56

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1

Wet- en regelgeving

De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. Gelijktijdig met het in werking treden van de nieuwe Wet luchtkwaliteit is de AMvB 'Niet in betekende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling 'niet in betekende mate' (Regeling NIBM) in werking getreden. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2.

Projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn onder andere: Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen; Bepaalde landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen . Bovenstaande projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

5.9.2

Situatie plangebied

In het plangebied wordt de bouw van maximaal 34 woningen mogelijk gemaakt. Het valt daarmee onder de projecten die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen). Er is geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzicht gegeven in de luchtkwaliteit binnen het plangebied. In het bestemmingsplan 'Drechterland Zuid' is de luchtkwaliteit in de omgeving beschreven. Hierin wordt geconcludeerd dat er binnen de gemeente geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden voor fijn stof (PM10), stikstofdioxide (NO2) , benzeen en koolstofmonoxide. Ook uit de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) - een webapplicatie die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort - blijkt dat direct langs de maatgevende wegen ruimschoots aan de grenswaarden uit de Wlk wordt voldaan. Op de kaart van de luchtkwaliteit van het RIVM (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat het plangebied binnen de grenswaarden blijft. De luchtkwaliteit zal in de komende jaren verbeteren door het effect van maatregelen die met name op rijksniveau zijn doorgevoerd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan schonere auto’s, verplichten van roetfilters op vrachtwagens en nieuwe auto’s en het stellen van strengere eisen aan de industrie.

Er is uit het oogpunt van luchtkwaliteit dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.9.3

Conclusie

Het onderhavige bouwplan voldoet aan de Wet luchtkwaliteit en er zijn op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten.

57

5.10

Water

5.10.1 Wet- en regelgeving Sinds 1 november 2003 is de watertoets een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan. Het doel van het watertoetsproces is om in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te houden met water in ruimtelijke plannen en besluiten. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. Hierbij wordt het waterneutraal principe gehanteerd. Concreet houdt dit in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, er maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten op te kunnen heffen. Uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied. Daarnaast is er het Deltaprogramma 2015: Nederland veilig en leefbaar in de 21e eeuw, een nationaal programma met beslissingen en strategieën die Nederland de komende decennia moeten beschermen tegen hoogwater en moeten zorgen voor voldoende zoetwater. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gaan aan de slag om Nederland robuuster in te richten en de extremen van het klimaat veerkrachtig op te vangen.

Voor nieuwbouw is hierbij van belang het punt ruimtelijke inrichting: alle overheden gaan gezamenlijk en systematisch aan het werk om de bebouwde omgeving bij (her)ontwikkeling beter bestand te maken tegen hitte, droogte, wateroverlast en eventuele overstromingen. Dit betekent steden en dorpen waterbestendig inrichten en het water waar nodig de ruimte te geven. In 2050 moet heel Nederland meer klimaatbestendig zijn ingericht.

5.10.2 Situatie plangebied Verantwoordelijk voor het waterbeheer in het plangebied is Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het Hoogheemraadschap heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen Voor het opstellen van het bestemmingsplan de watertoets ingevuld (d.d. 2 oktober 2019, bijlage 8). Hierbij is aangegeven dat de normale procedure doorlopen moet worden.

Watercompensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. Om deze effecten, zoals versnelde waterafvoer, te nivelleren dient nieuw verhard oppervlak gecompenseerd te worden door extra wateroppervlak, berekend op basis van de toename van het verharde oppervlak. De berekening van de watercompensatie is:

Bestaande situatie:

58

Bebouwing

1.589 m²

Infrastructuur

6.662 m²

Totaal

8.251 m²

Nieuwe situatie Bebouwing

2.929 m²

50% resterend uitgeefbare kavel

2.958 m²

Infrastructuur

4.159 m²

Totaal

10.046 m²

Er is sprake van een toename van de verharding met 1.795 m². Er moeten daarvoor compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Het beleid van het HHNK geeft aan dat bij een verhardingstoename onder 2.000 m² er 10% van de toename gecompenseerd moet worden door het realiseren van nieuw oppervlakte water. Voor het plangebied betekent dit dat er minimaal 180 m² aan waterberging toegevoegd moet worden in het peilgebied 6090-2. De locatie van de watercompensatie is afhankelijk van de toekomst van de overhaal die nu aanwezig is in de watergang aan de zuidkant van het plangebied. Er is daarom met het HHNK afgesproken dat de locatie van de watercompensatie op een later moment nader bepaald wordt. Afhankelijk van het in stand houden van de overhaal is dit ofwel binnen het plangebied ofwel elders, maar binnen het peilgebied 6090-2. Om het plan verder niet te vertragen kan een watervergunning worden aangevraagd voor het aanbrengen van de verhardingstoename. In deze watervergunning wordt opgenomen dat binnen 2 jaar na realisatie van de verhardingstoename de watercompensatie moet zijn aangelegd.

