Bijlage Bestemmingsplan Marktweg Hem versie vastgesteld (2021-02)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Marktweg Hem
Gemeente Drechterland 22 maart 2021 Vastgesteld
Gemeente Bestemmingsplan Voorontwer
Plannummer: NL.IMRO.0498.BPMarktweg-VG01 -
Toelichting Regels Verbeelding
Vastgesteld 22 maart 2021 Projectnummer 2716-110
Gemeente Drechterland Toelichting, deel uitmakende van het Bestemmingsplan Marktweg Hem Vastgesteld
Plannummer: NL.IMRO.0498.BPMarktweg-VG01 Vastgesteld door de gemeenteraad op 22-03-2021 Plan onherroepelijk per ..-..-….
Inhoudsopgave Toelichting
Toelichting
5
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 7
Hoofdstuk2 Beleid 2.1 Inleiding 2.2 Rijksbeleid 2.3 Provinciaal beleid 2.4 Regionaal beleid 2.5 Gemeentelijk beleid
9 9 9 10 16 18
Hoofdstuk3 Huidige situatie 3.1 Ontstaansgeschiedenis 3.2 Huidige situatie plangebied
21 21 24
Hoofdstuk4 Planbeschrijving 4.1 Inleiding 4.2 Stedenbouwkundig plan 4.3 Woningen 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Duurzaamheid 4.6 Beeldkwaliteitsplan
27 27 27 29 34 36 37
Hoofdstuk5 Milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bedrijven en milieuzonering 5.3 Bodem 5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.5 Ecologie 5.6 Externe veiligheid 5.7 Geluid 5.8 Kabels en leidingen 5.9 Luchtkwaliteit 5.10 Water 5.11 Milieueffectrapportage
39 39 39 41 44 46 50 51 56 57 58 62
Hoofdstuk6 Juridische vormgeving 6.1 Plansystematiek 6.2 Opzet en toelichting van de planregels
65 65 65
Hoofdstuk7
Economische uitvoerbaarheid
67
Hoofdstuk8
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
69
2
8.1 8.2 8.3
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Inspraak Ter inzage legging
69 69 69
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Akoestischonderzoek
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 3
Nader bodemonderzoek
Bijlage 4
Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 5
Archeologisch veldonderzoek
Bijlage 6
Ecologisch onderzoek
Bijlage 7
Aeriusberekening
Bijlage 8
Watertoets
3
Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1
Aanleiding
Bij de gemeente Drechterland is een verzoek binnengekomen voor de transformatie van de locatie aan de Marktweg in Hem, van een garagebedrijf naar een woongebied. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels geasfalteerd en bebouwd met bedrijfsgebouwen. Het achterste deel wordt gebruik voor de opslag van voertuigen. In het voorliggende plan worden alle gebouwen en verhardingen verwijderd en vervangen door een groen woongebied. Het is hierbij de bedoeling 34 nieuwe woningen te realiseren. De bestaande bedrijfswoning wordt ook meegenomen in het plan en krijgt een rechtstreekse woonbestemming. Niet alleen zal het plangebied in uitstraling veel vriendelijker worden, maar het zal ook minder overlast geven t.o.v. de huidige bedrijfslocatie.
Het vigerende bestemmingsplan laat het beoogde gebruik en de bouw van woningen niet toe. Het gemeentebestuur heeft besloten onderhavig bestemmingsplan in procedure te brengen om de beoogde functies, bouwwerken en de aanleg hiervan mogelijk te maken. Het stedenbouwkundig plan voor de locatie is vertaald naar dit bestemmingsplan.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van de kern Venhuizen, richting de kern Hem. De noordgrens wordt gevormd door de bestaande bebouwing aan de weg Hemmerbuurt. Dit zijn zowel woningen als (agrarische) bedrijven. Aan de oostzijde liggen de bestaande woningen aan de Marktweg. De noordoostkant van het plangebied valt binnen de milieucirkel van een tuinderij met kas en kan daarom niet gebruikt worden voor woningbouw. Het is wel mogelijk om op deze gronden een deel van de wijkinfrastructuur te realiseren met parkeren, groen en spelen. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de Koggeweg. Ten zuiden hiervan liggen sportvelden. Aan de westkant liggen velden met een agrarische bestemming. Het plangebied is ca. 1,8 hectare groot.
5
Ligging plangebied (plangebied rood omcirkeld) bron: www.topotijdreis.nl
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het vigerende bestemmingsplan 'Drechterland Zuid' is door de raad van de gemeente vastgesteld op 24 juni 2013 en de 'Eerste herziening Drechterland Zuid' op 26 oktober 2015.
6
Uitsnede bestemmingsplan (plangebied rood omkaderd), bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
Op basis van deze plannen heeft het plangebied de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'caravanstalling'. Daarbinnen ligt een bouwvlak waar bebouwing ten behoeve van de bestemming toegestaan is. Daarnaast ligt over het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en voor een klein deel aan de zuidzijde 'Waarde - Archeologie 2'. De dubbelbestemming regelt een bijzonder belang dat eerst afgewogen dient te worden alvorens de ondergelegen bestemming mag worden gerealiseerd. De nieuwe woningen passen niet binnen de bestemming 'Bedrijf'.
1.4
Leeswijzer
De toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 is de toetsing van het project aan het beleid van rijk, provincie en gemeente beschreven; in hoofdstuk 3 wordt de bestaande situatie weergegeven; in hoofdstuk 4 is de beschrijving van het plan opgenomen; in hoofdstuk 5 zijn alle aspecten op het gebied van het milieu en leefkwaliteit beschreven; hoofdstuk 6 omvat de juridische planbeschrijving; hoofdstuk 7 beschrijft de economische uitvoerbaarheid; in hoofdstuk 8 zijn de resultaten opgenomen van inspraak en overleg.
7
8
Hoofdstuk 2 Beleid
2.1
Inleiding
Op bestuurlijk niveau zijn beleidsuitspraken geformuleerd die onder meer betrekking hebben op het plangebied. Dit hoofdstuk bevat een korte samenvatting van de voor het bestemmingsplan van belang zijnde nota's en studies. Het milieubeleid, dat is vastgelegd in diverse wetten en waarvoor specifiek onderzoek moet worden uitgevoerd, is opgenomen in hoofdstuk 5 (Milieu).
2.2
Rijksbeleid
2.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Daarmee is het nieuwe nationale ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van kracht geworden. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De rijksoverheid richt zich op nationale belangen. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; De bereikbaarheid verbeteren; Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.
Voor het verbeteren van de milieukwaliteit gaat de nota uit van de (internationaal) geldende normen. Verder gaat de nota uit van ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten, het gaat daarbij om de (herijkte) EHS (inmiddels Natuurnetwerk Nederland geheten) en Natura 2000-gebieden.
Voor het plangebied zijn geen specifieke opgaven bepaald. De ontwikkeling heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
9
2.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Ten behoeve van de bescherming van de in de SVIR genoemde nationale belangen, worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor de lagere overheden als provincie en gemeente. In het Barro worden de kaderstellende uitspraken uit de SVIR bevestigd. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro. Doel van het Barro is om onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken, danwel te beschermen. Het gaat hierbij onder meer om de volgende onderwerpen: rijksvaarwegen, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, Ecologische Hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.
