CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 raadsvoorstel Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker vastgesteld 1 TOELICHTING compressed (2022-36)

Gemeenteraad 19 december 2022, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Zuiderdracht 15-17 te Oosterblokker (2022-36)26.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.2.1

Wettelijk kader

De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Op de planlocatie is reeds een bodemonderzoek uitgevoerd. 4.2.2

Resultaten onderzoek

Voorliggend initiatief voorziet in een functiewijziging van maatschappelijk en agrarisch naar wonen en tuin. Voor het in kaart brengen van de milieusituatie te plaatse is door Grondslag een vooronderzoek uitgevoerd conform NEN5725. Het veldwerk van dit onderzoek is uitgevoerd op 15 april 2020. Op aanwijzing van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord is op de onderzoekslocatie een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar bestrijdingsmiddelen. Het veldwerk van dit aanvullend onderzoek naar bestrijdingsmiddelen is uitgevoerd op 14 febuari 2022. Het volledige rapport van het bodemonderzoek is als Bijlage 3 toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan. De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht ten opzichte van de lokale achtergrondwaarden zoals vastgesteld in de bodemkwaliteitskaart, is bevestigd. In de bovengrond zijn hooguit lichte verhogingen aangetoond aan diverse zware metalen, PAK en PCB. In het grondwater zijn geen verhogingen gemeten. De gestelde hypothese dat mogelijk bodemverontreiniging is ontstaan als gevolg van bodemvreemd dempingsmateriaal, is niet bevestigd. Op aanwijzing van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord is in 2022 een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar bestrijdingsmiddelen. De gestelde hypothese dat op de locatie matige tot sterke verhogingen aan bestrijdingsmiddelen worden verwacht, is niet bevestigd.

In de toplaag is geen bestrijdingsmiddelen boven de achtergrondwaarde aangetoond. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Geadviseerd wordt om grond die tijdens toekomstige werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Wanneer dit geen mogelijkheid is, kan het worden afgevoerd naar een grondbak of -depot. Het kan noodzakelijk zijn dat de grond hiervoor nog onderzocht dient te worden op PFAS. 4.2.3

Conclusie

Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

28

4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1

Wettelijk kader

Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.3.2

Cultuurhistorie

Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalend of karakteristiek in het geldende bestemmingsplan. Wel zijn de structuren en kenmerken van de omgeving van cultuurhistorische betekenis. De verkavelingsrichting en de bestaande lijnen in het landschap worden zoveel mogelijk gerespecteerd. Geconcludeerd kan worden dat met de gewenste ontwikkeling geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische of structuren. 4.3.3

Archeologie

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. De gronden ter plaatse van de gewenste ontwikkeling zijn volgens het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011' verwachtingsgebied voor archeologische vondsten. De planlocatie heeft in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming archeologie 2. Voor deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 10 cm. In het voorgenomen plan worden vier bouwvlakken uitgegeven. De vier bouwvlakken hebben een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 500 m2. Daarom is door Archeologie West-Friesland een archeologische quickscan voor het plangebied uitgevoerd. De archeologische quickscan is toegevoegd in Bijlage 4. Uit de quickscan blijkt dat er een proefsleuven onderzoek nodig is als de plannen een groter oppervlak dan 1.000 m2 beslaan. De totale oppervlakte aan bodemroerende activiteiten bedraagt minder dan 1.000 m2. Om die reden is nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Daarnaast wordt geadviseerd de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie.

Tenslotte wordt geadviseerd om de archeologische dubbelbestemming te handhaven of bij te stellen naar de vrijstellingsgrens. 4.3.4

Conclusie

Gebaseerd op het archeologisch onderzoek blijkt er vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan. Het plangebied behoudt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

29

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. 4.4.2

Beoordeling

De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. 4.4.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5

Parkeren en verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Zuiderdracht. Dit is een 50 km/u weg. De Zuiderdracht is een verbindingsweg tussen Oosterblokker en de N506 richting Hoorn. Landelijk geldt voor de verkeersgeneratie en de parkeernormen de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Het CBS (2020) kent de gemeente Oosterblokker een stedelijkheidsgraad toe van 'niet stedelijk'. Daarnaast kan de planlocatie gezien de ligging aangeduid worden als 'rest bebouwde kom'. 4.5.1