De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Regenwater van schoon verhard oppervlak kan geloosd worden op het oppervlaktewater en belast daarmee niet de afvalwaterzuivering. Bij afkoppeling is het noodzakelijk om gebruik te maken van duurzame materialen. Voor het plangebied is uitgegaan van een afkoppeling van het hemelwater (HWA), zowel van de openbare weg als van de bebouwing. Dit zal worden geloosd op het oppervlaktewater. Doelstelling is om zo veel mogelijk van het verharde oppervlak niet aan te koppelen. Voor de riolering wordt uitgegaan van de aanleg van een gescheiden stelsel.

Keur Elk waterschap stelt een keur vast waarin de gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen die het waterschap nodig oordeelt ter uitvoering van zijn taak: de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zorgt voor voldoende en schoon water in de sloten en meren van Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal. Om dat doel te bereiken stelt het hoogheemraadschap eisen aan het onderhoud van de wateren. Het is van belang dat de wateren blijven bestaan, de juiste afmetingen hebben en worden onderhouden. De legger is onlosmakelijk verbonden met de Keur Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier en algemene regels bij de keur. In de keur staat wat er wel en niet mag en wat moet. In de legger staat waar de keur van toepassing is en is gedetailleerd vastgelegd wie wat in hoeverre moet onderhouden.

59

Uitsnede leggerkaart Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (plangebied rood omkaderd) bron: www.hhnk.nl

Primair zijn de wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op regionaal en polderniveau. Het zijn wateren met een belangrijke publieke functie. Secundair is een stelsel van wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op perceelniveau met diverse belanghebbenden. Wateren dus met een beperkte publieke functie. In de Legger Wateren is beschreven wie onderhoudsplichtig is. De primaire wateren worden over het algemeen onderhouden door het hoogheemraadschap zelf; dit betreft dan het buitengewoon onderhoud, het onderhoud nat en het baggeren. De secundaire en tertiaire wateren worden onderhouden door de aanliggende eigenaren. Het plangebied heeft aan de zuidkant een waterloop liggen die volgens de leggerkaart van het hoogheemraadschap een primaire waterloop is. Verder zijn er in het plangebied zelf geen waterlopen aanwezig. De primaire waterloop heeft de bestemming 'Water' gekregen. In de regels bij deze bestemming wordt aangegeven dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde, in of aan het water de waterbeheerder schriftelijk een positief advies moet hebben uitgebracht. Omdat de watergang varend wordt onderhouden is een tewaterlaatplaats nodig. In overleg met het HHNK is de tewaterlaatplaats voor de maaiboot langs de Koggeweg gepositioneerd, naast de nieuwe ontsluitingsweg.

60

Ligging tewaterlaatplaats maaiboot (rood omcirkeld), bron: HB Adviesbureau

Grondwater Voor het plangebied is er sprake van een tijdelijke of permanente grondwateronttrekking en/of -lozing. Het onttrekken van grondwater korter dan zes maanden met een hoeveelheid van minder dan 15.000 m³/per maand in "niet kwetsbaar gebied" en 8.000 m³/per maand in "kwetsbaar gebied" valt onder de algemene regels van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009. In deze gevallen is geen vergunning voor de onttrekking benodigd, indien de grondwateronttrekking niet gelegen is binnen de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Een aanvraag watervergunning is wel nodig, welke als melding bij het hoogheemraadschap fungeert.

5.10.3 Conclusie Het stedenbouwkundig plan is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het hoogheemraadschap. In overleg met het HHNK is de watercompensatie afgesproken. De primaire waterloop wordt in de regels beschermd. Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

61

5.11

Milieueffectrapportage

5.11.1 Wet- en regelgeving Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevals-definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft. De drempelwaarden die in kolom 2 'gevallen' aangegeven staan, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Voor deze activiteiten, die boven de drempelwaarden van onderdeel D, maar beneden die van onderdeel C vallen, geldt niet een directe m.e.r.-plicht, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht. In deze m.e.r.-beoordelingsplicht moet het bevoegd gezag beoordelen of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor activiteiten die beneden de indicatieve drempelwaarden van onderdeel D vallen dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r., om te bepalen of (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden.