Geen van deze nationale belangen speelt een rol binnen de begrenzing van het plangebied.
2.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en moet overprogrammering worden voorkomen. Om beide te bereiken wordt een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waardoor artikel 3.1.6 lid 2 Bro aangeeft dat: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).
2.2.4
Conclusie
Op basis van bovenstaande samenvattingen van de van belang zijnde beleidsnota's kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het rijksbeleid.
2.3
Provinciaal beleid
2.3.1
Omgevingsvisie NH2050
Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan, het Milieubeleidsplan 2015-2018, de Watervisie 2021 en de Agenda Groen. De hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is het relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau
10
vasthouden door te richten op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Een economisch vitale provincie draagt bij aan het welzijn, en een leefbare provincie draagt bij aan economische vitaliteit. De provincie staat voor een gezonde en veilige leefomgeving, goed voor mens, plant en dier, en daarmee ook goed voor het economisch vestigingsklimaat binnen de provincie. Dit evenwicht staat ten dienste van duurzame ontwikkeling: toekomstige generaties moeten ook profiteren van de keuzes die nu gemaakt worden. De sturingsfilosofie is het principe 'lokaal wat kan, regionaal wat moet'. Hierbij wordt rekening gehouden met de diversiteit aan regio's, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat de opgave centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking.
Onder de hoofdambitie zijn voor een drietal aspecten samenhangende ambities geformuleerd: Leefomgeving Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dit betreft bodem, water, lucht, omgevingsveiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond; Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.
Gebruik van de leefomgeving Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten; Wonen en werken: vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming laten zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends; Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden; Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
Energietransitie De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal is en gebaseerd is op hernieuwbare energie.
In het Visiedeel zijn de ambities uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen hanteert de provincie meerdere ontwikkelprincipes. Deze ontwikkelprincipes geven houvast naar de toekomst toe omdat ze op hoofdlijnen beschrijven hoe de provincie de ontwikkelingen voor zich ziet. Het gaat om de volgende vijf bewegingen:
11
Dynamisch schiereiland: het benutten van de unieke ligging, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling: hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van en samenhangend metropolitaan systeem wordt de agglomeratiekracht vergroot. Sterke kernen, sterke regio's: de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie: het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.
Op dit moment is de provincie bezig met het opstellen van de eerste integrale Omgevingsverordening. Deze zal op termijn de huidige Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vervangen. De PRV wordt regelmatig aangepast naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid. De laatste wijziging van de PRV is op 27 mei 2019 door Provinciale Staten vastgesteld. In deze wijziging is een verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen opgenomen in de PRV. Daarnaast is de begrenzing van glastuinbouwconcentratiegebieden, het weidevogelleefgebied en bufferzone aangepast. De gewijzigde PRV is op 7 juni 2019 in werking getreden. De Provincie Noord-Holland spant zich in voor het in stand houden en waar mogelijk vergroten van de biodiversiteit, vanuit de intrinsieke waarde van natuur. De Provincie beschouwt de natuur en de gebruikswaarde van haar natuur daarom in samenhang. De Provincie Noord-Holland zorgt voor gebieden met een hoge biodiversiteit, maakt deze waar mogelijk toegankelijk voor recreatie en bouwt deze uit tot een robuust, samenhangend netwerk. Kern van het natuurbeleid is de veiligstelling en de ontwikkeling van een netwerk van onderling verbonden natuurgebieden, de EHS (thans NNN) inclusief de verbindingszones, nationale parken en Natura 2000-gebieden.
Het plangebied valt grotendeels binnen het Bestaand Stedelijk Gebied (BSG). Het beleid van de provincie geeft een voorkeur aan woningbouw in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden. De locatie Besseling leent zich hier goed voor. Doordat het ontwerp voor het plan de lijnen uit het landschap volgt sluit het goed aan op de kwaliteiten van het landschap en de cultuurhistorie. Voor de verantwoording van de woningbouw en de inpassing binnen de ruimtelijke kwaliteitseisen van artikel 15 van de PRV wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving). Verder draagt het plan bij aan Sterke kernen, sterke regio's. Met de toevoeging van de woningen wordt bijgedragen aan het in stand houden van het voorzieningenniveau van de kern Venhuizen. Het plangebied ligt op ca 1,8 km afstand weidevogelleefgebied en op ruim 4 km afstand van een NNN-gebied op het land. Het Markermeer (NNN grote wateren) ligt op ca. 2 km afstand. Deze beschermde gebieden worden niet rechtstreeks geraakt. Wat betreft de verdere bescherming van natuurgebieden wordt verwezen naar paragraaf 5.5 Ecologie, van deze toelichting.
Met de onderbouwing in de genoemde paragrafen wordt aangetoond dat het plan niet in strijd is met de provinciale omgevingsvisie en verordening.
12
2.3.2
Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018)
Aandacht voor behoud en ontwikkeling van landschap en cultuurhistorie is sterk verankerd in het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland. In de afgelopen jaren is het beleid sterk ontwikkeld en heeft het een duidelijke plek gekregen in de Structuurvisie Noord-Holland 2040. Voor het opstellen van ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en structuurplannen is de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018) vastgesteld. Ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn alleen mogelijk indien de Leidraad daarbij wordt toegepast. Deze Leidraad is een vernieuwde versie van de Leidraad uit 2010. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (Leidraad) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad geeft gebiedsgerichte en ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. Ruimtelijke kwaliteit is lastig te definiëren of kwantificeren.
Het gaat niet om mooi of lelijk, of behouden tegenover ontwikkelen. Ruimtelijke kwaliteit draait om het samenspel van nieuw en oud en de balans tussen behoud en ontwikkeling bij het maken van keuzen over de toekomst van het landschap. Zonder behoud geen verleden, maar zonder ontwikkeling geen toekomst. Kortom ruimtelijke kwaliteit ontstaat als nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aansluiten op de huidige kwaliteiten van het landschap. Zodat, waar mogelijk, eenieder het landschap in kan, het kan beleven en ervan kan genieten – ook in de toekomst. Volgens de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2018) dient bij ruimtelijke plannen verantwoording te worden afgelegd van de manier waarop nieuwe functies rekening houden met de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap, de ordeningsprincipes van het landschap, de bebouwingskarakteristieken en de bestaande kwaliteiten van het gebied.
De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.
Het plangebied valt binnen het ensemble West-Friesland Oost. De Westfriese Omringdijk vormt een herkenbare omlijsting van het oude zeekleilandschap van West-Friesland. Hierin liggen diverse droogmakerijen. In het Westfriese landschap zijn lokale landschappelijke verschillen ontstaan door de ontstaansgeschiedenis, de strijd tegen het water, de ligging en vooral de groei van de steden, de mate van ruilverkaveling en de huidige dynamiek. Het oostelijk deel van West-Friesland heeft landschappelijk gezien veel verwantschap met West-Friesland Midden en West, maar heeft wel deels een eigen ontstaansgeschiedenis en karakteristieken. Dit oostelijk deel vormt tevens de kust van het IJsselmeer en het Markermeer. In dit ensemble herinneren de karakteristieke binnensteden van Medemblik, Enkhuizen en Hoorn aan het Zuiderzee- en VOC-verleden. Deze steden zijn de grotere kernen. De spoorlijnen vanuit Alkmaar en Amsterdam via Hoorn naar Enkhuizen, de snelweg A7, de Houtribdijk en de toekomstige Westfrisiaweg verbinden dit gebied met de omgeving.
