CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bestemmingsplan Marktweg Hem versie vastgesteld (2021-02)

Gemeenteraad 22 maart 2021, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Marktweg Hem (2021-02)28.405 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De voorgenomen ontwikkeling van 34 woningen draagt bij aan de kwaliteit van de woningvoorraad waarbij invulling wordt gegeven aan de aanwezige woningbehoefte met een onderscheidende en complementaire aanvulling op de bestaande woningvoorraad. Het plan kan gerealiseerd worden binnen BSG. Wanneer het plan buiten BSG gelegen is, is getoetst of realisatie binnen BSG mogelijk is. Als realisatie past binnen de regionale behoefte, maar realisatie binnen BSG niet mogelijk is, is getoetst of het plan zich binnen een provinciaal beschermingsregime bevindt en multimodaal ontsloten is.

31

Ligging plangebied ten opzichte van de provinciale grens van het BSG

Het plangebied ligt voor een groot deel binnen BSG. Dit is gezien het huidige gebruik en de inrichting van het terrein passend. Dat een deel buiten BSG valt komt wellicht door de halfverharding van het terrein van de buitenstalling en de moestuin die aan deze zijde liggen. Het terrein behoort bij hetzelfde bedrijf en heeft hier dezelfde bestemming en functie, onderdeel van het stedelijk gebied. Het plangebied sluit aan op de (woon)bebouwing van Venhuizen en het historische lint aan de oosten noordkant. Ten zuiden bevindt zich het sportterrein waarvan de bebouwing ook binnen BSG valt. Het plangebied zelf vormt de grens naar het agrarische landschap aan de westzijde. Aan de zuidwestzijde ligt het bedrijventerrein dat ook weer een stedelijke functie binnen BSG vormt. Het plangebied past met de nieuwe invulling binnen de stedelijke functies in de omgeving. Met de nieuwe inrichting van het plangebied wordt de grens vormgegeven, waarmee een duidelijke overgang tussen landschap en bebouwing ontstaat aan de westzijde. Door de realisatie van dit plan over het gehele bedrijfsterrein wordt de realisatie op deze plek mogelijk, op een plek waar de kleine overschrijding van het BSG past binnen de stedelijke functies die nog verder buiten de kern van Venhuizen voorkomen en waarmee een duidelijke grens gemaakt kan worden aan deze overgang.

32

Westfries vooruitdenken Het plan moet aan 5 van de 10 onderstaande ambities voldoen. Het plan levert een positieve bijdrage aan betaalbaar wonen (huur onder de liberalisatiegrens / goedkope koop < €200.000). De rug-aan-rugwoningen zullen net iets boven de grens van €200.000 vallen, het plan draagt niet bij aan deze ambitie. Het plan levert een bijdrage aan het langer zelfstandig wonen. Het plan draagt met de drie seniorenwoningen bij aan het langer zelfstandig wonen. De seniorenwoningen zijn specifiek ingericht voor rolstoeltoegankelijkheid en een slaap- en badkamer op de begane grond. Het plan levert een positieve bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen. Het plan levert een positieve bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen doordat het gasloos is en er maatregelen voor duurzame energievoorziening genomen worden. Daarnaast is in het beeldkwaliteitsplan aangegeven dat er natuurinclusief gebouwd wordt, er gebruik gemaakt wordt van gerecycled materiaal en is er ruimte voor klimaatadaptief bouwen. Het plan voorziet in woningen in de vrije huursector voor middeninkomens. Hier voorziet het plan niet in. Nieuwe woningbouw wordt zoveel mogelijk gerealiseerd in de nabijheid van een OV-knooppunt. Het dichtstbijzijnde OV-knooppunt is station Hoogkarspel, op 4,8 km te bereiken in ca. 15 minuten op de fiets.

Dit valt buiten de straal van 3 km van het secundaire zoekgebied zoals beschreven staat in de toelichting van het AWF 2019. Het plan draagt bij aan de aantrekkingskracht op woningzoekenden van buiten de regio door het bieden van een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving. De aantrekkelijke woonomgeving is de meest genoemde vestigingsfactor onder nieuwkomers van buiten de regio. Met de woningen in een groene, landelijke omgeving en toch in de buurt van de voorzieningen van Venhuizen biedt het plan De Overhaal woningen in een aantrekkelijke omgeving. Het plan draagt duurzaam bij aan de benodigde versnelling van de woningbouwproductie in West-Friesland en past binnen de woningbehoefte. Het plan draagt bij aan de benodigde versnelling van de woningbouw in West-Friesland en past zoals eerder aangetoond binnen de woningbehoefte. Door gebruik te maken van de coördinatieregeling waarmee de omgevingsvergunningen voor de woning snel beoordeeld kunnen worden, wordt er gewerkt aan de versnelling van de woningbouw. Het plan vormt een toevoeging vanwege het type woningen waarin het voorziet. Het plan voorziet in meerdere typen woningen: vrijstaande woningen, seniorenwoningen, twee-onder-een-kap woningen en rug-aan-rug starterswoningen.

Voor met name de seniorenwoningen en de starterswoningen geldt dat er behoefte aan is, zie onderstaand punt, en dat deze in de omgeving nog niet veel voorkomen. Het plan vormt een toevoeging vanwege de doelgroep woningzoekenden waarvoor het wordt gebouwd. Specifieke doelgroepen die worden benoemd in het woonbehoefteonderzoek van Atrivé zijn onder andere starters, startende huishoudens zowel binnen als buiten de regio, sociaal kwetsbare woningzoekenden en binnenlandse en buitenlandse werknemers. Met de bouw van de

33

rug-aan-rugwoningen voor starters voorziet het plan in een genoemde doelgroep. Het plan vormt een toevoeging vanwege de onderscheidenheid in samenhang met woonmilieu en programma waarin het voorziet. In de toelichting van het AWF 2019 wordt aangegeven dat onderscheidend bouwen wil zeggen een toevoeging van het juiste type op de juiste plek. Het type woning, samengenomen met de doelgroep waarvoor het wordt gebouwd kan in meer of mindere mate passend zijn bij de plek waar het programma wordt gerealiseerd. Met name de rug-aan-rugwoningen voor starters vallen hierbinnen. De behoefte aan starterswoningen in Venhuizen en Hem is groot. Het woningtype van rug-aan-rugwoningen komt in de omgeving nog niet voor en is daarmee onderscheidend.