Als uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen mogelijk zijn geldt voor plannen, die deze activiteiten mogelijk maken, geen directe (plan-)m.e.r.-plicht. Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage inwerking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling hierover een expliciet besluit moet nemen: het m.e.r.-beoordelingsbesluit. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat vanaf 16 mei 2017 door de initiatiefnemer een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Het bevoegd gezag bepaalt op basis van deze notitie of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een aanmeldnotitie hoeft alleen opgesteld te worden als een particulier of een ondernemer de initiatiefnemer is van de voorgenomen activiteit.

5.11.2 Situatie plangebied Het plan voorziet in de bouw van maximaal 34 woningen, een toename ten opzichte van de bestaande situatie. Dit valt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. De drempelwaarden voor een m.e.r.- plichtige activiteit zijn hierbij: Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Met de bouw van maximaal 34 woningen wordt hier ruimschoots onder gebleven. Het plan is daarmee niet planMER-plichtig, maar een vormvrije m.e.r.-beoordeling is wel nodig.

Voor het plangebied is een aanmeldnotitie opgesteld. Centraal in deze notitie staat de vraag of een volledige m.e.r.-procedure noodzakelijk is voor het bestemmingsplan. Er wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het

62

onderhavig plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen relevante effecten optreden. Alleen het aspect bodem kent vanwege de huidige bodemverontreiniging een knelpunt. Het terrein met bijbehorende bebouwing, verharding en grond zal echter voor de overdracht aan de initiatiefnemers gesaneerd worden door de huidige eigenaren. Daarmee wordt het geschikt voor het beoogde gebruik voor woningen met tuin. Geconcludeerd wordt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn voor onderhavige ontwikkeling. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

5.11.3 Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

63

64

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1

Plansystematiek

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het vaststellen van een digitale versie is per 1 januari 2010 verplicht. De digitale versie is de juridisch bindende versie. Er blijft een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan bestaan. Bestemmingsplan 'Marktweg Hem' bestaat uit een verbeelding, de regels (inclusief bijlagen) en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Marktweg Hem' zijn opgebouwd conform de door het SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

6.2

Opzet en toelichting van de planregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels In de inleidende regels zijn alle gehanteerde begrippen nader omschreven (artikel 1). Ook is omschreven hoe er gemeten dient te worden (artikel 2). Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten, wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In de artikelen 3 t/m 7 is, per artikel, een bestemmingsomschrijving gegeven en zijn de bouwregels opgenomen. De bestemming 'Groen' (artikel 3) omvat de groene buffer naar de kas ten noorden van het plangebied. De aanleg van een speelvoorziening is mogelijk binnen deze bestemming. Daarnaast is binnen deze bestemming een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de realisatie van 1 extra woning mogelijk is, zodra de ten noorden van het plangebied gelegen kas met de bijbehorende hindercirkel en de bijbehorende agrarische bestemming weg is. De bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' (artikel 4) heeft betrekking op de nieuwe ontsluitingsweg ten behoeve van de bereikbaarheid van de nieuwe woningen door het plangebied. Het gaat hier in de hoofdzaak om bestemmingsverkeer. Daarnaast wordt ook een deel van de aansluiting op de omringende

65

wegen Koggeweg en Marktweg binnen deze bestemming opgenomen om een goede aansluiting van de ontsluitingsweg mogelijk te maken. Binnen deze bestemming is de mogelijkheid opgenomen voor de aanleg van voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water. De bestaande waterloop aan de zuidzijde van het plangebied is opgenomen binnen de bestemming 'Water' (artikel 5). Hiermee wordt dit primaire water voor het waterschap beschermd. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gerealiseerd. Met de bestemming 'Wonen' (artikel 6) worden de woningen mogelijk gemaakt. Dit artikel regelt de nieuwe woningen met de daarbij behorende erven en daarnaast groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen en paden. De hoofdgebouwen moeten binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak liggen. Op de verbeelding is de toegestane goot- en bouwhoogte voor de woningen aangegeven. De bestaande bedrijfswoning wordt ook binnen deze bestemming opgenomen, met de bestaande goot- en bouwhoogte. In de woonbestemming is de mogelijkheid, als recht, opgenomen om een beroepsmatige activiteit aan huis uit te oefenen, onder bepaalde voorwaarden. De woonbestemming dient hierbij uitgangspunt te blijven. Het aantal vierkante meters dat wordt gebruikt om het beroep uit te oefenen is daarom gemaximeerd. Uitgangspunt is dat één van de leden van het betreffende huishouding het beroep aan huis uitoefent.

