CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 raadsvoorstel Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker vastgesteld 1 TOELICHTING compressed (2022-36)

Gemeenteraad 19 december 2022, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Zuiderdracht 15-17 te Oosterblokker (2022-36)26.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

bronnen..........................................................................................................................................................................43 8.1 Literatuur.....................................................................................................................................................................................................43 8.2 Internet.........................................................................................................................................................................................................43 Bijlage 1 Foto-impressie plangebied.....................................................................................................................................................45

5

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

In opdracht van Kubiek Ruimtelijk Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen herontwikkeling binnen het plangebied (zie verder hoofdstuk 3.3). Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Weten regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld kan worden. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient voorliggend ecologisch onderzoek te worden geactualiseerd. De resultaten in voorliggen Quickscan zijn drie jaar geldig.

1.2

Doel

Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: •

Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).

•

Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).

•

Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige houtopstanden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).

•

Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In het kader van de Omgevingsverordening NH2020

•

1.3

Of het plangebied deel uit maakt van de Ecologische structuur.

Onderzoeksmethodiek

De quickscan komt tot stand door middel van een verkennend veldonderzoek en bureaustudie. •

Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 20-01-2021 door M.S. de Haan, ecologisch 7

deskundige1 bij Ecoresult B.V. Het complete plangebied alsmede een zone rondom het plangebied is – daar waar nodig met hulp van een verrekijker en een zaklamp– onderzocht. •

Ten behoeve van de bureaustudie is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied tot een afstand van 5 kilometer tot het plangebied. De tabellen in hoofdstuk 6 zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF database van de afgelopen 5 jaar in het weergeven grid (zie Afbeelding 1). Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken.

•

Voor het onderzoek naar beschermde natuurgebieden en houtopstanden is gebruik gemaakt van de online viewers die de provincie en gemeente ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor zal in deze quickscan altijd aan actueel beeld worden weergegeven van gebiedsgrenzen, doelstelling etc.

Afbeelding 1: Grid waarbinnen NDFF-waarnemingen zijn gezocht. De rode cirkel geeft het plangebied weer. Bron: NDFF.

1.4

Leeswijzer

In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waar aan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de 1

8

Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar https://mijn.rvo.nl/ecologischdeskundige?inheritRedirect=true

voor het plangebied relevante beschermde gebieden, beschermde soorten en houtopstanden beschreven en beoordeelt. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samen gevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk nader onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het oriënterend veldbezoek.

9

2

Toelichting onderzoekskader

2.1

Wet natuurbescherming

De Wet Natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van beschermde natuurgebieden (Natura 2000) en regelt de soortbescherming. De provincies zijn voor de Wet Natuurbescherming het bevoegd gezag en regelt tevens de vergunning en ontheffingen. De bescherming van de Wet Natuurbescherming is grofweg op te delen in 3 categorieën.

2.1.1

Bescherming van gebieden

De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op de Natura 2000-gebieden. De verschillende Natura 2000 gebieden zijn deels aangewezen voor specifieke Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en/of habitattypen. Invloeden (ook van buiten het Natura 2000 gebied) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Daarnaast mag het oppervlakte van het Natura 2000 gebied niet worden aangetast.

2.1.2

Bescherming van soorten

De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Voor de soorten binnen dit beschermingsregime geldt een onderzoeksplicht, en bij negatieve effecten een ontheffingsplicht. De provincies kunnen aangeven of zij soorten uit deze lijst willen vrijstellen van ontheffingsplicht. Naar deze soorten is nader onderzoek of een ontheffing niet nodig, wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen2. 2

Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

11

B e s c he r m i ngs r e gi m e s oor t e n V oge lr i c ht li j n § 3 . 1 W nb Ar t 3.1 lid 1 Het is ver boden in het wild lev ende v ogels opzettelijk te doden of te vangen.

Ar t 3.1 lid 2 Het is ver boden opzettelijk nesten, r us tplaatsen en eier en van vogels te ver nielen of te beschadigen, of nes ten van vogels weg te nemen.

B e s c he r m i ngs r e gi m e B e s c he r m i ngs r e gi m e s oor t e n H a bit a t r ic ht lijn § N a t iona a l be s c he r m de 3 . 2 W nb s oor t e n ( a nde r e s oor t e n) § 3 . 3 W nb Ar t 3.5 lid 1 Ar t 3.10 lid 1a Het is ver boden s oor ten in hun Het is ver boden s oor ten natuur lijk e ver s pr eidings gebied opzettelijk te doden of te vangen. opzettelijk te doden of te vangen.

Ar t 3.5 lid 4 Het is ver boden de voor tplantings plaats en of r us tplaats en van dier en te bes chadigen of te ver nielen.

Ar t 3.10 lid 1b Het is ver boden de v as te voor tplantings pla ats en of r us tplaats en v an dier en opzettelijk te bes chadigen of te ver nielen.

Ar t 3.1 lid 3 Ar t 3.5 lid 3 Niet van toepas sing Het is ver boden eier en te r apen Het is ver boden eier en van en deze onder zich te hebben. dier en in de natuur opzettelijk te ver nielen of te r apen.

Ar t 3.1 lid 4 en lid 5 Het is ver boden vogels opzettelijk te s tor en, tenzij de stor ing niet van wezenlijk e inv loed is op de staat van ins tandhouding van de desbetr effende vogelsoor t.

Ar t 3.5 lid 2 Het is ver boden dier en opzettelijk te ver s tor en.

Niet van toepas sing

Niet van toepas sing

Ar t 3.5 lid 5 Het is ver boden plantens oor ten in hun natuur lijk e ver s pr eidings gebied opzettelijk te pluk k en en te ver zamelen, af te s nijden, te ontwor telen of te ver nielen.

Ar t 3.10 lid 1c Het is ver boden plantens oor ten in hun na tuur lijk e ver s pr eidings gebied opzettelijk te pluk k en en te ver za melen, af te snijden, te ontwor telen of te ver nielen.

Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb

2.1.3

Bescherming van houtopstanden

De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Deze voorwaarden zijn tevens van kracht als het slechts een deel van de houtopstand groter dan 10 are of 20 bomen in een rij betreft. Het onderdeel beschermde houtopstanden heeft geen betrekking op: 12

• houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: • wegbeplantingen; • beplantingen langs waterwegen, en • eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: • ten minste eens per tien jaar worden geoogst; • bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.2

Omgevingsverordening NH2020

In de provinciale Omgevingsverordening NH20203 is vastgelegd welke gebieden vanuit Nederlandse wetgeving worden beschermd in de provincie Noord-Holland. Onderdeel van de beschermd gebieden in de Omgevingsverordening NH2020 is het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland betreft een netwerk aan gebieden en verbindingszones die tezamen één geheel vormen en de Nederlandse natuurgebieden verbinden. Het NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Provinciale Omgevingsverordening NH2020. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe wat inhoud dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN niet zijn toegestaan tenzij deze geen schadelijke effecten op de aanwezige (natuur)waarden hebben. Deze waarden zijn vastgelegd als de “wezenlijke kenmerken en waarden” van het NNN. Elke provincie heeft zelf de regie over de invulling van deze kenmerken en waarden. In tegenstelling tot Natura 2000 is toetsing van externe effecten op de aanwezige kenmerken en waarden in de provincie Noord-Holland niet van toepassing. Provincies zijn vrij dit nader in te vullen. 3

https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Projecten/Omgevingswet/ Omgevingsverordening

13

Naast het NNN kunnen provincies gebieden planologisch beschermen. In sommige provincies zijn deze gebieden vervlochten binnen het kader van het NNN en geldt hiervoor eenzelfde toetsingskader. In Noord- Holland wordt onderscheid gemaakt tussen het Natuurnetwerk Nederland en de Bijzondere Provinciale Landschappen (BPL). Het Bijzonder provinciaal landschap (BPL) omvat gebieden in Noord-Holland die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is zo concreet mogelijk beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. De weidevogelkerngebieden die binnen NNN liggen, vallen nog steeds onder het NNN beschermingsregime. Buiten het NNN hebben wij ervoor gekozen de kerngebieden vanwege de ecologische waarde en kwaliteit van het landschap te laten opgegaan in het BPL met de kernkwaliteit ‘habitat voor weidevogels’. Ook zijn er delen van het voormalig weidevogelleefgebied uit de PRV, die niet onder de kerngebieden vallen, opgenomen in het BPL wanneer er ter plaatse andere kernkwaliteiten aanwezig zijn die wij willen beschermen.

Voormalige weidevogelleefgebieden die niet vallen onder het nieuwe kerngebiedenbeleid en geen andere kernkwaliteiten hebben die wij willen beschermen, vallen in de Omgevingsverordening niet meer onder een beschermingsregime.

14

3

Omschrijving plangebied

3.1

Algemeen

Het plangebied voor deze quickscan omvat leegstaande woningen en aangebouwde (woon)ruimtes. Het plangebied is gelegen aan de Zuiderdracht 15 en 17, Oosterblokker, gemeente Drechterland, provincie Noord-Holland (zie Afbeelding 2).

Afbeelding 2: Ligging plangebied en het onderzochte gebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven (Bron: PDOK)

3.2 •

Beschrijving Het plangebied bestaat uit twee woningen en drie schuren in de bebouwde kom van Oosterblokker.

•

Het gehele plangebied is niet meer in gebruik en de bebouwing is verlaten.

•

De woningen in het plangebied stammen uit bouwjaar 1920 en 19804.

•

Beide woningen zijn opgetrokken uit baksteen en bevatten geen luchtspouw. Het dak bestaat uit een schuin dak met dakpannen.

•

De kantpannen liggen op een houten dakoverstek. Ruimtes tussen kantpannen en het dakoverstek zijn aanwezig.

4

https://bagviewer.kadaster.nl/

15

Afbeelding 3: Zuiderdracht 15 gezien vanaf het zuidoosten. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V. •

Beide woningen bevatten twee woonlagen.

•

De zuidelijke woning met huisnummer 17 bevat houten gevelbekleding vanaf de eerste woonlaag. Op enkele plekken is het hout doorgerot en zijn gaten ontstaan. Er is een ruimte aanwezig tussen de houten gevelbekleding en gevel.

•

Ten westen van de woningen is een aanbouw van één woonlaag aanwezig welke de woningen verbindt. Deze aanbouw is opgetrokken uit baksteen en het dak bestaat uit een plat bitumen dak. Delen in de aanbouw hebben lekkage en op enkele plekken is het plafond uitgerot en ingestort.

•

Een houten boeiboord is aanwezig op de aanbouw. Er zijn geen ruimtes aanwezig tussen het boeiboord en de gevel. Enkele ramen zijn open welke toegang bieden tot de binnenruimtes.

Afbeelding 4: De woningen en aanbouw gezien vanaf het zuidwesten. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V. 16

•

Ten westen van de woningen en aanbouw bevindt zich een loods van twee woonlagen. Het gebouw is opgetrokken uit baksteen en bevat vanaf een halve meter hoog metalen gevelbekleding. Een ruimte is aanwezig tussen de gevel en de metalen bekleding. Het dak is schuin en bestaat uit dakplaten. Aan de westelijke kant is een metalen brandtrap aanwezig. ◦ Aan de westelijke kant in de bebouwing is een kapotte deur aanwezig, welke permanent toegang geeft tot de binnenruimte ◦ Vanaf de toegangsruimte is links een trap aanwezig en een woonruimte rechtdoor. De ruimtes zijn schoon en bevatten geen sporen van dieren. De bovenruimte is niet onderzocht vanwege grote planken welke de toegang deels blokkeerden en onzekerheid van veiligheid van de bebouwing.

•

Ten noordwesten van de woningen zijn twee schuren aanwezig. ◦ De westelijke schuur betreft een houten tuinschuur welke diende als verblijfplaats van verschillende gedomesticeerde dieren. Open deuren geven permanent toegang tot de binnenruimte. ◦ De oostelijke schuur betreft een nissenloods opgetrokken uit metaal. Een open roldeur geeft permanent toegang tot deze schuur.