Voor het plan van De Overhaal geldt dat het voldoet aan meer dan de helft van de bovenstaande punten. Daarmee voldoet het plan aan de criteria van zowel de Westfriese basis als het Westfriese vooruitdenken. Hiermee wordt ook voldaan aan het woonbeleid van alle betrokken overheden.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1

Verkeersstructuur

De woningen in het plangebied worden ontsloten door een weg die aansluit op de Koggeweg aan de zuidzijde en de Marktweg aan de oostzijde. Daarnaast wordt er nog een aansluiting gemaakt naar de noordzijde voor de bestaande kas. De weg wordt ingericht als 30 km/uur, met groenvakken en parkeerplaatsen langs de weg en trottoirs daarachter.

Verkeersgeneratie De gemeente Drechterland hanteert de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren (2018) als richtlijn bij het vaststellen van de verkeersgeneratie. Bij de bepaling van het aantal verkeersbewegingen voor het toekomstig gebruik van het plangebied is uitgegaan van 12 woningen in de categorie 'koop, huis, vrijstaand' voor de vrijstaande woningen en de seniorenwoningen. Gezien het formaat van deze laatste woningen sluiten ze goed aan op deze categorie. Daarnaast 12 woningen in de categorie 'koop, huis, twee-onder-een-kap' en 10 woningen 'koop, huis, tussen/hoek', voor de rug-aan-rugwoningen. Voor de ligging is gekozen voor 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Voor de verkeersgeneratie is een gemiddelde genomen van de minimale en maximale verkeersgeneratie.

Vrijstaande woningen:

9 x 8,2 = 73,8

Seniorenwoningen:

3 x 8,2 = 24,6

Twee-onder-een-kap woningen:

12 x 7,8 = 93,6

Rug-aan-rug starterswoningen:

10 x 7,4 = 74,0

Totaal:

266,0

Dit resulteert in 266 vervoersbewegingen per dag. Voor de toename van het aantal vervoersbewegingen wordt gekeken naar het verschil tussen het huidige gebruik en het toekomstige gebruik. Het huidig

34

gebruik is een autokeurstation met werkplaats en buitenstalling. Deze valt binnen dezelfde ligging en in de categorie 'bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief'. De verkeersgeneratie wordt berekend per 100 m² bvo. Het bedrijfsterrein is ca. 16.200 m² groot. Dit betekent dat de verkeersgeneratie 16,2 x 10,0 = 162 vervoersbewegingen per dag is. De toename is daarmee 104 vervoersbewegingen per dag. Deze worden verspreid door de aansluitingen op zowel de Koggeweg als de Marktweg. De omliggende wegen zijn goed in staat deze geringe toename te verwerken.

4.4.2

Parkeren

Het parkeren wordt deels op eigen terrein en deels in het openbare gebied opgelost. Bij de vrijstaande, twee-onder-een-kap- en seniorenwoningen wordt er zoveel mogelijk op eigen terrein geparkeerd. Voor de rug-aan-rugwoningen wordt er in de openbare ruimte geparkeerd. Daar waar de bouwvormen compacter zijn en de parkeerdruk hoog is, wordt haaksparkeren in een parkeerkoffer toegepast. Daar waar de parkeerdruk lager is, zijn de openbare parkeerplaatsen als langsparkeerplaatsen in de straat uitgevoerd.

Overzicht parkeerplaatsen in openbare ruimte (blauw) en op eigen terrein (groen)

De gemeente Drechterland hanteert de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren (2018) als richtlijn bij het vaststellen van parkeernormen bij nieuwe ontwikkelingen. Hierbij valt het plangebied binnen 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Er is gekozen voor het gemiddelde tussen de minimale en maximale norm. De categorie is gelijk aan de keuze bij de verkeersgeneratie. Het aandeel voor bezoekers binnen de norm is 0,3. Dit deel moet in het openbaar gebied gerealiseerd worden.

35

Vrijstaande woningen:

9 x 2,3 = 20,7

Seniorenwoningen:

3 x 2,3 = 6,9

Twee-onder-een-kap woningen:

12 x 2,2 = 26,4

Rug-aan-rug starterswoningen:

10 x 2,0 = 20,0

Totaal:

74,0 pp

Hierbij is de verdeling bezoekers en bewoners: 30% bezoekers

10,2 pp

70% bewoners

63,8 pp

Er wordt voor dit plan gerekend met een aanwezigheidspercentage voor een werkdagavond: 80% bezoekers (van 10,2)

8,2

90% bewoners (van 63,8)

57,4

Totaal:

65,6 pp

Dit betekent dat er 66 parkeerplaatsen nodig zijn.

Gerealiseerd in het plan Op maaiveld:

36,0

Op eigen terrein, garage met enkele oprit:

16 x 1,0 =

16,0

Op eigen terrein, garage met dubbele oprit:

8 x 1,8 =

14,4

Totaal:

66,4 pp

Met 66 parkeerplaatsen worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd in het plan.