Parkeren

Het benodigd aantal parkeerplaatsen kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Voor een 'koophuis, vrijstaand' geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. In de gewenste situatie worden drie vrijstaande koopwoningen gebouwd. Voor de drie vrijstaande koopwoningen komt de totale parkeerbehoefte in totaal uit op 6,9 parkeerplaatsen. Voor een 'koophuis, twee-onder-één-kap' geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Voor de twee-onder-één-kapwoning komt de totale parkeerbehoefte neer op 4,4 parkeerplaatsen. In totaal zijn voor de drie vrijstaande woningen en de twee-onder-één-kapwoning 11,3, afgerond naar boven 12 parkeerplaatsen benodigd. Parkeren wordt op elk perceel opgelost op eigen terrein. Door de grootte van de kavels is daar genoeg ruimte voor. 4.5.2

Verkeer

Ook de verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende werking als volgt bepaald. Voor een 'koophuis, vrijstaand, in niet stedelijk gebied in de rest bebouwde kom is de verwachte verkeersgeneratie 7,8 tot 8,6 mvt/etmaal woning. Voor drie woningen komt de verkeersaantrekkende werking neer op 23,4 tot 25,8 mvt/etmaal. Voor een twee-onder-één-kapwoning is de verwachte verkeersgeneratie minimaal 7,4 tot maximaal 8,2 mvt/etmaal per woning. De twee woningen hebben een verkeersaantrekkende werking van 14,8 tot 16,4 mvt/etmaal.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

30

De totale verkeersaantrekkende werking in de gewenste situatie is daarmee 38,2 tot 42,2 mvt/etmaal. Gezien de ligging van het plangebied en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied. Met de realisatie van de woningen aan de Zuiderdracht worden er 5 inritten gecreëerd. Gelet op de verkeersintensiteit van de Zuiderdracht, het feit dat de inritten bestaan uit een dam waarvan ongehinderd zicht is op de Zuiderdracht, vormen de inritten geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan. 4.5.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie vormt door de goede ontsluiting aan de Zuiderdracht geen belemmering. 4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Onderzoek

Een woning betreft een geluidsgevoelig object. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk het verkeer op de Zuiderdracht. Akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van de nieuwbouw is uitgevoerd door SPA WNP ingenieurs. Het rapport van het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat de nieuwe woningen een geluidbelasting zullen ondervinden van maximaal 55 dB. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale ontheffing van 63 dB. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de nieuwe woningen te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om deze woningen te kunnen realiseren, moet de gemeente Drechterland hogere waarden vanwege het wegverkeerslawaai vaststellen en vastleggen in het kadaster, en wel als volgt: Woningen 1 t/m 3 (vrijstaande woningen) 53 dB; Woningen 4 en 5 (twee-onder-één-kapwoningen) 55 dB. Aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels evenals toetsing van het geluid afkomstig van installaties, wordt getoetst bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

31

4.6.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, mits er wordt voldaan aan de aanbevelingen van het akoestisch onderzoek. Hiertoe wordt de gemeente verzocht een Hogere waarde vast te stellen. 4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige w oonw ijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

32

4.7.2

Onderzoek / beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als rustig gebied, gelet op de bestemmingen van woning en tuin in de nabijheid van de planlocatie en de ligging binnen de bebouwde kom. In het voorgenomen wijzigt de bestemming van maatschappelijk en agrarisch naar de bestemming wonen. Dit betreft een gevoelige functie. De toevoeging van woningen kan effect hebben op de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. De dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming ligt op circa 290 meter. Binnen deze bestemming zijn bedrijfsactiviteiten tot en met maximaal milieucategorie 5.2 toegelaten. De richtafstand tot dit bedrijf in rustig gebied is 700 meter. Ondanks dat de bedrijfsbestemming binnen de richtafstand valt, levert dit geen beperking op voor de bestaande bedrijfsbestemming, doordat zich tussen het plangebied en de bedrijfsbestemming reeds meerdere particuliere woningen bevinden, dit geldt ook voor de overige bedrijven op hetzelfde bedrijventerrein. Daarnaast bevindt zich op ongeveer 300 meter nog een bedrijfsbestemming waar bedrijvigheid tot milieucategorie 1 en 2 is toegestaan.