Voor de rug-aan-rugwoningen is een aparte bestemming ‘Wonen - Woongebouw’ (artikel 7) opgenomen. Het gaat om complexgewijze woonbebouwing: woongebouwen waar sprake is van meerdere wooneenheden. De bestemming is afgestemd op de specifieke hoofdvorm. Er is ruimte voor (collectieve) inpandige bergingen, waar dit ruimtelijk passend is.

Hoofdstuk 3 Algemene regels De algemene regels omvatten een anti-dubbeltelregel (artikel 8), algemene bouwregels (artikel 9), algemene gebruiksregels (artikel 10), algemene wijzigingsregels (artikel 11) en overige regels (artikel 12). In de algemene bouwregels is aangegeven wat het maximale aantal woningen in het plangebied mag zijn. Er is ten aanzien van het bouwen een regeling opgenomen voor het overschrijden van bouw- en/of bestemmingsgrenzen tot maximaal 1,5 m. Daarnaast zijn er regels met betrekking tot parkeren opgenomen. In de algemene gebruiksregels wordt aangegeven wat er onder strijdig gebruik wordt verstaan. De algemene wijzigingsregels zijn opgenomen om de bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen met maximaal 10 m te verschuiven. In de overige regels zijn de regelingen met betrekking tot de parkeernorm, nadere eisen en welstand opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hierin zijn de overgangsregels ten aanzien van bouwwerken en ten aanzien van het gebruik opgenomen (artikel 13). De regels eindigen met de slotregel, waarin de titel is opgenomen waaronder de regels kunnen worden aangehaald (artikel 14).

66

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Ook geldt volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dat als sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Een en ander moet worden gelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor de vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten zijn gesloten.

Het kostenverhaal ten aanzien van het gehele plan is verzekerd door de afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld, aangezien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het bestemmingsplan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemaakte afspraken bieden inzicht in de economische uitvoerbaarheid van de plannen. Er kan worden geconcludeerd dat de voorliggende plannen in beginsel financieel uitvoerbaar zijn.

67

68

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro zal het voorontwerp van het bestemmingsplan 'Marktweg Hem' naar verschillende overleginstanties gezonden. Van de provincie Noord-Holland, Omgevingsdienst NHN, PWN, Veiligheidsregio, gemeente Medemblik, Liander, Gasunie en HHNK is een reactie ontvangen. Dit heeft ertoe geleid dat de wijzigingsbevoegdheid in de bestemming Groen is aangepast zodat voor er een woning gerealiseerd kan worden niet alleen de kas weg moet maar ook de agrarische bestemming verwijderd moet zijn.

8.2

Inspraak

Het stedenbouwkundig plan is in een vroegtijdig stadium getoetst aan de omwonenden en de gemeenteraad tijdens een inloopavond (december 2019). De aandachts- en verbeterpunten die daar naar voren kwamen zijn verwerkt in het stedenbouwkundig plan.

8.3

Ter inzage legging

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient de kennisgeving, als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb, ook in de Staatscourant te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten.

Het bestemmingsplan heeft van 15 oktober tot en met 25 november 2020 ter inzage gelegen. In deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Deze zijn afkomstig van een omwonende en van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Met het Hoogheemraadschap is overeenstemming bereikt. In het ontwerp-bestemmingsplan was onvoldoende rekening gehouden met de toename van verharding in het plangebied. Deze toename dient te worden gecompenseerd met het graven van extra water. Initiatiefnemer heeft met het Hoogheemraadschap de afspraak gemaakt dat binnen het plangebied of elders in hetzelfde peilgebied deze toename in verharding wordt gecompenseerd. Daarnaast was de aangegeven tewaterlaatplaats voor de maaiboot niet geschikt. Deze is aangepast en akkoord bevonden. In de toelichting op het bestemmingsplan is de waterparagraaf hierop aangepast. Daarnaast is het plangebied op de plek van de tewaterlaatplaats aangepast, om deze geheel binnen het plangebied te laten vallen. In goed overleg tussen de initiatiefnemer en de indiener van de andere zienswijze is het plan aangepast en is de zienswijze ingetrokken. De initiatiefnemer houdt bij de uitvoering van het plan rekening met twee doorgangen naar het achtergelegen agrarisch bedrijf waardoor het bedrijf niet beperkt wordt in de bedrijfsvoering.