13
West-Friesland Oost is een oud zeekleilandschap met de karakteristiek van een veenontginningsgebied. Kenmerken zijn de lange veenlinten en opstrekkende kavels haaks op de linten. De ligging van de linten is afhankelijk van de richting van de ontginningen en vaak sterk gerelateerd aan de ondergrond (de hooggelegen kreekruggen). Waterlopen als de Kadijk, de Gouw, de Groote Vliet en de Molensloot zijn enkele relicten van het ooit waterrijke landschap. De kronkelende dijken en de braken en wielen zijn het resultaat van de lange strijd tegen het buitenwater. Het oostelijke deel is het minst open ensemble van West-Friesland. Het verloor de grootschalige openheid door de aanleg van woongebieden, bedrijventerreinen en agrarische bebouwing en is nu matig open tot gesloten. In het kleinschalige landschap aan de Markermeerdijk, tussen Hoorn en Enkhuizen, is het oorspronkelijke landschap en de openheid het best bewaard gebleven. Aan beide zijden van het lint is het landschap open (de zogenaamde ‘gedeelde ruimte’). De Westfriese Omringdijk vormt door zijn hoogte en herkenbare dijkprofiel een duidelijke begrenzing van de meer open gebieden in West-Friesland (Oost). Verspreid door West-Friesland Oost staan enkele molens als markante objecten in het landschap. In het Westfriese landschap zijn de ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen de belangrijkste lokale structuurlijnen.
De lintdorpen zijn beeldbepalend en zijn van oudsher de ruimtelijke dragers van verstedelijking en van stolpenreeksen. De linten zijn vaak gelegen op de kreekruggen (Schellinkhout, Wijdenes, Oosterblokker, Opperdoes) en op oude dijken (Zwaagdijk, Andijk). Linten zijn soms heel uitgestrekt, rechtlijnig en verstedelijkt, bijvoorbeeld tussen Hoorn en Enkhuizen en hebben soms een grilliger verloop, zoals in Schellinkhout en Oosterleek. In veel van deze linten vindt geleidelijke verdichting en uitbreiding plaats met een mix aan functies van een verschillende omvang (zoals wonen, agrarische functies, handelsbedrijven, recreatieve functies, maneges etc.). Hoe meer het lint verdicht hoe meer divers de functies en de maat en schaal van de bebouwing. Soms is het moeilijk de grens tussen kern (bebouwde kom) en landelijk lint vast te stellen. Verdere groei van bebouwing aan en langs de linten leidt tot verdere verdichting van het landschap en het verdwijnen van doorzichten en open gebieden. Er zijn ook linten die inmiddels zodanig verdicht zijn dat er vanaf het lint weinig tot geen doorzichten naar het landschap meer zijn. Langs enkele linten staan reeksen stolpboerderijen zoals in Schellinkhout, Wijdenes, Oosterblokker, Westwoud en Venhuizen.
Het plangebied ligt in het landschap: Oude zeekleilandschap met een fijnmazige verkaveling en linten op de hooggelegen kreekruggen. Het plangebied ligt direct ten zuiden van een van deze oude linten met stolpboerderijen, maar maakt er geen onderdeel van uit. Voor het plangebied geldt dat de genoemde verdichting van het lint met het sportpark en het bedrijventerrein ten zuiden van het plangebied, het bebouwingslint ten noorden en de bestaande bebouwing van Venhuizen ten oosten ervan goed merkbaar is. De openheid van het landschap is in het plangebied zelf niet heel duidelijk aanwezig. Het plan draagt met een markant pand op beide hoeken aan de zuidzijde bij aan een duidelijker markering van de overgang naar woonbebouwing. Het plan neemt de structuurlijnen uit de omgeving (verkavelingsrichting, wegen, waterlopen) op en draagt daarmee bij aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek. Voor de verdere verantwoording van de inpassing en de ruimtelijke kwaliteit van het plan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).
14
2.3.3
Woonagenda 2020-2025
De provincie Noord-Holland wil dat er de komende jaren veel betaalbare en duurzame woningen beschikbaar komen. Zij gaat gemeenten met raad en daad helpen om de flinke ambitie op het gebied van wonen waar te maken. De speerpunten van de Provinciale Woonagenda 2020-2050 zijn: De vraag naar passende en betaalbare woningen in de provincie is groot en neemt onder alle doelgroepen toe. De provincie vindt het belangrijk om in de woonbehoefte te voorzien en daartoe de woningbouwproductie aan te jagen. Tegelijk wil de provincie de transitie maken naar een volledig klimaatneutrale, circulaire en klimaatadaptieve bouw én de bestaande woningvoorraad verduurzamen. Een goede ruimtelijke inpassing van woningbouwprojecten, rekening houdend met andere randvoorwaarden voor verstedelijking en beleidsdoelen uit de Omgevingsvisie, is daarvoor essentieel. De richtinggevende principes die de provincie daarbij heeft geformuleerd zijn: 1. De vraag is leidend. De regionale programmeringen worden bepaald op basis van gegronde onderbouwing van vraag, aanbod en het kwalitatieve en kwantitatieve verschil daartussen voor nu en in de toekomst; 2. Er zijn snel meer woningen nodig. De provincie zet in op het versnellen van de woningbouwproductie en helpt gemeenten hierbij door voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw; 3.
De woningbouwprogrammering is regionaal en adaptief. De programmering houdt rekening met fasering en haalbaarheid, zodat de in het woonakkoord af te spreken regionale productiedoelstellingen kunnen worden gehaald. 4. De provincie geeft gemeenten ruimte om bij binnenstedelijke plannen nabij een OV-knooppunt en/of in een groeiregio hogere aantallen woningen te realiseren dan de prognose, om het woningtekort versneld in te lopen. 5. De woningmarkt heeft structureel meer flexibiliteit en betaalbare opties voor alle verschillende doelgroepen van woningzoekenden nodig. 6. Betaalbaar en divers woningaanbod voor alle doelgroepen vraagt regionale afstemming en samenwerking. 7. Vanuit het oogpunt van leefbaarheid en gezondheid bewaakt de provincie de goede balans tussen economie, wonen, mobiliteit, natuur en landschap. 8. Woningbouw heeft een grote impact op het landschap, de natuur en de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. In de woonakkoorden maken we afspraken om woningbouw zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, actieve mobiliteit (gericht op fietsen en lopen) stimulerend, circulair en natuur- en landschapsinclusief te ontwikkelen en dit vroegtijdig bij de locatiekeuze en planontwikkeling mee te nemen.
Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking en de behoefte van de regio West-Friesland. Samen met andere in- en uitbreidingslocaties levert het een goede bijdrage aan een evenwichtige en een gevarieerde opbouw van de woningvoorraad in de regio. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).
2.3.4
Conclusie
Op basis van de bovenstaande samenvattingen en de motivering in hoofdstuk 4 kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal beleid.