•

De zuid- en zuidoostkant van het plangebied is bestraat en bevat een graafmachine en opslag van enkele stapels van verschillende materialen.

•

De west- en noordoostkant van het plangebied is onbestraat en begroeid met verschillende soorten vegetatie. ◦ Centraal in het plangebied zijn zes Italiaanse populieren aanwezig. In deze bomen zijn enkele spleten en scheuren aanwezig. Aan de westelijke rand van het plangebied is een rij van een andere soort boom aanwezig. ◦ Boomnesten zijn afwezig. ◦ In de noordelijke helft van het plangebied zijn enkele fruitbomen, struweel en een gazon aanwezig. ◦ De voortuinen van de woningen bestaan uit struweel en enkele bomen.

•

Open water (watergangen, poelen etc.) en vochtige tot natte terreinen (natuurvriendelijke oevers etc.) zijn in het plangebied afwezig. Het plangebied wordt wel begrensd aan de oostelijke en westelijke kant door sloten. In beide sloten betreft de oever een steile maar onbegrensde overgang van land naar water.

•

Straatverlichting is aanwezig rondom het plangebied door middel van lantaarnpalen. Verder bestaat verlichting uit armaturen en plaatselijk gevelverlichting.

17

Aan de oostzijde is de openbare weg Zuiderdracht aanwezig, met asfaltverharding. Ten westen en oosten zijn vrijstaande woningen met grote tuinen en akkers aanwezig. Zie Afbeelding 3, Afbeelding 4 en Bijlage 1 voor een algehele foto-impressie van het plangebied.

3.3 3.3.1

Geplande ingrepen Omschrijving werkzaamheden

Alle huidige bebouwing zal gesloopt worden en het groen wordt verwijderd. In de nieuwe situatie zullen drie vrijstaande woningen en een twee-onder-een-kapwoning gerealiseerd worden. Op het terrein zal ook parkeergelegenheid worden gecreëerd.

3.3.2

Werkplanning, werktijden en realisatieperiode

Een gedetailleerde planning is nog niet beschikbaar. Een doorlooptijd van de werkzaamheden is nog niet bekend. De planning is deels afhankelijk van de conclusies uit voorliggende rapportage.

3.3.3

Methode uitvoering: materieel en werkwijze

De exacte invulling is nog niet bekend.

3.3.4

18

(ontwerp-)tekening

4

Onderzoeksresultaten beschermde gebieden

4.1

Wet natuurbescherming

4.1.1

Natura 2000

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Markermeer en IJmeer op 2,2 kilometer ten zuidwesten van het plangebied (zie Afbeelding 5), en heeft geen stikstofgevoelige habitats. Op grotere afstand liggen Polder Zeevang (11,8 km), de Eilandspolder (16,4 km) en Wormer- en Jisperveld en Kalverspolder (22,5 km). Het laatst genoemde gebied bevat stikstofgevoelige habitats. De werkzaamheden binnen het plangebied behelzen de sloop van gebouwen, het verwijderen van groen en de bouw van van drie vrijstaande woningen en een twee-onder-één-kapwoning. Bij de bouw van drie vrijstaande woningen en een twee-onder-één-kapwoning is de effectafstand 3,3 km (als ontwikkeling plaatsvindt op een afstand groter dan 3,3 kilometer tot een Natura 2000-gebied, is de stikstofdepositie kleiner dan 0,00 mol/ha/jaar). De afstand tot een stikstofgevoelige habitat is 22,5 km. Negatieve effecten in het kader van stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS berekening is niet noodzakelijk.

Afbeelding 5: Plangebied (blauwe speld) en de nabijgelegen Natura 2000 gebieden (blauw). Bron: AERIUS 2020 19

4.2

Provinciale Ruimtelijke Verordening

4.2.1

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie Afbeelding 6. Het meest dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is Schellinkhout aan de zuidzijde van de Zuiderdijk. Dit park ligt op circa 2,4 kilometer ten zuiden van het plangebied5. Dichtstbijzijnde Ecologische verbindingszone bevindt zich op 3,7 km ten noorden van het plangebied. Dit betreft de Kromme Leek. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemde gebieden. In de provincie Noord- Holland is geen sprake van toetsing van externe werking op gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland6. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Provinciale Omgevingsverordening NH2020 wordt niet overtreden.

4.2.2

Bijzonder Provinciaal Landschap

Het plangebied maakt geen deel uit een Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Het dichtstbijzijnde deel van een BPL is een weidevogelkerngebied op circa 15 meter afstand ten noordoosten van het plangebied (zie Afbeelding 6 en Afbeelding 7). Het betreft diverse polders ten noordoosten van de Zuiderdracht. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van bovengenoemde gebieden. In de provincie Noord- Holland is geen sprake van toetsing van externe werking op deze gebieden. Nader (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. De Provinciale Omgevingsverordening NH2020 wordt niet overtreden.

5 6

20

https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/misverstand-ontwikkelingenin-de-nabijheid.html

Afbeelding 6: Ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland en het Weidevogelleefgebied. Bron: https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html? viewer=nbp

Afbeelding 7: Ligging plangebied (grofweg rood omlijnd) ten opzichte van het Weidevogelleefgebied (groen). Bron: https://maps.noordholland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp

21

5

Beschermde houtopstanden

Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Oosterblokker (zie Afbeelding 8). In dit geval wordt de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet overtreden.

Afbeelding 8: Het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom van Oosterblokker.