De richtafstand tot dit bedrijf is 30 meter en vormt daarmee geen belemmering voor het voorgenomen plan. Spuitzone onderzoek In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich, op minder dan 50 meter afstand, agrarische percelen waarop het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet is uitgesloten. Dit zijn percelen 701, 702, 703 en 704. De relevante agrarische percelen zijn weergegeven in onderstaand figuur.

Figuur: relevante agrarische percelen nabij plangebied (bron: SPA WNP Ingenieurs) Door SPA WNP Ingenieurs is een locatiespecifiek onderzoek spuitzone uitgevoerd om te bepalen of de ontwikkeling mogelijk is in relatie tot risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Dit onderzoek is als Bijlage 6 ingevoegd. De conclusies van het onderzoek luiden als volgt: Op basis van de resultaten uit dit onderzoek blijkt dat er wordt voldaan aan de geadviseerde 10 meter afstand tussen de agrarische percelen en het plangebied. De minimale afstand ten opzichte van een agrarisch perceel bedraagt namelijk 14 meter. Op basis van dit advies zijn de woningen op de beoogde locatie mogelijk, in relatie tot risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift vanuit de agrarische percelen. Ook wordt de bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheid van de agrarisch ondernemers niet belemmerd als gevolg van de beoogde ontwikkeling.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

33

4.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van de vier woningen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

34

de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Onderzoek / beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

35

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving (binnen 200 meter) van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen wegen in het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen opgenomen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van het plan. Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving. 4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor het voorgenomen plan. 4.9

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

36

4.10

Water

4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld.

Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

37

4.10.3

Watertoets

Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd. Het resultaat van de watertoets is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 7). Het plan heeft een beperkte invloed op de waterhuishouding. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft een vooroverlegreactie gegeven. In afstemming met het Hoogheemraadschap is bepaald dat de toename in verharding onder de grens van 800 m2 blijft. Hierdoor dient er voor de toename in verharding niet gecompenseerd te worden. De vijf woningen worden allen toegankelijk via een dam. De bestaande dam, welke fungeert als toegang tot het meest zuidelijke perceel, blijft behouden. Voor de vier overige woningen worden vier nieuwe dammen aangelegd. Voor de aanleg van deze vier nieuwe damen wordt water gedempt. Dit gedempte water dient één op één gecompenseerd te worden binnen het plangebied. Voor het aanleggen van de dammen wordt per dam 10 m2 water gedempt (2 meter (lengte van de dam = breedte van de sloot met aftrek van de talud) * 5 meter (breedte van de dam)). Bij het realiseren van vier dammen levert dit een demping van 40 m2 op. Dit betekent dat er 40 m2 oppervlaktewater gecompenseerd dient te worden binnen het plangebied. Om de watercompensatie binnen het plangebied te borgen is aan de zuidwestzijde van het plangebied de bestemming 'Water' opgenomen.

Dit bestemmingsvlak heeft een lengte van 80 meter en een breedte van 0,5 meter. Daarmee wordt tenminste 40 m2 aan nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied gerealiseerd. 4.10.4

Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Het waterschap adviseert positief over het voornemen. 4.11

M.e.r.-beoordeling

4.11.1

Wettelijk kader

In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.11.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De ontwikkeling van vijf woningen valt onder de drempelwaarde van 2.000 zoals genoemd onder D 11.2. Hierdoor volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Kenmerk en project Aan de Zuiderdracht 15-17 te Oosterblokker wordt een voormalige en verouderde opvanglocatie gesloopt. Daarvoor in de plaats komen vier nieuwe bouwkavels. Op de drie noordelijke kavels kunnen drie vrijstaande woningen gerealiseerd worden. De zuidelijke kavel komt ter beschikking van een twee-onder-één-kapwoning.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