4.5

Duurzaamheid

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient aan de eisen voor duurzaam bouwen te voldoen. In het plan worden tal van duurzame maatregelen toegepast. Hieronder vallen duurzame energievoorziening en gasloos bouwen. Ook naturinclusief bouwen zoals vogelpannen, neststenen, vleermuiskasten maakt hier onderdeel vanuit. Mooie veroudering van materialen is het uitgangspunt bij de toepassing van duurzame materialen. Dit geldt voor de bebouwing, maar ook voor de inrichtingselementen van de buitenruimte, zoals zitbanken en verlichtingsarmaturen. Gerecycled materiaal sluit aan bij de circulaire intenties èn bij de beeldkwaliteit. In de openbare ruimte worden zoveel mogelijk inheemse bomen en planten toegepast en beplanting die rijk is aan bloei en vruchtdragend is. Dit komt ten goede aan het insecten- en vogelbestand van de wijk. Het groen, het water en de wateroevers maken bovendien dat in het plan de waterrobuustheid en

36

klimaatbestendigheid voor de toekomst groter is, met ruimte voor natuur en een verbetering van de wateropvang (vermindering wateroverlast bij piekbelasting, verbetering waterbuffer tegen droogte, vermindering hittestress).

Binnen de regels voor de bestemmingen van dit bestemmingsplan is er voldoende ruimte opgenomen voor het aanbrengen van zonnepanelen, zonnecollectoren, e.d. Ook is in de bestemmingsomschrijving kleinschalige duurzame energiewinning opgenomen.

4.6

Beeldkwaliteitsplan

Aan het stedenbouwkundig plan is een beeldkwaliteitsplan gekoppeld. Het beeldkwaliteitsplan wil de kwaliteit waarborgen en verbeelden die uit het stedenbouwkundig plan voor De Overhaal spreekt. Het vormt het toetsingskader voor de Welstand bij verdere uitwerking van het plan. In het beeldkwaliteitsplan wordt een aantal inrichtingselementen en architectuurkenmerken aangereikt die dienen als leidraad voor het verdere ontwerptraject. Ook wordt een aantal specifieke, beeldbepalende plekken aangeduid die een bijzondere benadering verdienen bij de verdere uitwerking van het plan. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage bij de overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar en maakt deel uit van de Welstandsnota en wordt daarmee geborgd.

37

38

Hoofdstuk 5 Milieu

5.1

Inleiding

Voor het bestemmingsplan is een aantal milieuaspecten, van belang voor het plangebied, nader bekeken. Aandacht is besteed aan geluidhinder afkomstig van wegverkeer, bedrijven en milieuzonering, bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Daarnaast is aandacht besteed aan de aspecten ecologie, archeologie en is een waterparagraaf opgenomen.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

5.2.1

Wet- en regelgeving

Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de milieuzonering wordt gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geur, stof, geluid en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand.

5.2.2

Situatie plangebied

De gewenste activiteit op de planlocatie is wonen. In de omgeving van het plangebied komt een aantal milieubelastende activiteiten voor. Ten zuidwesten van het plangebied is op een afstand van circa 150 meter het bedrijventerrein Zuiderkogge gevestigd. Dit bedrijventerrein is niet voorzien van een geluidzone op grond van de Wet geluidhinder. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich, aan de overzijde van de Koggeweg, een brandweerkazerne, diverse sportfaciliteiten met een gezamenlijke parkeerplaats en een hondensportvereniging. Om te beoordelen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat dat niet geschaad wordt door deze milieubelastende activiteiten en om aan te tonen dat de bedrijven (waaronder de sportverenigingen) niet in de reguliere bedrijfsvoering worden beperkt door de nabijheid van nieuwe woningen is een onderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek plangebied Besseling te Hem, Aveco de Bondt, d.d. 18 juni 2020, bijlage 1). De relevante bedrijven uit de omgeving zijn en de bijbehorende richtafstanden zijn in onderstaande tabel opgenomen:

39

Voor alle bedrijven geldt dat de richtafstand voor geluid de grootste afstand is. In het onderzoek zijn voor de nabijgelegen hondensportvereniging en het parkeerterrein van de sportfaciliteiten de geluidbelastingen op de gevels van de nieuwe woningen inzichtelijk gemaakt en als aanvaardbaar aangemerkt. Van een beperkende werking door de nieuwe woningen op de reguliere bedrijfsvoeringen is geen sprake. Vanwege de activiteiten bij de brandweerkazerne, ook in uitruksituaties, zijn relevante geluidbelastingen op het plangebied te verwachten. Gelet op de situering van de kazerne, het gebruik van akoestische signalering in uitruksituaties, de beperkte hinder vanwege akoestische signalering die veelal wordt ondervonden door omwonenden alsmede het gegeven dat toekomstige bewoners van het plangebied op de hoogte zijn van de aanwezigheid van de brandweerkazerne is het woon- en leefklimaat in het plangebied als aanvaardbaar beoordeeld. Een beperkende werking op de reguliere bedrijfsvoering van de brandweerkazerne is niet te verwachten, omdat geluiden vanwege het uitukken gedeeltelijk uitgezonderd zijn van toetsing.

Voor het bedrijventerrein Zuiderkogge is in het onderzoek door middel van berekeningen aangetoond dat de nieuwe woningen in het plangebied, door de aanwezigheid van bedrijfswoning Koggeweg 55, geen beperkende werking hebben op de reguliere bedrijfsvoering van bedrijven op bedrijventerrein Zuiderkogge en dat het woon- en leefklimaat in het plangebied geborgd is.