23

6

Onderzoeksresultaten beschermde soorten

6.1

Soorten Vogelrichtlijn

6.1.1

Bronnenonderzoek

6.1.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil

Beschermingsregime Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest Vogel met jaarrond beschermd nest

Tabel 2: Waargenomen vogels met vaste rust- of verblijfplaatsen binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF geraadpleegd op 1901-2021

6.1.2

Verkennend veldonderzoek

6.1.2.1

Jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Voor zowel huismus als gierzwaluw zijn mogelijkheden in de woningen om vaste rust- en verblijfplaatsen te herbergen. De woningen met pannendaken zijn geschikt voor zowel huismus en gierzwaluw. Huismus kan tot broeden komen onder de pannen daken bij de dakgoot. Ook de kantpannen op de kopgevels bieden geschikte ruimtes. Ook gierzwaluw kan op deze plekken 25

geschikte nestplaatsen vinden. Huismus zou daarnaast eventueel tot broeden kunnen komen in de ruimte tussen de metalen behuizing van de loods. Ook omliggende woningen met dakpannen daken zijn geschikt voor deze soorten. Functioneel leefgebied voor huismus is aanwezig binnen en grenzend aan het plangebied (zie Afbeelding 9). In het plangebied is voldoende hoge vegetatie en struweel aanwezig om in te foerageren en te verblijven. In de omgeving is voldoende geschikt alternatief functioneel leefgebied aanwezig, zoals de tuinen van de omliggende woningen.

Afbeelding 9: Vegetatie in het noorden van het plangebied welke door huismussen gebruikt kunnen worden als functioneel leefgebied. Foto: M.S. de Haan| Ecoresult B.V. Voor uilensoorten zoals kerkuil en steenuil herbergt het plangebied geen geschikte broedplaatsen (geen steenuil- en kerkuilnestkasten aanwezig, geen sporen gevonden, geen geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen). Voor ooievaar zijn geen geschikte plekken in het plangebied aanwezig. Ooievaarsnesten zijn afwezig. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn in de bomen direct rondom het plangebied geen nesten waargenomen die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats van vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Mede op basis hiervan kan aanwezigheid van soorten als ransuil, boomvalk, buizerd, havik, sperwer en roek worden uitgesloten.

26

6.1.2.2

Niet jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten, zoals de boomkruiper en eventueel koolmees en pimpelmees. Sporen van boomkruiper zijn aanwezig in de noordelijke woning met huisnummer 15. Er zijn witte poepsporen aanwezig in de nokken van de korte zijdes van de woning. Koolmees en pimpelmees kunnen eventueel tot broeden komen onder de daken. De bebouwing is daarmee geschikt voor vogels met niet-jaarrond beschermde nesten (zogenaamde Categorie 5-soorten). De directe omgeving van het plangebied is geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten zoals ekster.

6.1.2.3

Algemene broedvogels

Het plangebied en directe omgeving is geschikt als voortplantingsplaats voor andere algemene broedvogels, te weten houtduif, Turkse tortel en merel. Algemene vogels kunnen tot broeden komen in bijvoorbeeld de bomenrij in het westen van het plangebied.

6.1.3

Effectbeoordeling en toetsing

6.1.3.1

Jaarrond beschermde nesten

Potentieel geschikte voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van soorten met jaarrond beschermde nesten in bebouwing zijn in het plangebied aanwezig. Gierzwaluw en huismus kunnen in de daken tot broeden komen. Door de voorgenomen sloop, bouwrijp maken en herontwikkeling van het plangebied kunnen permanente schadelijke effecten optreden op eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus en gierzwaluw. Verbodsbepalingen Art. 3.1 lid 2 (zie Tabel 1) van de Wnb kunnen worden overtreden. Nader veldonderzoek is daardoor nodig om te bepalen of: •

Of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismus in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april – 15 mei (2 veldonderzoeken) of 4 bezoeken tussen 20 maart en 20 juni. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen7 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien huismussen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het

7

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf

27

plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. •

Of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 juni – 15 juli. Totaal zijn 3 veldonderzoeken nodig. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen8 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien gierzwaluw aanwezig is dient een ontheffing in bezit te zijn voordat met verbodsbepaling overtredende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn voor de start van het volgende broedseizoen (mei t/m juli).

•

Het plangebied is voor overige soorten met jaarrond beschermde nesten ongeschikt.

Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria: •

Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).

•

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).

•

Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen.

6.1.3.2

Niet jaarrond beschermde nesten

Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor Categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. • 8

28

Schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op

https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf

bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

6.1.3.3

Algemene vogels

Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus), of een inspectie te laten uitvoeren door een ecologisch deskundige.

6.2

Soorten Habitatrichtlijn

6.2.1

Bronnenonderzoek

6.2.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige dwergvleermuis Watervleermuis Rugstreeppad

Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën

Tabel 3: Waargenomen Habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 19-01-2021

29

6.2.2

Verkennend veldonderzoek

6.2.2.1

Vleermuizen

De bebouwing binnen het plangebied biedt potentie voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. De woningen in het plangebied bevatten meerdere gaten en kieren zoals ingerotte plekken in hout en ruimtes tussen gevels en kantpannen welke toegang geven de ruimte onder het dak waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (zie Afbeelding 10). De schuren ten noordoosten bevatten matig geschikte plekken voor verblijfplaatsen, zoals ruimtes in het dakvlak of tussen verbindingen in de houten balken. Aanwezigheid kan hier echter niet worden uitgesloten. De verwachte soorten zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Het plangebied kan voor deze soorten derhalve een functie hebben als zomer-, kraam- en paar- en winterverblijfplaatsen (zie Tabel 4). Het laatste verblijftype (winterblijfplaats) geldt voor enkele solitaire dieren. Massawinterverblijfplaatsen zijn in het plangebied uitgesloten door beperkte omvang, geringe hoogte en laag temperatuurregulerend vermogen van de bebouwing. Tweekleurige vleermuis wordt op basis van verspreidingsgegevens en zijn zeldzame karakter redelijkerwijs niet verwacht in het plangebied. De soort wordt in Nederland voornamelijk in het late najaar (oktober-december), dat is het paar- en overwinteringsseizoen, aangetroffen. Deze soort lijkt een voorkeur te hebben voor hoogbouw als paarverblijfplaats.