15
2.4
Regionaal beleid
De 7 gemeenten in de regio West-Friesland werken nauw samen op het gebied van woningbouw en volkshuisvesting. In 2017 zijn de Regionale Woonvisie, het Regionaal Actieprogramma Wonen 20172021 (RAP), de kwantitatieve woningbouwprogrammering en het regionaal afwegingskader wonen vastgesteld. De regionale woonvisie bevat de regionale ambities ten aanzien van het wonen in West-Friesland. Het afwegingskader is een regionaal instrument om uitvoering te geven aan de ambities van de regio en om ervoor te zorgen dat nieuwe plannen blijven voorzien in de regionale woningbehoefte.
2.4.1
Regionale Woonvisie West-Friesland
Het woningbouwbeleid is vastgelegd in de regionale Woonvisie West-Friesland 2017. Hierin is de ambitie uitgesproken om tot de top 10 woonregio's van Nederland te gaan behoren en de hoe de woonvisie bijdraagt aan het realiseren van die ambitie. De Westfriese Woonvisie zet in op de volgende speerpunten: Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen; Vitale kernen: richten op kansrijke producten en locaties; Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten; Scheiden wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen; Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven.
Het speerpunt voor nieuwbouw, inzetten op onderscheidende en complementaire producten, heeft de volgende uitgangspunten: De vraag staat centraal: naar woning en woonomgeving; Landschappelijk onderscheidend vermogen van West-Friesland benadrukken: 'groen, rust, ruimte, water'; Betreft gemengde woonmilieus met meer aandacht voor bijvoorbeeld duurzaamheid en zelfvoorzienendheid, mengvormen met landelijk wonen en stadslandbouw; Toepassen van nieuwe woonvormen met geïncorporeerde vormen van domotica en 'the internet of things' en een nieuwe bouwopzet van nieuwbouw: seniorenwoningen, collectieve bouw, tiny houses, grote landschapskavels et cetera; Bewoners-initiatieven over vormgeving van zorg voor hun ouders en/of kinderen (familiedomeinen, woongroepen en wonen met gelijkgestemden); Nieuwe vormen van opdrachtgeverschap, zoals (collectief-)particulier opdrachtgeverschap, mede-opdrachtgeverschap en doe-het-zelf planologie.
In het plan spelen groen, rust, ruimte en water een belangrijke rol en vanzelfsprekend maken duurzaamheid en een klimaatadaptieve inrichting onderdeel uit van de planvorming. Met het realiseren van rug-aan-rugwoningen voor starters en seniorenwoningen wordt er bijgedragen aan nieuwe woonvormen waar behoefte aan is. De voorgenomen ontwikkeling van 34 woningen draagt bij aan de kwaliteit van de woningvoorraad waarbij invulling wordt gegeven aan de aanwezige woningbehoefte.
16
2.4.2 Regionaal Actieprogramma regio West-Friesland en Afwegingskader wonen West-Friesland 2019 De uitvoering van de regionale woonvisie vindt plaats via het Regionaal Actieprogramma (RAP). In het RAP staat per speerpunt welk beleid en welke instrumenten hiervoor worden ingezet. Onderdeel van het RAP is een regionale woningbouwprogrammering met een regionaal afwegingskader wonen. Het afwegingskader vormt de basis voor nieuwe woningbouwplannen en licht deze toe.
Het toepassen van de ladder is in de regio West-Friesland vastgelegd in het Afwegingskader wonen West-Friesland 2019 (AWF 2019). Daarin zijn de minimumvereisten vastgelegd waaraan elk plan moet voldoen (Westfriese basis). Aan de hand van de stappen in deze basis kan worden beoordeeld of een nieuwbouwplan wel of niet kan worden gerealiseerd. Hierin is onder meer van belang dat een plan moet passen in de vastgelegde woningbouwbehoefte. Daarnaast zijn er een aantal vereisten waar minstens voor de helft aan voldaan moet worden (Westfries vooruitdenken). De minimumvereisten van de Westfriese basis waaraan elk plan moet voldoen zijn: Het plan past binnen de indicatieve regionale woningbehoefte (incl. de buffer) en blijft in principe binnen de gemeentelijke behoeften; Het plan voldoet aan de voorwaarde dat 70% van de woningbouwplannen in West-Friesland worden gerealiseerd in de krachtige kernen; Er is getoetst of het plan voldoet aan de regionale behoefte: kwantitatief (past binnen de regionale prognose); kwalitatief (woningtype, woonmilieu, kwaliteit etc.); Het plan kan gerealiseerd worden binnen BSG.
Wanneer het plan buiten BSG gelegen is, is getoetst of realisatie binnen BSG mogelijk is; Als realisatie past binnen de regionale behoefte, maar realisatie binnen BSG niet mogelijk is, is getoetst of het plan zich binnen een provinciaal beschermingsregime bevindt en multimodaal ontsloten is.
De ambities voor het Westfries vooruitdenken bestaan uit: Het plan levert een positieve bijdrage aan betaalbaar wonen (huur onder de liberalisatiegrens / goedkope koop < €200.000); Het plan levert een bijdrage aan het langer zelfstandig wonen; Het plan levert een positieve bijdrage aan duurzaamheidsdoelstellingen; Het plan voorziet in woningen in de vrije huursector voor middeninkomens; Nieuwe woningbouw wordt zoveel mogelijk gerealiseerd in de nabijheid van een OV- knooppunt; Het plan draagt bij aan de aantrekkingskracht op woningzoekenden van buiten de regio door het bieden van een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving; Het plan draagt duurzaam bij aan de benodigde versnelling van de woningbouwproductie in Westfriesland en past binnen de woningbehoefte; Het plan vormt een toevoeging vanwege het type woningen waarin het voorziet; Het plan vormt een toevoeging vanwege de doelgroep woningzoekenden waarvoor het wordt gebouwd; Het plan vormt een toevoeging vanwege de onderscheidenheid in samenhang met woonmilieu en programma waarin het voorziet.
Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking en de vereisten
17
zoals is vastgelegd in het AWF 2019. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving).
2.4.3
Conclusie
Onderhavig plan past in het regionale beleid en draagt samen met andere in- en uitbreidingslocaties bij aan een evenwichtige en een gevarieerde opbouw van de woningvoorraad in de regio.
2.5
Gemeentelijk beleid
2.5.1
Toekomstvisie Drechterland
In 2009 heeft de gemeenteraad de Toekomstvisie Drechterland vastgesteld. Hierin heeft de gemeente haar visie op de ontwikkeling van de gemeente uiteengezet. Hiermee geeft de visie richting aan de ontwikkeling. De visie is opgesteld op basis van de eigen waarden van de gemeente Drechterland. Uitgangspunten van de visie zijn dan ook: Het landschap van Drechterland is de sterkste troef; De landschappelijke kwaliteiten zijn omgevingskwaliteiten; De kernen zijn de dragers van de identiteit van Drechterland; De agrarische activiteiten vormen de dragers van het landschap. Belangrijk in de visie is het landschap van Drechterland. Dit is een van de belangrijke onderdelen van een rustig en veilig woonmilieu voor de bestaande en nieuwe inwoners van de gemeente.
Het plangebied voegt zich door de landschappelijke inpassing (zie paragraaf 4.2) goed in het landschap en draagt zo bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Hiermee wordt aangesloten bij de Toekomstvisie Drechterland.