5.2.3

Conclusie

Het plangebied betreft een woongebied. Voor de milieubelastende activiteiten buiten het plangebied is aangetoond dat de geluidbelasting zodanig is, dat een goed woon- en leefklimaat in het plangebied geborgd is. De bedrijven en verenigingen vormen daardoor geen belemmering. De nieuwe woningen vormen zelf ook geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de omringende bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

40

5.3

Bodem

5.3.1

Wet- en regelgeving

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. In de bouwverordening is wettelijk geregeld dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

5.3.2

Situatie plangebied

Voor het plangebied zijn bodemonderzoeken uitgevoerd (Verkennend bodem- en asbestonderzoek Marktweg 22 A+B te Hem, Landview bodemonderzoek, d.d. 12 februari 2019, bijlage 2 en Nader bodemonderzoek Marktweg 22 A+B te Hem, Landview bodemonderzoek, d.d. 9 april 2019, bijlage 3). Vanwege het huidige gebruik van het terrein is bodemonderzoek uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een verdachte locatie (strategie VED-HE en VEP). Het asbestonderzoek ter plaatse van de moestuin is uitgevoerd volgens de NEN 5707 richtlijnen voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. Het asbestonderzoek ter plaatse van de buitenstalling is uitgevoerd volgens op de NEN 5897 richtlijnen voor nader asbest onderzoek op verdachte terreinen.

Bodem Uit het bodemonderzoek is gebleken dat in de vier geanalyseerde monsters bij de voormalige ondergrondse dieseltank een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met minerale olie is geconstateerd. In twee (meng)monsters bij de compressor is een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met minerale olie geconstateerd. In één monster is een matige verhoging van minerale olie gemeten. In één mengmonster bij de werkruimte derden en in één mengmonster op rest terrein is een matige verhoging van som PAK geconstateerd. In het grondwater bij de voormalige ondergrondse dieseltank is een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met minerale olie geconstateerd en zijn matige verhogingen van benzeen en naftaleen aangetroffen. Aangezien plaatselijk interventiewaarden voor bodemsanering worden overschreden, is nader onderzoek en sanering noodzakelijk vooral bij de voormalige ondergrondse dieseltank en de compressor. De half verharding is indicatief getoetst aan de samenstellingswaarden voor een niet-vormgegeven bouwstof uit het Besluit bodemkwaliteit. In het puin van de boringen worden de samenstellingswaarden in een aantal gevallen overschreden. Bij een herontwikkeling van het terrein wordt geadviseerd om het verhardingsmateriaal door een gecertificeerd en gespecialiseerd bedrijf te laten onderzoeken en te verwijderen.

Het materiaal komt zonder verder onderzoek niet in aanmerking voor hergebruik en zal daarom op juiste wijze moeten worden verwerkt en of gestort op een daartoe ingerichte locatie. In geen van de asfaltkernen zijn aanwijzingen voor de aanwezigheid van PAK aangetroffen. Om deze reden zijn er geen extra analyses op PAK uitgevoerd.

Asbest Ter plaatse van de voormalige schuur in de moestuin is de verwachting, dat niet meer dan 50 mg

41

(gewogen) asbest/kg d.s. in en op de grond aanwezig is, in het onderzoek bevestigd. Aangetoond is dat op het maaiveld en in de grond geen asbesthoudend plaatmateriaal aanwezig is. Op basis van de nu bekende gegevens mag deze grond daarom als ‘asbestvrij’ worden beschouwd. Tijdens de visuele inspectie bij de buitenstalling is op het maaiveld geen asbestverdacht plaatmateriaal (stukken groter dan 20 mm) waargenomen. Bij het graven van de gaten is in de bodem van diverse sleuven asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Uit de berekeningen van hoeveelheden aangetroffen plaatmateriaal en door het laboratorium aangetroffen asbest blijkt dat het gewogen gehalte aan asbest in de meeste eenheden minder dan 50 mg/kg d.s. bedraagt. Met dit indicatieve asbestonderzoek is in voldoende mate aangetoond dat op de locatie in de grond asbesthoudend (plaat)materiaal aanwezig is. De hypothese dat het opgebrachte materiaal asbestverdacht is, wordt bevestigd. De grenswaarde van 100 mg/kg d.s. gewogen asbest wordt op meer plaatsen overschreden. Uit de berekeningen blijkt dat aldaar sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. De bodem op grote delen van de locatie is momenteel niet geschikt voor het beoogde gebruik “wonen met tuin”.

Aangezien ook lokaal in het grondwater de interventiewaarde voor de minerale olie is overschreden, zal het nemen van sanerende maatregelen bij een mogelijke herontwikkeling aan de orde zijn. Bij contactmogelijkheden kan blootstelling plaatsvinden, waardoor geadviseerd wordt om al het opgebrachte materiaal door een gecertificeerd en gespecialiseerd bedrijf te laten verwijderen. Het materiaal zal op juiste wijze moeten worden verwerkt en of gestort op een daartoe ingerichte locatie.

Nader onderzoek bodem Vanwege de geconstateerde verontreinigingen met minerale olie tot boven de interventiewaarden in de grond bij de voormalige ondergrondse dieseltank en de compressor en de verontreinging tot boven de interventiewaarden met minerale olie van het grondwater bij de voormalige ondergrondse dieseltank is hier een nader onderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek is de omvang van de geconstateerde verontreinigingen in de grond en of het grondwater nagaan en de risico’s vaststellen. Bij de voormalige ondergrondse dieseltank is in vijf monsters van diverse grondlagen een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met minerale olie de interventiewaarde geconstateerd. In één monster is een matige verhoging van minerale olie gemeten. In het grondwater uit peilbuis 102, horizontale afperking, is een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met minerale olie de interventiewaarde geconstateerd. In het grondwater uit peilbuis 103, verticale afperking, is een matige verhoging van minerale olie gemeten. In de overige grondwatermonsters zijn maximaal lichte verhogingen van olieproducten aangetroffen. Op basis van de onderzoeksresultaten is voldoende duidelijk, dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de grond, waarvan sanering, zeker bij graafwerkzaamheden, spoedeisend is.