Daarnaast kunnen deze doorgangen ook gebruikt kunnen worden voor de ontsluiting van een mogelijk toekomstige woningbouwontwikkeling op dit agrarisch perceel. Eerder was rekening gehouden met een oost-westelijke ontsluiting, die kan nu vervallen. Dit betekent dat deze ontsluiting met de bestemming 'Verkeer' wordt gewijzigd in de bestemming 'Groen'. Als gevolg van deze aanpassing in de doorgangen is in hoofdstuk 4 (Planbeschrijving) de de afbeelding van het plan en de berekening en het overzicht met de parkeerplaatsen aangepast. 69

Daarnaast is er een tweetal ambtshalve wijzigingen. Er is een verduidelijking van de toelichting in de hoofdstukken 4 (Planbeschrijving), 5 (Milieu) en 6 (Juridische vormgeving) in overleg met de Omgevingsdienst voor wat betreft de onderdelen bodem en hindercirkel naastgelegen agrarische bestemming. In de planregels (artikel 6 Wonen) is aangegeven dat bijbehorende bouwwerken en overkappingen op min. 1 m achter de voorgevelrooilijn mogen worden gebouwd.

70

Bijlagen bij de toelichting (separaat) Bijlage 1

Akoestisch onderzoek plangebied Besseling te Hem, Aveco de Bondt, d.d. 18 juni 2020

Bijlage 2

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Marktweg 22 A+B te Hem, Landview bodemonderzoek, d.d. 12 februari 2019

Bijlage 3

Nader bodemonderzoek Marktweg 22 A+B te Hem, Landview bodemonderzoek, d.d. 9 april 2019

Bijlage 4

Plangebied Besseling te Venhuizen, gemeente Drechterland; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, RAAP, d.d. 7 mei 2020

Bijlage 5

Plangebied Besseling te Venhuizen, gemeente Drechterland; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), RAAP, d.d. 10 augustus 2020

Bijlage 6

Marktweg 22 te Hem, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, d.d. 6 april 2020

Bijlage 7

Marktweg 22 te Hem, Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming, Van der Goes en Groot, d.d. 6 mei 2020

Bijlage 8

Watertoets, d.d. 2 oktober 2019

Gemeente Drechterland Regels, deel uitmakende van het Bestemmingsplan Marktweg Hem Vastgesteld

Plannummer: NL.IMRO.0498.BPMarktweg-VG01 Vastgesteld door de gemeenteraad op 22-03-2021 Plan onherroepelijk per ..-..-….

Inhoudsopgave Regels

Regels

3

Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

3 3 10

Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Bestemmingsregels Groen Verkeer - Verblijf Water Wonen Wonen - Woongebouw

13 13 15 16 17 21

Hoofdstuk3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

23 23 24 25 26 27

Hoofdstuk4 Artikel 13 Artikel 14

Overgangs- en slotregels Overgangsregels Slotregel

29 29 30

Bijlagen bij regels Bijlage 1

Lijst toegestane bedrijvigheid

2

Regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1

1.1

Begrippen

plan:

het bestemmingsplan 'Marktweg Hem' van de gemeente Drechterland; 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0498.BPMarktweg-VG01 met bijbehorende regels en bijlagen; 1.3

aan-huis-verbonden beroep:

het door tenminste één lid van het betreffende huishouden uitoefenen van een vrij en zelfstandig beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para)medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6

achtergevelrooilijn:

de achterste, niet naar openbaar gebied toegekeerde lijn die het bouwvlak begrenst; 1.7

afhankelijke woonruimte:

een bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin uit een oogpunt van mantelzorg een gedeelte van de huishouding is gehuisvest; 1.8

archeologisch waardevol terrein:

een terrein waarin zich voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen bevinden; 1.9

bed and breakfast:

een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, in een woning en bestaande bijbehorende bouwwerken, waarbij het wonen als de hoofdfunctie behouden blijft en waarbij tevens dient te zijn voldaan aan het gestelde voor bed & breakfast in het Besluit van de gemeenteraad van Drechterland van 28 november 2016, nr. 2016-63, tot vaststelling van de Beleidsregels Verblijfsrecreatie, dan wel de geldende Beleidsregel(s) voor bed & breakfast op het moment van aanvraag van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan;

3

1.10

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.11

bebouwingspercentage:

een in het plan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel dan wel bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.12

bestaand:

het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig is of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning (vóór 1 oktober 2010)/omgevingsvergunning (ná 1 oktober 2010); 1.13