2.5.2
Structuurvisie Landschap
De Structuurvisie Landschap Gemeente Drechterland is vastgesteld op 23 mei 2011. In dit document wordt de beoogde ontwikkeling van het landschap weergegeven in relatie tot de kernen en linten in de gemeente. Hiermee biedt de visie voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap. . In de visie worden drie soorten gebieden onderscheiden: Gebieden waar het beleid is gericht op het behouden en versterken van de landschappelijke waarden; Gebieden waar het beleid is gericht op het stap-voor-stap veranderen van de landschappelijke waarden waar het versterken van deze waarden noodzakelijk is; Gebieden waar het beleid is gericht op het vernieuwen van het landschap waar dit door ontwikkelingen wenselijk is.
Het gebied rondom Hem, Venhuizen, De Hout wordt in de visie verbonden aan het ambitieniveau ‘geleidelijk’ transformeren. Deze ambitie is toegekend aan dit gebied omdat de hoofdstructuur in dit gebied bestaande uit wegen, wegbeplanting en vaarten een sterk kader biedt maar dat de in dit gebied voorkomende bebouwing hier niet goed is ingepast. In deze zone ligt grootschalige bebouwing ‘kaal’ in het landschap en is weinig verwantschap aanwezig met de rest van het buitengebied. Daarnaast zijn in
18
dit gebied nog elementen als het bedrijventerrein bij Hem en enkele randen van het dorp Venhuizen die om verbetering vragen.
Het plangebied voegt zich door de inpassing (zie paragraaf 4.2) goed in het landschap, het opstrekkend verkavelingspatroon blijft behouden en de richting van de waterstructuur, die al van oudsher als ontwatering van het gebied dient, wordt benadrukt. Het plangebied draagt zo bij aan de ruimtelijke kwaliteit en past de nieuwe bebouwing goed in binnen het aanwezige sterke kader. Op de zuidwesthoek en op de hoek van het bebouwingslint langs de Marktweg worden markante panden gerealiseerd, als markering van de dorpsentree. Op deze manier wordt er een betere rand van het dorp Venhuizen gecreëerd. Er wordt aangesloten bij de Structuurvisie Landschap.
2.5.3
Welstandsnota Drechterland
De gemeenteraad heeft op 27 juni 2011 de Welstandsnota Drechterland vastgesteld. In deze welstandsnota heeft de gemeente haar welstandsbeleid uiteengezet. Dit beleid is erop gericht om de “redelijke eisen van welstand” te waarborgen. De regels in de welstandsnota zijn met name kwaliteitsvoorschriften met betrekking tot het uiterlijk van gebouwen. In de welstandsnota zijn verschillende welstandsgebieden onderscheiden. Afhankelijk van het type gebied zijn er bepaalde voorwaarden gesteld waaraan bouwwerken moeten voldoen, om niet te erg als dissident in die omgeving te worden ervaren. Het bestemmingsplangebied omvat verschillende van deze welstandsgebieden, te weten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Karakteristiek buitengebied; Ruilverkaveling; Karakteristieke linten; Linten; Centrumgebieden; Uitbreidingsgebieden met overwegend seriematige bouw; Uitbreidingsgebieden met overwegend individuele bouw; Bedrijventerreinen; Sport en recreatie.
Naast algemene welstandscriteria, zijn voor deze verschillende welstandsgebieden gebiedsgerichte welstandseisen opgenomen. Het plangebied valt binnen het welstandsgebied Ruilverkaveling. Voor het gebied geldt een aanduiding als regulier welstandsgebied, waarbij de nadruk zal liggen op het respecteren en geleidelijk transformeren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten, zoals dat aangegeven is in de Structuurvisie Landschap.
Voor het plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld dat is besproken in de Welstandscommissie. Naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen is het beeldkwaliteitsplan aangepast. In dit bestemmingsplan wordt door het vastleggen van de toegestane woningtypen, alleen vrijstaande en/of dubbele woningen, binnen de bestemming Wonen geborgd dat er geen lange wanden met rijwoningen ontstaan. Bij de verdere uitwerking van het gebied wordt rekening gehouden met de criteria uit het beeldkwaliteitsplan en de welstandsnota.
19
2.5.4
Woonvisie Drechterland 2012-2020
De Woonvisie van de gemeente Drechterland is vastgesteld op 28 januari 2013. In de visie wordt geconstateerd dat er in de periode 2010-2020 een toename van het aantal huishoudens in Drechterland zal zijn van 650-700 huishoudens. Deze stijging is voor het grootste gedeelte toe te rekenen aan een toename van de eenpersoonshuishoudens. Ruimtelijk kan dit vertaald worden naar een afnemende behoefte aan eengezinswoningen en een toenemende vraag naar kleinere eenpersoonswooneenheden, al dan niet geschakeld of geclusterd. Voor de eenpersoonshuishoudens wordt een situering voorzien in de nabijheid van dagelijkse voorzieningen op het gebied van detailhandel, zorg, horeca, sport en cultuur. De gemeente geeft in haar Woonvisie aan dat ze in haar beleid voorrang geeft aan binnenstedelijk boven buitenstedelijk en dat de woningbouw verandert van grootschalig naar kleinschalig. De gemeente zal minder bouwen dan in het verleden en meer flexibel en vraaggericht te werk gaan. Onderzoek naar consumentenvoorkeuren voor woonmilieus toon aan dat voor centrum-dorpse kernen als Hoogkarspel en Venhuizen er perspectieven zijn, de vitaliteit in kleine kernen staat daarentegen onder druk. Hier ligt de opgave om de leefbaarheid en vitaliteit van de dorpen versterkt en behouden kan worden.
Doordat de Woonvisie verouderd is en is opgesteld in tijden van economische crisis zijn de aannames ten aanzien van een geringe toename van het aantal woningen inmiddels achterhaald. De meest recente woonaantallen voor de gemeente uit het Afwegingskader wonen West-Friesland 2019 (zie paragraaf 2.4.2) zijn wat dat betreft nu leidend. Het plan past binnen de aantallen voor de regio. Voor de onderbouwing hiervan wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (Planbeschrijving). Nog steeds van toepassing is de toename van eenpersoonshuishoudens. Met het realiseren van een aantal rug-aan-rugwoningen voor starters wordt aan deze behoefte tegemoet gekomen.
2.5.5
Conclusie
Op basis van bovenstaande samenvattingen van de van belang zijnde beleidsnota's kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
20
Hoofdstuk 3 Huidige situatie
3.1
Ontstaansgeschiedenis
Regio West-Friesland West-Friesland Midden is ontstaan uit grote hoeveelheden sediment die zijn afgezet door het Zeegat van Bergen. Dit getijdebekken, dat tot ver in het binnenland reikte, zorgde voor opslibbing met zand en klei uit zee. Hierop vestigde zich al vroeg een groot aantal mensen in een relatief hoge dichtheid. West-Friesland is dan ook een archeologisch waardevol gebied, met relicten in de bodem van nederzettingen uit Steentijd, Bronstijd, IJzertijd en Romeins tijd. Vanaf de IJzertijd vernatte het gebied waardoor er veenontwikkeling tot stand kwam. Dit maakte het gebied ongeschikt voor bewoning. Vanaf de vroege middeleeuwen werd het gebied opnieuw in ontginning genomen. Om het gebied te ontwateren werden vanuit bestaande veenrivieren parallelle sloten het veen ingegraven. Op de droge toplaag kon men vervolgens wonen en akkers aanleggen. Een deel van de ontginningen werd beperkt door natuurlijke grenzen of bezitsgrenzen maar elders trok men onder druk van de bodemdaling steeds verder het veen in – net als in andere veengebieden. Om droge voeten te houden werden de nederzettingen verplaatst naar de hoogste plaatsen in het landschap, ten oosten van Hoorn en bij Medemblik lagen veel nederzettingen op kreekruggen. Kreekruggen zijn kronkelende zandbanen die op veel plaatsen in West-Friesland voorkomen.