De contouren en hoeveelheden komen (nog) redelijk overeen met de resultaten van het nader onderzoek uit 1997. Op minder dan 10 m stroomafwaarts van de voormalige tank is open water aanwezig. Mogelijk is het wel verstandig om dit open water te bemonsteren en te analyseren op de daarin aanwezige concentratie olie. De verontreinigingen met minerale olie zijn vermoedelijk ontstaan vóór 1987 en voor de locatie zal daarom een saneringsplan moeten worden opgesteld met doelstellingen, waarbij ook het beoogde gebruik moet worden betrokken. Na de sanering worden de ondervindingen vastgelegd in een evaluatierapport dat aan het bevoegd gezag moeten worden overlegd ter goedkeuring. Pas na de goedkeuring is de bodem op de locatie weer geschikt voor het beoogde gebruik en kan een eventuele omgevingsvergunning in werking treden.

Bij de compressor is in het monster van boring 108 een matige verhoging van minerale olie

42

geconstateerd. In de overige monsters zijn geen verhogingen van minerale olie gemeten. In het grondwater is een lichte verhoging van naftaleen aangetroffen. Samen met de resultaten van het verkennend onderzoek kan geconcludeerd worden, dat er ter plaatse van de compressor slechts in één monster een tot boven de interventiewaarde verhoogd gehalte aan minerale olie is geconstateerd. In de overige monsters zijn maximaal matige verhogingen gemeten. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van interventiewaarden gemeten. Op basis van de nu bekende gegevens is ter plaatse van de compressor geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (<25 m3 grond en of < 100 m3 grondwater tot boven interventiewaarde verontreinigd).

De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft de bodemonderzoeken beoordeeld en heeft geadviseerd om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren omdat de huidige onderzoeken niet conform de normen zijn uitgevoerd. Daarna kan een saneringsplan worden opgesteld en kan het terrein worden gesaneerd. Het gaat daarbij met name om de volgende punten: Asbest Op de locatie is ter plaatse van de huidige bebouwing volgens foto's (google maps) ook daken met asbestverdacht plaatmateriaal aanwezig. Dit betekent concreet dat de bodem rondom deze bebouwing dient te worden aangemerkt als asbestverdacht. Ter plaatse is er echter geen onderzoek naar asbest uitgevoerd. Daarnaast dient de aanwezige verhardingslaag conform het Besluit Asbestwegen te worden gesaneerd. Puinverharding- en granulaat Is slechts onderzocht op de samenstellingswaarde voor een niet vormgegeven bouwstof. Er is echter geen uitloogonderzoek uitgevoerd. Verder is het asfalt slechts onderzocht via een PAK-marker. Via analyses is niet vastgesteld of het asfalt inderdaad niet teerhoudend is. Mengmonsters Uit het verkennend bodemonderzoek blijken verschrijdingen van de tussenwaarde bij mengmonsters.

In de mengmonster rest mm1 (boringen 36 en 46), werk mm2 (boring 34 en 37) overschrijdt het gehalte aan PAK's de tussenwaarde en bij mengmonster rest mm2 (boringen 36 en 41) overschrijdt het gehalte aan olie de tussenwaarde (tussenwaarde is het gemiddelde tussen achtergrondwaarde en interventiewaarde). Bij een dergelijke gehalte dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar mogelijke sterk verontreinigingen in de grond. Hiertoe dienen de grondmonster apart te worden geanalyseerd op de verontreinigde stof. Dit onderzoek is niet uitgevoerd. Voormalige pompeiland en dieseltank Bij het voormalige pompeiland is enkel de ondergrond onderzocht en niet de bovengrond onderzocht. Uit eerdere onderzoeken blijkt dat de bovengrond sterk is verontreinigd en ook het grondwater. Ter plaatse van deze verontreiniging is echter geen onderzoek uitgevoerd naar grond en grondwater. Ondergrond Bij de puinverharding is een hoog gehalte met vanadium aangetroffen. De grond onder de puinverharding is echter niet geanalyseerd op vanadium. Verdachte activiteiten uit eerder uitgevoerde onderzoeken Uit een oriënterend bodemonderzoek van 29 juni 1993, kenmerk M 30.990 blijkt dat er op het

43

perceel een olievaten opslag aanwezig is geweest. Verder blijkt uit een bodemonderzoek van 1 februari 1995 dat er op het perceel ook een afgewerkte olietank, een HBO tank en olie opslag heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot deze historische bodembedreigende activiteiten staat het e.e.a. vermeld in het historisch onderzoek voorafgaande aan het bodemonderzoek. In het bodemonderzoek staat over deze activiteiten niets meer vermeld. Er is dus volgens het rapport geen onderzoek verricht naar deze activiteiten.

5.3.3

Conclusie

Voor de overdracht van de grond van de huidige eigenaren naar de initiatiefnemer van onderhavig plan zal er nog aanvullend bodemonderzoek op de diverse hiervoor genoemde punten uitgevoerd moeten worden. Op basis hiervan en het al uitgevoerde onderzoek zal het terrein (bebouwing, verharding en bodem) gesaneerd worden zodat deze geschikt is voor het gebruik voor wonen met tuin. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

5.4

Cultuurhistorie en archeologie

5.4.1

Wet- en regelgeving

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Deze nieuwe wet maakt deel uit van de (gewijzigde) Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De WAMZ verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Sinds 1 januari 2012 is het verplicht in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden (art. 3.1.6, van het Besluit ruimtelijke ordening). Daarvoor moet in de toelichting van het plan een afweging worden opgenomen over het voorkomen van cultuurhistorische waarden in het gebied en de wijze waarop deze cultuurhistorische waarden - indien noodzakelijk - in het plan worden geborgd.