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak; 1.14

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met éénzelfde bestemming; 1.15

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, niet zijnde overkapping; 1.16

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.17

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak; 1.18

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19

bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel; 1.20

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.21

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.22

dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

4

1.23

dienstverlening:

met detailhandel vergelijkbare activiteiten voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan of ten gerieve van het publiek, voorzieningen gericht op ontspanning in de vorm van leisure, sauna's, yogastudio's, wellness, badhuizen, creativiteitscentra en daarmee gelijk te stellen voorzieningen; 1.24

druiplijn:

de lijn die van onderen het dak begrenst; 1.25

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct gelegen is bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.26

erf- en terreinafscheiding:

bouwwerk op of in de directe nabijheid van een erfgrens bedoeld om een erf, tuin of terrein af te scheiden; 1.27

erker:

een ruimte als uitbreiding van een ruimte of ander vertrek in een gebouw, die buiten de gevel uitsteekt en in open verbinding staat met het bedoelde vertrek. De buitenzijde wordt begrensd door kozijnen; 1.28

evenement

elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van bioscoopvoorstellingen, markten als bedoeld in artikel 150, eerste lid, onder h van de Gemeentewet en artikel 5.2.4. van de APV, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen, het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen, betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties en activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.4.2. en 2.3.3.1. van de APV. Onder evenement wordt tevens verstaan een herdenkingsplechtigheid, een braderie, een optocht niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2. APV op de weg, een feest, een muziekvoorstelling of een wedstrijd op of aan de weg; 1.29

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30

geluidsbelasting:

de geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg; 1.31

geluidsgevoelige objecten:

gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.32

geluidsgevoelige functies:

in een gebouw of op een terrein aanwezige functies die maken dat een gebouw of een terrein als geluidsgevoelig object wordt aangemerkt; 1.33

geluidzoneringsplichtige inrichting:

een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidzone moet worden vastgesteld;

5

1.34

hogere grenswaarde:

een bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, die hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.35

hoofdgebouw:

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.36

hoofdverblijf:

de plaats waar men feitelijk woont en die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene; 1.37

huishouden:

een zelfstandig(e) dan wel samenwonende personen of groep van personen die binnen een complex van ruimten gebruik maken van dezelfde voorzieningen, zoals een keuken, een woonkamer, sanitaire voorzieningen en de entree, en waarbij tevens tussen deze personen een zekere onderlinge verbondenheid bestaat (gezin of samenlevingsverband); 1.38

huisvesten van arbeidsmigranten:

het huisvesten van arbeidsmigranten, die hier op grond van een EU paspoort of een tewerkstellingsvergunning legaal tijdelijk werkzaam zijn en hun hoofdverblijf elders hebben; 1.39

kampeermiddel:

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.40

kampeerterrein:

een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf; 1.41

kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, zoals opgenomen in bijlage 1, geheel of overwegend door middel van handwerk, geen detailhandel en geen prostitutie zijnde, waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is, dat het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.42

kleinschalige duurzame energiewinning:

energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, niet zijnde windturbines, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte; 1.43

kunstwerken:

bouwwerken, geen gebouwen zijnde van weg- en waterbouwkundige aard, zoals bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, beschoeiingen, kademuren en dergelijke;

6

1.44

kwetsbaar object:

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden; 1.45

landschappelijke waarden:

waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied (bij de afweging van het begrip landschappelijke waarden zal de Structuurvisie landschap, steeds onderdeel van het toetsingskader zijn); 1.46

langzaam verkeersroutes:

fietspaden, voetpaden, wandelpaden en wandelgebieden; 1.47

mantelzorg:

het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband; 1.48

normaal onderhoud:

het onderhoud dat, gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren; 1.49

nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes en apparatuur voor telecommunicatie; 1.50

overkapping:

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 1.51

paardenbak:

een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony’s en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 1.52 peil: a. indien op het land wordt gebouwd: 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang plus ten hoogste 30 cm; 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; b. indien op of in het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabij gelegen punt waar het water grenst aan het vaste land; 1.53

perceelsgrens:

een grens van een bouwperceel; 1.54

permanente bewoning:

het (al dan niet tijdelijk) hebben van hoofdverblijf in een gebouw;