De meeste nederzettingen in de veenontginningen kregen de vorm van langgerekte linten. Door de doorgaande bodemdaling en erosie ontstonden of groeiden verschillende binnenmeren zoals het Wogmeer, het Berkmeer en het Baarsdorpermeer. Daarnaast kregen veel nederzettingen waterstaatkundige problemen. Om droge voeten te houden werden de nederzettingen verplaatst naar de hoogste plaatsen in het landschap, de kreekruggen. Vanaf omstreeks de 11e eeuw begon men ook met het aanleggen van dijken om de veenontginningen tegen inbraken van de zee te beschermen. Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw vormden deze dijken een geheel: de Westfriese Omringdijk. Door deze gesloten dijk nam de invloed van de zee sterk af. De Omringdijk onderging na aanleg nog flinke veranderingen door de vele doorbraken en achter zwakke dijken werden inlaagdijken (reservewaterkeringen) aangelegd. Nog altijd vormt de Omringdijk door zijn hoogte de markante begrenzing van het oude zeekleigebied. Na de drooglegging van onder andere de Beemster en de aanleg van de Wieringermeerpolder werd de Westfriese Omringdijk steeds meer de scheiding tussen oud en nieuw land. In dit ensemble doet vrijwel de gehele Westfriese Omringdijk nog dienst als primaire waterkering voor het IJsselmeer en het Markermeer. Het veenpakket dat zich eerder op de kleibodem had ontwikkeld, is inmiddels verdwenen door oxidatie.
Het gebied heeft echter wel de ruimtelijke karakteristieken van een veenontginningsgebied behouden. Doordat de gronden ter weerszijden van de opgevulde getijdegeulen later zijn ingeklonken en het zand in de geulen niet, zijn deze met zand gevulde geulen nu lichte verhogingen in het landschap. De kleine, verspreid liggende meren werden in het begin van de 17e eeuw droogmakerijen, zoals polders de Wogmeer, de Baarsdorpermeer, de Bennemeer en de Berkmeer. Ze zijn herkenbaar aan hun ringsloot en rechthoekige verkaveling. Het gebied kende lang vooral een agrarisch gebruik (akkerbouw en fruitteelt). Het grootste deel van het transport ging over water. Als onderdeel van een groot landinrichtingsproces vonden in het midden van de 20e eeuw grootschalige ruilverkavelingen en daarmee schaalvergroting plaats. Aanleiding was de wens het agrarisch gebied beter aan te laten sluiten bij de moderne eisen van de landbouw. Het landschap werd getransformeerd, maar dat gebeurde niet overal op dezelfde manier of in dezelfde mate.
21
In de vaarpolders is het landschap in de jaren '80 van de vorige eeuw bijvoorbeeld ingrijpend getransformeerd, veel sloten werden gedempt en er werd een wegennetwerk aangelegd. Het agrarisch platteland begint meer de verschijningsvorm van een bedrijventerrein te krijgen. Langs de Markermeerdijk tussen Hoorn en Enkhuizen is het historische landschap nog zichtbaar. De laatste decennia van de vorige eeuw zijn delen van het landschap flink verstedelijkt, bijvoorbeeld bij Hoorn, Medemblik, Enkhuizen, Hoogkarspel, Bovenkarspel en Wervershoof.
Drechterland Rond 1850 is in de gemeente Drechterland sprake van een gaaf kleipolderlandschap. De opstrekkende verkaveling met zeer fijnmazige, smalle en diepe, kavels is onaangetast. In Polder het Grootslag en Polder de Drieban is de verkaveling noord-zuid gericht. In Polder Schellinkhout is de verkaveling oost-west gericht. De bewoning van het gebied vindt alleen plaats in lineaire nederzettingen, die zijn ontstaan langs de in het gebied gelegen stroomruggen en kaden. Schellinkhout en Wijdenes zijn op noord-zuid lopende hoger gelegen gronden ontstaan. De overige dorpen, waaronder Hoogkarspel en Westwoud zijn oost-west gesitueerd.
Kaart Venhuizen, Hem en omgeving in 1920 (plangebied rood omcirkeld) bron: www.topotijdreis.nl
In de tweede helft van de 19e eeuw heeft er in het landschap van de gemeente Drechterland een belangrijke verandering plaatsgevonden, de spoorlijn van Hoorn naar Enkhuizen wordt aangelegd. Verder hebben de veranderingen alleen op detailniveau plaatsgevonden. Het gaat hierbij om de toevoeging van enkele woningen, het verplaatsen van boomgaarden en het samenvoegen of opdelen van percelen. 22
Na 1950 beginnen er grotere veranderingen plaats te vinden in het landschap. In Venhuizen en (vooral) Hoogkarspel ontstaan de eerste planmatige woonuitbreidingen haaks op de linten. In deze periode is ook de toename van de invloed van het verkeer in het landschap zichtbaar. Bij Blokdijk is bijvoorbeeld een duidelijke opwaardering van de route tussen Hoorn en Enkhuizen zichtbaar. Op perceelsniveau worden op diverse plaatsen de oorspronkelijke smalle, diepe kavels samengevoegd tot grotere kavels. In de Houterpolder en Polder de Drieban is dit goed zichtbaar.
Kaart Venhuizen, Hem en omgeving in 1990 (plangebied rood omcirkeld) bron: www.topotijdreis.nl
In de gemeente Drechterland zijn de dorpen sterk gegroeid. Hoogkarspel, Westwoud en Venhuizen springen hierbij het meest in het oog. De aanleg van de N302 (Drechterlandseweg en Westfrisiaweg) en de ruilverkavelingswegen zijn duidelijk herkenbare veranderingen in de infrastructuur. In Polder het Grootslag en Polder de Drieban hebben vooral ruilverkavelingen plaatsgevonden. In deze polders zijn kavels samengevoegd en nieuwe wegen aangelegd. Ten tijde van de ruilverkaveling veranderde de vaarpolder in een rijpolder. De nieuwe wegen zijn tevens nieuwe bebouwingslinten geworden.