Dergelijke bebouwing is in het plangebied niet aanwezig. De bebouwing rondom het plangebied is eveneens potentieel geschikt voor de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in ruimtes onder dakpannen daken en/of open stootvoegen die toegang bieden tot de luchtspouw. In de Italiaanse populieren zijn spleten aanwezig welke geschikt kunnen zijn voor boombewonende vleermuizen (zie Afbeelding 11), te weten ruige dwergvleermuis. De ruimtes kunnen door deze soorten gebruikt kunnen worden als zomer- en paarverblijfplaats. De bomen aan de oostzijde van het plangebied konden onvoldoende bekeken worden vanaf de westzijde van het plangebied, vanwege aanwezigheid van een sloot aan deze kant. Mogelijk zijn in deze bomen ook ruimtes aanwezig waar boombewonende vleermuizen gebruik van kunnen maken. Voor watervleermuis en rosse vleermuis is het plangebied geschikt als vaste rust- en verblijfplaats, aangezien deze soorten afhankelijk zijn van grotere ruimtes en het zijn bos/parkbewoners. Het plangebied en de directe omgeving kan functioneren als leefgebied bestaande uit vliegroutes (met name de bomenrij en sloot ten westen van het plangebied) en foerageergebied voor vleermuizen. In 30

de omgeving van het plangebied zijn alternatieve mogelijkheden van een vergelijkbare kwaliteit

Essentiele Vliegroute

Essentieel Foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Winterverblijfplaats

Paarverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Zomerverblijfplaats

Soort

aanwezig.

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger

Tabel 4: Soorten welke verwacht worden en bijbehorende functies.

Afbeelding 10: Tussen de kantpannen en houten gevel is voldoende ruimte aanwezig voor vleermuizen en vogels. De witte poepsporen in de nok zijn hoogst waarschijnlijk van boomkruipers. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V.

31

Afbeelding 11: In de Italiaanse populieren zijn spleten aanwezig welke mogelijk kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V.

6.2.2.2

Amfibieën en reptielen

Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van rugstreeppad. Het plangebied of de directe omgeving beschikt niet over geschikte habitats zoals ondiepe poelen met natuurvriendelijke oevers of zandige plekken geschikt als broedhabitat. Het plangebied is gelegen omringd door intensief agrarische bedrijven en bebouwing. De soort komt op ten minste 2,5 kilometer ten zuiden van het plangebiedvoor in de randzone van het IJsselmeer. Migratie naar het plangebied is wegens de afstand en de tussenliggende barrières redelijkerwijs uitgesloten. 32

6.2.2.3

Overige Habitatrichtlijnsoorten

Open water, rivieren en poelen zijn in het plangebied afwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van watergebonden zoogdieren worden uitgesloten. Ecologisch beheerde terreinen zoals akkerreservaten zijn afwezig. In het plangebied is verhard en verruigd terrein aanwezig, waardoor snelgroeiende plantensoorten de overhand hebben genomen. Overige Habitatrichtlijnen worden niet verwacht in het plangebied.

6.2.3

Effectbeoordeling en toetsing

Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) en bomen (ruige dwergvleermuis) is binnen het plangebied niet uit te sluiten. De werkzaamheden (sloop, bouwrijp maken en nieuwbouw) kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Verblijfplaatsen kunnen aanwezig zijn onder het dakvlak toegankelijk via de kantdakpannen en op de korte gevels. De boombewonende vleermuizen kunnen aanwezig zijn in de bomenrij in het westen van het plangebied en de Italiaanse populieren in het midden van het plangebied. Nader onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot 15 juli middels 3 bezoeken en tussen 15 augustus en 1 oktober middels 2 bezoeken om te bepalen of: •

Voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en/of laatvlieger aanwezig zijn binnen en grenzend aan het plangebied. De tussenliggende tijd tussen de veldonderzoeken is minimaal 20 dagen. De aanpak voor het nader veldonderzoek is conform de eisen9 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vleermuizen aanwezig zijn en de verblijfplaatsen door de werkzaamheden niet kunnen worden ontzien dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk.

•

Voor overige vleermuissoorten is het plangebied redelijkerwijs ongeschikt.

Een ontheffingsaanvraag wordt op hoofdlijn getoetst aan de volgende criteria:

9

•

Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie).

•

Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie).

Vleermuisprotocol 2021

33

•

Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving. Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari

mitigerende/compenserende maatregelen.

gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis laatvlieger zomerverblijfplaatsen zomer-/kraamverblijfplaatsen paarverblijfplaatsen/zwermplaatsen

Tabel 5: Onderzoeksperiode en bezoekfrequentie vleermuizen.

6.3

Nationaal beschermde soorten

6.3.1

Bronnenonderzoek

6.3.1.1

Nationale Databank Flora en Fauna

Soort

Soortgroep

Bosmuis Bunzing Egel Haas Huisspitsmuis Konijn Veldmuis Vos Wezel

Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren

Provinciale vrijstelling Ja Nee Ja Ja Ja Ja Ja Ja Nee

Soort

Soortgroep

Ringslang Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Grote vos

Reptielen Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Dagvlinders

Provinciale vrijstelling Nee Ja Ja Ja Ja Ja Nee

Tabel 6: Waargenomen niet vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (Andere soorten § 3.3 Wnb) binnen een afstand van 5 km van het plangebied. Bron: NDFF, geraadpleegd 19-01-2021

34

6.3.2

Verkennend veldonderzoek

6.3.2.1

Vaatplanten

Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde planten aangetroffen. Daarnaast zijn geen oude (kalk-)muren – geschikt voor beschermde muurvegetatie – aanwezig in het plangebied. Het plangebied is deels bestraat en deels verruigd. De verruigde vegetatie betreft snelgroeiende soorten waardoor beschermde vaatplanten geen kans hebben om te groeien. Daarnaast is in het plangebied geen ecologisch beheerde terreinen zoals akkerreservaten of (oude) bossen aanwezig.

6.3.2.2

Zoogdieren

Het plangebied en de directe omgeving zijn potentieel geschikt voor bunzing en wezel, soorten waarvoor in de provincie Noord-Holland geen vrijstelling geldt. In het westen van het plangebied bevindt er opslag van gesnoeide takken (zie Afbeelding 12) en een houtwal op de begrenzing aan dezelfde kant van het gesnoeide materiaal. Deze elementen kunnen gebruikt worden door beide soorten als vaste rust- en verblijfplaats of als jachtgebied.