7

1.55

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen enige vergoeding; 1.56

recreatieve bewoning:

de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie; 1.57

recreatiewoning:

een gebouw dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning; 1.58

risicogevoellig bouwwerk cq risicogevoelig object:

bouwwerken en andere objecten, waaronder terreinen, die bestemd zijn voor het regelmatig verblijf van mensen, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag; 1.59

risicovolle inrichting:

een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; 1.60

seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval wordt verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.61

stacaravan:

een zelfstandig verrijdbaar bouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen met wielas, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf, die gedurende meerdere jaren op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan en als kampeermiddel valt aan te merken; 1.62

stolp:

een voor Noord-Holland karakteristieke boerderij gekenmerkt door een vierkante constructie van gebinten, waarop een piramidevormig dak rust, al dan niet met een voorhuis; 1.63

verblijfsrecreatie:

recreatief verblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen, recreatiewoningen en/of recreatieverblijven; 1.64

voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt; 1.65

voorgevelrooilijn:

de (binnen het bouwperceel denkbeeldig doorgetrokken) lijn door een voorgevel(s) van het hoofdgebouw. Hierbij blijven ondergeschikte bouwdelen als erkers, portalen, aan- en uitbouwen buiten beschouwing. Deze zijn niet bepalend voor de ligging van de voorgevelrooilijn;

8

1.66

voorkeursgrenswaarde:

de bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.67

webwinkel:

een vorm van detailhandel waarbij het showen van producten en de transactie, volledig online geschiedt. Het ter plaatse afhandelen van gekochte goederen is wel toegestaan, met uitzondering van webwinkels in woningen waar geen afhaalpunt is toegestaan; 1.68

woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden dan wel een naar de aard daarmee gelijk te stellen groep personen; 1.69

woongebouw:

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

9

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2

goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte gevelelementen; Op onderstaande tekeningen is aangegeven wat hieronder wordt begrepen:

2.3

inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4

bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, ondergeschikte dakopbouwen ten behoeve van technische installaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5

oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6

bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige gebouwen tezamen; 2.7

bedrijfsvloeroppervlak:

het binnenwerkse vloeroppervlak van de ruimtes die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten; 2.8

lengte, breedte en diepte van gebouwen:

tussen de buitenzijde van de gevel en/of de harten van scheidingsmuren; 2.9

afstand tot de (bouw)perceelgrens:

tussen de grens van een bouwperceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is;

10

2.10

ondergronds bouwen:

bij het berekenen van de te bouwen oppervlakte wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen, voor zover deze zijn gelegen buiten de buitenzijde van de gevels van de bijbehorende bovengrondse gebouwen; 2.11

doorvaarthoogte:

tussen het bouwwerk en het hoogst toegestane waterpeil, waar deze afstand het kleinst is; 2.12

doorvaartbreedte:

tussen het bouwwerk en enig ander onderdeel daarvan, dan wel het talud of enig ander werk, en tussen het maximaal respectievelijk minimaal toegestane waterpeil, waar deze afstand het kleinst is; 2.13

lessenaarsdak

de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald door de hoogte van de goot aan de lage zijde van het dak, de bouwhoogte wordt bepaald door de hoge zijde van het dak; 2.14

dakopbouw op bijgebouwen

het gedeelte van de dakopbouw op een bijgebouw dat achter en grenzend aan de achtergevel staat wordt niet meegerekend bij de toegestane oppervlakte (30 m²). Het toegestane oppervlak van een dakopbouw op een bijgebouw wordt dus berekend over het gedeelte van de dakopbouw dat aan de zijgevel grenst.

11

12

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 3.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h.

groenvoorzieningen; bermen en beplanting; waterlopen en water(partijen); bruggen, dammen en/of duikers en naar de aard daarmee gelijk te stellen kunstwerken; wandel- en fietspaden; verhardingen, waaronder parkeervoorzieningen; straatmeubilair; sport- en speelvoorzieningen;

met de daarbij behorende: i.

bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

3.2

Bouwregels

3.2.1

Gebouwen en overkappingen

Op deze gronden zijn uitsluitend gebouwen toegestaan ten dienste van het verkeer en nutsvoorzieningen, met een maximum van 15 m2 en een maximum bouwhoogte van 3 m.

3.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. er mogen geen paardrijdbakken, tennisbanen en zwembaden worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 meter waarbij de volgende uitzonderingen gelden: 1. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 10 m; 2. de bouwhoogte van bruggen mag niet meer bedragen dan 3 m;

3.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen aan de situering en afmetingen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien dit noodzakelijk is: a. ter bescherming van de beleving en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ten behoeve van de bereikbaarheid van hulpdiensten; c. ter bescherming van de verkeersveiligheid; d. ten behoeve van het straat- en bebouwingsbeeld.