5.4.2

Situatie plangebied

Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Drechterland ligt het plangebied in een zone met de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 3”. Het beleid voor deze zone schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Deze voorschriften zijn verankerd in het bestemmingsplan Drechterland Zuid. De omvang van de bodemingrepen is groter dan 500 m² en de diepte groter dan 40 cm onder het maaiveld. Er is daarom een archeologisch onderzoek voor het plangebied uitgevoerd (Plangebied Besseling te Venhuizen, gemeente Drechterland; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, RAAP, d.d. 7 mei 2020, bijlage 4).

Op grond van de onderzoeksresultaten kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: Het oppervlak uit het laat paleolithicum en mesolithicum bevindt zich op meer dan 15 m -NAP. Er geldt dan ook een niet nader gespecificeerde archeologische verwachting voor vindplaatsen uit deze periode; Voor vindplaatsen uit de periode neolithicum tot de bronstijd geldt in het plangebied een lage

44

archeologische verwachting; In het plangebied geldt voor archeologische resten vanaf de bronstijd tot de ijzertijd een hoge verwachting voor de zandige en/ of kleiige kwelderafzettingen van het Zeegat van Bergen; In het plangebied wordt geen intact veen verwacht, zodat voor archeologische resten uit de periode ijzertijd tot de late middeleeuwen een lage verwachting geldt; Voor de periode vanaf de middeleeuwen tot de nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting, aangezien in deze periode het plangebied gedurende de ontginningen van dit gebied geschikt werd gemaakt voor bewoning. Op basis van het historisch kaartmateriaal blijkt dat er in de periode nieuwe tijd geen bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden. Vandaar dat in het plangebied met name resten van agrarische activiteiten worden verwacht (erfgrenzen, gedempte sloten, etc.). Hoewel langs de waterlozing aan de zuidzijde van het plangebied huisplaatsen verwacht konden worden, zullen deze door de 20e eeuwse stoomtramverbinding op dezelfde locatie verstoord zijn geraakt.

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied is ontgonnen voor de landbouw. Regelmatige landbouwkundige werkzaamheden resulteren meestal in een bouwvoor met een gemiddelde dikte van 30 tot 40 cm. Eventuele archeologische resten zullen tot die diepte verstoord zijn. Met name grondsporen kunnen onder de bouwvoor nog bewaard zijn gebleven. Bovendien blijkt uit het eerdere milieukundige bodemonderzoek dat er in grote delen van het plangebied een circa 50 cm dikke puinophoging is aangebracht. Uit dit onderzoek is echter niets op te maken over hoe intact de bodem en/ of de oude bouwvoor onder deze puinophoging is. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond, de bodemopbouw en/of bodemverstoringen in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in het bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concrete gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten.

In het zuidelijke deel van het plangebied, op de locatie van het oude stoomtram tracé, is geen archeologisch vervolgonderzoek nodig.

Uit het vervolgonderzoek (Plangebied Besseling te Venhuizen, gemeente Drechterland; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), RAAP, d.d. 10 augustus 2020, bijlage 5) is gebleken dat de verwachte dikke puinophoging in grote delen van het plangebied is aangetroffen. Hierdoor was het niet mogelijk op alle geplande locaties boringen te doen, maar doordat in de hoekpunten van het plangebied wel boringen zijn doorgezet is er toch een duidelijk beeld van de ondergrond. Op enkele locaties bleek het plangebied namelijk tot diep in de onderliggende kreekgeulafzettingen van het Zeegat van Bergen verstoord te zijn geraakt. Dat dit mogelijk plaatselijke verstoringen zijn, blijkt uit naastgelegen boringen waarin nog wél een intacte oude bouwvoor onder de ophogingen is aangetroffen. Gezien de aangetroffen puinlagen uit het eerdere milieukundige booronderzoek op de locaties van de gestuite boringen, is het echter aannemelijk dat in dit deel van het plangebied de bodem niet meer intact is. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan de hoge archeologische verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de middeleeuwen worden gehandhaafd.

Op verschillende locaties is namelijk een intacte oude bouwvoor aangetroffen en mogelijk zijn dergelijke intacte niveaus ook aanwezig onder de boorlocaties van de gestuite boringen in het midden van het plangebied. Het rapport

45

van het uitgevoerde onderzoek geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Drechterland, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit. N.a.v. het onderhavige onderzoek heeft Archeologie West-Friesland, in opdracht van de gemeente Drechterland, een beoordeling en advies opgesteld, wat voor de periode middeleeuwen afwijkt van dat van RAAP. Vanwege het ontbreken van een intact bodemprofiel en de afwezigheid van een afdekkende vegetatiehorizont kan de hoge archeologische verwachting voor goed geconserveerde vindplaatsen uit de bronstijd naar beneden worden bijgesteld. Archeologie West-Friesland adviseert het plangebied vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Het plangebied is voldoende onderzocht en zal naar verwachting geen kenniswinst opleveren.

Binnen het plangebied bevinden zich geen stolpboerderijen of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten.

5.4.3

Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

5.5

Ecologie

5.5.1

Wet- en regelgeving

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming (WNB) van kracht. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden in deze wet geïntegreerd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het bouwen van woningen of het dempen van wateren kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). De WNB regelt ook de gebiedsbescherming van Natura 2000 gebieden en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland. De provincies kunnen ook andere gebieden aanwijzen vanwege landschappelijke en/of natuurlijke waarden.

In de bescherming worden ook de gevolgen van de stikstofdepositie door de geplande ontwikkeling op de beschermde gebieden meegenomen. In de WNB is ook de bescherming van houtopstanden (bossen, rijenbeplantingen, houtwallen, heesteren struikhagen, struwelen of beplantingen van bosplantsoenen) geregeld. Dit is van toepassing als er kap nodig is van een houtopstand die buiten de vastgestelde bebouwde kom houtopstanden ligt en die groter is dan 10 are (1.000 vierkante meter) of voor bomen in een rijbeplanting van 20 bomen of meer. Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan

46

worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

5.5.2

Situatie plangebied

Er is een quickscan in het kader van de huidige natuurwetgeving voor het plangebied uitgevoerd (Marktweg 22 te Hem, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, d.d. 6 april 2020, bijlage 6). Hierbij is zowel naar de soortbescherming als de gebiedsbescherming gekeken.