Afbeelding 12: Opgeslagen snoeimateriaal en houtwal (links op foto) welke mogelijk kan dienen als vaste rust- en verblijfplaats van beschermde marterachtigen. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V. Verder is het plangebied geschikt voor algemene soorten waarvoor in Noord-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. de egel en verschillende soorten (spits-) muizen. Bomen met grote 35

holten en grote boomnesten zijn afwezig, waardoor aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten als boommarter en eekhoorn is uitgesloten. Een enkel passerend dier is niet uitgesloten.

6.3.2.3

Overige soorten

Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in NoordHolland een vrijstelling geldt, zoals gewone pad en bruine kikker. Beschermde amfibieën, reptielen en vissen worden niet verwacht. Open water is in het plangebied niet aanwezig. Grenzend aan het plangebied zijn sloten aanwezig. Ringslang komt op ten minste 3 kilometer afstand van het plangebied voor. Het plangebied is ongeschikt voor deze soort wegens de afwezigheid van broeihopen en natuurlijke habitats om te jagen zoals rietlanden en andere vochtige terreinen. Het plangebied herbergt geen geschikt habitat voor beschermde dagvlinders, zoals grote vos. Deze soort komt voor in de nabijheid van grote solitaire bomen (iep, zoete kers of soms wilgensoorten) welke ontbreken in het plangebied. Op basis van het ontbreken van geschikt habitat komt deze vlindersoort hier niet voor.

6.3.3

Effectbeoordeling en toetsing

Het plangebied is geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie NoordHolland geen vrijstelling geldt, te weten bunzing en wezel. In het westelijk deel van het plangebied zijn houtstapels aanwezig welke kunnen fungeren als vaste rust- en verblijfplaats of potentieel essentieel leefgebied van kleine marterachtigen. De werkzaamheden (sloop, bouwrijp maken en nieuwbouw) zullen de potentiële verblijfplaats wegnemen, waardoor Art. 3.10 van de Wnb door de werkzaamheden kan worden overtreden. Nader onderzoek is daarom noodzakelijk om het voorkomen van kleine marterachtigen in het plangebied in kaart te brengen, om de effecten van de werkzaamheden te beoordelen. Nader onderzoek moet plaatsvinden door middel van het plaatsen van een combinatie van wildcamera’s en Mostela cameravallen gedurende een periode van ten minste zes weken van maart t/m augustus of twaalf weken tussen september en februari10. Het plangebied is hiernaast geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt, zoals algemene (spits)muizen, egel, gewone pad en bruine kikker. nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijde de zorgplicht en is in Noord-Holland de meldplicht van kracht voor deze soorten. Melding kan worden gedaan op de website van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord11.

Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar 10 Bouwens, 2017 11 https://www.rudnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming

36

veilige locaties buiten het werkgebied indien zij onverhoopt toch aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.

6.4

Invasieve exoten

Tijdens het veldbezoek werden geen (onbeschermde) invasieve exotische plantensoorten, zoals Japanse duizendknoop, in het plangebied aangetroffen. Ook is geen groeiplaats van Japanse duizendknoop of andere soorten duizendknoop in het plangebied bekend. Daardoor is het aannemelijk dat Japanse duizendknoop afwezig is.

37

7

Conclusies en aanbevelingen

7.1

Algemeen

In opdracht van Kubiek Ruimtelijk Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen herontwikkeling binnen het plangebied. Deze voorgenomen ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden.

7.2

Beschermde gebieden

7.2.1

Wet natuurbescherming

7.2.1.1

Natura 2000

Significante negatieve effecten van stikstofemissie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten als gevolg van de aard van de werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) en de afstand tot het eerstvolgende Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats. Passend nader onderzoek (naar onder andere stikstofemissies van de aanlegfase en gebruiksfase) – middels de Aerius Calculator) is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming met betrekking tot gebiedsbescherming kan van toepassing zijn.

7.2.2

Omgevingsverordening NH2020

Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig.

7.2.3

Bijzonder Provinciaal Landschap

Het plangebied maakt geen deel uit van de ecologische structuur. Op basis van de afstand tot de 39

nabijgelegen BPL en de aard van de activiteiten en die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van negatieve impact op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Nader (veld)onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

7.3

Beschermde houtopstanden

Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. In dit geval is de Wet natuurbescherming, onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

7.4

Beschermde soorten

7.4.1

Soorten Vogelrichtlijn

7.4.1.1

Jaarrond beschermde nesten

De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen van de huismus en/of gierzwaluw. Hierdoor kan verbodsbepaling Art 3.1 lid 2 zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Nader veldonderzoek is nodig. Indien huismus en/of gierzwaluw aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. Overige Vogelrichtlijnsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht.

7.4.1.2

Algemene vogels en niet jaarrond beschermde nesten

Schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

40

7.4.2

Soorten Habitatrichtlijn

7.4.2.1

Vleermuizen

De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Nader onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.

7.4.3

Nationaal beschermde soorten

Het plangebied is geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie NoordHolland geen vrijstelling geldt, te weten bunzing en wezel. De werkzaamheden (sloop, bouwrijp maken en nieuwbouw) zullen de potentiële verblijfplaatsen wegnemen, hierdoor kan Art. 3.10 van de Wnb (Zie Tabel 1) door de werkzaamheden worden overtreden. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk. Overige Nationaal beschermde soorten zonder vrijstelling in de provincie Noord-Holland worden niet verwacht in het plangebied. Het plangebied is verder geschikt voor soorten zoals algemene (spits)muizen, egel, gewone pad en bruine kikker. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijde de zorgplicht en is in Noord-Holland de meldplicht van kracht voor 41

deze soorten. Melding kan worden gedaan op de website van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord12. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect zoveel mogelijk dient te worden voorkomen.

7.5

Invasieve exoten

Er is ook gekeken naar groeiplaatsen (voor zover waarneembaar) van exoten als Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw. Er werden geen groeiplaatsen van deze soorten aangetroffen. Wellicht is tijdens de quickscan nog geen volledig beeld van alle exoten verkregen.