38

Plaats van het project Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Oosterblokker, gemeente Drechterland. De omgeving van de planlocatie kenmerkt zich door vrijstaande woningen en agrarische gronden. In het pand was eerder een opvanglocatie gevestigd. Deze opvanglocatie is enkele jaren geleden vertrokken en sindsdien is er weinig onderhoud gepleegd aan de panden op het perceel. Hierdoor zijn deze panden erg verouderd. Het dichtstbijzijnde natuurgebied ligt op een afstand van ongeveer 2 kilometer. Daarnaast kent de planlocatie een archeologische verwachtingswaarde. Kenmerk en van het potentiële effect Gebaseerd op de onderzoeken naar archeologie en bodem blijkt dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de omgeving. Met betrekking tot flora en fauna wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dit aanvullende onderzoek zal moeten uitwijzen of er overtredingen plaats kunnen vinden door de ontwikkeling. Indien dit het geval is, zal een ontheffing conform de gestelde eisen worden aangevraagd. Daarnaast zal akoestisch onderzoek uitwijzen of er belemmeringen zijn voor het plan vanuit het aspect geluid. Indien hiervan sprake is, zullen maatregelen getroffen worden om een goed leefklimaat te realiseren. Gelet op vorenstaande is het aannemelijk dat het voornemen haalbaar is en derhalve geen negatief effect heeft op de omgeving. 4.11.3

Conclusie

De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

39

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011'. Het bestemmingsplan 'Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.

Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 5.2

Inleidende regels

De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1

Begrippen

In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

40

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 5.3.2

Bestemmingen

Binnen het plangebied komen vier nieuwe bestemmingen, namelijk 'Tuin', 'Water', 'Wonen - Lint 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Tuin Net als de nabijgelegen woningen krijgen de gronden rondom en aan de voorzijde van het nieuwe bouwvlak de bestemming 'Tuin' . Zo kan het onbebouwde karakter van voortuinen en bepalende zijtuinen worden beschermen. In hoeksituaties wordt in sommige gevallen ook op de naar de weg gekeerde zijkant van het bouwperceel de bestemming ‘Tuin’ gelegd. Bebouwing is binnen de bestemming in beperkte mate toegestaan. Het gaat dan om bebouwing die in samenhang met het woonhuis wordt gerealiseerd, zoals erkers, balkons, en dergelijke. Water De gronden grenzend aan de achtergelegen watergang krijgen de bestemming 'Water'. Middels dit aan te leggen water wordt geborgen dat er voldoende oppervlaktewater binnen het plangebied gecompenseerd wordt. Voor deze bestemming is aansluiting gezocht bij de bestemming 'Water - 2'. Binnen deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Wonen - Lint 1 Binnen de bestemming 'Wonen - Lint 1' geldt dat het hoofdgebouw gerealiseerd moet worden binnen het bouwvlak. Het hoofdgebouw bestaat uit twee bouwlagen met kap. Per bestemmingsvlak mag één vrijstaand woonhuis gerealiseerd worden. Voor bijgebouwen geldt een maximale maat van 150 m2.

De specifieke bijgebouwenregeling is ook hier afgestemd op de daartoe specifiek vastgesteld beleid. Als de bestaande omvang van het bijgebouw al groter is dan de genoemde, wordt uitgegaan van de bestaande situatie. Waarde - Archeologie 2 Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een bestaande oppervlakte met meer dan 500 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig. Uitgezonderd zijn de werkzaamheden ten behoeve van normaal agrarische gebruik. Onder deze werkzaamheden wordt in ieder geval verstaan: 1. drainage;

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

41

2. baggeren van sloten en grachten 5.4

Algemene regels

5.4.1

Anti-dubbeltelregel

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.4.2

Overige algemene regels

Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld. 5.5

Overgangs- en slotregels

5.5.1

Overgangsregel

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen. 5.5.2

Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

42

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 6.1.1

Grondexploitatie en kostenverhaal

Een gemeente is conform de grondexploitatiewet verplicht om haar kosten op de grondeigenaar te verhalen, wanneer deze grondeigenaar een zogenaamd 'bouwplan' (zoals aangeduid in art. 3.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) wil realiseren en wanneer voor de goedkeuring van dit bouwplan een wijziging van een 'ruimtelijke besluit' (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) nodig is. Dit bestemmingsplan is een op uitvoering gericht bouwplan waardoor het nodig is een exploitatieplan vast te stellen of de betaling van de kosten op een andere manier te verzekeren. Tussen initiatiefnemer en de gemeente Drechterlands is een verhaalsovereenkomst afgesloten waarin de ambtelijke kosten zijn opgenomen. Daarmee zijn de kosten anderszins verzekerd. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de wettelijk vastgelegde procedure, waarmee de maatschappelijke uitvoerbaarheid aangetoond kan worden. 6.2.1