Plangebied Het plangebied ligt op de grens tussen Venhuizen en Hem. Beide kernen zijn in de middeleeuwen ontstaan bij de ontginning van het veengebied. De plaatsnamen zijn terug te vinden op middeleeuwse kaarten als “Veenhusen” en als “Rottaerdshem”, later ook als “Hem”. In 1414 kregen Venhuizen en Hem gezamenlijk stadsrecht van Hertog Willem IV van Beieren. Hem en Venhuizen vormen sinds het eind van de 19e eeuw een lint dat losjes aaneengesloten door de
23
veenpolders meandert. De opstrekkende verkaveling is daarbij sterk structuurbepalend, niet alleen voor de indeling van het agrarisch landschap, maar ook voor de kavelstructuur in de dorpskern en voor de latere uitbreidingen in de 2e helft van de 20e eeuw. De locatie grenst aan de zuidzijde aan de Koggeweg en de watergang. Deze watergang is midden 19e eeuw op de kaart terug te vinden als de “Waterlozing”, wat duidt op de importantie van deze watergang voor de lokale waterhuishouding. Begin 20e eeuw is langs deze watergang een spoorlijn aangelegd die een verbinding legde van Hoorn naar Enkhuizen en daarbij plaatsen aandeed als Wijdenes, Hem, Venhuizen, Grootebroek en Hoogkarspel. Deze Zuiderkogge-spoorlijn heeft dienst gedaan van 1913 tot 1935. Deze deed ook de groenteveiling aan die ten zuiden van de kern van Venhuizen en ten oosten van het plangebied gesitueerd was. De Marktweg vormde een doorsteek naar deze veiling en werd al snel begeleid door lintbebouwing. Zowel de spoorlijn als de groenteveiling zijn inmiddels verdwenen, maar de Marktweg is nog wel aanwezig. In de tweede helft van de 20e eeuw is langs de watergang een rijweg aangelegd, de Koggeweg. Aan de zuidzijde van de weg zijn eind 20e eeuw het sportpark en het bedrijventerrein Zuiderkogge gerealiseerd.
De locatie zelf is sinds de jaren vijftig al deels in gebruik voor bedrijfsdoeleinden, aanvankelijk watergebonden en later weggebonden bedrijvigheid.
3.2
Huidige situatie plangebied
De locatie ligt ten noorden van de Koggeweg en ten westen van de Marktweg. Op de locatie bevinden zich twee bedrijfsgebouwen, een moestuin en een buitenstalling. Daarnaast ligt er aan de Marktweg een bedrijfswoning die onderdeel uitmaakt van het plangebied. Het terrein wordt gebruikt als garagebedrijf en keuringsstation. Het deel van het terrein rondom de panden is verhard met asfalt. De buitenstalling is voorzien van een halfverharding waarop campers en auto’s staan. Het plangebied is nu zowel vanaf de Marktweg als de Koggeweg ontsloten.
Luchtfoto (plangebied rood omkaderd), bron: Google Earth
24
Zicht op het plangebied met bedrijfswoning vanaf de Marktweg, bron: Google streetview
Zicht op het plangebied vanaf de Koggeweg
25
Zicht op de stalling, bron: Google streetview
Direct ten noorden van het plangebied ligt het historische lint tussen Venhuizen en Hem. Dit zijn zowel woningen als (agrarische) bedrijven. Ten noordoosten van het plangebied ligt een tuinderij met kas waarvan de milieucirkel over het plangebied valt. Aan de oostzijde staan de bestaande woningen aan de Marktweg. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een watergang met daarnaast de Koggeweg. Ten zuiden hiervan liggen sportvelden en iets ten zuidwesten het bedrijventerrein Zuiderkogge. Aan de westkant wordt het plangebied begrensd door velden met een agrarische bestemming.
Op basis van de ontstaansgeschiedenis, de huidige dorpsstructuur van Venhuizen en het ten zuiden van het plangebied voorkomende sportpark en bedrijventerrein is het plangebied een logische locatie voor de uitbreiding van het dorp. Ontwikkeling in dit gebied sluit aan op de meest recente uitbreidingen van Venhuizen en er is op deze locatie geen sprake meer van een open landschap dat behouden moet blijven.
26
Hoofdstuk 4 Planbeschrijving
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt het stedenbouwkundig plan uiteengezet en beschreven aan de hand van een aantal aspecten. Het stedenbouwkundig plan geeft de beoogde ontwikkeling weer. De plannen zullen na vaststelling van het bestemmingsplan verder uitgewerkt worden. De woningbouwplannen en de inrichting van de openbare ruimte zullen in overeenstemming zijn met de regels en de verbeelding (het juridisch bindende deel) van het onderhavige bestemmingsplan.
4.2
Stedenbouwkundig plan
Het stedenbouwkundig plan voegt zich binnen de omliggende stedenbouwkundige en landschappelijke structuren. Die structuren worden bepaald door de aanwezige lange lijnen, het landschap en de bebouwingsstructuur. De lange lijnen worden gevormd door de Koggeweg, die begrenst wordt door de brede watergang, de Hemmerbuurt, overgaand in het Westeinde, begeleid door de lintbebouwing van Hem en Venhuizen en tot slot de Marktweg als dwarsverband daartussen. Het landschap wordt bepaald door de opstrekkende verkaveling in het agrarisch landschap en de weerslag van de verkaveling in de lintbebouwing en in de latere uitbreidingsgebieden. Daarnaast spelen de groenstructuren, hagen en houtwallen die de kavels inkaderen een bepalende rol in de beleving van het landschap. De bebouwingsstructuur bestaat uit de deels historische, streekeigen en gevarieerde lintbebouwing van Hem en Venhuizen. Langs de Marktweg komt recentere lintbebouwing voor. Daarnaast ligt een woonbuurt uit de jaren '80, deels gerealiseerd op het vroegere veilingterrein en een woonbuurt uit het begin van deze eeuw. Verder heeft de aanwezigheid van de kas ten noorden van het plangebied invloed op het plan. Er bevindt zich een milieucontour van 30 meter rond de kas (m.n. vanwege lichthinder) waar nu geen woonbebouwing mogelijk is. De toegankelijkheid van de kas loopt via het terrein, deze moet gehandhaafd blijven.
Er komen daarom twee doorgangen naar het achtergelegen agrarisch bedrijf waardoor het bedrijf niet beperkt wordt in de bedrijfsvoering.
27
Plan voor De Overhaal, bron: HB Adviesbureau
De hoofdstructuur van het plan volgt de lijnen van het landschap: het verkavelingspatroon van de polder haaks op het oude lint vormt de richting voor de bebouwing en ontsluiting aan de westzijde van het plan, de Koggeweg en waterstructuur, die al van oudsher als ontwatering van het gebied dient, bepalen de oostelijke helft van het plan. In het plan worden 34 woningen gerealiseerd. Op de zuidwesthoek wordt een markant pand gerealiseerd, als markering van de dorpsentree. Het bebouwingslint langs de Marktweg wordt ook afgerond met een bebouwingsaccent, tevens een mooie markering van de doorsteek naar de dorpskern. Over het terrein wordt een logische routing gerealiseerd, waarbij ook wordt zorggedragen voor de toegankelijkheid van de kas. Bij de herindeling wordt tevens rekening gehouden met de verruiming van de achtertuin van de huidige bedrijfswoning aan de Marktweg. Binnen de milieucontour van de kas worden nu geen woningen gerealiseerd, maar een groenvoorziening en een (natuurlijk vormgegeven) speelplek. Het gebied krijgt wel een wijzigingsbevoegdheid waarmee, als in de toekomst de kas en de bijbehorende agrarische bestemming van dat perceel verdwijnen, woningbouw mogelijk is. De beoogde sfeer van Besseling Venhuizen is die van een lommerrijke, ontspannen dorpse woonbuurt.
Bomenrijen, groene erfafscheidingen en oeverranden en de natuurlijk ingerichte speelplek zijn de hoofdingrediënten voor het groene karakter. De woonstraten krijgen een groen karakter door de aanplant van bomen, hagen en plantvakken met heesters en vaste planten. Waar voor- en zijtuinen grenzen aan openbaar gebied komt groene erfafscheiding in de vorm van hagen.