Vleermuizen Huismus Gierzwaluw Kleine marterachtigen

(min. 12 weken) (min. 6 weken)

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

Samenvatting benodigd onderzoek januari

7.6

(min. 12 weken)

Tabel 7: Samenvatting benodigd nader onderzoek.

7.7

Aanbevelingen

Los van de onderzoeksresultaten, maar als duurzame inrichtingsmaatregel “inclusief bouwen voor vleermuizen en vogels, heeft het de ecologische voorkeur om rekening te houden met de wensen van vleermuizen en vogels in het nieuwe ontwerp. Gebruik bijvoorbeeld inbouwkasten voor vleermuizen en broedvogels binnen het plangebied. Tevens kan worden ingespeeld op te verwachten ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied.

12 https://www.rudnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming

42

8

Geraadpleegde bronnen

8.1

Literatuur

•

Cardinaals J.T.B., J. Daamen, G.F.J. Smit & H. van Ziel, 2019. Woningbouw en Natura 2000. Vuistregels bij het beoordelen van stikstofdepositie. Bureau Waardenburg Rapportnr. 19-246. Bureau Waardenburg, Culemborg.

8.2

Internet

Beschermde gebieden & soorten •

http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx

•

https://www.natura2000.nl/gebieden/Noord-Holland/solleveld-kapittelduinen/solleveldkapittelduinen-doelstelling

•

https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp

Kadastrale Kaarten •

https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bag-viewer/index.html

Kennisdocumenten soorten •

https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/

Nationale Databank Flora en Fauna •

https://ndff-ecogrid.nl/

Natuurwetgeving •

www.rvo.nl

•

https://www.rudnhn.nl/Wet_natuurbescherming/Soortenbescherming

PDOK – Publieke Dienstverlening op de Kaart 43

•

http://pdokviewer.pdok.nl

Vleermuisprotocol 2021 •

44

https://www.netwerkgroenebureaus.nl/downloads/category/20?download=812

Bijlage 1 Foto-impressie plangebied

Het westelijk deel van het plangebied met plantenmateriaal en de nissenloods. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V.

Uitgerotte plekken in de houten bekleding in de zuidelijke woning met huisnummer 17. De plekken kunnen toegang bieden voor gebouwbewonende vleermuizen. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V. 45

De houten schuur in het westen van het plangebied, welke vroeger diende als verblijfplaats van onder andere gedomesticeerde vogels en een pony. Open deuren geven permanent toegang tot de schuur. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V.

De ruimte tussen de metalen behuizing geeft mogelijk toegang tot een plek waar een huismus gebruik van kan maken. Foto: M.S. de Haan | Ecoresult B.V. 46

Bijlage 2 Nader onderzoek vleermuizen, huismus, gierzwaluw en kleine marters - Ecoresult B.V. - ER20211123v01

Zuiderdracht 15-17 Oosterblokker

86

Nader onderzoek vleermuizen, huismus, gierzwaluw en kleine marters In het kader van de Wet natuurbescherming Plangebied: Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker Opsteller(s):

B. Verhoeven & F.A. van Meurs

Nader onderzoek vleermuizen, huismus, gierzwaluw en kleine marters In het kader van de Wet natuurbescherming Colofon Plangebied

Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker

Opsteller(s)

B. Verhoeven & F.A. van Meurs

Datum

02-12-2021

Versienummer

01

Rapportkenmerk

ER20211123v01

Aantal pagina’s

26

Opdrachtgever

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Contactpersoon

R. Hoekstra

Kwaliteitscontrole

K.J. van Veen

Wijze van citeren

Verhoeven, B. & F.A. van Meurs, 2021. Nader onderzoek vleermuizen, huismus, gierzwaluw en kleine marters. In het kader van de Wet natuurbescherming. Plangebied: Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker. Kenmerk: ER20211123v01. Ecoresult B.V., Dordrecht

Ecoresult B.V. Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl © copyright Ecoresult B.V. 2021

2

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

Ecoresult B.V. December 2021

3

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Onderzoeksvragen

6

1.3

Leeswijzer

6

Omschrijving plangebied

7

2.1

Algemeen

7

2.2

Beschrijving

7

2.3

Geplande ingrepen

8

2.3.1

Omschrijving werkzaamheden

8

2.3.2

Werkplanning, werktijden en realisatieperiode

9

2.3.3

Methode uitvoering: materieel en werkwijze

9

2.3.4

(Ontwerp)tekening

9

Onderzoek beschermde soorten

10

3.1

Werkwijze

10

3.2

Volledigheid onderzoek

12

3.2.1

Algemeen

12

3.2.2

Vleermuizen

13

3.2.3

Huismus

13

3.2.4

Gierzwaluw

13

3.2.5

Steenmarter en kleine marters

14

Resultaten nader onderzoek

15

4.1

Vleermuizen

15

4.1.1

Gewone dwergvleermuis

15

4.1.2

Ruige dwergvleermuis

16

4.1.3

Laatvlieger

17

4.2

Huismus

18

4.3

Gierzwaluw

19

4.4

Kleine marters

19

4.5

Conclusie onderzoeksresultaten

20

Effectbeoordeling

21

5.1

Gewone dwergvleermuis

21

5.2

Ruige dwergvleermuis

21

5.3

Laatvlieger

21

5.4

Huismus

21

5.5

Gierzwaluw

21

5.6

Steenmarter en kleine marters

21

6

Maatregelen

22

7

Conclusies en aanbevelingen

23

7.1

Conclusies

23

Geraadpleegde bronnen

24

8

4

8.1

Literatuur

24

8.2

Internet

24

Ecoresult B.V. December 2021

5

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Ecoresult B.V. een nader onderzoek naar vleermuizen, huismus, gierzwaluw en kleine marters uitgevoerd in het plangebied: Zuiderdracht 15-17, Oosterblokker. De aanleiding voor dit verzoek is de voorgenomen herontwikkeling binnen het plangebied (zie verder paragraaf 2.3). Uit een verkennend veldonderzoek uitgevoerd door Ecoresult B.V. in 20211 is gebleken dat in de bebouwing en omliggend groen potenties aanwezig zijn voor voortplantings- en vaste rusten verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger), huismus, gierzwaluw en kleine marters (bunzing, wezel). Zodoende was nader onderzoek naar deze soort(groep)en noodzakelijk om te vast te stellen of deze soorten inderdaad aanwezig zijn en zo ja, hoe in het kader van de Wet natuurbescherming gehandeld dient te worden. In voorliggende rapportage worden de onderzoeksresultaten beschreven. De resultaten van voorliggende rapportage zijn drie jaar geldig. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen wijzigen dient het onderzoek te worden geactualiseerd.