13

3.4

Wijzigingsbevoegdheid

3.4.1

Wijziging naar wonen ten behoeve van functieverandering

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Groen' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen', ten behoeve van een functieverandering van een bouwperceel, mits: a. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 6 van overeenkomstige toepassing zijn; b. deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied 1", indien de ten noorden van het plangebied gelegen kas met bijbehorende hindercirkel niet meer aanwezig is en de daar aanwezige agrarische bestemming verwijderd is; c. er niet meer dan 1 woning gerealiseerd wordt; d. de woning een maximale goothoogte van 6,5 m en een maximale bouwhoogte van 12 m heeft; e. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; f. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

14

Artikel 4 4.1

Verkeer - Verblijf

Bestemmingsbeschrijving

De op de verbeelding voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. straten en paden met hoofdzakelijk een functie ten behoeve van een goede doorstroming van het verkeer en de ontsluiting van de buurten; b. voet- en fietspaden; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. waterlopen en water(partijen); f. bruggen, dammen en/of duikers en naar de aard daarmee gelijk te stellen kunstwerken; g. terwaterlaatplaats maaiboot; h. straatmeubilair; i. nutsvoorzieningen; j. sport- en speelvoorzieningen;

met de daarbij behorende: k. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen en overkappingen

Op deze gronden zijn uitsluitend gebouwen toegestaan ten dienste van het verkeer met een maximum van 15 m2 en een maximum bouwhoogte van 3 m.

4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m, waarbij de volgende uitzonderingen gelden: a. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 10 m; b. de bouwhoogte van bruggen mag niet meer bedragen dan 3 m.

4.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen aan de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien dit noodzakelijk is: a. ter bescherming van de beleving en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ten behoeve van de bereikbaarheid van hulpdiensten; c. ter bescherming van de verkeersveiligheid; d. ten behoeve van het straat- en bebouwingsbeeld.

15

Artikel 5 5.1

Water

Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

waterhuishouding; waterberging; waterlopen, vaar- en waterwegen; oeverstroken; bruggen, dammen en/of duikers en naar de aard daarmee gelijk te stellen kunstwerken;

met de daarbij behorende: f.

bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

5.2

Bouwregels

5.2.1

Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

5.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde

a. op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming; b. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en geen overkappingen zijnde, in of aan het water moet de waterbeheerder schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht; c. de bouwhoogte van bruggen mag niet meer bedragen dan 3 m; d. de doorvaarthoogte van bruggen, duikers en andere overspanningen of overkluizingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten minste 1,50 m bedragen; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.

5.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen aan de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien dit noodzakelijk is: a. ter bescherming van de beleving en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ten behoeve van de bereikbaarheid van hulpdiensten; c. ter bescherming van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van een vrije doorvaarbreedte; e. ten behoeve van het straat- en bebouwingsbeeld.

16

Artikel 6 6.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met: 1. aan-huis-verbonden beroepen; 2. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten genoemd in bijlage 1 Lijst kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. bijbehorende bouwwerken;

met daaraan ondergeschikt: c. d. e. f. g.

kleinschalige duurzame energiewinning; wegen en paden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; water;

met de daarbij behorende: h. tuinen, erven en terreinen; i. parkeervoorzieningen; j. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

6.2

Bouwregels

6.2.1

Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd; b. als hoofdgebouwen mogen uitsluitend woningen worden gebouwd; c. woningen mogen worden gebouwd als vrijstaande en/of dubbele woningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" alleen vrijstaande woningen zijn toegestaan; d. de goot- en bouwhoogte van woningen mag niet meer dan de aangegeven goot- en bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)" bedragen; e. de dakhelling van woningen mag niet minder dan 30° (graden) en niet meer dan 70° (graden) bedragen, met dien verstande dat op gronden ter plaatse van de aanduiding "plat dak" woningen plat mogen worden afgedekt tot een bouwhoogte van niet meer dan 7,5 m; f. woningen dienen met de voorgevel gericht op de openbare weg te worden gebouwd; g. de afstand van een vrijstaande woning tot de zijdelingse perceelsgrens mag aan een zijde niet minder dan 1,5 m en aan de andere zijde niet minder dan 2 m bedragen; h. de afstand van een dubbele woning tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 3 m te bedragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9804384/1