Soortbescherming Uit het onderzoek is gebleken dat het plangebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën alleen 'vrijgestelde' soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Omdat geen (geschikte) bebouwing en bomen aanwezig zijn en geen sporen of nesten werden waargenomen, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer, Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen wel broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig.

Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid van vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen in de aanwezige bebouwing. De enige bereikbare ruimtes die aanwezig zijn hoger in de bebouwing, bevinden zich achter en onder metalen beplating. Deze holtes worden niet geschikt geacht voor verblijvende vleermuizen. De ruimtes bieden geen geschikt microklimaat voor vleermuizen; ze warmen erg snel op en koelen snel en sterk af. Vleermuizen verblijven in gebufferde en thermisch geïsoleerde holtes. Ook verblijven onder de dunne golfplaten worden niet verwacht vanwege het thermisch microklimaat en omdat geen vrije uitval op kopse kanten aanwezig is en op de lange kanten dakgoten het invliegen belemmeren. Er werden ook geen opvallende gaten en/of spleten gezien in bomen binnen het plangebied.

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Als gewerkt wordt conform de hierboven gestelde beperkingen en restricties, worden geen belangrijk

47

negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten en is er geen nader onderzoek noodzakelijk.

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Het plangebied ligt op circa 2 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Markermeer & IJmeer. Gezien deze afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weide- vogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig. Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m².

Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.

Stikstofdepositie Voor het plangebied is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Marktweg 22 te Hem, Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming, Van der Goes en Groot, d.d. 6 mei 2020, bijlage 7). In de berekening wordt de projectbijdrage door de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS 2019) op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook vegetaties of Natura 2000-gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (bouw) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In deze berekening zijn beide fases berekend. De situatie met de hoogste projectbijdrage is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening zijn de effecten ingeschat op de meest dichtbij zijnde stikstofgevoelige habitattypen. Het betreft diverse aangewezen (en in rekentool Aerius aangegeven) habitattypen in Markermeer & IJmeer, Eilandspolder en Oudegaasterbrekken, Fluessen & omgeving. De stikstofemissies tijdens de aanlegfase zijn toe te wijzen aan twee bronnen.

Het betreft verkeersaantrekkende werking en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwsite. Omdat de precieze uitvoer van de plannen niet bekend is, is gedeeltelijk gerekend met zogenaamde 'worst-case' aannames. Uit de berekeningen blijkt dat op alle rekenpunten de projectbijdrage van de aanlegfase van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Er wordt bij de berekening met betrekking tot de gebruiksfase uitgegaan van 12 vrijstaande woningen, 48

12 twee-onder-een-kap-woningen en 10 rug-aan-rug-starterswoningen. De bebouwing wordt gasloos en zonder andere stookinstallaties aangelegd, zodat hier van emissie geen sprake is en alleen de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking wordt berekend. Uit de berekeningen blijkt dat op alle rekenpunten de projectbijdrage van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. De hoogste bijdrage van het project betreft de tijdelijke inzet en het tijdelijke effect van mobiele werktuigen. Deze tijdelijke effecten zijn vaak gemakkelijker op te vangen door de natuurlijke fluctuaties binnen het natuurgebied of eventueel herstelbeheer, dan effecten van permanente activiteiten. In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (vrijwel) geen stikstof meer geëmitteerd.

De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op kwetsbare natuurgebieden.

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht. Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten; Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering; Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat 's nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

5.5.3

Conclusie

Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan soortbescherming aan de orde is bij uitvoering van de plannen. Voor de bescherming van broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten zullen de werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaatsvinden. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.

49

5.6

Externe veiligheid

5.6.1

Wet- en regelgeving

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Het gaat hierbij om risico's door stationaire (inrichtinggebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar die een persoon op een bepaalde plaats heeft om dodelijk getroffen te worden door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, indien de persoon zich continu maximaal blootstelt aan de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat een bepaald aantal personen dodelijk getroffen wordt door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, waarbij van de feitelijke omgevingssituatie wordt uitgegaan. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer.

Dit houdt onder meer in dat er sprake is van een resultaatsverplichting om te voldoen aan de norm. Voor het groepsrisico is geen wettelijke norm vastgelegd maar wordt uitgegaan van een oriënterende waarde. Dit houdt in dat er een inspanningsverplichting is om te voldoen aan de norm. Het bevoegd gezag kan zo nodig, mits gemotiveerd en na belangenafweging, afwijken van deze norm. Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De regelgeving zoals die in het Bevi is opgenomen, is gericht op het beperken van de risico's van een ongeval met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijven) voor personen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico zijn in het Bevi vastgesteld. Het externe veiligheidsbeleid met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen is in de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (nota Rnvgs) opgenomen. In de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is dit beleid verder uiteengezet. Dit beleid is waar mogelijk overeenkomstig het Bevi. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In het Bevb is bepaald dat er bij buisleidingen (veiligheids)zones aanwezig zijn.