28
4.2.1
Landschappelijke inpassing
De nieuwe woonbuurt krijgt een zorgvuldige landschappelijke inpassing dankzij de oriëntatie, het water, de hagen en de bomen. Het plangebied valt binnen het ensemble West-Friesland Oost. Het plangebied ligt in een oud zeekleilandschap met de karakteristiek van een veenontginningsgebied. Kenmerken zijn de lange veenlinten en opstrekkende kavels haaks op de linten. Zoals in de voorgaande paragraaf aangegeven wordt met de structuur aangesloten op de lijnen van het landschap. Langs de randen van het plangebied wordt de aansluiting met de omgeving vooral gevormd door kavelgrenzen. De noord- en oostzijde sluiten aan op de bestaande bebouwing. De overgang wordt gevormd door groene erfafscheidingen. Daar waar het plangebied aan de westzijde grenst aan de kavel van het naastgelegen bedrijf wordt de groene rand extra aangezet. Voor de overgang naar de private tuinen wordt een metalen hekwerk met begroeiing gerealiseerd. Daarbij wordt een dichte, groenblijvende haag of klimplant gebruikt. Voor de landschappelijke inpassing is de vormgeving van de wateroevers aan de zuidzijde van het plangebied langs de Zuiderkogge van groot belang. Voorkomen moet worden dat hoge keerwanden en een stenige/ houtige uitstraling de boventoon voeren. De wateroevers worden daarom zorgvuldig vormgegeven als een samenspel van groene taluds, afgewisseld met kades en vlonders.
De oevers aan het water worden zo op gelijke manier behandeld als de andere buurten langs de Zuiderkogge, met een informeel tuinenmilieu. Hiermee wordt ook een aansluiting gemaakt op de woonbebouwing in de omgeving. Op deze manier wordt het plan verankerd en ingepast in het landschap en wordt er gezorgd voor ruimtelijke kwaliteit. Ten opzichte van de huidige bedrijfsbebouwing en het grotendeels geasfalteerde oppervlakte zorgt het voor een flinke toename van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.
4.3
Woningen
4.3.1
Woningtypen
Met De Overhaal worden 34 grondgebonden woningen gerealiseerd met een differentiatie in de woningtypen. Het plan bestaat uit: Vrijstaande woningen:
9
Seniorenwoningen:
3
Twee-onder-een-kap woningen:
12
Rug-aan-rug starterswoningen:
10
Totaal:
34
Naast de nieuwe woningen krijgt de bestaande bedrijfswoning met dit bestemmingsplan ook een rechtstreekse woonbestemming.
4.3.2
Verantwoording ladder duurzame verstedelijking en PRV
In deze paragraaf wordt aangegeven hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de ladder voor duurzame verstedelijking en het provinciale, regionale en gemeentelijke woonbeleid. In paragraaf 4.2 wordt gemotiveerd op welke manier de ontwikkeling is ingepast in het Westfriese landschap. Met het doorlopen van de aangegeven vereisten uit het Afwegingskader wonen West-Friesland 2019
29
(AWF 2019) worden ook de stappen uit de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en een motivering waarom bij een ligging buiten het bestaand stedelijk gebied niet binnen BSG in die behoefte kan worden voorzien maken onderdeel uit van de minimumvereisten van de Westfriese basis. Hieronder wordt per criterium aangegeven hoe het plan eraan voldoet.
Westfriese basis Dit zijn de minimumvereisten waaraan elk plan moet voldoen. Het plan past binnen de indicatieve regionale woningbehoefte (incl. de buffer) en blijft in principe binnen de gemeentelijke behoeften. De kwantitatieve behoefte wordt bepaald door de indicatieve woningbehoefte uit de Noord-Hollandse bevolkingsprognose. Aanvullend hierop heeft de regio een aantal afspraken gemaakt. Een geactualiseerde regionale woningbouwprogrammering 2019 is opgesteld. Voor dit kader zijn de prognoses aangehouden uit de provinciale behoefteprognose 2017-2040 waarbij de regio de cijfers tot 2030 heeft aangehouden.
Tabel regionale woningbehoefte, bron: Kwantitatieve woningbouwprogrammering Westfriesland 2019
In de kwantitatieve woningbouwprogrammering West-Friesland 2019 wordt voor de gemeente Drechterland aangegeven dat de woningbehoefte in totaal 687 woningen is. De harde plancapaciteit
30
is 94 woningen, de zachte plancapaciteit is 413 woningen. In totaal is dit 507, wat resulteert in een tekort van 180 woningen. Dit betekent dat er voldoende ruimte is voor de 34 woningen die met dit plan mogelijk worden gemaakt. Het plan voldoet aan de voorwaarde dat 70% van de woningbouwplannen in West-Friesland worden gerealiseerd in de krachtige kernen. Het plan sluit aan bij de bebouwing van Venhuizen. Dit is een van de krachtige kernen. Daarmee draagt het bij aan de genoemde zeventig procent. Er is getoetst of het plan voldoet aan de regionale behoefte, zowel kwantitatief (past binnen de regionale prognose) als kwalitatief (woningtype, woonmilieu, kwaliteit etc.). Zoals bij het eerste criterium is aangegeven past het plan kwantitatief binnen de regionale behoefte. Zowel de gemeente Drechterland als de regio heeft een behoefte die hoger ligt dan de totale plancapaciteit. Daarnaast is in dit overzicht nog niet verwerkt, maar in de toelichting bij de AWF 2019 wel aangegeven, de ambitie van de regio om bovenop de bestaande plannen, extra woningbouw te realiseren. In eerste instantie richt de regio zich op een productie van 10000 woningen tot 2030. Daarnaast gaat de regio nader bekijken of ze nog meer aan de versnelling kunnen bijdragen. Dit geeft aan dat de behoefte aan woningen nog hoger is. Behalve kwantitatief past het plan ook kwalitatief binnen de regionale behoefte.
In het plan spelen groen, rust, ruimte en water een belangrijke rol en vanzelfsprekend maken duurzaamheid en een klimaatadaptieve inrichting onderdeel uit van de planvorming. Verder geeft het plan invulling aan een centrum-dorps woonmilieu. De rug-aan-rugwoningen voor starters sluiten goed aan bij de huidige vraag naar kleine, bereikbare woningen, met name onder jongeren. Ook de seniorenwoningen sluiten aan bij de behoefte naar levensloopbestendige woningen, zoals aangegeven in de RAP. Voor beide geldt dat deze in de omgeving nog niet veel gerealiseerd zijn. In de dure categorie worden twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen gerealiseerd. In de Woonvisie van de regio wordt aangegeven dat succesvolle wijken een bepaald DNA hebben (mix van woningtypen, bewoners, voorzieningen en inrichting van de openbare ruimte) die de basis is voor een leefbare en vitale wijk of buurt. Eentonige wijken zijn kwetsbaar, er wordt gestreefd naar differentiatie op wijkniveau en ongedeelde wijken, waar binnen één wijk verschillende inkomensgroepen wonen en passende woningen voor deze inkomens beschikbaar zijn. Met de verschillende typen woningen wordt hieraan voldaan.