1.2

Onderzoeksvragen In het onderzoek worden 5 onderzoeksvragen beantwoord: 1.

Zijn vleermuizen, huismus, gierzwaluw en/of kleine marters aanwezig?

2.

Welke functie(s) heeft het object of het gebied voor vleermuizen, huismus, gierzwaluw en/of kleine marters?

3.

Blijft de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en/of het essentiële functionele leefgebied behouden?

4.

Is ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk?

5.

Welke eigenschappen van het object of gebied moeten gemitigeerd of gecompenseerd worden?

1.3

Leeswijzer In deze rapportage worden allereerst het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna volgt een beschrijving van de werkwijze van het onderzoek, de resultaten van het onderzoek en een effectbepaling van de geplande werkzaamheden. Aansluitend wordt beschreven welke maatregelen genomen dienen te worden negatieve effecten te voorkomen of te verminderen. Er wordt afgesloten met de conclusies en aanbevelingen.

1

De Haan, 2021

Ecoresult B.V. December 2021

6

2

Omschrijving plangebied

2.1

Algemeen Het plangebied voor deze quickscan omvat leegstaande woningen en aangebouwde (woon)ruimtes. Het plangebied is gelegen aan de Zuiderdracht 15 en 17, Oosterblokker, gemeente Drechterland, provincie Noord-Holland, zie Figuur 1.

Figuur 1: Ligging plangebied, voor regionale ligging zie kaartinzet rechtsboven (Bron: PDOK)

2.2

Beschrijving 

Het plangebied bestaat uit twee woningen en drie schuren in de bebouwde kom van Oosterblokker.

Het gehele plangebied is niet meer in gebruik en de bebouwing is verlaten.

De woningen in het plangebied stammen uit bouwjaar 1920 en 1980 .

Beide woningen zijn opgetrokken uit baksteen en bevatten geen luchtspouw. Het dak bestaat uit een schuin dak met dakpannen.

De kantpannen liggen op een houten dakoverstek. Ruimtes tussen kantpannen en het dakoverstek zijn aanwezig.

Beide woningen bevatten twee woonlagen.

De zuidelijke woning met huisnummer 17 bevat houten gevelbekleding vanaf de eerste woonlaag. Op enkele plekken is het hout doorgerot en zijn gaten ontstaan. Er is een ruimte aanwezig tussen de houten gevelbekleding en gevel.

Ten westen van de woningen is een aanbouw van één woonlaag aanwezig welke de woningen verbindt. Deze aanbouw is opgetrokken uit baksteen en het dak bestaat uit een plat bitumen dak. Delen in de aanbouw hebben lekkage en op enkele plekken is het plafond uitgerot en ingestort.

Een houten boeiboord is aanwezig op de aanbouw. Er zijn geen ruimtes aanwezig tussen het boeiboord en de gevel. Enkele ramen zijn open welke toegang bieden tot de binnenruimtes.

Ten westen van de woningen en aanbouw bevindt zich een loods van twee woonlagen. Het gebouw is opgetrokken uit baksteen en bevat vanaf een halve meter hoog metalen

Ecoresult B.V. December 2021

7

gevelbekleding. Een ruimte is aanwezig tussen de gevel en de metalen bekleding. Het dak is schuin en bestaat uit dakplaten. Aan de westelijke kant is een metalen brandtrap aanwezig. 

Aan de westelijke kant in de bebouwing is een kapotte deur aanwezig, welke permanent toegang geeft tot de binnenruimte

Vanaf de toegangsruimte is links een trap aanwezig en een woonruimte rechtdoor. De ruimtes zijn schoon en bevatten geen sporen van dieren. De bovenruimte is niet onderzocht vanwege grote planken welke de toegang deels blokkeerden en onzekerheid van veiligheid van de bebouwing.

Ten noordwesten van de woningen zijn twee schuren aanwezig.

De westelijke schuur betreft een houten tuinschuur welke diende als verblijfplaats van verschillende gedomesticeerde dieren. Open deuren geven permanent toegang tot de binnenruimte.

De oostelijke schuur betreft een nissenloods opgetrokken uit metaal. Een open roldeur geeft permanent toegang tot deze schuur.

De zuid- en zuidoostkant van het plangebied is bestraat en bevat een graafmachine en opslag van enkele stapels van verschillende materialen.

De west- en noordoostkant van het plangebied is onbestraat en begroeid met verschillende soorten vegetatie.

Centraal in het plangebied zijn zes Italiaanse populieren aanwezig. In deze bomen zijn enkele spleten en scheuren aanwezig. Aan de westelijke rand van het plangebied is een rij van een andere soort boom aanwezig.

Boomnesten zijn afwezig.

In de noordelijke helft van het plangebied zijn enkele fruitbomen, struweel en een gazon aanwezig.

De voortuinen van de woningen bestaan uit struweel en enkele bomen.

Open water (watergangen, poelen etc.) en vochtige tot natte terreinen (natuurvriendelijke oevers etc.) zijn in het plangebied afwezig. Het plangebied wordt wel begrensd aan de oostelijke en westelijke kant door sloten. In beide sloten betreft de oever een steile maar onbegrensde overgang van land naar water.

Straatverlichting is aanwezig rondom het plangebied door middel van lantaarnpalen. Verder bestaat verlichting uit armaturen en plaatselijk gevelverlichting.

Aan de oostzijde is de openbare weg Zuiderdracht aanwezig, met asfaltverharding. Ten westen en oosten zijn vrijstaande woningen met grote tuinen en akkers aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12083167/1