5.6.2

Situatie plangebied

50

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd) bron: www.risicokaart.nl

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die gevaarlijke stoffen aanwezig hebben en gebruiken op een wijze en in een omvang zodanig dat er relevante gevaarlijke effecten zijn te verwachten nabij de nieuw op te richten kwetsbare objecten. Ten noorden van het plangebied ligt een tankstation met LPG vulpunt aan de Twijver. Deze ligt op een afstand van meer dan 600 meter van het plangebied. De risicoafstand (PR 10-6) is 25 meter, de afstand tot de grens van het invloedsgebied verantwoording groepsrisico is 150 meter. Aan de Westerkerkweg ligt een groothandel in zaden, pootgoed en peulvruchten met een ammoniakkoelinstallatie op ca. 600 meter. Deze installatie heeft wel een milieuvergunningsplicht, maar geen risicoafstanden. Overschrijding van risiconormen is derhalve niet aan de orde. Bij beïnvloeding door het transport van gevaarlijke stoffen wordt het transport per water, per weg, per spoor en per buisleiding beschouwd. In de nabijheid van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gelet op de afwezigheid van water waarover vervoer kan plaatsvinden en (grote) buisleidingen binnen het plangebied, vormen deze drie vormen van transport van gevaarlijke stoffen geen relevant gegeven voor dit bestemmingsplan.

5.6.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

5.7

Geluid

5.7.1

Wet- en regelgeving

Wet geluidhinder

51

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten.

Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken, zie onderstaande tabel.

Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt 48 dB. De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB. Buiten de bebouwde kom bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB.

52

Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A).

Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen. Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zo nodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden vastgesteld. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A).

5.7.2

Situatie plangebied

Voor het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek plangebied Besseling te Hem, Aveco de Bondt, d.d. 18 juni 2020, bijlage 1). Hierin is onderzocht wat de gevolgen zijn van het wegverkeerslawaai en het industrielawaai. Voor het plangebied zijn spoorweglawaai en vliegtuiglawaai niet van toepassing.

Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt nabij de Koggeweg en Hemmerbuurt/Westeinde. Deze wegen liggen binnen de bebouwde kom. Op de Koggeweg geldt tot en met de brandweerkazerne een snelheidsregime van 30 km/uur, verder in zuidelijke richting is dit 50 km/uur. Op de Hemmerbuurt is vrijwel direct ten westen van de Marktweg een overgang van 30 km/uur naar 50 km/uur. Vanwege de situering in de bebouwde kom (stedelijk) is de zonebreedte van de Koggeweg en Hemmerbuurt 200 meter. Het plangebied bevindt zich in de zone van beide wegen. De Marktweg is als geheel een 30 km/uur-weg. De wegen waarvoor 30 km/uur als maximaal toegestane rijsnelheid geldt zijn in het akoestisch onderzoek beschouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting, als gevolg van het gezoneerde (50 km/uur) deel van de Koggeweg, ten hoogste 46 dB bedraagt. Hiermee is voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting vanwege de gehele Koggeweg, zowel het gezoneerde als 30 km/uur-gedeelte, bedraagt ten hoogste 50 dB en is inzichtelijk gemaakt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De berekende geluidbelasting van de Marktweg is ten hoogste 47 dB. Dit is lager dan de wettelijke voorkeurswaarde. De geluidbelasting vanwege de Marktweg is inzichtelijk gemaakt in het kader van een

53

goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting vanwege het gezoneerde (50 km/uur) deel van vanwege de Hemmerbuurt/Westeinde bedraagt ten hoogste 36 dB. Hiermee is voldaan aan de wettelijke voorkeurswaarde. Ook de geluidbelasting vanwege de gehele weg (zowel het gezoneerde als 30 km/uur-gedeelte) bedraagt 36 dB. Hiermee is voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder.

Gebleken is dat de geluidbelasting vanwege weggedeelten die zijn voorzien van een zone (artikel 74 Wgh) voldoet aan de wettelijke voorkeurswaarde. Hieruit volgt dat voor het plan geen hogere grenswaarde op grond van de Wet geluidhinder benodigd is. Wel is sprake van een overschrijding van 2 dB ter plaatse van 2 woningen vanwege het niet-gezoneerde deel van de Koggeweg waar de maximale rijsnelheid 30 km/uur bedraagt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt het toepassen van geluidbeperkende maatregelen daarom afgewogen. Voor bronmaatregelen zoals het aanbrengen van stiller asfalt en overdrachtsmaatregelen zoals het plaatsen van een geluidscherm of -wal geldt dat de investering die hiermee gepaard gaat niet opweegt tegen het te behalen effect, namelijk 2 dB reductie ter plaatse van twee woningen. Bovendien blijkt uit een analyse van de situatie dat bij de betreffende woningen een goed woon- en leefklimaat geborgd is, omdat het vrijstaande woningen betreft die over ten minste één geluidluwe (geluidbelasting lager dan 48 dB) zijde beschikken. Andere wegen (Marktweg, Hemmerbuurt/Westeinde) veroorzaken geen hogere geluidbelasting dan de voorkeurswaarde. Uit het voorgaande volgt dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van woningen in het plangebied.

Industrielawaai

Bedrijventerrein Zuiderkogge Het bedrijventerrein Zuiderkogge, ten zuidwesten van het plangebied, is niet voorzien van een geluidzone. Hiermee is de Wet geluidhinder wat betreft het onderdeel industrielawaai niet van toepassing. Het huidige bestemmingsplan ter plaatse van Zuiderkogge (Bestemmingsplan Drechterland Zuid) voorziet voor een deel van het terrein in een bestemming Bedrijventerrein, met functieaanduiding bedrijf tot en met categorie 4.2. Bij milieucategorie 4.2 hoort op basis van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 300 meter. Het plangebied ligt op een afstand van 150 meter, binnen de richtafstand. Dit is reden om de te verwachten geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein op het plangebied nader te onderzoeken en te beoordelen. In de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering is een normstelling opgenomen voor de geluidbelasting in een woonomgeving 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Vanwege de ligging aan de rand van de kern Hem is uitgegaan van woonomgeving 'rustige woonwijk'. Aangetoond moet worden dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er geen beperkende werking uitgaat van de nieuwe woningen op de reguliere bedrijfsvoering van de bedrijven en verenigingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9804384/1