Overleg met overheidsinstanties

Gelet op de bestuurlijke zorgvuldigheid moet bij een herziening van het bestemmingsplan het bestuursorgaan overleg voeren met elke instantie die enig belang behartigt dat naar redelijke en geobjectiveerde maatstaven in het geding zijn bij de betreffende bestemmingsplanherziening. Betrokken partijen dienen er voor te zorgen dat dit overleg in verhouding staat tot de aard en de omvang van de herziening van het bestemmingsplan. Als het gaat om een bestemmingsplan- herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, waarbij niet of in geringe mate herschikking van de betrokken belangen aan de orde is, kan het bestuursorgaan dat belast is met de bestemmingsplanherziening, afzien van het overleg. 6.2.2

Overleg met omwonenden

Naast een verplicht overleg met overheidsinstanties is het voor het maatschappelijk draagvlak ook wenselijk om overleg met de direct omwonenden te plegen. Door Coronatijd is het niet mogelijk geweest om plenair met alle omwonenden een interactieve avond te organiseren om het planvoornemen te presenteren en informatie/wensen op te halen bij de bewoners om mee te nemen in definitieve invulling van het plangebied. Als alternatief is ervoor gekozen om alle omwonenden middels een uitgebreide brief te informeren over het planvoornemen en waarin mede is aangegeven dat omwonenden via e-mail vragen konden stellen en/of wensen/gedachten konden aanleveren met betrekking tot het plan. Tevens is de omwonenden de mogelijkheid geboden voor een één op één gesprek en op deze wijze input te leveren en met elkaar het gesprek aan te gaan. Er hebben diverse van deze gesprekken plaatsgevonden met omwonenden. De volledige participatie van de omwonenden tezamen met de terugkoppeling hiervan aan de gemeente en overleg hierover heeft er toe geleid dat het eerste plan voornemen op meerdere punten is gewijzigd. Het voorliggende plan is een compromis van de wensen van de verschillende actoren. De belangrijkste wijziging van het plan naar aanleiding van het overleg met omwonenden, is het

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

43

verdwijnen van het woongebouw met appartementen voor sociale huur ten faveure van een twee-onder-een-kapwoning. De omwonenden vonden een woongebouw niet passend aan het lint en tevens vreesde men veel geluidsoverlast door verkeers-/parkeerbewegingen op het erf van het woongebouw bij een aantal van tien sociale huurappartementen. De gemeente Drechterland was tevens van mening dat het woongebouw niet passend was aan het lint en tevens was het ambtelijk advies om niet meer dan zes woningen toe te voegen op deze locatie in relatie tot het beleidsdocument “Visie op Drechterland en haar kernen”. Daarnaast zijn er kleinere aanpassingen gedaan ten opzichte van het eerdere ontwerp zoals afstanden van bouwvlakken ten opzichte van de bestaande naast gelegen erven. 6.2.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker' heeft vanaf 24 september 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Een ieder is gedurende deze termijn in de gelegenheid gesteld om een mondelinge of schriftelijke zienswijze in te dienen. Gedurende deze perioden zijn twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen worden behandeld in de Nota beantwoording zienswijze, die als Bijlage 8 bij deze toelichting is gevoegd. De in de zienswijzen zijn beoordeeld door de gemeente en beide zienswijzen hebben niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan. 6.2.4

Vervolg

De de binnengekomen zienswijzen geven geen aanleiding om de bestemmingsplanprocedure te beëindigen. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn (6 weken) is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het vaststellingsbesluit treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd.

Bijlagen bij toelichting

Bijlage 1 Rapportage quickscan flora en fauna - Ecoresult B.V. ER20210119v02

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

44

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening NH2020 Plangebied: Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker Opsteller(s): M.S. de Haan

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Provinciale Ruimtelijke Verordening Ondertitel

Plangebied: Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker

Opsteller(s)

M.S. de Haan

Datum

06-10-2021

Versienummer

02

Rapportkenmerk

ER20210119v02

Aantal pagina's

46

Opdrachtgever

Kubiek Ruimtelijk Plannen

Contactpersoon

R. Hoekstra

Kwaliteitscontrole

F.A. van Meurs & K.J. van Veen

Wijze van citeren

Haan, M.S. de, 2021. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en Provinciale Ruimtelijke Verordening. Plangebied: Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker. Rapportkenmerk: ER20210119v02. Ecoresult B.V., Dordrecht.

Ecoresult B.V. Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl

© copyright Ecoresult B.V. 2021 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding.................................................................................................................................................................................................................................7 1.1 Aanleiding....................................................................................................................................................................................................................7 1.2 Doel..................................................................................................................................................................................................................................7 1.3 Onderzoeksmethodiek........................................................................................................................................................................................7 1.4 Leeswijzer.....................................................................................................................................................................................................................8 2 Toelichting onderzoekskader................................................................................................................................................................................11 2.1 Wet

natuurbescherming..................................................................................................................................................................................11 2.1.1 Bescherming van gebieden..................................................................................................................................................................11 2.1.2 Bescherming van soorten......................................................................................................................................................................11 2.1.3 Bescherming van houtopstanden....................................................................................................................................................12 2.2 Omgevingsverordening NH2020...............................................................................................................................................................13 3 Omschrijving plangebied........................................................................................................................................................................................15 3.1

Algemeen..................................................................................................................................................................................................................15 3.2 Beschrijving..............................................................................................................................................................................................................15 3.3 Geplande ingrepen.............................................................................................................................................................................................18 3.3.1 Omschrijving werkzaamheden...........................................................................................................................................................18 3.3.2 Werkplanning, werktijden en realisatieperiode........................................................................................................................18 3.3.3 Methode uitvoering: materieel en werkwijze............................................................................................................................18 3.3.4

(ontwerp-)tekening....................................................................................................................................................................................18 4 Onderzoeksresultaten beschermde gebieden..........................................................................................................................................19 4.1 Wet natuurbescherming..................................................................................................................................................................................19 4.1.1 Natura 2000.....................................................................................................................................................................................................19 4.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening.........................................................................................................................................................20 4.2.1 Natuurnetwerk Nederland.....................................................................................................................................................................20 4.2.2 Bijzonder Provinciaal Landschap........................................................................................................................................................20 5

Beschermde houtopstanden................................................................................................................................................................................23 6 Onderzoeksresultaten beschermde soorten..............................................................................................................................................25 6.1 Soorten Vogelrichtlijn........................................................................................................................................................................................25 6.1.1 Bronnenonderzoek.....................................................................................................................................................................................25 6.1.2 Verkennend veldonderzoek..................................................................................................................................................................25 6.1.3 Effectbeoordeling en toetsing.............................................................................................................................................................27 6.2 Soorten

Habitatrichtlijn....................................................................................................................................................................................29 6.2.1 Bronnenonderzoek.....................................................................................................................................................................................29 6.2.2 Verkennend veldonderzoek..................................................................................................................................................................30 6.2.3 Effectbeoordeling en toetsing.............................................................................................................................................................33 6.3 Nationaal beschermde soorten..................................................................................................................................................................34 6.3.1 Bronnenonderzoek.....................................................................................................................................................................................34 6.3.2 Verkennend veldonderzoek..................................................................................................................................................................35 6.3.3

Effectbeoordeling en toetsing.............................................................................................................................................................36 6.4 Invasieve exoten...................................................................................................................................................................................................37 7 Conclusies en aanbevelingen...............................................................................................................................................................................39 7.1 Algemeen..................................................................................................................................................................................................................39 7.2 Beschermde gebieden.....................................................................................................................................................................................39 7.2.1 Wet natuurbescherming.........................................................................................................................................................................39 7.2.2 Omgevingsverordening

NH2020......................................................................................................................................................39 7.2.3 Bijzonder Provinciaal Landschap........................................................................................................................................................39 7.3 Beschermde houtopstanden........................................................................................................................................................................40

7.4 Beschermde soorten...........................................................................................................................................................................40 7.4.1 Soorten Vogelrichtlijn.................................................................................................................................................................40 7.4.2 Soorten Habitatrichtlijn.............................................................................................................................................................41 7.4.3 Nationaal beschermde soorten...........................................................................................................................................41 7.5 Invasieve exoten.....................................................................................................................................................................................42 7.6 Samenvatting benodigd onderzoek.........................................................................................................................................42 7.7 Aanbevelingen........................................................................................................................................................................................42 8 Geraadpleegde

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12083167/1